In het dagboek schreef Roos dat Didi vaak een slecht humeur had en bozig was. Het kostte hem duidelijk moeite om met de nieuwe situatie om te gaan. Gaandeweg trokken de buien over en brak het jongetje door dat hij was, vrolijk en eigenzinnig.

December 1941: Sinterklaasavond vierden we zo intens heerlijk met ons vieren. Didi genoot en sprong de hele avond van plezier de kamer door. Wat is het toch een geluk, dat we dit kind tot ons namen. Herman pakt hem zo goed en zeker aan, hij gaat merkbaar vooruit, is nog dikwijls humeurig, maar zoveel gauwer voor reden vatbaar. We leven nog steeds tussen hoop en vrees in. Wat zal de toekomst brengen? Ons land leeggehaald. Zal er voedsel komen? De slagerswinkels blijven steeds langer gesloten, vruchten zijn niet meer te betalen, eieren en botervoorraden uitgeput. Goddank kunnen we de kinderen nog geven wat ze nodig hebben.

‘Je echte moeder, heeft ze nog iets van zich laten horen?’ mompelde ik.

‘Jazeker… ik weet niet meer wanneer dat was. In mijn herinnering kwam ze in een witte koets met paarden ervoor. Ze was naar Leiden gekomen om me te komen halen. Ze wilde weer voor me zorgen. Roos heeft voor me gevochten als een leeuw… Uit de kamer naast de mijne klonk haar schreeuw. Ik moest maar kiezen. “Il décidera,” zei mijn echte moeder. Ik bleef… ik bleef. Ik was zo gelukkig, en ik dacht dat zij toch niet voor me kon zorgen. Ze is toen achter de vleugel gaan zitten en heeft Rachmaninov gespeeld. Ze kon prachtig pianospelen. Dat wist ik ook nog uit de tijd in Cannes. Daarna is ze gegaan.’ Ik twijfelde aan wat hij zei. Koets met paarden? Bijna te sprookjesachtig om waar te zijn. ‘Is het zo gegaan?’

‘Ik geloof van wel.’ Zijn blik was vastberaden. Ik vroeg niets meer.

Image

1942. Schilderij van de 9-jarige Ramses.

Na een ferme kriebelhoest vervolgde hij: ‘Ik heb ook aan sport gedaan, hoor.’ Hij keek me aan met een blik van ‘je gelooft me toch niet’. Hockey en tennis. Hele fietstochten maakte ik. Dat was ook aan het einde van de oorlog en erna. Aya en ik bezochten in die tijd ook de Vrije Jeugd Kerk Kampen, onder leiding van dominee Van der Laarkraft en zijn vrouw Loek. Daar ging je in de zomer kamperen, met andere kinderen uit de klas. Lag je een week in de tent, verdeeld over een jongenskamp en een meisjeskamp, naast elkaar. Het is een belangrijke episode in mijn leven. Er werd fantastisch gezongen. De vrouw van de dominee kwam uit Amerika en dat gaf het kamp een hele ínter-ná-tiónále wending. We zongen liederen van over de hele wereld. Religieuze liederen. Ik ben daar van mijn twaalfde tot mijn zestiende geweest. Het was een protestantse aangelegenheid, mijn pleegouders waren ook zeer religieus.’

Ik haperde. Zijn pleegouders religieus? Mariëtte vertelde me dat vader Snellen een agnost was, en dat religie en spiritualiteit hem hooguit boeiden als cultureel fenomeen. Het is de waarheid volgens Shaffy. De waarheid van vandaag.

‘Mijn moeder was voor zoveel procent joods, mijn vader was protestant, maar hij had zich wel losgemaakt van het zware calvinisme. Hij gaf ons een geweldige opvoeding, hij confrontéérde ons echt met andere culturen. Mijn moeder had een groot hart voor het katholicisme… ja. We gingen ook naar de kerk, regelmatig. Mijn vader zat ieder jaar opnieuw te huilen bij het kerstverhaal. Kerst en oudjaar vierden we altijd samen… ja, Roos las dan voor uit het dagboek van dat jaar en deden we charades…’ Ramses’ ogen volgden de gang van een oude man met een grote bril. Misschien deed hij hem aan zijn vader denken.

