Image Zes Image

‘Vrijwel alles tussen mijn twintigste en dertigste ben ik vergeten. Gewoon weggezopen…’ ‘Dan zijn we gauw klaar.’ De instappers van Louis van Dijk maken kleine drentelpasjes. Hij gaat me voor naar de kamer met de bank. Een vreemd appartement. Je komt binnen op de etage waar je niet moet zijn. Ik liep dan ook direct door de slaapkamer in, waar zijn vrouw Aleid zojuist haar blouse stond dicht te knopen.

‘Nee, nee, naar beneden moet je,’ zei hij lachend.

Ik ben overal thuis, dacht ik.

We daalden af, naar de kamer met uitzicht op het water. Grote schepen varen voorbij. Er wordt geladen en gelost. We gaan zitten achter de koffie. Aleid brengt chocoladekoekjes.

‘Zij kent Ramses ook, hoor. Ze heeft hem maandenlang gereden van Amsterdam naar de Mont d’Or in Scheveningen. Daar hebben we in 1966 een paar maanden gestaan met Chantant. Maar wat ik je zeg… veel details weet ik niet meer. Dat is gewoon weg. We zopen als ketters in die dagen… mijn God…’

Eerst even terug naar 1965. Ramses was een heldere ster aan de hemel boven Amsterdam.

In die tijd de meest populaire zanger van Nederland, schreef Wim Ibo. En hij kan het weten, hij was destijds zo'n beetje een wandelende kleinkunst-encyclopedie. Shaffy Chantant liep als een trein. Iedere week was het zaaltje waar Chantant optrad uitverkocht. Mensen moesten soms weken van tevoren reserveren. In de kranten uit die tijd lees ik dat Ramses dan ook helemaal geen zin had om Amsterdam te verlaten en te gaan toeren door Nederland. Zelfs de belangstelling uit Amerika legde Shaffy naast zich neer. Hij was met geen stok uit Amsterdam weg te slaan. Al zat hij natuurlijk wel een beetje in een discutabele buurt. De rossige ambiance van het Thorbeckeplein was niet ideaal voor een literair cabaret. Na felle onderhandelingen met de gemeente Amsterdam om ergens een eigen zaal te krijgen, kreeg Shaffy Chantant in het voorjaar van 1965 onderdak in het Rembrandttheater aan het Rembrandtplein. Ramses en de zijnen namen zelf de kwast in de hand om het theater te voorzien van hun favoriete kleur. Rood met goud. Dat werd de thuisbasis.

Image

Begin 1965. Shaffy Chantant vestigt zich aan het Rembrandtplein.

De vraag uit de rest van Nederland naar Shaffy werd zo groot, ze moesten uiteindelijk wel het land in. Eerst naar grote steden als Utrecht en Den Haag, maar later ook ‘de provincie’ in. De Shaffy-sensatie verspreidde zich door heel het land. Diep in zijn hart wilde Shaffy het graag buiten ons land nog een keer proberen. Op 12 mei 1965 monsterde de hele Chantant-cast aan op de Holland-Amerika Lijn om het Nederlandse theaterleven internationaal op de kaart te zetten. Het schip werd aangekleed met reproducties van Nederlandse schilderijen en er ging ook een echt draaiorgel mee. In het plakboek van Liesbeth trof ik een foto van het hele gezelschap aan tafel. Ramses’ kostuum veel te netjes voor het gedrag dat hij vertoonde. Lekker keten op zo'n cruiseschip. En dan te bedenken dat de rederij en de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer de ‘Netherland Festival Sailings’ organiseerde om door middel van de grote en de kleinkunst de Nederlandse reputatie in het buitenland een beetje uit te bouwen…

Louis van Dijk nestelt zich in de hoek van de bank. Als ik langs hem heen kijk, zie ik een zwartglimmende vleugel staan. Tegenover me een boekenkast, met op de onderste schappen meters langspeelplaat. ‘Volgens mijn herinnering… de eerste keer dat ik Shaffy Chantant zag, toen zaten ze nog in het Mirandapaviljoen. Ik was toen 23. In die tijd speelde ik heel veel met Hetty Blok, en die was als gast een keer uitgenodigd in het paviljoen. En omdat ik haar begeleidde, kwam ik mee. Zo heb ik hem leren kennen, en op die manier ben ik ook met Liesbeth later gaan spelen. Vlak daarna wilde Polo de Haas ermee stoppen. Hij streefde toch een klassieke carrière na. En net op dat moment dat Polo wegging, hadden ze een soort uitkoop voor de KLM. Dat moesten ze doen, ze hadden die klus aangenomen, maar hun pianist was weg.’

