Negen 
Ramses ligt in het ziekenhuis. Hij heeft zijn heup gebroken. Edith had me een dag eerder opgebeld. Gevallen in een nachtelijk gevecht met toverkollen en heksen. Met een grote rode bloem in mijn hand loop ik naar het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Ergens op de zevende verdieping ligt hij. Het kan zijn dat hij er nog niet is. Vandaag wordt hij geopereerd.
Bij een broodjeszaak ga ik naar binnen. De bloem leg ik op het tafeltje, mijn tas zet ik naast de stoel en ik bestel een broodje filet en een spa rood. De ochtend heeft me aangegrepen.
De dag begon met de ontmoeting met Peter Heijligenberg, de bovenbuurman van Ramses. Ik had de treden van het bordes beklommen, aangebeld bij het huis waar ook Ramses woonde. Peter deed de deur uitnodigend open, en ik volgde hem door de gang naar het trappetje aan het einde. We passeerden een crèmekleurige deur. Daarachter het huis van Shaffy. Een paar centimeters plank scheidde me van het huis waarnaar hij zo verlangt. We liepen door, trap op. ‘Hier liggen allemaal schoenen, dan lijkt het of er veel mensen wonen,’ lachte Peter. Hij wees op een papier op de deur waarop in handschrift: ‘Henk en Wim, we zijn laat. Bier staat koud, we komen zo.’
‘Om af te schrikken. Ramses vergat nog wel eens de voordeur af te sluiten.’ We liepen een sober ingerichte woonkamer binnen. Het raam keek uit op de gracht, op de bomen aan de overkant. De zon piepte net over de huizen. Aan de overkant zag ik een man lopen in een felgekleurde jas. Hij ging op het bankje zitten, met zijn ogen omhoog gericht. Hij ving nog net een streepje zonlicht.
In de sobere woonkamer nam ik plaats op de bank. Peter maakte koffie verkeerd.
‘Ramses zit helemaal vol schoonheidsbeleving van Amsterdam, van de Herengracht, van het leven hier. Ik heb het zo vaak gezien dat hij dan opstaat 's ochtends en op de stoep van het bordes gaat staan. Hij staat er dan en roept: “Kijk nou toch eens!” Dan is hij buiten adem van de schoonheid van wat hij ziet buiten, de huizen, de gracht. Hij liep ook wel eens een rondje en dan ging hij aan de overkant staan om naar zijn huis te kunnen kijken. En dan stond hij gewoon een hele tijd te kijken en soms begon hij gewoon te zingen. Tientallen ballades heb ik gehoord. En als hij me zag, dan ging hij me vanaf de overkant toezingen. Of hij zong voor de buurvrouw of de jongens van de coffeeshop. Dan zong hij echt uit volle borst… of 's avonds, ja. Het huis betekent voor hem ongelooflijk veel. Nog steeds.’

Ramses met Nora en Peter op het bordes van zijn geliefde huis.
Ik snoof de geur van de meubelen in me op en keek tussen mijn wimpers door. Onder mijn voeten, onder deze vloer is het huis van Ramses. De gedachte liet me niet los.
Peter bood me een gemberkoekje aan en vervolgde: ‘Op de bovenste etage woonde Xandra, die was al tachtig. Ze had straatvrees, dus ze hoefde ook niet naar beneden. Maar heel vroeger, toen Ramses nog in de twintig was, was zij een beeldschone vrouw. Ze kwam ook regelmatig in de kunstenaarssociëteit De Kring. Ramses kende haar vanuit de tijd dat hij zelf nog maar net in Amsterdam was. Hij was ook wel eens met haar naar huis geweest. Ze hebben een heel diep contact gehad met elkaar. Toen Ramses in dit huis kwam, was hij helemaal verbaasd dat zij hier boven woonde en dat hij in hetzelfde huis mocht wonen.’ Peter strekte zijn arm, gaf me een briefje. ‘Hier, lees, Ramses schrijft er… “in dit huis wonen de toegangspoorten naar de hemel, Xandra met haar manier van zijn en Peter met zijn manier van zijn. Dit is een door God geleid huis.”’ We staarden naar het papiertje. Ik hoorde Peter zeggen: ‘Dit huis is voor Ramses een heilige plek gewoon… ja.’
Ik keek rond. De bank was te laag om naar buiten te kunnen kijken. Ik zag alleen de zon, die steeds meer ruimte bestreek. Ik dacht aan Eva van Slooten. Een lieve vrouw die sinds begin jaren tachtig Ramses zakelijk begeleidde. Peter en Eva hebben Shaffy ongeveer gelijktijdig leren kennen. Ramses had de Bhagwan commune definitief verlaten en wilde weer optreden. Aanvankelijk zag hij het niet zitten om zijn oude repertoire weer op te pakken. Hij wilde nieuwe liedjes maken, door Bhagwan geïnspireerd. De krachtige levenslust die eerder werd bezongen kon volgens hem niet meer. Via Mary Dresselhuys kreeg Ramses in 1984 weer een voet op het toneel. Hij speelde een Hongaarse vrijbuiter in De Sprong.
De weg om als zanger terug te keren liep langs cafeetjes en kleine zaaltjes. Soms ging hij samen met enkele vrienden een café binnen, de één keek of er een piano stond, de ander vroeg of Ramses mocht spelen. Heel provisorisch. Door zijn reputatie als zuiplap waren schouwburgdirecteuren wat argwanend.
In dezelfde tijd zocht Liesbeth List ook een nieuw programma om mee te gaan toeren. Ze was goed hersteld na de geboorte van haar dochter. Eva van Slooten deed haar zaken. Op het moment dat Ramses weer in de ‘burgermaatschappij’ stapte besloten zij om samen een kleine tournee te gaan doen. Ook Louis van Dijk was er weer bij. Het werd een daverend succes. De angst dat het publiek een in het oranje gehulde Ramses met een mala om zijn nek niet zou accepteren, bleek ongegrond. De zaal zat iedere avond vol. Vooral de oude nummers deden het goed. Ramses moest weer ergens wonen. Zijn ex-vriend Vincent Walter zat in het huisje aan de Derde Weteringdwarsstraat en de woonboot was op mysterieuze wijze gezonken. Alles was verloren gegaan, plakboeken, foto's van vroeger, contracten. In de grachten van Amsterdam dreven zijn schilderijen.
Eva ging voor Shaffy op huizenjacht. ‘Toen hij speelde in De Sprong mocht hij in een appartement van een vriendin,’ vertelde Eva, ‘dat was aan de Zeeburgerdijk. Ik reed toevallig over de Herengracht en ik zag een prachtig pand met oude ramen. Een beetje deftig. En dat was te huur. Ik belde Ramses op. Hij voelde wel wat voor de Herengracht, dus we spraken af. Het was nummer 257. Wat gebeurt er? Ramses loopt erlangs, zag het huis en dacht, dit is belachelijk, die vrouw weet niet waar ze het over heeft. Hij vindt het niets en loopt door. Verderop ziet hij een ander pandje te huur. Hij dacht dat ik dat wel bedoeld zou hebben en dat ik in de war was met de cijfers. Dus hij ging erheen en er was iemand bezig de boel te verbouwen. Hij raakte in gesprek. Inmiddels was ik op de afgesproken plek, en van andere mensen hoorde ik dat Ramses was doorgelopen. Toen ik Ramses zag, was hij dikke vrienden met de man die aan het verbouwen was. Hij wilde dat pand huren en hij kon het ook betalen. Hij had geld verdiend met Willem van Oranje en met het toneel. Hij was niet rijk, maar ook niet armlastig. We vroegen altijd wel aan zijn accountant of iets wel of niet kon. Maar door zijn liedjes en buma/stemra-rechten kreeg hij altijd wel geld binnen. Hij is altijd veel gedraaid en als je én de tekstschrijver, én de componist, én de uitvoerende bent, dan verdien je er best wat mee. Dus zo kwam Ramses daar te wonen…’
Eva kwam de keuken uitgelopen met een klein dienblad waarop twee kopjes koffie dampten. Ik vond het direct gezellig bij haar. Haar vriendelijke ogen nodigden me uit. ‘We hebben ontzettend veel gedaan, en dat ging eigenlijk altijd wel goed. Ik kon al die anekdotes en woeste verhalen over hem niet bevestigen. Liesbeth had natuurlijk een verleden met Ramses. Zij wist hoe het kon zijn met hem. Ik wist dat niet. Sinds ik hem ken, is het een heel serieuze artiest, en dat zeg ik niet om hem wit te wassen.’ Ze keek me aan. Ik ontweek haar blik niet, maar zag zonder oordeel het warme licht. ‘In al die jaren heb ik hem misschien één keer niet klaar getroffen. Ik ging hem altijd halen… dan spraken we een tijd af.’ In twintig jaar was dat in ieder geval niet veranderd. Ramses liet zich ophalen. Misschien omdat hij geen rijbewijs had, het kan ook zijn dat het de enige garantie was dat hij ergens op tijd zou verschijnen. Eva hield een kleine lofzang: ‘Hij is superintelligent en weet overal de consequenties van. Hij heeft in de periode met mij echt een tijd gehad dat hij van zichzelf ook op tijd moest zijn, netjes gekleed, niet dronken. Klaar staan als ik hem kwam halen. Hij moest dat van zichzelf, om door het leven te komen. Ja… en dan kan hij het ook. En het was soms niet gemakkelijk voor hem, maar hij moest het soms echt doen om het geld.’
Ik lepelde de opgeschuimde melk van de koffie, en probeerde niet te morsen. Eva zat tegenover me. Haar leeftijd is niet af te lezen aan haar rimpelloze gezicht. In haar bril spiegelde de buitenlucht. ‘Toen ik nog maar net de productie deed van Ramses en Liesbeth belden theaterdirecteuren me op met de vraag of Shaffy nog iets ging doen dit jaar of dat hij nog bij de Bhagwan zat. Ik zei dat hij weer wilde beginnen met optreden. Dan werd hij gevraagd voor een zondagochtend-koffieconcert. Ik vroeg dan aan Ramses of hij dat wilde. Dan keek hij me aan en vroeg me dan of het nodig was om te doen. En als ik dan antwoordde dat het geen kwaad kon voor de financiën, dan deed hij het.’ Ze blies de hitte van de koffie en nam een voorzichtig slokje. Eva is een nette vrouw. Het huis was schoon en ordelijk. Precies degene die Ramses nodig had. ‘Ik had zo'n soloprogramma van hem nog nooit meegemaakt, dus ik wist niet wat hij ging doen. “Laat het maar aan mij over,” zei Ramses dan. En dan zette hij een programma neer, zo goed, zo leuk, zo gevarieerd. Heel vrolijke dingen, maar ook heel mooie melancholieke liedjes. Hij had toen ook liedjes geschreven die hij later niet meer gezongen heeft, maar die toch een beetje pasten in de periode waarin hij zat. Meneer Koek en Rivier waren nummers in de Bhagwan-geest. Toch was het wel iets dat de mensen oppakten. Op die manier kon hij zijn publiek verklaren waarmee hij bezig was. Het sloeg toch aan.’
Ik dronk koffie en keek naar hoe Peter papieren schikte. Zijn blauwe ogen gleden heen en weer over de briefjes die Ramses hem had geschreven. Een mondhoek trok omhoog. Hij zei trots: ‘Ik zing dit lied voor jou alleen, mama Mokum. Dat componeerde hij hier.’
‘Dat hoorde je?’
Peters gezicht werd nog vrolijker dan het al was: ‘Ja, ja, haha. Hij ging vaak 's nachts zitten componeren, en mijn bed staat precies boven zijn vleugel, en ik had altijd al iets met de muziek van Ramses, heerlijk! Dan sliep ik verder. Xandra had dat ook. Hij was dus volkomen vrij om te componeren en te spelen. Ramses en ik hadden een afspraak gemaakt, dat als ik me er ook maar even aan stoorde, dan was één telefoontje genoeg. Dat ik mijn slaap nodig had. Maar wat hij veel leuker vond, dat was als ik er zin in had, dat ik naar beneden kwam. Ik ben ongelooflijk vaak beneden geweest. Dat was dan om een uur of drie 's nachts. En dan zat ik gewoon een paar uur bij hem als hij muziek zat te maken. Dat was altijd een feest. Ik was kapot van zijn muziek. Het was prachtig om daarbij te zijn.’
In zijn stem zat weemoed. We wisten allebei dat het voorbij was. Ik stelde me voor hoe de muziek door de kieren in de vloer opsteeg en gehoor vond. We zaten tegenover elkaar, het huis was niets dan stilte en verlatenheid. Toch hoorden we zijn stem, zijn akkoorden. Allebei. Dat voelde ik.
Ergens was het zonde de rust te verbreken, maar ik was ook razend benieuwd naar wat deze dag en dit gesprek me zouden brengen. Peter hoestte even en zei terwijl hij zijn hand bij zijn mond vandaan bewoog: ‘Ramses en ik hadden een bijzondere diepgang in gesprekken. Ik bedoel, als je met mensen kunt praten over wat er echt in je omgaat, dat je leven tegenzit, of over hoe je je voelt, dan heb je een echt contact. Bij Ramses werd het door zijn beroep en doordat hij duizenden mensen kent, al gauw een show. Al gauw gewoon een praatje over dit en dat.’ Peter ging rechtop zitten. Zijn handen maakten trage gebaren. ‘Hier thuis ging het heel anders. Hier vroegen we: “Hoe is het met je? Wat gaat er in je om? Wat houdt je bezig?” En dan is er geen mooier mens dan Ramses, met wie je zo in het diepe kunt praten over dingen die je echt op het diepste niveau konden bezighouden.’