De kerstochtenden bij de familie Snellen kenden hun eigen ritueel. De kinderen – vaak sliepen er dan ook andere familieleden – liepen dan met een mandarijn met daarin een kaars door het huis naar de slaapkamer van Roos en Herman. Ze zongen kerstliederen en brachten een ontbijt. 's Avonds na de kerk werd er gezongen bij de piano. Roos zong altijd Franse kerstliedjes. Didi bedacht daarbij altijd heel absurde woorden, die hij luidkeels te pas en te onpas door de zorgvuldig gebrachte liederen heen zong. De volwassenen ergerden zich rot, de kinderen lagen in een deuk. Daarna werd door vader Snellen het kerstverhaal gelezen. Een van de hoogtepunten van de kerst was de plumpudding. Vader Snellen bracht de pudding binnen, maar dat ging altijd mis. Roos had volgens Ramses geen verstand van drank en schonk altijd te veel of te weinig alcohol over de pudding, waardoor deze nooit brandde, maar als een troosteloos toetje werd geserveerd.

‘Ik heb het ze niet gemakkelijk gemaakt, ze hadden natuurlijk géén idéé wie ze in huis haalden… Toch had mijn vader wel begrip voor mijn zoektocht naar vrijheid, het was volgens mij echt geen probleem voor hem. Ik uitte me in muziek. Echt buitensporige dingen deed ik toen nog niet. Ik had gewoon een eigen leven.’ Hij zweeg even. Op zijn lippen een filmpje wijn. Ik keek en dacht. Geen probleem voor vader Snellen? Misschien niet, misschien strijken herinneringen alle plooien glad. Na een korte pauze: ‘Van scholen maakte ik een ramp. Moeder Roos was leidster op de montessorischool in Oegstgeest. Daar ging ik ook naartoe. Ik herinner me alleen het enorme ravotten! Ha! En ik heb op het Rijnlands lyceum in Wassenaar gezeten en nog op een ander, maar ik heb het niet afgemaakt. Bij de één ging ik voor de tweede keer niet over, en bij de ander werd ik betrapt met spieken. Het was een creatieve rotperiode. Leraren interesseerden me niet, huiswerk vond ik vervelend. Kun je je voorstellen wat dat betekent, als je in een intellectueel gezin thuiskomt met heel slechte rapporten? Ze waren radeloos soms, ze wisten niet wat er van me terecht moest komen.’

Ramses kwam op het lyceum eigenlijk alleen in actie als er toneelgespeeld moest worden. Of tijdens muziekconcoursen tussen scholen. Hij won dan altijd met zijn balsturige pianospel.

Mijn gedachten vloeien terug naar mijn eigen middelbare-schooltijd. Ik heb die jaren als een gevangenis ervaren. De irrelevantie van de lessen, de gekooide klassen. Ik wilde liever groots! Poëzie. Ik schreef met vrienden gedichten op straten, pleinen. Een paar weken voor het examen ben ik de klas uit gelopen, om niet meer terug te keren. In die tijd ontdekte ik zijn muziek. Ik ontving van zijn zang een enorme kracht. Ik glimlachte bij de gedachte: ‘Misschien maar goed dat ik niet bij je op school heb gezeten, dan was er helemaal niets van me terechtgekomen.’ ‘Misschien juist van wel…’ luidde zijn antwoord. Hij keek mysterieus, maar misschien wilde ik dat graag zo zien. Ergens voelde ik een gelijk.

‘Ik heb toen een keer zo'n beroepskeuzetest moeten doen,’ grinnikte Ramses. ‘Daar kwam uit dat ik iets met mode moest doen. Dat wilde ik zelf ook, hoor, maar ik wilde nog liever naar het toneel. Maar uit die test bleek volgens de professor dat ik juist helemaal niet naar de toneelschool moest. Ik moest me richten op de mode. Vanwege een carrière in het hoedenwezen! Op de kunstnijverheidsschool koos ik ook de moderichting. In die tijd maakte ik ook hoedjes van alles wat ik maar tegenkwam. Soms verknipte ik hoeden van mijn pleegmoeder tot een wat ander model, of ik maakte hoeden met vers fruit erop. Ik beloofde elke week 't fruit te verversen. Die hoedjes verkocht ik dan aan buurvrouwen of aan Liberty, een heel chique hoedenzaak. Eén keer kwam een buurvrouw naar me toe die zei: “Didi, als je geld nodig hebt moet je het gewoon zeggen, want ik heb er genoeg van om met jouw oude onderbroeken op mijn hoofd rond te lopen!”’ Op zijn gezicht tekende zich een guitige glimlach, die hij enkele seconden vasthield.

Hij verbaasde me met zijn heldere jeugdherinneringen. De verwachting met een gewist geheugen te maken te krijgen was onterecht. Nog geen vier minuten nadat hij zijn sigaret had gedoofd, ontstak hij een nieuwe. Blauwe rook kringelde langs me heen. ‘Vader Snellen was heel bezorgd. En dat waardeerde ik toen niet. Nu ben ik er wel dankbaar voor… ja… Hij was erg intelligent en begripvol… toen hij stierf viel de pilaar in mijn leven weg.’