Image

Op de Holland-Amerika Lijn in 1965, v.l.n.r.: Ramses, Jan Cremer, Loesje Hamel, Shireen Strooker, Cees Nooteboom, Liesbeth List, Polo de Haas en zijn vrouw, en manager John Rosinga.

‘En je had net die Edison gewonnen voor je jazzplaat, niet?’

Louis verrast: ‘Ja, ja… dat was toen ook. Ja. In ieder geval Ramses vroeg me en ik kreeg een zooi cassettebandjes. Alle liedjes heb ik genoteerd in mijn spijkerschrift met alleen wat akkoordenschema's. Ik bedoel, zij zongen wel, als ik maar zorgde dat de ‘kont’ eronder oké was. En als ik dat soort aantekeningen had, wist ik wel wat ik moest doen. Er stond geen noot op papier! Niks! Ook van Liesbeth niet. Ze begonnen allemaal nog maar net, er was ook niets genoteerd, er waren nauwelijks platen gemaakt. Je hebt het over 1965. Niemand had nog uitgegeven. We waren groentjes, en vandaar ook dat alles kon. Want van je twintigste tot je dertigste kun je alles zonder erbij na te denken, je loopt achter jezelf aan. In ieder geval had ik die liedjes geleerd voor de KLM-schnabbel. Vanaf dat moment ben ik eigenlijk bij ze blijven spelen, maar ik had ook mijn trio al. Die zijn er later bijgekomen, maar dat is pas in de tijd van Mont d’Or.’

Hij wil zijn dikkige vingers in elkaar vouwen om rustig na te denken. Maar een lach stuipt hem naar het puntje van de bank: ‘Ik moest toen in militaire dienst. Ramses heeft van alles geprobeerd om me eruit te houden, door te zeggen dat ik onmisbaar was, maar het hielp niets. Ik moest in dienst. Gelukkig was ik er drie weken later alweer uit.’

‘Hoe dan?’

‘Door te huilen, en totaal asociaal zijn. Niet meedoen, in je eentje op een plein staan te huilen en niet eten. Terwijl ik gék ben op eten! Ik stierf van de honger. Maar drie weken later stond ik weer buiten en kon ik weer spelen!’ triomfeert hij.

Voor me zit een klein doorvoed mannetje. Een zoon van een calvinistische koster uit Amsterdam, met een van het kostbaarste paar handen van ons land. En hij met Shaffy?

‘Begin '66 trouwde ik met mijn eerste vrouw, Hilda. Van Shaffy Chantant kregen we een volslagen maf cadeau. Een papegaai in een knots van een kooi. Dat beest moest van Shaffy ook mee in de trouwauto, ha, ha! Helemaal zestiger jaren dit.’

‘Getrouwd? Ging dat samen met een leven met Shaffy?’

‘Nou ja… ik dronk na het optreden altijd wel een biertje… ik dronk als een dragonder in die tijd, maar als ik zelf naar huis reed, dan vertrok ik meestal wel eerder, om een uur of één. De rest ging dan nog tot zeven uur door in de Mont d’Or of in Den Haag, Amsterdam, in de meest wonderlijke gelegenheden. Met hasj en zo… Ramses ging nooit eerder weg, die ging ééuwig door, die stopte nooit. Zolang er drank was… hield niet op… hield niet op.’

