Image Drie Image

Het is zo donker, dat ik alleen zie wat is uitgelicht. Alles wat ik zie is eigenlijk anders. Een jonge acteur beent met lange passen over het toneel en kijkt stuurs de zaal in. De jonge half-Russische Egyptenaar wordt het enfant terrible genoemd van het Nederlands toneel. De andere acteurs kijken wat verschrikt op, bewegen over het podium, zoeken een andere plek. Als een orkaan raast de jongeman tussen de acteurs door. Hij trekt ten strijde. Alle aandacht is voor hem. Zijn toneelspel verblindt iedereen. Voor jonge mensen is hij is de aantrekkelijkste van de Nederlandse Comedie. Je hebt natuurlijk ook Ank van der Moer, Ko van Dijk, Ellen Vogel, al die bijzondere mensen. Mensen zeggen dat hij als acteur lastig en ongrijpbaar is, maar als geen ander brengt híj een spetterend elan in het spel. In het halfduister om mij heen zie ik vage silhouetten. Hoeveel mensen kunnen er in deze schouwburg? Het zit vol.

De Gijsbrecht van Aemstel wordt nu al voor de zoveelste keer opgevoerd en nog altijd komen er iedere avond honderden mensen. Naast me zit een stel meisjes uit Friesland. De ene vlak naast me is betoverend mooi. Haar ogen zijn verscholen in het zwakke licht dat ons nog net bereikt. Haar zou ik willen aanraken, maar ik durf niet. Het is de derde keer dat ze in de zaal zit, heeft ze me net verteld.

Ramses zit rechts van me. ‘Ik ben begonnen als acteur,’ had hij eerder gezegd, ‘dat wordt veel te vaak vergeten. Het is belangrijk voor me… toneel is een grote liefde.’ Hij had me daarbij aangekeken, even mijn hand aangeraakt en me meegevoerd. Voordat ik het wist, zat ik naast hem op het pluche van het theater en keken we samen naar de jonge Ramses. Voor me roept Arend van Aemstel over een op handen zijnde bevrijding. Prachtig hoe de jongeman vol vuur de Vondeltaal weet te beheersen. Hij laat de woorden dansen waar anderen gevangen zijn in het metrum. Het meisje naast me giechelt en spiedt met verlangende ogen naar de eigenzinnige magneet op de bühne. Ramses stoot me aan, wijst: ‘Kijk, die jongen die daar figureert, is Jeroen Krabbé… ja… die ken ik ook al heel lang… Hij zit nog op de toneelschool. Zo ben ik ook begonnen, hoor.’ Ik tuur langs zijn hand naar een van de doden op de planken. ‘Die bedoel je?’ ‘Ja… die daar ligt.’ ‘Maar hij beweegt nog, alsof hij lacht.’

‘Ja… ha, ha… dat komt omdat ik hem daar zit te plagen.’

Ik zak terug in mijn stoel. Ik denk terug aan wat Krabbé me vertelde: ‘Shaffy doet maar wat, maar het is zó fantastisch. En de Gijsbrecht is fantastisch omdat híj Arend speelt en niet omdat Ank van der Moer erin speelde. Ook wel… maar omdat Ramses Shaffy als een vuurbal met die rare Vondelteksten bezig is. Hij gooit er emotie in. Het gaat nooit via zijn hersens, nooit via zijn ratio. Alles wat hij doet, gaat via zijn onderbuik, zijn lichaam en via de emotie van het moment. Dat zal ik ook zien als hij de Graaf van Egmond speelt in Willem van Oranje. Of zijn emoties juist of niet juist zijn, dat doet er niet toe. Hij gooit zich erin.’

‘Doe jij dat niet dan?’ vraag ik Jeroen.

‘Nee, een acteur moet juist die emoties kunnen bespelen, je moet ze in de hand houden. Hij had het helemaal niet in de hand. Hij gokte erop dat ze kwamen en dan kwamen ze ook.’

‘Heet dat niet intuïtie?’

‘Nee, dat is gokken… of een heel grote toneelintuïtie.’

Ramses beweegt zijn hoofd naar me toe en fluistert: ‘Eigenlijk heb ik het vak vooral geleerd van Ko van Dijk en Ank van der Moer. Dat waren in die tijd coryfeeën. Van hen heb ik alles geleerd. Direct al van de toneelschool ben ik door Ko van Dijk en Ank geadopteerd. Ze hebben me gewoon opgeleid als acteur, zelfs na mijn toneelschool. Ank gaf natuurlijk ook les bij ons op school en ze zag toen ook al dat ik wel talent had.’ Ramses’ ogen glijden weer naar het toneel. Hij grinnikt: ‘Het was heerlijk om geleid te worden door mensen die je vertrouwen. Ko en Ank waren heel temperamentvolle mensen. O ja, ik heb enorm vaak ook op mijn donder gehad. Ik haalde wel dingen uit. Ook in voorstellingen. Ik ging gewoon improviseren, waardoor de hele scène ineens een bepaalde wending kreeg, waarop je tegenspeler niet verdacht is. Die moet dat dan in gaan vullen, ha, ha!’ Ineens herken ik in zijn stem de geaffecteerdheid van een Leidse corpsbal. Een beetje deftig.

Ik stoot hem aan: ‘Is dit een mooie manier om te zeggen dat je je niet aan je tekst hield?’

Ramses’ ogen glimmen, hij grinnikt en zegt: ‘Ja, dat is een mooie manier van zeggen, maar zo ging het ook letterlijk.’

‘Dan breng je anderen toch helemaal in verwarring?’

Zijn buik begint te schudden, hij probeert zo geruisloos mogelijk te lachen. De mensen om ons heen kijken afkeurend naar ons. Ramses giert van de lach. Ik buig voorover, probeer mijn hoofd en lach te verbergen achter de stoel voor me. ‘Ja, dat was ook precies de bedoeling. Ik was altijd heel benieuwd hoe die ander daaruit kwam.’ Zijn schuddebuik komt weer stil te liggen. Hij veegt een traantje uit zijn ooghoek. Ik kijk hem niet aan. Nu niet. We zouden onmiddellijk weer in de lach schieten. Na een paar minuten vraag ik: ‘Dus, als jij Tsjechov speelde, dan maakte jij je eigen versie?’

Ramses kijkt zo verschrikkelijk serieus dat ik opnieuw enorm moet lachen. Omzitters proberen ons sissend tot stilte te manen. Ernstig antwoordt Shaffy: ‘Nou, bij Tsjechov net niet. Ik heb De Meeuw gespeeld met Sigrid Koetse, dan haalde ik ook wel dingen uit om haar aan het lachen te krijgen. En dat lukte dan ook.’

‘En dat vonden je collega's ook allemaal leuk?’

‘Ja… het is pesten, ja… haha… dat komt ook door mijn opvoeding. Ik ben echt opgevoed door Ko van Dijk, en die deed niets anders. Het was eigenlijk om de andere mensen uit te dagen, begrijp je?’ Hij kijkt me zo ondeugend aan, dat ik mijn hoofd direct weg moet draaien om niet in gebulder uit te barsten. Het publiek kijkt geboeid naar het toneel. Het meisje naast me kijkt dromerig naar de jonge Arend. Dan zeg ik: ‘Was het om ze uit hun rol te krijgen, of om ze beter in hun rol te laten groeien?’

Ramses denkt na, zoekt zijn sigaretten, maar bedenkt dan dat hij in de schouwburg zit. Hij zet zijn meest verontschuldigende gezicht op: ‘Nou, dat laatste ook, maar vooral om ze uit hun rol te krijgen… hi, hi…’ Zijn lach doet me denken aan dat van een hofnar, ondeugend en aanstekelijk.

Ik kijk naar het toneel, maar ik ben de verhaallijn van het stuk helemaal kwijt. Ramses lijkt nu op te gaan in het toneelspel uit zijn jonge jaren, maar dan ineens zegt hij: ‘Ko van Dijk was heel wat van plan met me, ik was zijn toneelzoon. Maar eigenlijk moet je dat…’

‘Ga nu niet zeggen, dat ik dat aan Ko moet vragen!’

‘Eigenlijk wel, ha, ha!’

We glimlachen. ‘Was je dan ook de zoon van Ank van der Moer?’

Ik geniet van zijn statige manier van praten. Hij vouwt zijn handen voor zijn borst en zegt bijna vroom: ‘Nou, dat was meer een geliefde.’

Aan mijn oogopslag kan hij zien dat ik verrast ben.

‘Nou ja, we hadden gewoon bijna een liefdesverhouding.’

‘Bijna?’

‘Nou, goed, het was echt wel aanwezig. Het was een hele spanning… en toen ik een keer ben gaan vrijen met haar dochter, heeft ze me dat énorm kwalijk genomen. Ze wilde ook even niet meer met me praten en op het toneel keek ze me niet aan.’

Applaus. Om ons heen rijzen de mensen uit hun stoeltjes. Ramses en ik volgen het voorbeeld.

Het meisje naast me rekt haar hals. Als de ‘jeune premier’ van het toneel zijn buiging maakt, staat ze te trappelen.

Buiten zegt Ramses: ‘Je moet maar eens met Sigrid Koetse gaan praten. Zij heeft alles meegemaakt, ook van de toneelschool. Eigenlijk begon het daar. Ik was naar de kunstnijverheidsschool gegaan, maar na het eerste jaar ben ik vertrokken. Dat was zo'n algemeen jaar waarin je alles deed, ook schilderen. Ik gaf me op voor het toelatingsexamen van de toneelschool, want ik wilde acteur worden.’ Hij glimlacht vriendelijk: ‘Weet je dat ik pas sinds die tijd mijn eigen naam draag? Een docent van me, Ferd Sterneberg, die zei dat nu ik toch Didi Shaffy heette, ik beter mijn echte naam kon voeren. Dat klonk beter. Vanaf de toneelschool heet ik Ramses Shaffy!’ We lopen samen op de stad in. In gedachten lees ik het dagboek van zijn pleegmoeder. Voor haar blijft hij Didi.

1952
Didi slaagde o'goden zij dank, voor de toneelschool, zeven van de zeventig werden maar aangenomen. Hij woont nu bij de familie Ogilvie in Amsterdam, goeie anthroposofen in de letterlijke betekenis van het woord. Ik weet niet hoe ik het heb, dat ik nu heus kan zeggen, als iemand ernaar vraagt, dat het goed gaat en dat hij werkt. Tot nu toe komt hij stralend naar huis en geniet hij van het verwarmde kippenhok, de vleugel (die geen boos woord meer krijgt) en van het samenzijn met ons
.

Voor de deur nemen we afscheid. Ik ben verrast door zijn omhelzing. ‘Ik wil je gauw weer zien,’ zegt hij en kijkt me diep in de ogen. Mijn maag kriebelt. Hij pakt me stevig vast: ‘Alles mag in het leven, alles kan.’

Ik draai me om, zwaai en loop door. Ramses verdwijnt door het poortje.

Een paar dagen later ben ik bij Sigrid. Ze staat in de keuken. Ik bel aan. Een levendige dame met een knap gezicht opent de deur. Ze draagt een blauwe band om haar hoofd, die perfect past bij haar jurk. ‘Je bent vroeg,’ zegt ze en laat me binnen in een klein kamertje met bont behang en allerlei leuke spulletjes. Aan de muur herken ik foto's van acteurs. Ramses hangt er ook.

Terwijl ze nog staat, begint ze te praten: ‘De hele toneelschool heb ik bij hem in de klas gezeten. Iedereen woonde op kamers in Amsterdam, maar dat mocht ik niet van mijn vader. Van hem moest ik elke dag met de tram terug naar Aerdenhout.’ Ineens verzacht de uitdrukking op haar gezicht. Ze giechelt en zegt: ‘We hebben zo verschrikkelijk gelachen, dan bracht Ramses me weg naar de tram… o, o, verschrikkelijk. Dan stonden we te wachten bij de halte, en ik zei nog dat hij wel mocht gaan, maar dan wilde hij me per se op de tram zetten. Nou als die dan kwam en ik instapte, dan begon hij allerlei verschrikkelijke dingen naar me te roepen. Zo, vlak voordat de deuren weer dicht zouden gaan. Wat riep hij ook alweer? O ja… zoiets als, je deugt niet, dat je zomaar je kinderen hebt achtergelaten. Op jouw leeftijd, wat ben je nu voor een moeder! Verschrikkelijk! Zat ik daar met een knalrode kop in de tram. En ik moest nog een halfuur en iedereen zat me aan te kijken wat voor een slecht mens ik wel was.’

Ze gaat zitten in de stoel. De koffie staat in de keuken, maar die wordt vergeten. Sigrid stoomt door haar herinneringen, stuit op lachbuien en slaat haar hand om de zoveel minuten voor haar gezicht. Oud plezier in een nieuwe lach. In haar linkerhand heeft ze een enveloppe. Ze heeft prachtige handen, eigenlijk is alles aan haar nog jong. Vooral haar hart. Langzaam glijden mijn ogen over haar lichaam, ik neem alles op. Hoe ze beweegt, hoe ze uitademt, hoe haar lichaam aan een nieuwe zin begint. Eigenlijk heb ik geen idee van de theaterhistorie tegenover me.

‘Het was toen ook heel anders dan nu. Je had toen maar één toneelschool in Nederland, en in onze klas zaten maar vijf mensen en een paar ouderejaars, dus in totaal waren we met een man of acht. Van onze klas zijn Ram en ik de twee die het langst met het vak zijn doorgegaan.’ Met een korte, haastige beweging draait ze haar hoofd. Twee felle ogen boven een brede mond. Haar rechterhand luchtig gevouwen tegen haar rechterwang.

