Vier 
Lieve Shireen,
Joop en ik hebben er een tijd over nagedacht of we het zouden vragen, en nu kan het niet anders, we zitten volkomen vast. Zou jij ons geld willen sturen, zo gauw mogelijk, naar Banca d’America e d’Italia, Largo Tritone 161.
Het spijt ons vreselijk maar we hebben nu al 2 weken geen geld, en hebben het tot een paar dagen terug weten te redden, maar het gaat niet meer, we worden misschien zaterdag uit onze kamer gezet, en dan kunnen we gewoon nergens naartoe. Van Eva krijg ik, als ze het laatste artikel geaccepteerd hebben, welgeteld ƒ 650,- Ze laten absoluut niets van zich horen. Het werk, dat ze ons beloofd hebben, schijnt dan wel te komen, maar je weet niet wanneer. Het scenario gaat waarschijnlijk ook door, omdat de man het al heeft laten vertalen en ermee bezig is te bewerken, dus dan hebben we veel geld, maar nog niet over een paar dagen. En nu is de toestand werkelijk heel vervelend. Misschien kan je Eva opbellen, misschien hebben ze het al gestuurd, omdat ik een boze brief naar ze gezonden heb. Als we ƒ 200,- hebben, dan is de kamer tenminste veilig, want de mensen zijn hier doodsbenauwd, als ze merken, dat je geen geld hebt en ze zetten je zo op straat, echt een hele andere (begrijpelijke) mentaliteit dan in Holland. Je krijgt het zo gauw mogelijk terug.
Als je het voor elkaar kunt krijgen stuur het dan telegrafisch, dan is het er in een paar dagen. Het spijt ons vreselijk, maar deze brief is uit de hoogste noodzaak geboren.
Dag, zoen Ramses.
PS: We sluiten ook de andere brieven in, die we al geschreven hadden, maar we hadden toen geen postzegels (heel miesj)
Ze houdt het dunne papier tussen duim en wijsvinger. Ze leest murmelend verder en barst in lachen uit: ‘Is het niet geweldig… die wanhoop. Moet ergens in 1961 zijn. Dat gedoe met Eva, zo heette dat toen. Nu heet dat blad de Viva. Ik weet nog dat ik de juwelen van mijn moeder naar de lommerd heb gebracht, om hun geld te kunnen sturen… Dit is een schat, dit móét ergens in een museum… al deze brieven. Alle brieven van Ramses en Joop uit Rome heb ik bewaard. Alle!’ Shireen lijkt haar glas wijn vergeten. Achter de door haar leesbril vergrote ogen ligt een andere wereld. Het is begin jaren zestig. Ramses is een opvallende acteur, woont samen met Joop Admiraal in de Derde Weteringdwarsstraat. Hij vond het voor hem de hoogste tijd om internationaal door te breken. ‘En dit dan, Joop schrijft… mijn God, wat een armoe! Ha, ha!’ Ik geniet van Shireens verdragende lach en lees over haar hand mee.
Ook al zegt Eva dat hij het op zal sturen, doen ze het misschien later en niet telegrafisch, dus dan duurt het nog een week langer. Wil je vragen of jij 't dan mag doen, dan zijn we zeker dat het er zaterdag of maandag hier is. 't Is erg raar, maar als dit punt gepasseerd is, zijn er weer goede uitzichten op werk, want er is voor mij een smoking vermaakt dat ik moet dragen in een figuratie, maar dat duurt een week of misschien 2 weken. Dag Joop.
‘Hier was het wel héél erg hoor… Het was ook een groot avontuur. Voordat Ramses en Joop het in Rome gingen proberen bij de film, was Ramses al een keer naar Parijs geweest.’