Hij strekt zijn arm, neemt een koekje. Praat verder terwijl hij kauwt: ‘Ik kan me één keer herinneren, toen was mijn toenmalige vrouw zo over de rooie, en met recht. Ik kwam pas om acht uur 's morgens rondom dronken thuis, en ik had niet gebeld. Ze dacht dat de politie voor de deur zou staan met vervelend nieuws. Toen hadden we de hele nacht hasj zitten roken en het requiem van Fauré gedraaid. Wenend… lam… enig… Ik vraag me af of hij dat nog weet.’

Ramses keek zwijgend voor zich uit, alsof hij niets zag. Voor hem een flesje, naast hem de asbak. Na een innige omhelzing was ik naast hem gaan zitten en ik had nog niet zoveel gezegd. Hij keek me ondeugend aan. ‘Heb je Albert Mol al gesproken, die kan leuk over me vertellen. En hij weet het allemaal nog zo goed…’ Ik schudde mijn hoofd. Misschien dat ik hem bel, vanavond of anders morgen. Ik haal wijn. Ramses had nog, ik vulde mijn glas. ‘Vertel eens, jullie zijn met Chantant naar New York geweest, met de boot.’

Ramses ging verzitten, keek even langs me heen: ‘O ja! Dat weet ik nog! Dat was een héérlijke reis. Dat was toch ook met Jan Cremer of zo? Ja… die wilde per se mee. Hij zat achter Loesje aan. We moesten er voorstellingen geven op de boot van Rotterdam naar New York. Voorstellingen voor Amerikanen. Is dat zo?’ Ik knikte.

In het plakboek van Liesbeth vond ik nog een kaartje van de Holland-America Line. In het Engels. Toeristen die het intieme Shaffy Chantant willen meemaken, moeten voor acht uur 's avonds reserveren. De voorstelling begint om tien uur in het Stuyvesant Café op het Promenade deck. De cast wordt ook voorgesteld, ‘Ramses Shaffy, Liesbeth List, Loes Hamel, Polo de Haas en Shireen Strooker. Light and Sound: Olof Smith.’

‘Ik hoor dat de optredens op het schip niet zo'n succes waren, dat die Amerikanen de sfeer van Chantant niet echt begrepen.’

‘Zou best kunnen… ja… zoiets was het wel. Ik had nog wel speciaal nummers in het Engels vertaald.’

‘En dat jullie er een enorme keet van hebben gemaakt!’

‘Natúúúrlijk! Dat deden we overal! Dat was heerlijk. Ja, dat was met Jan Cremer, op die boot.’

Liesbeth List had me erover verteld. Ze lachte erbij, de hele tijd. ‘We genoten vooral van Shaffy's levensblijheid en energie. Die zijn enorm van invloed geweest. Die jongen zingt voor zijn plezier, als een geweldige hobby. Dat maakte ieder optreden tot een feest. De reis naar Amerika was een hoogtepunt. We dachten overal wel te kunnen optreden als we eenmaal in Amerika zouden zijn. John Rosinga had het bedacht. Dolle pret. De hele boot stond op zijn kop. Ramses had het heft in handen, samen met Jan Cremer. We snapten het niet, maar die Amerikanen begrepen niets van Chantant. We hadden alles keurig vertaald. Het waren allemaal oude mensen die vermoeid huiswaarts keerden van hun Europa-reis, en die absoluut niet aanvoelden waarom Loesje Hamel in kleurige gewaden gestoken, fluisterend liedjes aankondigde en niet begrepen waarom Ramses Oude Hein deed. Er kon geen lachje af. Wij kwaad op den duur. Zo van: we zijn zeker niet goed genoeg. We krijgen ze niet plat! Maar die mensen zaten gewoon verbijsterd te kijken. Hun mentaliteit was anders. Het was niet luid en poppie genoeg. Chanson? Begrepen ze ook niets van.’

