Image Tien Image

Vandaag is het Sarphatihuis het Shaffyhuis. Het is feest. Ramses wordt zeventig. Voor wie het weet, lijkt de hele stad verheugd. De kleuren van de trams zijn zonniger, de wolkenlucht helderder en het is alsof iedereen een klein beetje lacht. Zal Ramses weten van het feestje? Vorige week begon hij al wel te vissen. ‘Ik zie allerlei voorbodes van dat er iets gaande is. Mijn zusje Aya is ook in Nederland. We wachten wel af,’ zei hij rustig. We lopen naar de deur van het Sarphatihuis. Alles is onveranderd. Dezelfde dame achter de receptie, dezelfde geur en ook de geluiden verschillen niet.

Daar is Edith! Haar gezicht wordt een lach, haar ogen glimmen. ‘Ga maar naar boven, hoor! Ramses zit nog beneden, die komt met Jeroen en Herma Krabbé mee. Gaan jullie maar vast.’ Ik neem de hand van Ariane en leid haar de trap op. We omhelzen de zangeres M. Ze was al boven. De Regentenzaal is een witte ruimte, met oude ornamenten. Links wacht de vleugel, rechts staat de drank. De tafels en stoeltjes zijn alleen voor genodigden. Eerst maar een spa'tje-rood, besluiten we.

Edith is nog druk met ‘de laatste dingetjes’. Ze blijft maar lachen. ‘Hij komt eraan hoor!’

Blij verrast steekt het hoofd van Ramses om de deur. ‘Wat is dit?’ Hij rollatort naar binnen. Jeroen en Herma volgen hem. Shaffy zwaait naar me. Ik knipoog en zie dat hij gaat zitten op de hoek van een lange tafel. Van de Krabbé's krijgt Shaffy een vergroting van een foto uit de jaren zestig. Ramses heeft er een aap op zijn schouder, en danst met een meisje in wie ik Herma herken. ‘Het moet 1964 zijn geweest in De Berenklauw,’ hoor ik Jeroen zeggen.

Dan voel ik de warme hand van Ramses op mijn wang, ik buig voorover en zoen mijn gelukswensen net naast zijn mond. Ariane en ik geven hem een lachende Boeddha. ‘Zo zie ik je wel een beetje,’ zeg ik, ‘en als je wilt weten waarom deze Boeddha zo lacht, moet je hem omdraaien.’ Ramses kijkt me guitig aan, houdt het beeldje ondersteboven en bekijkt met grote ogen het Kamasutra-tafereeltje van twee vrijende mensen. ‘Ha, ha… daar zou ik ook vrolijk van worden!’ Het beeldje krijgt een plek op de tafel.

De zaal loopt langzaam vol. Peter is er, met zijn vriendin Nora. Joop Admiraal, Sylvia de Leur, Kitty Courbois… Daar is de brede lach van Coco, de prachtige donkere zangeres uit New York en Willeke Alberti. Ik ben aan een tafeltje gaan zitten, neem alles in me op. Het is het laatste deel van de reis, een thuiskomst, maar ook een afscheid van een heerlijke tijd. Ik kijk om me heen, luister naar hoe mensen elkaar begroeten, ik zie wie bij elkaar gaan staan, en wie wat drinkt. Bella komt binnen met haar vriend Rama. Ze draagt een strakke rode jurk. Even later komen er nog twee Bella-achtige vrouwen binnen, met kleurrijke kleren. Het zijn haar zussen. Alledrie zijn ze sannyasin.

Shaffy houdt me in de gaten. Telkens als ik naar hem kijk, kijkt hij net weg, om een halve seconde later me weer op te zoeken met een geamuseerde glimlach.

Vorige week zaten we beneden. Het was onze laatste echte gesprek voor het boek over zijn leven. Er was wijn en er was een enorme rust. Soms zeiden we minutenlang niets tegen elkaar. Pijnlijk werden de stiltes nooit. Het ging ook niet meer om de woorden.

We zaten bij elkaar en keken voor ons uit. Een jaar aan gedachten stroomde in een paar minuten voorbij. De eerste keer dat ik bij Ramses kwam, had ik nooit kunnen vermoeden wat er los zou komen. Wat wist ik van de man naast me? Ik zou een boek schrijven, een reis maken naar het onbekende. Een reis om de reis. Je zou in het leven van Shaffy kunnen verzuipen, en misschien was dat ook wel gebeurd. ‘Waar denk je aan?’ vroeg Ramses. Zijn ogen waren rustig, zijn stem zacht.

‘Aan dat ik werkelijk geen idee heb, wat ik over je moet gaan schrijven,’ zuchtte ik, ‘alle data, alle es-cá-pá-des? Alle toneelstukken, ik weet alleen wat ik voel.’ Hij grinnikte, keek me lang aan, alsof hij me wilde hypnotiseren.

‘Je moet het ook doen vanuit je gevoel, over wat we samen hebben beleefd. Laat het maar komen. Zie maar.’

Ik dronk van mijn wijn, dacht na. Ramses zei: ‘Al mijn vrienden die je hebt ontmoet hebben je verteld wat ze wilden vertellen. Tussen hen en mij, en tussen hen en jou heerst een groot vertrouwen. Vanuit dat levensgevoel heb ik altijd gewerkt… Ik ben kwetsbaar. Gelukkig hebben mensen daar weinig misbruik van gemaakt. Ik heb meer gekregen dan ik stompen heb gehad.’

‘Raakten recensies je dan niet?’

‘Ja zéker! Ja zeker, maar ja het voordeel van recensies… dat is er maar ééntje die dan zo schrijft, en dan heb je nog een stelletje anderen, dat schrijft dan het tegenovergestelde. Je hoeft je daar niet druk over te maken. Geloof in jezelf.’

‘Het lijkt wel of jij helemaal geen moeite ermee hebt om te zeggen

“Pats, hier ben ik…”’

‘Nou ja, het liefst heb ik helemaal niet het gevoel van “Pats, hier ben ik” omdat ik gewoon al bén. Ik heb gewoon gedaan wat ik wilde, bijvoorbeeld Chantant…’

‘Daar heb je toch lef voor nodig?’

‘Jawel, maar je krijgt ook meteen respons, hoor. Daar ga je op verder. En dat is ook een soort geloof dat je in jezelf moet hebben. Het heeft meer te maken voor het gevoel voor avontuur dat ik heb. Daarom doe je dingen, probeer je iets uit. Dat zal ik tot aan mijn dood hebben. Ik heb altijd het gevoel gehad, dat dingen kunnen in het leven. Als ik ergens in geloofde, als de inspiratie er was, dan begon ik eraan. Of inspiratie? Die is er gewoon. Nou ja, en dan pikte het leven dat op…’

‘Heb je nog artistieke ambities?’

‘Ach… maar als ik morgen word gevraagd om in een theaterstuk te spelen, of ik een concert kan geven, dan doe ik dat, dan ben ik vreselijk benieuwd…’

‘En klinken er nog nieuwe liederen in je?’

‘Wie weet, af en toe heb ik het wel eens, dan ga ik achter de vleugel zitten. Ik heb er een paar opgenomen boven, wie weet komt er nog wel een keer een plaat van me… je weet nooit, maar voordat er weer een plaat komt, moet je eerst geléééfd hebben. Ik leef nu wel, maar in zulke vreemde omstandigheden, met al die oude mensen om me heen. Het enige liedje dat ik gemaakt heb hier, dat gaat over een oude man die een zuster roept, en dat is een van de eerste liedjes die ik over oude mensen schrijf… maar mijn leven, dat heeft veel meer te maken met jonge gevoelens. Ik moet eerst verliefd worden, en eh… heel fijn met elkaar naar bed.’ Hij keek me aan en lachte. Ook mijn lippen bewogen: ‘Dat inspireert?’

‘Jahaa!’ kirde Ramses, ‘dan is er een nieuw leven begonnen… zo is het altijd gegaan, zo komt het altijd, daar komt het allemaal vandaan… Je moet vertrouwen hebben. Ga het nu maar schrijven, ga het maar doen.’ Zijn hand kwam naar mijn been, maar nu vaderlijk. Het gaf me kracht. Ik sloot mijn ogen en voelde hoe hij naar me keek. Ik was nu, ik was hier, hij ook.

‘En de presentatie van je boek moet een mooi feest zijn,’ zei Shaffy. ‘Ja, heb je iets in gedachten?’

Ramses veranderde in de kwajongen en zei: ‘In onze blote kont op de Dam.’

‘Ja,’ vulde ik aan, ‘zeker, met het boek in onze handen!’

‘Dat zou heerlijk zijn.’

Ik keek Ramses aan, zag de scène helemaal voor me. Ramses en ik naakt op de Dam. Hij met zijn rollator en ik met een stapel boeken. Ik barstte in lachen uit: ‘Halen we in ieder geval het NOS-journaal!’

‘Dat zou écht heerlijk zijn,’ grijnsde hij.

De verjaardagstafel is veranderd in een zonnebloemenzee. Drie muzikanten en twee zangeressen brengen muziek. Ze zingen Sammy. Shireen staat midden in de zaal. Een kind in de Bijenkorf dat haar ouders kwijt is. Onder een prachtige gele jurk draagt ze ‘kekke’ laarsjes. Haar gezicht zwicht haast onder de emotie. Ze ontmoet haar eigen leven. Oog in oog, staat ze, met de mensen bij wie ze hoort. Ze loopt naar Ramses, vier armen sluiten twee harten in.

Links van me, bij de tafel met drankjes staat Edith. Ze kijkt blij uit haar ogen. Dit feest is ook voor haar. De laatste twee jaar zijn voor haar Shaffy-jaren geweest. We kijken elkaar even aan. Ik denk terug aan de middag in haar kamertje beneden. Boven de deur staat Medisch Secretariaat. Met een cameltje-light in de hand leunde ze achterover in haar stoel. Achter aan de muur hing een kaart. ‘We geloven niet in wonderen. We rekenen erop’, stond er in rode letters op gedrukt.

‘Het was februari 2001, we wisten dat Ramses kwam. Ik vond het leuk en niet leuk,’ zei ze, ‘leuk omdat ik altijd al wat met hem heb gehad. Mijn vader draaide zijn muziek, en toen ik als vijftienjarig meisje voor het eerst naar een theatertje ging, was dat naar Shaffy Chantate, met Thijs van Leer en Marjol Flore.’ Ze blies haar rook uit en wachtte. Het Sarphatihuis was stil. Edith zei zacht: ‘En niet leuk… om hem zo te zien. Ramses was zo slecht, er kwam geen woord uit. Hij kwam dan wel naar beneden, naar het Atrium… het was een lege huls. Hij wilde uit het Lucas ziekenhuis al weglopen naar de kroeg, ook hier stond hij de eerste weken met zijn jas aan in de gang. Wilde hij naar huis gaan, hij wilde hier niet blijven. En dan moest Peter halsoverkop komen opdraven om hem rustig te krijgen, die bracht hem naar het Atrium.’