‘Zoals?’
‘Nou, dan vertelde hij over bepaalde mensen in zijn omgeving met wie hij moeite had. Een rode draad in zijn leven is dat hij altijd een grote aantrekkingskracht heeft gehad op mannen én vrouwen. Tegen mannen had hij natuurlijk geen enkel bezwaar. Vrouwen vond hij ook niet erg, maar wel als een vrouw zich begon op te dringen of aan hem ging trekken, daar had hij het in zijn hart heel erg moeilijk mee. Hij zei dan ineens: “Peter! Ik ben toch een erkénd homo! Een erkénd homoseksueel! En dan toch gaan ze aan je zitten trekken.”’
Ik keek door het huis met de jaren-zeventig-meubels. Van Ramses wist ik dat Peter al heel lang aan een boek bezig is. Over hypnotherapie en hypnose, geloofde hij. Een paar meter van me vandaan stond inderdaad een bureautje. Ik bladerde in mijn notitieboekje, in zelfs voor mezelf onleesbare krabbels herkende ik uiteindelijk wat er stond. Vluchtig neergeschreven jaartallen. 1985 singeltje Regenboog/Rivier, Bhagwansongs, Toneel Mijn diner met André, een cd Sterven van Geluk 1988. Ik legde mijn boekje naast me op de bank. Peter schoof enkele papiertjes naar me toe. Hanenpoten van Shaffy. ‘Dit zijn briefjes van hem, die ik heb bewaard,’ zei hij opgewekt.
Aangezien de voordeurbel kapot is, gelieve, ‘zachtjes’ op mijn raam te
kloppen
Ramses.
Peter keek me glimlachend aan. Terwijl ik verder las stond hij op. Hij rommelde met zijn cassettebandjes en zijn stereotoren. Ik boog me naar de letters tussen mijn handen.
Dag Peter,
Kan jij de heer Wiersma bellen, om te vragen om de radiatoren in de slaapkamer te controleren, want die maken een lawaai of er ratten wonen of dwergen, die met bijlen erop zitten in te hakken. Het klinkt gevaarlijk zeer onnatuurlijk en voor je het weet gebeurt er een ongeluk. De geluiden zijn erg onregelmatig, dus hij moet even wachten tot hij ze hoort. Ik hoop niet, dat ik je met te veel opzadel. Ik laat de deur open, dan kan jij 'm weer sluiten.
Dag lieve vriend, ik ga naar Turkije, tot gauw.
Ramses
‘Die is mooi, hè?’ zei Peter, ‘we lieten de deur altijd voor elkaar open. Als er iets was in het huis dan vroeg hij mij altijd om het op te lossen. Overal waar hij komt zijn er altijd mensen die van alles voor hem willen doen. Dat heeft echt te maken met zijn charmante manier van vragen en bedanken. Moet je die volgende lezen. Toen deed zijn telefoon het ineens niet meer. Hij begreep er niets van.’
Lieve Peter
Mijn telefoon
Werkt niet meer,
Ik laat de deur
In het voorhuis
Open, misschien
Weet je er wat op. R
‘Wat was het geval, hij heeft twee telefoons, één in de kamer, één bij zijn bed. Nou, bij de ene lag de hoorn er niet goed op, dus ja… dan doet die ander het ook niet. Dat gaat hem technisch allemaal veel te ver. Ik had het binnen één minuut geregeld, natuurlijk. Daar was hij helemaal door overdonderd. Hij kwam op me af, pakte mij bij mijn schouders en zei: “Peter, ik zet geen stap meer in dit leven zonder jou!”’ Zijn ogen twinkelden. ‘Dat is toch… ik bedoel, dat is zijn manier van bedanken.’
Ik dacht na. Door die gratie, door die dankbaarheid, die charme kon hij zijn wie hij is. Iedereen die hem goed heeft gekend, is positief over hem. Ondanks alles overheerst toch de vriendschap, de liefde voor Ramses. Ik wist dat hij mensen liet stikken, anderen opzadelde met problemen, zo vaak dronken was, en toch… zelfs als ik Liesbeth daarover hoorde spreken bleef ik warmte voelen, omdat iedereen over hem in warmte sprak.
‘Je kunt het op twee manieren bekijken. Ik heb de hersenscans gezien toen hij de laatste keer het ziekenhuis in ging en daarna naar het Sarphatihuis moest. Duidelijk werd dat de functie plannen en organiseren heel zwak is. Als je mensen spreekt die hem van heel vroeger kennen, zeggen zij dat hij het altijd heeft gehad. Die functie is in hem gewoon nauwelijks vertegenwoordigd. Het is iets aangeborens. Maar! Het hele Bhagwan-zijn is puur gericht op het leven in het hier en nu. Dus je kunt zeggen het is een tekortkoming, maar je kunt ook zeggen, en dat zeggen veel Bhagwan-mensen, hij is ons voorbeeld. Hij leeft ons voor hoe het moet, gewoon hier en nu! En dan moet je je ook niet vastleggen aan allerlei praktische dingen waardoor je de hele dag moet lopen rennen.’
Ineens hoorde ik Bella praten. Het was een van de laatste zinnen die avond dat ik bij haar was: ‘Ramses is een heel hoge incarnatie. We mogen dankbaar zijn dat hij er is.’ Mijn koffie was koud geworden. Ik dronk de mok in één teug leeg. Dacht na en zei aards: ‘Je hebt toch een bepaalde verantwoordelijkheid? Stel je voor dat we allemaal op deze wereld Shaffy's waren, dan ging het ook niet goed.’
Peter lachtte: ‘Nee, nee, dan zou het allemaal anders gaan.’
‘Ja, het zal heel gezellig zijn, maar na een paar jaar is alles op!’
‘Ja, ha, ha… hij was vroeger in zijn toneeltijd niet ijverig, maar hier, ik heb hem wel eens meegemaakt dat hij rollen moest instuderen en dan was hij hartstikke plichtsgetrouw! Wel wetend, van: “Als ik niet oppas verslaap ik me. Laat ik ervoor zorgen dat iemand me belt.” Hij vroeg me regelmatig om hem wakker te maken om zo en zo laat. Ja… met drinken ook. Het moment dat hij de rol had gekregen en zijn teksten moest instuderen, dronk hij niet meer. Ik kon dat horen, dan liep hij hier beneden rond, of dan zat hij in bed tekst in zijn hoofd te pompen. Dat kon ik dan horen.’
‘Dronk hij dan niet?’
‘Ja, als hij eenmaal aan het spelen was, dan dronk hij wel.’
Ik luisterde. Mijn ogen streelden het papier.
Lieve Peter, ik kon niet slapen
En ik heb een paar teugjes Port, van je genomen, ervan genoten en weer terug gezet.
Dag grote vriend, tot gauw, RamsesP.s. Ik heb de fles bijna opgedronken
Morgen krijg je een nieuwe van mij
Kus Ramses
‘Deze is prachtig, haast een gedicht,’ zuchtte ik.
‘Hij heeft een ongelooflijk regeneratievermogen. Ik ken geen mensen die dat hebben als hij.’
Peter keek me aan, wachtte met verder spreken totdat ik ook hem in de ogen keek.
‘Sommige yogi,’ zei ik.
‘Ja, maar die zakken nooit zo diep weg, maar die kunnen het wel. Nee, soms kwam Ramses thuis, had hij twee dagen niet geslapen, alleen maar gedronken. Hij kwam binnen als een lijk, een dweil. Een paar uur later moest hij dan optreden en zou hij worden opgehaald. Meestal door Eva. Dan ging hij mediteren. Dat heeft-ie geleerd bij Bhagwan. Hij zat dan op zijn bed urenlang mantra's te zingen. MmmMMmmmmMMMmmmMM. En in de middag, als hij werd opgehaald, stapte hij met een gezond blozend gelaat in de auto. Ongelooflijk! Alsof hij een of ander geheim levenselixer heeft. Echt een metamorfose.’ ‘Echt alsof hij niet gedronken had?’
‘Ja, echt.’ Na een tijdje zei hij: ‘Er zijn in Nederland wel honderdduizend mensen helemaal weg van Ramses. Dat hij drinkt maakt voor hen niet uit. Ze zijn trouw aan hem, hij mag alles. Dat komt omdat hij iets raakt, iets doet in hun persoonlijkheid. Ramses is een archetype. Hij is een archetypisch persoon, van vrijheid en leven zoals je wil. En daarnaast ook drinken, dat is ook archetypisch, maar vooral vrijheid en zuiverheid. Hij maakt iets wakker in mensen. Mensen komen ook voor hém. Het applaus voor hem dat stopt ook niet meer. Hij maakt in mensen iets los, zoiets als: zo zou ik ook willen worden.’ Peter straalde.
Ik fluisterde: ‘In hem zien ze hun gedroomde zijn terug.’
‘Ja… dat is het.’
Eva was naar de boekenkast gelopen. Ze kwam terug met een liedboek. Alle liedteksten van Ramses stonden erin. Ik knikte maar wilde een andere kant op. Ik wist van Liesbeth en Shireen dat hij na de Bhagwan-periode ook weer serieus is gaan drinken. Achteraf ging het weer mis bij het circus. Daar dronk iedereen. Je moet een kind dat gek is op zoet ook niet laten werken in een snoepwinkel.
‘Dronk hij stevig in die tijd?’
Eva schudde resoluut haar hoofd. Ze zweeg even en zei: ‘We hadden het grootste plezier van de wereld. Het was heel gezellig. Ik haalde hem op, dan gingen we wat eten. Hij at, niet veel, maar hij at. We namen ook een glaasje wijn. Dat was geen onderwerp van gesprek. Iedereen kan tegen één of twee glaasjes wijn.’
‘En als hij meer wilde?’
‘Nou, dat wilde hij helemaal niet. Toen hij uit de Bhagwan kwam, dronk hij bijna niet. De eerste keer dat ik hem ontmoette, zat hij aan de spa.’ Mijn gezichtsuitdrukking riep een glimlach bij haar op. Ze zei subiet: ‘Dat heeft niet zo lang geduurd. Langzaam slopen de glaasjes wijn erin. Eerst niet zoveel, dat kwam naderhand… dat er een fles meeging onderweg en in zijn koffertje. Hij had zo'n oud koffertje. Je moest een voorraadje aanleggen en het gekke is, je deed het ook. Maar in al die jaren met hem is het vrij goed gegaan. Hij heeft wel een inzinking gehad, dat wel, dat Liesbeth en ik zeiden dat het nu toch niet gekker moest worden. Toen heb ik hem ook een brief geschreven, dat was mijn methode altijd. Dan klaarde het weer op. Hij wist dat als hij een brief van me kreeg, dat het een heel serieuze zaak was.’ Ze lachte erbij, om te verzachten.
‘Hoe vaak heb je dat moeten doen?’
‘Niet vaak, een keer of drie, vier…’ Ze droomde even weg, over een onzichtbaar pad terug in haar herinnering. ‘Ik zelf heb er nauwelijks last van gehad. Liesbeth meer, ja… zij heeft er meer problemen mee gehad.’ Liesbeth had er inderdaad over gesproken. Heel serieus. Er klonk afscheid in haar stem. ‘In de jaren tachtig deden we nog verschillende theatertournees, met wisselend succes. Soms zagen we elkaar een hele tijd niet. Maar toen begin jaren negentig de Olofskapel was gerenoveerd, toen dacht ik: laten we alsnóg daar optreden met allerlei artiesten en elk weekend een andere ploeg.’
‘Dus eigenlijk een soort Shaffy Chantant?’
‘Ja, het heette Shaffy Chantout, in 1993. Dat was drie maanden lang een gigantisch succes, maar het was de laatste keer, toen dacht ik: nu moet ik ophouden met Ramses. Hij was moe en ziek, niet dronken, maar uitgeblust, omdat hij na de voorstelling doordonderde in de kroegen, en tegen die tijd dat hij wakker werd, moesten we alweer in de kapel zijn, snap je? Ik kon dat niet meer aanzien, toen dacht ik; ik moet niet meer met jou op tournee.’
Peter morrelde aan zijn stereo. Hij wilde me duidelijk iets later horen, maar kwam toch weer tegenover me zitten. Ik veegde mijn haar uit mijn gezicht en wachtte. ‘De laatste jaren bespraken we ook dromen. Nu is er één droom, die steeds vaker terugkwam, dat is de droom van de veranda. Hij zit dan in het ochtendlicht op een veranda, een heel warme plek. En hij is omgeven door allemaal collegakunstenaars, artiesten. Dat is een droom waar hij helemaal blij van wordt, alsof hij thuis is. Het is een hunkering om met zijn verwanten te zijn… een verlangen… Hij heeft continu religieuze gevoelens… zo leeft hij, maar niet zoals mensen religiositeit kennen.’ Ik begreep wat hij bedoelde en stond op. De zon bestreek nu de hele gracht. De man met de gekleurde jas zat nog altijd op het bankje. Ik wist niet of ik hem kende.