Ineens schaterde ze. ‘Ramses en Jan op die boot, dat was wat. We speelden avond aan avond op die boot. Aan het einde van de reis wilde de crew van de boot iets voor ons terugdoen. Ze hadden zelf een cabaretje in de geest van Chantant gemaakt, voor ons. We waren er allemaal, behalve… juist, meneer Shaffy. Die had zich vergrepen aan de boordtelefonist. Pas bij het slotnummer… net als bij ons, de Shaffy Cantate. Op dat moment kwam hij aanlopen. We waren boos op hem, we vonden het geen stijl om niet te verschijnen. En toen knapte er iets, misschien wel omdat we gewoon bekaf waren. We hadden dagen op elkaars lip gezeten. Iedereen kreeg ruzie met iedereen. Jeanette de Haas en Polo, Jan Cremer en Loesje. Een heel gevecht. Uiteindelijk vluchtten we naar de hut van Shireen, die was er met haar dochtertje Devika.

Ramses kreeg er zoals gewoonlijk niets van mee, die zat lekker met die telefonist aan de bar en had al heel wat borrels achter de kiezen. Hij werd zo lam, mijn hemel. Op een gegeven moment was hij het “hotel” zat en vroeg hij de steward een taxi voor hem te bellen. Op open zee!! Het duurde hem ook veel te lang, voordat die taxi er was, hij verliet de bar op zoek naar de taxi. Hij zwalkte over het dek, kwam er Jan Cremer tegen. Ze kochten een fles wodka. Met z'n tweeën gingen ze naar de kamer waar de telefooncentrale was. De nieuwe vriend van Ramses was er aan het werk. Ze hebben die jongen ook volgegoten met drank en ze hebben die hele dienst van hem overgenomen.’

Liesbeth sloeg haar hand voor haar ogen: ‘Jan stak een hele bos stekkers en pluggen in het paneel en riep om dat het schip op een ijsberg was gevaren, dat we gingen zinken, en dat iedereen naar de reddingssloepen moest komen.

Daarna staken ze de snoeren en pluggen om, en liet Ramses aan de overige passagiers weten dat de kapitein zojuist vader was geworden van een zoon en dat iedereen een borrel moest komen halen in zijn hut.’ Hoofdschuddend: ‘Je begrijpt wat voor zootje dat werd.’

Ramses zette zijn wijntje neer en lachte breed: ‘Jahaa, dat weet ik nog… dat was heel ingewikkeld nog, hoor, met die stekkers en zo. Ja… het werd een chaos op dat dek. De ene helft van het schip had letterlijk de doodsangst in de ogen, en de anderen waren op zoek naar het feestje van de kapitein…’

We giechelden. Ramses legde zijn hand op mijn been. Keek me aan: ‘Wonderlijk, hè?’

‘Volgens Liesbeth hebben Jan en jij toen in de scheepsgevangenis geslapen…’

‘Dat zal best. Ik heb daar vast heerlijk geslapen…’

Hij rookte tevreden. Een zachte blik.

‘En die optredens in Amerika?’ vroeg ik voorzichtig. Ramses tikte de as in de asbak en schudde zijn hoofd: ‘Nee, dat werd toen niets.’

‘Wat weet je ervan?’

‘Niet veel. Behalve dat het niets werd. Het kwam in ieder geval niet op de mensen over. De audities niet, gewoon niets,’ zei hij met een korte knik. Ik vroeg niet verder. Keek om me heen en herkauwde glimlachend de bootreis.

Daar ging hij weer. Ik voelde dat hij me aankeek. Op diezelfde manier als eerder.

‘Je hebt heel mooie handen, weet je dat?’

‘Dank je, ik speel geen piano… helaas.’

Hij streelde mijn linkerhand: ‘Ik wil zo voor je spelen.’

‘Ja… dat vind ik prachtig.’ Ik zag hoe hij opstond, zich installeerde achter de vleugel. Ik mocht dromen, want hij speelde voor mij.

Aleid rommelt wat in het keukentje. Ze moet ergens heen, maar komt nog even bij ons zitten. Na het overlijden van Louis’ eerste vrouw, is zij de nieuwe levenspartner van Louis. Ze kennen elkaar dus al lang. Aleid vertelt over de Mont d’Or. Louis schudt zijn hoofd. De lach wordt zijn lippen de baas.