Ik las een interview met Herman Snellen uit de Libelle van 25 februari 1977.

Als ik voelde dat Ramses problemen had, probeerde ik hem te helpen, maar hij leefde in zo'n volstrekt eigen wereld, dat ik hem toen niet aanvoelde. Het was een jongetje vol fantasie. Toen hij als zevenjarig jochie kwam, zoog hij binnen de kortste keren een verhaal uit zijn duim en dat kon mij wel irriteren. Mijn vrouw had daar meer begrip voor. Ik heb Didi wel eens een pak voor zijn broek gegeven. Heel begrijpelijk trouwens dat Didi zo anders was dan mijn dochter Aya. Zijn vader was een Egyptenaar die spoorloos verdween, en zijn moeder een Pools-Russische gravin. Die had hem afgeleverd bij een familie in Nederland. Maar die liet hem van de ene op de andere dag in de steek en dumpte hem in een kindertehuis in Zeist. Toen ik daar via, via van hoorde, dacht ik: Wat rottig, waarom zou hij niet in ons huis kunnen? Mijn vrouw was er direct voor: ‘Laat hem eerst eens een paar weken logeren’. Uiteindelijk is Didi gebleven.

Didi gaf zich hoogstens bloot aan zijn pleegmoeder. Hij had veel meer contact met haar. Hij was gesloten als een bus. Wat er werkelijk in hem leefde is mij voor het grootste deel ontgaan. Nu pas, na zo veel jaren heb ik het gevoel dat ik hem aanvoel. Hij is een artiest, een levenskunstenaar, die meteen toegeeft aan alle ideeën en plannen die in hem opborrelen. Daarom was hij op geen enkele school te houden. Hij presteerde het om midden in de les op te staan en te zeggen: ‘Gegroet u allen, ik ga naar de vogeltjes buiten, want de zon schijnt.’

Toen was ik er laaiend om. Hij had grote talenten, en die moest hij dan maar serieus ontwikkelen. Hij kon prima tekenen en zingen, daar moest hij dan maar gebruik van maken.

Van mijn vrouw hoorde ik dat hij af en toe heel serieus bezig kon zijn en dat het een heel lieve jongen was, maar nogmaals ik heb hem niet zo goed gekend als mijn vrouw. Hoogstens had ik af en toe het gevoel dat hij zich ondanks zijn vele vrienden eenzaam kon voelen. Pas later werd me duidelijk dat Didi geen rustig leven zou leiden. Volgens het beroepskeuzebureau moest hij kleermaker worden, omdat hij beslist niet geschikt zou zijn voor het toneel, al wilde hij dat nog zo graag.

Een paar alinea's verder vertelt vader Snellen:

Tussen zijn achttiende en tweeëntwintigste jaar zwabberde hij rond tussen de artiesten en vreemde figuren. Dat vond ik hopeloos af en toe, ik wilde die jongen toch ergens naartoe brengen, naar een goede baan, een leuke vrouw, een gezin. Maar hoe ouder Didi werd, des te wilder ging het eraantoe. Al vrij jong woonde hij op kamers in Amsterdam en dat betekende een onregelmatig leven van veel feesten en hard werken. Ik heb wel eens met de tenen krom in de schoenen gelopen als ik de verhalen las over het gebruik van verdovende middelen onder jongeren. Ik wist gewoon zeker dat Didi daar problemen mee had. Ik heb geprobeerd hem te helpen, maar telkens was het een moeilijke opgave, omdat ik het te veel op mijn manier deed. Toen hij tweeëntwintig werd, kreeg ik er een soort gelatenheid over. Ik ging er afstand van nemen, op een bepaald moment wil je het niet meer, kun je niet meer. Als ik nóg denk aan die onzakelijkheid van hem. Of hij nu veel of weinig verdiende, altijd was het op. Later, toen hij na zijn toneelschooltijd bekender werd, bleef het armoe troef, omdat hij door al de mensen om hem heen werd geplukt. Als ik daarover met hem probeerde te praten, dan gooide hij zijn hoed in de lucht en zei hij wel: ‘Ach wat, vandaag hebben we te eten, morgen zien we wel weer.’ Maar soms kon hij er ook diep treurig door worden, dan zei Didi: ‘Je hebt gelijk pa, ik zal proberen het beter aan te pakken.’ Van tevoren wist ik dan dat het op een mislukking zou uitlopen. Didi is veel te goed. Hij gaat uit van vertrouwen en vaak denkt hij: Nou ja, als ik dan bedrogen word, wat dan nog? Je leeft zo kort, moet je je daar zorgen over maken?