‘Ik heb de schooltijd ontzettend leuk gevonden. Het was nog die kleine school aan de Marnixstraat, bij het politiebureau. In de hoogste klassen zaten twee mensen die examen deden, onder wie Coen Flink. Mochten wij figureren bij hun examen. Het was zo klein en intiem. Je had één grote zaal waar dan een toneeltje stond en nog een andere, en dan een bibliotheekje en een balletzaal. Er was niet eens een kantine. Ontzettend leuk, de tijd van mijn leven. Drie fantastische jaren. En dat vond Ramses ook. Het ging ons ook goed af. Ik kwam zo van de Middelbare Meisjes School, en Ramses had natuurlijk al heel wat achter zich, kwam van de kunstnijverheidsschool. Ik viel als 16-jarig meisje zo de toneelwereld binnen. Ik moest ook toestemming hebben om toelatingsexamen te doen. Ik was heel jong en ik kwam ook ineens met jongens in aanraking. Ramses was de enige die ik echt leuk vond, en we waren ook metéén samen. Ik herinner me hem nog in een gele trui in het Vondelpark. Ramses, ik vond hem zo'n gekke, rare jongen, daar heb ik zo ontzettend veel pret mee gehad… nog steeds, ja, nog steeds. Het was meteen… ja… ontzettend leuk vond ik hem. Ik houd ook van hem, en hij ook van mij, denk ik. Ja, dat denk ik wel. We zijn later wel meer uit elkaar gegroeid, omdat we andere levens kregen. Hij is meer de muziekkant op gegaan.’

Ze legt de enveloppe op tafel, ongeopend. Ik brand. Zij praat door.

‘Er was ook iets bijzonders met hem, ik had het nog nooit meegemaakt, zo'n rare jongen, waar je zo ontzettend mee kon lachen. Al die onzin ook, toen had hij al die onzin van Geentje Gleilewiend, al die brieven die ik van hem kreeg. Onzinbrieven! Nu niet meer. Pas de laatste drie jaar niet. Maar heel lang heeft hij dat gedaan. Dan kreeg ik ineens zo'n bespottelijke brief. Dat sloeg bij mij dus ontzettend aan. Ik had er zo'n pret mee, met dat absurde. Ik dank God dat ik hem heb meegemaakt. Door hem ging ik ook anders in het leven staan. Hij is natuurlijk ook uitzonderlijk.’

Ik ken Ramses nog niet goed genoeg, maar voel aan wat ze bedoelt. Het kan zijn dat het magnetisme van Shaffy me aantrekt, of dat hij aantrekkelijk wordt door de verhalen van de mensen die hem het beste kennen. Laat ik mijn hart maar volgen.

‘Wat maakt hem dan zo uitzonderlijk?’

Ze kijkt me aan alsof ik de domste vraag van de wereld heb gesteld. Zo van, zie je dat dan niet? Maar ze zegt: ‘Weet ik niet, gewoon zoals hij is, dat is hij, zijn karakter, zijn uitstraling. Wat maakt Beethoven bijzonder, Schubert? Wat nou? Wat ze zijn! Zo is Ramses ook geboren, met al zijn rottigheid, zijn ondeugendheid en zijn lievigheid, en dat allemaal uitvergroot! Die bijzonderheid kan niemand je aanpraten. Zo is hij. Door dik en dun is hij bijzonder. Hij heeft zich weinig door het leven laten beïnvloeden, nietwaar. Als er iemand is die zijn eigen leven geleefd heeft, is hij het. Ik heb er bewondering voor, ook al ben ik het niet met alles eens geweest. Had graag gezien dat het wat anders was gelopen met die drank, maar ik begrijp het heel goed. Dat hoort ook bij hem.’

‘Dronk hij toen ook al, in de toneelschooltijd?’

‘Neehee, niet in die vorm dat hij dronken was. We vonden het allemaal vies.’

‘Hij ook!?’ Ik vind het volstrekt ongeloofwaardig.

‘Jahaa… ze noemden ons ook altijd de dominees. We werden de dominees genoemd. We waren een kéúrige klas, we kwamen allemaal uit een gegoed milieu. Het was een klas met opleiding, en het is niet te vergelijken met zoals dat nu gaat. Ik kan me van de toneelschool nauwelijks herinneren dat we van die grote feesten hadden.’

‘Wanneer is Shaffy dan daarmee begonnen?’

Image

Begin jaren vijftig: Sigrid Koetse en Ramses voor de ‘Tooneelschool’ aan de Marnixstraat in Amsterdam.

‘Na de toneelschool. Het is natuurlijk allemaal wel in hem aanwezig geweest, maar ik merkte ook nooit iets van vriendjes of zo. Hij zal er heus wel zijn leventje in gehad hebben, maar daar heb ik niets van gemerkt. De eerste echte vriend van hem was Joop Admiraal en toen waren we al twee jaar van de toneelschool.’

Ik denk aan de tram met Sigrid. Ramses had een dubbelleven. Eén voor overdag, en een leven puur gericht op het vertier van de nacht. Zodra Sigrid op de tram zat, lokte hem de vrijheid. Misschien heeft ze echt niets geweten van de nachtelijke feesten met drank en hasjiesj. Heeft ze echt geen idee waarom hij er zo vaak niet was? Ik slik.

‘O, mijn God, de koffie!! Helemaal vergeten. Die is niet meer te drinken natuurlijk.’ Ze veert op en haast zich naar de rode keuken. Ze rommelt met een paar bekers, moppert iets boven een koffiepot en zet met een verse glimlach twee dampende mokken op het tafeltje. Net naast de enveloppe.

‘Hij had in die tijd toch vooral vriendinnen?’ vraag ik de hitte van de koffie wegblazend.

‘Ja, natuurlijk, die heeft hij altijd nog wel gehad… ha, ha… Ik kan Ramses ook helemaal niet voorstellen zonder vrouwen in zijn leven. In welke vorm dan ook.’ Ze wordt meegezogen naar die tijd. Ze blijft steeds langer weg. De pauzes tussen haar zinnen worden langer. Ik besluit in te breken.

‘Jullie hebben nooit iets gehad samen?’

‘Nou ja, eigenlijk wel… maar eh… niet echt.’

‘Geen relatie?’ vroeg ik terwijl ik me daar alles bij voor kon stellen.

‘Nou, ik vond het er zelf wel aardig wat op lijken, maar het is niet iets bestendigs geworden. Ik werd ook wel gek van hem, die rotzooi! En ik ben heel precies, en van op tijd komen… Dat was wel waar ik af en toe een beetje moe van werd. En ik moest altijd braaf naar huis in die jaren, en dan dook hij nog het nachtleven in.’ Aha, dus toch! Ze wist het. Ramses is nooit dominee geweest, denk ik. Sigrid kijkt langs me heen.

‘Daar merkte je nooit wat van, behalve dan dat hij altijd te laat kwam. Altijd te laat! En dat is toch echt een punt geworden in zijn leven, want ook bij voorstellingen kwam hij in het begin altijd te laat.’

Ze zwijgt. Ik reis even met haar mee. Ramses had in 1952 het kamertje bij de familie Ogilvie net verlaten en ging wonen aan een van de grachten. Dat weet ik uit het dagboek van Roos Snellen.

5 juli,
Gisteren de restanten gebracht van Didi's kamertje bij de Ogilvie's. Trieste aanblik, lege wijnflessen, oude schoenen, ontvlambaar vloerkleed. Ze hebben heel wat schade en moeite voor hem overgehad. Ik ben angstig, dat het mis gaat lopen, zowel met de toneelschool als met het kamerleven. Het is allemaal nog zó flodderig
.

Image

1954. Cabaret op de toneelschool. Staand: Ramses en Sigrid Koetse.

Sigrid ontsnapt niet aan de lach. Haar ogen vieren feest. ‘De hele klas woonde in Amsterdam, ik dus niet. Ik weet dat Ramses op een idiote zolder woonde, met zo'n luik naar boven. Ik weet niet meer waar dat was, aan een gracht, de Oudezijds of zo. Je moest door zo'n luik naar boven en daar had hij een zolder. In zo'n pakhuis. Er waren van die ruige feesten, dan hingen de wildvreemdste types te zingen, boven uit die grote deuren. Levensgevaarlijk.’ Ze kijkt naar de foto aan de muur. Guus Hermus, Jan Retèl, haar overleden echtgenoot, en Ramses. ‘Hij zat ook altijd al achter de piano, zo lang ik hem ken. Dan maakte hij van die flauwekul, maar ook al wel heuse liedjes. Oude Hein komt uit die tijd. Hij was altijd bezig met de piano.’

Met de toppen van haar ringvingers wist ze lachtraantjes van haar oogleden. ‘Hij wilde zich natuurlijk niet echt binden aan toneel en ook niet alleen aan muziek. Hij wilde alles en allebei. Zwaar toneel en licht, cabaret, muziek, alles! Hij deed ook alles tegelijk. Dat heeft te maken met zijn vrijheidsdrang. Door die drang was het ook moeilijk voor hem om op tijd te zijn.’ Ze nipt van haar afgekoelde mok en beseft: ‘Die vrijheid heeft hij nog. Als iets hem niet bevalt, dan doet hij dat ook niet, maar dat is helemaal niet uit kwaaiigheid. Hij doet het gewoon niet. Punt! Hij is een vrije ziel. Dat heeft hem in de toneeltijd ook absoluut dwarsgezeten, omdat het gewoon niet gepikt werd door de acteurs. Er was soms niet mee te werken… Ik hoorde die verhalen wel dat hij soms dronken was, of weer te laat kwam… maar ik was toen gelukkig al weg. Dat was ook al na de toneelschool.’

Ik kijk naar de enveloppe en zie hoe het zonlicht schaduwen werpt op het papier. Uit mijn tas haal ik een boekje met daarin een brief van toneelschooldirecteur Willy Pos aan Ramses’ vader.

25 juni 1953

Zeer geachte Heer,

Zoals u uit het rapport van Ramses kunt opmaken, is hij voorwaardelijk bevorderd en dit vooral op grond van gebrek aan toewijding en accuratesse.

U zult mij verplichten, er naar vermogen toe bij te dragen, dat zijn houding op de Toneelschool van dien aard wordt, dat hij geen beletsel voor de goede orde en het ensemble-onderwijs vormt.

Met de meeste hoogachting,

Willy Pos,
directeur van De Toneelschool
.

Op de achterkant tref ik een notitie van Roos Snellen: ‘Didi over naar de 2e klas. Helaas toch nog voorwaardelijk. Zou hij zich kunnen handhaven? Ik hoop het vurig!’

‘Ja,’ zegt Sigrid, ‘dat was ook wat. Het was in het eindexamenjaar. Hij kwam niet opdagen en mocht geen eindexamen doen. Nou, daar zat ik, want ik moest met hém examen doen.’ Ze schudt haar hoofd. Ze kijkt alsof het gisteren gebeurd is. ‘Ik naar hem toe, huilend van: watmoet-ik-nou? Ik dacht echt dat mijn examen eraan was. Ik naar Willy Pos. Uiteindelijk mocht Ramses wel eindexamen doen, maar hij zou dan geen diploma krijgen. Zou Ramses een rotzorg zijn. We konden bij elk gezelschap aan de slag. Jaren later heeft Pos hem heel officieel alsnog een diploma van de toneelschool gegeven. Ramses was toen al heel bekend en had alle rollen al gespeeld, maar ja, dit paste ook wel weer in zijn leven. Dat overkomt ook niemand, alleen Ramses.’

Sigrid staat op, verdwijnt in de gang. Ik zak lui in de stoel en haal diep adem. Er dwalen talloze verhalen over Shaffy. Met hem heb ik het er ook over gehad. ‘Ik had gewoon niet het gevoel dat ik er moest zijn,’ luidde zijn antwoord op mijn vraag waarom hij zo veel lessen had gemist.

Hij zat rustig te roken. Ogenschijnlijk een oude man. Vanbinnen een jongensboek met een open einde. ‘Dat verhaal van die meeuw in je oog… je was weer eens te laat op school,’ begon ik. Shaffy knikte.

‘Ja, toen zei ik dat dat kwam omdat er een meeuw in mijn oog gevlogen was. Ik kwam te laat en ik moest wat verzinnen. Iedereen accepteerde dat verhaal. Je moet het ook stellig zeggen. Voor je eigen gevoel moet het waar zijn. Je zegt het met verve, dan denken de anderen dat het wel eens waar zou kunnen zijn.’ Ik genoot van de vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn handelingen toelichtte. Ik merkte dat het zijn natuur is, geen pose, geen toneel. Hij is zo.

‘Waardoor kwam je dan steeds te laat?’

Het vuur kroop naar zijn lippen. ‘Dat is tweeledig. Ik had geen zin in de repetitie, en ik kwam gewoon te laat, omdat ik ergens anders vandaan moest komen.’

Weer zo'n antwoord. Kun je alle kanten mee op.

‘Waarvandaan?’

‘Dat weet ik niet meer. Het was er in ieder geval heerlijk.’

Sigrid komt binnen, ze opent de enveloppe. Eindelijk. Ze haalt er foto's uit. ‘Moet je kijken, hier doet hij tante Allegonda. Zo'n typetje van hem.’ Op een klein zwart-witje zie ik een jonge Shaffy met een humoristisch gezicht. ‘We hebben zo gelachen… we hebben zo'n plezier gehad. Er zijn maar twee mensen in mijn leven met wie ik zo verschrikkelijk heb gelachen, dat zijn Ramses en Ko van Dijk. En nog heb ik dat met Ram. Ik herinner ons alleen maar vallend van stoepen en vallend van fietsen. Van het lachen! We hebben zo'n vreselijk plezier gehad. Heerlijk, we gingen ook samen naar de film, heel romantische films en daar waren we dan een hele week vol van. Dan speelden we die film na, waren we zelf de hoofdfiguren.’