Mijn hoofd is even bij Ramses. Er zal heus wel iets met hem gebeurd zijn. Voor zo'n vrije ziel is het gewoon klote om afhankelijk te worden. Dat is het allerergste voor hem, dacht ik.

Het licht in Ediths ogen veranderde. De zon kwam door. ‘Na een tijdje ging het goed. Je ziet hoe goed hij is,’ zei ze trots, ‘hij is nu zo goed, dat komt ook door de drie erren, reinheid, rust en regelmaat. Net als bij baby's, is dat ook goed voor hem. Vooral dat op tijd eten, dat deed hij de laatste jaren natuurlijk niet… Maar dit is natuurlijk niet een plek waar hij hoort. Als ik niet zou werken, zou ik hem morgen meenemen. Vanavond nog. Lekker met anderen wonen, een gezinsleven, dat is het beste.’ Edith lachte, drukte haar peuk uit in het asbakje en zei: ‘Maar het is toch wel zijn stekkie geworden.’

‘Hoe is het tussen jullie gegaan?’ vroeg ik.

Onmiddellijk trokken haar mondhoeken omhoog: ‘We zagen elkaar en wisten dat het goed was. Het klikte gewoon. Op een gegeven moment vroeg hij of ik een keer bij hem aan tafel kwam zitten en ja, het is zo gegroeid. We houden van elkaar. Liesbeth zegt ook al, Ramses weet altijd weer mensen uit te pikken die voor hem rennen, die alles voor hem doen, en ze doen het nog met liefde ook, maar hij geeft ook zo veel liefde terug. Het is een wisselwerking. Hij geniet zo van de kleine dingen, warmte, liefde, aandacht, twee armen om hem heen, dat is het allerbelangrijkste. Geen gezeik en gedoe. Hij pikt die types er ook meteen uit. Dan is het ook pats weg!’ We glimlachten. Shaf was altijd duidelijk in wat hij voelde, als hij blij was omarmde hij, als hij iets niet zag zitten, dan meldde hij dat ter plekke.

‘Het gaat nu zo goed met hem, zo goed. Dit had niemand gedacht twee jaar geleden. Officieel kun je helemaal niet herstellen van die ziekte die hij heeft… Korsakov. Hij heeft zo'n sterk lichaam, zo'n sterke geest, dat hij ook hierin weer afwijkt. Sinds de documentaire van Pieter Fleury is er ook weer veel aandacht voor hem, en daardoor bloeit hij ook op.’

Ik dacht aan de film. Ramses achter de vleugel, zingend over de stilte van zijn stad. Dat was vlak voordat hij opgenomen zou worden in het Lucas. De film lichtte een tip van de Shaffy-sluier op. De documentaire was de openingsfilm van het Nederlands Film Festival, en werd bekroond met een Gouden Kalf. De reacties waren verdeeld. De één vond het een openhartig beeld van Ramses, voor anderen was het niet de Shaffy zoals zij hem kenden. Zo zal het altijd zijn. De film had mij aangegrepen en heeft in ieder geval de restauratie betekend van een levend kunstwerk dat Ramses is.

Pieter had me verteld over de première. Heel zorgvuldig was alles doorgesproken. De pershausse maakte een publiciteitsstrategie erg moeilijk. Heel Nederland leek te wachten op Shaffy in het openbaar. Voor het eerst sinds jaren. De talkshow Barend en Van Dorp was op 19 september 2002 de eerste die serieus aandacht besteedde aan Shaffy en de film. Het risico was groot. De twee journalisten stonden niet bekend om hun gevoeligheid. Hoe zouden ze Ramses benaderen? Toch wilde Shaffy graag in dat programma verschijnen. Tegelijkertijd speelde in zijn hoofd de vraag of hij het nog wel kon, een uur televisie, live! Een maand lang heeft Shaffy zich voorbereid op die bewuste avond.

Ramses en Pieter werden opgehaald met de taxi en het werd een fantastische avond. Ik herinner me dat mijn ziel een gevoel uit mijn ogen perste, dat niet van mij kon zijn, maar dat ik toch zo ervoer. Ik kende Ramses toen nog helemaal niet, had alleen een diep gevoel, zoals zo veel Nederlandssprekenden. Het verhaal van de Pontiac, vertelde hij, en hij nam plaats achter de piano. Hij zong: ‘Ik houd van je! Ik houd van je! Maar je weet het niet, zodat je het ook niet kunt vergeten!’

Image

10 december 2002. Ramses laat zijn Zilveren Medaille van de stad Amsterdam vol trots zien aan Mary Dresselhuys.

Die nacht zaten Pieter en Ramses alleen op het plein in het Atrium. Er was wijn. ‘Wil je dat ik ga spelen in Utrecht?’ vroeg Ramses doelend op de premièreavond van de film.

Pieter zei: ‘Iedereen die in de zaal zit, zou dat willen.’

‘Nee,’ zei Ramses, ‘het moet geen anticlimax worden met veel…’ Hij besefte dondersgoed de beladenheid van de avond.

‘We beslissen het gewoon ter plekke,’ zei Pieter, ‘ik zorg voor een vleugel achter het doek. Ik haal je naar voren, en als jij het wilt… dan kan het, zo niet, dan niet.’ En zo geschiedde.

Op de premièreavond haalde Pieter Ramses naar voren. Hij stak zijn hand uit en hielp Ramses het podium op. ‘Ik speel niet!’ siste Shaffy in het oor van de filmmaker. Eenmaal op het toneel gebeurde het onverwachte. Nadat eerst de cd met de filmmuziek was uitgereikt, werd Ramses door de staatssecretaris geridderd. De zaal werd één uitzinnig applaus. Ramses groeide in zijn vertrouwen. Het publiek zou hem graag willen horen pianospelen. Alles hing af van zijn stemming, zijn gevoel en vertrouwen.

‘Wil je toch spelen?’vroeg Pieter. Ramses had hem aangekeken, en voelde de verwachting van de zaal.

‘Ja, doe maar,’ zei hij professioneel.

Na het ridderschap volgden ook nog ‘De Blijvend Applausprijs’ en de Zilveren Medaille van de stad Amsterdam. Het was 10 december 2002. De stad dankte openlijk haar onburgerlijkste burger. In de ambtswoning van burgemeester Cohen kwamen de Shaffianen en petit comité bijeen. ‘Groots en meeslepend wil ik leven,’ begon Cohen, ‘velen kennen deze dichtregel, maar slepen zich door het leven. Elke dag schikken zij zich weer in hun lot en ondergaan werktuiglijk de tredmolen van het bestaan. “Groots en meeslepend leven” blijft een dagdroom die voor de meeste mensen niet is weggelegd. Een gebrek aan lef, een gebrek aan fantasie, wie zal het zeggen?

In elk geval heeft Ramses Shaffy getoond over een schier onuitputtelijke hoeveelheid fantasie en lef te beschikken. Hij werd de verpersoonlijking van de woorden van Marsman in een tijd waarin Neder- land langzaam wakker werd uit de grauwsluier van de naoorlogse decennia. Zijn optreden sloeg in als een meteoor; de muzische komeet Ramses Shaffy. Zijn charismatische uitstraling en energieke verschijning gaven elan aan de jaren zestig. Zijn optimisme – zo mooi verwoord in Sammy – en zijn levenslust werkten aanstekelijk op het Amsterdam. Hij heeft Amsterdam nog unieker gemaakt dan zij als was. […]

Met een – alle risico's negerende – gretigheid wordt het hoofdstedelijk bestaan gevierd […] Ramses Shaffy, u hebt mede Amsterdam gemaakt tot de stad die zij nu is. Met poëzie en protest, op spontane en spectaculaire wijze, en als dromer en dwarsligger hebt u latere generaties geïnspireerd en gestimuleerd. De stad Amsterdam is u erkentelijk voor al het werk dat u in en voor de stad hebt verzet.’

Er klonk gestommel op de gang. Ik schrok op en keek langs Edith naar de deur. Een deur ging open, Ramses stak zijn hoofd naar binnen: ‘Kijk, hier ging het me om!’ Ramses was zongebruind teruggekeerd van een weekendje Antwerpen. Hij opende zijn armen en zei: ‘Mijn lieve schat, ik heb je zo gemist!’

Het klonk alsof hij een maand was weg geweest. ‘Ik jou ook, kom lekker zitten,’ zei Edith. Ik stond op en schoof een stoel naar Ramses.

Hij zei: ‘Ten eerste ben ik zo blij dat ik Edith zie, maar ook dat ik jou zie, ook… begrijp je?’ Hij kneep zijn ogen even dicht.

‘Je hebt lekker in de zon gezeten, zie ik,’ zei ik.

‘Jaahaa, het was een heerlijke tijd. Ik zit hier altijd binnen, dus ik moest het er maar van nemen.’

Shaffy wendde zijn gezicht tot Edith: ‘Ik heb je echt gemist… en dat is gek hoor, dat je maar een paar dagen bent weg geweest, dat je iemand dan al kunt missen. Maar ook terugkomen, en weer worden ondergedompeld in dit leven, waar ik nu weer in zit, dat is vreemd, hoor. Dan zie ik die gillende dame weer, en die man die hier altijd rondrijdt…’

Edith onderbrak hem: ‘Ben je al boven geweest?’ Ik wist waarop ze doelde. Tijdens Ramses’ uitstapje met zijn goede vriend Bouke naar de Belgische havenstad, had Edith Shaffy's Sarphati-kamertje opgeruimd. Volgens haar stond alles hutje mutje vol, lag er van alles op de grond. Overal lagen muntjes, boeken, flessen en kleren. Ramses was gevallen over een vaas narcissen. Zelf zei hij dat hij een aanvaring had gehad met prachtige gele bloemen.

Ramses wist dat Edith zijn kamer zou herindelen. Hij vond het niets. Een beetje nors keek hij haar aan: ‘Nee, nee, dat heb ik nog even uitgesteld… ik vind niet dat je het had moeten doen, hoor.’

‘Wat moet doen?’

‘Ik moet zo maar eens even kijken wat ik aantref, misschien valt het me niet eens op.’

Edith lachte rook: ‘Nou, ik denk dat je nu alles weer kunt vinden.’

‘Dat kan ik nooit meer!’ antwoordde Shaf. Ik wist niet of hij nu bozig was of dat hij het speelde. ‘Dat bedoelde ik juist, zo meteen kan ik niets meer vinden,’ bromde hij.

Edith boog voorover, zette haar ellebogen op tafel en zei rustig: ‘Wat ook lekker is…’

‘Ja, dat vind jij lekker! Maar ik wóón daar!’ walste Shaffy over haar heen.

‘Dat weet ik, maar ik heb dingen teruggevonden die je kwijt was… dat soort dingen.’

Shaffy keek haar strak aan, maar zijn blik verzachtte razendsnel: ‘Het zal wel goed zijn… het zal wel goed zijn…’ Hij greep de hand van Edith, en kneep zachtjes: ‘Je had het niet moeten doen, als ik een paar dagen weg ben.’