Vliegensvlug, maar ook chaotisch, bladeren haar vingers terug in de tijd. Ik drink en kijk en voel me enorm thuis in dit huisje in Noord-Holland. Dat komt door haar. Het zou zomaar kunnen dat haar huis nooit een slot heeft. Een klap! Een deur slaat dicht. Gestommel in het halletje. De levenspartner van Shireen, Bram Vermeulen, komt binnen met veel kabaal: ‘Is er nog wijn? Hoe laat gaan we eten? Ik zit midden in een creatief proces!’ Hij stuift door de keuken. Shireen kijkt niet eens op van haar brief, maar zegt: ‘Heel goed, schat.’ Bram vertrekt zoals hij kwam. Gestommel, dichtslaande deur. Shireen kijkt quasi hoofdschuddend over haar brilletje. Zo is hun liefde. Ik schenk wijn bij. ‘Ah, hier. Dit issum, een van de eerste, uit Parijs!’ Ik leun achterover in de stoel waar ik elke keer als ik kom, ben gaan zitten, veeg mijn handen af aan mijn broek en neem de brief in mijn handen.
Parijs 16-10-1958
Lieve Shireen,
Ongelooflijk bedankt voor je brief. HEEL ERG FIJN! Natuurlijk verlang ik naar jullie vooral ook naar het werk, want wat ik hier allemaal doe is niet te geloven. Ik zal het je allemaal vertellen. Ik kwam dus hier aan met VEEL geld, strooide losjes met de pamfletten in restaurants, theaters en cabarets. Iedereen heeft flink meegenoten. Na een paar dagen was het kapitaal op. Had inmiddels reacties hier en daar opgedaan. Een auditie voor de radio en televisie gemaakt met succes, over een maand krijg ik een uitzending. Niemand heeft hier haast, maar ik wel. Een andere auditie gemaakt in een soort ‘rutecks’ [een cafetaria bs]. De mensen vonden me wel aardig maar raar, dit was geen succes. Na een paar dagen was het geld, zoals ik je zei, op. Wat te doen! Ik ben toen gaan tekenen op straat, dus op het asfalt, met krijt. Een mooi meisje hield de wacht bij het doosje, waar de mensen geld in moesten gooien. Naast het doosje staat ‘MERCI’. Dit ambacht doe ik nu nog op de dag van heden. Het brengt ongeveer veertig gulden op en dat gaat ook per dag op. Ik heb een paar dagen geleden een klein handorgeltje op de kop kunnen tikken, van een beroepsorgelspeler een les gehad aan de oevers van de Seine. Als je dacht dat het eenvoudig zwaaien aan de zwengel was, dan heb je het mis.
Je moet al orgelspelend dolkomische toeren maken voor de terrassen. Op de polka, meehupsen, de Marseillaise meezingen (ik ken de woorden niet), de cancan met de benen de lucht in, ga maar door.
Je moet een gek pak hebben en heel wonderlijk geschminkt zijn, anders geeft niemand een stuiver. […]
Toch mag ik dit beroep niet uitoefenen hier, omdat het slecht voor mijn stem is. Dus hebben we de laatste dagen weer gewoon getekend met orgelbegeleiding. Ze geven opeens veel meer. Ik had dit allemaal niet kunnen dromen toen ik nog Richard II speelde. Ach ja, morgenavond doe ik een auditie in een zeer chique tent. Maar men zegt dat mijn liedjes te vies zijn voor Parijs. Ik zal ze morgen vies-chique zingen. Na enige inzinkingen in de eerste weken, voel ik me nu zalig, maar vraag me af of het wel erg belangrijk is wat ik doe. Ik weet het eigenlijk wel zeker, dat het namelijk erg belangrijk is. Je hebt hier driemaal per dag het gevoel of je een première hebt met al die belachelijke dingen op straat. […] Morgen weer lekker tekenen, 's middags repeteren, 's avonds auditioneren, 's morgens lekker lang slapen. Even een klein gedicht: ‘Hoe vreemd,’ zei Bets en snoot de neus,
Het werd haar iets te veel,
Haar man behandelt haar onheus,
En grijpt steeds naar haar keel.
Dan gaat zij moeilijk zoemen,
En een lief naampje noemen,
Dan gaat zij een beetje peuteren,
En een beetje onzin leuteren,
Dan grijpt zij naar haar knietje,
En zingt een vals, vies, liedje,
Dan stuift zij woest naar buiten,
Doet een kousje om de kuiten,
Dan klimt zij in de bomen,
Om even stil te dromen.
