Acht 
‘Dat was ik niet… het was God,’ zei Ramses toen ik hem bedankte voor zijn pianospel. Hij verborg het ivoor onder een houten klep. ‘Dat komt gewoon. Mijn enige echte gave is improviseren. Dat geldt in het hele leven, acteren, schilderen en muziek.’
Ik draaide het filmpje nog eens af. Ik zie Ramses zittend achter de vleugel, heel even blikt hij omhoog, alsof het onzichtbare, het onhoorbare hem de toon aangeeft. Hij legt zijn handen op het klavier en begint te spelen. Meer niet.
‘Is dat je talent?’
‘Eén van dé, ha, ha!’ lacht hij blij.
‘Je lijkt wel opgelucht!’
‘Ja, omdat ik het heerlijk vind om te doen!’
Ik keek om me heen, de tafeltjes rondom ons hervatten hun gesprekken. Deze middag was ik alleen bij Ramses. Hij had de toon gezet. Alles wat we vandaag zouden beleven gebeurde in ons. Deze ontmoeting zou gaan over de kern van zijn spirituele leven.
‘Krijg je genoeg kansen om hier te spelen?’ Ramses keek naar zijn bekertje. Er dreef een vliegje in zijn wijn. De vleugeltjes bewogen nog.
‘Ik wil niet te vaak gesprekken verstoren… maar soms 's nachts.’
Hij zweeg, keek naar het vliegje. Het zal niet ontkomen. Ik haalde een ander bekertje.
‘Ik vind het wel mooi, wat je zei.’
Zijn hoofd draaide, ogen vroegen.
‘Over God. Ik had het niet verwacht uit jouw mond, hoewel, je bent natuurlijk volgeling van Bhagwan, maar ik ken je vooral als artiest, drinker, feestvierder, nachtbraker.’
Ramses lachte: ‘Dát ben ik óók! Maar vanaf mijn geboorte leeft God in mij. Ik ben omringd door heel religieuze mensen, zoals mijn pleegouders. Niet dat die kerkelijk waren, maar ze waren wel bezig met het mysterie. Ik ontmoette God door mezelf open te stellen. En dan issie er ineens. Ik wist niet dat ik mediteerde, maar ik deed het al wel, vroeger. Als jongen ging ik soms ergens zitten, dan deed ik mijn ogen dicht om bij mijzelf te zijn.’
Ik strekte mijn benen, leunde achterover en zag hoe het licht zijn haren streelde. Hier gaat het om. Het onbekende lokt altijd.
‘Ik heb nooit van God vandaan geleefd, hij was met mij. Ook als ik me eenzaam voelde. Dat was haast altijd een gevolg van een verbroken liefdesrelatie. Alleen zijn is het mooiste dat er bestaat, maar eenzaamheid is een verlangen naar iemand die er niet is… dat is eenzaam. Soms gaan relaties uit, omdat het leven er een stop achter zet.’
‘En God dan?’
‘Hij ís er. Als ik eenzaam was, dan voelde dat zo, omdat ik ook voor God niet openstond.’
Hij sloot zijn mond. We dachten na en probeerden stilte te vinden in het constante geroezemoes van het Atrium. ‘Gaan we nu de Ramsesbijbel schrijven?’
‘Ha, ha… dat lijkt me wel wat, doe maar een voorzetje.’
‘Wie weet.’
Hij ging op één bil zitten, grabbelde kleingeld uit zijn broekzak, vond een nog ontbrekend muntstuk in het zakje op zijn borst. ‘Moet ik sigaretten voor je halen?’
‘Zou je dat willen doen?’ Ik stond op en liep naar de automaat in de hal en keerde een paar seconden later terug met een pakje waarop in grote letters staat gedrukt dat roken niet goed is voor je sperma, dat het de kans op onvruchtbaarheid vergroot. De andere kant van het doosje meldt dat roken dodelijk is en longkanker veroorzaakt. ‘Daarom zet ik die doosjes altijd zó neer, dat ik dat niet de hele tijd hoef te lezen,’ zei Ramses, ‘heel kinderachtig natuurlijk…’
Ik glimlachte, zweeg en dacht. Het kostte me steeds minder moeite om te reizen in de tijd. Alsof ik alles om me heen even stil zet, zodat ik zelf ontsnappen kan, zonder dat iemand het merkt. Mijn ogen kunnen open blijven.
Het was begin jaren zeventig. Ramses zat in een grote fauteuil die geheel bedekt ging onder schapenvellen. Aan de wanden hingen veel door Shaffy geschilderde portretten. Allemaal expressionistisch. Overal om ons heen lagen boeken. Op een van de kaften herkende ik de afbeelding van Inayat Khan.
‘De moeder van Thijs van Leer, zij vertelde me over haar leven en dat het universeel soefisme van Inayat Khan daarin een belangrijke rol speelt. Ik was direct geboeid. Als het soefisme je aangeraakt heeft, dan is dat heel hevig, dan blijft het.’
Onmiddellijk spoelden mijn gedachten aan in het gereformeerde vissersdorp Katwijk, waar uitgerekend daar, in de duinen een on-Nederlandse tempel ligt verscholen. Met een gouden koepel erop. Binnen in de zaal is een verhoging met daarop een altaar met zeven kaarsen. Zij stellen het Goddelijk Licht voor, was me verteld. De soefisten laten zich inspireren door alle godsdiensten, daarom branden er zeven kaarsen. Eén voor het hindoeïsme, het boeddhisme, het zoroastrisme, de joodse godsdienst, het christendom, de islam en ‘al degenen, die bekend of onbekend aan de wereld het licht van de waarheid hebben gebracht temidden van de duisternis van menselijke onwetendheid.’ Op het altaar liggen de heilige boeken van de wereldgodsdiensten. Alles is vrij, alles ligt open. Geen dogmatiek. Langs de weg van meditatie ontstaat er een persoonlijk contact met het goddelijke.
‘Ze heeft me toen meegenomen naar lezingen, en zo ben ik bij het soefisme geïntroduceerd. Bij de soefi's is het leven echt welkom, dat is het bij mij sowieso.’
‘Ken je de soefi-tempel?’
‘Ja, in Katwijk, daar ben ik ook een paar keer geweest.’
‘Die tempel stamt uit 1971 toch?’
‘Dat zal best. Het was een prachtige tempel, ja. Maar ik ben ook vaak in de Dominicuskerk, hier in Amsterdam, bij pastoor Tepe.’ Ramses schonk koffie in een onafgewassen mok, en hij deed er een sloot vieux bij in. Dan knielde hij voor een platenspelertje. Vanaf dat moment viel mijn dagdroom samen met dat wat ik van Bibeb gelezen had in Vrij Nederland in 1974, een prachtig portret van Ramses:
Hurkt bij een kleine pickup (wit plastic), pakt elpee. Houdt die tegen zijn gebruinde borst: ‘'t Zijn allemaal heel jonge mensen die daar zingen. 't Swingt de pan uit. En allemaal zijn ze mooi, zien er lekker uit, hahaha. 't Relaxt me, dat wilde zingen. Dit is niet gerepeteerd.’ Zet de plaat op. ‘Ik wist 't niet, schrok me te pletter.’ Sonore stem (uit groef): ‘In den beginnen schiep God de hemel en de aarde.’ (Mompelt: Ben ik dat? Ja, dat ben ik). Stem: ‘De aarde nu was nog woest en ongevormd, een zee met duisternis bedekt, maar de Geest Gods zweefde over dat water. En God zei: daar zij licht en daar was licht.’ Donderend valt het koor in: ‘En God zag licht, dat het goed was en God maakte de scheiding tussen licht en duisternis.’
Terwijl de schepping van het heelal zich voltrekt, tot en met ‘En God zeide tot hen weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde,’ zit hij over de pickup gebogen, de blik gericht op de draaiende elpee. Als na de zevende dag alles voorbij is, kijkt hij naar mij terwijl tranen uit zijn ogen stromen.
Mijn ogen moesten even wennen aan het daglicht in het Sarphatihuis. Alles om me heen kwam weer in beweging. Ramses zat naast me. Vredig. Ik zag Edith haar kantoortje uitkomen. Ze knipoogde naar me. Alsof ik niet was weggeweest.
‘Pastoor Wim Tepe?’ vroeg ik, ‘wat was jouw relatie met hem?’
Shaffy dacht na. Dat zag je, want hij ging rechter op zitten, tikte de as van zijn sigaret en zei: ‘Jaha, die ken ik. Dat was een geweldige man. Ik zat op een dag naar een kerstuitzending te kijken vanuit de Dominicuskerk. En dat maakte zo'n indruk op mij, dat ik de volgende dag er naartoe ben gegaan. En er was een heftig contact tussen deze pastoor en mij. Hij was een heel revolutionaire man, een kwajongen ook. We zagen dat ons werk erg veel met elkaar te maken had… Ik ben toen een hele tijd iedere zondag naar zijn kerk gegaan.’
Het is zo, ik heb het verhaal ook van anderen gehoord. Ramses kwam er vaak. Dan zat hij in felle kleuren gekleermakerd op het altaar, en las hij uit de bijbel. De grote ster, vol licht en donker, de geliefde zanger, de gevreesde drinker, zittend voor in de kerk. Een heerlijk beeld. ‘We pasten ook bij elkaar. Ik ben een echte soefist en daar past eigenlijk alles in, alles wat inspirerend is…’ Shaffy ademde uit. Zijn blik gericht op de ingang van het Atrium. ‘Verwacht je iemand?’
‘Altijd.’
We lichtten onze bekertjes op en dronken op alles wat ons toe mocht komen.
Toen zei hij: ‘En het soefisme heeft bij mij geleid tot Bhagwan. Daar is het leven ook zéér welkom!’
‘En het staat haaks op Calvijn?’
‘Jahaa! Dat kun je wel zeggen, ja!’ Zijn lach was als een halve maan. Ik lachte terug en dacht aan mijn ontmoeting met een oud-lichttechnicus van Shaffy. Adrie de Kruif, heette hij. We spraken over eind jaren zeventig, begin negentientachtig. Hij vertelde me dat er een streep ging door een hele lijst optredens van Shaffy. Ramses lag toen in het ziekenhuis. Op het laatste moment viel de Vlaamse zangeres Della Bossiers voor hem in. Shaffy deed nog wel de aankondiging van het programma. Hij had het op band ingesproken, in het ziekenhuis. Adrie had nog cassettebandjes van optredens. Hij liet de cassettes stiekem meelopen in mengtafel. Hij liet me luisteren, ik hoorde de stem van Ramses: ‘Ik heb haar voor het eerst ontmoet in het wielerstadion van Antwerpen, daar was toen een Nederlandstalig popfestival. Nou, Thijs van Leer, die mij toen begeleidde met de zijnen, en ik waren klaar. Na ons kwam België. Thijs nam me bij de arm en zei: “Nu komt er iemand, daar moet je heel goed op letten…”’
De stem van Ramses werd weggeschoven en de voorstelling begon. ‘Na zijn ziekenhuisopname dronk Ramses geen druppel meer. Het was een vrij goede tijd voor hem. Het was vlak voordat hij naar India zou gaan. Hij had een show met zijn toemalige vriend Vincent Walter,’ sprak Adrie langs zijn smeulende shaggie: ‘“Ramses en Vincent iets later” of zo heette dat, of “Ramses en Vincent” zoiets. Shaffy speelde op de piano, deed liedjes, en Vincent stukken uit een toneelstuk.’ Adries vingers wandelden door een lade met cassettebandjes. Allemaal optredens uit een tijd dat Shaffy nuchter was. Zelfs de kranten schreven dat Ramses genezen was van de fles.
Tijdens mijn ontmoetingen met hem doet hij soms alsof het allemaal wel meeviel. Refusal? Hooguit één dag gebruikt. ‘Ik ben een halve Rus, dan hoor je te drinken en dat heb ik altijd gedaan,’ zegt-ie dan. Ik hoor het en ik laat hem volkomen vrij in zijn beleving. Het is allemaal zo gegaan, zoals hij het zich nu herinnert. Ik ben blij met de oude kranten. De plakboeken van Liesbeth zijn samen een groot geschenk.