Peter was bij de stereotoren gaan zitten: ‘Ik weet nogal veel van hypnose, ik ben hypnotherapeut. Eigenlijk is hypnose niets anders dan iemand in ontspanning brengen. Dat is eigenlijk al een soort trance. Het woord hypnose is misschien dan ook wat overdreven. Als er één mens is die binnen de kortste keren in ontspanning kan komen, dan is het Ramses wel. Als je een sessie hebt dan heb je bij iemand anders wel tien minuten nodig om iemand in zijn fantasie naar een rustig plekje te leiden, en te laten ontspannen. Pas dan kun je vragen gaan stellen.’ Ik liep naar Peter toe, om te luisteren naar wat hij zei. Hij sprak enthousiast: ‘Ramses was daar weg van, vond het fantastisch. We hebben ontzettend vaak hypnosesessies gedaan, voor de lol. Ik heb er ook een paar opgenomen. Ramses zat toen ook echt in een fase dat hij niet goed wist wat hij moest doen, creatief gezien. Hij wilde een boek schrijven, en om te kijken waarover je dat boek eigenlijk zou willen schrijven, waarover dat boek moest gaan, bracht ik hem onder hypnose.’
Peter drukte een knopje in en het cassettebandje begon te draaien. Direct herkende ik de warme stem van Shaffy: ‘Ik ben zelf een boot, en ik stuur zelf, tussen de rotsen door, en dan stoot je een keer tegen de rotsen, maar dat is niet erg, dat hoort bij mijn reis. Het is ontzettend leuk, ik ga met de stroom mee.’
Klik. Peter stopte het bandje en zei blij alsof hij net een ontdekking had gedaan: ‘Dit bedoelde ik niet, maar het is wel mooi. Helemaal Ramses. Het leven is een rivier, en hij is zelf de boot. Als je beroofd bent moet je een trauma hebben, als er iemand sterft moet je rouwen. Dat is bij Ramses niet zo. Hij heeft het in zijn leven vervat dat er af en toe een enorme opdonder komt, dat hoort erbij. Hij accepteert wat er gebeurt. En je kunt niet zeggen dat het een tekortkoming van hem is, maar ik vind dit juist zijn grootheid. Veel mensen kijken vanuit hun eigen beperkte ideeën naar wat voor een iemand hij is. Hij staat boven de wet.’
Ik luisterde aandachtig en herinnerde me een droom. Ramses zou me de Wind laten zien. We liepen over een hoogvlakte. We moesten doorlopen, maar ook om ons heen kijken naar de mooie dingen die de reis ons bood. Tegen de ochtend zouden we de Wind bereiken. Toen pas zei hij dat het een orkaan was. Het wordt je als kind nooit verteld, maar het leven is als de wind. Sommigen vrezen een briesje en blijven in een schuilhoek achter glas. Er zijn ook mensen die tevreden zijn met een matige wind, zij gaan de straat op met een dikke jas, maar… wil je het leven léven in alle facetten… dan moet je naakt durven zijn, naakt in de orkaan. Alles accepteren wat er op jouw pad komt, het hoort allemaal bij onze aardse reis!
Op dat moment denderde de krachtigste orkaan op ons af. Ramses opende zijn armen. Ik volgde zijn voorbeeld. Naakt waren we. De kou striemde onze lijven. Ik keek naar Ramses, zijn grijze haren stonden strak als een windvaan. Hij joelde, hij zong: ‘We zullen doorgaan! We zullen doorgaan! Naakt in de orkaan!’ Hij tartte de orkaan, liet zich neerslaan, richtte zich weer op en joelde weer.
Ik schudde mijn hoofd en keek naar Peter. Het bandje liep. ‘Dit wilde ik je laten horen, dat we gingen kijken waar het boek dat hij wilde schrijven over zou moeten gaan.’
Door de luidsprekers klonk de stem van Peter. ‘Als je naar een plek wil, waar je je ontzettend thuis voelt, wat komt er dan in je op?’
Ramses, opvallend helder en goed verstaanbaar. ‘De Nieuwmarkt, en dan zit ik op een bank in de nacht. En het is tegen drie uur. En er is vrij weinig… Er lopen een paar mensen, en heel af en toe een taxi. Ik zit daar en er is een stráálende sterrenhemel boven heel Amsterdam en het is heerlijk weer. En ik voel me op dat moment heerlijk daar en ik zit gewoon op de bank bij dat standbeeld.’
Ramses zou zo in deze kamer kunnen zijn, zo dichtbij is hij. Ik hoor Peter: ‘En daar zou je je thuis voelen?’
‘Ja,’ zei Ramses, ‘Ja, omdat ik daar heel veel ben geweest in mijn leven en heel veel omstandigheden heb meegemaakt. Het is nu allemaal anders geworden. Op dat moment 's nachts om drie uur is de Nieuwmarkt verlaten, en die prachtige skyline erboven, warm weer en dat geeft een tinteling van een ontzettend plezier.’
‘Leef je maar in dat je daar zit,’ hoorde ik Peter zeggen, ‘je zit er en het is een prachtige dag. Je voelt je vollopen met gelukzaligheid, en sukkelt een beetje in slaap. Maar je voelt dat er iemand naast je zit. Je zit daar met je ogen dicht, voelt je heerlijk. En de persoon die naast je is komen zitten, zegt dan plotseling: “Ik ben een boek aan het lezen, zo mooi, dat spreekt me zo aan.” En jij zegt: “Neem me niet kwalijk, ik houd mijn ogen nog even dicht, want ik zit zo te genieten. Wat is dat voor een boek?” De persoon vertelt jou dat het een boek is dat jij zelf geschreven hebt. En je hebt nog steeds je ogen dicht. Je vraagt of je het even vast mag houden. De persoon die naast je zit geeft jou het boek in handen… Leef je maar helemaal in dat je tussen je handen een boek voelt. Je legt het tussen je handen. Vertel eens hoe het voelt, hoe de buitenkant van je boek voelt.’
Peter keek me aan, glimlachte even, en gebaarde me door zijn wijsvinger in de lucht te steken dat ik verder moest luisteren.
Daar was Ramses weer, zijn stem: ‘Het voelt zacht en zijdig. Maar het allereerste wat ik wil is hem aankijken. Het gaat om degene die naast me zit.’
De stem van Peter was een beetje verrast: ‘'t Gaat om degene die naast je zit.’
‘Ja,’ zei Ramses, ‘en degene die naast me zit is een heel, ontzaglijk, aardige, pure, moedige jongen, die naast me zit. En ik pak zijn hand. En een hand vind ik héél belangrijk, omdat ik wil weten hoe het voelt, de manier waarop zijn hand voelt. Door het feit dat hij zijn hand niet terugtrekt, weet ik dat ik door zijn hand eigenlijk zijn hele lichaam voel. Dat in wezen, het feit dat hij zijn hand niet terugtrekt, dat er iets heel opens gebeurt. En het is fijn. En ik kijk hem aan, en… ik bewonder hem. Ik bewonder hem dat hij naast me is komen zitten.’
Ik staarde blind naar de grond. Om me heen gonsde het. ‘Dit doet wat met je hè? Ik zie het aan je,’ zei Peter zacht. Ik deed enkele stappen achteruit, ging zitten op de armleuning van een stoel. ‘Je mag zijn huis wel even zien, als je dat wilt?’ vroeg hij. Ik knikte en volgde hem. De stereotoren en mijn spullen bleven achter.
Ik wist dat Peter de sleutel had, en hij wist dat ik er misschien nooit om had durven vragen. Hij liet me binnen. ‘Ik was laatst bij Ramses,’ zei hij, ‘en ik vroeg hem waar hij nu het meest naar verlangde, als hij dacht: ik wil terug naar de Herengracht. Alléén zijn! Ramses zei het bijna met wanhoop in zijn stem. “Alléén zijn!”’ We stapten de woonkamer binnen van Shaffy's huis.
Peter knikte naar me, en maakte een uitnodigend gebaar. Hij liet me alleen. Ik hoorde hoe hij de trap op ging, en hoe even later het plafond kraakte. Ik sloot de deur en keek rond.
Een klein theatermuseum, een leven. Ik wist niet waar ik kijken moest. De muren hingen vol tekeningen, schilderijen, foto's. Op de grond stapels tijdschriften, boeken. De grijsmarmeren schouw en de ruimte waar ooit een haard was, werden gebruikt als kast. Honderden cassettebandjes. Een langspeelplaat van vader Herman Snellen. Een lezing over cardiologie, muziek van Debussy. Een krantenkop ‘Alles met mate’ als motto. Foto's, nog meer foto's. Ramses met voor mij onbekende gezichten. Een zwart-wit van Ernst van Looy, van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, een pasfoto van Simon Vinkenoog. Foto's van moeder Roos, mijn God. Mijn ogen verdwaalden. Mijn voeten stapten net naast een cd, een ongeopende pot appelmoes, een zakje Fisherman's Friend. Daar een foto van Osho. Op het kleine tafeltje in het midden lag een brief. Ongelezen. Als ik niet beter wist, dan was Shaf net even weg. Wat te eten halen of sigaretten. Ik moest even gaan zitten. Op de bank, zíjn bank. Bij het mutsje, het hoedje dat hij van Osho had gekregen. Ik zakte achterover. Aan de muur boven de deur hing een schilderij, of een foto… Een vrouw met een dure ketting om. Zijn moeder! Theresa! Ik trilde, bleef zitten, ademde, wachtte. Volgens Ramses zijn er nog twee familieleden van de Russische kant. De één is een beroemd zanger in Rusland, hij heeft platen gemaakt. De ander is familie van tante Marie, ze heet Lilly. Zij zwerft over straat in Amsterdam. Het zou kunnen, het zijn de verpersoonlijkingen van de tegenpolen van Ramses.
Uit een stapel stak een boek. Ramses in harnas, hij lachte triomferend en hield een lans boven zijn hoofd. ‘Musical, Koninklijk Ballet van Vlaanderen… seizoen 1993-1994,’ las ik. Aan de muur hing een marionet, het hoofd van Ramses als Don Quichot, de Man van La Mancha! Ik nam het boek op mijn schoot, veegde een laagje stof van de kaft en sloeg het open. Ik was niet in staat te lezen. Mijn gedachten klapten open. Ik keek naar de foto van Ernst op de schouw. Hij was het. Hij speelde er ook. Ramses laatste glansrol. ‘Ernst,’ prevelde ik, ‘Maureen… het was zo'n heerlijke middag.’
Alles was weer zoals een paar weken eerder. We zaten aan een van de kaaien in Antwerpen. We dronken wit, chardonnay, 13,5%. Mijn herinnering viel midden in het gesprek. ‘Dat groeten ook, ik heb nooit een enkele artiest gekend die zo mooi kon groeten als Ramses na een voorstelling. Dan kwam hij op, met zijn wapperende benen, en dan ging hij staan en dan boog hij heel sierlijk en diep voorover, één keer zo… Zo fenomenaal, zoals hij, daar was echt geen beeld van,’ zei Ernst. Zijn lach was meer van ontroering dan van vreugde.
Maureen die destijds de PR verzorgde, zat sigaretjes paffend naast me, kon alleen maar knikken, ze fluisterde haast onhoorbaar: ‘Zo mooi!’
Ernst paste precies in het beeld dat ik had van een gezellige Vlaming, groot en gezet. Hij was speciaal voor dit gesprek uit Duitsland gekomen, waar hij in een productie speelde. Destijds speelde hij of een mede-gevangene of Sancho Panza. Hij greep het glas, tilde het tot aan de hemel en sprak voor ons allen: ‘We drinken op de grote Shaf!’ Hij schonk nogmaals bij, plaatste de fles Solitude in de koeler, nam een plakje salami van het plateau op tafel en zei: ‘Ze zochten iemand voor de hoofdrol van de Man van La Mancha, en ze hadden Vlaamse acteurs gevraagd, laten voorzingen. Dat was allemaal niets. En ik werkte hier, een jaar of vijf, zes of zo, en ik zei tegen onze directrice: “Allez, je moet Ramses nemen, want als er iemand dat stuk kan spelen dan is het Ramses.” Maar die directrice zei: “Geen sprake van! Ramses Shaffy, dat is een zuiplap! Die kan niet meer zingen! Dat is over! Dat is voorbij en die leeft ergens in de goot, al die verhalen…”’
Ernst gooide zich achterover in zijn stoel, en zei moedeloos: ‘Ik dacht, oké, dat is amen en uit, en dat gaat dus niet. En dan kwamen er weer een paar mensen auditie doen, Vlamingen en Nederlanders, maar het was weer niets. Ik ben in totaal wel vier keer naar het kantoor van de directrice geweest om te zeggen dat ze het toch moesten proberen. Uiteindelijk zei de directrice dat ze het nummer zou zoeken van zijn manager Eva van Slooten.’ Maureen lachte. Ernst genoot. Ze vonden het heerlijk om over Ramses te praten. Ernst sloeg met zijn vuist op tafel. ‘En Ramses kwam binnen. Het enige wat hij hoefde te doen was het zingen van een toonladder en toen wist iedereen dat het in orde was. Niet alleen de stem, maar ook de uitstraling. Hij is achter de piano gaan zitten, en ze hebben er geen spijt van gekregen. Maar het is echt een gevecht geweest om hem hier te krijgen. Terwijl ik hem van tevoren ook niet kende.’
Mijn kiezen kneusden zojuist een stuk harde worst. Met volle mond vroeg ik: ‘Hoe kwam je dan op Shaffy?’
‘Omdat ik één van de grootste Belgische fans ben, denk ik. Al zijn concerten hier heb ik gezien en ik ben ook naar zijn toneelstukken geweest. Ik was ervan overtuigd dat hij dé man was die het moest spelen. Dat is later trouwens beaamd door de weduwe van Jacques Brel, die is komen kijken en die natuurlijk haar man, begrijpelijk, de beste vond toen Brel in La Mancha speelde. Maar ze vond dat Ramses het werkelijk groots gedaan had.’
In de door Maureen meegebrachte krantenknipsels las ik eerste aankondigingen. Februari 1993. Ik wilde net een klein stukje gaan lezen, maar Ernst walste over tafel en kluisterde me aan zijn lippen. ‘De eerste dag was meteen raak, ha, ha… o, o… Had hij hier een woning in de Keizerstraat. We repeteerden toen ook nog in de Keizerstraat. Hij had een appartement gekregen, in een heel prachtig huis. Maar ze waren van het Ballet van Vlaanderen vergeten om er meubels in te zetten. Dus de goeie man kwam daar aan, één dag voordat de repetities zouden beginnen. Er stond alleen een kaal bed. Klaar. Later hebben we er wel wat meubeltjes neergezet en hebben we zijn piano opgehaald. Allez, de eerste dag van de repetitie. Iedereen is klaar en om tien uur zouden we beginnen, en wie was er niet?’
‘Shaffy!’
‘Ramses! En de directrice begon meteen te roepen dat ze toch gelijk had. Ik heb getelefoneerd, maar er werd niet opgenomen. Uiteindelijk zegt de directrice tegen haar piepjonge secretaresse dat ze maar moet gaan kijken bij dat appartement. Ze belt aan. Niets. Nog een keer bellen, maar niemand doet open. De huismeester moest komen, hij heeft de deur opengedaan. Ze gingen binnen: “Meneer Shaffy! Meneer Shaffy!” Maar hij hoorde niets, want hij had ook oorstopjes in. Ineens schrikt hij wakker, springt hij vlak voor dat meiske rechtop en begint te babbelen. Maar hij had zo'n gebitje in om je tanden wit te maken, om de aanslag van de wijn en het roken te verwijderen. Als Man van La Mancha wilde hij spierwitte tanden hebben. Hij wilde haar toespreken, maar door dat gebitje lukte dat niet, ha, ha! De secretaresse is gillend weggelopen, ha, ha!! Dat was de eerste dag.’
De eerste fles stond op de kop in de koeler. Ernst wenkte. De tweede chardonnay kwam naar ons toe. Gastvrij bedeelde Ernst de glazen. Ik genoot van zijn Vlaamse taal. Alleen al daardoor is het hier warm. Echt een man om het leven mee te vieren. ‘Hij had zich gewoon verslapen, hij was pas heel laat in slaap gevallen in dat nieuwe, lege huis.’
Maureen doofde haar ultralichte Stuyvestant en vulde aan: ‘Later vertelde Shaffy zelf dat hij een slaappil genomen had, omdat hij fit wilde zijn op de repetitie.’
Ernst hikte van de lach: ‘En daar kwam hij aan, in dat blauwe vest, altijd dat blauwe vest en datzelfde plastic zakje. Zo kwam hij naar de repetities.’ De bulderlach van Ernst klonk over de kaaien. De wijn steeg op. Gauw graaide ik in de schaal chips. Ramses en Ernst waren vrienden, al voor hun eerste ontmoeting.
‘Jij hebt Shaffy toch een beetje onder je hoede genomen?’ Ernsts ogen stonden bol van levenslust. Hij grinnikte en gleed af naar een tijd die voorbij was.
‘Onder de hoede genomen? Dat gaat automatisch, hè? Ten eerste laat Ramses zich niet betuttelen… Ik heb een mateloos groot respect voor hem, als artiest, als mens. Hij had geen auto, dus ik haalde hem altijd op. Iedere dag voor de repetities heb ik hem afgehaald. Dan groeit er een band. En na de voorstelling moest er natuurlijk iets gedronken worden, dat begrijp je ook. Er was echt zo'n beurtrol, omdat Ramses anders niet vol te houden is. Hij ging elke dag door tot vier, vijf uur 's morgens. Hij vond Antwerpen een leuke stad en maakte hier ook vrienden. Maar hij moest natuurlijk wel op tijd naar bed, want de volgende dag was er toch weer de voorstelling en dat probeer je dan een beetje te sturen. Dus elke dag was er van ons iemand bij hem om te zorgen dat hij wel naar bed ging. We rouleerden… om de beurt. En dat waren heerlijke, maar erg vermoeiende tropenmaanden. Maar je wist waarvoor je het deed.’
Ze waren gouvernantes! Ik zag Ramses voor me. De eerste scène van La Mancha. Een hoge trap. De schrijver Cervantes werd in het cachot gegooid. Met zekere tred daalde Shaffy als Cervantes af naar de toneelvloer. De gevangenis. Samen met zijn dienaar Sancho Panza werd hij gestraft door de inquisitie. Cervantes legde zijn medegevangenen uit waarom hij in het gevang zat, door het verhaal te vertellen van Don Quichot. Shaffy was de dichter, werd ridder. Dynamisch, dansend. Ik zag het cliché, maar echt, hij vulde de hele zaal tot aan de nok. Zijn stem droeg verder dan de laatste stoelen. Wat een energie! Nog maar zo kort geleden. Ik sloeg een hand voor mijn gezicht en voelde aan de kracht waarmee ik dat deed dat ik niet nuchter meer was. ‘Hoe hield Shaf het vol? Dronk hij veel tijdens die nachten?’
Ernst beet in een plak worst, kauwde traag door zijn herinnering: ‘Het viel zeker mee, hij beperkte zich. Maar ja, wat hij normaal drinkt… ja als wij dat drinken… ja… Hij was wel eens dronken in die tijd, maar als hij dan in bed lag, dan sliep hij totdat we hem kwamen afhalen. Rond drie, vier uur ontwaakte hij pas weer. Hij heeft een totaal ander ritme.’
Ineens herkende ik melancholie in de stem van Maureen. Ze had al die tijd naar Ernst zitten luisteren. Misschien dat haar hart toen liet voelen wat het miste: ‘Hij ging ook wel elke dag eten, ofwel op het Conscienceplein of op de Dageraadsplaats.’ Ze zweeg weer, maar ik voelde dat ze leefde in die andere tijd. Jaren geleden. ‘Hij noemde me altijd Solange…’ zei ze weemoedig.
Ernst mijmerde, keek in zijn glas: ‘Ja, een heerlijk periode, zalig om dat voor die man te kunnen doen. Ja, maar het is wel zo, je organiseerde van alles, maar hij mocht niet weten dat het georganiseerd was. Anders werd hij zenuwachtig en dan ging hij weg. Hij mag niet voelen dat er een agenda is die hij moet afwerken, dus het moet allemaal een beetje spontaan lijken. Dat is dat kinderlijk naïeve van hem. Zo van: moet je kijken, wat een geschenk. En dat komt dan zomaar uit de lucht vallen. Dan is hij in de zevende hemel.’
Maureen vond een nieuw rokertje. Ik volgde de rook tot ze onzichtbaar werd. ‘En als hij geen zin had, had hij ook geen zin. Dan kon je daar ook niet omheen.’
Ernst leunde op tafel. De steel van het glas rolde tussen zijn vingers: ‘Niet met spelen, dat vond hij altijd geweldig. Hij had understudies, maar hij heeft echt alle voorstellingen van de eerste tot de laatste gespeeld. Hij was een keer gevallen op de weg van het café naar huis, zat zijn oog dicht en was blauw. Dat is fantastisch weggeschminkt en hij ging op en speelde. En soms duurde de voorstelling wel eens tien minuten langer, maar de spanning bleef.’
In de vlekken voor mijn ogen danste Ramses als Don Quichot. Grootse gebaren, aangezette woorden. Ik zag een prachtige Janke Dekker als Aldonza. Iedereen kende elkaars teksten. Als Ramses even aarzelde fluisterden anderen hem in. Ik zag, ik beleefde het verhaal van de mooie droom. Don Quichot, Cervantes, Sancho Panza… Alles draaide om me heen.
‘Ik denk dat je op twee manieren naar Ramses kunt kijken,’ zei Maureen, ‘ofwel ga je met hem mee, in zijn onbevangenheid, in zijn frisheid. Maar er zijn ook mensen die dat niet zien en alleen zijn uiterlijk beoordelen. Het is voor ons een van de meest fantastische periodes geweest. Zwaar!’
‘Ja, zwaar,’ zei Ernst serieus, ‘de combinatie van het stuk en leven met Ramses. Maar het was heerlijk en ik had het voor geen goud willen missen. Je kunt het vergelijken met babysitten, maar dan op een manier dat de ander het niet merkt. Uiteraard paste je een beetje op. Hij zou zichzelf verloren hebben in een stad als Antwerpen, begrijp je. Het is een stad met zo veel verlokkingen. Ramses, iedereen kende hem natuurlijk ook, zou er zijn blijven doorzuipen. En dan weer kennismaken met die, en dan die, en met iedereen een bolleke vatten… ja, ja… zo ging dat. Er zou geen voorstelling meer geweest zijn.’
‘Maar hij mocht nooit het gevoel krijgen…’ zei de vrouw naast me zacht.
‘Dan zei je, Ramses, er is morgen voorstelling, wat gaan we morgen doen? En in de meeste gevallen ging hij mee,’ zei Ernst. Zijn lippen waren vochtig. Hij schudde dankbaar zijn hoofd.
‘Linda, onze directeur kon er helemaal niet mee omgaan, die miste die flair, die is nuchterder, zakelijker,’ rookte Maureen, ‘ze had wel veel respect voor Ramses.’
Onze ogen kwamen even samen, maar in gedachten was ieder op een eigen plek. Ik zou nooit kunnen doordringen tot de herinneringen van Ernst en Maureen. Zij waren erbij, zij rakelen het op voor mij, voor het boek, voor later. Nog net voordat ik erom zou gaan treuren, hervatte Maureen het gesprek. ‘Het is ook wel eens niet gelukt, en dan kwam hij dronken thuis, maar dan de volgende dag ging hij wel weer op tijd met ons mee terug. We deden het met drie, vier mensen… Als we ergens overnachting hadden in een hotel, dan werd niet geslapen. We hadden een keer een overnachting in Apeldoorn. En de volgende dag hadden we voorstelling in Orpheus. Maar ja, zolang Ramses in goed gezelschap verkeerde, was hij niet naar zijn kamer te krijgen. Soms bleef hij gewoon alleen zitten. Zat-ie alleen aan de bar. Hij had daar ook behoefte aan. We hadden afgesproken dat iedereen zou gaan slapen. Alle muzikanten en acteurs gingen naar hun kamer. In de hoop en veronderstelling dat Ramses dan ook wel naar bed zou gaan. Dus iedereen ging weg van: welterusten Ramses, wij gaan slapen, morgen weer fris eruit. Afijn, we kregen Ramses zover dat ook hij zijn kamer in gaat. Die muzikanten zijn ook feestbeesten. Na een minuut of tien, dachten zij: de kust is vrij, Shaffy is in zijn kamer en ligt nu op bed. Dus wij weer terug naar beneden, naar de bar. En wie stond er twee seconden later ook weer beneden? …Ramses!’

1993. Ramses als Man van La Mancha.
De lach keerde terug. De buik van Ernst schudde tegen het tafeltje. De wijn danste in het glas.
‘We zijn ook wel eens zover gegaan,’ grapte Ernst,’ dat we bij hem op de kamer op bed gingen liggen, en net doen alsof je slaapt. Dat ging een paar keer goed, maar dan toch na een tijdje, hup, dan was hij weer weg.’ Ik dacht even aan Liesbeth, aan de Shaffy's. Het drankspel. Altijd het drankspel, de dans om het feest. Ik weet niet meer wie het zei, misschien was ik het zelf wel, zolang er mensen zijn, blijft hij, zolang er drank is, drinkt hij.
‘We waren ook een keer ergens voor een overnachting, en het was nog vroeg. Een uur of acht. Ramses was ineens weg. Wij gingen hem natuurlijk direct zoeken, voor hetzelfde geld zat hij ergens in een andere bar. Maar néé, we vonden hem in het zwembad van het hotel! Daar stond hij in de kleding van de badmeester. Hij had dat ergens gevonden. En hij liet twee Vlaamse dames baantjes trekken in het zwembad. “Nee, dames, nog één! Het is nog niet genoeg!” De dames herkenden hem niet en hij had zich voorgesteld als de badmeester. “Nee, dames, dat was niet goed, nog een keer, voor de gezondheid, en nu nog een keer tegen de reumatiek!”’ Het was alsof heel de stad met ons mee lachte. Van overal kwamen er geluiden.