Dan valt zij naar beneden,
Ik heb even hard gebeden.
Dan ziet zij een moe schaapje staan,
Met krent en vijg vroom belaân,
Dan klimt ze op het rugje,
En laat een koud, klein kugje,
En een loeiend windje.
Ach, Bets, ach meid, ach mijn kindje.Dag lieve schat, werk maar hart en hoop op alle wonderen van dit leven. Zoen van Ramses.
Shireen grinnikt: ‘Volgens mij is de helft nog gelogen, nou ja… overdreven, het belicht ook een andere kant van zijn leven, zijn bezorgdheid, het vroeg naar bed gaan om de volgende dag werk te zoeken. Dat zou hem later in zijn carrière een zorg zijn.’
Ik herinner me dat ik met Ramses over Parijs heb gesproken. ‘Ik ben veel in Parijs geweest,’ zei hij met rook, ‘ik heb er nog gezongen. Ik heb er met Merel Laseur gewoond, nou ja, op haar kamer.’
‘Heb je met haar een relatie gehad?’
‘In zekere zin wel ja.’
‘Een liefdesrelatie?’
‘Ja.’
‘Dat was nog voor Joop?’
‘Ja.’
‘Of tijdens Joop?’
‘Nee, nee, hi, hi, hi… Joop heeft het niet gemakkelijk met me gehad… maar het kan ook een andere keer zijn geweest, ik heb er ook nog in een appartement gewoond.’
Parijs! Parijs in de jaren vijftig. 't Moest de tijd zijn dat Parijs nog heerlijker was dan nu. Minder auto's, zuiverder artistiek leven. In ieder geval klonk Parijs uit die tijd romantischer dan Parijs nu. Ramses zat er. Joop kwam. Ze vonden elkaar heel aantrekkelijk en waren meteen verliefd op elkaar. Joop vond Ramses bijzonder. Ramses vond Joop bijzonder. Zo had Joop het me verteld. Ramses had toen al besloten naar Parijs te gaan. Dat wilde hij niet terugdraaien, want Shaffy had al plannen voor een internationale carrière. ‘Hij ging dus naar Parijs, maar dat viel een beetje tegen. Dus ging-ie maar op straat tekenen. Dan vloog ik in de weekends heen en weer, want ik zat op de toneelschool nog,’ zei Joop.
Ik was verbaasd dat hij vloog. In die tijd kon dat. Met twee tekeningen verdiende Joop driehonderd gulden. ‘En ik had een beurs van honderdenvijftig gulden per maand. Dus in een weekend verdiende ik gewoon veel, dan betaalde ik de vlucht en dan hadden we het in Parijs gewoon goed. Een enorme luxe.’
‘En de mensen maar denken: gossie, die arme straattekenaars.’
‘Ja.’ Hij stak een sigaret op. Joops handelingen klopten, zijn pauzes, zijn intonatie. Hij acteerde in een gewoon gesprek. Het was bij Joop in het keukentje. Muren vol antiek kookgerei, vrolijke ansichtkaarten, droevige ansichtkaarten. Op het houten tafeltje stond een kop koffie.
‘We waren een van de weinigen nog. Daarna gingen meer mensen het doen. Twee jaar later waren we weer in Parijs, want we waren gestrand met een scooter, en we hadden geen geld meer. Dus we gingen krijtjes kopen, dat geld hadden we dan nog wel. En toen viel het al tegen. Er waren er te veel die tekenden. De politie wilde je ook niet meer. Op de grote boulevards mocht je ook niet meer tekenen. Plus toen deden we het ook echt omdat we geen geld hadden, daarvoor deden we het ook voor ons plezier. En dat komt natuurlijk over, als je leuk zit te tekenen krijg je ook veel geld. Je tekent maar anderhalf uur, dan is de tekening af… dus in die tijd moest het gebeuren.’ Hij vertelde ingetogen, voor mij klonk het alsof ik heel wat had gemist.