‘Waren jullie een stel?’

‘We waren altijd samen, we waren wel een stel, maar we hadden geen verhouding. Ik heb ook best een tijd gedacht dat het heel ons leven zo door zou gaan. We waren jong en al die toestanden waar hij later mee kwam, die waren er nog niet. We deden alles samen, toneel kijken…’ Ze haalt bijna geen adem, maar praat direct door. Ze slaat haar ene been over de ander, kijkt naar een schilderij aan de muur en zegt: ‘Ramses leefde al zo anders dan iedereen. Mijn God, al die schulden die hij overal had. Dan liepen we weer over de Rozengracht. “Even bukken,” zei Ramses. O ja, dacht ik dan. Ik blikte of bloosde op het laatst niet meer, en dan kropen we zo wat op onze knieën langs de etalage van de bakker waar hij nog een vette rekening had openstaan. Ik vond het op het laatst doodgewoon.’ Haar ogen lichten fel op: ‘En iedereen vergaf het hem, ook degenen bij wie hij schulden had, want hij maakte het altijd weer goed. Hij heeft natuurlijk een enorme charme, maar alleen daarmee red je het ook niet. Ramses is gewoon lief, hij is een goed mens. Een van de liefste mensen die ik ken, met al zijn ijdelheid en rare dingen, een van de allerliefste mensen die ik ken.’ Ik knik werktuigelijk, niet om te beamen. Tussen mijn vingers houd ik een foto. Sigrid en Ramses voor de Toneelschool. In het dagboek van moeder Snellen stond:

Image

Ramses als leerling-acteur.

23, 24, 25 mei 1955

Eindexamen toneelschool. Didi is nu werkelijk aan het eind van de opleiding. Diploma werd niet uitgereikt. Door toneelverzuim nemen de heren geen theorie-examen af, maar het zotte is dat hij van alle troepen… [onleesbaar]. Zou het zin hebben om te zeggen dat hij een doorzetter is [onleesbaar] vast contract met de Ned. Comedie volgde.

‘Ramses vertelde me dat hij zijn diploma niet heeft gekregen, omdat hij bij de theorielessen nooit aanwezig was.’

Sigrid roept: ‘Welnee! Hij was er ook nooit bij repetities. En bij theorie was hij er zeker niet, dat interesseerde hem al helemaal niet. Het was soms ook echt vervelend, dan konden we dingen niet doen, omdat Ramses er niet was.’

Shaffy ging met Sigrid mee naar de Nederlandse Comedie. Direct viel hij op door zijn manier van spelen. Enthousiast, vol overgave, met een enorme passie. Ramses acteerde, schreef liedjes, speelde piano, schilderde en vierde nachtenlang feest. Als ik nu eens mijn ogen sluit, misschien dat ik dan naast hem kon zitten, op het terras bij het Americain waar hij dronk met Sigrid en Shireen Strooker. Albert Mol was net aangeschoven. De Deen Freddy Albeck fluisterde tegen Mol dat hij met Shaffy had gevreeën. Tijden stromen door elkaar. De lach van Ramses herkende ik uit de toekomst.

Ik open mijn ogen. Als een zon beschijnt Sigrid de foto's. Zwart-wit opnieuw belicht. Ik zucht: ‘Je hoort zo veel verhalen over hem. Zijn die allemaal waar?’

Sigrid knikt: ‘Ja, de meeste wel. Ik vind het helemaal niet zo leuk om erover te vertellen, want er zijn ook vervelende dingen gebeurd. Hij kwam soms gewoon niet opdagen, dat weet ik nog. Dat was in Eindhoven. Dan sta je in zo'n zaal en dan komt hij niet. En dat is echt niet leuk. Vreselijk.’

‘Hoe werd dat dan opgelost?’

‘Ja, dat werd opgelost, maar ik heb geen zin om daarover te praten… dan kwam hij wel aanzetten, maar, néé… ik ga er niet over praten. Zo erg heb ik het ook maar één keer meegemaakt. Maar wel dat afwezig zijn, of te laat. Het was ook inderdaad hopeloos, we moesten eindexamen doen. En wij deden nog eindexamen in schouwburgen, dus je moest repeteren daarvoor en hij was er gewoon niet. Er was altijd wat. En toen mocht-ie niet! Nou, daar zat ik hoor… Uiteindelijk hebben we een hartstikke leuk eindexamen gedaan. We speelden toen van alles, verschillende scènes uit toneelstukken. Het eindexamen was een ratjetoe, je moest lekker kunnen laten zien wat je kon. Maar dat is ook weg, nog zo'n fout. De arme leerlingen van tegenwoordig. Je leerde gewoon om in de schouwburg te staan. In de la Mar deden we het dan voor de examencommissie, en je slaagde dan wel of niet. En de leukste dingen deed je dan nog een keer in schouwburgen in Amsterdam, Haarlem, Den Haag… en ik geloof ook Utrecht. Dus je stond in vier schouwburgen! Dat is goed! Je had daardoor meteen een hartstikke goede start. Je stond in de krant en iedereen had je gezien. Alle directeuren van de gezelschappen, die kwamen allemaal kijken. Nu gaat alles zo stiekempjes op die school, er gaan er maar een paar door… weet ik veel. Maar dat had iets feestelijks, iets leuks. Ramses en ik sprongen er echt uit. Ik kreeg meteen een prijs. Ik was de eerste die de Top Naeffprijs kreeg. En Ramses viel ook enorm op. We gingen heel goed van start. Bij de Nederlandse Comedie ook, daar hebben we nog nooit een kleine rol gespeeld. Nou, goed, dat is ook de tijd geweest. We waren de enige toneelschool, dus de gezelschappen zaten om ons te springen. Later kwamen Arnhem en Maastricht. En de klassen zitten tegenwoordig ook bomvol… dus… niet te vergelijken… en al die honderden mensen komen de markt op, terwijl het aantal gezelschappen alleen maar afneemt. Je hebt nu wel televisie, maar als je voor het toneel kiest, dan wil je toch naar het toneel nietwaar? Nou, en dat wilden wij.’

Image

1955. Sigrid Koetse en Ramses tijdens de eindexamenvoorstelling van de toneelschool.

‘Was er al tv?’

‘Ja zeker! Weliswaar één zender, maar iedere donderdagavond speelden wij live toneel voor de televisie. Iedereen zag ons! We hebben hartstikke veel televisie gedaan. Zeker elke maand een keer. Live! Dus je kwam op en je speelde. Wat fout ging, ging fout… Er is bijna niets van bewaard, helaas. We hebben dus onze tijd echt mee gehad, ja… ja…’

Op tafel liggen krantenartikelen. Ik buig voorover, en kijk in een verleden. 1955, Ramses heeft het over zijn liefde voor cabaret in De Telegraaf. Foto van een jonge Shaffy, met krullende kuif. Een onbekende krant uit 1958 bericht: ‘Nederlandse toneelleven ideaal voor de jonge acteur.’ En verder: ‘U hoeft niet lang naar hem te zoeken. U ziet hem direct zitten, met dat intens levende jongensgezicht, die lichte ogen, die kunnen dromen, maar ook ineens drie tinten donkerder worden, wanneer hij heftig zijn recht verdedigt om zichzelf te mogen zijn, en het donkere haar, dat zich met geen mogelijkheid in zijn fatsoen laat dwingen, omdat elke lok de individualist symboliseert, die eronder schuilt.’

De krant beschrijft dat er allerlei leuke en wilde verhalen over Shaffy de ronde doen. Hij zou regelmatig slapen in de Koningsloge van de Stadsschouwburg, al dan niet alleen. Ik hoor Ramses praten, hij is zonder diploma van school gegaan. Zijn stem is nog jong. ‘Na mijn drie jaar op de toneelschool ben ik de beste maatjes geworden met de heer Pos, al heeft hij met mij last genoeg gehad. Aanbiedingen kreeg ik ook genoeg, al had ik geen diploma. En dat was erg moeilijk met sollicitaties.’

Voor mijn ogen draait een film. Het is 1955, Ramses ging solliciteren bij de Haagse Comedie. In een T-shirt en een spijkerbroek stapte hij in Den Haag uit de trein. Hij realiseerde zich dat hij misschien toch beter in een net pak had kunnen komen. ‘Eigenlijk helemaal geen probleem, want ik heb nu geen net pak, dus…’ Hij keek rond op het plein voor het station. Hij wilde toch iets verzinnen om mee voor de dag te komen. Zijn blik viel op een ‘aapje’, een karretje met een paard ervoor, waarop toeristen door de stad werden rondgereden. Hij huurde een ‘aapje’ en liet zich rijden. Dan rijd je toch een beetje netjes voor, dacht hij. Eenmaal aangekomen bij de Comedie, moest hij door een smal straatje naast de Koninklijke Schouwburg. Het paard werd nerveus en begon te steigeren. Kleng!! Een ruit van het kantoor van de Comedie ging aan diggelen. Onmiddellijk rende een man naar buiten. Briesend. Het was Cees Laseur, de directeur van het gezelschap. ‘Ramses, het hoeft al niet meer!’ Beteuterd liet Shaffy zich terugrijden naar het station.

Ik glimlach naar Sigrid. De zon glijdt over haar gezicht: ‘Ik weet nog dat hij de Gijsbrecht voor het eerst moest doen. Hij speelde Arend. Ik dacht: nou, dat wordt dus verschrikkelijk! Hoe kunnen ze hem die rol nu geven. Ik was net weg bij de Nederlandse Comedie, en had zelf jarenlang de Gijsbrecht gespeeld. Ik dacht: ik moet toch gaan kijken. Ik ging met het zweet in mijn handen, in mijn eentje. En ik heb met open bek zitten kijken… prachtig! Een van de mooiste Arenden die ik ooit had gezien. Hij speelde prachtig! Ik dacht nog, dat wordt niets met die Joost van den Vondeltaal. Ik wist nog van het eindexamen op de toneelschool dat hij daar een keer een stuk van Vondel moest voordragen en dat hij de allergrootste rei uitzocht die je maar kon vinden. Over het ontstaan van de aarde. “Den baaierd woest en duister,” zo begon het, geloof ik. Ik kreeg zo de slappe lach en ik probeerde het Ramses uit zijn hoofd te praten. “Dat kan niet, Ramses, je gaat de mist in.” “Nee,” zei hij, “ik ga het doen.” Dus hij kwam op op het kleine toneeltje. En ik stond te wachten in de coulissen, want ik dacht: na twee strofen zit hij al hartstikke vast. Maar hij kwam er feilloos uit. Kwam hij van het toneel af met zo'n gezicht van “zie je wel”. Vondel had bij Ramses altijd het effect alsof hij zijn flauwekul-gedichten deed.’ Sigrid trekt een komisch gezicht: ‘Dus toen hij die Arend deed in de Gijsbrecht, zo goed, toen zag ik hoe groot zijn talent was. Nu kan hij alles, dacht ik.’

Ik knik en luister. Het is alsof ik in een schouwburg zit, ver terug in de tijd. Eén jongeman bezet alle stoelen.

Sigrid staart me aan. Zo lijkt het. Ik weet niet of ze me wel ziet. Ze is in gedachten: ‘En waar ik wel erg moeite mee had, toen al! Dat waren al die, ja… hoe noem je die nou… mensen die op zijn zak teerden. We gingen veel uit in die tijd, en Ramses kende veel mensen. Dan kwam die er weer bij en die er weer bij. En hij betaalde alles! Hoe heet dat nou, van die profiteurs! We zaten nog op de toneelschool, toen gebeurde dat al. En Ramses is natuurlijk leuk en open en hij vond zelf ook iedereen leuk en mooi. Er werd misbruik van hem gemaakt. Ik had dan zoiets van Jezus, zeg, kunnen we ooit eens ergens naartoe waar niet meteen een hele groep rondom onze tafel staat met mensen die ik meestal helemaal niets vond. Van die niksen die ook altijd niksen zijn gebleven. En zijn hele leven heeft-ie altijd van dat soort types om zich heen gehad. Ik had er echt de pest in… dat ze op hem teerden.’ Haar ogen spuwen blauw vuur. Zodra ze haar mond opent, ontvlamt haar temperament. ‘Hij heeft zo natuurlijk ook mensen ontdekt die wél talent hadden! Daar is Liesbeth natuurlijk het voorbeeld van, en meerdere hoor. Ook Joop eigenlijk, en Thijs van Leer. Als hij talent zag, dan kon hij je enórm stimuleren! Maar dus ook mensen die dat talent niet hadden en die heel zijn leven om hem heen bleven hangen. En dat heeft-ie denk ik op een goed moment wel een beetje in de gaten gekregen. En daar reageert-ie wel op. Ik moet altijd vreselijk lachen als ik uit hem iets scherps hoor komen. Dan denk ik: hè, hè, eindelijk is hij zover. Had hij dat vroeger maar gehad… Maar hij heeft in het leven natuurlijk wel eens de klap op zijn kop gehad, en daardoor is er misschien iets gebeurd. Het zat vroeger absoluut niet in hem, hij was altijd zo open, voor alles en iedereen. Hij wees nooit iets bij voorbaat af. Bijna op het naïeve af. Een enórm enthousiasme en levenslust!’ Ze ploft tegen de rugleuning en ademt uit.

‘Is dat nu weg?’ vraag ik zacht.

Ze draait haar hoofd naar me toe, kijkt naar zijn foto aan de muur en zegt: ‘Nee, ik geloof niet dat dat nu weg is, maar het is wel ingesust.’