‘Ik had het wel aangekondigd.’

Ze knikten naar elkaar, en lieten los. Edith pakte een kaartje vanuit de stapel post.

‘Kijk!’ zei ze, ‘er is weer een Ramses geboren!’ Ze overhandigde Shaffy een geboortekaartje. De man naast me reageerde verheugd: ‘Weer een Ramses, o, wat enig!’

Edith knikte enthousiast: ‘Dat gebeurt wel vaker, dat mensen hun kinderen vernoemen. Laatst nog kwam er een vrouw naar hem toe, om te vertellen dat haar kleinkind Sammy was genoemd, vanwege zijn liedje. Of Aram, dat hoor je ook wel.’ Ze nam het geboortekaartje van tafel, waar Shaffy het had neergelegd en las: ‘Ramses is zijn roepnaam, uit respect en bewondering vernoemd naar de man die verslaafd is aan het leven.’

Shaffy was blij: ‘Wat mooi gezegd… aan het leven, ja. Dit keer dus niet eens aan de drank, of aan de sigaretten, maar aan het leven. Ja, ik vind het mooi…’ Zijn hand bewoog traag door zijn haar. Je zag dat hij woorden zocht. Hij zei: ‘Dat was laatst ook in een restaurant, toen riep iemand: “Ramses!” Ik keek om, toen bleek het om een heel klein jongetje te gaan, dat langs mijn tafel liep.’

Shireen zit naast Ramses. Hun handen zijn verstrengeld. Vijftig jaar lief en leed in tien vingers. Ik heb wijn gehaald en ben bij Joop gaan zitten. Wie vertelde het me, dat mensen in de rouw waren toen Ramses en Joop uit elkaar waren. De droomprinsen. Ik weet het niet meer.

Na een paar korte zinnen en felicitaties ontstaat ons gesprek. Hij kijkt met zo veel liefde naar Ramses. ‘We hadden enorme crises,’ zegt Joop teder, ‘het naarste moment was dat Ramses tegen me zei dat hij verliefd was op iemand en was vreemdgegaan. Dat was het ergste moment van mijn leven tot dan toe. Het was net een Griekse tragedie. Ik kon alleen nog maar loeien van verdriet, niet eens meer ademen. Ik wilde toen ook een tijdje niet meer aangeraakt worden door hem, maar dat is toch overgegaan. We zijn uiteindelijk wel bij elkaar gebleven. Omdat hij uiteindelijk ook niet weg wilde en ik ook niet dat hij weg zou gaan. Ik kreeg ook veel liefde van hem.’

‘Was het ook zijn strijd, die ontrouw, of zocht hij de verlokking juist op?’

‘Ik denk dat hij het meer gewoon vond, want hij had iets van: ik houd toch van jou, dus het doet niets af aan de liefde voor jou… Van die mannenpraat, eigenlijk. En dan ging ik ook met andere mannen naar bed. Dat vond ik ook wel geil, en dan wist ik ook wel dat die andere mensen op me vielen, maar ik deed het vooral om Ramses te straffen. Het was wraak. Als jij het doet, doe ik het ook… Eigenlijk wilde ik gewoon trouw.’

‘Dus je vertelde het ook?’

‘Nee, maar het kwam wel uit… Ik was dan een nacht niet thuis. Dan was hij boos, want ik mocht dat niet doen… Hij zelf wel, vond hij. Ramses vond het niet erg als hij er 's nachts niet was, maar ik vond het wel erg. Het ging ook eigenlijk alleen maar om seks. Bij hem ging het ook wel om vrijheid… hij wilde vrij zijn, maar toch ook wel een vaste vriend.’ Ik grinnik en kijk naar Ramses. Hij is in gesprek met zijn zus Aya. Shaffy… pendelend tussen ongebondenheid en zo graag ergens bij willen horen. Thuis willen komen. Een lied in me, Shaffy's stem: ‘Eens komt hij thuis, eens in de honderd jaar vindt-ie zijn huis.’ Joop zwijgt, zijn ogen zijn als Schotse meren. Eeuwig gehuld in geheimzinnigheid.

‘Zo is het ook geëindigd?’ vraag ik.

‘Ja, het is heel langzaam uit gegaan. Ik ben een week of zes, of twee maanden bij mensen gaan logeren, een keer drie maanden, een keer een halfjaar. En dan kwamen we weer bij elkaar. We konden geen punt zetten. Toen waren we een jaar uit elkaar, hebben we elkaar een jaar niet gezien. Ook op zaterdag zagen we elkaar niet. Ramses ging altijd naar de Fiacre en ik naar Het Dok, ja… Ik weet nog, we repeteerden allebei in Felix Meritis. Hij voor een ander programma en ik was bij Centrum. We wisten dat we allebei in het gebouw waren, maar we zagen elkaar niet. Maar niet uit haat, maar alleen maar omdat we dan vreselijk in de war zouden zijn.

Dan kwamen we elkaar tegen op de hoek van de straat, liepen we tegen elkaar op. In dezelfde week kwamen we elkaar nog een keer tegen. Toen hebben we een week weer samengewoond, en dat was heel goed, want toen merkten we wel dat het over was. We hebben er toen echt een punt achter gezet, maar niet met schelden of zo… heel rustig… uit liefde en verdriet. En toen was ik bij het Werkteater, een flinke tijd later. Kwam Ramses op me af, hij wilde me iets vertellen. “Ik ben verliefd op Ad Fernhout,” zei hij. En dat vond ik een opluchting. Ik dacht, nu ben ik helemaal vrij en nu wil ik ook iemand anders. Ik voelde me wel bevrijd. Dat was in 1967-68.’

Joop kijkt naar de deur en tilt zijn hand op. Hij groet Hugo Koolschijn, de acteur. Dan vervolgt hij: ‘Het begin was wel fantastisch, we hielden erg veel van elkaar, maar ja, dan wilde hij toch weer weg. Hij heeft er ook een liedje over geschreven.’ Joop kijkt naar het plafond. In onzichtbaar schrift staat er geschreven: ‘Laat me vrij zijn, hou me niet in je spinnenweb gevangen, of zoiets. Dat ging over mij. Die liedjes die maakte hij dan in zo'n periode dat ik weer even bij hem weg was.’ Joop lijkt onbewogen. Ramses had me verteld dat het liedje 5 uur ook geschreven was naar aanleiding van Joop. Het was net weer uit of nu echt uit toen hij het lied schreef.

‘Ik wist ook wel dat ik hem vrij moest laten, maar ik kon het niet. Ik ben jaloers. Hij had iets van: met jou heb ik het veel leuker, en met die anderen heb ik alleen maar seks. Zo draaide hij het altijd om, en zei hij dat hij toch bij me bleef. Ramses vierde feest in de kroegen, en ik zat thuis heel veel te drinken en heel ongelukkig te doen. Ach, we waren zo jong. Hij deed het ook niet om me pijn te doen, maar heel de stad was verliefd op Ramses. Er was veel concurrentie, mannen en vrouwen. Ik wist wel dat als je met hem wilt samenleven dat je hem een beetje moest delen met andere mensen, maar ja, ik was wel alléén van hem, dan gaat het dus mis. Hij heeft wel heel veel mensen blij gemaakt.’ Ik draai mijn hoofd naar de cadeautjestafel. Shaffy kijkt me aan en knipoogt.

Joop kucht en zegt: ‘Hij is biseksueel… hij ging met echtparen. In mijn tijd al. Ik was het er helemaal niet mee eens, maar ja. Dus die vrouwen vielen op hem, en hij viel ook wel op die man en dan neukten ze met z'n drieën. Dat was ook wel in een tijd dat het normaal was. De seksuele revolutie. Er waren ook vaak feestjes, dat iedereen zich moest uitkleden. En één keer heb ik me ook uitgekleed, toen was hij kwaad, want ik mocht me nooit uitkleden. Nu wilde ik dat ook niet zo erg, maar ja. Toen kleedde ik me wel uit, en toen is Ramses woedend weggelopen. Ik mocht dat gewoon niet. Laatst hadden we het er nog over. Toen zei ik dat ik me nooit mocht uitkleden van hem. Toen zei hij dat het was, omdat ik er niet van hield.’ Joop steekt een sigaret op.

‘Shaffy heeft alles gedaan wat binnen die tijdsgeest kon. Eigenlijk heel normaal, toch?’

‘Ja, maar ík kon er niet tegen, omdat ik vond dat we samen waren… Wij zijn één keer met z'n drieën naar bed geweest, met drie mannen, maar dat was maar één keer. Ik vond het wel spannend, ik vond het misschien wel leuker dan Ramses. Maar we sliepen ook met ons drieën in een eenpersoonsbed in een bedstee aan de Derde Weteringdwarsstraat.’

De straatnaam heeft een magische bijklank gekregen. Alsof er alles gebeurde, waar je bij had moeten zijn. Feesten, vrijpartijen, componeren, schilderen, Shaffy Chantant, muren van flessen, ratten en afval in de keuken. Er werd gelééfd! Joop stoot me aan als hij gaat verzitten. ‘We hebben wel eens ongelooflijke ruzie gehad, hele scheldpartijen. Ik heb ook een keer een schilderij van hem kapotgemaakt. Dat was een schilderij met kettingen om me heen. Hij vond dat ik vastzat in mezelf. Daar had hij toen ook gelijk in. Ik vond het een verschrikkelijk schilderij. Nu vind ik het wel heel erg dat ik het kapot gemaakt heb.’ Een tipje as valt op zijn lichtblauwe broek. Joop ziet het niet. Zal ik het zeggen? Misschien dat hij het er dan inwrijft. Het is beter dat het eraf valt. Ik blaas de as weg. Hij heeft het niet door.

‘Ramses heeft heel leuke schilderijen, maar die hangt hij niet op hier in dit huis. Alsof hij er niet wil wennen. Hij heeft veel gedaan, toch. Componeren, schrijven, zingen… en helemaal vanuit zichzelf, over zijn eigen gevoel. Zijn kwetsbaarheid, zijn humor, maar ook zijn zoeken in het leven sprak veel mensen aan. Ook natuurlijk dat hij flirt met de afgrond… drank en alles… We dronken veel. Ik weet niet waarom. Of we ons nu prettig voelden of droevig, maakte niet uit. We raakten eraan gewend en toen is het uit de hand gelopen.’ We zwijgen en kijken het zaaltje rond.

De zangeressen van Willeke zingen Shaffy. Ik zet een serieus gezicht op en vraag Joop: ‘Hoe vond je het om Shaf te zien in het Lucas, en nu hier?’

