Image Een Image

De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte. Niemand kan ons vertellen of de geschiedenis van de aarde en de mensheid daadwerkelijk zo is begonnen. Dat geldt ook voor het levensverhaal van Ramses Shaffy. Het is onbekend hoe en wanneer zijn aardse geschiedenis begint. Bewijzen zoals geboorteaktes zijn verloren gegaan in de tijd. Waarschijnlijk is hij geboren op 29 augustus 1933 in Parijs, of beter, in Neuilly-sur-Seine in het Hôpital Americain. De vader is Ramses Shaffy Bey, een Egyptische diplomaat… Of hij bij de geboorte was, is niet bekend. Zijn moeder, Therèsa Wyzsocka, had Bey wellicht al verlaten of zou dat kort na de geboorte hebben gedaan. Haar Russische afkomst drong haar een ander leven op. Ze was totaal ongeschikt voor de rol van diplomatenvrouw of voor een islamitisch leven. Toch ontving haar zoon de naam van zijn vader: Ramses Shaffy. Zonnekind. Geen mens kon bevroeden dat geen van beide ouders hun kind zou zien opgroeien.

Mijn eerste – eigenlijk tweede – ontmoeting met Ramses was misschien het belangrijkst. Je maakt maar één keer een eerste indruk. Het was winter. Ik zat in mijn auto voor de entree van het Dr. Sarphatihuis. Motor uit, jas hoog dicht. Het was nog te vroeg om naar binnen te gaan. Vijf uur was afgesproken. Ik had me geen voorstelling gemaakt hoe deze ontmoeting zou verlopen. Wat zeg je tegen zo iemand? Hoe geef je een hand? Sommigen spreken over hem als de ‘grote Ramses Shaffy’, maar wat zegt dat over hém? Ik kende zijn liedjes, ik had hem op tv gezien en in een documentaire over hem in de bioscoop. De enige keer dat ik hem ‘live’ had aanschouwd, was hij dronken op een terras. En misschien ik ook wel. Ik wist ook niet hoe hij zou reageren. Klikt het? En hoe is het met hem? Je hoorde van die verhalen over zijn verzwakte geheugen, zijn onberekenbaarheid.

Ik bleef nog even in de auto zitten. Na een kwartier stapte ik uit, stampte ik de koude uit mijn benen en ik stak over naar het kolossale gebouw met de opvallend kleine ingang. Rechts een man achter de receptie, links een met glas overdekte binnenplaats. Het Atrium. Liever had ik me nog even verscholen en was ik hem langzaam genaderd. Het ging anders. Zonder er bewust voor te kiezen, liep ik direct op hem af. Kon ook niet anders. Hij zat pal achter de ingang aan een tafel. Zat-ie te wachten? Hij had een karakteristiek gezicht met oosterse neus, afhangende oogleden, sluik zilver haar, een bekertje wijn, een kwartliterflesje op tafel (later zou ik zien dat het flesje standaard is!!) en een kobaltblauwe blouse. Beter verzorgd dan destijds op het terras.

‘Goedemiddag, meneer Shaffy,’ zei ik met uitgestoken hand. Ramses draaide zijn hoofd en ik ging bij hem zitten. Hij groette me met vriendelijke ogen en luisterde aandachtig naar de verklaring van mijn komst. ‘Ik wil graag een boek schrijven over uw leven,’ stelde ik wat nerveus voor.

‘Ga je gang…’ zei hij.

Lang zijn Ramses en zijn moeder niet in Parijs gebleven. Al snel betrokken ze een luxueus hotel in Cannes. Zijn vader kreeg hij nooit meer te zien. Van zijn moeder ontving hij de koosnaam Didi. In de mediterrane stad woonden ze aan de Croisette, de grote boulevard tussen stad en strand. Iedere dag leefde Didi met de zee, de wind en zijn vrijgevochten moeder.

Therèsa had zich aan rijke advocaten voorgesteld als ‘comptesse Romanov’. Alsof ze Anastasia was! De kroonjuwelen van de Russische tsaar zouden haar toekomen. Ze vertelde juristen dat ze de enige Romanov was, die de revolutie in Rusland had overleefd. De tsarendochter. Jammer is dat er meerdere vrouwen waren in die tijd, die de juwelen claimden. Maar Therèsa was ervan overtuigd dat de juwelen die in Londen lagen in haar bezit zouden komen. Of ze speelde haar overtuiging. ‘Tien procent van de waarde van mijn juwelen maakt jullie al meervoudig miljonair!’ hield ze haar zaakbehartigers voor. In ruil voor deze royale opdracht betaalden zij het verblijf van de ‘comptesse’ en haar zoon in Cannes.