‘Wat ik nog weet, is dat hij een hele doos bij zich had met allerlei troep erin. Een onverpakte gouden plaat, helemaal vol krassen… gaf hij niks om.’ Adries ogen twinkelden. Ik zag hem, herkende het. Ook zijn leven was door Shaffy van een andere kleur voorzien. ‘We moesten ook een keer naar een tv-voorstelling in Hilversum in het kader van een Gouden Harp-uitreiking. Niet voor hem zelf, want hij had al een Harp gekregen, het jaar ervoor. Het was de bedoeling dat hij zijn Gouden Harp mee zou nemen naar de studio. Maar ja… toen ze hem ernaar vroegen en hij de Harp niet bij zich had, vroeg hij mij met een vriendelijk gezicht of ik eventjes naar Amsterdam wilde rijden om dat ding te zoeken. Dus ik daarheen, die halve woonboot overhoop gehaald. Het was een zooitje daarbinnen, niet te geloven. Uiteindelijk vond ik die Harp. Ik was nog net voor de uitzending terug… Hij gaf geen donder om al die frutsels. Ach, die man kon zoveel, alles. Een rasmuzikant, met zo'n kracht in zich, dat heb ik nog nooit horen evenaren. Zoals hij nummers zingt… kan niemand zo. Hij is ook een heel warm mens, je kon niet om hem heen, alleen al door zijn uitstraling. Ik heb hem ook nooit zacht horen praten. Om dingen gaf hij niet, het liet hem koud, terwijl hij schatrijk had kunnen zijn. Maar hij lééfde.’
Adrie sloeg zijn handen om een beker koffie. De peuk was gedoofd, maar er kwam nog wel rook uit zijn mond als hij sprak. ‘Dat laatste optreden voordat hij met Liesbeth naar Indonesië ging. Hij zou doorreizen naar Poona, waar Bhagwan toen zat. Ramses wilde daarheen, al wist hij totaal niet wat hem daar te wachten stond. Mijn hemel, dat laatste optreden was in april 1981, in de stationsrestauratie van Haarlem. Ramses liet zich in die tijd graag boeken voor dat soort gelegenheden, want het was een moeilijke fase voor hem. Iedere boeking was welkom! Er was daar een zeer enthousiaste restaurateur, die organiseerde één keer per jaar een voorstelling voor publiek dat daar toevallig langskwam. Betaalde hij uit eigen zak.’
Hij sprak verder terwijl zijn vingers zware shag plukten uit een etuitje. ‘Dus we kwamen daar, en ik probeerde iets van licht op te bouwen. Ramses kwam binnen en riep: ‘Moet ik híér spelen?’ Hij was niet kwaad, niet boos, maar verbaasd. We deden een soundcheck en we werden mee naar achteren genomen waar een tafel stond gedekt als in een driesterrenrestaurant. Ramses vond het vanaf dat moment helemaal geweldig. Het was een rare locatie, de treinen passeerden links en rechts van ons. Ramses schoot in de lach… hij zong zo fantastisch, terwijl hij zich op liet zwepen door de passerende treinen. Prachtig! Daarna zijn ze naar het oosten vertrokken.’ Hij zuchtte en zoog het vuur naar zich toe.
‘Nu je erover vertelt,’ zei Ramses, ‘weet ik het wel weer. Het was een dolle avond, de treinen denderen langs ons heen. Ja… ik had toen al boeken gelezen over Bhagwan, en ook Albert Mol had het erover. Ik herkende hem ogenblikkelijk. Osho is ook helemaal vrij in zijn bestaan, en door meditatietraining wil hij de manier van denken, de hokjesgeest, te lijf gaan. Nou, hokjesgeest heb ik helemaal nooit in me gehad, zelfs. Dus die vrijheid herkende ik. En als je jezelf herkent in iemand anders, die zo'n ontzettende stroom veroorzaakt, dan wil je erbij zijn. Ik wilde ernaartoe.’ Shaffy leefde op. Een nieuw leven legde zich over zijn gezicht. Ik dacht dat ik hem al een beetje begon te kennen. Ramses leeft impulsief. Bij het lezen, horen en zien van Osho werd hij overweldigd door de herkenning, voor de impuls van het nieuwe, het antwoord op de wankelende zuilen waar hij al nooit bij had gehoord. Misschien, moet hij gedacht hebben, nee, hij wist het zeker: hier hoorde hij bij, Poona was het huis van vader.
‘Ik was met Liesbeth en de Shaffy's op Bali voor een tournee, zij zijn teruggevlogen en ik ben naar de Ashram in Poona gegaan om Osho te zien. Ik liet me alles overkomen. Toen ik binnenkwam door de poort naar de commune, toen wist ik, nu word ik ook sannyasin. Al mijn showkleren, de glitterpakjes en schoenen heb ik weggegeven. Ik wist nog niets… ik moest naar een secretaresse, formulier invullen en drie dagen later was ik het.’ Hij glimlachte, vertelde alsof hij mij bij mijn hand zijn leven binnenleidde, terug naar 1981.
De Telegraaf van 4 juni 1981 opende: RAMSES SHAFFY IN DE BAN VAN DE BHAGWAN met als sub-kop IN HET GEHEIM LID GEWORDEN VAN SEKTE. Op een foto zie ik Ramses leunend in een hangmat, breed lachend, gezonde blik, mala om. Ik lees verder: ‘Op het ogenblik brengt hij daar de dagen door met mediteren en volgt hij therapieën waarin hij zichzelf ontdekt en een nieuwe visie op het leven en de liefde hoopt te krijgen.’ Op dezelfde pagina zegt Ramses: ‘Mijn hele leven schrijf en zing ik nu liedjes over hoe mooi het leven is en de liefde, maar nu wil ik die liedjes en woorden toch ergens waarmaken in mijn eigen leven.’ In mijn gedachten grist hij de krant uit mijn handen en sta ik naast hem in Poona.
Mijn God, ik ben in Poona, begin jaren tachtig. Buitenstaanders denken dat we gek zijn. De tijd dat mensen massaal achter een leider aanlopen zou voorbij moeten zijn. Maar Osho weet velen te verleiden. Hij weet mensen diep te treffen met zijn bevrijdingsleer.
‘Kijk nu! Daar, dáár is het,’ klinkt zijn stem. Ik open mijn ogen, en zie honderden, misschien wel duizenden mensen om me heen. Ze dragen allemaal oranjerode gewaden. Ramses legt zijn vinger voor zijn mond. We zwijgen. Hij wijst op een soort troon. Daar zit een man, donkere huid, lange vlassige baard. Ik herken onmiddellijk Osho, of Bhagwan, in hem. Het is nog heel vroeg in de ochtend. Osho houdt een lezing over de actualiteit van je eigen leven. Ramses straalt. ‘Ik jubel, jubel met me mee, en straks jubelen we allemaal! Dan wordt de wereld anders… ja!’
Hij trekt me aan mijn hand een andere ruimte binnen. Alsof we zweven. ‘Het is zo heerlijk hier. Ik begon met boeken lezen, van Jan Foudraine en ook van Bhagwan zelf. Vooral dat boek van Bhagwan Ik ben de poort. Sloeg in als een bom! Ik was eerst erg geschrokken, en ik had erg veel twijfels. Ik bedoel dat gedoe met die oranje kleding en zo… dat je ergens bij gaat horen, dat past eigenlijk helemaal niet bij me. Ik ben ook nooit op zoek geweest naar een één of andere meester. Intééégendeel! Ha, ha… maar ik merkte dat mijn twijfels vooral gingen over wat de buitenwereld ervan dacht. Mijn publiek en zo. Dus in diepste zin waren het onechte twijfels die ik had. En Bhagwan is iemand in wie ik erg veel van mezelf in herkén. Hij probeert je ook los te maken van al je conditionering, alle etiketten die je zijn opgeplakt, alle regeltjes waaraan je je zogenaamd moet houden, om zo tot de kern komen van het bestaan, en dat je dat kunt delen met anderen.’
Ik voel het. We kijken om ons heen. Duizenden dansende mensen. Poona trilt. Het is een epicentrum van een nieuw ontdekt spiritueel bewustzijn. Ramses laat zich meedrijven op de tijd. Eerst de vrijheid van de jaren zestig, nu zwemt hij mee in de stroom van geestelijke vernieuwing. Ook godsdienst is individualisme geworden. Toch ben ik verbaasd dat Ramses zich hier bij aan heeft gesloten. Hij die nergens bij hoort, wil toch misschien niets liever dan ergens bij horen. Bij de familie Snellen, bij Nederland, nu bij deze beweging. Nog altijd op zoek naar een huis. Hij praat over Osho alsof het een vader is.
Hij sleurt me mee. De grond onder ons danst. Mensen houden elkaar vast, zweten samen. Er klinkt een geroep dat niet te verstaan is.
‘Wat is dit?’
‘Dit is een vorm van meditatie, maar niet zo heftig als vanmorgen vroeg.’
‘Die met al dat kabaal?’
‘Ja, dat was de “dynamic”. Dan doe je eerst een paar minuten zo.’ Ramses staat met blote voeten op de aarde en maakt contact met de grond. ‘Wat wij hoorden was het onderdeel “gek worden”. Dan mag je alles doen wat je wil, stampen, roepen, zingen, springen… word maar gek! Er komt dan zo veel energie en blijdschap door je… zodat daarna de rust in je komt.’
‘Vinden je buren leuk.’
‘Ha, ha, in Nederland moet je het ze wel even vertellen, anders sturen ze nog de politie op je af… maar dat kan ook weer leuk zijn. Dat zie je dan wel weer.’
We lopen verder, naar een rustige plek, iets verder weg, onder bomen.
Ik heb water meegenomen en deel mijn fles met hem. ‘Toen ik eenmaal besloten had om aan het avontuur te beginnen en dat ook totáál te doen, met volledige overgave, ben ik naar binnen gegaan. De eerste keer dat ik Bhagwan zag en hoorde spreken, was ik totaal van slag. Die man is zo geniaal. Een mysterie. Ik kwam hier op 10 mei 1981 en drie dagen later was ik dus sannyasin. Het was heerlijk, ik danste me suf hier, soms met ons allen in de blote kont.’ Ramses staat op en begint rond te dansen. Hij steekt zijn handen uit en lokt me mee in zijn dans. We springen rond en dansen onder de bomen door. ‘En iedereen doet het met iedereen?’
‘Dat zou je soms wel denken… Je moet hier en in andere communes voor iedere werkgroep aantonen dat je geen geslachtsziekte hebt. Een ramp, vooral de eerste keer. Je hele leven wordt onder de microscoop gelegd. Toen de uitslag negatief was, kon ik alleen maar huilen. Ik bedoel, je hele leven wordt getest, en ik heb de hele reutemeut gedaan, clubs, darkrooms… groepen. Ik ben zo blij dat ik mag leven!’ Shaffy kijkt me aan, ondeugend: ‘Het moet ook wel hier, hoor, die test. Als je 's avonds luistert naar de geluiden van al die sannyasins, dan denk je dat de hele wereld ligt klaar te komen!’ Hij lacht en dartelt bij me vandaan. Ik volg.
‘En verder, je kreeg toch een andere naam?’ Ramses kapt zijn bewegingen af. Hij legt zijn handen in zijn zij en zegt: ‘Dat was ook heel bijzonder. Je vraagt een nieuwe naam. Ik verwachtte iets van Swami Anand of Swami Prem. Zo heet bijna iedereen hier. Maar tot mijn eigen verbazing kreeg ik mijn eigen naam! Swami Ramses Shaffy! Het is nog altijd een raadsel waarom ik mijn eigen naam mocht houden. Ik houd wel van mysteries. Theerta is het medium van Bhagwan en die zegent je in en ik ben daarna meteen in therapie gegaan. Je hele ziel wordt opengebroken, je opent je helemaal, zodat je ook beter bij jezelf kunt komen. Bhagwan leert je niet te leven, maar hij laat je zien dat je ellende of narigheid onnodig naar je toe trekt. Alsof we eraan gewend zijn. Die calvinisten hier zeggen toch altijd dat je niet voor geluk op de wereld bent, maar dat je je schuldig moet voelen.’
‘Jij toch niet?’
‘Nee, zeker niet, maar bij Bhagwan heb ik ontdekt dat ik ook vastzat. Het is een mysterie dat ik met drinken gestopt ben.’ Verbaasd hoor ik wat hij zegt. De ene keer zwakt hij zijn drankgebruik af, en nu opent hij. Misschien omdat hij nu wel weet wat ik weet. In de jaren voordat Osho en niet te vergeten de Refusal in zijn leven kwamen, beheerste alcohol zijn hele leven. Hij dreigde er zelfs gek van te worden. In artikelen uit die tijd sprak hij zelfs van zelfmoordneigingen. Shaffy! Hallo, de levensgenieter. Je gelooft het niet!
‘Je moet ook niet alle mysteries willen analyseren.’
‘Zeker.’
‘Kom.’
We dalen af.