Het is voorjaar 1966. Ramses’ roem groeit met de dag. In Scheveningen staan mensen in lange rijen om hem met Chantant te zien optreden. De Mont d’Or was altijd een casino geweest. Sinds de overheid het gokhuis had gesloten, opende eigenaar Goldberg de deuren voor kwalitatief cabaret. Ook dat was een gok. Komt Ramses? Komt hij op tijd? In welke toestand komt hij?

Aleid slaat haar ene been over het ander en vertelt: ‘Ze moesten om kwart over negen optreden, en als we Ramses om acht uur niet in de auto hadden, dan werd het spannend. Je had in de Mont d’Or twee mogelijkheden. Of het was bloedheet, zaten de mensen met knalrode koppen en zweetplekken onder hun armen, of het was ijskoud en zaten ze met rode neuzen te rillen.’

‘Jahaa! Maar wel gehoorzaam te wachten, want het fenomeen zou nog komen,’ stelt Louis.

‘Maar ik moest dan door de mensen heen naar mijn plekje achter het licht en ik kreeg dan al die woedende mensen over me heen van: wat is dat nou? We zitten hier al vanaf halfacht! En dan was het al halftien of zo en dan nog was het afwachten hoe laat het begon. Het kon zo nog een halfuur duren,’ zegt Aleid.

‘Het is nog nooit voor halftien, tien uur begonnen,’ meent Louis behoorlijk stellig voor iemand die zegt alles uit die tijd vergeten te zijn.

Aleid glimlacht: ‘Het was van Amsterdam naar Den Haag een uurtje rijden, dus dat was het niet. Als ik ze maar op tijd bij elkaar had. Want soms reden we pas om halfnegen uit Amsterdam weg, wanneer ik ze niet had kunnen vinden.’

‘Heb je Ramses ook wel eens niet gevonden?’ vraag ik.

Louis antwoordt: ‘Nee, nee, er is nog nooit een voorstelling niet doorgegaan… ha, ha, maar het was ook nooit voor één uur afgelopen.’

Aleid verzacht: ‘Ach, je onthoudt natuurlijk de extreme dingen, maar het is echt meerdere keren geweest dat ik echt op zoek moest in zijn stamkroegen. De Gelaghkamer, de Andere Werelden, of hoe ze ook heetten.’

‘Hoe reageerde hij dan?’

‘“O, daar zijn jullie!” Of dat hij zo dronken was, dat je hem nauwelijks in de auto kreeg. Dan stopte je hem een beetje onder de douche en dan gaf je koffie en dan propte je hem in de auto.’

Mozes, wat een gedoe. We lachen er nu om.

Louis grijnst: ‘Ik weet nog dat Liesbeth altijd met de koffie klaar stond. Het was wel elke avond een soort vraag in welke staat Shaffy aankwam op de locatie waar we zouden optreden… Er was een soort testcase, als hij de brandwachten achter de coulissen ging optillen, dan was het gevaarlijk… ha, ha… Ramses gebaarde met krullende vinger een nietsvermoedende brandwacht te komen. Die kwam dan. Shaffy gaf hem dan een pets op zijn kont, tilde hem even op en riep dan: “Poepekeet!” En als dat gebeurde was het goed mis… ha… ha…’ ‘Hadden jullie dan schik of ook angst?’

‘Nee, toen alleen maar lachen… Ik heb natuurlijk wel eens gedacht van: verdomme, we moeten toch wel een beetje muziek maken.’

‘Ja,’ zucht Aleid met kleine lichtjes in haar ogen: ‘En die paar keer dat hij zo dronken was, dan wisten we ook dat de liedjes twee keer zo lang zouden duren.’

‘O, ja, ja… ik moest dan alles twee keer zo langzaam spelen, anders kwam er geen verstaanbaar woord meer uit… Sssammy… llloop… mm… gebogen… la, la… Ssssammy… kromme, domm Sssamm-ie… ha, ha… Albanees, noemde hij dat. Dan murmelde hij wat in een onnavolgbare taal, een mengelmoes van Slavische klanken en Nederlands. Je had het idee dat het aan jou lag, dat je het niet verstond.’