‘Ja, ja… en dan bij het ontbijt… komt zo'n ober: “Meneer Shaffy, wat zou u graag willen hebben?” “Nou, ik zou wel graag een Grand Marniertje lusten!” Dat is de enige keer dat de voorstelling op het randje geweest is, dat was in Zutphen.’ Hij was nog niet uitgesproken of Ernsts gezicht barstte uit in een zwaar gebulder. Maureen had dezelfde herinnering opgesnord in haar geheugen. Ze gierden het uit, maar dan ineens weer werd Ernst serieuzer.
Zichzelf corrigerend sprak hij: ‘Zolang hij wijn dronk, ging het aardig goed. Eva van Slooten had nog gezegd: “Geef hem géén sterke drank, want dan barst het beest in hem los.” En die voorstelling heeft ook gewoon een heel stuk langer geduurd, ja… ja… Het stond nooit stil, hoor. Nee, hij begon dan heel andere dingen ertussendoor te vertellen. En soms viel hij dan terug in dat onverstaanbare Russisch-Nederlands… dat je dacht waar heeft-ie het over. Dat je denkt, ik zal het wel verkeerd verstaan hebben. Dan stonden wij met het zweet in onze handen.’
‘Ja, maar soms improviseerde hij teksten die inhoudelijk helemaal klopten, die zo in het stuk pasten, echt waar. Het ging nooit mis.’ Ik observeerde haar ogen, de lachrimpels en hoopte dat ze de waarheid sprak.
Met een schuin oog las ik in de knipsels die ze had meegebracht. ‘Shaffy ontroerende Man van La Mancha’ kopt De Standaard. ‘Ramses Shaffy blaast Don Quichot nieuw leven in’, schrijft Het Volk. Grappig is dat de krant ook schrijft over het artistiek inzicht van directeur Linda Lepomme door te kiezen voor deze hoofdrolspeler. Ik knipoogde naar Ernst, die geen idee had welke krant ik onder ogen had. Ik trok De Telegraaf naar me toe, 24 september 1993. ‘Don Ramses de la Shaffy, ode aan de verbeelding’ en verderop: ‘Wellicht jubelt Shaffy niet meer boven alles en iedereen uit, maar met zijn warme, aparte geluid zorgt hij ervoor dat de liedjes honderd procent zíjn klank en kleur krijgen en zijn magnetische toneelaanwezigheid doet de rest.’ Later toen La Mancha in Amsterdam speelde, stond in dezelfde krant ‘Ramses in de rol van zijn leven.’ Ook de Volkskrant blies de loftrompet: ‘Romanticus Shaffy blijkt voortreffelijke Don Quichot.’ Ook Janke Dekker werd geprezen. De tafel lag vol kranten. Ik was verrast door de stapels juichrecensies.
Maureen vouwde een krantenpagina open en legde die voor me neer. Haar wijsvinger wees naar de opening van het stuk. ‘De critici hebben gelijk: Ramses Shaffy speelt een fenomenale dubbelrol in de musical Man van La Mancha. Maar om te zeggen dat de dubbelrol Cervantes/Don Quichot hem op het lijf geschreven is, gaat Shaffy te ver. “Wie dat zegt, gaat voorbij aan de kunst van het toneelspelen. Don Quichot is een figuur die je best op straat zou kunnen tegenkomen; op het toneel kun je zo'n figuur niet zomaar neerzetten. Dat is een andere kunst en die moet je voorop laten staan,”’ schreef de Gooi- en Eemlander op 30 december 1993.
Tijdens een bezoek aan het Sarphatihuis kwam hij er zelf op. Het zat hem nog altijd niet lekker dat ze zijn vrijheidsdrang en zogenaamde dromerij vergeleken met die van de dolende Spaanse ridder Don Quichot. ‘Ze doen me dan als acteur te kort. Het is een vak en daarvoor heb ik geleerd. Bij het toneelstuk dat ik ervoor deed, Mijn diner met André schreven ze dat ook, terwijl het een compleet andere rol was, dat was zowat een monoloog van twee uur lang! Ik kon La Mancha dan ook maar op één manier spelen en dat was zoals Brel het had gedaan eind jaren zestig. Door het stuk helemaal naar me toe te trekken, door het helemaal op mijn manier te doen.’
Ik keek in de ogen van Ernst. Hij liet de wijn rollen in zijn mond, proefde en slikte. ‘Het was de grootste musical van dat jaar… de première… een minutenlange staande ovatie. De kranten schreven ons de hemel in. Vooral Shaffy. Zo van: dat het zijn kapitale rol was en hij zijn mooiste uur beleefde als acteur. Bij de première in Holland… hij stond boven aan de trap. Hij moet op, hij zet één stap, alleen zijn been was nog maar zichtbaar of het publiek ging al staan, een ovatie. Minutenlang!’
‘Voelde je je verantwoordelijk voor Ramses, omdat jij hem had aangedragen?’
Ernst schudde zijn hoofd: ‘Er was een liefde voor die man, ik weet dat ik geen homo ben, maar gewoon om voor die man te kunnen en te mogen zorgen. Het was echt soms zwaar, je deed het graag, maar als je er een gezin naast hebt, is het niet echt gemakkelijk. Maar thuis vonden ze het geweldig.’
‘Dat was bij mijn man ook zo,’ zuchtte Maureen, ‘Ik denk dat ik thuis iets uitstraalde van: “kom niet aan hem!”’
‘Het was eigenlijk elke dag een zegening om deze man in je buurt te kunnen hebben. Je moet er wel voor openstaan. Elke dag was een geschenk, dat je met die man was en dat stuk mocht spelen, met hem in de bus mocht zitten, dat je die man mocht afhalen, boodschappen met hem mocht doen.’
‘Wat is dat dan?’ probeerde ik.
‘Ik heb dat met niemand anders gehad, werkelijk…’ zei Ernst, en hij keek naar de bodem van zijn glas. Maureen zette haar zonnebril hoger op haar neus, tikte as van haar sigaretje en zei: ‘Ik heb met Ramses heel veel promotieoptredens gedaan, voor de pers, op televisie… en ik herinner me de allereerste keer. We kwamen in de Keizerstraat aan om hem bij zijn appartement af te zetten. Hij stapt uit en bedankt me en hij had het zo fijn gevonden, dat hij me zelfs vroeg hoeveel hij me schuldig was voor de benzinekosten.’
Ernst was in zichzelf gekeerd. Zijn geheugen was een schoenendoos vol knipsels en foto's. Volstrekt willekeurig lichtte hij er een verhaal uit. ‘Het enige probleem dat we wel hadden, dat was vooral bij Nederlandse zenders. Als Shaffy binnenkwam hadden die zoiets van: géén drank! Ja, uiteraard hadden we altijd het groene plastic tasje bij ons. Dat droeg ik dan. Daar zat wijn in.’ Ik knikte.
Ernst ging naar het toilet. Toen hij terugkwam, bleek hij alles afgerekend te hebben. ‘Omdat het heerlijk was om het weer eens over Ramses te hebben!’ zei hij opgetogen.
‘Nog één vraagje,’ begon ik en voelde me als Columbo, ‘hoe kan het dat hij na La Mancha zo snel achteruit is gegaan?’
Ernst antwoordde direct en zelfverzekerd: ‘Dat komt mede doordat er in Nederland geen goede opvang was, geen goede omhulling was. Hij zat daar maar alleen in Amsterdam, moest weer werk zoeken.’
Maureen vulde aan: ‘Ik zou eerder zeggen, dat er geen warm bad om hem hing. Hier in België was er altijd één van ons bij hem. Iedereen op het toneel wist zijn tekst. En als hij dan even moest zoeken, dan fluisterde degene die het dichtst bij hem was de volgende regel, dan wist hij het weer en dan ging hij weer los… Er was natuurlijk een permanent wantrouwen van: gaat-ie het doen? Gaat hij het redden? Zal hij het kunnen? En als Ramses dát voelt, dan slaat hij op tilt. Bij ons voelde hij dat niet. We droegen hem,’ zei Maureen. ‘Weet je, het wachtwoord van mijn computer is nog altijd “Solange”.’ Haar stem stierf langzaam in me weg.
Het is zo, Ramses had het me zelf verteld. ‘We waren één hechte familie…’ Ik zat alleen in het verlaten huis aan de Herengracht. Tussen mijn wimpers zag ik Ernst. Hij stapte in zijn Opeltje en reed over de kaai, tegen de zon in. Ik schudde mijn hoofd. Mijn wangen waren nat. Ik wilde niet geloven, niet accepteren, wat alleen maar te accepteren is. Alles is rook. Shaffy zou nooit voor me dansen, nooit Don Quichot zijn, maar altijd de man die ik dit jaar had leren kennen, een man met dun grijs haar, wankel ter been, in wiens ogen ik altijd zal blijven zoeken naar zoals ik hem nooit gekend heb. Mijn hoofd viel neer, zacht in mijn handen. Voor het eerst deze reis huilde ik. In tien jaar tijd was hij zo veranderd… in La Mancha daalde hij nog af langs een lange trap, bevocht hij windmolens met zijn lans, overwon hij nachten. Dat was. Dat was…!
Ik stond op en voelde een diepe machteloosheid tegen het verstrijken van de tijd.
Ik doolde tussen stapels boeken door, naar de vleugel, onherkenbaar onder een vodderig Perzisch kleedje en spetters verf. Overal asbakken, vitaminepillen, paracetamol, een hoed, in de vensterbank een gouden plaat, aan de muur schilderijen. Een ervan is voor Bouke, een Fries met wie Ramses jarenlang bevriend is. Ik struikelde half over een microfoonstandaard. Op de grond papieren met liedteksten, Ramsessiaanse akkoordenschema's. Nooit gespeeld, door niemand gehoord. In de keuken, nog drie peuken in de spoelbak, een bed dat nog warm had kunnen zijn, een papier aan de muur, in verf ‘This is my cave’. Dit is mijn grot, mijn schuilplaats. Ik liep door zijn huis. Ramses lag op de operatietafel. De heup, omdat hij te veel gedronken had. Mijn God.
We gingen eten, Edith, Ariane, de uitgever en zijn vrouw. Misschien dat hij zenuwachtig was, dat het te formeel was. Verdomme. De drank in hem vergalde het. Vrijheid, vreugde! Natuurlijk, zolang je over de fles de baas bent. Shaf had 's middags al te veel gedronken, en buiten ons zicht goten obers zijn glas vol tot over de rand. We dachten dat hij nog steeds hetzelfde glas moest legen. Zijn humor verdween, de lieve man die mijn vriend geworden was, trok naar de vrouwen aan tafel een vals gezicht, schreeuwde tegen ze. Nog nooit had ik hem zo gezien. Edith ook niet. Edith ook… niet.
Ergens was het goed hem zo te zien. Het kost me al moeite genoeg om te zien hoe hij is. Iedereen is vol bewondering, zelfs de ellendigste verhalen leken zo veel jaar later heroïsch. Dat is de mythe Ramses. Die avond voelde ik zelf hoe het kon zijn, dat het niet altijd leuk was, maar ook strontvervelend kon zijn.
In zijn bed begon de wereld te draaien. Heksen en toverkollen belaagden hem. Als tegen windmolens vocht hij en hij werd geraakt, viel op de grond, brak zijn heup. Voor de zoveelste keer. Eerder al in 1988, en halverwege de jaren negentig nog eens. De laatste keer moest hij maanden revalideren in een tehuis in de buurt van Bilthoven. Mijn God.
Ik draaide me om, sloeg een toon aan op de vleugel, die onder de verfspatten zat. Aan de muur hingen kleren, theaterkostuums. Ik ging terug naar de voorkamer. Ging zitten op het bankje en wachtte tot mijn ogen droogvielen. Op het tafeltje lag een papiertje. Er stond een naam op geschreven: Shireen. Ik sloeg mijn ogen op naar het plafond en hoorde haar stem, alsof ze naast me zat. Ze vertelde me wat ze daarvoor had verzwegen. ‘Ik speelde Tsjechov, een heel vreemde, moderne uitvoering, heel raar geregisseerd. Ramses belde me vanuit België, toen-ie er Don Quichot speelde. Hij belde me en vroeg wat ik aan het doen was. Ik zei dat ik in De Meeuw speelde. Hij was onmiddellijk enthousiast. Het was zijn lievelingsstuk van een van zijn favoriete schrijvers, had het zelf ook gespeeld. En hoe! Shaffy wilde komen kijken. Ik zei nog tegen hem: “Shaf, het is niet een voorstelling waar jij meteen mee naar huis loopt.” Niets kon hem tegenhouden. Hij zou komen, met de trein vanuit Gent naar Arnhem. We hadden alles geregeld, hotel, trein…
We hebben elkaar voor de voorstelling niet gezien, ik moest schminken, haar doen. En we beginnen, en na tien minuten klinkt er: “OOOOH, AACHH… EUIOEU…” Vanuit de overvolle zaal. Ik dacht nog: er is iemand niet lekker geworden. Maar het escaleerde… gigantisch. “HET IS VERSSSCHRIKKELIJK! VERSCHRIKKELIJK, VERKRACHTING VAN TSJECHOV!!!” Op handen en knieën kwam hij door het gangpad! Ik weet niet meer wat ik dacht. Maar er waren van die eikels in dat toneelstuk, van die adepten van de regisseur en die waren woedend op Ramses. “Hoe bestaat het! Hoe kún je zo doen! Als je zelf op 't toneel staat! Wat is die toch helemaal verloederd!”