Shireen buigt zich over een brief. Opnieuw een lach. Ik lees flarden van brieven. Sommige zijn helder en duidelijk, andere gepriegeld op uit elkaar geplozen velletjes papier van een servet. Waarschijnlijk ooit geschreven in een kroeg. Zeer waarschijnlijk. Koortsachtig lees in het leven van drie mensen. Volgens Shireen zouden sommige brieven of passages geweldig zijn voor het boek, het zegt zoveel. Ze staat op, loopt naar een kastje onder het aanrecht en keert terug met een asbakje voor haar dagelijkse sigaret. Dat deed ze toen ook. De eerste keer dat ik naar het huisje kwam.
Tegen de avond reed ik voorbij Amsterdam naar het noorden. Zeven uur hadden we afgesproken. Om halfzeven blèrde mijn gsm. Shireen. Waar ik bleef. Ze had soep gemaakt. ‘O, hadden we zeven uur afgesproken?’ Even voor zeven reed ik het aardedonkere dorp in. Bram stond buiten bij het hek, hij loodste mijn koplampen naar het juiste huisnummer.
Binnen kreeg ik wijn, heerlijke soep en nam Bram het woord: ‘Shaffy staat buiten alles. Hij is geen jazz, geen pop, geen chanson… het is Shaffy. Weergaloos. Het is een van de gevaarlijkste artiesten die er is, hij is zo écht, zo vrij. Alleen al door zijn verschijning stelt hij alles ter discussie. Hoeft-ie alleen maar binnen te lopen. Wat een man! Je hebt het over de verpersoonlijking van de artistieke vrijheid, hoor! Niet over een Jim, Jamai of een Marco Borsato! Niet eens een Boudewijn de Groot. Maar wel zoals ook Lennaert Nijgh, dát is de artiest. Of zo'n George Baker. Niet in artistiek opzicht, maar het zijn ook van die onaangepaste vrije vogels. Ja, mijn God… Shaffy is oer! Is mateloos echt! Ook in zijn beleving. Zijn vrolijkheid, zijn melancholie, alles is echt, niets is geleend! Hoe hij het publiek kan bedanken! Als ik een avond geen zin heb om te spelen, dan hoef ik maar even aan hem te denken en ik weet weer waarvoor ik het doe. Die man bedánkt zijn publiek als geen ander. Geen formele buiging, nee, hij dankt écht. Hij is mateloos dankbaar. En dat draagt hij over. Om alles. Grandioos. Het is één brok overdracht en vrijheid.
Hij is ook geen PR-artiest. Hij doet niet aardig als hij niet aardig is. Als het hem niet bevalt gaat-ie ook gewoon weg. Ik weet dat ik een keer stond te spelen, lang geleden. Shaf in de grote, ik in de kleine zaal. Na een kwartier zie ik hem bij mij in de zaal staan. Vond-ie het een rotpubliek! Treedt-ie ook gewoon niet op!’ Opgewonden vertelde Bram over Ramses. In de tijd was het mijn eerste grote ontmoeting, mijn eerste halte op mijn Shaffy-reis. Ik kwam voor Shireen en had geen idee dat het codewoord Shaffy zoveel losmaakte.
Tussen de soep en lasagne door voedde ik me met wat Bram me vertelde. ‘Wat bedoel je met levensgevaarlijk?’
‘Hij bedreigt alles waaraan een normale burger of een hele maatschappij zich vastklampt. Hij wijst mensen erop dat het kan, dat je niet burgerlijk hoeft te zijn, dat je je niet aan regels hoeft te houden. Zijn gevaar is zijn ongrijpbaarheid, hij hoort nergens bij… zijn enorme vrijheid. Dat willen we niet, dat bedreigt ons maatschappelijk systeem. En Shaffy's levensstijl past zo perfect bij zijn repertoire. Hij is alleen zichzelf en dat is al genoeg. Die uitstraling… je hebt hem toch ontmoet?’
‘Ja, ja… maar ik zie een vredige, aardige, oudere man…’
‘Kijk dan nog maar eens goed… Shaffy is niet aardig, dat is zijn uitstraling. Hij is vrij en laat anderen vrij.’
Na het eten liet Bram me alleen met Shireen. Hij vertrok naar zijn hok in de tuin. