Image Twee Image

Didi rent naar de bomen achter in de tuin en kijkt naar het grote huis. De jonge zon streelt zijn gezichtje. Dit wordt mijn thuis. Voor het eerst een eigen kamertje! Eigen spulletjes. En een zusje met wie ik spelen kan, een vader én een moeder. Vader Herman, moeder Roos. Een huis met een vleugel! Mag ik hier blijven? En mijn moeder in Frankrijk dan? Weet zij dat ik hier ben?

Ze noemt hem altijd Didi. Ze haalt koffie voor me uit de keuken. Ik kijk het huis rond en laat mijn dagdroom varen. Dit is een ander huis, maar het doet me denken aan het huis dat ik nooit heb gekend, maar waarover ik Ramses vaak heb horen spreken. Misschien komt het door de sfeer. Het huis heeft muziek, 't lijkt rondom de vleugel gebouwd. Aan de muur hangt een piepklein viooltje. Op een lage kast staat een foto van Ramses met een klein jongetje tegen zijn borst. Het is Eli, het zoontje van Mariëtte Landheer en haar man Kees. De foto is gemaakt met Kerstmis. Shaffy vierde het hier.

Door het raam in de deur zie ik haar in de keuken staan. Beetje opgewonden beweegt Mariëtte heen en weer tussen koffiepot en pak melk. Ze is de dochter van zijn pleegzusje Aya en ik hoop dat zij me meer kan vertellen over zijn jeugd. Er is niet veel bekend over de periode die hem voor een belangrijk deel heeft gevormd. Deze familie is de enige bron. Ramses praat met zo veel liefde over hen. ‘Het moest gewoon zo zijn dat ik daar zou opgroeien,’ had hij gezegd. Mariëtte loopt een gang in, roept iets onverstaanbaars naar boven. Ik drijf af naar een week geleden.

Het was een van die middagen dat ik naar het Sarphatihuis kwam. Het viel me op dat aan het plafond van het Atrium twee reusachtige metalen roeispanen hangen. Ze bewegen haaks op elkaar. Misschien geven ze aan hoe ergens de tijd vliegt, maar ook hoe lang de dagen hier kunnen duren. Shaffy zat te wachten, net als de vorige keer. Een groen plastic tasje naast zich op de stoel. Zou hij me nog herkennen? Hij zag me, stond op en opende zijn armen. ‘Dáár ben je…’ Drie zoenen, weer vlak naast mijn mond.

‘Ik heb iets lekkers voor bij de koffie,’ zeg ik vlak. Zijn gezicht betrok.

Ik haalde een fles Syrah uit mijn rugzak en zette die met een sierlijk gebaar op tafel. Een brede lach.

‘Dat is inderdaad heerlijk bij de koffie, ha, ha.’

‘Zullen we die dan ook maar overslaan?’

‘Dat is een bijzonder goed idee!’ Hij glunderde. Edith kwam langs om te groeten. Ze legde haar hand op de schouder van Ramses, boog voorover en kuste hem.

‘Ik ga weer, we zien elkaar morgen, dáág!’ Vier ogen keken haar na, twee monden krulden tevreden.

‘Ik heb hier niet zo'n ding… zo'n flessending… eh… kurkentrekker!’

‘Ik wel!’ zei ik. Terwijl ik de wijn ontsloot, gaf ik hem een brief van zijn pleegzus Aya uit Curaçao. Ik vertelde dat ik haar gesproken had, door de telefoon. Hij grinnikte, zijn gezicht kende alleen nog zachte lijnen.

‘Het is allemaal waar… alleen schrijft ze altijd van die verantwoordelijke zinnen, maar dat ik geen noten wilde leren lezen is niet waar, ik wilde het wel, maar… ach. Ik had eerst een docent die mij vrij leerde spelen, de noten als ondersteuning. Later kreeg ik een andere pianoleraar, die wilde me exact volgens de bladmuziek laten spelen… ik kon ineens geen noot meer lezen. Acuut notenblind! Ik was een jaar of zeventien. Toen ben ik ook met pianoles gestopt. ‘k Zou toch nooit een concertpianist geworden zijn, al dat studeren… Ach ja… [herlas de brief], mijn familie is altijd een haven voor me geweest. Ik denk veel aan ze. Soms heb ik het gevoel dat mijn pleegouders hier zijn, in dit grote huis. Dat heeft ook te maken met de oude mensen die hier wonen… sommigen lijken zelfs op mijn pleegvader. Roos en Herman zijn erg belangrijk voor me geweest. Het is een geschenk dat ik daar mocht komen.’

Uit het dagboek van Roos Snellen-van Goudoever:

Maart 1940: Onze trouwdag was een heerlijke feestdag. Het viel in de paasvakantie en we hadden onze Didi te logeren. Didi Shaffy Bey, kind van een Egyptische vader en Russische moeder, neergezet in een kinderhuis om daar vergeten te worden. Arm verlaten zieltje en waarom is hij bij ons komen aandrijven? Waarom moeten we de ouders vervangen? Niemand weet het. Maar toen hij met Pinksteren weer bij ons logeerde en de ellendige oorlogsdagen meemaakte, toen hij zich zoo moedig gedroeg en jodelend in de schuilkelder zat, besloten we hem blijvend tot ons te nemen. […] We hadden onze eigen teleurstellingen nog zo nauwelijks verwerkt. De winter was moeilijk. Ik kon mijn weg niet vinden, ik snakte naar een kind voor Aya. De opvoeding van een eenling werd mij te zwaar. En is dit opgelost. We hebben ons de taak opgelegd om deze jongen groot te brengen, om er een flink mensch van te maken. Zal de verantwoordelijkheid te zwaar zijn? De toekomst zal het leren, maar we moeten vertrouwen hebben, dat we goed hebben gekozen.

‘Ik denk hier ook veel aan mijn jeugd… een heel plezierige jeugd. Aya en ik hebben veel schik gehad samen. We konden heel goed met elkaar. We zijn ook allebei even oud, dat is natuurlijk ook een gek gegeven. Vader Snellen is de vááder van de familie, een wetenschapsman. Hij heeft ons geconfronteerd met cultuur, met musea, toneel en concerten. Het eerste toneelstuk dat ik zag was in Leiden, een kindersprookje. Ik was toen nog heel jong.’ Ramses nam zijn bekertje wijn, hief het en zei op z'n Leids: ‘Op jou en je boek!’ Een slok, dan verder: ‘Op de begane grond van het huis aan het Terweepark was de praktijk van mijn pleegvader. Wij woonden boven, en op de bovenste etage waren de slaapkamers. Uit mijn raam zag ik de tuin. Er was een rosarium. Aya en ik hadden ook een eigen tuintje, waar we onze eigen bloempjes konden laten groeien.’ Hij zocht in zijn borstzakken naar sigaretten. 't Pakje lag op tafel.

Image

Didi/Ramses voor het huis van de familie Snellen aan het Terweepark in Leiden.

Image

Herman Snellen.

‘Bij ons thuis was er altijd muziek. Mijn pleegvader speelde prachtig piano. Aya ging op blokfluitles en ik op pianoles. Er werd altijd veel gezongen en gespeeld. Mijn pleegmoeder, Roos, zong de Matthäus Passion en mijn vader begeleidde haar. Elk jaar. Roos kwam uit een heel muzikale familie. Haar broers speelden viool, cello of fluit op het professionele af. Bach en de Matthäus zijn verweven met ons gezin. In Bach herken ik het artistieke en spirituele. Heel indrukwekkend, dat genie van Bach werkt in mij door… ik heb ook veel Bach gespeeld op pianoles. Ha, ha… het was soms een heel gevecht om de vleugel! Mijn moeder speelde soms, ik begeleidde haar als ze Fauré zong of Duparc. Pianoles kreeg ik van Daye Owens, een fantastische man. Hij liet me helemaal vrij in mijn muzikale ontwikkeling. Van hem heb ik mijn techniek geleerd. Uiteindelijk kwam ik uit bij Debussy en Ravel. Later, toen ze bij ons thuis dachten dat het conservatorium iets was, kreeg ik les van Leon Orthel. Dat ging totaal niet. Hij was veel te calvinistisch, en dat paste op geen enkele manier bij de vrijheid die ik kende. Toen gebeurde er iets heel wonderlijks. Ik kon geen noot meer lezen!’ In de eerste jaren na zijn komst was het nog spannend of hij mocht blijven. Officieel hadden Roos en Herman Snellen de voogdij nog niet. Ze moesten naar Amsterdam komen om deze zaak te regelen. Daar zouden ook de familieleden van Didi moeten verschijnen.

11 maart 1941: Ons gaan naar Amsterdam zal een blijvende herinnering zijn. We vonden het te onzeker om Didi bij ons te hebben en geen voogd te zijn. De familie werd opgeroepen, maar verscheen gelukkig niet. Ik vond het zo wonderlijk, na al het verdriet dat we met onze eigen kinderen hadden, nu daar te staan en op te komen voor een ziel, die dobbert en die toch zeker een veiliger haven is binnengegaan. ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ hebben we toch zeker niet voor niets gezegd, want de verantwoording is groot, maar heerlijk.

Image

Roos Snellen-van Goudoever.

Als jongen had Ramses had het niet gemakkelijk. Vaak nog dacht hij aan zee, aan zijn echte moeder en de wereld waar hij als peuter, kleuter had gewoond. ‘Wat doet het met je leven als je zo jong door je moeder wordt verlaten?’

‘Ik had toen al zoiets van… na dit moment komt er een ander moment, dus ik ben altijd benieuwd gebleven naar dat volgende andere moment.’ Mooi praten achteraf. Houdt hij zich groot? Het is moeilijk voor te stellen hoe een jongetje van vijf, zes zich voelt.

‘Je zult toch wel verdrietig zijn geweest?’

‘Zal heus wel, maar dan ben je dat maar… ik zeg altijd “ook dit gaat weer voorbij”. Dat is wel van de oude Boeddha, hoor.’