Natuurlijk kende hij momenten van bezinning en had hij plannen om serieus te leven en zuinig te zijn, maar ik kan niet anders zeggen dan dat hij dat altijd weer snel naast zich neerlegde. Hij is een artiest, met alle gevolgen van dien. Bovendien heeft Didi een gevoelig karakter. Als Didi diep in de put zit, kan hij binnen een paar minuten een geweldige bui krijgen. En andersom. Ik begin dat steeds beter te begrijpen. Laatst zei hij nog tegen me: ‘Vader, ik denk dat ik niet oud word.’

Ik zei: ‘Didi, ik denk dat niet zo belangrijk is in jouw geval. Als jij maar het gevoel hebt dat je zinvol bezig bent geweest.’

Didi keek even op, verbaasd. Hij knipoogde.

Mariëtte komt binnen met twee dampende koffiebekers. ‘Sorry, dat het even duurde…’

Ze is donker en heeft ronde ogen. Ik zoek gelijkenissen. Onzin natuurlijk. ‘Hij is absoluut mijn lievelingsoom…’ Ze bladert in Het boek Lielje, dat Shaffy schreef in de jaren zestig. ‘Dit is typisch Didi, hij heeft altijd van die absurde verhaaltjes. Het is gewoon een gek mens en het is heerlijk om zo'n gekke oom te hebben.’ Ze droomt weg: ‘Alles wat hij heeft uitgespookt is waar. Je kunt het zo gek niet bedenken. En wij weten natuurlijk lang niet alles.’

‘Hij kwam bij je grootouders in de oorlog. Roos was toch joods?’

‘Mijn grootmoeder Roos hoefde nog net geen ster te dragen. Haar vader was voor een deel joods, maar haar moeder niet. Zoiets. De oorlog was heel spannend. Vader Snellen zat in het verzet, hij verspreidde kranten en deed iets in de distributie van medicijnen in Zuid-Holland. Mijn grootouders waren ook lid van… heette dat niet de Nederlandse Unie, een soort verzetsbeweging? Aya en Didi hebben dat nooit geweten, denk ik.’

‘Hij heeft me ergens verteld dat hij af en toe jouw grootvader moest helpen bij nachtelijke droppings. Dat hij de door de Engelsen gedropte containers moest zoeken in weilanden.’

‘Zegt-ie dat?’ Haar ogen vergroten. ‘Nee, dat is echt niet waar, dat lijkt me heel sterk. Ik heb dat verhaal in ieder geval nog nooit gehoord en ik geloof niet dat mijn grootouders de kinderen wilden betrekken in het verzet… nee, nee, dit is echt weer zo'n Didi-verhaal.’ Een Didiverhaal? Hoe betrouwbaar is dan wat hij mij vertelt? Daar ga je al. Ik besluit te vertrouwen op wat me wordt verteld. Dit boek is de waarheid voor dit moment.

Mariëtte schikt achteloos enkele papieren op tafel en vertelt: ‘Mijn oma was een heel grote vrouw, met een enorm groot hart. Ze is gestorven in 1970, maar nu nog zijn er mensen die het erover hebben hoe bijzonder zij was, hoe aardig, hoe sterk. Zij was de drijvende kracht in huis. Mijn grootvader was cardioloog, en professor, hij werkte de hele dag en ze zagen hem bijna nooit. Ja, nog altijd wordt er vol liefde en lof gesproken over mijn oma, over de gezelligheid die zij in huis haalde, de muziek, de toneelstukjes, de dans. Dat kwam van haar. De kinderen die zij opnam, kinderen die thuis niet konden aarden, nam zij een tijdje in huis. Een groot gezin was haar wens.’

Image

Aya en Didi. Midden jaren veertig.

Uit de kamers en gangen komen geluiden van jonge stemmen. Een lange jongen stapt binnen. Het is de zoon van Kees, David, hij woont in een houten huisje in de tuin. Hij geniet er zijn vrijheid. Ik denk aan Ramses en aan zijn woorden: ‘Het moest zo zijn…’

Mariëtte wekt me: ‘Maar het was echt niet alleen maar leuk, Didi kon ook heel irritant zijn. Al die verhalen, alles wat hij deed was een soort toneelspel. Maar ook op scholen was het een ramp. Mijn grootmoeder gaf les op een montessorischool. Didi zat er ook, maar dat ging niet echt. Ook middelbare scholen liepen uit op een mislukking. Ik geloof dat hij wel twee keer van school is getrapt. Het enige diploma dat hij wel heeft behaald, is zijn zwemdiploma, op 10 augustus 1946.