Zijn stem klinkt zo vlak als stilstaand water, als hij zegt: ‘Ik dacht: je kunt nu beter doodgaan. Toen dacht ik ook wel, je moet niet meer drinken, dan knapt hij op. Ik was toen even tegen wijn, maar later heb ik Kitty en Liesbeth gebeld en gezegd: “Ik ben niet meer tegen de wijn, laat hem zich dood drinken.” Waarom wil ik hem besparen, waarom wil ik dat hij een oude dag heeft? Wat heb je dan als je daar zit en alleen bent, dat is helemaal de hel. Nu kan hij tenminste nog een flesje nemen.’ Ik kijk Joop onderzoekend aan. Het antwoord komt wat bot op me over.

‘Maar, je zit er elke zondag. Hij is dus heel belangrijk voor je. Waarom ook nu nog?’

‘Omdat het je eerste liefde was. Ik heb geen haat. Je was ooit vreselijk verliefd, en dat moet je maar blijven onthouden. Het blijft de eerste liefde die zei: “Je hebt talent, je kan iets, je bent geschikt voor toneel.” Het was heerlijk om met hem om te gaan.’

‘Hoe is dat nu?’

‘Hij houdt nog steeds van me… En we zijn nu allebei ouder geworden. Het gevoel is nog gewoon, ik houd nog vreselijk veel van hem.’ ‘Zeg je dat dan ook?’

‘Ja… Ramses zegt het eerder. Dan kijkt hij je zo aan en dan zegt hij tegen me: “Ik houd zo vreselijk veel van je.” Ramses vindt het ook fijn dat het goed met me gaat. Hij is ook helemaal niet jaloers, ja, misschien toen hij slechte dronken had, maar normaal niet. Maar hij roddelt nooit.’ Joop zet rustig zijn glaasje op tafel, staat op, kijkt nog eenmaal vriendelijk om en loopt door naar iemand die net is binnengekomen.

Edith en en haar vriendin Sabine dragen bloemstukken van de tafel naar de schouw achter de dranktafel. Zonnebloemen, de lievelingsbloemen van Ramses. Op een kaartje lees ik: ‘Wir sind deine Geburtstag nicht vergessen! Liefs Liesbeth en Rob.’ Liesbeth is vandaag een zonnebloem. Ze kon er niet bij zijn. Ik mis haar. Op een eenzame stoel bij een tafeltje ga ik even zitten. Ik kijk naar de deur en stel me voor hoe ze binnen zou komen. Eerst haar hoofd, mooi gekapt en feestelijk opgemaakt, een brede lach, gespreide armen. Shaf die onmiddellijk op zou staan van zijn stoel, en haar tegen zijn borst klemt. Achter haar rug zou Louis van Dijk verschijnen. Ramses zou hebben geroepen: ‘Loe-wie-djie!’ Albert Mol is er ook niet. Vorige week heeft hij zijn levensgezel begraven.

Het was een bijzondere ontmoeting die zomerdag. De oude Citroën veerbolde comfortabel over de landweg naar de allerlaatste boerderij. Wekenlang had ik Albert Mol gebeld en iedere keer hield hij mijn komst af. De ene keer was hij teleurgesteld in de documentaire, de andere keer wantrouwde hij me. ‘Ik ga niets zeggen over zijn seksuele uitspattingen, of dat we met elkaar in bed gelegen hebben, hoor!’ zei hij door de telefoon, voordat ik ook maar een vraag had kunnen stellen. Uiteindelijk, na bemiddeling van Joop, mocht ik op audiëntie bij de heer Mol in Laren, Gelderland.

Ik parkeerde de auto naast een klein bouwvallig schuurtje en stapte uit. Voordat ik naar binnen ging, keek ik eens goed rond. Het was een klein Gelders boerderijtje met een kippenhok. Deze plek is vol geschiedenis. Ramses is hier veelvuldig geweest, Joop beleefde hier een van zijn LSD-trips.

Ik klopte op de deur. Doodse stilte. Ik drukte de klink omlaag en boog mij naar binnen. ‘Volk!’ riep ik, zoals in deze streek te doen gebruikelijk is. Geen geluid. Niets. ‘Volluk!’ riep ik nogmaals. Vanachter een deur verscheen een robuuste man. Zilver haar gebonden in een staart, een baard en een tuinbroek. Dat moest Geurt zijn, Alberts man.

‘Ik kom voor Albert,’ zei ik.

Geurt ging me voor het kamertje binnen: ‘Kom binnen, ik zal hem even roepen.’ Aan de muur herkende ik onmiddellijk een schilderij van Ramses.

Uit een zijkamertje klonk een dun stemmetje: ‘Moet ik mijn tanden in, of is het niet voor televisie?’ In het tegenlicht verscheen het silhouet van een moeilijk lopende man. Toen hij dichterbij kwam, zag ik dat hij een grote zonnebril droeg met gele glazen. ‘Geef maar geen hand, want dat doet erg zeer.’ Ik moest even wennen aan het idee dat hij zo ziek was. Albert Mol associeerde ik nog altijd met ondeugende verhalen, lachsalvo's tijdens Wie van de drie? en Fanfare.

‘Ben ik zo te verstaan, zonder tanden?’ vroeg hij geamuseerd. Hij straalde een enorm plezier uit, ondanks alles. Alleen al toen ik de naam ‘Ramses’ noemde begon de bank te schudden. ‘Hoe is het met u?’ vroeg ik hem gadeslaand.

‘Ach, ik heb een goed geheugen, gelukkig. Ik ben niet dement en niet impotent, maar voor de rest is het over,’ was zijn bloedserieuze antwoord. Op de bank begon hij onmiddellijk te vertellen: ‘Je moet niet vergeten dat je te maken had met iemand, die ons tot op de huidige dag bezighield met wat hij allemaal uitspookte. Dan zei iemand: “God, ik heb vanmorgen om zeven uur Ramses gezien, naakt in een deken, op het station in Leeuwarden.” Nou dat nam je gewoon aan! Als iemand had gezegd. “Ik heb Guus Oster naakt in een deken gezien”, dan zei je, je bent niet goed bij je hoofd. Maar bij Ramses was het heel normaal, bij hem kan dat. En als iemand dan zei dat hij dezelfde dag Ramses keurig gekleed had zien lopen in de Kalverstraat, dan kon dat ook. Al die uitersten, zo dicht bij elkaar. Dat kón bij hém en bij niemand anders.

Hij was een soort Tijl Uilenspiegel die alles deed. Ik kende hem al vanaf toen hij nog op de toneelschool zat. Wat een uitstraling. Als hij je zag, dan was hij zo blij, alsof hij je een paar jaar niet gezien had. En dan had je hem een dag ervoor nog gesproken, het was een liefde… een grootsheid… ja… ja… Hij is hier zoveel geweest, op de boerderij. Dan zei hij elke ochtend: “Ik moet ééven naar het kippenhok.” En dan kwam hij na een paar minuten weer terug. Iedere dag. Op een gegeven moment ben ik hem een keer gevolgd. Had hij er een grote fles likeur staan. Zat hij daar: “Ik moet ééven nippen!” Ha, ha…’

Albert zat onderuit op de bank. De huiskamer was klein en gezellig rommelig. Aan de muur hingen vele schilderijen en herinneringen uit het rijke theaterleven van Albert. Hij lachte hoofdschuddend, alsof het allemaal te belachelijk was voor woorden. ‘Ik lijk wel een roddelend oud wijf met alleen maar oude verhalen,’ zei de 87-jarige Mol, ‘maar het is ook zo. Ik heb zoveel met Ramses meegemaakt. Het begon al toen hij op de toneelschool zat. Hij zat op het terras van het Americain… zijn uitstraling, zijn lach… je kon niet om hem heen.

Hij is ook heel vaak bij mij aan de Keizersgracht geweest, ook toen ik een auto-ongeluk had gehad. Lag ik met een zware hersenschudding in bed. Kwam hij me opzoeken. Stond hij in de keuken en ik vroeg: “Wat ben je daar aan het doen?” Met hoge stem antwoordde hij: “Ik ben ééééven een soepje aan het maken!” Kwam hij met een pan, en ik zweer je dat het waar is, ik heb moeten vechten voor mijn leven, dat ik nog een week langer op bed heb moeten blijven liggen. Hij had een bokking in de pan gedaan, een blikje kittekat, een scheutje koffiemelk en nog wat, en wat gewone melk en dat allemaal door elkaar geroerd. Kwam-ie binnen. Ik heb een SOEPJE voor je gemaakt! Hij wou het zo met een lepel in mijn bek stoppen… Ongelooflijk!’ Albert schudde zijn hoogbejaarde hoofd. Zijn stem verraadde plezier.

Met Ramses had ik het wel eens over zijn kookkunsten gehad. Hij maakte wel vaker van die onzin-gerechten, vertelde hij. Ik vroeg Shaffy of hij ze opat. Nee, het was alleen om naar te kijken.

‘Ik wil eigenlijk wel weten wat het nu was met Olé la Marquerita,’ vroeg ik en drukte mijn cassetterecordertje aan. Het slepen van het bandje langs de koppen was een geruststellend geluid. Albert keek naar zijn oude dansersbenen, speelde met iets tussen zijn vingers. De humor in zijn stem was ineens melancholie.

‘Ik weet het nog,’ zei hij, ‘Ramses kwam van de toneelschool, en hij ging een show maken, een soort variété met een verhaal. We waren allemaal zo vreselijk nieuwsgierig. Het waren heel rare scènes, een danseres die uit een woonwagen kwam en die op haar donder kreeg van een strenge circusdirecteur, en dan kwam er ineens zo'n soort pierrot. Het sloeg allemaal nergens op. Je had totaal geen idee waar het over ging en wat er zich allemaal zou gaan afspelen. De première was in De Brakke Grond. Tout Amsterdam kwam, en alle gieren van de recensies waren er. Ik zat met Wim Sonneveld op de eerste rij. En ik kan je vertellen dat ik tot op de huidige dag, nog nooit zo gelachen heb. Als het nu zou spelen… nee, ik geloof dat de mensen er nu nog niet aan toe zijn. Het was drie keer zo gek als gek.

Een naakte jufrouw die met een kleerhanger van links naar rechts over het podium liep en Ramses die een lied zong: “I'm a showstar, I'm a showstar.” De rest van het lied wist hij niet meer, dus hij heeft er zes minuten staan zingen, “I'm a showstar, I'm a showstar.” En dat allemaal achter elkaar. I'm a showstar zong hij in alle toonaarden. Ik lag al in katzwijm. En Femke Boersma, die zat in een put met een breton, zo'n Franse muts op. Die zong een Frans lied, en die kwam dan bij het refrein steeds weer omhoog uit die ton, uit die put. En dan hoorde je heel zwak: “C’est la rose! C’est la rose!” Dan ging ze weer naar beneden. Het sloeg allemaal nergens op.’

Alberts stem trilde van opwinding. Ineens werd ik warm, iets in me gloeide. Het was Ramses, het was de metafoor. Het sloeg helemaal niet nergens op, het sloeg overal op! De onvoorspelbaarheid van het leven, het onbezonnen en absurd gecombineerde theaterstuk, ziet er met een ander oog heel anders uit. Net als Het Boek Lielje, het lijkt volstrekte onzin, maar nu… later… Dicky had het me ook al verteld, over Lielje. Ramses heeft in alles wat hij schiep zijn eigen leven gespeeld en gezongen, een leven dat een onnavolgbare bedding volgde. Shaffy fluisterde in mijn oor: ‘I 'm a showstar, I'm a showstar.’ Daarna was hij ineens weer vertrokken.