Mijn ogen keren naar een andere tijd. Ik probeer het beeld van Louis van Dijk dat ik heb los te laten en te reizen naar het zwart-wit van een televisieregistratie uit die tijd. Daar zit hij, schallend, brallend, zwart-bebrild achter het klavier… Ramses en Liesbeth staan. Het is het slot van een optreden… denk ik. Mijn God, Louis. Mager nog, langer haar… Wat is Shaffy mooi. Waarschijnlijk was ik er totaal in opgegaan, meegesleept door de roes van vrijheid. Ik moet het nuchter zien. Het getuigt niet van verantwoordelijk gedrag om je collega's en vrienden op te zadelen met jouw dronkenschap. Ramses schijnt alles te mogen. Ongelooflijk.

‘Je kunt je dat niet voorstellen in deze tijd,’ zegt Aleid, ‘op de eerste plaats was het geen theater, het was meer een soort club, dus er was een bar, en mensen zaten aan tafeltjes, ze bestelden eten en drinken. Dat was ook zo in de Mont d’Or.’

‘Jawel, maar later gingen we ook naar de grote theaters,’ doorkruist Louis. Hij wordt steeds enthousiaster. Zijn geheugen wordt ook beter. ‘Ik kan me herinneren, dat we live-tv voor de BRT hebben gedaan, in Antwerpen. Daar was dus iedereen dronken, maar dan ook echt iedereen. Jacques Schols, John Engels, Ramses, ik, Liesbeth, alles was dronken en we hebben gewoon live-tv gedaan en alles ging goed. Kijk, als ik op tournee ga heb ik een soort verantwoordelijkheidsgevoel, dat toen absoluut afwezig was. Nu heb ik ook bladmuziek voor mijn neus liggen. Kijk er nooit naar, maar ik heb het wel liggen.

Vroeger, bij de tour de chants van Ramses en Liesbeth… ach, die liedjes duurden ook vaak niet veel langer dan twee minuten. Er waren wel van die gekke dingetjes bij van anderhalve minuut, en nog veel korter. De tour de chant van Ramses was tegen de twintig liedjes, en ik had alleen maar titels, niet eens de toonsoorten erbij. Met die titel wist ik met mijn dronken kop, o ja, dat is die… en hup… en dat ging ook allemaal. Het enige wat wegviel, waren natuurlijk vaak zijn teksten, ha, ha… Albanees. Hij was natuurlijk een geboren acteur! Wij hebben soms wel eens de indruk, dat hij zelfs affectie acteert. Die man speelt alles. Hij heeft de hele wereld om zich heen totaal onder controle. Nog! Nog!’

Zakt terug in zijn kussen, zit een paar seconden stil en veert weer overeind: ‘Ramses heeft iets waardigs… en het valt me op, zeker nu, nu hij zich in deze fase van zijn leven bevindt, dat hij dat altijd behouden heeft. Hij heeft iets waardigs, waardoor je denkt: laat ze maar lullen, maar hij heeft alles nog volledig onder controle. Ik weet niet of het zo is, maar hij straalt dat uit. Waardigs. Arrogant bijna. Dat zijn kortetermijngeheugen slecht is, is wat anders. Maar ook daar speelt hij mee. Hij wendt het aan ten eigen faveure. Een heel goed voorbeeld, waardoor hij ook weer een lach tovert op ieders gezicht. We zitten in een restaurant in Utrecht, vlak voor de première van die film over hem, en het NOS-journaal komt binnen. Zegt-ie: “NOS-journaal? Bestáát dat nog?” Ha, ha… het is volgens mij ook een spel. Denk ik. Ik heb zelfs gedacht, dat dat einde van de film, waardoor iedereen zo ontroerd was, dat hij piano speelt met die traan op zijn wang… dat… dat hij dat speelt. Althans zeker voor een gedeelte. Hij is een acteur. Joop Admiraal en Ramses zijn één. Dat merk je nog altijd. Die twee zijn in staat om de wereld als acteurs, als godgegeven acteurs, de hele wereld in de maling te nemen. In die film ook. Joop zit toch gewoon te acteren? Meesterlijk!’ Dus toch.