Veertienhonderd kilometer noordelijker waren Herman Snellen en Roos Snellen-van Goudoever in diepe rouw. Het Leidse artsenpaar stond samen met hun dochtertje Aya aan het grafje van hun tweede kind, Harald. Een eendagszoon. Vierentwintig uur na de geboorte stierf hij. Roos en Herman stortten zich op de opvoeding van hun dochter Aya en de cardiologencarrière. Het was juni 1935, ze hadden geen idee hoe het lot zou keren.

Ramses is de enige die me kan vertellen over die vooroorlogse periode. Maar hoe betrouwbaar zijn herinneringen van een oude man aan zijn kindertijd? Wellicht heeft Therèsa hem erover verteld, later in zijn leven en weet Ramses daardoor meer over haar vermeende adelstand. In sommige kranten vertelde Shaffy ooit dat ze een Russische gravin is, uit Lwow. Een stuk land dat dan weer Russisch is, dan weer Pools. Het zou misschien zijn aristocratische maniertjes wat verklaren. In ieder geval het fantaseren en leven in een fantasie heeft hij niet van een vreemde. Goed, ik zat bij hem in het Sarphatihuis en had wijn gehaald.

‘Mijn leven is begiftigd met wonderlijke dingen… ik ben blij je te ontmoeten. Ik wil dat je “je” zegt,’ zei hij. Het was wennen dat zo'n bekende stem ineens klonk voor mij. Ik tastte hem af, zoekend naar aanwijzingen over zijn echtheid en intenties. Misschien wilde ik al te veel, en moest ik mijn vraaggesprek loslaten en gewoon bij hem zijn. Voorzover dat ging. Ik had me voorgenomen afstand te houden, hem te observeren. Niet alle voornemens worden daden.

Samen keken we naar mensen in het Atrium. Enkelen waren bezig een podium te versieren. Ramses lachte naar me: ‘Vanavond vieren ze hier carnaval, wist je dat?’ Ze. Hij zegt ‘ze’? Hij vindt zichzelf dus een buitenstaander? Ik luisterde. ‘Prachtig, al die mensen die zich zo gaan verkleden,’ zei Ramses, ‘ik weet niet wat er allemaal komt, hoor. Dat we moeten we maar zien… wat het leven ons vanavond biedt. Muziek, geloof ik.’

‘Ja.’

Wijn werd bijgeschonken. ‘Heerlijk!’ zuchtte Ramses, ‘Heb je haar gezien, achter de piano? Met die prachtige hoge hoed? Net een koningin! Jahaa, koninginnen zijn het! Prachtige koninginnen! Normaal hebben ze altijd ruzie, zijn het enorme krengen, hoor. Dan is het hier levensgevaarlijk, maar nu zijn ze aardig. Nu is het feest, hi, hi.’ Het Atrium liep vol met mensen. Bejaarden, sommigen slecht ter been, anderen in rolstoelen. Voor de één was het een unieke feestdag, voor de ander is het iedere dag feest. Of niet. Nieuwsgierig observeerde Shaffy zijn leefomgeving.

‘Speel je nog piano?’ vroeg ik. Ramses richtte zich op, wees tussen de menigte van vermomde mensen door naar een bruine vleugel. ‘Daar… daar staat-ie. Soms speel ik erop, niet vaak. Het kan ook niet altijd hier…’

‘Zing je je liedjes nog wel?’ Hij zweeg en schudde toen bijna onmerkbaar zijn hoofd.

‘De woorden die weet ik niet meer, ik moet dan eerst gaan studeren, dan lukt het wel. De muziek zit in me, daar ben ik mee geboren.’ Ramses keek me doordringend aan. Hij kijkt nooit zonder lading. Ieder blik is geslepen. Ogen als juwelen. Hij pakte mijn hand stevig vast (schrok me rot!) en zei zeer indringend: ‘Ik vind het zó bijzonder dat een jong mens als jij een boek over mij wil maken. Ik zou er zelf nooit aan beginnen.’ Zijn grote handen hielden me krachtig vast. Ik zei niets en keek de diepte in. ‘Het is toch wonderlijk dat we hier zitten?’ zong hij, ‘je bent zoveel jonger dan ik, we hadden elkaar nooit hoeven te ontmoeten en nu zitten we hier! Wonderlijk!’

‘Ja.’

Ik had een nieuw kwartlitertje gekocht en twee bekertjes bijgeschonken. Ramses genoot van twee grijze moedertjes die passeerden. Ze keken hem aan en hij antwoordde met een blik vol herkenning: ‘Zijn ze niet prachtig!’ Hij wuifde ze na met een koninklijke hand. Shaffy, icoon van het vrije leven. ‘Mijn echte moeder zou hier ook kunnen zitten… het was een gekkin. Leefde ook van dag tot dag, en verzon alles bij elkaar. Comptesse Romanov, ha, ha.’

Didi was een vrolijk mannetje. Strand als speeltuin. Er zijn verhaaltjes over hem, dat hij Russische kinderliedjes zong voor de badgasten. Die liedjes leerde hij van zijn moeder, die prachtig piano kon spelen. Er is ook nog een foto van Didi in een zilveren trapauto, een kleine Rolls-Royce waarmee hij over de Croisette reed. Hij parkeerde zijn Rolls tussen de grote automobielen aan de kust. Hij moest de auto achterlaten, maar anders dan hij later zou doen met de Pontiac in Amsterdam. Dit was zijn jongste leven, vrij in de ruimte onder de zon. Zijn moeder had veelal geen idee waar hij uithing. Niemand zei wat hij wel en niet moest laten. En zolang Didi steeds de weg terugvond naar het hotel en kwam eten, was Therèsa onbezorgd. 's Avonds speelde zij een soort Anastasia in de bar van het hotel en dronk ze op rekening. Een doorlopend geprolongeerde voorstelling. Didi kon uren alleen zitten. Dan keek hij uit over de zee. Hij genoot intens wanneer hij de zon kon zien ondergaan.

Het was een spannende tijd in Europa. Hitler militariseerde Duitsland en raaskalde krachtige oorlogstaal. Europa raakte in de ban van de Duitse dreiging. Didi had er natuurlijk geen idee van. Hij was een kind aan zee.

Of het kwam door de stand van de maan, door het draaien van de wind; er gebeurde iets. Naar de reden is het gissen. Het is moeilijk in te beelden waarom een moeder een kind alleen laat. Was Therèsa verward, radeloos? Had ze tuberculose, zoals ergens in oude interviews met Ramses staat? Therèsa besloot haar zoon onder te brengen bij haar zus Marie en diens man Wova in Utrecht. Zij zouden haar zoon opvoeden en verzorgen. Dat was haar idee. Per trein verliet de bijna zesjarige Didi Cannes. Een dag later kwam hij in een grijze, vreemde wereld. Niemand sprak er zijn taal.

In datzelfde jaar verloren Herman en Roos Snellen ook hun derde kindje. Mirjam stierf kort na haar geboorte. De oorzaak van het overlijden van de twee kinderen werd duidelijk. Roos was rhesusnegatief. Na de geboorte van Aya stootte haar lichaam alle andere baby's af, omdat ze antistoffen aanmaakte tegen haar eigen kind. Ze zou zelf nooit meer kinderen kunnen krijgen. Het grote gezin waar Roos van droomde leek haar niet gegund. Het liefst had ze veel mensen om zich heen en een huis waarin pianospel werd afgewisseld met kinderstemmen. Ze vond het verschrikkelijk dat hun kleine Aya zou moeten opgroeien als enig kind. Het was vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Didi was diep ongelukkig in het kindertehuis waar hij uiteindelijk terechtkwam en de familie Snellen ervoer een groot gemis. In haar dagboek schreef Roos:

Februari 1940. Het blijft een ongelooflijk strenge winter. Aya rijdt al leuk [op de schaats]. Zouden we volgend jaar een ‘kameraad’ voor haar gevonden hebben? Zou Herman willen?

Tijdens een ontmoeting in het Sarphatihuis vertelde Ramses me over die tijd: ‘Mijn moeder, mijn échte moeder… ja, dat was een vreemde vrouw. Nog voor mijn geboorte in Parijs is mijn moeder hem gesmeerd [dat is dus helemaal niet zeker!]. Ik geloof zelfs op hun trouwdag. Na het zetten van de handtekening vluchtte zij weg, met míj in haar buik! Ze was half stateloos, en gevlucht voor de bolsjewieken in Rusland. Ja, ze was wel van adel, een Pools-Russische gravin [niet te controleren!]. Mijn vader, Ramses Shaffy en mijn moeder hielden erg veel van elkaar, maar mijn moeder wist dat ze allebei zo'n sterk karakter hadden, dat ze nooit samen gelukkig zouden worden.’ Hij vertelde bijna zonder uitdrukking.

Ik weet niet of het allemaal zo is. Er zijn ook andere versies verteld. Bijvoorbeeld dat zijn vader en moeder pas na een paar maanden uit elkaar gingen. ‘Mijn moeder vertelde me dat het een hartstochtelijke liefde was, waaruit ik ben geboren. Ja, ik leefde met haar in hotels. Ze was een fantastische oplichtster, een oplichteres!’ Zijn ogen droomden weg, focusten op een andere tijd. Herinneringen verkleurden op het netvlies. Alles kreeg een ander licht. ‘Altijd als ik aan zee ben, dan denk ik weer aan die tijd.’

‘En je moeder zette je gewoon botweg op de trein naar Nederland? Ze had tbc of zo?’ Mijn gedachten raasden naar een verlaten station in Zuid-Frankrijk, een vrouw wenend op het perron, een klein jongetje wuift door een lens van tranen naar zijn snel kleiner wordende moeder. Ik hoorde hem zingen, een man met een kinderstem.

De trein naar het noorden

je stond onbeweeglijk
in tranen op het perron
toen ik klein was
in de trein naar het noorden

we keken elkaar na
in de ondergaande zon
toen ik klein was
in de trein naar het noorden

[…]

ik zong ons slaapgebedje
zo hard als ik maar kon
omdat ik klein was
in een trein naar het noorden

[…]

je staat voor mij nog steeds
op een wegstervend perron
omdat God ons gebedje niet verhoorde

Ramses schudde zijn hoofd, zette zijn wijn op tafel, zocht zijn pakje sigaretten en stak zijn zesde Marlboro op sinds onze handdruk. Ondeugende ogen. Triomfantelijk: ‘Ik heb het verzonnen… Ze heeft me zelf weggebracht naar Utrecht.’

‘En die trein dan en die tbc?’ Uit zijn mondhoek ontsnapte rook.

‘We zijn samen in een trein vanuit Nice naar Utrecht gegaan, naar oom Wova, Wova Smirnoff.’ Ook deze versie kan ik moeilijk geloven. In zijn eigen boek Mijn Goddelijke Reizen uit 1997 kom ik de versie tegen dat een tante hem heeft opgehaald bij zijn moeder en hem naar Nederland heeft gebracht. Laat ook maar.

‘Die oom zou met zijn vrouw voor me zorgen,’ gaat Shaffy verder, ‘ze woonden aan het Wilhelminapark in Utrecht. Mijn moeder bracht me weg, omdat zij het niet kon. Haar leven was te onvoorspelbaar, zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Dus die trein naar het noorden, is de trein van Nice naar Utrecht. En dat afscheid is het beeld dat ik heb van haar, toen we afscheid namen in Utrecht en zij weer vertrok… Zo is het gegaan.’

Waarheid? Waarom zou hij nu ineens de waarheid vertellen? Ik moet het ermee doen.

‘Die tante werd dus knettergek, gekker nog dan mijn moeder!’ zei Ramses. Hij verwelkomde de rook tot diep onderin zijn longen en keek om zich heen, alsof hij over iemand praatte die elk moment kon binnenkomen. ‘Ze ging als een gekkin lopen zingen, heel idioot. Ze had eigenlijk een psychiatrische afwijking of zo, ze was psychotisch… Ook zij zou hier zo in dit huis kunnen wonen. Er wonen heel wonderlijke mensen, hier, in het Sarphatihuis.’ Ramses bestudeerde me en lachte guitig. Hij nam een slokje, en trok een serieus gezicht. ‘Oom Wova bracht me naar een kindertehuis in Zeist, ik weet nog hoe ik daar kwam. Ik stond in de gang, keek naar buiten en zag daar allemaal blonde kinderen spelen. Althans in mijn herinnering. Ik voelde me verraden en machteloos. Ik was boos. Het verdriet om alles wat er was gebeurd, drong tot me door. Onmachtig gooide ik een stoel door de ruit, ben toen naar buiten gerend om de bomen af te rossen met takken.’