Albert lachte nog, ik bladerde in Het Boek Lielje dat op tafel lag. Op de tweede pagina staat in het handschrift van Ramses: ‘We hadden afgesproken, dat je dit nooit zelf zou lezen, maar dat je het voor zou lezen, in de trein of in de wasserette, in bed of na een ruzie of samen in bad of 's nachts door de telefoon, zie maar, Dag, Ramses.’ Razendsnel blader ik door het boekje heen, naar het slot. Alles werd duidelijk.

Uitzending uit het heelal, station ‘Labakrah’. ‘Jubug,’ gilt Fie en ziet het dierb're gezicht van Wim Buundeweet. Fie duwt gauw tegen de bips van de koe, maar het wil dit keer niet baten, maar Niente laat een lamp ontploffen: een prachtige explosie en daar gaan ze weer met z'n allen langs planeten en sterren, langs ‘Wijlje’ en ‘Himpje’ en ze suizen in de oneindige ruimte en naderen de hermelijnen wolken van ‘Labakrah’. De koe valt in een hooischelf, de vink in een nest en Fie recht in de armen van Wim. Niente valt in een sloot, maar dat wordt in de blijdschap gauw vergeten. De nacht straalt van geluk en Wim heeft Fie over de drempel van het bos gedragen. In het bleke schijnsel van de ster ‘Triet’, leunt Niente tegen een rotsje. ‘Wonderlijk,’ denkt ze, ‘wonderlijk, hoe sommigen na vele beproevingen en omzwervingen toch uiteindelijk op de plaats van bestemming komen.’ En Niente lacht, strijkt haar jurkje glad, haalt wat wier uit haar haar en doet een snurkje.

Geurt bracht ons koffie. Albert hield Lielje in zijn handen: ‘Ik kan zo zitten huilen, als ik er weer aan denk… hij heeft zulke ondenkbare dingen gedaan, dat je denkt, jongen, hoe kan je dat nu toch doen. Hij was gewoon een dolle jongen. Een voorbeeld…’ Hij legde het boekje naast zich neer. Opnieuw een anekdote. Ik genoot, alleen al door de stem en het plezier waarmee Albert het me toevertrouwde. Een oude nicht vertelt stoute verhalen. Toch nog een beetje Shaffy Chantant. ‘Het was eind jaren zestig… Thijs Chanowski belde op: “Mag ik Ramses naar je toesturen, vanavond, dat hij bij je logeert, want hij moet morgenochtend naar Cannes voor het Festival du Disque. Hij heeft een koffer bij zich met drieduizend gulden erin. Ik durf hem niet alleen thuis te laten met dat geld, want dan gaat hij aan de zwier.” Afijn, Ramses kwam een paar uur later bij mijn huis, met de koffer. Ik nam de koffer, verstopte hem. Hij zat bij me, na een halfuur zei hij: “Eééven een taxi bellen.” Nu moet je weten, ik woonde op Keizersgracht 744. Ik belde een taxi voor hem, taxi kwam. Hij stapte in, liet hij zich afzetten op nummer 752! Dat deed hij gewoon. De chauffeurs zeiden er ook niets van.

De volgende ochtend kwam hij thuis, en hij was helemaal in paniek. Hij was zijn koffer kwijt. Ik stelde hem gerust en liet hem de koffer zien. Hij ging naar Cannes. Ik weet niet meer of dat met de trein of het vliegtuig was, maar hij ging. Daar was het Festival du Disque met zijn platen. Dus dat was héél belangrijk. En twee of drie dagen later stond hij weer voor mijn deur. Ik zei: “Waar kom jij verdomme vandaan? Wat doe je hier?” Het geld was op. Drieduizend gulden, eind jaren zestig!! “Wat heb je dan gedaan?” vroeg ik. Hij zei dat hij 's avonds bij het hotel het strand op ging, en de volgende morgen naar de receptie belde: “Je voudrais cinq café noir en cinq jus d'orange.” Hij had vier landlopers meegenomen naar zijn kamer. En de volgende ochtend weer. Vijf koffie en vijf jus d'orange. Ondertussen had hij mensen op terrassen rijkelijk bediend. Hele restaurants te eten gegeven, alle mensen getrakteerd op bloody mary's. Wat heet, het restaurant was veranderd in één rood tulpenveld. Zo veel glazen stonden op tafel! Wie doet dat? En daarom heeft hij nu geen villa met een zwembad, maar ja, daar geeft hij ook niets om.’

Ik wis de waas voor mijn ogen weg. Ik zie Joop dansen met Shireen. Heel langzaam vloeien de bewegingen van twee oude levens samen in deze dans. Met alles wat ik nu weet, zie ik de schoonheid. Twee zielen die dansen dat ze een leven mochten samen zijn… Ramses ziet het ook. Hij is scherp vandaag. Het is zijn dag. Ik loop naar de tafel en keer terug met twee glazen rood. Jeroen en Herma staan voor mijn neus. ‘Gefeliciteerd!’ zeg ik enthousiast. Herma en Jeroen stralen.

‘Het is een wonder dat hij überhaubt nog leeft, laten we wel wezen. Hij is gedurende zijn leven in orkestbakken gevallen, epileptische aanvallen, schuim op zijn mond, met zijn kop tegen dingen aangedonderd, zijn heup een paar keer gebroken, weet ik veel. En hij lééft nog! Een godswonder. Hij had ook op zijn veertigste kunnen sterven, zoveel had hij al gedronken. Echt waar. Dan was hij op het hoogtepunt gestorven en dan was het een legende. Is hij nu ook wel, maar dan zoals James Dean. En nu zijn er mensen die niet weten hoe groot hij was, en die zien een oude, interessante, maar ook oude man, die naar de drank ruikt. Je weet niet zo goed wat je ermee aan moet,’ grijnst Krabbé.

Ik herinner me mijn gesprek met hem. Liesbeth had me op zijn dak gestuurd. Ik werd verwelkomd in de keuken in het souterrain. Herma schonk gulle glazen rosé. Een paar minuten later zat ik alleen met Jeroen op een bank in de kamer. ‘Het is zo'n eenling, er is niemand die op hem lijkt, hij heeft nooit iemand geïmiteerd, alles is authentiek en dat manifesteerde zich ook die middag van het Gala van het Nederlandse lied in Carré. Ik vond eigenlijk op een enkele uitzondering na, niemand goed. Opeens zag je wat een unieke plaats hij innam, wat je je nog niet zo realiseerde toen hij nog optrad. Nu zag je opeens dat hij niet te evenaren is. Je hebt wel mensen die kunnen hem een beetje interpreteren… Frank Boeijen die deed hem niet na, die interpreteerde. En Herman van Veen… de rest was niet goed.

Hij is dus de enige die zijn eigen repertoire kan zingen. Eigenlijk net zoals bij Brel. Je kunt hem wel nadoen, maar je blijft zijn stem overal doorheen horen. Liedjes van Sinatra kunnen een heleboel mensen zingen, iedereen kan er iets mee doen. Met de liedjes van Ramses kan niemand wat mee. En dat ontroerde me ontzettend. Ik dacht, je bent zo'n eenling, zo geïsoleerd… En wat ik ook zo ontroerend vond, was dat hij niet zo aanwezig was, dat hij het niet zo goed begreep. Edith zei: “Je moet je nu omdraaien, je moet dat…”’ Hij graaide in een bakje cashewnootjes.

Mijn gedachten zochten Edith. Ik had haar een dag na het Gala opgebeld: ‘Hoe vond Shaf het?’

‘Hij zei: “Ik voel dat het heel bijzonder is geweest, maar veel weet ik er niet meer van. Vertel me: wat is er gebeurd?”’

Jeroen woelde door zijn herinneringen: ‘Vanaf de eerste dag dat ik hem zag… ik was veertien, vijftien. Dus rond 1960. Hij was zoiets bijzonders. Hij had de aantrekkingskracht die de Beatles hadden, die John Lennon vooral had, van een grote ster. Iemand als James Dean. Ik wilde ook zo worden als hij, precies zo'n acteur. Ik had hem ook op het toneel gezien. Toen zag ik hem een keer, hij ging met Joop en Hetty Blok naar de kermis op het Amstelveld. Ik ben er alleen maar op vijftig meter achteraan gaan lopen de hele avond. En ik dacht, o, o, als je toch zo kunt worden, zoals Ramses Shaffy… Ik wilde precies zo worden als Ramses, dat was mijn ideaal, dat je dat kunt bereiken, dat je zo'n bijzonder, charismatisch acteur bent. Want raar genoeg, was hij misschien helemaal niet zo'n briljant acteur. Hij was slordig. Kende zijn tekst net genoeg.

Ik heb in die tijd ook nog met hem gewerkt. Hij gooide zich erin. Hij wist ongeveer waar het over ging, en dan BAM! Hij gooide zich erin, en dan gebeurde er ook allemaal dingen die voor zijn collegae helemaal niet zo prettig waren. Hij hield zich helemaal niet aan de mis en scène, maar je keek wel alleen naar hem als hij op het toneel stond. Dat was het adembenemende. Ik zag hem in Zoete vogel van de jeugd, een rol die ik later gespeeld heb. Ik zag hem spelen, het kon je niet zoveel schelen of het goed was of niet, je kéék naar hem. En dat charisma, daar zijn er heel weinig van die dat hebben. Heel weinig. Ik weet ook geen equivalent. Hij was een ongelooflijk aantrekkelijke persoon om naar te kijken.’

‘Dat je haast verliefd bent?’

‘O, ja, zwaar verliefd, iedereen was verliefd op hem. Mannen, vrouwen, iedereen. Ik ook. Je dacht: als je maar in zijn buurt mocht komen. En toen was het zover, in de Derde Weteringdwarsstraat. Daar ben ik een aantal keren geweest. Toen dacht ik, ik ga eens koken voor de jongens. En Ramses zei dat ik maar naar de slager moest, naar Rodriquez. Daar had hij toch een eeuwige rekening lopen. Ik had biefstuk gehaald en boter. En toen ging ik de keuken in, en ik plakte werkelijk aan de grond vast. Letterlijk, zo vies was het. Stapels pannen en borden. Niet te beschrijven. Ik probeerde schoon te maken en ben die biefstukken gaan bakken. Het feit dat ik in dat huis mocht zijn, bij die man. En bij Joop, die was ook bijzonder. Met die poppen. Joop speelde altijd met van die grote poppen. Heel mooie poppen. En Ramses zat dan in de voorkamer achter de piano. Kaarsen aan. En dan zat je daar en dan luisterde je en dan kwam er… onzin uit, waarschijnlijk. Maar het was wónder, een wónder!’