Mijn gedachtewereld lost onzichtbaar op. Ramses en ik zaten naast elkaar in het Atrium. We schroefden een tweede flesje open. ‘Het was een prachtige tijd,’ zei hij over zijn leven in de Ashram en de Bhagwancommunes, ‘heel vernieuwend, een enorme, goddelijke beweging. Wat ik altijd al in mezelf voelde, kon ik daar ervaren, herkennen. Ik mediteer nog altijd, dat heb ik daar pas echt ontdekt.’
‘Toch vind ik het verrassend dat toen je achter de piano vandaan stapte, dat zei je dat het niet jij was die speelde, maar dat het God was. Ik ken die kant van je nog niet zo goed.’
‘Ja, maar het is ook zo, bij muziek, maar ook bij het schilderen… het is gewoon de goddelijke inspiratie die je krijgt, en daar ben ik heel erg dankbaar voor.’
‘Hoe uit je die dank dan?’
‘Door ze te doen, door muziek te maken of te gaan schilderen. Ik leef God door me te uiten. Als ik schilder, of ik acteer, of ik maak liedjes en ik zing… het zijn uitingen van de inspiratie die in mij leeft. Osho zegt ook dat als je echt creatief wil zijn, en origineel wilt zijn dat je je los moet maken van conventies. Nou, dat was voor mij helemaal geen probleem zelfs.’
Ooit had ik iets van Osho gelezen. Hij zei ook dat je logica los moet laten, dat je het denken los moet laten. Wil je creatief zijn dan moet je in het moment leven. Ik begreep steeds beter wat Ramses bij Osho vond. ‘Wat begeestert je?’ vroeg ik. Hij aarzelde en voelde.
‘Toch de begeestering van het leven, ja… ook de uitdaging, en dat je daaraan kan beantwoorden.’ Hij sprak heel langzaam. Wat plat lijkt, krijgt bij hem diepgang. Alleen al door de nadruk die hij woorden meegeeft.
‘Wil je iets betekenen voor anderen?’ vroeg ik, ‘mensen iets meegeven?’
Ramses schrok niet van mijn vraag. Onbewogen zei hij: ‘Ik wil anderen inspireren, het mooiste in de ander zien en dat naar boven halen. En ik raak daardoor ook weer geïnspireerd. En dat is waarom het in het leven gaat.’
Zijn gezicht ontspande. Hij knikte voorzichtig, alsof hij zichzelf bevestigde. Mijn ogen lieten zijn gezicht niet los. ‘Beantwoordt het leven jouw verwachting?’ vroeg ik.
‘Nou en of! Vanzelf!… Ik ben heel dankbaar, en dat is voor alles, voor het leven. Ik heb een rijk leven.’ Zijn gezicht was serieus, maar wanneer ik hem langer aankeek, dan ontspande de uitdrukking. Een paar seconden later krulden zijn mondhoeken omhoog. Hij legde zijn hand op mijn knie. ‘Genieten is ook God… dus ook drank en seks. Dat begrijpt haast niemand in dit land… daarom is Bhagwan zo'n herkenning voor me…’
‘Zeker… maar behalve genot en geilheid, zoek je toch ook ascese?’
‘Muziek is ascese, maar ook meditatie… Ik mediteer niet precies zoals Osho het ons geleerd heeft, maar als ik mediteer, dan leg ik mijn handen in een heel ontspannen houding op mijn benen. Ik zorg dat ik heel ontspannen zit, dan sluit ik mijn ogen. Ik let voornamelijk op mijn ademhaling. Die vólg ik. En dan kom je in een meditatieve staat. Je luistert naar wat je hoort, je sluit niets uit. Ja, dat is het eigenlijk: niets uitsluiten, dus je hoeft je niet af te sluiten, begrijp je. Laat het maar binnenkomen.’ Ik zag hoe hij zijn ogen sloot, en een paar keer heel diep, heel langzaam in- en uitademde. ‘En dan laat je het komen.’
‘Wat?’
‘Wat er komt.’ Het leek allemaal zo vanzelfsprekend wat hij zei, maar het was opnieuw zo'n antwoord dat met diepte geladen was.
‘Is het bevrijdend?’
‘Ook, het heeft heel veel kleuren, hoor. Het is ook een bevéstiging waar je bent, en een vorm van harmonie met je omgeving. Daarom is het ook zo gezond voor je, hoe je leeft.’
Ramses opende zijn ogen, schonk wijn in voor ons allebei en zei terwijl hij me aankeek: ‘Ik ben blij om met je te praten, op deze plek.’
Hij zette zijn bekertje wijn tegen zijn lippen en nam een kleine slok. De levensgenieter en de gelovige. In hem gaan ze samen. ‘In dit land denken ze meteen dat je oppervlakkig bent als je wilt genieten… nou laat ze maar.’ Hij nipte. Zijn lippen kleurden paarsblauw. Ik veegde met de rug van mijn hand langs mijn lippen. ‘Ik heb de drank nooit als vijand ervaren. Je moest ook wel voor me oppassen, hoor, dat je me in toom hield. Ik stond soms dronken op het toneel, al kwam dat haast niet voor.’ Ramses keek me aan. Ik zag een schaduw van Liesbeth en hoorde opnieuw wat ze zei. Ook beleefde ik een toneelstuk waarin een dronken jongeman met een aan repen gescheurd kostuum de complete scène verknalt. Ik glimlachte om zijn gematigde herinnering. ‘Het was ook de situatie, ik dronk alleen maar met mensen, ik ging niet stiekem drinken,’ zei hij deftig articulerend. Achter hem zag ik opeens de Shaffy's staan. Ze hebben zojuist een fles wodka gevonden tussen de coulissen. Mijn lach is nauwelijks te onderdrukken.
Hij praat alles mooi, dacht ik.
‘Maar ja,’ vervolgde Ramses ‘van het één kwam het ander. Zeker als het gezellig was.’
‘Je vrienden maakten zich toch wel zorgen, zeker Liesbeth.’
‘Met récht! Daar had ik het ook naar gemaakt,’ gaf hij toch toe. Hij hief zijn bekertje en toast op dit moment. ‘Het heeft er ook mee te maken, dat ik hier woon. Ik wil het liefst naar huis, naar de Herengracht. Ik moet een luchtbed hebben.’
Ik staarde hem aan en wou eigenlijk zeggen: ‘Vertrouw me nu maar. Het is niet erg, Shaf, het is niet erg. Maak je niet groter. Vergeet het luchtbed. Dit is de weg.’
Er werd niets gezegd.
De wijzers stonden een paar minuten verder.
‘Dronk je om verdriet?’
‘Nee, zéker niet! Ik dronk om mijn vrolijkheid meer kracht bij te zetten. Heerlijke sambuca, whisky. Hier is het zo'n andere situatie, je kan hier alleen wijn kopen. Maar op een feest, ja, dan neem ik het wel. En een jointje roken kan hier ook al niet. Dat doe ik als ik lekker op een terras zit. Heerlijk verdoofd, vooral door de eerste halen, daarna went het, maar het is heerlijk ontspannend.’
Een vrouw kwam bij ons aan tafel staan. Een druppel kwijl bungyjumpt aan haar kin. Ramses sprak haar toe: ‘Nee, deze stoel is niet vrij… er komen zo vast nog wel mensen. Daarachter is het ook veel beter om te zitten.’ Hij stond op, wees de vrouw op een tafeltje tien meter verder. Ze slofde weg, achter haar rollatortje aan.
‘Mensen denken al vijftig jaar dat ik niet oud zal worden, maar ja… die levensstijl hoort bij mij. Ik heb er niet over nagedacht, hoor. Het zijn mensen om je heen die denken: hoe kan-ie nou nog leven? Maar dat moeten zij weten. Als mensen erover begonnen, dan gleed dat langs me af,’ zei Ramses plechtig, ‘ik heb veel mensen om me heen gehad, die altijd bezorgd waren, en ik heb dat eigenlijk niet toegestaan. Ik vond het ook vervelend.’
‘Maar na die hersenfoto ging je toch aan de medicijnen.’
‘Ja, toen ben ik wel geschrokken, dan zie je op zo'n foto dat een hoop hersencellen afgestorven zijn, en dat komt niet meer terug. Dus daarmee moet je het doen. Ik denk er verder niet over na. Ik heb wel een tijdje Refusal gebruikt, dan word je dus ziek als je drinkt.’
Ik knikte en keek en zag berusting.
‘Nee, ik heb ontzettend veel plezier in het leven, hoor. Als basis. De grondtoon is goed.’
We verdeelden een staartje wijn en ik schreef zijn laatste woorden in mijn aantekenboekje.
‘Nooit bang om niet te overleven?’
‘O God, nee, het mag morgen gebeuren, híér! Kan ook. Je bent er niet bewust mee bezig, het zijn dingen die je lichaam doet, en het is gebeurd voor je het weet, geloof ik. Zo heb ik altijd geleefd, het kan morgen gebeurd zijn. Niet zozeer de dood, maar alles kan gebeuren en een verandering brengen. Daarom had ik zo'n enorme ontmoeting met Bhagwan, het gaat hem om veranderen. In de mens, in zijn ontwikkeling, en daardoor de wereld.’
‘En, is dat gelukt?’
‘Nou, hij heeft een grote stroming gecreëerd, en dat is gelukt. Het is een superintelligente man, hij stelde zich helemaal niks voor wat er niet was. Hij sprak in geweldige metaforen, sprookjes bijna.’
Mijn pen hing boven mijn boekje, ik noteerde niets. Ik herinnerde me flarden van hoe ik als jongen voor de televisie zat te kijken naar roodgeklede mensen met lange haren. Ze zaten in kleermakerszit op de grond en luisterden naar een Indiase man, hun goeroe. Ik wist toen nog niet wat dat was. Bhagwan keek bijzonder uit zijn ogen. In het langzaam ontzuilende Nederland sprak men van een of andere sekte. Mensen werden zelfs ontslagen als ze zich bij Bhagwan aansloten. Ik kreeg het beeld dat je wel heel raar moest zijn, wilde je daar naartoe gaan. Kijk maar uit, die is van de Bhagwan, of van de Hare Krishna!
Er waren er meer in die tijd. Hele televisieprogramma's werden gevuld met domineeverhalen over ‘sektes’ en ‘spirituele bewegingen’. Niemand van hen begreep er iets van, en ik wist het al helemaal niet. Een zekere Ramses Shaffy was er ook bij, bij de Bhagwan. Dat was bekend. Ik had geen idee van wat ze er allemaal aan het doen waren. Later zag ik mensen dansen, zingen, vrijen of ze zaten in trance. Steeds vaker verscheen Bhagwan, die ook Osho werd genoemd, op tv.
Op 21 maart 1953 werd Osho verlicht, zo zei de tv-stem. Alsof het een lampje was. Het kan ook zijn dat ik het heb gelezen. Net zoals citaten. ‘Ik ben niet langer op zoek, ik zoek niet meer naar iets. Het bestaan heeft alle poorten voor mij wijd opengezet. Ik kan zelfs niet zeggen dat ik tot het bestaan behoor, want ik ben slechts een deeltje van het bestaan,’ sprak Osho, ‘wanneer een bloem bloeit, bloei ik met haar mee. Wanneer de zon opgaat, ga ik mee op. Mijn ego, datgene wat mensen gescheiden houdt, bestaat niet langer. Mijn lichaam is deel van de natuur, mijn wezen is deel van het geheel, ik ben geen aparte eenheid.’ Hij zat op een grote stoel en sprak tot honderden mensen. In Poona was het. ‘Ik ben het begin van een totaal nieuw religieus bewustzijn. Leg vooral geen verband tussen mij en het verleden. Het is niet waard in herinnering geroepen te worden. Mijn boodschap is géén doctrine, geen filosofie. Mijn boodschap is een vorm van alchemie, een wetenschap van transformatie. Vandaar dat alleen zij die bereid zijn te sterven zoals ze nu zijn en opnieuw geboren te worden als iets dat zo nieuw is dat ze het zich nu zelfs niet kunnen voorstellen… alleen die paar moedige mensen zullen bereid zijn te luisteren, want luisteren kan heel riskant zijn. Als je luistert, heb je de eerste stap gezet op weg naar je wedergeboorte. Het is dus geen filosofie waar je een overjas van kunt maken om mee te pronken. Het is geen leer waarin je troost kunt vinden voor kwellende vragen. Mijn boodschap is geen overdracht van woorden. Ze is veel riskanter, ze is niets minder dan dood en wedergeboorte.’ Bhagwan droomde dat het mystieke oosten en het materiële westen samenvloeiden in een sensueel en spiritueel mens.
Ik luisterde en was een kind.
Een man in een elektrische rolstoel passeerde. Hij behoorde tot de inboedel. ‘Hij hoort hier als iedere steen,’ zei Ramses, ‘er is ook een nieuweling gekomen, die heeft het nog heel moeilijk om hier echt te aarden…’ Ik keek in de richting waarin Shaffy knikte. Ik zag een witgeklede vrouw bij haar vader staan. ‘Dag papa, weet je nog wie ik ben? Weet je nog wie ik ben, papa? Ik ben je dochter… Weet je hoe ik heet? Weet je nog hoe ik heet, papa?’ Mijn God, dacht ik. Ramses keek en had haar stem ook gehoord. ‘Dat is een hele geschiedenis, hoor, die je ziet. Al die mensen, al die prachtige levens, hun verhalen.’
‘Ja, zo kijk ik ook altijd. Iedereen is in een wieg begonnen.’
Terwijl ik het zei, keek ik naar de man naast me. De werkelijkheid van zijn wieg is troebel. Zijn moeder heeft hij jaren later nog ontmoet. Er zijn mogelijkheden geweest om haar te leren kennen. Vader Shaffy blijft de grootste onbekende. We weten niet eens of hij ooit bij de wieg van zijn zoon heeft gestaan. Ramses was vijftig toen hij zijn vader voor het eerst echt ontmoette. ‘Ramses, de ontmoeting met jouw vader…’
Zijn ogen straalden dankbaar. ‘Dat is een heel wonderlijke geschiedenis,’ begon hij alsof hij me opnieuw een mythisch verhaal wilde gaan vertellen. ‘Ik was uitgenodigd op de Egyptische ambassade in Den Haag. Niet voor iets officieel, het was meer een feestje voor bekende Egyptenaren in Nederland. En… hoe zat dat ook alweer?’ Shaffy probeerde op mijn afwachtende gezicht het antwoord te lezen. ‘Ja, toen was er ook een ambassadeur uit Londen, die mijn vader kende van vroeger, uit de tijd dat mijn vader consul-generaal was in Parijs. En het was helemaal niet zeker dat mijn vader nog leefde, maar hij zou informeren.’ Ramses streek zijn haren naar achter. Na een krachtige hoestbui vertelde hij: ‘Ik moest weer naar Den Haag komen, en daar was die ambassadeur ook, en die vertelde me dat mijn vader dood was. Dus ik dacht dat het daarmee klaar was. Ik zal mijn vader nooit meemaken in dit leven.’ Hij viel even stil.
Mijn ogen kropen naar de blonde vrouw in het wit twee tafels verderop. ‘Hier papa, hier, ik ben het. Ik heb drinken voor je meegenomen.’
Ramses nam een slokje wijn: ‘Ik woonde toen in Grada Rajneesh Therapeutic Community, in Egmond aan Zee. Een Bhagwancommune. Daarvoor had ik in Heerde gewoond, ook in een commune. Dat was ook heel fijn, daar midden in de bossen. Maar in Egmond deden we verschillende therapieën, ook schreeuwsessies. Dan heb je iemand tegenover je staan en dan mag je alleen maar het woord “vader” zeggen of “papa”, of iets wat met hem te maken heeft. Dat moet je dan doen in je eigen taal en dat herhalen. Je schreeuwt het uit. Dat is om te kijken wat er uit je onderbewustzijn naar boven komt.’ Ramses begon sneller te praten, ook zijn bewegingen kregen meer energie.
‘Ik wist niet of ik daaraan wel mee zou willen doen. De sessies die ik wel mee had gedaan, dacht ik aan mijn pleegvader, maar dat werkte niet echt, omdat hij niet mijn echte vader is. Ik geloof dat ik die dag wel meegedaan heb en dat ik bij wijze van experiment in het Frans tegen mijn onbekende vader ben gaan schreeuwen…’ Ik zag Ramses voor me, toen. Een verlaten kind, roepend naar de hemel: ‘Papá! Paaapááá!!! Où êtes-vous!? Waar ben je!?’ Als een ziel op deze manier openbreekt moet het wel verhoord worden. ‘En het is heel wonderlijk, echt… ik kreeg een heel warm gevoel over me, een heel diepe liefde. Ik merkte dat ik het eigenlijk heel erg jammer vond dat ik hem nooit heb leren kennen, niet alleen voor mezelf, maar ook voor hem.’ Ik knikte en wist geen woorden. Tot mijn eigen verbazing legde ik mijn hand op zijn arm. Even maar. Hij warmde mijn hand tussen de zijne en draaide zich naar me toe. ‘Een tijd later werd ik gebeld, dat mijn vader nog lééfde! Iemand had het ontdekt en ik had hem als het ware opgeroepen… voel je.’ De krachten van het universum zijn groots en onbekend. Het zou rationele hoogmoed zijn te zeggen dat het onzin was.
Onze ogen waren dicht bij elkaar. Ik zag alle ernst in zijn gezicht. Dit was zo belangrijk voor hem.
‘Ik heb hem ontmoet, want ik ben toen ik het hoorde direct naar Parijs gegaan, met de trein was het. Daar woonde hij, aan de Rue de Sèvres. Dat was op een zondag. Ik zou hem op maandag pas zien, kan dat? Een lange gang, hij kwam op me af.’ Ramses’ stem beefde. Hij keek langs me heen en herhaalde zacht zijn eigen woorden: ‘Hij kwam op me af. Ik zie het nog zo voor me, een moment dat ik nooit meer vergeet. Hij zei tegen mij: “Het is alsof ik uw ogen heb, alsof ik uw handen heb, het is alsof ik u ben.” Ramses slikte. Zweeg. Zei toen met gesmoorde stem: ‘Dat was de eerste ontmoeting met mijn vader.’ Ramses sloot zijn lippen. Als acteur kent hij de kracht van de pauze. ‘En?’ vroeg ik voorzichtig.
‘Ik heb… ik heb hem een paar keer ontmoet. Hij was al heel oud… drieënnegentig, geloof ik. Ik heb hem ook bandjes laten horen met mijn muziek. Toen vroeg hij waarom ik niet gewoon de componisten speelde. Ik dacht toen, als jij me had opgevoed, dan hadden we grote moeilijkheden gekregen… ja, maar het was een godsgeschenk… Er was iets af… het was goed.’ Ik zag hoe Ramses zijn ogen neersloeg. Zijn handen frummelden aan de rand van de tafel. ‘Je was thuis?’
‘Ja. Zoiets. Dat was ik al. Bij de familie Snellen, bij Osho… wat ik zei, het is goed.’

Ramses met een mala om de nek, tijdens zijn verblijf in de Osho-commune in Egmond.
Hij greep naar zijn bekertje. Ik vroeg niets meer. Ineens zei hij: ‘Ik heb er een dagboek van bijgehouden. Dat is vast nog wel ergens.’
Maandag. Ik bel aan en de deur wordt geopend door een kleine elegante dame. Hij staat achter haar: een lange slanke aristocraat in lichte kleren, met jongensachtige ogen. Ik herkende hem onmiddellijk en hij herkende mij, zonder te weten dat ik zijn zoon ben. We hebben samen gelachen en gepraat. Hij is mooi, vrolijk, heeft tedere ogen, een warme stem. Is open als een kind, heeft gratie. Ik hield meteen van hem. Hij bleef maar zeggen: ‘Wij lijken zoveel op elkaar. Ik herken jou in mij en mezelf in jou.’ Met zijn hart heeft hij me herkend, maar nog niet met zijn hoofd. Toen we een dag later weer buiten stonden, zei de dochter van zijn vrouw: ‘Het is jammer dat u niet eerder bent gekomen, dan zou u hem nog in z'n volle glorie hebben gezien. Het is mogelijk dat hij zich morgen hiervan niets meer herinnert.’ ‘Niets is jammer,’ zei ik, ‘ik kan daar allemaal doorheen kijken. Dit wonder is genoeg.’
Dinsdag. Hij was gesloten en stijf. Vroeg of ik ooit in Egypte was geweest en of ik familie had. Ik vertelde dat mijn moeder een Poolse was, noemde haar naam, zei dat we in Cannes woonden. Geen teken van herkenning. Hij vroeg niet naar mijn vader. Toen ik wegging, hield hij zo lang mijn hand vast en zei hij dat hij zo gelukkig was dat ik was gekomen. Toen ik de trap afliep, realiseerde ik me dat ik mijn ouders alleen maar gekend heb in een zekere staat van onvermogen; vol van goddelijkheid, maar zo onmogelijk te bereiken.
Woensdag. Ik was ervan overtuigd dat ik Parijs zou verlaten zonder de vader-zoon-confrontatie, en dat ik hem zonder het gewicht van de waarheid zou achterlaten in zijn schemerige wereld. Maar hij was alert en helder. Weer vroeg hij naar mijn familie, m'n moeder, en het feit dat we dezelfde naam hebben. Haalde Holland en Egypte, Amsterdam en Alexandrië door elkaar. Toen vroeg hij voor het eerst naar mijn vader. Of ik hem gekend had. Het bloed steeg naar mijn hoofd. Ik wilde zeggen: ‘U… hij zit hier recht tegenover me,’ maar zei, ‘nee.’ Toen zei hij: ‘Dan ben ik je vader.’ Na een eeuwigheid zei ik: ‘Ja.’ Toen zei hij zacht: ‘Dit moet heel langzaam tot me doordringen, heel langzaam. Laten we elkaar omhelzen.’
De vrouw in het wit rolde haar vader dicht tegen de tafel. Ze stak een rietje in een beker die ze haar vader voorhield. Ramses en ik zwegen. We keken. We wisten. ‘Het is goed,’ herhaalde hij. Ik keek niet langer naar een kind zonder vader. Hij heeft er ineens vier. Al zijn ze allemaal in de hemel. God, Ramses Shaffy sr., Herman Snellen en Osho. We staarden voor ons uit.
De witte vrouw lepelde warme hapjes van een bordje naar de mond van haar vader: ‘Papa, doe je mondje eens open.’ Ramses wendde zijn hoofd af en peuterde aan zijn sigarettendoosje, zette het op de lange zijde, schuin voor zich neer. Even nog hoor ik zijn stem, als een echo. ‘Papá, paaapáá!’ Toen schoof hij het mysterieuze groene plastic zakje dat naast hem lag opzij en sloeg hij zijn rechterbeen over het linker en zei krachtig: ‘Osho betekent nog altijd heel erg veel voor me. Als mensen meer zouden begrijpen wat hij zegt, zou de wereld swingen van plezier en vrijheid. Er zou ook minder afgunst zijn… Ook mijn vrienden begrepen me niet. Sommigen vonden dat ik het niet had moeten doen. Ze hadden niet in de gaten dat het een belangrijke herkenning was… ik verwijt ze dat niet, maar het is wel waar… Joop niet, die probeerde me wel te begrijpen, hij is altijd dicht bij me geweest. In alles… En Liesbeth misschien, maar de meesten dachten dat ik gek geworden was.’ Zijn donkerblauwe ogen twinkelden. Ik zag sterren.
Grappig dat hij net deze twee mensen noemde. Met hen heb ik ook over die tijd gesproken. Liesbeth en ik zaten naast elkaar op de bank. Joop bood me een stoel aan in zijn keuvelkeukentje. Het waren gesprekken die uitliepen. En er was witte wijn. Alleen bij Joop waren er ook olijven bij. Hij sprak tot me langs zijn sigaret. Ook hij is een verstokte roker, net als Shaffy. ‘Ramses was al Bhagwan, voordat Bhagwan bestond,’ zei Joop, ‘die dacht, leuk daar doe ik ook aan mee, maar ik ben al zo. Hij had het concept van God en ik al losgelaten.’ Hij blies de verteerde rook in één lange zucht naar het plafond, en liet zijn ogen opnieuw scherpstellen op de mijne. ‘Je kon met Ramses ook lachen om Bhagwan. Ik kon tegen hem zeggen: “Geloof je dat nu echt? Denk je echt dat Bhagwan zo bijzonder is?” En als ik dan zei dat ik niet geloofde, dan vond hij dat helemaal niet erg. Hij deed er niet heilig over.’ ‘Maar in de jaren zestig, heb je toen niets gemerkt van zijn spirituele kant?’
‘Nee, alleen maar dat hij het leuk vond om met iedereen naar bed te gaan.’
‘Is dat Bhagwan?’
‘Ja zeker.’
Een paar dagen later was ik bij Liesbeth. Ook daar was het onderwerp van gesprek Ramses en Bhagwan. ‘Wij hadden het nooit over diepzinnige dingen,’ zei ze, ‘behalve toen-ie naar het ziekenhuis moest en onder de Refusal zat en wij naar Indonesië gingen met de Shaffy's, om daar op te treden in Jakarta, Bali, Singapore… toen wasie clean en hij had in het ziekenhuis het boek van Foudraine gelezen over Bhagwan. Hij was eigenlijk al op weg naar hem in Poona. Toen ging hij mij vragen stellen en sindsdien hebben wij het over de dingen des levens. Daarvoor was het onmogelijk eigenlijk. Ten eerste was ik negen jaar jonger, totaal gefrustreerd en verlegen, en ten tweede was er amper gelegenheid. Hij sliep altijd in de auto heen, en was dronken op de terugweg. Al die jarenlang, dus een gesprek was niet mogelijk.
De eerste keer dat hij met mij over Bhagwan Shri Rajneesh sprak was dus toen, in Indonesië. Hij vertelde me dat hij door wilde reizen naar Poona. Hij had ook een boek van Bhagwan dat hij las, Mijn weg, de weg van de witte wolk. Dat ging over dat alles vergankelijk is, behalve de ziel, ons diepste wezen. Het vergankelijke is dan een wolk, en dat wat blijft de blauwe lucht.’ Ze lachte weer, ingehouden. In haar lach ademde liefde voor Ramses. De band tussen hen was onverbrekelijk gebleken. Drank en drugs hadden hen niet uit elkaar gedreven. Deze wending in het leven zou zeker geen tweespalt brengen.
‘Toen-ie naar Poona ging zei hij: “Maak je geen zorgen, ik kom niet in het oranje terug.” Ik had iets van: natuurlijk niet. Ramses gaat toch niet in een uniform lopen, daarvoor sta je boven de wet. Dus toen hij terug was uit Poona belde hij me op en hij zei: “Liesbeth ik moet je iets vertellen.” Hij had een berouwvolle stem. Hij zei: “Ik ben in het oranje.” En toen viel ik van mijn geloof af. Dat deze man, mijn grote voorbeeld dat je vrij moet zijn, dat je je niet dingen moet laten opleggen, dat je niet in een gareel moet lopen, en jezelf toe moet staan om anders te zijn dan een ander… Deze man gaat nu in een uniform lopen!? Ik zei het niet tegen hem, maar dit dacht ik in die stilte.
Ik dacht, néé List, wie is er nu fout, hij of ik. Ik dus, want ik ben hem aan het veroordelen. En filosoof Krishnamurti zegt dat je jezelf alles moet toestaan, en dat je nooit bezit moet nemen van de ander, een ander altijd in zijn waarde moet laten, want anders ben jij degene die fout zit. In het westen zijn wij anders opgevoed. Dit mag jij niet doen en dat niet, en nu ben ik teleurgesteld in jou. En zo was ik dus ook ineens. Ik schrok van mezelf. En toen zei ik: “Ramses. Je bent welkom…” Hij kwam meteen en ach… een grote liefdesrouw… ja. Kijk, als hij dat zelf wil… en uit solidariteit ben ik toen in dezelfde kleur gaan optreden. We waren vroeger altijd in het wit, maar hij was nu in het oranje. Frank Govers maakte toen in dezelfde kleur een glitnieuwe jurk voor mij. Stonden we met ons tweeën. Alleen ik had geen mala om, maar veel mensen dachten: God, List in ook in Bhagwan.’ Nog voordat haar hand het glas op tafel had bereikt, lachtte ze luid: ‘Ik moest een keer een jaaroverzicht doen voor de radio, de NCRV… ik weet nog dat er verschillende mensen hun lidmaatschap hebben opgezegd, vanwege het feit dat die Liesbeth List in Bhagwan is en dat zij voor “onze omroep” werd gehaald!!’
Toen pas goot ze het glas leeg in haar keel. Ze leek ontspannen. Het liefst zou ik met haar meegegaan zijn naar de plek waar de gedachte zich vormde waarom ze nu hoofdschuddend lachte. Maar ik keek toe en hoorde haar zeggen: ‘Ik dacht nog: wat moet het heerlijk zijn om te leven in een commune, met gelijkgezinde mensen in hoger sferen, maar het was niet alleen maar liefde. Ramses zei dat het er soms fel aan toe ging. Maar hij heeft toch wel dingen meegedaan, dus ook keukendiensten en schrobben, ha, ha, je gelooft het niet. Dan zei hij: “Ik sta nu pannen schoon te maken…” Hij was heel gelukkig, hij dronk weinig, blowde wel. Kijk, zonder genotsmiddelen is het leven heel saai, dus als we in die tijd gingen eten dan eiste hij dat ik wél mijn wijntje dronk en niet ook water nam. Hij zei: “Ik neem wel iets te roken.” Dan gingen we gelijk op, ha, ha…’
Ze trok haar knie tegen haar borst en zakte verder weg in de bank. Het rode licht van een ondergaande zon kleurde het huis. Het viel me op dat deze spirituele beweging vooral werd beoordeeld op de vorm van haar verschijning. Wie weet waar het werkelijk om gaat? Ik draaide me verder naar haar toe en vroeg: ‘Vond je het wat? Begreep je wat hij er zocht?’
‘Ja zeker, Bhagwan had dezelfde theorieën als Krishnamurti, als Jezus Christus, als Mohammed. Alléén, wat mij tegenstond, ik heb een hekel aan uniformen, dat heb ik ook tegen de katholieke kerk met al die pijen. Als kind al heb ik me onderscheiden door er nooit zo uit te zien als de rest. Dus, mijn gruwel was, dat Ramses nu één van hen was, niet geestelijk, maar dat hij in het oranje moest. Het werd hem opgelegd. Hij was zijn vrijheid kwijt. Maar de theorieën van Bhagwan waren heel goed. Ja, en zo'n commune, zo'n Ashram, dat is gewoon een klooster. En dat is het verschil met Krishnamurti. Die heeft nooit discipelen willen hebben, die heeft er nooit een godsdienst of een beweging van gemaakt. Het waren persoonlijke filosofieën. Hij heeft mij geleerd om van mijn complexen af te komen, van mijn angsten. Hij heeft me geleerd iets te accepteren als iets niet kan. Dat je bent zoals je bent. En dat is Bhagwan in zekere zin ook. Alleen zij moesten in het oranje, en toen dat wegviel, was er toch een gat voor Ramses. Toen ze opeens elkaar niet meer herkenden aan de kleur. Toen werd het rood, en blauw… en toen onstond er die rel. Ik geloof zelfs dat Bhagwan gevangen zat, niet? Ik weet het niet meer, maar toen is Ramses langzaam weer gaan drinken.’
‘Drinken hoort bij me. Mijn Russische moeder zei het al. Je bent een Rus, dus je moet drinken en zingen… en daar ben ik het helemaal mee eens,’ zei Shaffy luid en dronk demonstratief zijn bekertje leeg.
‘En daarom moet ik ook hier vandaan! Ik moet weer zingen!’
‘Het is toch comfortabel genoeg hier?’
‘Ja zeker, ik ben me heel bewust van de luxe om hier te zijn, en die is groot… en ook zeer avontuurlijk in sommige opzichten. Dan bedenken de mensen die hier werken weer iets verstandigs, het is tenslotte toch een verpleegtehuis… als ik een paar keer niet naar de douche ben geweest, bijvoorbeeld omdat het moeilijk is om daarheen te komen. Dan hebben ze daar iets op gevonden; dan krijg ik woensdags en zondags een bubbelbad! En daar moet ik dan in,’ giechelde hij.
‘Dat is toch lekker?’
‘Ja, dat is lekker, behalve dat die bubbels het niet doen, en dat het ontzettend moeilijk is om uit te komen. Als je in zo'n bad ligt, dan zit dat vol water. Je moet eerst het water eruit laten lopen en zo, dan zit je daar in je naakte donder in dat bad… en dat gehijs om er weer uit te komen… Ik heb helemaal geen moeite om in bad te gaan. Toen ik in die communes woonde en er stond op het rooster dat het tijd was om in bad te gaan, oké, dan ging ik gewoon…’
‘Heb je hier ook zo'n schema van zo laat op, zo laat eten?’
‘Niet zo laat op, dat mag ik zelf bepalen. Soms leggen ze een briefje op mijn kamer van zo laat opstaan, dan zijn ze weer met me bezig, dan moet ik weer wat. Dan stellen ze een schééma op en dan hebben zij het gevoel dat ze hun verantwoordelijkheid hebben genomen. Nou ik laat dat briefje lekker liggen, totdat er een volgend briefje komt.’
‘Wat willen ze dan met je?’
‘Dat is totááál onduidelijk, omdat ze ook helemaal niet weten wie ik ben… totaal onduidelijk.’ Zijn wenkbrauwen reikten naar de haargrens. Hij zweeg. Ik wilde het gesprek gaande houden en zei: ‘Dat halfnegen opstaan, dat werkt niet voor jou?’
‘Dat zal wel werken als het ergens voor was, maar nee, dat halfnegen opstaan dat is niks.’
‘En eten?’
‘Ja, dat isse… daar hou ik me vrij goed aan, de warme maaltijd is om één uur, en dan om halfzes is het dan boterhammen eten, maar dat heb ik overgeslagen…’
‘Die hebben we gemist.’
‘Ja, maar dat is ook helemaal niet erg… ik…’
Ramses onderbrak zijn zin, keek een beetje argwanend naar twee mensen die zojuist waren verschenen in de deuropening van het Atrium. De middag kreeg een wonderlijke wending: ‘Daar komt iemand aan… géén idee, wie het is…’
‘Ik geloof dat ik wel weet wie het is… Jan Foudraine…’
Ramses spreidde zijn armen: ‘Ooh, wat leuk! God, wat enig… nu zie ik het!’
Een man met zilveren haar en baard, en helder blauwe ogen stapte met open armen op Ramses af. Zijn gevolg is zijn charmante vrouw, Marijke. ‘Na jaren, na jaren…’ mompelde de man die ik herken uit oude beelden uit de Bhagwan-tijd.
Ramses schoof zijn stoel naar achter, stond op en beantwoorde de begroeting even hartelijk: ‘Ik herkende je niet, hij herkende je… O, wat is dit goed, wat leuk… wat een verrassing, Totaal onverwacht, ha, ha…’ Hij keek me aan, haast verontschuldigend voor het bezoek, dat ogenschijnlijk toevallig kwam binnenzetten, maar naadloos aansloot bij ons gesprek van deze middag.
‘Wat doe je hier de hele dag?’ vroeg Jan nieuwsgierig, terwijl hij een stoel onder zijn benen schoof. Zijn heldere blauwe ogen observeerden Shaffy ongegeneerd.
‘Ik zit hier en ik zwijg… God wat enig, dat jullie hier nu zijn.’ Ik haalde enkele flesjes wijn en een paar glazen. Toen ik terugkwam zei Ramses blij: ‘Ja, daar zitten we… wonderlijk, als je kijkt naar waar we het net over hadden… en nu komt hij binnen! Hi, hi…’ Foudraine keek me vriendelijk aan. In de jaren zeventig genoot hij landelijke bekendheid als psychiater, vooral door zijn boek Wie is van hout? Later schreef hij als een van de eerste Nederlanders over Bhagwan, onder zijn nieuwe naam Swami Deva Amrito.
‘Dus u bent degene geweest die Ramses naar Poona heeft gekregen,’ stelde ik. Zijn gezicht was serieus. Bhagwan en zijn leer horen bij de essentie van zijn leven. Zo praatte hij ook. Gedreven.
‘Nou, ja… ik was waanzinnig verliefd, en ben ik dat nog, op degene die Bhagwan Shri Rajneesh of Osho werd genoemd, en ik heb daarover geschreven in een aantal boeken. En dat was behoorlijk totaal. En één of twee van die boeken heeft Ramses gelezen… en hij raakte daardoor getroffen… dat is het verhaal.’
‘Ja, over een vriendschap ging dat…’ mompelde Shaf terwijl hij wat onhandig een sigaret opstak.
‘Ja, dat is het tweede boek over Bhagwan, Notities van een discipel.’
‘Ja, die bedoel ik… die bedoel ik.’
‘Is dat nog te vinden? Op internet?’ vroeg ik.
Met lieve stem zei Marijke: ‘Bij De Slegte… daar liggen ze nog wel.’
‘Oorspronkelijk gezicht, dat moet je lezen… dat is mijn eerste boek, heel geschikt om kennis te nemen van wat Bhagwan zegt,’ onderbrak Foudraine zijn vrouw, ‘maar laat ik je dit zeggen, Bhagwan deed alles om zijn éénvoudige bericht kenbaar te maken. Hij zocht altijd de publiciteit op, hij liet zijn volgelingen in oranje, rode kleren lopen, liet ze mala's dragen, Rolls-Royces en alles. Zijn bericht was dat er een radicaal ontwaken in een mensenleven mogelijk is. Een totaal andere bewustzijnstoestand die permanent is, dat noem je ontwaken of verlichting. Hij was de grote verleider en verspreider van dat bericht, dat altijd hetzelfde is geweest door alle duizenden jaren heen. Alle mystici hebben exact hetzelfde gezegd. Hij verspreidde dat bericht op zijn manier, en wij, onnozele halzen in totale duisternis werden gelokt door deze man.’
Ramses luisterde giechelend mee. Toch merkte ik hoe helder hij was. Niets ontging hem.
‘Hij was een dé-programmeur op wereldschaal, alles wat hij deed was op wereldschaal. Ik bedoel daarmee, dat hij de aanval opende op in jouw en mijn bewustzijn drijvende gedachten. Hij wilde bepaalde gedachten zoveel mogelijk tot smelten brengen. Bijvoorbeeld de gedachten “God”, of “Ik ben jood” of “Ik ben christen, hindoe of moslim,” al die drama's zijn gedachten, zijn concepten. Al die godsdiensten zijn allemaal verzamelingen gedachten, concepten. Hij had het vermogen om te beginnen met het smelten van die gedachten.’
‘Nou dat proces,’ begon Ramses, ‘dat heb je vanmiddag even meegemaakt, toen spraken we over God. Je vroeg me ernaar. Ik dacht toen, ik heb zin om voor jou te spelen. Nou, ik raak één noot aan en toen kwám 't. Dus het realiseren van waar we het over gehad hebben, heb ik gespeeld op de piano. Dat was God. Niet ik. En daarom was het ook zo fijn om te doen.’
Onze blikken kruisden, we ontmoetten elkaar. Ramses legde zijn hand even op mijn been. Bijna vaderlijk nu. Jan was klaarwakker. Dit was zijn onderwerp, zijn verhaal. Ik kreeg een bondige introductie in de leer van Osho, door Swami Deva Amrito in eigen persoon.
‘Nu valt het niet mee om al die concepten of gedachten te laten smelten, dat valt niet mee. Ze zijn heel oud. We zijn allemaal zo en zo opgevoed. Maar het begin was er. Ik weet nog dat ik naar videobeelden zat te kijken van Bhagwan, uren en uren. Ik keek hoe hij het concept God onder handen nam en het was dodelijk vervelend. Ik dacht: nu weet ik het wel. Het zweet brak me uit, tergend langzaam benaderde hij het Gods-concept. Hoe het ons kinderlijk heeft gehouden, doordat het ons altijd is voorgesteld als een soort Vader, en hoe het ons de weg heeft versperd. Ik zat te luisteren, ik was dodelijk verveeld, totdat ik iets uit mijn hersenen voelde verdwijnen… en dat was het Gods-concept, zoals het ons altijd is voorgesteld. Als dat concept God verdwijnt, is er nog maar één ander concept over, nietwaar? En dat is “Ik”. Dat is ook een cluster gedachten, dat star ronddrijft in ons bewustzijn. Wat gebeurt er als én je Gods-concept én het concept van je “ik” verdampen? Nou?’
‘Dan ben je onpersoonlijk, dan ben je alles…’
Ramses lachte luid.
‘Prachtig! Oehoe! Mooi!’ zei Foudraine en hij zette zich op het puntje van de stoel, ‘je doet een formidabele stap nu… in eerste instantie ben je NIETS… en de laatste stap is dat je ook ALLES bent! Als je “niets” bent, ben je wijs. Als je “alles” bent, ben je liefde.’
‘Biedewiet!’ grinnikte Shaf. Hij hief het glas en keek me aan, alsof hij zeggen wilde: ‘voel je ‘m?’ Foudraines ogen werden blauwer en blauwer. Hij boog voorover alsof hij me aan wilde raken. ‘En Bhagwan maakte een begin, met al die honderdduizenden… maakte hij een begin. Ze werden allemaal verliefd op hem.’
‘Ja, hoor, dat zeker!’ bevestigde Ramses.
Ik haalde mijn wenkbrauwen op: ‘Verliefd?’
‘Ja, gewoon, verliefd, aantrekkingskracht, een enorme magneet!’ antwoordde Foudraine: ‘Maar hij wilde ze allemaal op dat spoor zetten, van de verdamping van concepten, gedachten…’
‘Je wordt geraakt, echt heel gemakkelijk hoor. En die ontwikkeling die Jan net beschreef, wil je doormaken als je Sannyasin wordt,’ klonk de warme stem van Marijke. Ze leek me een heel lieve vrouw. ‘Ook dat is weer een concept… Sannyasin…’ zuchtte Foudraine.
't Is ook nooit goed, dacht ik, maar ik begreep waar hij naartoe wilde. Marijke hervond het woord: ‘En je maakte die ontwikkeling door van moment, naar moment… ieder keer keek je uit naar zijn lezing van de volgende dag. Ik zat in Poona, toen gingen de geruchten dat-ie weg zou gaan. En dat vertrek werd maar uitgesteld en uitgesteld. Maar op een bepaald moment kregen we toch te horen dat hij naar Amerika was. Dat was een slag hoor! Dat kun je je nu niet voorstellen. Als je er niets van weet, of er niet geweest bent, dan klinkt het allemaal zo wazig en zo zweverig. We hebben er in onze cultuur ook moeite mee, omdat we altijd druk zijn met allerlei dingen, en we niet de tijd nemen om te zijn… gewoon, te ZIJN.’ Marijke lachte naar me. Haar ogen waren open en ontvankelijk. Haar man zweeg en probeerde de schroefdopwijn. Na een paar slokken is het best te drinken.
Hij zette het glas op tafel en hervatte zijn monoloog. Zijn stem was zachter: ‘Ja… maar als je hem hoorde spreken, zag en hoorde je iets heel authentieks, je kreeg een kláp intelligentie naar je toe… in eerste instantie wil je dat bejubelen… maar dan laat Bhagwan zien dat hij een ordinair mens is… dat hij niets is. Kijk, nu, vandaag, heb je geen podium nodig, geen mooie kleren meer nodig, geen ambiance meer nodig. Nu zijn er geen meesters en leerlingen, goeroes en discipelen. Dat is allemaal voorbij. Het gaat nu veel meer als vrienden.’
‘Kijk maar naar het woord Osho,’ zei Ramses, ‘dat betekent “vriend”.’ ‘Nu komt er gewoon in een klein zaaltje met vijftig mensen, een man binnen, een gewone man, en die man kijkt ons dan aan en zegt: “There is no one here, there is only awareness.”’
Ramses luisterde aandachtig. Foudraine vertelde bezield: ‘Zo'n man gaat direct naar de kern, niet meer van die lange lulverhalen van Osho, maar nu krijg je formuleringen waar Jezus en Boeddha een punt aan kunnen zuigen. Zo zuiver wordt het nu, ontdaan van alle franje, die Bhagwan gebruikte om te verleiden. Die gebruikte de meest fantastische franje.’
‘Daarom hield ik zo van hem!’ vulde Shaffy aan: ‘Ook zijn verleidingskunsten waren voor mij een vorm van herkenning, ik hield daarvan… ook heel artistiek.’
‘Maar Osho zei zelf ook dat het dit niet was waar het om gaat, al die groepen in oranje, rode kleding… die franje… dat was puur om de publiciteit voor zijn boodschap. Osho heeft het zelf opgeblazen, door mensen zo veel macht te geven binnen de organisatie. Mensen die daar niet tegen konden waardoor het misging en de boodschap werd ontdaan van alle franje en poespas. Zo heeft hij laten zien dat Sannyasins niet anders zijn dan normale mensen, die ook machtspelletjes spelen. En dat zei-ie ook. Ook toen hij zei dat die rooie kleren uit moesten, waren sommige volgelingen radeloos. Zij ontleenden hun hele identiteit aan die rode kleren.’
‘Maar je had ook niks anders,’ zei Shaf langs zijn glas, ‘nee, ik had niets anders… ik heb ze nog, voor als de rest in de was zit.’ We lachten. Het hele Sarphatihuis leek vergeten. Het gesprek aan tafel zou ook in een kroeg kunnen zijn, of onder een boom in een warm land. Je zou het niet merken.
Foudraine zoog aan zijn sigaret: ‘Hij heeft ons gewoon voor lul laten lopen in die rode kleren, met zijn mooie verhalen over de kleur van de opgaande zon… houd toch op! Ik heb jarenlang voor totale lul gelopen…’
Opnieuw mocht er een stilte vallen. Alles ontspande. Ik leunde achterover en keek voor het eerst sinds het laatste halfuur weer om me heen. Met ons vieren zaten we aan een tafeltje in het licht van een namiddag. Voor ons zes flesjes wijn, waarvan vier leeg. Jan en Marijke bekijken Shaffy, ze bestudeerden hem. Het is een lange tijd geleden dat ze hem hadden gezien. Shaffy broedde, hij groef. Een herinnering kwam boven, als een gaswolk. ‘Een van de keren dat ik Osho heb horen spreken weet ik nog,’ zei hij prinselijk, ‘ik werd ontbóden… in zijn kleine huis. Daar moest ik een hele tijd wachten, eerst. En er was een soort vreemde energie die daar rondwaarde. Opeens kwam hij daar aan schrijden en die energie kreeg vuur, en toen was hij naast me en we hadden het over sommige dingen… nou… eigenlijk had ik het nergens over, want ik wist niet wat ik moest vragen. Maar er was ook een Israëlische jongen die daar ook bij kwam en die had het over de problematiek in het Midden-Oosten, en over hoe zich dat daar moest voltrekken, ontwikkelen en tot een einde komen. Toen heeft hij daar een lezing gegeven voor drie mensen, ja… daar heeft hij over hét Midden-Oosten gesproken, iets dat zich tot op de dag van vandaag afspeelt. Maar hij gaf zo'n fantáástisch beeld van de grote problematiek in Israël en Palestina. De geschiedenis heeft het ingehaald. Alles wat hij zei is gebeurd, terwijl hij niet helderziende was, maar grote inzichten had in het leven, in mensen… heel indrukwekkend. Het is ook heel spannend om daar te zijn, als je zoiets meemaakt. Als je de liefde voelt van hem, en van elkaar.’
‘Toch maakt de wereld me niet echt blij,’ zuchtte ik.
‘De wereld bestaat trouwens niet,’ wist Foudraine zeker.
‘Ja, allemaal fijn, maar er zijn toch oorlogen, moorden!’ zei ik wat geïrriteerd.
‘Waar zijn die oorlogen dan, hier? Nu?’ Foudraine keek me aan. Ik ontweek zijn ogen niet.
‘Hier, nu niet.’
‘O, maar is er iets anders dan hier en nu?’
‘Ik ben wel nu met mijn gedachten bij de slachtoffers van de oorlog.’ ‘Jiiiee, ooh… daar ga je… je gedachten! Die vlieden naar een beeld, naar “de wereld”, naar “de oorlog”. Dat zijn beelden in je hersenen!’ ‘Vertel dat aan de moeder met haar kind in een trein naar Auschwitz!’ ‘Dat voert nu te ver… maar de enige oplossing voor alle ellende op deze planeet is, dat er meer en meer mensen zo'n radicaal ontwaken doormaken. Hoe meer iemanden er als niemanden rondlopen, hoe meer zegen is er.’
‘Hoe meer we zien, dat we elkaar zijn…’ zei Ramses.
Ineens hoorde ik Ramses zingen, terwijl zijn mond niet bewoog. “We zullen doorgaan… we zullen doorgaan… tot we samen zijn!” De woorden zijn dezelfde, de betekenis ineens zoveel anders.
Ik verliet het gesprek aan onze tafel. Ik bladerde in mijn aantekeningenboekje. Ik las dat ik op een avond bij Shireen Strooker was. Ze had me verteld dat Ramses tijdens zijn leven in de communes toch altijd wel is blijven spelen. Eind 1981 stond Swami Ramses Shaffy voor het eerst sinds lange tijd weer op het toneel in een groot stuk. Hij speelde Arend van Aemstel in de Gijsbrecht, en in de groots opgezette televisieserie Willem van Oranje speelde Ramses de Graaf van Egmond. Meest opvallend was Ramses’ optreden in het circus! In het nostalgisch Grand Variété Saltarino trad hij op als ‘clown poëtique’, ‘farao’ en zanger. Hij stoeide met krokodillen, was verkleed als een grote wulpse kip, een waarzegger en een pierrot die levensgrote zeepbellen blies. Zo stond Shaffy met de mala om zijn nek clown te spelen in de arena van het circus. In kranten zei hij dat hij van Bhagwan had geleerd om ‘ja’ te zeggen tegen alles. ‘Vandaar dat ik nu ook in het circus sta! Maar je moet het “nee” zeggen eerst goed hebben gekend, anders heeft welkom heten geen zin.’ Shaffy wilde ook graag ‘ja’ zeggen tegen de verandering. Zijn relatie met Vincent Walter was uit gegaan. Shaffy wilde op zijn woonboot gaan wonen, en Vincent zou blijven wonen in het huis aan de Derde Weteringdwarsstraat.
Shireen vertelde me, dat Ramses niet echt lang ‘houdbaar’ was in de communes. ‘Hij ging toch zijn eigen gang. Hij deed wel mee, maar alleen als hij het zelf ook echt leuk vond. En de alcohol kwam toch al weer in het zijn leven. Eigenlijk is dat al begonnen in het circus, met glaasjes wijn. Toen hij in Egmond woonde, wist hij de fles alweer regelmatig te vinden…’ Shireen verborg haar gezicht. Ik wist niet of ze lachte of niet. Ze sprak. Haar stem is altijd vol emotie: ‘Ramses gaf ook toneelworkshops bij de Bhagwan. Zo was ik ook uitgenodigd om wat met hem daar te doen. In Egmond. Ik zat net weer bij Het Werkteater, waar ik jonge acteurs wegwijs maakte in het vak. We speelden Romeo en Jeannet. Ramses smeekte me of ik het bij hem in de commune zou willen komen spelen…
Dat leek me erg leuk, maar ja, ik moest dan wel eerst de Bhagwan een beetje verkopen aan mijn vijf medespelers, je weet hoe Nederland in die tijd over de Bhagwan dacht, zonder dat ze er iets van wisten. Ze dachten dat het gestoorde mensen in een sekte waren, maar de Bhagwan was geen sekte… je was er vrij… het is een beweging… een bewustzijnsstroming… Nou ja… alles afgesproken en geregeld. Er is geen toneelzaal, maar een heel grote zaal waar verder niets is, met alleen een heel grote foto van Osho aan de muur, die je de hele tijd aankijkt. Normaal komen mensen er alleen samen en zitten op een kussentje. We moesten een podium bouwen, en licht en zo… Die dag ging alles mis. Eerst werkte het licht niet. Een kortsluiting in een lichtkast of zo, het wilde maar niet verholpen worden.’ Ze schudde haar hoofd. Nu zag ik een vertwijfeld lachje. ‘En dat eten! We zaten in een kamer om te eten. We kregen een soort minestronesoep. Hadden we die bijna op, komt er een grote pan spaghetti binnen… blijkt dat we de spaghettisaus als soep hadden gegeten.’ Shireen keek me aan. Ze had hondenoogjes en bedelde om mijn lach. ‘Iedereen werd steeds chagrijniger. Het probleem met het licht kregen we amper opgelost en de voorstelling begon tweeënhalf uur later dan-ie moest.
En, ik had een vriendje van mijn dochter meegenomen die een soort gekte had, hij is superintelligent, maar hij blowde, en had een gekte… hij was achteraf gekker dan ik ook dacht. Ik dacht misschien kan-ie iets met die Osho-methodes, die therapieën van Bhagwan. Die jongen was door het hele gebouw gaan zwerven en had overal amok gemaakt. Ramses had hem ogenblikkelijk gespot… hij viel op hem, denk ik. Ramses gooide de jongen ook nog eens vol drank. Hij heeft die jongen laten zingen. Hij probeerde hem duidelijk te versieren. Shaf wilde hem in ieder geval niet meer loslaten… Dat allemaal terwijl wij dus probeerden een voorstelling te geven. Een ramp werd het! Een absolute ramp! Ramses was zelf ook zo dronken… hij was niet meer te houden. Niet lang erna is hij uit de commune gegaan. Met vriendelijk verzoek, geloof ik, maar hij zal je wel zeggen dat het zijn eigen besluit was. Voor hem is dat waarschijnlijk ook zo.’ Ze nam een slok van het rode wijntje dat al de hele avond voor haar stond en zei zoals alleen heel goede vrienden kunnen zeggen: ‘Die gekke Shaf…’
Ik vouwde mijn aantekenboekje dicht en miste net de laatste woorden van Jan Foudraine. Ramses nam het woord over op het moment dat hij zweeg. ‘Toen hij bezig was om dood te gaan, dat voelde hij aankomen, toen heeft zijn arts en vriend opgenomen wat Bhagwan allemaal zei. Het was een heel grote lezing, heel minutieus ook, hij vertelde hoe hij dood zou gaan, en wat er met zijn lichaam na zijn dood moest gebeuren, door de hele commune. Per minuut, op de seconde heeft hij aangegeven wat er moest gebeuren. Dat moest gebeuren en dát… zo en zo… totdat hij stierf. Dat is allemaal opgenomen, gefilmd… opgeschreven. Het is zo… dat iemand zó bewust dood kan gaan.’
Marijke schoof een leeg flesje naar het midden van de tafel en vulde Shaffy opgewekt aan: ‘En toen zijn arts op een gegeven moment begon te huilen zei hij toch: “No, no, that's not what I taught you.” Hij zei altijd: “Doodgaan is overgaan, dat moet je celebreren, vieren.” Als er een sannyasin stierf werden er ook geweldige verbrandingen, feesten, vieringen gehouden. Om iemands overgang te vieren.’
‘Als het licht bij je uitgaat, dan floep je in “joy without cause”…’ vulde Foudraine aan, ‘in vreugde zonder oorzaak. Wij zitten nu ook in die vreugde, alleen met een lichaam… en dus als het clustertje “ik” wegvalt, dan is er alleen nog maar vreugde.’
Shaffy peuterde zijn sigarettendoosje open, trok een sigaret aan het filter omhoog. Op de tast vond hij zijn aansteker. Zolang ik met hem praat rookt hij. Het is voor hem een nog grotere verslaving dan drank, zegt hij. Hij liet een stilte vallen en zei toen: ‘Mijn pleegvader heeft destijds mijn crematie al betaald… ja, maar ik wil op Zorgvlied begraven worden, ergens waar… eh… ja. En als dat niet gebeurt allemaal, dan is het me een tóótáále zorg. Ik moet het ergens opschrijven, maar ja… het interesseert me eigenlijk helemaal niet. Maar mijn vader heeft alles betaald, hij was zo'n verantwoordelijke sterveling, een heel zorgzame man. Heel veel rijkdom van gekregen. Maar toen ik naar Poona ging, had hij toch zoiets van: dáárvoor heb ik je niet opgevoed! Ha, ha, ha! Maar dat kwam ook omdat hij als professor Hart- en Vaatziekten erg te maken heeft gehad met kwakzalvers, hij nam niet alles voor kennisgeving aan.’
Marijke bewoog zich naar voren, ze kantelde haar hoofd en vroeg charmant: ‘Vond je het vervelend dat je vader er zo tegenaan keek?’ Shaffy schudde zijn hoofd: ‘Toen was het al gebeurd tussen mij en Bhagwan, dusse… ik liet het maar… Aya heeft er ook aan de ene kant niets van begrepen, maar aan de andere kant vond ze alles mogelijk in mijn leven, ze heeft er geen hartzeer van.’ Ik keek naar de vrouw in het wit, met een doek veegde ze voorzichtig langs de mond van haar vader. Naast het plantje op de tafel stond het bekertje met het vliegje in een bodempje wijn. Het insectje bewoog niet meer. Misschien is de ziel het omhulseltje al ontstegen.
In de ruimte tussen de zinnen, formuleerde ik mijn vraag waarop ik al een tijdje zat te broeden: ‘Is het te rijmen? Je bent artiest en tegelijkertijd moet je een “niet-ik” zijn.’
‘Ja maar, wat ís artiest? In het beste geval juist een “niet-ik” zijn. Zoals ik net voor je speelde… Of ik er echt in geslaagd ben, dat moet nog blijken, ik denk van wel, maar moet nog blijken. En dat heeft te maken met de uitoefening daarvan… sinds ik hier ben, heb ik maar twee liedjes gemaakt. In het begin heb ik nog wel wat geschilderd, maar verder ben ik hier creatief niet in werking gezet. En daarom wil ik gewoon naar mijn eigen huis.’
Shaffy was opvallend helder. Zijn formuleringen, zijn gedachten verbaasden me. Als iedereen die denkt dat hij een wrak is hem zo eens zou horen spreken! Al die mensen die glimlachend hun hoofden schudden als je het over hem hebt, met hun opgeheven ‘had-hijmaar-niet-zoveel-moeten-drinken’-vingertjes. Ik merk dat ik met iemand ben met wie je echte gesprekken voert. Hij put uit een pure bron. Onplaatsbaar. Ik schreef in mijn boekje en zag ineens in wat voor een boekje ik schrijf. Op de kaft een afbeelding van le petit prince. Het muntstuk viel. Van welke planeet zou Shaffy zijn gekomen?
‘Is die impuls sterk?’ vroeg Foudraine.
‘Ja… ik ben echt op de drempel.’
‘Is dat zo?’
‘'t Huis moet schoongemaakt worden, want dat ligt nu al jarenlang te verstoffen. Maar het is een heel mooi en fijn pand. En daar wil ik weer naartoe. Dan kan ik weer schilderen en muziek maken. Het was hier een fantastische tijd, maar nu is er een tijd van gaan. Daar kan ik weer mezelf en op mezelf zijn.’
‘Heb je vrienden met wie je daarover praat?’ vroeg Foudraine belangstellend.
‘Ja, maar die willen me liever hier houden, omdat er ook een risico is.
Dat is er natuurlijk, dat weet ik zelf heel goed!’ zei Shaffy vinnig.
‘Wat zijn die risico's dan?’
‘Dat is drank’ zei Ramses, en toen zong hij: ‘en allerlei vormen van verleidingsMANOEUVRES! Dat risico is er absoluut!’
In gedachten hoor ik zijn vriendinnen, Liesbeth, Edith, Shireen: ‘Als hij erover begint, dat hij naar huis wil, of over zijn luchtbed, dan moet je daar maar niet op ingaan. Hij kan niet naar huis, het risico is te groot.’
‘Je wordt hier toch goed verzorgd, je hebt te eten, de was wordt gedaan…’ zei Foudraine.
Precies wat ik eerder die middag tegen hem had gezegd. Nu was de reactie van Shaffy minder mild. Hij repte met geen woord over de luxe van het bestaan in dit huis. Fel antwoordde hij: ‘Dat zijn nét de dingen die ik zo vervelend vind. Ik had een heel lekkere aftershave, die is nu weg. Stond op mijn kamer. Misschien is die wel gestolen. In het begin dacht ik altijd dat dit huis me zou wáárbórgen! Maar omdat de lente weer ingetreden is, en ik heus wel belangrijke liefdesaffaires heb gehad in dit huis, niet echt gevreeën op mijn kamer, dat gebeurt wel.’
‘O ja?’ vroeg Foudraine verrast.
Ramses schaterde geamuseerd door de verbaasde reactie van de man naast hem: ‘O ja? O ja! Ha, ha! Nou en of! Heerlijk toch!’
‘Zeker.’
‘Maar dat gevoel, verlangen, is weer ontwaakt en maakt het allemaal actueler. Ik wil gewoon weer vrijen in mijn eigen huis, ja, ja… Nou en of!’
‘Kun je voor jezelf zorgen?’
‘Denk het wel, dat regelen of mensen mij willen helpen kan ik thuis ook wel. Er was net een mooie blonde vrouw hier, ik hoop dat zij dan mijn huis af en toe schoon gaat maken, dat heeft ze daarvoor ook gedaan. Ja, en dan kan ik erin. Het gevaar zit in de drank. Dat ik weer te veel ga drinken. Niemand van mijn vrienden wil dat ik hier vandaan ga. Daarom wil ook niemand me helpen om zo'n luchtbed te kopen.’ ‘Ja maar, Ramses, je wordt zeventig, je moet toch een goed bed hebben, niet zo'n luchtbed?’
‘Daar is geen ruimte voor. Een luchtbed is het beste, dat kan ik oppompen, zo van VOEPS! Helemaal vanzelf! En weer leeg laten lopen om weer op te bergen. Het is een nieuwe stijl van leven en daar zal ik naar moeten zoeken. Maar waar koop je zo'n ding? Ik zie ze wel eens op de televisie, maar ja… de levensomstandigheden zijn er ook niet ideaal, maar het is een heerlijk huis. En eten kan ik laten bezorgen. Als ik hier in het Sarphatihuis sterf, hebben ze allemaal hun zin, nou ja… het kan morgen gebeuren…’
‘Het is toch een reëel risico, dat je dronken in de goot belandt?’
‘Ja, het is riskant, dat is het ook, maar het risico zit in het héle leven, dagelijks. Als ik daar weer naartoe ga, als dat lukt, dan moet ik de zaken opníéuw onder ogen zien, en herstarten en dat zie ik dan wel. Ik verlang naar dat moment, daar ben ik al van gaan houden en dat komt altijd onverwacht. Ik neem het risico. Het is míjn leven!’
Ramses beet. Als hij echt zou willen, ging hij wel. Ik had zijn voornemen al vaker aangehoord, hij zit hier nog. Ook deze keer zou hij de pas over de drempel uitstellen, vermoedde ik.
Foudraine: ‘Ik wil weer vaker komen, dan zal ik je wat meebrengen over die Tony Parsons, die verlichte man, die nu binnenkort in Amsterdam komt.’
‘Kijk maar, maar ik ben hier vaak niet.’
‘Waar ben je dan?’
‘Ergens anders… weet ik veel.’ Het had Shaffy lang genoeg geduurd. ‘Zeg, Ramses, jij hebt toch ook in De Drie Zusters gespeeld?’ informeerde Marijke vriendelijk.
‘Ja… een prachtig stuk,’ zuchtte Ramses. Direct veranderde zijn gezicht. De verdediging mocht weg. Hij kon weer praten over de glorie. ‘Dat heb ik vorige week in Londen gezien, prachtig…’
‘Och, ik zou dat zo graag weer eens willen zien, echt goed toneel, ja…’ mijmerde Ramses. ‘Ik heb in dat stuk volgens mij alleen maar een fotograaf gespeeld, dan moest ik op een gegeven moment in een scène waar ze allemaal om de tafel zitten, met het fototoestel komen en een foto maken. Een avond in de Stadsschouwburg sta ik tussen de coulissen, want ik moet op. Ben ik mijn fototoestel vergeten! Ja ha ha… ha… Dus ik kon die foto niet nemen, en toen ben ik het toestel in alle haast gaan zoeken boven in de kleedkamers, en ik kwam terug met het toestel. Maar zij waren al scèènes verder… Toen ben ik daar gewoon het toneel op gekomen, zoals eigenlijk in de eerdere scene bedoeld was, en toen moesten ze allemaal weer regroeperen! Ze moesten er wéér gaan zitten en tjuuup! En de regisseur, Peter Scharoff, die wilde me vermóórden! Ja ha, ha! Het is zo'n wezenloos mooi stuk.’
‘Ik heb vroeger ook veel geacteerd, Tsjechov gespeeld in Leiden, studententoneel,’ vertelde Foudraine, nadat hij zijn gedachten had omgewoeld.
‘Dat weet ik! Zelf heb ik je niet gezien, wel over je gehoord… je was bekend… ha, ha…’
‘De volgende keer als ik kom, ga ik Tsjechov voor je spelen… goed?’ ‘Néé, daar heb ik helemaal geen zin in!’ snauwde Shaffy ineens fel. De vorige keer dat ik zijn stem zo hoorde, was in Soesterberg, bij Matthew in het huisje. Shaffy zou er pianospelen en had al aardig wat gedronken. Opvallend was dat nu zijn gezicht zo vriendelijk bleef.
‘Nee?’ vroeg Foudraine hoogst verbaasd. Hij keek wat geschrokken om zich heen.
‘Daar heb ik geen zin in, punt uit.’ Shaffy was resoluut. Hij heeft nog nooit iets gedaan wat hij niet wilde. Ik weet niet of ik erom mag lachen, maar doe het toch. Het was zo onverwacht hoe hij uitviel. Het sloeg helemaal nergens op. Ik inventariseerde het glas op tafel.
‘Nou, dan doen we het niet. Geen probleem.’
Die avond slaap ik met open ogen. Het is al nacht, maar in me wil het niet donker worden. Mijn gedachten zijn gereduceerd, alles wat in me is krijgt de vrije ruimte. Ik weet niet of ik droom of denk. Ik hoor stemmen, zie beelden. Le petit prince. Om me heen is niets dan zand en droogte. Ik kan er niet weg. Opeens hoor ik de stem van Ramses. Ik kijk achter me. Daar staat hij, als kind, maar wel zoals ik hem nu ken. Hij draagt een lange mantel en hoge laarzen. We zijn midden in de woestijn, maar hij ziet er niet hongerig, dorstig of verdwaald uit. Boven me zie ik een V-vorm van trekvogels. Ze hebben hem tot hier gebracht. Hij zwaait ze na. Dan kijkt hij me aan met kinderogen, alsof hij een schaap door een kist kan zien. We gaan naast elkaar zitten. Er komt een blonde vrouw aangelopen in een lang gewaad.
‘Dag Bella,’ zegt de kleine Ramses en maakt plaats voor haar. De vrouw komt dicht bij me zitten. Haar knie tipt mijn dij.
‘Wij bedenken niets,’ zegt ze, ‘alles ontstaat zoals het is, en dat is tijdloos.’
Ineens herken ik haar. Ik ben bij haar geweest of zij bij mij. Ze is ook sannyasin en een heel goede vriendin van Ramses. We hebben elkaar gesproken bij het vallen van de zomeravond. We hadden het over hem, dat ik moeite had met zijn alcholisme. Als een fee sprak ze, zo zacht, bijna zweverig. Alles kon waar zijn, maar het kon ook niet waar zijn.
‘Dat hele facet van altijd maar weer alles afschrijven en toeschrijven aan de alcohol, daar word ik moe van. Het is ook niet zo. Je moet ook geen oorzaak zoeken voor zijn drinken. Je moet Ramses zien zoals hij is. En in zijn schepping is alcohol, zoals in een ander zijn schepping ascese is. Wat is het verschil? Hij vindt meer plezier in drank, en hij drinkt totdat hij het genoeg heeft. Mijn vriend Rama is een blower, dag en nacht. Nou, ook prima. Doe wat je voelt, er is er maar één met wie je je prettig kunt voelen en dat is met jezelf. En jij leeft je zoals jij leeft. En als een ander er iets over wil zeggen, dan doet hij dat maar. Het is ook de Goddelijke oorsprong. Als jij zo leeft, krijg je ook zo'n lijf mee. Dat klinkt heel vreemd, maar zo zit het leven in elkaar. Je hebt precies dat in je genen om dat te leven wat jouw passie is. Bij hem is daar heel veel drinken bij, dus hij krijgt een oersterk lichaam. Je bent God in jouw vorm.’
‘Zijn lever schijnt nog aardig goed te zijn,’ herinnerde ik me fluisterend. Ik vond het een platte constatering, maar ik had het al gezegd. Bella glom in het kaarslicht. Ze knikte langzaam: ‘Ja, want hij leeft ook niet negatief, lever gaat mis als je negatief bent.’ Ik knikte werktuiglijk. Bella sprak als een wandtegeltje: ‘Eén negatieve gedachte breekt meer af dan honderd flessen wijn.’
Ik hief mijn glas. In gedachten dronk ik op het leven. Bella deelde mee en zei: ‘En het is ook niet fatalistisch, het ligt van tevoren vast. Er is geen “ach” en er is geen “wee”. Alleen de meeste mensen geloven dat het anders zal moeten zijn. Ramses weet dat, hij veroordeelt daarom ook nooit. Als een groepje mensen hem in elkaar slaat, dan veroordeelt hij dat niet eens, hij komt naar me toe en zegt lachend: “Bella, ik had geld in mij binnenzak en dat hebben ze niet gevonden!” Hij beleeft het leven en zegt “ja” tegen wat is. En je kunt niet tegen dat ene wel “ja” zeggen en tegen het ander niet. Dat is hypocriet. Die rovertjes volgen hun weg in het leven, en dat is de weg die zij moeten gaan. Ook daartegen zegt Ramses “ja”.’
Ze nam mijn hand en keek me direct aan. Op haar gezicht dreef een geheimzinnig glimlachje. Ze kon ook best dronken zijn of stoned. Maar wat ze zei voelde goed. ‘Ramses past direct in de lijn Boeddha, Osho, Ramses. Daarom kreeg hij van Osho zijn eigen naam, dat is uniek! Hij is een heel mystieke man. Als je hem wilt kennen, de essentie… leef dan! Doe waar je zin in hebt. En dat spiegelbeeld, van ik leef wat ik leef en ik doe het toch wel. En volgens mij zijn er veel meer mensen die daar behoefte aan hebben. Daarom spreekt Ramses zo veel mensen aan. We kunnen allemaal wel moeilijk lopen doen, maar het leven is een feest, en vier dat! Maar dan komt iedereen met de jamaars, als ik dat, mits… weet ik veel. En dat kent Ramses niet.’
Nu zit ze naast me in de woestijn. Ze staat op en gaat. De kleine Ramses blijft. Ik heb geen idee waar hij ineens vandaan gekomen is. Misschien is hij van een andere planeet, zo anders kijkt hij naar de dingen. Zonder oordeel over anderen. Ramses en ik zitten naast elkaar in de woestijn, als in het Sarphatihuis. Het is fijn bij hem te zijn. Zelfs zonder te horen, te spreken of kijken gebeurt er veel. Alleen met het hart kun je goed zien, 't wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar. Ik kijk naar hem, en zie een kleine zonnegod. Ook Ramses heeft zijn hofhouding. Er zijn altijd mensen die van alles voor hem doen, zijn spullen opruimen, zijn kleren wassen, hem vervoeren, hem behoeden, maar niemand kan voor hem sterven.
Ineens staat hij op. Hij loopt naar een muurtje. Ik volg hem. Hij pakt mijn hand en zegt heel indringend: ‘Ik ga nu. Wat je ziet is omhulsel. Het zal lijken alsof ik dood ben, dat is niet zo. Ik kan alleen mijn lichaam niet meenemen, het is te ver en te zwaar. Je moet niet verdrietig zijn. Het is niets dan een oud omhulsel dat wordt weggegooid.’ Hij klimt op het muurtje en kijkt naar de ondergaande zon. Er klinkt een liedje dat hij schreef over zijn kindertijd.
Er was een jongetje,
Dat schommelde in de wind,
Zijn verdriet was met de vogels weggevlogen.
De ondergaande zon bescheen zijn ongerijmd geluk
En daarom heeft hij van die mooie ogen.
Ook Bella's stem is glashelder. Ze herhaalt zichzelf keer op keer, als een mantra.
‘Daarom, je moet Ramses niet doorgronden, je moet hem leven! Als je hem ontmoet, ontmoet je jezelf.’ Ik zie hem op het muurtje staan. Hij kijkt naar me en zegt: ‘Zo… dat is alles.’
Licht flitst. Hij valt neer, als een boom. Alles was stil, door het zand.
Ik lig in bed. Naast me ademt een warm lichaam. Door een spleet in het gordijn zie ik een sterrenhemel. Ik ga rechtop zitten. Een heldere maan lacht ons toe.
Ik grinnik mee en denk terug aan de vreemde middag bij Ramses.
We zaten alleen in het Atrium. Jan Foudraine en Marijke waren vertrokken en Shaffy had zijn eten aan zich voorbij laten gaan. Het restaurant bleek al gesloten. En er was geen wijn meer voor de avond. Tevreden keek Ramses me aan, terwijl ik mijn jas aandeed. Het was een intensieve middag geweest. Filosofieles. Dit keer geen oneerbaar voorstel. ‘Ik beloof snel weer te komen,’ zei ik.
‘Ja, dat zou fijn zijn,’ mompelde hij tijdens onze omhelzing en de drie trage kussen in, ‘als ik weet dat jij om vier uur komt, begin ik me om drie uur al gelukkig te voelen.’ Het was pas halfacht, de avond zou hem nog vele uren schenken. ‘Shaf, hoe ga je dat doen vanavond? Alles is al dicht, en de flessen zijn leeg?’
Er kwam een berustend antwoord: ‘Ach, het leven zal vast wel met iets komen.’
Ik keek hem vragend aan.
‘Kijk… ik hoor al iets!’ zei Shaffy guitig, alsof hij zelfs het toeval regisseerde. Hij opende het groene plastic tasje dat hij altijd bij zich droeg en haalde stralend twee flesjes te voorschijn.