‘Hmm, ik las ergens dat je kinderen afranselde.’ Ramses zoog het vuur naar zich toe, inhaleerde diep en liet beheerst de rook uit zijn longen ontsnappen. Hoe kan een zanger zoveel roken? Of anders, een roker zoveel zingen?

‘Ja, dat heb ik eens verteld, ja… ik heb ook wel gevochten met kinderen, maar toen waren het de bomen. 's Avonds bij het diner zaten we bij de zusters aan tafel. Ik sprak alleen Frans en verstond er geen donder van.’

‘Alleen Frans? Wat sprak je dan je bij je oom en tante?’ Ramses schudde zijn hoofd. Hij heeft geen idee. Hij doofde zijn sigaret een vervolgde: ‘Opeens begint zo'n zuster Frans te praten en français… zo van er is een nieuw jongetje. Ik pak mijn zojuist geserveerde bordje met aardappelen en smijt het zo over de tafel. Dát was mijn entree in Nederland!’ Ramses keek me triomfantelijk aan. Alsof hij zojuist over een van zijn grootste daden had verteld.

Het kindertehuis waar hij was terechtgekomen, stond niet bekend als zachtzinnig. De twee zusters die de directie voerden traden vaak hardhandig op en deelden zware straffen uit. Didi zou een keer moeten hebben toekijken hoe een klein meisje haar eigen kots opat. Als een gekooide vogel probeerde Didi uit te breken en vrijheid te vinden, zoals hij die kende aan het strand in Frankrijk. Steeds vaker ontsnapte hij, om samen met een vriendje te gaan spelen bij een dame in het bos. Elke keer als hij terugkwam werd hij opgewacht door een zware straf. Het weerhield hem er niet van zo snel mogelijk weer de uitweg te kiezen.

Kerst 1939 bracht Didi door in het tehuis. Er werd een kerststuk opgevoerd met engeltjes. Didi moest de hoofdengel zijn. Alle kinderen droegen engelenjurkjes. Naar eigen zeggen had híj er niets onder aan. Het optreden begon, de kinderen kwamen op. Didi zag het publiek en tilt zijn jurkje op, om ‘zijn piemelmuisje’ aan te bieden. Er volgden vreselijke straffen. Het duurde dagen voordat hij van zijn kamertje mocht. Steeds sterker werd zijn verlangen naar familie, naar de warmte van een huis, vrienden om bij te horen en vrijheid. Kijkend door de hoge ramen van zijn kamertje, voerden zijn gedachten terug naar de Middellandse Zee, zijn trapauto, de liedjes van… zijn moeder. Waar is mijn moeder? Komt ze me gauw halen?

‘Het is Gods plan geweest dat ik bij de familie Snellen terechtkwam. Ik kan niet anders concluderen. Ik leid dat af van hoe het leven gegaan is,’ zei Ramses op deftige toon.

Hij strekte zijn arm om het ‘twee in één gestapelde’ plastic bekertje wijn op tafel te plaatsen.

‘Het moest zo zijn… Oom Wova zag het dus niet meer zitten en bracht me naar dat kindertehuis in Zeist… nou… ik had dat daar niet zo naar mijn zin, dus ik probeerde uit te breken. Dat deed ik samen met een vriendje, Robbie uit Rotterdam. Elke keer als we uitbraken, bezochten we een vrouw, die woonde in het bos. Zij was een tante van vader Snellen. En als we daar waren, dan speelden we daar of kregen we iets te eten. Na een tijdje belde zij met het tehuis. “Ze zijn weer bij mij,” zei ze dan tegen de nonnen. Vaak kregen we dan weer genadeloos op onze donder… ja.