‘Hoe kwam je daar dan?’

‘Ik werkte toen met hem samen. Dus dat is de jaren zestig, ik was net van de toneelschool, of nog net niet. Het was nog vóór Shaffy Chantant.’ Jeroen schonk spa in zijn glas. ‘Ik heb hen meerdere keren heel dronken en stoned meegemaakt en dan maakte ik me uit de voeten, omdat ik hem onmogelijk vond. Dan kon je ook niet met hem communiceren. Dan stonden zijn ogen te loensen en dan vond ik het verschrikkelijk. Ik dacht, o, wat is dat naar om te zien. Hij stootte dan ook mensen af die te dichtbij kwamen. Hij trok mensen aan, liet ze allemaal verliefd op hem worden en ging bijkans ook met iedereen naar bed. Maar iedereen die hem te na kwam, werd geestelijk door hem weggetrapt. Hij moet vrij zijn, hij wil niet in zijn vrijheid beperkt worden.’

Jeroen keek strak voor zich uit naar het schilderij aan de muur. Voor hem op tafel stond een leeg schaaltje. ‘We hadden in die jaren altijd feesten in een villa in Aerdenhout, daar woonden een vriendje. Dat was “De Berenklauw”. En die feesten werden beroemder en beroemder. De hele toneelschool kwam er. Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh kwamen er ook. Er zijn daar zelfs platen gemaakt. Op een gegeven moment kwam Ramses ook. Dat hij kwam was waanzinnig. Het werd naar een ander niveau getild. Wij waren allemaal nog heel jong en hij was als het ware een soort inbreker. Hij nam ook weer mensen mee. Maar er zijn ook nare dingen gebeurd, vooral omdat de eerste drugs er rondgingen. Dat botste wel. Wij waren een soort flowerpower-kinderen. Er was een vijver waarin we zwommen, we liepen naakt door de tuinen tot 's morgens vijf uur. Doordat Ramses kwam veranderde het wel, er kwamen meer drugs en drank. Ik heb hem daar heel onaangenaam meegemaakt. Hij nam de regie in handen van zo'n feest, alleen al door er te zijn. Hij kwam binnen zonder egocentrisch te zijn. Hij was heel vrijgevig, helemaal niet van “het gaat om mij”. Helemaal niet! Maar het moment dat hij binnenkwam ging het om hem.’

‘Je houdt van hem toch?’

‘Zielsveel.’ Jeroen houdt even in. ‘Zo ongelooflijk vind ik hem, zo ongenaakbaar.’

‘Wat is dat dan? Je ziet toch ook gewoon een alcoholist!’

‘Ja, maar wel een buitengewoon getalenteerde alcoholist. Buitengewoon getalenteerd. Het schijnt ook niet makkelijk te zijn geweest om met Picasso te hebben moeten leven…’

Jeroen stak zijn handen in zijn zakken en liep in zichzelf verzonken door de woonkamer. Mijn gehoor volgde het klossen van zijn hakken. ‘Waar komt je liefde, of gevoel voor vriendschap voor hem vandaan?’ vroeg ik.

Jeroen draaide zich om en zei: ‘Ach, je kunt er niet om heen, dat als je hem ziet, dat je warm wordt, dat je denkt, leuk! Totdat het tegendeel bewezen is en je denkt dat je maar eens een blokje om moet gaan. Wij stonden met onze kinderen op het kampeerterrein in St. Tropez. Halverwege de jaren zeventig. En wat schetst onze verbazing. Wie komt daar op een brommertje aan? Ramses! Hele kampeerterrein in rep en roer. Ramses was gearriveerd. En die was ook in een greppel gevallen, of een ravijn. Hij had geld in zijn sok zitten. Hij was weer fantastische dingen onderweg tegengekomen… je kent het wel. Ramses zit op het strand, ging ook meteen naakt lopen, en dat hele strand zoog hij naar zich toe. Er stonden een heleboel mensen om hem heen, Duitsers, Fransen. En Ramses zat er gewoon. Hij deed niets, gewoon zijn! Hij deed gewoon leuk, met kinderen door het water heen rennen, lachen, gewoon Ramses zijn. En toen ging hij weg en nam hij een heleboel mensen mee. Ik dacht: ik zou best eens meewillen. Gelukkig heb ik dat niet gedaan, want hij nam iedereen mee naar een terras waar hij dan weer wegging zonder te betalen en waar de mensen reddeloos achterbleven. Gewóón rampen! Ergens was ik ook wel opgelucht dat hij weer wegging… beetje rust in de tent.’

Image

Maart 2003. Albert Mol en Ramses Shaffy.

In de seconde dat er niet gesproken wordt, switch ik naar Laren, naar de laatste boerderij aan de landweg. Albert Mol kijkt naar een foto van Ramses en zichzelf. Ze zitten samen op het bankje waarop ik zat. ‘Moet je zien, twee oude wijven… prachtig toch. Neem maar mee… voor in je boek. De foto is pas genomen en ik moet toch alleen maar huilen als ik ernaar kijk. Geen idee waarom, maar dat maakt die jongen in me los.’ Hij nam een slok koffie en al gauw schoot hij weer in de lach.

‘Hij heeft zulke leuke dingen gedaan. Ik weet nog dat Geurt en ik bij hem kwamen in Amsterdam. Hij was verdrietig, want zijn vriendje Ad Fernhout was weg. We namen hem mee naar de boerderij. Ik zat toen redelijk in de slappe was, dus we gingen met de taxi van Amsterdam naar Laren. Hier thuis stopte ik Ramses in bad, want hij was vies. We zitten in de huiskamer, de taxichauffeur was er ook nog, die zat aan de koffie. Komt Ramses in zijn blote kont binnen, of hij ook schone kleren kon krijgen. Hij stond daar zo, en ik had een mooi lint gevonden, dat bond ik bij wijze van grap om zijn piemel, mooie strik erom, ik gaf hem een nieuwe broek en klaar.

Na een tijdje wilde Ramses toch naar Maastricht om Ad te zoeken. Ik zei tegen die chauffeur dat het goed was. De man knikte, ach ja, Shaffy… Ramses kon in die tijd alles bij die chauffeurs. Dus ze rijden naar Maastricht, en ze vinden Ad. De ruzie werd uitgepraat en samen reden ze terug naar Amsterdam. Eenmaal in huis kleedde Ramses zich uit. Ad die verstijfde helemaal! Ramses had al die tijd die strik nog om zijn jongeheer zitten en toen hij Ad niet meer kon vertellen hoe hij eraan gekomen was, liep deze opnieuw kwaad weg… ja, dat soort dingen…’ Geurt bracht ons een tweede bakje koffie. Albert had zijn eerste voor de helft koud laten worden en ook deze kop bleef onaangeroerd staan.

‘Het is alsof hij van een andere planeet komt, je was ook nooit boos als hij wat deed. Wij, het hele Nederlandse publiek, de acteurs, zijn vrienden, zijn hem allemaal veel verschuldigd. Hij neemt een unieke plaats in. We mogen alleen maar blij zijn dat hij er was. Het is heerlijk dat er zo iemand is in een wereld van geld verdienen, de beste willen zijn, de mooiste willen zijn, het meeste succes willen hebben, de koning van de kijkcijfers te willen zijn… het is heerlijk om iemand te hebben die al die maffe fratsen uithaalt en van die zogenaamde domme dingen doet, en dan ook nog heel mooie liedjes maakt.’ Ik staarde hem aan, luisterde naar de oude man. Afstand houden en quasi intellectuele kritische standpunten innemen deed ik al lang niet meer. Ik luisterde, meer niet.

Mol schraapte zijn keel, zuchtte: ‘We mogen blij zijn dat hij destijds niet naar Brussel gebracht is, daar hebben ze Brel al. Hadden we helemaal met lege handen gestaan. Ramses is gekust door de Muze, hij heeft ons zo veel plezier gegeven, zijn hele leven lang, zonder iemand echt te kwetsen.’ Ik dacht even aan Liesbeth en aan Shireen, maar toen ik de vrouwen weer voor me zag, hun stemmen hoorde, wist ik dat Albert gelijk had.

Ramses deed er zelf natuurlijk niet meer moeilijk over. Wat was is geweest. Hij zei: ‘Mensen die me heel dierbaar zijn, die heb ik soms wel eens beschadigd… ja dat is gewoon gebeurd, door mijn gedrag in zekere zin. Mijn pleegouders bijvoorbeeld, of sommige vrienden… Er zullen heus wel dingen gebeurd zijn, waarmee ik ze heb pijn gedaan. Maar ik weet het niet meer…’

‘Ik vind het wel wonderlijk dat ondanks je streken, iedereen zo vol liefde over je praat,’ zei ik.

Ramses pauzeerde even, en zei toen heel zacht: ‘Ja, maar zo voel ik me ook tegenover hen… een heel mooie liefde…’

Albert Mol schudde zijn hoofd. Hij kon het allemaal niet meer geloven: ‘Je houdt het toch niet voor mogelijk, zo'n twintig, dertig jaar geleden, had je toch niet zo'n Jamai gehad? Er is zo veel vullis, wat mij betreft, maar misschien ben ik wel een ouwe zeikerd, ha, ha…’ Met een zakdoek veegde hij langs zijn mondhoeken. Ik stond op, gaf hem een zachte hand.

‘Het is een soort man… laat ik het zo zeggen. Je moet bij hem niet proberen achter de waarheid te komen. Je weet helemaal niet of die waarheid er wel of niet is. Je moet hem gewoon zien, voelen, gebruiken zoals hij is. Hij heeft natuurlijk bewezen dat een mens in alle omstandigheden, ook in deze commerciële wereld vrij kan zijn, zonder geld gelukkig kan zijn, en mooie dingen kan doen. Op zich is dat al genoeg…’

Ik keek Albert nog één keer goed aan. Het was heel bijzonder hem te hebben ontmoet. Dat was een gevoel. Ik wilde Geurt gedag zeggen, maar ik kon hem niet vinden. Hij was ergens op de deel. Ik sloot de deur achter me, startte de auto die als een kat opveerde, en reed weg. Misschien kwam het door de muziek die ik draaide, of door het zonlicht dat de helder groene blaadjes van de bomen deed glinsteren als geslepen diamantjes. Ik weet het niet. Een verdriet om een afscheid greep me naar de keel. Naast me op de stoel lag de foto van Ramses en Albert. Ik dacht dat het om Albert was, misschien was het wel de eerste en laatste keer dat ik hem sprak. Twee weken later kwam het antwoord. Het was om Geurt.

Herma heeft nieuwe wijn gehaald. We toasten op de man achter de tafel.

‘Maar mensen hebben het ook altijd over dat hij zo lief is, zo zacht, hij is zo…’ mompel ik.