Aya was een braaf kind, maar Didi porde haar op om mee te doen met zijn streken. Zoals scholen bellen om een kind aan te geven. Zo van, ons kind moet naar school en dan lieten ze de juffrouw een inschrijfformulier ophalen en invullen en dan zeiden ze ineens: “Oehoe, de melk kookt over”. Of van die idiote verhalen die helemaal niet klopten en dan legden ze de telefoon neer. Ze kwamen er altijd achter dat het Aya en Didi waren geweest. Didi wist zich er met zijn toneelspel altijd uit te redden. Aan de ene kant heel vermakelijk, maar aan de andere kant een heel moeilijke puber. Mijn grootvader had hem in de hand, als enige. Ik denk dat hij de enige was die hem in het gareel kon houden. Dan zei hij tegen Didi als-ie weer een mooi verhaal zat te vertellen: “Je kletst! Je kletst!” Of dan keek opa langs zijn bril en zei lachend: “Nou, zo was het niet.” En dan was Didi ook helemaal klaar. Dan probeerde hij niets meer. Hij had een heilig ontzag voor zijn pleegvader.’

‘Toch krijg ik de indruk dat hij zich niet echt liet sturen.’

‘Hij heeft van alles uitgeprobeerd,’ zucht ze en draait haar ogen langzaam weg. Ik voel waarop ze doelt en wat ze niet wil zeggen. Ik heb erover gelezen, ergens. Ramses sprak erover. Dat hij begon te stelen, kleine dingetjes, sieraden. Zelfs van zijn familie. Het zou hem niet om de juwelen zijn gegaan, maar meer om de daad. De kick, de adrenalinerush.

Roos heeft hem nog voor een echte gevangenisstraf behoed. Daarna volgde een beroepskeuzetest bij een professor in Utrecht. Mariëtte ontwijkt mijn ogen en zegt: ‘Dat is ook het moment geweest dat mijn grootvader tegen Didi heeft gezegd dat hij zijn eigen achternaam maar weer moest gebruiken.’ Ik begrijp het. Herman Snellen kon als bekende inwoner van Leiden natuurlijk niet hebben, dat de naam Snellen in verband werd gebracht met dat gedoe van Ramses.

‘Het was volgens mij ook, omdat Didi toen al bekender werd. In ieder geval heette hij vanaf toen Didi Shaffy.’ Het is stil.

Ineens weet ik weer wat ik haar wil vragen: ‘Wat weet jij van zijn echte moeder? Is zij in Leiden geweest?’

‘Ja, dat is wel zeker, dat van die koets met die paarden. Heeft-ie je dat verteld? Dat lijkt me sterk. Maar ze is geweest. Volgens mijn moeder heeft Roos echt gevochten. Ze heeft staan huilen en roepen van… eh, niet hij ook nog! En dan doelde ze natuurlijk op de andere kinderen die zijn overleden. Ze was als de dood dat hij weggehaald werd.’ Ze schudt glimlachend haar hoofd en schenkt koffie bij. ‘Ik bewonder hem wel, ik vind het een ongelooflijk talent. Hij ontroert me ook, omdat de verhalen die hij vertelt ieder jaar mooier zijn en met meer fantasie. Het geeft me altijd een gevoel van dat ik wilde dat ik erbij geweest was. Ik krijg vooral het gevoel mijn oma niet goed genoeg gekend te hebben, dat is zo jammer. Ik heb bewondering voor Didi's talent, hoe hij kan improviseren, klanken die hij overal uit weet te halen. Zijn gekke invallen. Het is niet alleen zozeer bewonderen… maar hij is natuurlijk een gekke man. Hij deed alles wat niet kon. Ik idealiseer hem niet, zoals zoveel anderen doen. Dat vind ik onzin en onnodig, maar hij is wel anders dan anderen, uniek… ja…’ Mariëtte kijkt me strak aan: ‘De dagboeken! Dagboeken van mijn oma, Roos Snellen-van Goudoever. Ze hield ze vrij nauwkeurig bij. Daar staan de gebeurtenissen vast wel in.’

29 augustus 1946. Didi's verjaardag. Een stralende jarige. Al zijn vrienden kwamen eten. 's Avonds deden we met ons allen charades en voorstellingen. Even dreigde de feestvreugde verstoord te worden toen er een gezant van Didi's moeder kwam. Een tip van de sluier werd opgelicht en we weten nu dat ze leeft en altijd gedacht heeft dat hij al die jaren bij de tante zat. Hoe het verder verlopen zal weten we niet. Wel werd er na een paar dagen getelefoneerd uit België en kwam ze zelf aan de telefoon. Als je het in een boek las, zou je het niet geloven; na 9 jaar een moeder die haar kind weer komt spreken en hem niet verstaat omdat hij haar taal niet meer kent.