We staan op, lopen naar de deur. In de hal blijven we even staan. Ik kijk nog één keer om me heen en wil mijn jas pakken. ‘We hebben zo gelachen,’ mijmert Sigrid, ‘altijd als hij achter de piano ging zitten. Het zat er altijd al in… hij kon alles op de piano.’ Ze tuit haar lippen en maakt een smakkend geluid. Ik zie Ramses voor me. Hij was bezig met een musical die hij wilde opvoeren op de toneelschool, maar de directie keurde het programma af. Ramses besloot zijn Olé la Marquerita zelf te produceren. Zijn beste vrienden hielpen mee. Ramses had acteurs nodig en zangers, mensen die posters wilden aanplakken in de stad. Al zijn geld en wat hij er nog bij kon lenen stak hij in Olé. Het werd zijn eerste financiële flop. Hij heeft jaren moeten werken om de schuld van dit experiment terug te betalen.

Sigrids gezicht breekt open: ‘Ja, Olé la Marquerita is begonnen bij ons op school, ik zat er zelf in. We stonden op het kleine toneeltje om een klein putje heen en dat heeft hij later gemaakt tot die grote toestand allemaal, dat Chantant, maar daar heb ik niet meer aan meegedaan. Op de toneelschool moest je soms ook cabaret doen, niet iedereen vond dat zo leuk, maar Ramses wel. We hebben ontzettend leuke avondjes gehad. Ellen Vogel zegt nog wel eens tegen mij: “Je deed iets met twee vlechtjes.” Dat was allemaal die onzin van Ramses. En uit die onzin is ook Olé la Marquerita ontstaan. Hij had van die leuke, gekke liedjes, en dat is later uitgegroeid tot het grote Chantant.’ Ik open de deur en stap naar buiten. Een heerlijke lucht vol zon. Ik zoen Sigrid op haar wangen. Ze zegt: ‘Er zijn eigenlijk maar drie jaar in mijn leven die ik nog een keer opnieuw zou willen doen… dat zijn die drie jaar met Ramses op de toneelschool. Het was de mooiste tijd van mijn leven… ja…’

Aan de rand van het Leidseplein vind ik een bankje. De stad verandert langzaam voor me. De haat-liefde verhouding die ik met Amsterdam heb, komt meer in balans. Overal liggen zijn verhalen. Al heb ik er nooit gewoond, ik merk dat ik verbonden raak met een verleden dat niet van mij is. Dat misschien wel van ons allemaal is. Misschien komt het wel, omdat ik er zo graag bij geweest had willen zijn. Het Leidseplein is onherkenbaar. Trams, volle terrassen, agressieve geluiden, zwervers. Het Americain heeft nog de oude naam, maar is niet meer. Toen Shaffy hier heerste, zaten de meisjes aan de overkant van het Americain te smachten naar een glimp van hun god. Nog voordat hij van de toneelschool kwam, was hij in de Amsterdamse scene een opvallende verschijning. Zijn lach stak hele terrassen aan met zijn levenslust. Zijn absurde liedjes klonken uit de cafés waar hij dronk. Nu loopt iedereen door, zo lijkt het. Maar misschien dat er nog wel mensen tussen lopen die… ik weet het niet. Mijn hart voelt dit verleden, de tijd van Sartre, Camus, de stem van Gréco. Ik denk aan Ramses. Hier heeft hij zijn start gemaakt. Het plein was een dorp. Nergens vind ik de namen van de kroegen waar hij over zingt. Lucky Starr, de Old Inn… misschien kijk ik niet goed. Ik zit op het bankje en kijk om me heen, zonder scherp te stellen. Dat wat ik wil zien, gebeurt binnen in me.

Shaffy en ik zaten aan een tafel in het Sarphatihuis. Edith was er ook. Ze liet me foto's zien van Ramses met Willeke Alberti. Opeens schuift ze een tijdschrift onder mijn neus, een roddelblad. ‘Wat denk je hiervan?’

‘Ramses Shaffy (69) gaat trouwen met vriendin (48)!’ schreeuwde de kop.

En onder de foto van Ramses stond geschreven: ‘Ramses vindt alsnog het geluk.’

Volgens het artikel zou de door dementie bedreigde Shaffy deze zomer gaan trouwen met zijn vriendin Edith van Rijn. Haar achternaam is Huijer! Vrienden van Ramses en Edith zouden zich verheugen op een huwelijksfeest, maar of dat ervan zal komen wist niemand. Ramses zou zijn huwelijk het liefst intiem willen vieren. Alleen Liesbeth List en familie van Edith zouden mee mogen naar het stadhuis. Shaffy zou Edith toevallig hebben ontmoet in het Sarphatihuis, omdat zij er een tante zou hebben die er woonde. Er zou geen seksueel contact zijn. Ik keek Shaffy aan en zei: ‘Dus je gaat trouwen… en Willeke dan?’

Onbewogen antwoordde hij: ‘Ik ga met Edith trouwen en met Willeke, slapen met jou, gewoon ertussendoor. Kan best.’

Slapen met mij? dacht ik, juist. Misschien begreep ik hem niet goed. Ik trok het artikel naar me toe en zei: ‘Toch fijn dat je alsnog het geluk gaat vinden! Had je dat nog niet dan?’

Shaffy lachte breed: ‘Nou en of! Ha ha, en jij als schrijver krijgt dit nu in handen. Ha, ha! Ze hebben het mooi verzonnen, ik weet niet wie dit geschreven heeft. Ik heb al zo veel flauwekul over me heen gehad. Kan je meteen de prullenbak ingooien.’

De kranten schrijven soms ook maar wat. Bij de première van de musical De Drie Musketiers zou Ramses hebben gezegd dat de opvolging van Shaffy en List er nu is. Van Edith wist ik dat Shaffy zijn ogen amper kon openhouden. ‘Die heb ik ook absoluut niet in hen herkend!’ zei Shaffy aan tafel, ‘ik heb dat nooit gezegd. Lap het maar aan je laars.’

Edith nam afscheid. Shaffy stond op en vroeg aan me: ‘Zullen we daar gaan zitten? Hier is er zo veel lawaai.’ Hij wees naar een tafeltje verderop. Ik voelde me al best vertrouwd. Zijn stem, zijn tred, zijn directheid. Het was niet nieuw meer. We gingen zitten en ik legde mijn recordertje, notitieblokje en mijn pen op tafel. Ramses zat geamuseerd te kijken. Op zijn lippen danste een ondeugend lachje. Hij schroefde een flesje wijn open. Zijn mond krulde. ‘Vanmorgen nog, ik keek uit het raam, naar beneden, naar de gracht, toen zag ik een hele oude auto staan, zo'n Amerikaan, een Pontiac. Ik dacht toen: zo'n auto heb ik ook gehad. Het is wel een mooi verhaal, voor het boek. Ik had net gespeeld in een stuk op televisie, voor de NCRV, geloof ik. En ik werd direct betaald. Dus ik zit op een terras, komt er zo'n figúúr naast me zitten, zo eentje uit de andere wereld…’ Shaffy speurde in de coulissen van zijn geheugen. Hij keek me vragend aan.

‘Een pooier?’ zei ik.

‘Ja… zoiets… hij deed van alles, handelde ook in auto's, zo'n Pistolen Paultje… eh… Willem W., heette hij. Hij had me op tv gezien en schoof bij me aan met een verhaal dat ik nu een stér was en of het nu geen tijd werd om ook in een mooie auto te gaan rijden.’ Zijn ogen werden licht en vrolijk. Zijn gezicht was één lach. ‘En ik hoorde mezelf zeggen dat ik er wel eentje wilde kopen. Korte tijd later kwam hij voorrijden in een prachtige diepzwarte Pontiac. Ik vroeg hem wat-ie moest kosten en ik had dat geld toevallig net op zak, dus we waren er snel uit. Betalen, sleutels, en rijden. Maar ik had geen rijbewijs… Ik heb er ook nog een tijdje in gereden, in geslapen zelfs. Dan reed ik ergens naartoe, en dan sliep ik in de Pontiac. Het was een soort kamer geworden. Op een dag gaf ik een feest bij mij thuis. En na afloop daarvan gingen we toeren in de Pontiac. Door heel Noord-Holland. Ik weet niet meer precies wie erbij waren, maar de auto zat bomvol. Steeds wisselden we van chauffeur, want niemand had een rijbewijs! Overal gingen we langs, bij vrienden… eh… Lucebert… we zijn de hele provincie door geweest.’ De droge, haast deftige manier waarop Ramses vertelde was lachwekkend. Ik schudde mijn hoofd. Het leek me een heerlijke rit.

‘Er werd natuurlijk behoorlijk gedronken?’

Zijn gezicht plooide zich in een hartverwarmende lach: ‘Wat héét!! Enórm! En gerookt!! Heerlijke hasjiesj.’ Ramses zweeg en nam de tijd om de geïnhaleerde rook traag te laten ontsnappen. ‘Tegen de ochtend naderden we Amsterdam. Het was een avontuurlijke rijtoer geweest. Eenmaal in de stad begon de motor van de Pontiac te proesten en te hoesten. En midden op de Magere Brug stopte ze ermee. Toen dacht ik, we zijn heelhuids aangekomen, het was een wónder dat we de stad hadden bereikt en dat we het óverlééfd hadden, en een wonder dat we in onze toestand de Pontiac veilig op de Magere Brug hadden gekregen. Midden op de brug zei ik dat we allemaal moesten uitstappen, weg moesten lopen en niet mochten omkijken… we stapten uit, we liepen weg, niemand keek om. Behalve ik. Ik keek nog één keer over mijn schouder, naar de prachtige Pontiac op de brug. Sleutels nog in het contact. Ik dacht bij mezelf dat het goed was. Ik zei: “Het is jammer, maar de tijd van de Pontiac is geweest.” Daarna hebben we de auto nooit meer gezien. Geen idee…’

Zijn ogen twinkelden.

De terrassen op het Leidseplein zijn nog leeg. Er lopen toeristen langs op weg naar het Rijksmuseum. Ik zit op het bankje en denk aan toen. Ramses was een van de meest besproken acteurs van het land. Hij was stemmingbepalend. Hier speelde hij Anatole, Arend van Aemstel, grote rollen. Na de voorstelling verdween hij in de artiestensociëteit De Kring.

Ik sta op, slenter over het pleintje, en sta ineens in de Lange Leidsedwarsstraat. Daar woonde Ingrid Valerius vroeger met haar moeder Tanya. Vorige week nog vroeg Ramses of ik iedereen die ik wilde spreken kon vinden. Ik had geknikt. Hij vroeg: ‘En Ingridje… Ingrid Valerius, die moet er ook in. Zij is… met haar had ik wel kinderen gewild. Maar het is niet gebeurd. Het lag niet in de natuur.’ Hij sprak met een plechtige stem. Hij zei: ‘Ik heb haar al een tijdje niet gezien, maar ik verwacht haar binnenkort.’

Ik ontmoette haar in haar nieuwe woninkje in het centrum van de stad. Ze was zes jaar vrijwel niet in Amsterdam geweest, maar ook in deze fase drijft het leven haar weer samen met Ramses. ‘Zo spraken we toen, het was onze taal, van Joop Admiraal, Shireen Strooker, Ramses en mij,’ lachte Ingrid, ‘Ramses liep altijd van die onzintaal te zingen, en dan kneep hij daarbij oude dametjes in hun bil of wang. Daaruit is dit boekje ontstaan.’ Ik houd het in mijn hand, een klein jolig boekje waarop staat Het boek Lielje. Ik leg het op tafel en kijk in het azuurblauwe ogen van een vrouw, naar wie ik al lang op zoek was en die ineens verscheen.

Ze draaide een mager shaggie. Eentje zonder. De koffie met melk en suiker dampte op het tafeltje. Het huis omarmde me. Ik zat in een lage stoel en voel me welkom. Oranje vloer, witgeschilderde tafel met daarop potten met potloden, kwasten, een tekenblok, een foto met bekende Nederlanders, een kleine van Albert Mol met zijn vriend Geurt en vogelveren. Naast me een hoge antieke roze geschilderde kast, waarvan het deurpaneel was verwijderd en je direct de planken zag. Het was een soort Chinees altaar. Tegen de achterwand hingen foto's van dierbaren, ik herkende een Tibetaanse bel en Indiase beeldjes. De ruimte was niet lang voor mijn komst bewierookt. In de asbak voor me lagen lange vloeitjes, in de kast boeken over hasj, een cd van Marjol Flore en die met de filmmuziek van de documentaire Ramses.

Ingrid zat tegenover me, ze was in het wit. Haar lichtgekleurde haren hingen als vrije krullen tot over haar schouders. Er was nog niet veel gezegd, maar ik voelde dat deze vrouw heel belangrijk voor Ramses is. En dus gold dat ook voor mij. Zij kon mij vast veel over het leven van Ramses vertellen. Ik staarde naar Ingrid, zag hoe ze een houding probeerde te vinden op haar stoel. Ze had een mooi gezicht en droeg een gehaakt truitje. Haar ogen spraken vrede. Zij is net als Ramses een vrije ziel. Ze vertelde me dat ze met haar grenzeloos denkende moeder Tanya aan de rand van het Leidseplein woonde. Op haar zesde begon ze aan een balletopleiding en op haar veertiende verjaardag, waar destijds de leerplicht ophield, was ze de laatste klas van de lagere school uit gelopen. Ik zou haar het liefst eerst uren hebben bekeken, zonder er zelf te zijn. Ervaren hoe ze was, hoe ze zou bewegen door haar ruimte. Misschien zou ik de geheimen mogen kennen, elke lijn in haar gezicht een leven. Ze begon te praten. ‘Veertien was ik… stapelverliefd op Ramses. Vanaf het eerste moment dat ik hem zag. Het was ergens in een zaaltje aan het Leidseplein. Ik zou mijn moeder helpen posters plakken voor een musical Olé la Marquerita. Er liepen ook twee van die lange slungels rond, en één ervan was Ramses. Hij ging achter de piano zitten en begon te zingen. Een elektrische schok ging er door me heen… donderslag bij heldere hemel. Daarna kwam hij ook nog naar me toe, hij aaide me over mijn hoofd en zei: “God, wat fijn dat je me helpt.”’