Jeroen trekt een bedenkelijk gezicht: ‘Ik weet niet of hij zo lief is en zo zacht. Zo kan hij zich voordoen, maar dat weet ik niet. Hij is, omdat hij zo écht is, heel kwetsbaar. Hij kan best kwetsbaar zijn, maar dat kan zo omslaan, zo veranderen. En of ik hem zo lief vind, dat weet ik niet… Bij lief denk je toch aan… aan…’

‘Een konijn!’ roep ik.

‘Aan iemand die zorgvuldig is naar anderen toe. En dat is hij helemaal niet. Het is zo'n aantrekkelijk iemand.’ Krabbé zucht. ‘Maar ja, gokken in een casino is ook aantrekkelijk, maar wee je gebeente… Aantrekkelijkheid kan ook iemand meetrekken in het verderf, dat kan ook. Je voelde bij hem dat hij het leven tot de ultimate max leefde. Wat er ook gebeurde, al had hij belastingschulden, dan ging hij dát doen, dát doen. Ik dacht, ik moet eigenlijk ook zo leven, wat ben ik een burgertut. Dat is de aantrekkingskracht… dat je denkt… verdomme, ik wou dat ik ook een klein beetje zo was… die aantrekkelijkheid, dat is fantastisch.’

Herma kijkt ons aan: ‘Ik vind hem een van de liefste mensen die ik ken.’

‘Ja, wáárom dan!?’ vraagt haar man.

‘Omdat hij nooit oordeelt, hij heeft geen oordeel en dat vind ik aardig. Hij is onbevangen, speelt geen spelletjes. Hij is niet gemeen. Hij zegt nooit: “Die vind ik een zeikerd”, of “die doet belachelijk”.’

‘Ja, dat is waar,’ knikt Jeroen.

‘Hij weet alles nog wat we hebben meegemaakt…’

‘Hij heeft toch wel eens heel onaardig tegen je gedaan?’

‘Ja, hij is ook wel eens heel onaardig geweest… maar je moet je dat niet aantrekken. Dat is omdat op dat moment hem iets irriteert.’

Jeroen vult aan: ‘Zeg dat maar tegen Syl.’

‘Sylvia de Leur?’ vraag ik. Herma knikt en komt dicht bij me staan: ‘Ja, die kwam te dichtbij en dan stoot hij je meedogenloos af.’

Jeroen slikt zijn wijn door, en zet de woorden van zijn vrouw kracht bij: ‘Ja, die annexeerde hem bijna… knallende ruzies… maar dan kwam Shaffy midden in de nacht toch weer bij haar aan, en liet ze hem weer binnen. Ze is een schat.’

‘Je kunt hem niet beoordelen zoals anderen. Hij kan een intieme relatie niet aan,’ murmelt Herma.

‘Wat niet?’ vraagt Jeroen.

‘Een intieme relatie.’

‘Nee, zelfs met Joop niet.’

‘En dat is nog de langste. Ja, en Ad en Vincent, en Johnny “van de vier seizoenen”. Hij neemt mensen zoals ze zijn, en wij moeten hem ook zo nemen,’ zegt Herma.

Jeroen houdt zijn glas dicht bij zijn mond, maar drinkt nog niet: ‘Ja, maar ik vind hem niet lief, lief is als je zorgzaam bent.’

Herma reageert direct: ‘Ik versta er iets heel anders onder. Hij is lief van geest. Hij is wel gepassioneerd, hij kan kwaad worden, maar qua karakter vind ik hem zachtmoedig. Al hij kwaad wordt, is dat zijn temperament. Ik heb hem nog nooit kwaad horen spreken, nooit horen roddelen. Daar staat hij bóven. Geweldig toch? En dat bedoel ik met lief, maar misschien moet je het een ander woord geven.’

‘Ja, misschien…’

‘Willeke is ook zo,’ knikt Herma in de richting van Willeke die een paar meter verderop bij haar zangeressen staat. Ze wil zo gaan zingen, vermoed ik. ‘Die praat ook nooit kwaad. Maar die doet dat uit een Jordanees gevoel, heel anders dan Shaffy, maar daarin raken ze elkaar. Zo, van wat ben jij een mooi mens, op z'n Jordanees. Shaffy is meer van, kijk me aan!’

Herma neemt een slok en vervolgt: ‘Ik stond een keer in een volle lift. Shaffy zei: “Ik ga nu iedereen aankijken, alsof ik heel erg verliefd op ze ben.” En hij ging het doen, in Brussel.’

Jeroens lach davert over ons heen: ‘Ja, en toen ging hij er meteen met de pianist vandoor!’

Herma schatert: ‘Drank ook, ja zeker… ik was een keer in Parijs.’

‘Herma, Herma, ik heb dat verhaal niet verteld, dus als je wilt dat het in het boek komt, moet je het zelf maar vertellen,’ tempert Jeroen. Herma staart met me waterige oogjes aan. Alsof ze een gigantische bekentenis wil afleggen. ‘Het is echt de schande van mijn leven, ik weet niet of ik het… Rob de Nijs komt er ook nog in voor.’

‘Nu maak je me helemaal lekker,’ lok ik.

Jeroen stapt naar voren. Ondeugend grijnzend spreekt hij zijn vrouw toe: ‘Het komt dan in het boek, Herma, en dan komt het in alle bladen… en dan ook nog bij RTL-boulevard…’

‘Ik vertel het je als je boek klaar is… het is echt heel erg… nee…’

Jeroen legt zijn hand op haar schouder en duwt haar in de richting van Shaffy. Willeke Alberti staat met een microfoon in haar hand. Ramses heft zijn glaasje rode wijn en applaudisseert voor zijn vriendin. Er klinkt muziek. Willeke zingt: ‘Ik hou van jou!’ Helemaal Ramses.

‘Alleen van jou!’ Ik kijk naar Joop. Hij knipoogt. Samen richten we ons zicht op Shaf.

Later bij het opscheppen van de rijsttafel sta ik naast Jeroen. Hij zegt: ‘Dat vangnet van Ramses is een wonder. Hij had ook een zwerver kunnen zijn, maar hij ontroert mensen… het meest wonderlijke vind ik dat hij nog in leven is… alles wat hij, alles wat hij aan drank naar binnen heeft gegoten, dan past bij Gall&Gall niet eens in de kelders. Ooh, die flessen die daar stonden in dat huis, maar ondanks al die drank bleef hij produceren… liedjes maken, toneel… schilderen… het is een beetje zenachtig soms. In vier lijnen geeft hij dan iets aan. Zoals het portret van Mary Dresselhuys… vier lijnen, maar ze is het helemaal. Prachtig.’

Ramses kijkt immens tevreden door de zaal. Een paar minuten eerder kreeg hij een prachtig boek overhandigd met als titel Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder. Alle liedteksten die hij ooit geschreven heeft zijn erin opgenomen. De uitgever Vic van der Reijt vertelde trots dat er achterin een cd'tje was geplakt met daarop een nog ‘onbekend’ Shaffy-nummer Vanavond. Ik ben razend benieuwd. Ramses had het boek in het mandje gelegd van zijn rollator, om het er weken in te laten liggen. Een journaliste van Het Parool vertelde me dat het lied Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder door haar krant uitgeroepen was als beste Nederlandstalige lied van de twintigste eeuw.

Ik zit achter een gevuld bord aan tafel met Peter, Nora, Eva, mijn vrouw Ariane en Marjolein uit Breda. Laatstgenoemde kent Ramses al twintig jaar. Als verjaardagcadeau heeft ze hem een boek gegeven met daarin zeventig kleine herinneringen aan hem. Ze heeft multiple sclerose. De dag dat ze Ramses dat vertelde, zei hij haar: ‘Marjolein, het leven is een kunst. Nu krijg je de kans te laten zien dat je de kunst verstaat.’ Haar ogen verraden haar ontroering.

Peter straalt: ‘Het is echt een reünie, niet? Allemaal Ramses-vrienden!’ Nora, zijn vriendin, knikt instemmend. In het midden van de zaal staat een vrouw met kort blond haar. Peter vertelt me dat ze Monique heet. Ze volgt Ramses al vijfentwintig jaar. Haar eerste kind heeft ze Didi genoemd. Ik ga naar haar toe. Over haar schouder zie ik hoe Shaffy van zijn saté geniet. Monique kijkt onafgebroken naar haar idool. ‘Wat brengt je hier… dat je hier zo naar hem kijkt,’ formuleer ik wat ongelukkig. Ze kijkt me indringend aan en zegt overtuigend: ‘Ik houd gewoon van hem.’

De verjaardag wordt meer en meer een feest. Ramses heeft zich verplaatst naar de tafel achter ons. Ik kan hem aankijken. Tevreden neemt hij een jointje van Rama in ontvangst. Met één hand leunend op zijn rollator, en met in de ander een flinke toeter Marokkaans groenvoer viert hij zijn feestje. Ik knipoog naar hem en ga even bij hem zitten. ‘Wat een prachtige blouse heb je aan,’ zegt hij. Mijn glimmende geel-rose gevlamde shirt heeft al vaker complimenten van hem mogen ontvangen. ‘Ik ben heel blij met deze dag,’ zegt hij zacht. We kijken elkaar aan, zijn hand knijpt losjes in de mijne. Ik voel verbondenheid. De beladen rook prikkelt me. Misschien ga ik toch maar weer eens een blowtje roken. ‘Ik hoorde van Joop, dat je bij Albert Mol bent geweest,’ zegt Ramses vrolijk.

Ik knik: ‘Ja, hij zal nu wel verdrietig zijn, nu zijn vriend overleden is. Ik was er net op tijd, ik vertel je het wel, een andere keer.’

Hij knikt en laat zijn ogen vrij varen door de zaal: ‘Dit zijn gouwe mensen, ik ben zo dankbaar dat ik ze heb mogen ontmoeten dit leven.’ Zijn lippen sluiten zich om het filtertje. Ik klop hem op zijn schouder en stap naar achteren. Ramses geeft de joint terug aan Rama. Zijn vingers glijden tussen die van Bella.

Ik ga zitten op een stoel, drink wijn en kijk rond. Links, bij de deur zie ik Mariëtte Landheer met haar zoontje Eli, ook haar man Kees en hun andere kinderen zijn erbij. En daar zit Aya, een grote vrouw, en haar man Pim. Morgen vliegen ze terug naar Curaçao. Terwijl ik met Jeroen en Herma sprak, zag ik Ramses en zijn zus samen praten. Ingrid Valerius is er ook, ze is in het wit. Ze lacht naar me. We menen onze omhelzing. ‘En we weten niet eens zeker of hij nu wel jarig is,’ zegt ze met blijde ogen, ‘eerst werd het begin augustus gevierd.’

‘Een leeuw? Zou best kunnen als je zijn karakter ziet.’