Later komt er toch twijfel. Ramses zei zich deze dag te herinneren: ‘Volgens mij was het een man die in chocolade handelde. Hij kwam in Leiden aan de deur met chocolade, namens mijn moeder. Ik geloof dat vader Snellen zelfs de rekening moest betalen… ja… Ik kon mijn moeder niet verstaan? Lijkt me niet, we spraken volgens mij gewoon Frans.’ Daar gaan we weer. Zelfs mijn betrouwbaarste bron wordt in twijfel getrokken. ‘Er is nog iemand,’ zegt Mariëtte, bladerend in een adresboekje, ‘dat is Dicky, Dicky van Delft. Eigenlijk Louis… hij woont ergens bij Parijs, is professor in de Franse literatuur. Ik heb geen telefoonnummer, alleen een adres.’

‘Wie is hij?’

‘Hij kwam ook in de oorlog bij mijn grootouders wonen, als joodse kleuter. Hij moest onderduiken. 't Contact is altijd gebleven. Hij kan je ook veel vertellen.’ Ineens realiseer ik me dat ik Ramses de naam Dicky heb horen noemen. Hij had even na zitten denken en zei toen dat ik Dicky moest bellen. Nu van twee zijden deze naam valt, besluit ik gevolg te geven.

Ik ben benieuwd naar wat dit contact me gaat brengen. Welk geheim? Welke nuance? Het is wonderlijk hoe mijn reis verloopt. In de stilte van het huis ervoer ik de zorgvuldig gekoesterde liefde van twee mensen die er vleselijk niet meer zijn; Roos en Herman Snellen. Ik spreek antwoordapparaten in, word teruggebeld, we hebben een lang gesprek door de telefoon. Hij gaat op zoek naar foto's.

Een maand later, een bekende stem op mijn voicemail. Dicky komt naar Nederland! De zoektocht naar de jeugd van Ramses heeft bij hem zoveel losgemaakt dat hij nu met mij naar Shaffy wil! Weer een nieuw geschenk uit de hemel. Het lijkt wel alsof alles gestuurd wordt. Met de trein komt hij uit Frankrijk. We zullen elkaar ontmoeten op Amsterdam CS bij het meeting point. Hij met een grijsbruine pet op en Het boek Lielje onder zijn arm. Ik in oranje spijkerjas. Zijn trein komt kort na twee uur binnen. Ik wacht tot tien voor halfdrie op de afgesproken plek. Treffen we elkaar niet, dan zou ik precies tien grote stappen voor de middelste schuifdeur van het CS gaan staan.

Ik sta onder uit neonbuizen geformeerde poppetjes die elkaar de hand schudden en kijk naar de onbeheersbare stromen mensen die uit de treinen komen. Niemand voldoet aan het afgesproken signalement. Nergens een klein mannetje met pet en Lielje. Ik besluit naar buiten te gaan en tien stappen te nemen zodra ik de deur door ben. Wachten. Er komt niemand op me af. Paniek. Hoe kan dit? Ik wurm me terug de stationshal in.

Ineens, een flits. Een gefotokopieerd zwart-wit prentje uit begin jaren vijftig. Niet groter dan twee bij vier centimeter. En profil. Ik heb de afbeelding hoogstens twintig seconden gezien, ooit toen ik bladerde in de dagboekkopieën. In een passant herken ik de contouren, de mond, de ligging van de ogen. ‘Dicky?’ Hij kijkt me verbaasd aan en noemt mijn naam. Wonderbaarlijk. Hij is zonder pet en draagt nergens Het boek Lielje. Ook ik zie er niet uit als afgesproken. Het is warm en ik heb mijn spijkerjas in de auto laten liggen.

‘Mijn dochter Estelle is ook mee, als verrassing voor Didi… ze wilde een telefoonkaart kopen, zette haar bagage één tel op de grond en… weg was haar koffer. Terrible! Wat wordt Amsterdam toch een rotstad! Net Rome!’ klaagt Dicky, die zich voorstelt als Louis.

Amsterdam is enorm veranderd. Vrijwel iedereen die ik heb gesproken, noemt het verval van de stad. Volgens een enkeling zouden de veranderingen ook moeilijk te verteren zijn voor Didi, die de stad ook zo anders kent. Ik schud de hand van een charmante vrouw, iets kleiner dan haar vader, bruin haar, heldere blauwe ogen.

In afwachting van het politierapport drinken we koffie in de stationsrestauratie. Dicky… eh, Louis heeft foto's meegenomen. Zwart-wit van lang geleden. Wat kan hij me vertellen over Didi? ‘Via het verzet kwam ik in 1942 bij de familie Snellen. Didi woonde er toen dus al twee jaar. Ik ben vijf jaar jonger dan hij, dus mijn eerste herinneringen aan die tijd zijn ook door de ogen van een kind van vier, vijf en zes jaar. Didi is mijn halfbroer, mon demi-frère, zo voel ik het. Ik kan hem goed begrijpen, omdat ik zelf ook een dubbele natuur heb. Ik koester dierbare gevoelens aan die tijd. Roos… ach, Roos… zij was al een moeder, voordat ze moeder was. Vrouw in de mooiste zin van het woord.