Ingrid vertederde me als een kind. ‘Ik vond dat zo attent van hem… dit was in 1954 of 1955. Ik was bakvis en hij prins Ramses.’ Haar lippen tuitten om het shaggie. Ik keek naar de rook en voelde een heel diepe rust. ‘Ik wist toen nog niet zo goed wat er allemaal gebeurde. Hij was heel close met mijn moeder. Op een dag zei Ramses tegen haar: “Kom, we gaan varen.” Hij had niet eens een boot, maar hij zag wel een paar bootjes liggen op het water. Willekeurig maakte hij er één los. Samen zijn ze toen het IJ opgegaan. Waarschijnlijk met lekkere jointjes en wat drank. Ik geloof zelfs dat ze ook met elkaar… ja.’ Glimlach. Ze tipte as in de asbak. ‘Het leuke was dat het bootje van de havenpolitie bleek te zijn…’ zei ze droog.

Ze zweeg even, nam een andere houding aan en streek haar uit haar ogen.

‘Er was iets heel bijzonders tussen ons, maar ik dacht dat hij veel te oud was. Ik ben van december 1941, steenbok, net als Liesbeth. Hij is van 1933. Ik had alle voorstellingen van Olé la Marquerita gezien. Mijn kamer hing ook vol met posters en foto's. Op een avond lag ik in bed te slapen, toen nam mijn moeder hem mee naar huis. Niet voor haar zelf, maar voor mij. Ze maakte me wakker… ik opende mijn ogen. Zat Shaffy op mijn bed! Hij wist ook niet goed wat hij moest zeggen. Ik kon niets meer uitbrengen dan “dáág”, en ik lag er maar te glunderen. Uit een soort paniek van: ik moet nu toch iets zeggen, ben ik maar de hele show van Olé gaan zingen.’ Ze schudde haar hoofd, doofde het stompje shag en zuchtte.

Ik stelde me voor hoe het moest zijn. Je opent je ogen en je grootste idool zit op je bed. ‘Ramses heeft iets heel waardigs, hij beschermde je ook. Hij schermde me ook af. Het was een soort spel, we draaiden om elkaar heen. Hij bracht me ook altijd thuis, maar dat wilde ik natuurlijk niet… ik wilde maar één ding… bij hém zijn.’ Ik probeerde te zien hoe ze keek. Haar meisjesogen waren zo open en vriendelijk, haast dezelfde blik als bij Ramses. ‘Nu nog, eigenlijk.’ Ze beet op haar lip, maar al gauw glom de lach weer op haar mond. ‘Hij nam me ook wel eens mee naar zijn huis, 's nachts. Dan ging hij voor me pianospelen… dat was zo heerlijk, zo mooi. Hij beschermde me, en heeft dat altijd gedaan. Ook later, alle mannen met wie ik een relatie aanging, kwam hij checken. Of ze wel goed voor me waren, maar misschien wilde hij ze zelf ook wel.

Op een nacht waren we allebei behoorlijk lam, eigenlijk was het al bijna ochtend. We zwalkten door de straten en we kwamen langs een oude kerk. De deur stond open. Wij naar binnen. Komt er een priester aan. Ramses begint in zogenaamd Russisch een heel verhaal tegen die man te houden dat we wilden trouwen, dat het nú moest gebeuren en dat die priester dat moest regelen.’ Haar ogen glinsterden. Ze lachte: ‘Dat werkte natuurlijk helemaal niet… Zingend zijn we weer doorgelopen… Ik dacht: nu of nooit, ik ben met hem meegegaan naar zijn kamertje aan het einde van de Prinsengracht. Drie dagen lang was onze wereld niet groter dan het bed. Het was een heerlijke tijd… instinctief voelde ik dat we ons niet moesten binden. Misschien dat ik het wel wilde, maar ik had Ramses zo vaak horen klagen over al die vrouwen die hem na één nacht meteen weer wilden vastleggen, dat ik wel wist dat je hem altijd vrij moest laten.’ Ingrid likte langs een vloeipapiertje en rolde haar shaggie dicht. Vuur. ‘Ik was te jong… maar wat wij samen voelen… ja. Als ik eerlijk ben staat hij nog steeds op de eerste plaats, onze zielen zijn zo verwant, veel meer dan met de mannen met wie ik later kinderen heb gekregen… ja. En hij noemt me nog altijd zijn spirituele bruid.’

We zwegen. Ik las haar gezicht. Misschien dat het allemaal anders had kunnen zijn.

Mijn gedachten gleden naar Shaffy. We zaten in het Atrium. Een dame van zijn leeftijd kwam giechelend op hem af: ‘O Ramses, toen jij jong was… was ik zo verliefd op je. Ik heb zowat alle stukken waarin je hebt gespeeld gezien… ik had zo met je willen trouwen!’ Ramses keek verstoord op uit ons gesprek, wendde zijn hoofd naar de vrouw en zei deftig: ‘Dat wilden er zoveel, en daarom ben ik er nooit aan begonnen!’ Ze liep weg. Shaffy knipoogde naar me en proostte op het leven.

Ingrid leunde achterover. Rook kringelde naar het plafond. ‘Zijn moeder, zijn echte moeder, daar ben ik ook een keer geweest met Shaf. Later. Dat was in Brussel. We kwamen binnen en ze zei tegen Ramses: “Zo, dus dit is je vrouw.” Ramses liet het zo. Maar in die tijd was ik al getrouwd met Olof. Ik geloof zelfs dat ik mijn zoon Aram al had…’ De laatste woorden zei ze met zachte stem. Het had ook het kind van Ramses mogen zijn. Hij schreef er een lied over, wist ik. Voor me zat een vrouw vol van liefde. Haar ogen leken alleen maar te willen geven. ‘We kennen elkaar vele levens, de herkenning werd gewekt bij onze eerste ontmoeting. Ik kon zijn geest echt begrijpen,’ zegt ze. Opnieuw de bijna oosterse glimlach. Ze boog haar hoofd en was even stil. Ze rookte, en blies uit. ‘Hij is zo groots, zijn leven is groots. Heb je er wel eens bij stilgestaan hoe Amsterdam zou zijn als Shaffy er niet was geweest? Hij heeft ons allemaal leren leven, leren vieren.’

Ik knikte. Amsterdam is vrijheid, is roulette, is experiment, is feest, is seks. Ook risico, destructie, alcohol en drugs, sodom, ontvankelijkheid, een smeltkroes van culturen. Alles van Shaffy mag wonen in Amsterdam. Ingrid vouwde haar handen in elkaar, en legde ze op haar samengeknepen knieën. ‘Die ontmoeting met zijn echte moeder was ook zo intens, zo mooi. Ze zat daar, met haar ene hand op een wandelstok met een zilveren knop. Aan de muur hing een plaatje van het gezin van de tsaar. Ze had jaren in Parijs pianoles gegeven, maar destijds woonde ze in België. Ramses had het talent van haar. Hij knielde naast haar. Ik kon ze bijna niet verstaan, zo zacht spraken ze, in het Frans. Heel intens, zo intiem. Het was prachtig om te zien.’ Ingrid veegde langs haar neus en zuchtte: ‘Hij blijft het kleine jongetje op de trein, dat haal je niet meer uit hem… daarom ook die bindingsangst, terwijl hij er zo'n behoefte aan had… Dat is zijn eeuwige eenzaamheid.’

In mijn borst trok iets machtig samen. Een korte pijnscheut. Ik voelde dat ik heel dichtbij kwam. Door Ingrid tot Ramses. De eenzaamheid. Misschien trekt dat me zo in hem aan. Het willen leven, het willen feestvieren, het willen vrijen met iedereen, het willen geven, niets liever dan al het verdriet verzachten, maar tegelijk weten dat aan je eigen eenzaamheid niet te ontsnappen is. Oud zijn en sterven doe je uiteindelijk alleen.

‘Een keer had zijn moeder hem parfum meegegeven, voor zijn vrouw. Dat was ik.’ Ze slikte, maar bleef vrolijk kijken. Ingrid rekte zich uit, keek langs me heen in de richting van de keuken. Een van haar zonen kwam binnen. Een vredebrengende jongen met lang zwart haar. Ayurveda, type Kapha. Ik wist dat hij nu voor zijn moeder zorgde. Hij bracht ons koffie. ‘Ik was te jong, voor een relatie, voor kinderen,’ zei ze en deed een dot suiker in haar kopje. Haar gezicht was uitdrukkingsloos. Bij haar binnen spookten de gevoelens. ‘Hij kon zich ook niet echt binden, maar vrouwen willen dat eigenlijk toch. Die claimden hem allemaal. Ik denk dat daardoor jongens steeds interessanter voor hem werden. Hij was er altijd al wel mee bezig, maar zijn eerste echte relatie was met een man, met Joop Admiraal. Dat was ook zo'n bloedmooie jongen. Ramses en Joop, de één lang en donker, de ander tengerder en hoogblond. Zij waren absoluut de prinsen van Amsterdam.’

Ik zwierf naar Joop. Het was in dezelfde week dat ik hem sprak. Hij ging me voor de trap op, leidde me door een gigantische woonkamer met open haard en duizend boeken naar een antieke keuken vol oude spulletjes. Elke centimeter muur was benut. Emaillen kroezen, vergieten, pannetjes, lepeltjes, overal ansichtkaarten, foto's van bekenden, foto's van onbekenden. Je kon het zo gek niet bedenken, alleen uit de tijd met Ramses had hij niets meer. Toen het uit ging, had hij alles bij Ramses achtergelaten. Een beetje mysterieus grijnzend zat Joop tegenover me. Ik kreeg een kop koffie. Zelf nam hij witte chablis aangelengd met water. Ik dacht dat hij niet meer dronk. Terwijl hij inschonk, zei hij: ‘Ramses had me een keer gezien in een toneelstuk, dat we deden op de toneelschool. En daarin speelde ik op blote voeten. En, dat heeft-ie later gezegd, daar was hij op gevallen… En toen hebben we elkaar op straat ontmoet, daarna dus. Toen is hij met me mee naar huis gegaan en hebben we de hele nacht gepraat. Hij deed alsof hij weg wilde gaan, en hij zei: “Mag ik je een kus geven?” En daarna zijn we bij elkaar gebleven.’

Achteraf leek alles zo vanzelfsprekend. Een liefdespaar van twee jongens was volgens mij in die tijd nog heel bijzonder. ‘Wisten jullie van elkaar, dat jullie van de herenliefde waren? We hebben het over de jaren vijftig,’ vroeg ik.

Joop dacht na. De tijd vulde hij met trage handelingen. Pakje sigaretten openmaken, er eentje uit nemen. Een aansteker zoeken, een vlammetje aanzuigen door de sigaret en heel langzaam de eerste rook uitblazen. Daarna zei hij: ‘Ja, ja… dat had ik geloof ik wel een beetje in de gaten, en ook gehoord al. Ik had in die tijd al wel van hem gehoord, maar ik had hem nog nooit gezien, echt gesproken. Hij was een bijzonder acteur, sowieso.’

‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik.

Joop keek me aan, rekte tijd om te formuleren en zei: ‘Nou, opvallend en vooral zijn persoonlijkheid. Een bijzondere, leuke, aantrekkelijke jongen met veel talent. En geen gewone jongen, geen Hollandse jongen, zal ik maar zeggen.’

‘Merkte je dat ook aan zijn acteerwerk?’

‘Het was een beetje ongewoon. Hij had veel aanwezigheid, je keek erg naar hem. Bijvoorbeeld in de Gijsbrecht. Hij was de eerste die zijn rol muzikaal maakte en niet zo'n stapdreun had. Hij kon een cadans vinden in de versvoeten, dat deed hij het beste van allemaal. Het nieuwst, het meest modern. Zo wilde ik het ook kunnen. En iedereen wilde het wel zo kunnen. Het was ineens muzikaal, geen maat.’ De rook reikte tot het vergeelde plafond. Prachtig om te zien hoe de zon de walm zichtbaar maakte.

‘Hij speelde vaak zware klassieke rollen,’ maakte ik op uit mijn notitieboekje, ‘Anatole, Zoete Vogel der Jeugd, Engel kijk terug, Zachtjes met de deuren, Midzomernachtsdroom, Richard II, De Meeuw, later ook in films, De zaak M.P. van Bert Haanstra, De verloedering van de Swieps, Een Vreemde Vogel van Lennaert Nijgh, Liefdesbekentenissen… ga zo maar door.’

Joops ogen waren weemoedig, maar ook trots: ‘Ja, hij heeft heel veel gedaan. Maar die Vondeltaal, dat sprak hij zo natuurlijk uit en dat heeft dus met zijn muzikaliteit te maken.’

‘Veel mensen die ik spreek hebben het ook over die mooie acteur, met zijn stem en dansende manier van praten,’ herinnerde ik me.

Joop lachte: ‘Daarin was hij uniek. Hij was altijd al anders dan andere jongens, ook in zijn gedrag. Hij was meestal te laat en was veel dingen kwijt. Zijn teksten. Hij was slordig, maar het lukte hem altijd wel. Op de toneelschool kwam hij te laat en dan zei hij dat er een meeuw in zijn oog was gevlogen. Dat vonden ze allemaal zo raar, daarom weet iedereen het nog.’ Zijn ogen streken langs mijn gezicht, en stelden scherp op het groen buiten achter zijn huis. ‘Hij was meteen goed. Hij was ook direct geadopteerd door Ko van Dijk en Ank van der Moer.’