Ik stond daar en zei: “Sorry, hoor, iemand die zoveel gepresteerd heeft, zoveel heeft gedaan, die kan zich dat permitteren, die hoort niet bij de middelmaat, die doet dat! Het is voor het publiek verschrikkelijk, voor ons verschrikkelijk, maar hij kan het wél maken, ja, verdomme zeg… om nu allemaal ineens zo moralistisch, christelijk te gaan doen… ja, waar slaat dat op!”’
Verontwaardigd keek ze me aan. Ik hoorde haar adem en keek een half donkere kamer in. Alle ramen en deuren stonden bij me open. Eva van Slooten sloop binnen, ze verzachtte: ‘Toen hij terugkwam in Amsterdam, moest hij erg wennen. Hij miste Antwerpen, waar hij het heerlijk had, de mensen met wie hij zo'n fijne tijd mocht doorbrengen, zijn Belgische familie. De toekomst was onzeker. Dat La Cage aux Folles was er wel, maar dat was toch lang niet zoiets als La Mancha. Er moest gewerkt worden, en het was een goed aanbod, dus hij nam het aan. Hij zag er wel tegenop. Dan ga je drinken om er niet zo zwaar tegenaan te kijken. En toen ging het hard achteruit.’
Ramses, Ramses! Ineens voelde ik hoe eenzaam hij geworden was. Hij die gaf en vierde, die gegeven en gevierd werd. Ouder geworden, alleen op het bankje, rokend en drinkend. Hij die nachtenlang blij was dat hij niemand tegenkwam, nachten wachtend totdat hij eindelijk iemand tegenkwam. Amsterdam was nog nooit zo stil. Het was niet alleen zijn levensvreugde waarin Shaffy-fans zich herkenden, misschien ook wel in de eenzaamheid die hij bezong en het onvermogen om echt ergens bij te horen.
Shireen had haar gezicht naar het raam gedraaid. ‘Is dat wat je me wilde vertellen, Shireen?’ vroeg ik zacht.
Ze zuchtte en ik voelde dat ze naderbij schoof. ‘In de steek gelaten… ja… ach, ook niet… niemand heeft recht op een ander, natuurlijk, maar toch is dat wel eens hard aangekomen… dat het ook niet in hem is opgekomen dat zijn gedrag tegenover Ton mij in een moeilijk parket bracht, toen hij terug was gekomen uit Rome.’
Haar stem zakte weg. Ik keek langs mijn schouder. Ze huilde oude tranen.
‘En La Cage aux Folles, dat is een drama dat niemand weet. Dat was na de Man van La Mancha. Dat ik daar “ja” op heb gezegd is louter en alleen om Ramses, niet om het geld, niet om… zie je het voor je… ík werken als regisseur met Henk van der Meyden als producent… er is maar één reden… om hem, om Ramses! Vernederend… ik ben er met open ogen in gelopen… Ben eraan begonnen… ze hadden een zéér, zéér zwakke hoofdrol. Op zich was het een prachtig stuk over travestieten, over liefde, ik had het in Wenen gezien. Ramses zou een van de hoofdrollen in de musical in Nederland spelen. We hadden de repetities, en we zijn bijna twee weken bezig. Zware weken. Eerst moest ik de beroerde vertaling van Seth Gaaikema herschrijven. Acht van de tien liedjes hebben Bram en ik herschreven… Hierover had ik niets tegen Ramses gezegd. Ik wilde hem er niet mee opzadelen. Ik bedoel, ik deed deze musical om hem… Nou ja… we waren aan het repeteren, de scènetjes… ik vond al wel dat Ramses een beetje gammel was en niet helemaal geconcentreerd, maar hij deed alles wat ik vroeg en soms stelde hij zelf iets voor, van: zal ik het zó doen? Het viel eigenlijk wel mee…’ Traag ademde ze uit, alsof ze haar gevoelens probeerde binnen te houden, en wiste een traan van haar wang. Ik wilde haar troosten, maar wist niet hoe. Wat wist ik ervan? Ik zweeg.
‘Tot het moment dat we op een ochtend aan het repeteren zijn… we zijn nog geen twintig minuten bezig. Ramses heeft een scène en zit op een bank en hij krijgt een soort delirium, een soort toeval, echt verschrikkelijk… schuim op zijn mond, ogen draaien weg. Iemand heeft water gehaald, de ander een kussen voor onder zijn hoofd… ik heb mijn hand in zijn mond gedaan… ik had geen lap bij me… mijn hand, zodat hij zijn tong niet zou afbijten. Het was doodeng. Hij was er aan het doodgaan, echt, puur aan het doodgaan… Hij kreunde… kon niet meer praten, hij wist niets meer. Ik kan het niet eens nadoen, zo erg. Het duurde voordat de ambulance er was, ik ben meegegaan, hij kwam weer een beetje bij… had weer praatjes… Ik vroeg of hij gedronken had. “Nee, helemaal niet,” zei hij. Ik heb hem in het ziekenhuis achtergelaten, teruggegaan naar de repetities, want ik dacht: ik ga ook niet de hele tijd, nou ja… ik heb ook nooit tegen hem gezegd van: “Je zuipt te veel, pas op voor Korsakov” of zo… nooit… nu had ik er iets van moeten zeggen, dat het zo niet langer gaat… Ik kwam erachter dat hij die twee weken iedere nacht stevig heeft doorgedronken, dat hebben mensen later tegen me gezegd… hij zat nachtenlang op het terras… iedereen had hem beschermd, niets tegen me gezegd… Hij dronk altijd wel, maar niet zoals toen.’ Mijn hand was naar de hare gekropen. Leeftijd was weggevallen. In tijden van verdriet mogen er geen grenzen zijn, dan ben je één.
‘Ik had tegen de productie gezegd dat ze moesten zorgen voor een kamerjas, sloffen en een pyjama, aftershave, kam, tandpasta… toen ik daar 's avonds kwam lag hij daar prinsheerlijk in bed… “Shireen, ik heb slippers, een pyama… en daar hangt mijn ochtendjas…” en ja… dan vreet je hem weer op…’ Ze richtte zich op, brieste ingehouden. Op haar wangen droogde mascara donker op.
‘Hij heeft er ongeveer een week gezeten… toen kwam hij terug en wilde hij weer spelen, maar het ging zo halfslachtig… hij kon zijn teksten niet onthouden, hij viel om… Maar de producenten, Van der Meyden, die normaal keihard zijn, waren zo slap en soft, dat het uiteindelijk op mijn bordje kwam te liggen om er iets aan te doen. Terwijl het niet aan mij was. Ik was de regisseur, niet de producent! Ik zat alleen met hem in de directiekamer. Iedereen was verdwenen. Ik moest het zeggen. Ik was ook laf, vond het verschrikkelijk moeilijk om iets te zeggen. Hij had zichzelf natuurlijk onmogelijk gemaakt, en een rotstreek geleverd tegenover mij, want ik zat met de gebakken peren. Maar dat zei ik niet. Ik zei alleen; “Shaf, het is een blamage voor jezelf. Het gaat gewoon niet. Je doet jezelf te kort als je dit doorzet.” Toen ging hij ineens heel deftig praten, zo van: het is wellicht beter in deze omstandigheden dat ik me terugtrek. Ramses vond het zelf verschrikkelijk, een nederlaag om eruit te gaan. In de kranten vertelden we dat hij er zelf uit ging, omdat hij ziek was of moe.’ Ik sloot mijn ogen en zag dat ze een meisje was. Mijn hand lag op haar rug.
‘En heb je het al eens met hem uitgesproken?’
Heel langzaam schudde ze haar hoofd. ‘Ach, daarvoor is het nu te laat. Hij weet het waarschijnlijk niet eens meer.’ Het werd stil. Ik hoorde de geluiden van de straat. Shireen was nog even bij me.
‘Hoe kan het dat iemand die zo leeft, zo gedragen wordt?’
‘Omdat die keren dat hij wel functioneert hij zoveel gegeven heeft en te geven heeft, dat de weegschaal altijd naar het positieve doorslaat,’ zei ze veerkrachtig en ze lachte voordat ze verdween.
Een deur ging open, Peter kwam binnen. De nieuwsgierigheid was als een vriendelijke lach op zijn gezicht. Hoe lang zat ik er? Een halfuur? Ik kwam direct overeind, trok het kleedje recht, en liep met Peter mee het huis uit. Hij draaide de deur achter me in het slot. Stil kwam de eenzaamheid er terug.
‘Gaat het?’ vroeg Peter. Ik probeerde te lachen. Hij knikte begrijpend. Waarschijnlijk zag hij aan mijn ogen wat er gebeurd was. Opgelucht viel ik op zijn bank. Hij had fris ingeschonken. Mijn hoofd zat vol stemmen. Gezichten renden zonder benen achter mijn ogen langs. Liesbeth als jonge vrouw, beeldschoon. Joop met blonde haren, hij sprak in de taal van Hans Lodeizen. Albert Mol… misschien dat hij me nog verwachtte. Sigrid, Dicky… Louis in zijn blote kont achter de piano. Ik vermande, keek op. Peter zat zwijgend tegenover me en keek alsof hij alles zag.
Hij zei niets, hij liet me los, ik zwierf naar Eva. Haar man was ziek en zij kon niet langer het management doen van Ramses. ‘Dat was na het drama met La Cage aux Folles… ik zei tegen Liesbeth en Ramses dat ik moest stoppen omdat Cor, mijn man, me nodig had. Ze moesten iemand anders zoeken. Liesbeth reageerde goed en snel en heeft het goed geregeld, maar Ramses deed niets. Hij dacht: als jij stopt, dan zie ik het wel. Dat wilde ik niet.
Op een gegeven moment belde Eelke van 't Hull me op. Ik kende haar nog van vroeger en ze had in theaterkringen best een goede naam. Ze was geïnteresseerd in Ramses, ze vond hem interessant en ze wilde mijn werk wel overnemen. Ik maakte een afspraak met Ramses. Hij moest uiteindelijk beslissen.’ Eva speelde met haar kopje. Af en toe keek ze me aan. Een paar seconden maar.
‘Dus ze gingen eten, en Shaf belde op dat het goed was. Of dat nu betekende dat hij haar goed vond, of dat hij dacht: ik moet toch wat… weet ik niet. Achteraf was het de enige keer dat zijn intuïtie hem zo in de steek liet.’ Ze slikte, nam een slok en zei zachter: ‘Ik heb het toen losgelaten. Mojo wilde Ramses niet hebben. Meestal voelde hij feilloos aan of iets goed zit of niet… maar nu niet dus.’
Mijn nieuwsgierigheid werd aangewakkerd. Ik schoof mijn koffie aan de kant, bracht mijn handen verder op tafel en vroeg: ‘Wat is er gebeurd?’
Eva kneep haar ogen samen. Ze wist dat ze het me moest vertellen, en dat ze het ook wilde. Ook al zouden we namen noemen. ‘Ik schrok eigenlijk,’ zei Eva ineens kwetsbaar, ‘ik schrok toen Eelke ineens begon over contracten en advocaten, ingewikkelde zaken. Ik zei tegen haar: “Wat maak je je druk? Ik heb van mijn leven nooit een contract met Ramses gehad, we hebben twaalf jaar gewerkt en nooit één letter op papier gezet. Wat heeft een contract voor zin als je het niet met elkaar kunt vinden?” Ja, nee, dat vond ze niet. Ze heeft het toen wel voor elkaar gekregen dat zijn boek uitgegeven werd, Mijn Goddelijke reizen.
Ach ja. En er was een tournee met die meiden, Ramses 97. Dat zou eigenlijk Ramses 96 moeten heten, maar toen lag hij nog te revalideren van zijn gebroken heup. Cor Frank die ook bij die tournee betrokken was, belde me elke week op met de vraag of ik niet terug wilde komen. Hij werd gek van Eelke. Ze wilde op een of andere manier 't heft in handen hebben. Ze wilde een soort mevrouw Shaffy zijn, ze wilde met hem samenwonen of zo.’ Eva werd fel. Haar ogen waren brandende kooltjes. ‘Ze zoop misschien nog wel meer dan hij! Ja, ze sleepte hem mee in de ellende… ach… ik weet er te weinig van.’
Ik dronk het glaasje fris dat Peter had ingeschonken in één keer leeg. Alle besef van tijd was ik kwijt. Ik zocht mijn horloge, misschien had ik het niet omgedaan. Peter zat daar maar. Hij wachtte, maar verwachtte niets. Misschien zat hij er maar een paar seconden, ik had geen idee hoe snel herinneringen zich aan me openbaarden. Liesbeth, zij sprak ook over die tijd. Het deed haar pijn erover te praten. Haar mond was smal geworden. Eelke zou volgens haar Ramses hebben belazerd met geld. ‘Ze hadden altijd ruzie, zij dronk mee en betuttelde hem. Ik weet niet wat er voorgevallen is, maar op een gegeven moment besloot Ramses dat ze weg moest. Toen eiste ze vijftigduizend gulden van hem. Voor haar diensten, want ze had nooit procenten van zijn verdiensten gevraagd. Nu maak je mij niet wijs, dat je dan een aantal jaren hebt kunnen doen en laten wat je wilt. Waar leef je van? Ramses heeft het haar gegeven om ervan af te zijn.’