In dat tehuis was ook een meisje, ze was verstandelijk gehandicapt… Gerda, heette ze, geloof ik, maar dat weet ik niet zeker meer. Ze kwam uit Aerdenhout. Haar ouders haalden haar elk weekend weer op. Ik speelde erg veel met haar. Ze was als een soort verlóófde! Een keer ben ik met haar mee gegaan naar Aerdenhout. Haar ouders bleken óók weer familie van vader Snellen te zijn! Nou, toen bekend werd dat Roos Snellen graag een kind, een jongetje wilde adopteren, had de vrouw uit het bos, en de familie uit Aerdenhout tegen hen gezegd dat ze maar eens naar het donkere jongetje moest kijken, dat nu in Zeist zat. Roos kwam naar me kijken. Ze had door de heg gekeken en op een mooie dag kwam ze me halen. Er was direct een enorme liefde tussen ons. Ze kwam met Aya, die was er geloof ik ook bij. Aya wilde direct speelgoed met me delen… Ja. Ik ben toen eerst een keertje op zicht geweest… ja.’ Hij haalde diep adem en blikte even omhoog. ‘Zo is het gegaan, een wonder. Mijn leven hangt van wonderen aan elkaar, dat ik bij de familie Snellen in Leiden terechtkwam is een van die grote wonderen, ja… Je moet ze zien en zoals ik, ook creëren.’

‘Hoe creëer je een wonder?’

‘Dat is het leven verleiden, en dat leer je niet, dat kun je en daar heb je zin in ook. Het is eigenlijk gewoon zin hebben in het leven, en het leven laten gebeuren. En dat heb ik van huis uit meegekregen.’

We waren stil. Alleen onze ogen spraken. Ik voelde een diep mysterie. Wie is deze man? Met zijn raadselachtige stiltes, zijn onnavolgbare blauwe ogen? Een van de talloze aan de drank geraakte artiesten? Ik voelde een groeiende nieuwsgierigheid naar de geheimen van de oude man in blauwe blouse, nippend van de wijn. Hij had zijn avondeten afbesteld. Hij hield mijn hand vast. Nog nooit had een man mijn hand zo vastgehouden. Wat gebeurde er? En waarom was het niet vree… Hij zoende me vlak naast mijn mond, drie keer. Hij keek alsof hij direct mijn ziel kon lezen. De charmeur! ‘Kom je snel weer langs?’

‘Ja, Ramses, dat zal ik doen.’

‘Je moet Edith bellen. Zij bewaart mijn agenda…’

Een vrouw met kort roodbruin haar en eerlijke ogen gaf me haar nummer en stelde zich voor als Edith. Ze is medisch-secretaresse in het Sarphatihuis. Later zou blijken dat ze vooral een heel goede vriendin van Ramses geworden was.

‘Waar zullen we afspreken?’

‘Waar jij wilt, ik wil overal met je naartoe. Liever niet in een café, dat is nogal gevaarlijk, niet alleen vanwege de gezelligheid, maar… ik ben nogal een publiek figuur, iedereen gaat aan me hangen. Als je echt wilt spreken, dan moeten we een rustige plek hebben.’

‘Waarom niet gewoon hier?’

Hij hief zijn handen en ontwapende zijn gezicht. ‘Bel Edith maar…’

Ramses Shaffy. Een bijzondere ontmoeting. Ik kreeg het gevoel alsof ik aan een groot avontuur zou beginnen, waardoor alles anders zou kunnen worden. Geen idee.

Ramses grinnikte naar me. Ik stond op, ritste mijn jas weer hoog dicht. Het was meer een gebaar. Ik schonk het laatste slootje spa uit mijn glas en scande in een oogopslag de tafel: zestien sigaretten, vier flesjes wijn. ‘Tot gauw, Ramses, en veel plezier met carnaval.’

‘Dank je wel, heel bijzonder… tot gauw. Dag…’

We zwaaiden naar elkaar. Ik zag hoe hij zijn bekertje leegde, bijvulde. Nog één keer keek hij naar me. Ik zag een grote sierlijk zwaaiende hand. Ik stond buiten, de koude van de winteravond sloeg om mijn gezicht, maar ik was warm. Ik was vergeten hoe blauw zijn ogen waren. De Plantagebuurt van Amsterdam was stil. De ruiten van de kroegen waren door gelag beslagen. Ik startte de auto, ontstak de lichten en reed de stad uit in onrust en vrede.