‘Je moet je toch bewijzen?’ klonk mijn stem verbaasd.

‘Ja, maar als je een stempel van Ko van Dijk krijgt, en je doet al drie jaar dingen die steeds goed zijn, ja… dan denken ze: daar zit het wel in. Dat zie je nu ook, jong talent wordt meteen herkend. Meestal nog eerder door collega's.’

‘Jullie zijn sowieso wel een goede lichting, niet? Sigrid Koetse, jij, Shireen, Henk van Ulsen, Ramses…’ Joop knikte en schonk bij. Chablis en bronwater. ‘Wil je ook?’

Ik knikte: ‘Maar dan wel puur.’

Hij lachte vriendelijk en zei: ‘Dat kwam ook… dan ging je naar de toneelschool en dan waren er wel honderd die toelatingsexamen wilde doen, en dan werden er dan twaalf aangenomen, en dan was je drie maanden op proef en dan gingen er weer vier weg. Wij hadden een grote klas van acht. En dat was bijzonder, want daarvoor zat er één van vier, daarna nog één van drie. Dan was er nog een toneelschool in Arnhem en die begon toen pas. Dus ieder jaar kwamen er maar een stuk of tien acteurs bij. Je kreeg ook meteen werk.’

‘Dat is nu anders.’ Dat wist ik al van Sigrid.

‘Ja, nu komen er ieder jaar wel honderd af.’

De wijn kuste mijn tong. De chablis was fris tintelend. Terwijl ik dronk, keek ik over de rand van mijn glas naar Joop. Hij staarde voor zich uit. Zijn blonde haren waren gekortwiekt en grijs, het was onmogelijk me voor te stellen hoe hij eruit had gezien. Ook moest ik steeds denken aan zijn voeten. Wat was er zo bijzonder aan zijn voeten?

‘Voor blote voeten blijf je niet samen. Wat was de “klik”?’ vroeg ik zacht om mijn brutaliteit een beetje te maskeren.

‘Nou ja, we waren wel verliefd op elkaar, meteen. We vonden elkaar heel aantrekkelijk, fysiek ook. Ik vond hem bijzonder en gelukkig vond hij mij ook bijzonder, maar Ramses had toen al besloten dat-ie naar Parijs zou gaan.’

Parijs? Woonde zijn echte moeder daar niet in die tijd? Nee, ze was al in Brussel. Was het niet? Joop praatte rustig door: ‘Toen hij terugkwam uit Parijs zijn we gaan samenwonen, aan de Derde Weteringdwarsstraat. En dat was vrij snel een troep ja. We hadden wel een werkster, maar die deed ook niet veel, die zette een bloemetje neer en dan leek het schoon.’ Zijn tanden lagen even bloot. Ik keek en wachtte. Joop keek me aan, en begon uit zichzelf te vertellen.

‘Ik heb zijn biologische moeder nog wel aan de telefoon gehad. La Princesse, noemde ze zich.’ Zijn gezicht gleed in een lach. Dan met hoog verdraaide stem: ‘Ici la Princesse, où est mon Prince? Mon Prince est là?’ Hij stak een nieuwe sigaret op en ging anders zitten.

Hij dacht na. ‘Hij vindt Roos Snellen niet voor niets zijn liefste moeder, en ja, zijn eigen moeder… ja, die woonde op een gegeven moment in Brussel. Die stuurde met oud en nieuw altijd heel veel champagne en kaviaar. Ik wist niet eens of ik het wel lustte, maar ze stuurde wel twintig van die blikjes op, ik kon net zo lang proeven totdat ik het echt lekker vond. Het was belachelijk duur, allemaal. Ik geloofde dat ze heel erg rijk was en ik geloofde ook een beetje dat ze een prinses was.’

Ik stond aan de rand van een sprookje. Het leven van Ramses heeft er ook wel iets van weg, bedacht ik me. Terwijl mijn vingers speelden met het glas, stelde ik: ‘Is Ramses getraumatiseerd daardoor?’ Onmiddellijk begon Joop zacht te knikken. Alsof ik deel was van een dialoog tussen een jonge schrijver en een oudere acteur.

‘Ja… ik denk het wel, het is natuurlijk niet leuk als je moeder je in de steek laat, maar Ramses is niet iemand die zegt: “Ik ben zo zielig, ik heb zo'n ongelukkige jeugd gehad…” Nee, zo is hij helemaal niet. Hij hield gewoon van moeder Snellen en van vader Snellen later ook. In het begin ging het niet zo goed, vader was tamelijk streng, stelde hoge eisen. En met sinterklaas waren zijn gedichten altijd vol verwijten, daar heeft-ie nare herinneringen aan. Dat moest-ie dan hardop voorlezen. Dat is niet goed, dat is niet goed. Nou ja, die man wilde natuurlijk ook opvoeden, die dacht: dat helpt. Maar Roos was de warmte, en Aya ook.’

Joop nam een slokje chablis met water. Alle bewegingen die hij maakte, waren sierlijk en zacht. ‘De moeder van Ramses was een heel mooie vrouw. Ze had ook een huishoudster, Henriëtte. En die behandelde ze als een slavin. Ze gaf gewoon bevelen. Dat vond Ramses ook niet zo aardig van zijn moeder. Misschien deed ze dat ook wel om indruk te maken op Ramses, als hij kwam eten. Ze dronk champagne en ze at kaviaar. Ze schreef brieven en ze had net zo'n handschrift als Ramses, met van die lussen, lekker groot. En die begonnen dan met, maar dan in het Frans “mijn grote liefde, bewonderde, eindelijk, ik denk de hele tijd aan je. Ik kan niet zonder je leven. Mijn hart is gevuld met liefde”. Dit soort dingen. Maar wel zo lekker, dat deed Ramses ook bij mij, toen hij in Parijs zat schreef hij me iedere dag een brief. En ik was daar niet goed in, dus ik maakte dan een tekeningetje en daar stond dan op “ik houd van je”. Ik kon niet alleen dat opschrijven, dus ik had er een tekeningetje bij gemaakt. Een huilend oog, of zo.’ Joops magere glimlachje maakte hem vertederend. Zeker toen hij zei: ‘Toen het uit was kon ik heel lang niet tegen iemand zeggen: “Ik houd van je.” Dan zei ik wel: “Ik vind je aardig.” “Houd je ook van me?” Dan zei ik: “Nou, ik… ja.” Maar ik wil dus zeggen, ik kreeg iedere dag ook zo'n brief met die taal, met die krullen. Het was mijn eerste liefde en daarom heeft hij ook zo'n indruk op me gemaakt. Ik was toen nog jong, ik kende geen overspel… ik kende dat allemaal nog niet…’

Joop bewoog zich door het keukentje, en keerde terug met heerlijke grote olijven en nootjes. Ik begon direct te eten. De chablis moest het commando niet overnemen. Joop had het bronwater ook maar achterwege gelaten. Vergenoegd zette hij zijn glas aan zijn mond, dronk en zei: ‘Mijn ouders vonden Ramses heel leuk. Ze hadden wel meteen door dat hij niet met geld kon omgaan, maar mijn moeder zei: “Ramses heeft een goede invloed op je, je bent in een jaar heel erg veranderd.” Ramses zei iedere dag tegen mij dat ik heel erg bijzonder was, en dat ik heel veel talent had. Je krijgt alsmaar positieve energie van hem, ik bloeide op. Maar ik geloof niet dat ik toen al tegen mijn ouders had gezegd dat ik ook echt homo was.’

Zijn ogen glommen. Alsof hij blij was over Ramses te praten.

‘Op vakantie ook, dan kreeg-ie iedereen aan het zingen. Dan zei hij tegen meisjes ook: “Oehoe, jij kan mooi zingen, dat is mooi.” Hij liet mensen zingen. Dat was fantastisch. Hij had altijd heel erg veel mensen om zich heen. Ook als je in een klein dorpje kwam, ze vonden hem meteen leuk. Omdat hij kon zingen, muziek kon maken. Hij was een open jongeman, die plezier had in mensen. Maar wel, wil je met me spelen? Speel met me mee, maar het was wel zíjn spel. Ik herinner me nog die vakanties… we gingen naar Spanje. Dat was in die tijd heel bijzonder. Dan kwam hij een hotel binnen met grootse gebaren. Hij was niet op vakantie, hij was te gast. Hij liet zich ook behandelen als een filmster. Mensen zagen ook alleen maar hem staan. Ze dachten over mij natuurlijk: wat moet die jongen nu bij hem? Ze geloofden niet dat ik ook acteur was. Dit was 1958, 1959, 1960… later liep het allemaal wel uit de hand… met drank en zo.’

Ramses en ik zaten in het Atrium. Voor ons op tafel lag het artikel uit het tijdschrift. Ramses trouwen! Ha! Hij zag dat ik ernaar keek, schoof het terzijde en zei met een hoge stem: ‘Hupsakeet! Het is onzin.’ Het verhaal bestond voor hem niet meer.

‘Je bent toch meer van de herenliefde?’

‘Ja,’ zei hij met warmte, ‘ik vind vrouwen ook interessant, maar mijn echte relaties had ik met mannen. Mijn eerste homoseksuele ervaring was in een kerk. Ik zag een jongen bidden, dat was zo ontroerend… en erg opwindend. Sowieso werd ik tijdens mijn puberteit heel erg, maar ook heel erg snél seksueel bewust… dat heeft ook alles te maken met mystiek. Eerst viel ik op vrouwen, maar mijn pleegouders, de familie Snellen, hadden het al voorvoeld, dat ik meer op jongens zou vallen. Ze zagen me al tijdens mijn puberteit naar de eigen sekse trekken… ja… en na Ingrid werd het Joop. We gingen samenwonen aan de Derde Weteringdwarsstraat. Een heerlijke tijd, een woeste tijd ook. Turbulent. Ook tussen Joop en mij. De liefde tussen Joop en mij is altijd gebleven. Ik zie hem nog iedere zondag…’

Zonder weemoed, zo leek het, groef hij in de tijd: ‘Eigenlijk is de relatie met Ingrid niet echt over… bij mij gaat liefde zelden over, maar het leven loopt soms gewoon anders… zo gaat dat! Wij wilden wel kinderen… maar het is er niet van gekomen… nee. Mijn seksuele gevoelens voor mannen waren toen nog niet echt ontwi-braugha-eld!’ hoestte hij.

‘Wat? Ontwippeld?’

‘Jahaha… ontwippeld, schrijf dat maar op!’ Hij schaterde het uit. ‘Ontwikkeld, bedoelde ik.’

En na een korte stilte: ‘Ik heb haar hier nog niet gezien, misschien komt ze nog eens langs.’

Ik keek Ramses ongegeneerd aan: ‘Lopen er nergens kleine Shaffy's rond?’

Breedlachend, hoofdschuddend: ‘Nee, nee, echt niet! Niet dat ik weet… néé… Ik heb wel eens het verhaal in de wereld gebracht dat ik een zoon had… Kostja, je weet wel, uit De Meeuw van Tsjechov… op een gegeven moment werd het zo realistisch dat ik het zelf ging geloven… Ik had het verzonnen, omdat zo veel mensen me maar bleven vragen waarom ik geen kinderen had, terwijl ze het natuurlijk wel wisten hoe het zat. Ik was toen al met Joop… Met Ingrid is het zo ook geëindigd… ik werd verliefd op Joop. Voordat er hele toestanden loskwamen over homoseksualiteit, was ik het al. Ik heb Joop gevraagd bij me te komen wonen. Ik heb meteen aan de wereld duidelijk gemaakt hoe het zat, dus ik ken dat hele gedoe niet met “coming out” en zo. Men was heus wel geschokt, zeker de vrouwen, die vielen op mij. Maar omdat ik zo duidelijk was werd het ook wel geaccepteerd, daardoor hebben Joop en ik een fantastische tijd gehad. Ook op het toneel, we konden samen heel mooie rollen spelen. Ik hoop dat ik dat nog één keer in mijn leven mee mag maken…’ De sigaret die hij vasthield, was tot aan zijn vingers opgebrand. ‘Het is allemaal verleden tijd, het kan me ook niet echt veel meer schelen…’ Ik dacht aan de dag dat ik bij Liesbeth List dozen vol plakboeken op kwam halen. Ze zei dat Nederland heel lang niet geweten heeft dat Ramses op mannen viel.’

Ik vertelde het Shaffy. Hij reageerde direct: ‘Nee, dat kwam omdat we dat niet openlijk deden, maar ik heb er nooit een geheim van gemaakt. Ik woonde samen met Joop, maar de meeste mensen interpreteerden dat niet als twee mannen met een liefdesrelatie.’

‘Misschien dat daardoor zo veel vrouwen zijn langsgekomen, ze wisten niet dat je…’

‘Of ze wisten het dondersgoed, maar dan hadden ze zoiets van: daar helpen we hem wel vanaf. Die vrouwen zijn heel doorzetterig.’

‘Ging je er dan op in?’

‘Ligt er aan, als het klikte… dan wel…’

In mijn gedachten zag ik Ingrid naar me lachen. Misschien had ze het allemaal wel goed gezien. En Joop, hij keek alsof alles een raadsel was. Zijn keuken stond blauw van de rook. De Chablis was er bijna doorheen. De olijven waren heerlijk. Ik was ook al begonnen aan de nootjes. Joop was nog aan het spitten in verzande tijden. Soms grinnikte hij, dan dacht hij terug aan wat hij met Ramses had beleefd. Het kon ook zijn dat de chablis hem amuseerde.