Liesbeth liet haar hoofd zakken. Ik hoefde geen vragen te stellen. Ze wist waar het gesprek naartoe wilde. ‘De tour in 1997 heeft hij nog afgemaakt. De ene dag ging beter dan de andere, en we hebben nog wel een schnabbel tussendoor gehad, maar dat was intern. Het ging hard achteruit, dan weer had hij een gat in zijn kop, was hij in elkaar geslagen, of weer gevallen. Ik belde hem altijd rond een uur of vijf in de middag, want dan nam hij de telefoon op. En dan zei hij: “Ohoo, dan ben ik nog op tijd.”
“Op tijd? Waarvoor? Waar moet je naartoe?”
“Nou eh, ik moet eten, ik lig nog in bed.” Dus dan ging hij zich aankleden, en dan eten en drinken, totdat-ie weer… nou ja. Ik weet nog dat hij een keer gesignaleerd werd op de gracht met zijn armen om een boom, dan praatte hij tegen een boom, want dat was liefde. Stond hij daar gewoon ergens op een stoel aan de gracht, of hij ging erin zitten.’ Ik zag het voor me, zoals iedereen die ik sprak het beschreef. Ramses liggend op zijn bed. Zwak en vuil. Binnen handbereik de telefoon, maagtabletten en pizzadozen met etensresten. Zo bracht hij dagen door, totdat hij weer kracht had om zich aan te kleden. De nacht lokte hem.
Ik dacht aan Joop, zijn stem was zacht maar duidelijk verstaanbaar: ‘Ramses belde ook vaak op 's nachts. Dan was hij dronken. Hij vroeg dan: “Hoe gaat het ermee, ik wilde even met je praten.” Ik was meestal wel aardig, maar ik zei soms ook: “Ramses, ik moet slapen. Ik moet morgen werken.”’
‘Denk je dat hij eenzaam was?’ vroeg ik.
Joop wachtte met antwoorden. ‘Jahaa… ja, maar hij kan wel beter alleen zijn dan ik. Hij is beter getraind.’
Liesbeth haalde haar handen voor haar ogen weg. Haar mond opende, maar het bleef nog even stil. Ze vertraagde. ‘Hij had geen idee meer van tijd,’ fluisterde Liesbeth, ‘ik belde hem om te zeggen dat er een première was of dat ik in de stad kwam, die dag of een dag later. Dan zei hij dat ik even moest wachten. Dan hoorde ik hem zijn bril zoeken. “Ik moet het even opschrijven, want ik vergeet altijd alles,” zei hij, “ik vergeet altijd alles.”’ Liesbeth zuchtte diep en keek de tuin in. Het zou mooier zijn om het verhaal te stoppen na La Mancha, dacht ik. Liesbeth slikte.
‘Ik hoorde van Eva, dat ze een eetafspraak hadden. Dan kwam zij hem halen, dan bleek dat hij al gegeten had. En dat is allemaal Korsakov. Wij wisten het niet. Dat zijn korte geheugen al zo aangetast was. Hij had wel een soort discipline tegenover mij dat hij alles opschreef en tot mijn grote verbijstering, als ik hem dan belde dat het morgen zover was, dan zei hij: “Ja dat weet ik.” Hij hield dat bij.’
Of hij maskeerde? dacht ik in mezelf.
‘Dan kwam hij ook, nuchter, maar wel al totaal ongeschoren, onverzorgd. Dat deed Shaffy normaal nooit. Zijn gezicht werd ook steeds boller, door de drank. Ja, voordat hij in het Lucas ziekenhuis lag, had hij al Korsakov. Ik wist nog helemaal niet wat dat was.’
De huiskamer van Peter was stil. Ik had niet eens gemerkt dat ik er alleen zat. Peter keerde terug van het wc'tje in zijn badkamer. Hij keek maar, en keek, zei niets. Hij wist waaraan ik dacht. Dacht ik. Hij kwam weer tegenover me zitten. ‘Hij heeft zulke mooie dingen laten zien, Peter.’ Hij knikte en bleef zwijgen. ‘Dronken jullie samen veel, hoe is dat gegaan? Hoe kan iemand die zo vitaal is in La Mancha, zes jaar later een wrak zijn?’
Peter beet op zijn lip en dacht hardop na: ‘We hadden heel diepe gesprekken, en dronken daarbij. Maar nooit in de trant van iets weg willen zuipen. Ik kan wel psychologische duidingen geven, maar het is toch moeilijk. Je neemt als uitgangspunt of iemand psychisch gezond is of niet. En als-ie dat niet is, dan heeft-ie dingen meegemaakt die niet verwerkt zijn. Dat past allemaal, het is niet mis als je als jong kind… nou ja… Voor mijn gevoel staat Ramses volkomen boven die wet, de psychologische wetten die je in de volksmond op mensen toepast, daar past Ramses niet in. Bij hem gelden heel andere dingen.
Wat ik wel denk, is dat hij meer is gaan drinken, omdat hij minder is gaan werken. Hij had meer tijd. Hij begon ook te wennen aan de gedachten om op zijn 65e te stoppen met werken. Hij verheugde zich er ook op, om niet meer te hoeven werken. Dat betekent meer tijd, nog minder verplichtingen… Ja, en… ik weet niet of ik dat moet zeggen, dat is die Eelke… die manager.’
‘Ja… ik weet ervan.’
‘Ik heb erbovenop gezeten… ja… Ramses zelf praat nooit kwaad over iemand…’
‘Ja, maar hij heeft wel de keuze gemaakt om niet meer met haar door te gaan!’
‘Ja, ja… Het was heel erg… Dan gingen ze samen naar een optreden, en dan ging Eelke met iedereen ruziemaken die eromheen zat. En Ramses was juist met iedereen goed. Dan hadden ze ruzie over het feit dat zij ruziemaakte. Ze is een bitch, een rotwijf, dat niets anders deed dan ruziemaken, en zeiken over drinken, elke dag, hoor!’
‘Met recht toch?’
‘Ja, maar ze dronk zelf net zo hard! Dat kon ze zeer goed! Zij zat hem de les te lezen… en dat moet je niet doen.’ Een schok rolde over mijn rug. Eelke! Dat was die vrouw met wie hij was! Toen op het terras in 1999, met Ariane, de dag dat Ramses haar aansprak! Mijn God, dat was zij!
‘Ja,’ siste Peter,‘en dat geeft het dilemma van Ramses weer. Een normaal mens die zegt na drie maanden al dat het niet gaat en stopt met de samenwerking. Ramses is loyaal naar mensen, ook naar Eelke. Dat hij het zo lang heeft laten gaan. Maar het was water en vuur. Ik denk zelf dat het hem een klap heeft gegeven, dat iemand met wie hij zo nauw omgaat, zo is, en dat het alsmaar bleef, dat het zo lang geduurd heeft,’ zei Peter, ‘Bella denkt dat de dood van Osho in 1990 een enorme klap geweest is. Ik heb dat nooit gehoord van hem.’
‘Misschien zijn het wel alle doden bij elkaar. Vincent kwam onder de tram, Ingrid Weiler ging dood, Osho… van de familie hoor ik dat de dood van vader Snellen de nekslag was. Het blijft allemaal gissen,’ zuchtte ik, ‘maar misschien… we moeten niet alles willen analyseren.’
‘Hmmm,’ bromde Peter, ‘het kan ook komen door zijn pensioen, hij kreeg minder werk, en had ineens alle tijd om te gaan stappen… en er kwam minder aandacht voor hem. Alleen in 1997 bij die tour Ramses 97 met die meiden, dat was het laatste.’
‘De tred is wankel, de lever verwoest, en de stem hapert zo nu en dan […]. Hij zingt, vecht, huilt, bidt, lacht, werkt en bewondert met dubbele kracht,’ schreef de Volkskrant.
‘Ja,’ zuchtte Peter, ‘…ik denk dat de combinatie van soms heel veel drinken en niet eten hem fataal is geworden. En daarbij zijn lichamelijke sores met zijn heup en zijn been, en dan het psychologische. Dat stel Marokkaanse jochies dat hem in de gaten had en hem beroofde, tot twee, drie keer toe. Als hij uit café Wheels kwam. Dat heeft een enorme impact op hem gehad.’
Mijn tong streek langs mijn droge lippen, voordat ik zei: ‘Hoezo?’
Peter was opgestaan en ijsbeerde door de kamer. ‘Er waren enkele jongens die hem in de gaten hadden. Ze wisten in hem een gemakkelijke prooi, zo'n oude stomdronken man met altijd geld op zak. Ze hebben hem meerdere malen beroofd en in elkaar geslagen. Ze hoefden hem maar om te duwen… Dat was zo'n dreun voor Ramses.’ Peter hief zijn handen ten hemel en riep geëmotioneerd: ‘Zijn stad! Zijn Amsterdam! Zo veranderd!’ Hij beende naar het raam, keek naar buiten. De zon en de blauwe hemel lagen verscholen achter een wolk. ‘Het heeft niets met nationaliteit te maken, zijn grootste Marokkaanse vrienden huisden onder hem in de coffeeshop. Daar kwam hij regelmatig, daar kon hij rekenen op een vorstelijk onthaal, dat waren vrienden van hem. Daarom kon hij het ook niet begrijpen en de jongens van de coffeeshop vonden het verschrikkelijk. Hij heeft er zelfs zitten wachten totdat de ambulance kwam…’ Peter keek me aan. Ik had alles gehoord van Joop, van Eva.
Het was winterwordend weer, december 1999, Ramses verliet zijn stamcafé, Wheels. Het was in het donker ergens in de nacht. Dronken en alleen zocht hij het pad naar zijn huis. Zo ver was het niet. Hij hoorde stemmen, hard, agressief in een vreemde taal. Een duw, rake klappen. Ramses duizelde en smakte weerloos tegen de grond. Snelle handen gristen geld uit zijn zakken. Hij bloedde, krabbelde overeind. Er was donker aan weerszijden van zijn ogen. In het licht van de coffeeshop klom hij op een stoel. Om hem heen bekende gezichten, maar soms ook niet. Alles in hem draaide, zakte weg, onvindbaar in nummerloze kamers van zijn hoofd. Een grote auto. Mensen riepen, daar is de ambulance. Het was op, de koning was aangeslagen door vreemde vuisten, drank. Alle kracht leek verdwenen. Het overlevingsinstinct stuurde alleen nog de organen aan, het hart, de longen. De benen waren slap. Een ziekenbroeder sprak en ging achter hem staan. Ramses voelde zijn benen niet, hij wist niet dat hij kon lopen. De broeder trapte wat lomp tegen zijn hielen, zodat zijn reflexen stappen zouden maken. Hij mocht liggen in de auto… daar ging hij, alles lag open als een wond.
In het Sint-Lucas ziekenhuis was het wit. De lakens, de muren. Ramses wist niets meer.
Peter opende zijn mond, hoofdschuddend zei hij zacht: ‘Mijn vriendin Nora en ik hebben de hele dag zitten janken… en steeds maar weer dezelfde muziek draaien van Ramses… niet dat we verdrietig waren dat hij dood zou gaan, dat ook wel, maar dat hij misschien wel jarenlang moest leven zonder dat hij kon praten of zich kon uiten. Je kunt je het nu niet meer voorstellen, maar hij kon toen echt niets meer… hij was volslagen de weg kwijt.’
Peter zakte in de stoel, zijn handen klauwden in de zitting. Zijn ogen waren brak. Zoete herinneringen mengden met zout verdriet. We zeiden niets meer. We zaten er, zelfs zonder dat we elkaar aankeken.
In de stilte klonk Eva: ‘Het was niet gering hoor, toen hij opgenomen werd in het Lucas ziekenhuis. Hij wil er nu ook niets meer van weten. Hij was zóó ziek, zóóó ziek… De arts gaf geen enkele kans. Hij zei: “We zullen goed voor hem zorgen, maar we kunnen niet veel voor hem doen.” Mijn man was net overleden en ik dacht: daar gaat Ramses ook nog. Ik zat ook aan zijn bed, Ramses je gaat niet, je gaat niet…’
De fijne handen van Eva vouwden in elkaar. Ze keek langs me heen naar de blauwe hemel.
‘Hij werd een paar keer in elkaar geslagen op de brug bij zijn huis. Hij had zijn kroeg er in zo'n straatje aan de overkant. En ik zei steeds: “Ramses je moet ze aangeven!” Maar dat wilde hij niet. Later hoorde ik pas de verhalen over hoe hij aan lager wal raakte, dronk en dronk. Het kon hem ook niets meer schelen. Hij was ziek! Ik had hem een tijdje niet gezien, omdat ik erg met mijn man bezig was. Die andere manager was een enórme mislukking… een ramp. Dat kon ik mezelf nauwelijks vergeven. Shaf wist ook dat mijn man me nodig had en ik het werk er niet meer bij kon doen. Dat besefte hij heel goed.’ Ze slaakte een zucht, lachte om niet te huilen en zei: ‘Gelukkig heeft Liesbeth iets kunnen regelen.’