Het was prachtig te leven tussen Roos en Herman Snellen.

En de oorlog, ja… dat was… ja… Ik herinner me nog dat ik op mijn kamertje stond op de eerste etage. Ik keek uit over het parkje met de vijf bomen, daarachter het station. Ik had al zo veel treinen voorbij zien gaan. De wagons zaten vol met mannen. Ze wierpen briefjes uit de trein. Een andere keer, 't was op een zondagmorgen, voelde ik dat er iets aan de hand was, want normaal stopten er geen treinen. Militairen dreven mensen samen op de perrons. Ik was klein, keek toe en besloot het risico te nemen om vader en moeder Snellen te gaan storen. Ze lagen nog in bed. Ik probeerde duidelijk te maken wat ik zag. Honderden mannen stonden in een verzameling op het perron. Roos kleedde zich aan, klom op een stoel en reikte naar de hoogste plank van de kast. Ze haalde er een enorme ronde kaas te voorschijn. In een deken. Zo liep ze het huis uit naar het station. Onder de ogen van de Duitsers begon zij kaas uit te delen en gaf ze dekens mee. Ongelooflijk! Levensgevaarlijk, maar zij deed het… ja… Ik heb nooit een vrouw gezien die zo'n gevoel had voor anderen, die anderen zo diep kon begrijpen.’

Dicky staart naar de fotootjes die hij als een kaartspel op tafel heeft uitgelegd: ‘Weet Didi dat we komen? Ja, toch? En moet ik nog dingen weten? Is hij aanspreekbaar? Drinkt-ie nog?’

Ik knik en glimlach: ‘Hij verwacht ons… Didi is heel rustig. Hij zit meestal in het Atrium wat wijn te drinken.’

‘Wijn drinken? Nog steeds, dat kan toch niet?’

‘Jawel, het gaat aardig goed, wacht maar af… Vertel me, hoe was hij als kind? Zat het er toen al in?’

‘Drinken niet natuurlijk, maar wel zijn enorme muzikaliteit. Daarin is hij enorm begaafd. Ik herinner me dat hij soms uren achter de vleugel zat te spelen… Didi was altijd met muziek bezig, maar hij is… eh… ook tamelijk moeilijk. Hij is niet geformatteerd, toen ook al niet. Er waren twee werelden. De wereld van de familie Snellen en de wereld van Didi… en die werelden kwamen eigenlijk alleen samen in de muziek. En dan nog had je de muziek van Snellen en de muziek van Didi. Ik zie hem nog improviseren achter de piano, toen al… tijdens de oorlog. Daarna speelde hij prachtig Debussy, Ravel. Dat hoor je nu nog in zijn liedjes, in die aparte akkoorden die hij heeft.’

Dan zorgvuldig formulerend: ‘Het was ook een jongen die eigenlijk niet paste op school, het was echt moeilijk om hem op te voeden. Hij was toch een beetje gek, excentriek… of beter… authentiek. Hij haalde altijd grappen uit en we speelden in de tuin… Wat is het lang geleden… ja.’

Estelle heeft de schoonheid die joodse vrouwen soms dragen. Ze is een fan van haar ‘oom’ en verheugt zich op de ontmoeting met hem. Ze kijkt op haar horloge. Hoe laat zouden we bij Didi zijn? Vier uur? Ik besluit Edith te bellen om te zeggen dat het later wordt. Na vijf minuten vervolgt Dicky zijn verhaal: ‘Na de oorlog ging hij druk in de weer met fotografie en mode. Hij maakte overal foto's van, hij experimenteerde met afdrukken. Vader Snellen had een donkere kamer om zelf röntgenfoto's te ontwikkelen. Didi was er dus ook vaak. En mode… hij had een beeld van hoe mensen zich zouden moeten kleden. Hij maakte soms zelf ook kleding. Toen al was hij hoofdzakelijk met zichzelf bezig, hij woonde in zijn eigen wereld. Hij was zo artistiek begaafd, en zo blijkelijk in een andere manier van doen. Toen hij iets ouder was, zat hij altijd in zijn tuinhuisje. Dat vond ik altijd zo bijzonder… dat was zijn huisje…’

Ik laat Dicky achter in zijn herinnering en krijg een ondeugend gevoel. De reis door het leven van Shaffy leidde me ook naar Enno en Erna van Goudoever in Wassenaar. Enno is een volle neef van Aya en kent Didi vanaf de dag dat hij bij de familie Snellen woonde. Enno vertelde me dat tante Roos het zo leuk vond dat Didi nu hij wat ouder was zich zo heerlijk vermaakte in het tuinhuis. Hij kon er zo lekker theedrinken, dacht Roos, terwijl Enno en Erna wisten dat Didi er vooral kwam om met mensen naar bed te gaan. Een geheim dat de oren van Roos nooit zou bereiken.