Ik vroeg: ‘Hoe was het voor jou om je als twee mannen te presenteren in die tijd?’

Hij viste een zout nootje uit het bakje dat ik zowat alleen had geleegd en zei: ‘We maakten er geen geheim van, maar we liepen er ook niet mee te koop. We liepen niet vrijend over straat, zelfs niet gearmd. Dat vond ik toen ook niks, nu vind ik het wel gezellig, maar toen… neehee. Vrouwen vonden het helemaal niet leuk. Ank van der Moer vond het niet leuk. Ko van Dijk vond het helemáál niet leuk. Ko van Dijk die… maar nu gaat het over mij.’

‘Het gaat over jou en Ramses, vertel.’

‘Het was de eerste keer, via de artiesteningang liep een lange gang naar de kantine. Ik kwam hem tegen in de gang en toen deed hij Braughuggewah!!! Alsof hij moest kotsen. Vreselijk! Ik ben blijven staan, ik heb hem nagekeken. Toen voelde hij wel dat ik dus niet doorliep. Hij draaide om, en ik bleef gewoon zo staan. En dat vond hij waarschijnlijk apart, dat ik niet bang was. Ik was ook niet bang, ik was beledigd.’ Joop knabbelde en nam een slok. Hij schoof dichterbij en stootte zijn knie tegen de tafel. ‘Ik kreeg mijn eerste rol, dat was meteen een hoofdrol, maar Ko en Ank vonden dat Ramses die rol moest doen. Toen heeft iedereen zijn rol teruggegeven, want ze wilden met mij niet werken. Ze dachten ook dat ik het niet kon. En Jan de Meester, de regisseur, die zei dat ik veertien dagen op proef mocht komen. Ik zat toen in een rare situatie, want Ramses, die speelde de oudere broer en dat was ook een mooie rol. Maar ze hadden iets van: die hoofdrol is voor Ramses en niet voor die jongen die net van de toneelschool komt, die kan het nog niet. Maar die regisseur die zag het wel in me. We hebben gerepeteerd, toen ben ik goedgekeurd en toen werd ik ook geaccepteerd door Ank van der Moer en Ko van Dijk en namen ze mij erbij. Ze konden er toch niets aan doen.’ ‘Kwam Ramses dan niet voor je op?’

‘Ja, hij zei dat ik de kans moest krijgen en op proef moest komen.’

Ramses was een van de populairste acteurs van Nederland. In Amsterdam was hij minstens zo bekend om zijn uitspattingen. ‘Wat haalde je dan allemaal uit?’ vroeg ik benieuwd. Ramses gaf niet meteen antwoord. Hij las het artikel uit De Telegraaf van 3 april 1959, een vier kolommen tellend verhaal. De kop luidde: ‘Acteur Ramses Shaffy: Voor het láátst te láát gekomen!’ Onder de foto staat: ‘Ramses Shaffy is een van onze jongste acteurs, die de laatste tijd zeer op de voorgrond treden. Hij heeft de aandacht op zich doen vestigen door twee titelrollen, namelijk die van “Anatole” en die van “Oscar”, het Franse blijspel van Claude Magnier, dat door de Nederlandse Comedie op dinsdag 14, woensdag 15 en donderdag 16 april in Carré in Amsterdam zal worden opgevoerd.’

Ramses moest erg lachen bij het teruglezen van het artikel. Ik volgde zijn ogen, zijn gegniffel bevestigde me wat hij las. ‘Het leven begon bij de Nederlandse Comedie en het begon niet zo gemakkelijk. Ramses leefde als een minstreel in oude tijden, een zwerver, een bohémien, hij schilderde, schreef romans (de nooit uitgegeven roman Hassan), maakte liedjes in de geest van “Kwijt u van d'eeuwige taak 't geitje te verwennen; 't heeft een roosje in de kaak bij de paarderennen” enzovoorts, feestte en praatte en doolde door de stad. Hij kwam nergens op tijd. Zijn enorme activiteit verhinderde hem op tijd te komen, waar dan ook, toneelrepetities niet uitgezonderd.’

Shaffy hield het papier schuin, zodat hij me aan kon kijken. ‘Volgens mij viel het allemaal wel mee, hoor. Als ik al te laat kwam, dan kwam het doordat ik vaak ergens anders was blijven slapen. Ik ontbeet waar ik wakker werd, of ik ontbeet niet,’ zei hij. Ik moest even nadenken, maar al gauw begreep ik wat hij zei. Hij las verder: ‘Hij kreeg op dit gebied al snel een reputatie en toen men hem de hoofdrol in Schnitzlers “Anatole” wilde geven heeft men geruime tijd geaarzeld alvorens men tot een beslissing kwam. Enfin, de repetities onder leiding van Ank van der Moer begonnen. En Ramses kwam te laat.’

‘Ze stuurde me naar huis; ik was helemaal kapot; ik bezwoer dat het de laatste keer was geweest dat ik te laat kwam; het was inderdaad de laatste keer.’

Shaffy las in één keer door. Af en toe keek hij me breedlachend aan. Ik was naast hem komen staan, over zijn schouder las ik mee. Het was de jonge Shaffy die in de krant werd geciteerd: ‘Zo is het helemaal bij het toneel. Kijk ik kan me moeilijk concentreren, ik ben meer het vlindertype, studeren ligt me niet en ik zal het ook nooit doen. Ik doe alleen waar ik zin in heb, dat is veel en ik doe ook álles waar ik zin in heb. Bij het toneel vind ik een soort vergaarbak van de dingen waar ik zin in heb, toneel is een liefde, het is nooit vervelend, het is leuk om te doen, elke rol kun je op een bepaald punt interessant maken, ook al is-ie het niet, al zegt iedereen dat het een vervelende rol is, ik vind wel een punt waar het een interessante rol is. Jawel! […] En dan vind ik praten het heerlijkste wat er is dus, en schilderen en autorijden en geld uitgeven. Verder mijn huis; ik ben nooit thuis, maar ik heb een huis met een tuin, hoei wat een tuin, helemaal woest en ledig, thuis schilder ik alles vol; ach Swiep [Sigrid Koetse], ik moet jou eens schilderen.’

Ramses legde het papier op het tafeltje en dronk van zijn wijntje. ‘Je vroeg me net wat ik allemaal uithaalde. Nou, ik herinner me nog wel iets leuks. Ik kwam naakt door de straat lopen!’

‘Pardon?’ Ik was niet verrast door zijn vroegere acties, maar ik begreep de sensatie door eigen ervaringen. Ramses ging er eens goed voor zitten en zei aristocratisch: ‘Precies! Toen was er een soort zwembadfeest of een bal masqué in De Kring, de artiestensociëteit, hier… bij het Leidseplein. Daar bij dat masqué had ik een zwembroek aan, maar die zat ongemakkelijk, dus die heb ik uitgedaan. Toen heb ik er een tijdje naakt rondgelopen en later ben ik naar beneden gegaan. Toen kwam ik voor City, een barretje, een klein parkje tegen en daar ben ik onder de rododendrons gaan liggen, zoiets van: hier slaap ik vast goed. Dat was de eerste mooie plant die ik vond, met brede bladeren, zachte aarde, dus ben ik er gaan slapen. Nou, in de morgen ben ik wakker geworden en het was zondagochtend. Ik ben naar mijn huis gelopen, dat niet zo ver weg is. Toen ik de straat binnenkwam, zagen al die oude dames die daar woonden mij in mijn blote kont door de straat lopen. En dat was echt S.O.S. hoor! Dat was echt iets van: O God! Een paar dames hebben me naar binnen gehaald, juist voordat de kerkgangers langskwamen. Ik heb kleren aangehad van overleden mánnen! Zo ben ik naar huis gegaan. Eigenlijk wel jammer, want ik hoopte tegelijk met de kerkgangers de straat in te komen, of probeerde ik ze juist te omzeilen? Nou ja, die dames begrepen het niet dat ik daar liep zonder kleren aan en hebben me naar binnen gehaald… ja… zo is het gegaan.’

‘Je zegt het alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.’

‘Dat vond ik zelf ook niet helemaal, maar mijn bedoeling was, omdat ik tóch geen kleren aanhad, om te lopen langs de kerk als-ie volstroomde.’ Zijn ogen lichtten op.

‘Je kijkt nu heel ondeugend!’ zei ik.

‘Ik voelde me ook heel ondeugend. Maar ik werd daarin gestremd door de oudere dames van de straat.’

‘Liet jij je stremmen?’

‘Nou, vrouwen zijn krachtig… oudere vrouwen óók. Het grappige is dat in die Derde Weteringdwarsstraat toen allemaal oudere dames woonden, en daar heb ik tussen geleefd, al die tijd… ook tijdens deze kerkaffaire woonde ik al in die straat. Ze kenden me. Hier in het Sarphati wonen ook veel oude dames, en ik weet hoe sterk ze zijn, in hun handen… begrijp je? En als ze agressief gaan worden moet je oppassen voor deze dames, en dat doe ik dus absoluut! Voordat ze met flessen en messen rond gaan waren.’

‘'t Lijken zulke lieve omaatjes.’

‘Dat lijken ze altijd’ Hij balt zijn vuisten en zwaait ze in de lucht: ‘Maar ze zijn zo… hi, hi…’

Ramses vulde zijn bekertje bij en zei: ‘Ik vind naaktlopen bevrijdend.’ ‘Is het ook…’ bevestig ik zacht en fladder even terug naar mijn herinnering. Ik weet nog dat het winter was, en ik niet had gedronken… ‘Ik zou het ook heel graag een keer met jou doen…’ onderbrak Shaffy mijn vlucht.

‘Over de Dam! Op kerstavond!’ zei ik.

‘Desnoods,’ zei Shaffy vlak voordat het bekertje zijn lippen raakte.

‘Ja,’ zei ik om iets te zeggen. ‘Nee, ik doe dat heel graag, hoor. Gewoon hups, de kleren uit en gaan lopen, of samen naakt zijn. Dat is een heel fijn gevoel…’ Hij keek me aan. Zijn diepdonkerblauw fonkelde. ‘Het is eigenlijk het meest normale dat er bestaat, hoor. Ik bedoel als jij iemand op straat in zijn blote kont zag lopen, iemand die je niet kende, dan denk je: daar loopt iemand in z'n blote kont. Dan zou je het toch op een of andere manier heel aannemelijk vinden, neem ik aan. Huups!’ Ramses morste enkele druppels wijn op tafel. Ik besloot zo een doekje te halen.

‘Ik heb zelfs een keer met mijn blote kont in de krant gestaan… ha, ha…’

‘Vertel…’

‘Nou, dat was nog een best ingewikkelde situatie eigenlijk. Er was een ochtendcafé op het Leidseplein, dat ging om zes uur 's ochtends open. Old Inn, naast de bioscoop. Ik zit daar met een paar goede vrienden, met een strijdlustige dame en een vriend van haar. En die twee kregen onenigheid en toen dacht ik: dit is het moment waarop we ons uít moeten kleden. Ja… om de aandacht te verzetten of zo… We zaten daar… op de grond geloof ik. Op dat moment was er een figuur achter ons aan geslopen, een fotograaf en dat was Appie Pruis. Hij was ons gevolgd met de camera al klaar. Hij zette ons op de foto. Die foto's stonden de dag erna in de krant.’ Ik keek Shaffy aan. Hij zette het kwartliterflesje aan zijn getuite lippen. Het staartje wijn verdween.

Uit andere overleveringen kende ik een ander verhaal. Old Inn klopte. De vriendin klopte ook. Dat was een zekere Daniëlle. Haar vriend zou Robert-Jasper heten en een rookmagiër zijn. Het gesprek onder genot van drank en jointjes ging die avond over het leven, over inspiratie en God. Het was zes uur in de morgen, toen Jasper zei dat hij een eigen tempel had vlakbij. Shaffy was enthousiast en wilde die heilige plaats direct bezoeken. Gedrieën waren ze de tempel binnengegaan en naakt op de grond gaan zitten, toen er opeens enkele fotografen voor hun neus opdoken met de camera's in de aanslag. Ramses werd woedend. Hij dacht: nu kan je het krijgen ook. Hij ging piemelnaakt voor de lens van fotograaf Appie Pruis staan, om naar eigen zeggen de fotografen hardhandig de straat op te schoppen. In zijn blote kont.

‘Welke versie is het nu?’ vroeg ik.

Ramses schudde zijn hoofd: ‘Ze zouden allebei waar kunnen zijn, hoor. Kies jij de mooiste maar uit.’

In ieder geval stonden een dag later de foto's afgedrukt in het blad Kwik. ‘De leuke artiestjes van Dendermonde. Ramses naakt!’ opende het blad. Daarboven in kleine letters: ‘De gerechtsdienaars vonden geen verdovende middelen, maar zij zagen ook andere dingen niet. Kwik onhult u wat er gebeurde.’

‘De foto's zijn ook nog een tijd rond gegaan… op de Zeedijk,’ zei Ramses, ‘het was een mooie tijd. Ik vond het toen al heerlijk om uit de kleren te gaan, om te strippen of feestjes, ik rookte me suf aan de marihuana. Dat begon toen… veel mensen in mijn omgeving deden dat… ja. Vergeet niet, het was toen nog verbóden!’

Ramses stak een nieuwe sigaret op, grinnikte om een herinnering die zojuist bij hem inviel.

‘Mijn baas Guus Oster… ik werkte bij de Nederlandse Comedie in de Stadsschouwburg, had de foto's ook onder ogen gekregen. Toen ik er kwam, zei hij dat hij een paar vreemde telefoontjes had gehad, omdat je met je naakte kont in de krant staat. Er had een mevrouw gebeld om hem te vragen of hij er wel van op de hóógte was dat Ramses Shaffy in de krant stond. Hij had de dame geantwoord: “Mevrouw, ik hoop dat, wanneer u met uw vrienden naakt in de kamer zit, dat u dan niet gefotografeerd wordt en in de krant komt.” Oster maakte zich er geweldig chic van af. Toen wist ik dat Guus Oster een goede vriend van me was.’

‘Hij heeft je toch ook wel eens ontslagen?’

‘Dan nam hij me een dag later weer aan,’ zei Shaffy triomfantelijk, ‘ik heb het nog wel vaker gedaan, hoor. Nog niet zo lang geleden. Ik ging wel eens naar de IT, die dancing bij het Rembrandtplein. Daar waren mensen aan het dansen. Ze hadden van die prachtige kleine kledingstukjes aan. Maar ze dansten zo vreemd, zo ingehouden. Ik dacht, ik doe het nog één keertje voor. Ik heb me helemaal uitgekleed, heb daar heerlijk gedanst en ben naar huis gegaan. Ja, nadat ik me weer had aangekleed, dit keer.’

Hij legde zijn hand even op mijn been: ‘Ik zou best wel een jointje lusten eigenlijk, maar dat doe ik alleen als ik rustig buiten zit op een terras.’

Het was al een tijdje geleden dat ik een stickie had gerookt. Ik wist nog dat ik alleen ogen had, mijn benen waren slap of zelfs verdwenen. Tussen mijn vingers hing losjes een knots van een joint. Misschien dat ik het tien keer per jaar deed. Voor Shaffy was het als eten en drinken. De weed of hasjiesj kwamen uit Marokko, of uit eigen kweek. Veel vrienden van hem rookten ook shaggies mét. Joop en Ingrid. Het hoorde bij de tijd.

Joop vertelde me dat hij regelmatig een jointje rookte, al stond hij op de tram te wachten. ‘Het eerste dat kwam, was marihuana roken,’ vertelde Joop in zijn keukentje, ‘dat deden we thuis en dan ging je zo in een kring zitten. In zo'n yogahouding en dan ging er zo'n sigaretje rond, dat was toen heel spannend. Er was een soort van scene ook… het was in de Lucky Star, daar werd gedanst. Maar er was ook een bar, daar kwamen Mulisch en Remco Campert. En er kwamen toneelspelers en ook wonderlijke mensen. Er werd wild gedanst. En wij zaten ook in de scene. En je had de Fiacre. Dat was de eerste hetero-homotent. Daar was iedereen, veel acteurs ook. Er hingen ook veel foto's van acteurs, van Ramses en van Kitty, Shireen en van mij. Dan zaten we daar met een sigaret van Caballero en dat heette dan “anders dan andere”. Die foto's hingen in die bar allemaal. Het was best een eer, want als je voor “anders dan andere” werd gevraagd, dan behoorde je tot de happy few. En in die kroegen trof je iemand die het had, en dan kocht je het en dan had je het ook. 't Kwam waarschijnlijk uit Marokko.’

‘Dus het was toen drank en stuff?’ vroeg ik belangstellend.

‘Ja… en wel pep. Had je ook nodig om die nachten vol te houden. Of vermageringspillen uit Spanje… maar het waren gewoon peppillen. Pusait heette dat, geloof ik. Je ging er speciaal voor naar Spanje, en in België kon je het ook kopen. Dan ging je alle apotheken af om pillen te kopen. En die nam je dan mee naar Holland. De eerste keer dat ík LSD genomen heb, was na Ramses. Ik woonde toen niet meer bij hem.’

Ik zweefde naar Ingrid. Ze lachte geheimzinnig. Ze was erbij geweest, ze kende het mysterie van de LSD van binnenuit. ‘Als je Shaf iets voorhield, nam hij het… hij keek niet eens,’ zei ze liefdevol. In haar ogen scheen de andere tijd. De nieuwe vrijheid vroeg om drugs, het zou de grenzen van de vrijheid nog verder verleggen. Door de einder van de geest te vinden zouden mensen tot grote inzichten kunnen komen. Misschien dat de wereld er door zou veranderen. Ingrid sprak over LSD als over groenten uit eigen tuin: ‘Je had vroeger heel goede, zuivere.’ Ze keek me aan. Ik werd razend benieuwd. De combinatie van dementie en LSD leek me wel spannend. Ik zou het niet durven. Je hoort van die verhalen van totaal geflipte slikkers. Syd Barett van Pink Floyd is er zo één. Ooit een van de grote muzikale genieën uit de psychedelische popmuziek, zit al jaren thuis tekenfilms te kijken en cactussen te kweken.

Ingrid keek tevreden: ‘Je maakte het in die tijd ook zelf. Een vriendje van ons maakte het zelf, hij was chemicus. Heel goede, zuiver acid. Daar kreeg je geweldige trips van. Later had je Orange Sunshine en Purple Window. Met alcohol had Shaf nog wel eens een kwade dronk, dan begon hij te schelden en naar te doen. De mensen die 's ochtends naar hun werk gingen, schold hij dan uit. En daar wilde ik liever niet bij zijn. Maar er waren ook mensen die vonden het allemaal best en lachten erom. Ik vond het niet leuk, vals, dronken gelal. Maar hierdoor ging hij heerlijk hallucineren. We maakten geweldige trips. Ik denk dat Joop en Ramses ook een beetje uit elkaar zijn gegroeid door drugs. Joop hield toen nog niet zo van roken en al helemaal niet van pillen. Ik bedoel, Shaffy tripte tot voorbij de sterren en Joop zat aan de sherry.’

Ramses opende zijn armen toen hij me zag. Ik had een nieuw flesje wijn gehaald. Ik ging tegenover hem zitten, zodat ik hem aan kon kijken. De verhalen van Joop en Ingrid echoden in mijn gedachten. ‘Je drinkt en je blowt… geen zwaarder spul meer?’ vroeg ik iets te populair. Shaffy schudde zijn grijze hoofd: ‘Ik kom het niet meer tegen. LSD en zo? Ik kan me het ook niet meer zo goed herinneren. Het is zo'n tijd geleden, dat ik het weer eens moet doen om te ervaren wat het met me doet. Ik weet, het geeft een heel gelukkig gevoel, je geniet. Genieten is een van de hoofdmotieven van je boek, hoor! Plezier en genieten!’

‘Ja…’

‘LSD is ook een vorm van gelukkig zijn. Het is een heel mystieke drug, dat is het. En als je veel naar feesten gaat en zo, zeker in de jaren zestig, dan kwam je het tegen. Nou, ik was allang blij! Het was toch weer eens wat anders dan drank, je moet het ook niet met drank innemen,’ antwoordde hij geaffecteerd als een oude dokter.

‘Daar hield je je aan?’

‘Ja.’

‘Right, zeker op die feesten, dat gaat toch altijd anders… eerst drinken en dan is er iemand met pillen, toch?’

‘Ja… dan nam ik altijd wel, denk ik.’

Ramses keek om zich heen. Ons gesprek nam ineens een vreemde wending.

‘Ik heb me altijd wel een buitenbeentje gevoeld. Alleen al omdat je veel van jongens houdt in een overwegend heterofiele maatschappij. Of door mijn afkomst, ik ben half-Russisch en half-Arabier. Dat zijn grote tegenstellingen met de Hollanders, hoor. Die hebben veel meer moeite met gewoon plezier maken, begrijp je. En plezier zit ook in seks en drugs. In plezier leven is niet makkelijk in Nederland met al die calvinisten, maar ik heb het toch gedaan. Nederland heeft me natuurlijk ook veel plezier gegeven.’ Hij stak een sigaret op en rookte alsof hij voor het eerst sinds jaren weer een saffie in handen had.

‘Waar zit die Arabier dan in je?’ vroeg ik, doelend op zijn karakter. Shaffy draaide zijn hoofd naar me toe. Op zijn mond ontstond een guitige lach: ‘Nou, die zit heel erg hier!’ Hij legde zijn hand op zijn kruis en keek me aan.

‘En de Rus?’ vroeg ik zacht.

‘Die hoor je als ik piano speel, in mijn muziek… die Slavische klanken heb ik van mijn moeder. Zij speelde prachtig piano… ja… Die klanken ontstaan, en als iets ontstaat, dan zit het ergens in je genen.’

‘En de Rus zit in de drank.’

‘En in de drank, ja zeker… Ik ben geboren voor muziek en voor de drank.’

Ik schrok, ik merkte dat het cassetterecordertje vreemd deed. Hoeveel van ons gesprek was niet opgenomen? Ramses lachte: ‘Ik weet ook niets van techniek, hoor!’

Met mijn vingers probeerde ik het bandje uit het apparaatje te vissen. Ramses schaterde, zijn hand sloeg op zijn knie. Ik gaf het op. Het machientje ging in de tas. We zaten nog even bij elkaar aan tafel. Ik stond op. Hij ook. Zijn sigaret had hij in de uitsparing van de asbak gelegd, zodat hij me kon omhelzen. We hielden elkaar even vast. ‘Je bent een ontroerende man,’ zei hij in mijn oor.

Buiten was het donker. Ik moest een stukje lopen naar de tram. Voor mijn ogen ging het doek open. Ramses speelt Anatole. Met zijn warme stem won hij harten, zoals hij later met zijn liedjes zou doen. Shaffy zat als een aapje op mijn schouder. Hij zong en danste een balalaika.

Na een tijdje ging hij zitten en vertelde het verhaal dat ik ooit eerder had gehoord, maar waarvan ik nooit wist of het echt was gebeurd. Het beroemde verhaal met de aap. Het werd het einde van Ramses’ vaste aanstelling bij de Nederlandse Comedie. Het was in Deventer. Ramses speelde hertog Orsino in Driekoningenavond. Hij droeg het duurste pak van allemaal, van die prachtige glimmende stof met pofmouwen. Omdat hij een aantal aktes niets te doen had, besloot hij aan de overkant van het theater een neut te gaan halen. Bovendien kwam er op televisie een programma waarin Mary Dresselhuys en Kitty Courbois speelden. Dat wilde hij graag even zien. Zo gezegd, zo geschiedde.

Aan de overkant was een soort apencafé met allemaal beelden van apen en ook opgezette dieren. Als hertog Orsino gooide Ramses een paar drankjes naar binnen en vroeg of hij televisie mocht kijken. De televisie ging aan. Toen bleek dat niet alle apen in het café opgezet waren. Eentje schrok zo van dat geluid dat het dier gillend boven op de inmiddels wat aangeschoten Shaffy dook. Met de vlijmscherpe nagels scheurde de aap het hertogenkostuum aan flarden. ‘Het dier kwam ineens tot leven,’ had Shaffy me verteld, ‘het sprong op me, krabde mijn hele pak kapot en ik stond ineens half in mijn onderbroek. Ik rende terug naar het theater, vond de ingang van het toneel. Daar stond de kleedster. Ze keek me geschrokken aan. Ik zei: “Ik vertel het je straks allemaal wel.” Ik ben opgegaan, in lompen stond ik op het toneel. In een totaal verkeerde scène ben ik maar gaan improviseren in een soort fake-taal. Het publiek nam aan dat het erbij hoorde, maar Guus Oster en de regisseur begrepen er niets van.’

Ramses had me onschuldig aangekeken. ‘Het overkomt je… zoals alles in mijn leven, en ik laat het gebeuren.’

Het kleine mannetje op mijn schouder was verdwenen. Er zijn meerdere vertellingen over die ene avond in Deventer in 1963. Sommige vertellen dat Ramses bij het betreden van het toneel de aap nog op zijn schouder had zitten. Misschien was dat wel zo. Dit was de versie die hij me had verteld.

Joop, Sigrid en ook Ingrid beaamden het verhaal. Ze zeiden er wel bij dat het niet zo heel vaak gebeurde. Het was niet zo dat Ramses altijd te laat kwam of dronken was, maar wel een paar keer per jaar. Maar zo gaat het, de uitzonderlijkste verhalen blijven.

Ik ben de stad in gelopen, ver weg van het Leidseplein. Langs grachten en hoge huizen. Misschien dat de stad en ik nog wat moeten wennen aan elkaar. Tussen Ramses en mij gaat het goed. We kunnen wel met elkaar. Waar het boek met me naar toe wil, weet ik niet. Geen idee wat er gebeuren gaat. Ik ga op een bankje zitten onder de Montelbaanstoren en sluit mijn ogen. Ik hoor zijn stem. Deftige zinnen, waarschijnlijk Vondel. Misschien dat het Theater Instituut nog beelden van hem heeft uit die tijd. Even nog denk ik aan Ingrid, aan Sigrid en Joop. Ik zucht. De dag glijdt langzaam van me af.

Ik open mijn ogen en kijk in het gezicht van de vallende avond. In me klinkt een lied, dat Ramses op deze plek heeft geschreven. Shaffy zat nog op de toneelschool, of hij was er net van af. Ik sta op, steek mijn handen in mijn zakken en zing even mee: ‘Het is stil in Amsterdam, de mensen zijn gaan slapen…’ Een onverzorgde man met een winkelwagentje vol oude spullen passeert me. Ik herken iets in zijn lach. Ik loop door. ‘Ik kijk naar de wolken, die overdrijven. Ik ben dan zo bang, dat de eenzaamheid zal blijven. Dat ik altijd zo zal lopen, op onmogelijke uren, dat ik eraan zal wennen, dat dit zal blijven duren. Als de mensen zijn gaan slapen… 't Is zo stil in Amsterdam, ik wou… dat ik nu eindelijk iemand tegenkwam…’ Ik kijk omhoog, naar de maan. Het is net of ze naar me lacht.