Mijn gedachten verlieten Eva en landden op de bank naast Liesbeth. Ze sprak langzaam: ‘Ik werd opgebeld door Eva… Ramses is in het ziekenhuis, we moeten komen. “Is hij dood?” “Nee, hij is niet dood.” Dus wij meteen naar het ziekenhuis. Hij was totaal verward. Hij was een oude man, grauw, zwak. Hij zat spelletjes te doen met Joop. Toen wij daar kwamen, zei hij dat hij iets nieuws had. Hij ging op tournee met Gerry van der Kleij. Ik zeg: “Wat geweldig!” “Ja,” zegt-ie, “vind je het een goed idee?” “Ja, ik vind het erg leuk.” Twee dagen later was ik er weer. Zegt-ie tegen mij: “Weet je, ik ga op tournee met Liesbeth List…”
Toen heb ik op een gegeven moment het ziekenhuis gebeld om te weten wat er met Ramses aan de hand is. Ik kreeg de behandelend arts aan de lijn en die verweet me van alles. Hij zei dat wij het nooit zover hadden moeten laten komen. Ramses kan nooit meer voor zichzelf zorgen. Ramses is in een staat die mensonterend is, deze grote man. Ik kreeg echt verwijten.
Toen heb ik hem uitgelegd dat Ramses zich nóóit liet leiden en dat wij van alles voor hem zouden willen doen, maar hij liet zich niet besturen. Dus ook ík had niet tegen hem kunnen zeggen: “Nu ga jij stoppen met drinken en jezelf verzorgen.” Ik heb het geprobeerd, toen ik het gevoel kreeg dat het niet verder kon. Ik vroeg hem waarom hij zich niet ging opgeven bij het Rosa Spierhuis, zodat je later een plaatsje hebt om oud te worden. Ik zei dat ik toevallig wist van Henk van Ulsen dat hij op de lijst staat, dat als het moment daar is, dat hij er in kan. “Néé, néé,” zei Ramses, toen fantaseerde hij al, “want Aya heeft zich daar al laten inschrijven en ik wil niet samen onder één dak, want dan ben ik mijn vrijheid kwijt.” Dus je ziet, Ramses laat zich niet sturen. Door ons niet, door Joop niet, door niemand.’ Liesbeth kon prachtig zwijgen, vooral als ze daarbij naar buiten keek. Altijd als haar ziel een pauze nodig had, weken haar ogen naar de tuin. Ze zuchtte diep, alsof ze zich vermande.
‘De arts zei dat Ramses nooit meer voor zichzelf kon zorgen. Ik schrok, en dacht ik: laat hem net zolang in het ziekenhuis totdat er ergens een plek voor hem gevonden is. De arts zei dat het niet mocht. Toen heb ik het Sarphatihuis gebeld, ik zit daar in een commissie van aanbeveling, en ik kende de ex-directeur. Die kwam vaak bij mijn man, Rob, in het restaurant. Dus, nou ja… Rob! Rob! Hoe heet die ex-directeur ook alweer?’ Rob kwam aangelopen, vermoedelijk uit de keuken. Aan zijn blik zag ik dat hij namen zoekt.
‘Cools? Cools. Ed Cools!’
‘Ja, die was het! Hij zei dat hij niet veel meer kon doen, omdat hij er geen directeur meer was, maar hij zou bellen. Enfin, er was natuurlijk geen plaats en hij zou op een lijst komen staan, dat zou zeker een halfjaar duren, of een jaar.’ Ze schudde haar hoofd. Ook zij gleed terug naar die tijd. Ik hoefde het me niet voor te stellen hoe het was gegaan. Ik was er opnieuw bij.
‘Dat kan niet!’ beet Liesbeth.
‘Ja, maar wij mogen geen mensen voortrekken,’ klonk een stem uit het Sarphatihuis.
‘Het nationaal monument van Nederland wel!’ Liesbeths mond sprak gespierde taal. Ze articuleerde fel: ‘RAMSES SHAFFY, dat is óns KUNSTBEZIT! Van ons land!’ Ze overschreeuwde de telefoonstem, die niets anders kon antwoorden dan dat ze die en die moest bellen. Liesbeth belde een andere vrouw, maar ze hoorde weer niets. Eindelijk contact.
‘Ja, mevrouw List, u moet begrijpen, dat…’
‘U moet nu eens luisteren, als dit niet kan, omdat wij in een bureaucratisch land leven, en men wenst, omdat wij calvinisten zijn, daarin te blijven wonen, dan maak ik er een politieke kwestie van. Dan bel ik Hedy d’Ancona op, Annemarie Grewel, die toen nog leefde.’
Liesbeth maakte krachtige gebaren met haar handen. Alsof ze oog in oog stond met haar ergste vijand: ‘En echt hoor. Twee uur later kreeg ik telefoon. “We hebben plaats.”’
In haar ogen een klein triomfantelijk lichtje. Ze hield even in. Ik wist dat het verhaal nog niet voorbij was. Liesbeth moest Ramses nog het ziekenhuis uit krijgen. Ze dacht dat hij waarschijnlijk toch niet naar het Sarphatihuis zou willen. Het nieuws moest voorzichtig en gedoseerd worden gebracht. ‘Ik zei dat hij uit het ziekenhuis mocht, en dat hij voor nabehandeling naar het Sarphatihuis moest gaan, en dat hij nu nog niet naar huis kon.’
Ramses ging gewillig mee. ‘Hij was toen al weer veel beter. Gek genoeg was hij alweer zo snel goed hersteld. Maar ja, als Joop aan Ramses vroeg of Liesbeth was geweest, zei hij dat ik nog niet was geweest. Terwijl ik dus twee, drie keer in de week kwam. Dus ja… fysiek hersteld. En hij was ook minder verward. En zo is het steeds beter gegaan, tot nu. Van de laatste tijd weet hij alles in details, geweldig!’ Nu pas ontlook de lach op haar gezicht. Ze haalde haar handen door haar haren.
‘Van wat hij heeft, kun je toch niet echt herstellen?’ zei ik.
‘Hij is een uitzondering op elke regel, zelfs op die van de gezondheid.’ Ze was trots. Trots dat haar ‘grote Shaf’ ook weer aan deze wetmatigheid leek te ontsnappen. Ook de artsen hadden er geen antwoord op. Zelf weet Ramses niets meer van deze periode. Alles is gewist. De mist begint al na La Cage aux Folles. Pas de laatste jaren in het Sarphatihuis brak de zon door. Laatst had hij het over een optreden in Tuschinski met Liesbeth, dat hij weer de teksten wilde gaan instuderen. Ik zat in de kamer van Edith, Ramses kwam binnen en vertelde erover. ‘Ik vind het toch moeilijk, hoor,’ zei ik.
‘Nee, nee, dit is het ziektebeeld,’ zegt Liesbeth, ‘hij leeft in een eigen fantasiewereld, wat weg is, vult hij aan met eigen fantasie. Hij voelt zich goed en dan komt dat oude, die drang weer boven, van: ik ga weer… dan zegt hij dat hij wil optreden en thuis wil wonen, máár daar blijft het bij, want hij stelt het steeds uit. En dat is het patroon. Hij kan er ook zo uit lopen en een taxi nemen en naar huis gaan, maar dat doet-ie niet want hij stelt uit.’
‘Zal hij dit boek lezen?’
‘Nee, hij heeft mijn boek ook niet gelezen. De cd's die ik geef, de plakboeken, de banden, die legt-ie neer, mag niemand aan komen, maar hij doet er zelf niets mee.’
Ik vouwde mijn schrijfblokje dicht en stak mijn cassetterecordertje in mijn tas. Misschien dat ik het dan voorlees. Liesbeth en ik stonden op, we liepen naar de kapstok bij de deur. Daar zei ze opgewekt: ‘Heb ik je al verteld, dat professor Snellen ooit tegen hem gezegd heeft: “Ramses, jij wordt niet oud, want dit kan niet geopereerd worden aan de darmen, want die zijn aan elkaar gekleefd. Jij wordt niet oud, want het is onmogelijk wat er allemaal aan alcohol in dat lichaam is gegaan.” Nou ja, je ziet het, hij wordt zeventig!’
Ook Peter had me tot aan de deur gebracht. Ik klopte op zijn schouder, gaf hem een hand en we keken elkaar diep in de ogen. Ik liep het bordesje af, langs de onbewoonde kamer. De gordijnen bij het raam bewogen niet. Ook klonk er geen muziek. De stad zoog me op.
Ik heb het broodje filet en de spa betaald en vervolg mijn wandeling naar Ramses in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. De pauze heeft me goed gedaan. Met de grote rode bloem als geleidestok in mijn hand sta ik voor de deur van het ziekenhuis. Mijn oog valt op een sticker ‘verboden te roken’. Ik glimlach om wat Edith me een dag eerder heeft verteld. Ramses werd opgehaald bij het Sarphati. Hij wist dat het OLVG een rookvrij ziekenhuis was. Voordat de broeders hem horizontaal de ambulance in konden schuiven, verzocht hij hun vriendelijk hem even rechtop te zetten. Edith gaf hem een sigaretje. Ik zie het voor me. Een aan een rechtop staande brancard gebonden Ramses met een sigaretje in zijn mond en vriendelijk zwaaiend naar de passerende fietsers.
Ik moet naar A-4. De bloem leidt me de lift uit, linksaf. Ziekenhuislucht went nooit.
Ramses zal nog wel op de OK liggen. Zo'n heupoperatie duurt wel even. Ik wil de bloem afgeven of op zijn kamer leggen. Ik volg twee dames, ook met bloemen. Het zal wel bezoekuur zijn. Weer links, afdeling 7… welke kamer is het ook alweer… Ik kijk brutaal bij iedere kamer om het hoekje, en loop door. Rechts is een dichte deur met een raampje. Ik kijk. Recht in zijn ogen! Daar ligt Shaf! Er is nog een zuster bij hem. Hij strekt zijn armen boven het laken, langs zijn hoofd. Hij is net naar zijn kamer gebracht.
Een lach opent zijn gezicht: ‘Wat ben ik blij om jou hier te zien! Je bent de eerste, dat je wist dat ik hier was?’ Ramses’ ogen staan anders dan een paar dagen eerder. Mijn hemel, wat was hij toen vals. Nu zag ik een ontwapenende vriendelijkheid. In mijn borst bonst Shireen. Ik had ook teleurgesteld kunnen zijn, dat hij het etentje met zijn dronkenschap onderuithaalde. Maar nu hij daar zo ligt, met zijn kinderogen…
‘Hoe is het met je?’ vraag ik en kus zijn stoppels.
‘Uitstekend, wat ben ik blij dat je er bent…’ De verpleegkundige controleert een zakje en een bakje dat wondvocht moet opvangen. Ik hang de rode bloem boven zijn bed. Ramses lacht naar haar en kijkt dan weer naar mij. Alles in me twijfelt. Ik zit hier als vriend, maar ook als schrijver. Het overvalt me. Maandenlang praten we openhartig en houdt hij mijn handen vast. Nu zit ik aan zijn bed. Hij ruikt nog naar de operatiekamer. Dichterbij kan niet. Alle oude glamour is weg, alle mooidoenerijen zijn naakt. Hier ligt een oude man, een prachtige oude man. Hij kijkt me aan, lacht als een kind, ik pak zijn hand. Ramses lacht.
‘Hoe is het?’
Hij berust: ‘Dit moet ik ook weer meemaken… Ik ben blij dat je er bent.’ Ik knik en zie hem. Moet ik het hem vertellen, dat ik thuis was, bij hem… Herengracht?
‘Ik ben…’ Zijn duim wrijft over de rug van mijn hand. Ik probeer mijn emoties weg te slikken. ‘Hoe is het gegaan?’
‘Weet ik niet, ik lig hier net. De pijn voel ik niet. Ik ben het vergeten.’ In de kamer staan bloemen. Liesbeth, Joop…
‘Ook dit gaat weer voorbij.’
Hij houdt mijn hand vast, het voelt niet ongemakkelijk. Hij heeft vier dagen geen druppel alcohol gedronken. Zo nuchter heb ik hem niet eerder gezien. Alles is rustig, vredig.
‘Ik moet het roken een plaats geven in mijn leven. Dat kan hier niet. Het is de grootste verslaving in mijn leven… groter nog dan drank zelfs. Misschien moet ik gewoon stoppen. Zou wel het beste voor me zijn.’
‘Ja… je bent bijna zeventig… nu nog stoppen heeft ook niet zo veel zin meer.’
‘Misschien met van die kauwgom.’
‘Misschien.’
Dan zeggen we een hele tijd niets. Ramses laat zijn hoofd zakken in het kussen.
Ik sta op, druk mijn wang tegen de zijne.
‘Kom je gauw weer?’
‘Ja, over twee dagen.’
‘Dat is heel fijn.’
We laten los. Ik draai me om en beantwoord de zwaaiende hand boven het bed. Door het raampje in de deur zie ik hem liggen. Boven het laken uit kijken twee zachte ogen. Een jongetje, alleen, in een heel groot bed.