Ingrid grinnikt dat ze een horoscoop van hem had gemaakt, jaren geleden. ‘Mars staat in schorpioen, in het eerste huis. Vandaar zijn sterke seksuele bron. Maar ook Uranus heeft een grote invloed… dat verklaart zijn onberekenbaarheid. Uranus heeft te maken met wat hem inspireert, wat hem impulsen geeft.’ We kijken elkaar aan en ik zeg: ‘Ik wilde van hem een horoscoop laten maken… ik heb het hele ziekenhuis in Parijs gek gebeld, ze zijn gaan zoeken naar de geboorteakte, maar alles is weg, ook hier in Amsterdam. Niemand weet wanneer hij geboren is. Ik hield het op 29 augustus 1933, om 9.43 uur. Dan zouden de zon en Neptunus bijna in elkaars lijn staan. Het zou zijn talent, zijn levensvreugde, maar ook zijn verslaving verklaren.’

‘9 uur 43? Ik dacht altijd 9 uur 18 of 9 uur 20. Hoe weet je dat?’ ‘Van Eva.’

‘Dan moet ik een nieuwe berekening maken,’ constateert Ingrid.

Ik leg mijn hand op haar knie en zeg: ‘Ik zou het niet doen. We weten niet eens of de dag wel klopt…’

‘Hij is niet meer te achterhalen,’ fluistert ze haast triomfantelijk.

‘Nee, laat het los. Geboorte en sterven zijn maar momenten. Alsof je het leven alleen daartussen plaatsvindt. De ziel reist verder hoor, we komen gewoon even langs op aarde. Shaffy kwam en gaat… hij is op bezoek geweest en heeft feest gemaakt…’

Er klinkt gejoel en applaus. Ik zit met mijn rug naar Ramses. Ik kijk over mijn schouder en zie hem achter zijn rollator in de richting lopen van de piano. Op het plateautje tussen de handvatten dansen twee glazen wijn. In het metalen mandje het groene plastic tasje voor de nacht. Dit is het moment! Ramses neemt plaats. We houden onze adem in. Hij kijkt rond, regisseert de aandacht. Dan begint hij te spelen. Zijn vingers raken de toetsen, hij kent er de weg, weet iedere toon, en zal er nooit verdwalen. Dit is zijn terrein. Hij is er vrij. De geluiden van zijn wereld komen tot ons door. De klanken van asteroïde B 612, de zang van Labakrah. Zijn vingers glijden, treffen. Het is het geluid van eb en vloed, het eeuwige gaan en komen, nemen, geven, alleen zijn en samen willen zijn, eenzaamheid, verlangen en levenskracht. Het is het geluid dat in ons allen klinkt, maar dat hij laat horen. We zijn verbonden. Shaffy speelt, en zingt met brekende stem. Ik kijk naar mijn vrouw. Ze is een van de velen die huilt. Peter stoot Nora aan: ‘Net als vroeger.’ Tussen hun ogen liefde. De wangen van Shireen zijn zoutwatervallen. In geen jaren heeft ze Ramses horen spelen: ‘Had ik vroeger soms ook, toen hij zong.’

‘Wat is dat dan?’ fluister ik. Onze hoofden raken elkaar.

‘Hij is vrijheid. Daar staat hij voor. Nergens aan gebonden zijn, helemaal nergens aan, nieuwsgierig zijn naar ieder volgend moment, in het nu zijn, helemaal in het nu. Soms kan hij wel wegdromen van “ik heb zo veel schulden”, maar dat is… schijt hebben aan alles, zónder cynisme, zónder ironie… zónder agressie… Er ieder moment ervoor kiezen dat hij dat doet wat hij moet doen… Daardoor heeft hij ook veel wanhoop meegemaakt. Hij is ook in zijn ééntje naar Tibet of Nepal gegaan, in een klooster terechtgekomen… en daar zo'n kou geleden… geen warme kleren bij zich… toen-ie dat vertelde, dan vind ik het verschrikkelijk, maar het is niet zielig… hij is een koning… nog steeds… hij heeft als een koning in al zijn glorie die rotstreken uitgehaald, en als een koning ondergaat hij zijn leven nu… in het Sarphatihuis…’ Shireen zwijgt en we kijken samen naar de vleugel. Ik wil een arm om haar heen slaan, maar doe het niet.

Het is zo prachtig… het jongetje dat schommelt in de wind… het kindertehuis… de warmte van zijn familie, het grote zoeken, de successen, de liefde… We luisteren. Iedereen is stil. Het gesprek dat we vorige week hadden, beneden, klinkt door zijn gezang heen. Ik zat bij hem in het Atrium en bekende. Hij luisterde aandachtig. Ik vertelde hem dat hij mijn leven een flinke zet had gegeven, gewoon door zichzelf te zijn en te vertellen over zijn leven. Ik wist al langer wat ik met mijn leven wilde doen, dat ik wil schrijven en schilderen, maar om het dan ook echt te gaan doen… Ik heb altijd gedacht dat wat ik voelde moest passen binnen de goedbedoelde verwachtingen van anderen. Uit angst niet begrepen te worden. Door de ontmoetingen met hem heb ik ervaren dat dit leven van mij is, dat ik het moet sturen, dat ik het risico ben, dat als ik erin geloof, en ervoor ga, dat het kan. Ik wist het eigenlijk al, maar door Ramses ben ik er meer naar gaan leven. Ramses had me omhelst. Hij kuste me op mijn mond, of ik hem. Voor het eerst begreep ik echt waarom hij míj bedankte voor wat ik hem net had verteld. Hij heeft kunnen geven en dat straalt weer uit op hem.

Ramses speelt. We zitten in een grote kring. De lampen zijn uitgegaan. Shaf wilde kaarsen. De zangeressen M. en Coco improviseren en Ramses begeleidt hen op de piano. In deze kleine zaal staan alle harten open. Ramses kijkt onder de klep van de vleugel door naar Joop. Ze trekken gekke bekken naar elkaar. Hun liefde stopt nooit. Kitty en Sylvia kijken geëmotioneerd. Peter slaat zijn arm om Nora. Edith kijkt toe, zingt mee en vult glazen. Bella zit achterin tegen de muur, ze heeft haar ogen dicht, haar lichaam zweeft heen en weer op de muziek. Rama stuift door de ruimte en valt van een barkruk. Willeke zingt mee uit volle borst. Ik geniet. Hasjrokers en geruite colbertjes, alle werelden zijn vredig verenigd in de man achter de piano. De tijd is weggevallen. Het Shaffyhuis is een klein theater. Ramses is zijn eigen podium. ‘We zullen dóórgaan… we zullen dóórgaan.’

Even sluiten mijn ogen, om de blijdschap die ik voel nog even vast te kunnen houden. Ramses zingt dwars door mijn oogleden heen. Hij staat voor me, stralend, zeventig jaar. Achter hem een zon die nog niet ondergaat. Iedereen zingt, maar ik hoor alleen zijn stem. ‘We zullen doorgaan… telkens als we stilstaan, om weer door te gaan, naakt in de orkaan, we zullen doorgaan, we zullen doorgaan!’ Ramses opent mijn ogen en zingt terwijl hij iedereen aankijkt: ‘Tot we samen zijn…’

1 December 2009

De dag die zou ooit komen, alleen nooit vandaag, is nu al weer gisteren. Verdoofd staar ik naar een foto van eind augustus, vlak voor je verjaardag. We waren naar Bloemendaal gegaan, voor een verlaten strand, een kalme zee en een zon die daalde. Van de soep had je maar drie hapjes gegeten, en je deed drie uur met een glas wijn. Slikken ging niet meer, maar je klaagde niet. Met een omweg reden we naar huis, zodat we alle liedjes konden beluisteren. We zongen zachtjes mee met een tijd die verloren leek, Chantant, Mensch durf … en 24 rozen van Toon. ‘Heb ik dat gezongen?’

Vlak voordat we elkaar loslieten in de hal van het Sarphati keken we elkaar lang aan, je mooie donkere ogen, sterrenachten. Ik voelde hoe mager je geworden was. In de auto kwamen de tranen, ik wist nog niet waarom.

Tijd is vloeibaar. We zijn in het ziekenhuis. Bestralingstoestel vijf. We gingen naar binnen, door een meanderende gang met geschilderde dichtregels.

De zon is geen zon, als de maan niet aan hem denkt.

Je ging zitten, op een tafel in een kil verlichte kamer, knoopte je blouse open, tergend langzaam, knoopje voor knoopje. Muntjes vielen kletterend op de grond.

‘Zal ik je helpen?’ vroeg ik je.

Je glimlachte, schudde je hoofd, met een blik van ‘als je het maar laat!’ Op je lichaam stonden rode strepen. Voorzichtig ging je liggen: ‘Hoepekiet!’ Een machine boog zich over je hals en bepaalde positie.

Op de monitor verscheen je naam en ik hoorde dat ik op de gang moest wachten.

Slokdarmkanker was nieuw voor je… Je was benieuwd naar wat de ziekte je zou brengen.

Alle ritjes naar het Anthonie van Leeuwenhoek Ziekenhuis waren uitjes.

Gedachten dwarrelen door de laatste jaren. Flarden van de optredens met Liesbeth in Luxor, De La Mar, eind 2004, begin 2005, waar we in de coulissen zaten te wachtten tot je op moest. Wie had het ooit verwacht, jij terug op het podium? Volle zalen!

De mensen hadden voor de deur gelegen, in slaapzakken, hopend een kaartje te bemachtigen om je nog één maal te zien zingen naast haar. In Rotterdam, een paar minuten voor de voorstelling, Liesbeth kroop bij je op schoot. Je mompelde: ‘Vanavond gaan we alles geven.’

De allerliefste, noemde jij ze, de jongens van Alderliefste. Samen met hen en met Liesbeth trad je op en scoorde je in 2005 een hit met ‘Laat me’. Het lied leeft door jouw stem.

De tentoonstelling van Rembrandt tot Ramses, de Edison Oeuvre Prijs voor Kleinkunst (2006) en dankzij het Songbook van Nico van der Linden met de noten van jouw muziek, kunnen je liedjes nu gaan zwerven. Het viel je allemaal toe. Maar er was ook afscheid, Albert Mol (2004), je zus Aya en natuurlijk Joop Admiraal (2006). Zie ons nog zitten, in het rookhol, met je trouwe vriendinnen Shireen, Edith, Sabien en Kitty Courbois. En vorig jaar, je groots gevierde vijfenzeventigste verjaardag, tussen al je vrienden. En je laatste optreden…, warm, vol in de Laurenskerk in Rotterdam op 26 november.

Lieve Ramses, half acht in de ochtend van 1 december 2009; het ‘aardse oponthoud’ waarvan je zo mateloos genoot is voorbij. Edith belde vlak nadat je stilletjes was vertrokken. Joop stond je op te wachten bij de hemelpoort, zei Shireen. Alle tv-zenders, alle kranten, niemand kan om je heen, maar het dringt pas langzaam door: Ramses overleden. Maar wat is dood wanneer je geest in ons allemaal blijft leven? Dank, lieve Shaf…, tomeloze dank… om alles…. Dag lieve Ramses, daar op het strand, in de ondergaande zon. ‘Ik wou dat alles kon.’

B.S.

Image

Ramses aan zee, augustus 2009