Aleid heeft haar jas al aan, zegt nog: ‘Soms is zijn masker wel even weg. Zoals in die film over hem… dan vraagt hij de interviewer: kom maar op met je vragen, heb het maar over het nu, kom maar op! Dan heb ik het idee dat zijn masker even weg is.’

‘Ja, ja… dat hij zich dan kwetsbaar opstelt,’ mompelt Louis.

‘Ja, maar ook agressief.’

‘Ja, ja, zéér agressief.’

‘Hij kon heel agressief zijn, vergeet niet wat hij gevochten heeft, hè?’ ‘Ja,’ zegt Louis. Hij is rechterop gaan zitten. Zijn koffie is koud. ‘Er zit in die film toch ook stuk, dat hij ineens begint te schelden. “Droogkloten!”’

Aleid kijkt me aan, alsof ze wil benadrukken dat ik ook deze verhalen moet opschrijven. Het zijn altijd de vrouwen om Ramses die me erop wijzen dat ik hem niet alleen maar de hemel in moet schrijven, maar ook zijn schaduwkant moet laten zien. Shireen en Liesbeth zeiden beiden dat ik hem niet te mooi moet maken. En altijd doelen ze dan op de drank.

‘Hij had soms een heel kwaaie dronk, oei oei, nou, ik heb dingen in Den Haag meegemaakt, dat ik dacht… als het maar goed komt jongen. Uitdagen. En wat voor een mensen uitdagen, echt onderwereld. Echt uitdagen, zuigen, schelden. Hoe vaak is hij niet in elkaar geslagen. Het gebeurt natuurlijk wel eens dat iemand om niets in elkaar geslagen wordt, maar bij Ramses was het ook vaak uitgelokt. Hij heeft natuurlijk helemaal geen gêne om iets tegen mensen te zeggen. Nul! Nul! Het is een type, hoor!’

Ramses stond op, trok het kleedje terug op de vleugel. Ontroerd door zijn muziek volgde ik zijn bewegingen. Het was indringend wat hij speelde.

Ik droomde weg op de herkenning van zo veel liedjes. Klanken, akkoorden van nummers die ik ken, klinken door in zijn improvisaties. ‘Wat moet het heerlijk zijn,’ zei ik, ‘zo te kunnen spelen.’ De akkoorden van Ramses zijn zo authentiek. Het is zijn geluid, de roep van zijn ziel. Hij schoof zijn stoel aan, greep onmiddellijk naar zijn sigaretten. ‘Ja… het is mijn grootste talent, zei mijn moeder. Het is ook heerlijk om liedjes te mógen maken, om ze te mogen zingen voor heel veel mensen.’ Hij stak zijn Marlboro aan. ‘Ik heb ook veel geluk gehad, met de goede mensen om me heen.’

‘Zoals Louis?’

‘Ahaa, Loe-wie-gie! Zeker, want ik kon geen noten schrijven, dus ik componeerde met een bandrecordertje. Daarmee nam ik alles op. Of ik speelde het nog een keer voor. Dan luisterde Louis, en die kon dan in een paar minuten opschrijven in muziek, wat ik speelde. Vaak had ik eerst de muziek, had ik al wel een idee voor de tekst. Soms kwam het ook gelijktijdig, dan schreef ik de tekst terwijl ik speelde.’

‘Bij Sammy hoor je duidelijk de invloed van Louis, toch?’

‘Ja, bij meer nummers wel. Maar Sammy zeker… ik had het voorgespeeld, de melodie, en ik moest toen naar een kamertje. Louis en de bassist bleven achter. En toen ik terugkeerde hadden ze er jazz van gemaakt. Het swingde helemaal. Dat was een genot! Een geschenk om met zulke mannen te mogen werken.’

‘Zeker.’

‘Ja… hi hi…’

‘En Sammy, is dat nu John Rosinga?’

‘Nou, ja… hij heeft er wel een beetje model voor gestaan. Ik weet dat niet meer precies. Louis of Liesbeth weet dat wel.’

Ik nam mijn notitieboekje en las Ramses voor wat Liesbeth me vertelde: ‘Onze manager John Rosinga, die organiseerde van die leuke LSD-party's in zijn appartement. Dat was in de tijd dat LSD geïntroduceerd was. Hadden we onder begeleiding van een bevriende arts zo'n LSD-trip.’

‘Met een arts erbij?’

‘Ja… 't is toch levensgevaarlijk als je een bad trip hebt.’

‘Ramses ging er helemaal in op, die vloog, had alleen maar positieve trips. Rosinga deed ook mee, maar die ging de heel andere kant op. Die klapte helemaal in elkaar. Zag het niet meer zitten. Ramses heeft hem toen weer proberen op te beuren. Zo is Sammy ontstaan, Rosinga is dus Sammy, althans voor een deel.’

Ramses had aandachtig geluisterd. ‘Het zal wel zo zijn gegaan,’ zei hij schouderophalend en schonk het flesje wijn uit over onze twee glazen.

‘Ja, maar waarom Sammy? Een joodse naam.’

‘Ach, dat is het gewoon geworden. Mensen zoeken daar altijd iets achter, maar ik had de muziek al af, en ik moest de woorden nog maken, dat doe ik meestal het laatst. Ik had het hele lied al klaar, behalve dat ik nog een naam moest verzinnen, die op twee noten paste. Het zou ook Robbie of Tommie kunnen zijn geworden, maar het werd Sammy. En dat werd een groot succes, hoor,’ zei hij alsof hij me iets nieuws vertelde. In 1966 kwamen er twee platen uit. Shaffy Chantant in januari, en de eerste solo-lp Ramses II, met daarop Sammy, later dat jaar. Een enorme hit, mede door de single. Het lied stond wekenlang op nummer twee in de hitparade.

‘Ik heb er zelfs een Edison voor gehad, geloof ik. Ja. Ik had er al één gekregen van Willy Alberti. Die vond dat ik er een verdiende. Dat was dus daarvoor. En na Sammy kreeg ik er dus echt één. Ik weet niet of ik de andere aan Willy heb teruggegeven.’ Ramses dacht na, kantelde zijn hoofd en zong: ‘Toetanchamon Toetanchamon!’ en sprak vervolgens: ‘ik herinner me dat ik in Parijs was en dat ik daar een plaatje heb gemaakt in het Frans. De Franse Sammy, Toetanchamon stond erop. En Marije… wat leuk, ik herinner me ineens weer zo veel dingen. Ik was in Parijs op een tentoonstelling over Egypte, daar werd ik ineens heel geïnspireerd door Toetanchamon… ik heb het nummer toen heel snel geschreven en een week later was het uit op plaat. Die plaat heette ook zo, ja… dat was in die tijd… net na Chantant.’ Hij lachte. ‘Toch is het in Frankrijk nooit echt iets geworden met mij… mijn weg lag in Holland.’ Hij stond op, liep opnieuw naar de vleugel. Opende de klep, ging zitten. Keek me aan en zei: ‘Er is ook een plaat niet doorgegaan, hoor. Die was al helemaal klaar, maar ik was daar niet tevreden over. Huppekeet! Weg!’ Hij keek omhoog. ‘Een bloemenkrans en een nachtgewaad, of zo heette die, geloof ik.’ En hij begon te spelen. Sammy instrumentaal. Zijn grote handen leken de toetsen geen kans te geven te ontsnappen.

Image

1966. Liesbeth en Ramses signeren de lp Shaffy Chantant in de Bijenkorf in Amsterdam.

De vingers van Louis zijn korter, dikker, maar leniger. 't Lijkt wel alsof Louis meer kan tippen, een toets net wel, net niet aan kan raken. Zoals hij jazz speelt. Weet niet of Ramses ook zo speelde. Shaffy speelt warm, elke klank is vol hartstocht.