‘Hij was weinig geïnteresseerd in andere dingen dan in zijn eigen creaties en muziek,’ vertelt Dicky, roerend in zijn zwarte koffie, ‘vader Snellen had daar veel moeite mee.’ Dus toch?

‘Het was onbegrijpelijk voor die man. Professor Snellen wilde Didi traditioneel muzikaal opvoeden, dat hij concertpianist zou worden. Maar niets had grip op Didi. Die maakte toen ook al van die rare, absurde liedjes. Het was geen openlijk drama hoor, maar je wist dat vader Snellen er moeite mee had. In het begin was hun relatie ook helemaal niet zo goed. Met Roos wel. Roos en Didi hadden iets heel speciaals. Al is hij altijd ergens een buitenstaander gebleven. Roos bewonderde hem, zonder adoratie. Er ging iets uit van Didi. Hij straalde en zij zag dat.’

Image

Ramses met zijn pleegbroer Dicky van Delft in het midden van de jaren tachtig.

Een taxi brengt ons later naar het Sarphatihuis. Ramses wacht er in gezelschap van twee kwartlitertjes. Gelukkig is er pas één geopend. Hij wil opstaan uit zijn stoel, maar Dicky buigt zich voorover. Twee oude mannen in omhelzing. Estelle krijgt een hand en drie zoenen. Didi's ogen kleven aan zijn halfbroer, die stoelen verschuift en naast hem komt zitten. We zitten rond de tafel. Ik kijk Shaffy schuin in zijn gezicht. Hij zwijgt en Dicky probeert een conversatie op te zetten. De foto's bieden uitkomst. Ramses laat het zwart-wit door zijn vingers gaan. Soms knikt hij, de andere keer reageert hij luid lachend op de afgebeelde herinnering. Zijn ogen zijn vochtig. Ik heb hem nog niet zo gezien. Soms kijkt hij minuten lang naar dezelfde foto, zoals die van moeder Roos, waarop ze zo mooi lacht. Het is alsof hij haar weer ontmoet en direct in de ogen kan kijken, zo indringend bewondert hij de mensen van vroeger. Dicky kijkt me aan. Ik denk een hoofdknikje te zien. Hij is tevreden. Hij legt zijn hand even op de arm van zijn beroemde broer. We vergezellen Shaffy nog twee glaasjes. ‘Ik ben toch nog een keer bij jou en je moeder met vakantie geweest… in Nice?’

‘Ja zeker,’ zegt Dicky ‘dat was in 1953.’

‘Woonden jullie toen niet aan de Rue of Boulevard de Gambetta?’

‘Ja! Dat je dat nog weet!’

Shaffy fleurt op: ‘Ik ben soms nog zo blij met mijn geheugen… ik weet het nog.’

Hij grijnst naar me en draait de schroefdop van zijn flesje. Dicky en Estelle beloven twee dagen later terug te keren. We staan op. Wanneer ik me vooroverbuig en zijn wang tegen de mijne voel, fluistert hij: ‘Ik hoop jou hier heel gauw weer te zien.’ Ramses houdt me vast en drukt me tegen zich aan. Estelle lacht. Bij de deur draai ik me nog één keer om. Twee grote handen dansen boven zijn hoofd. Naast hem wacht het groene plastic tasje. Ik zwaai terug en volg het tweetal voor me naar buiten. Buiten slaakt Dicky een diepe zucht en kijkt even omhoog naar de wolkeloze hemel.

‘Weet je, in de trein uit Frankrijk heb ik Het boek Lielje nog eens gelezen. Het is een wonderlijk boek, het lijkt onzin, maar het past helemaal in de traditie van het dadaïsme en absurdisme. Ik denk dat het een mooie sleutel is om Didi te begrijpen… lees het maar eens.’

‘Zal ik doen, ik heb het thuis.’

We lopen naar mijn auto. Estelle en ik voorop, Dicky in gedachten verzonken een paar meter achter ons. Ineens merkt hij op: ‘Eigenlijk paste Didi helemaal niet in zo'n burgerlijke familie. 't Kan niet anders dan dat hij zich soms best eenzaam heeft gevoeld. Maar hij is wel door deze oerdegelijke familie gevormd. Zonder Roos en Herman Snellen had hij waarschijnlijk nooit gezongen of pianogespeeld.’ 't Moest zo zijn.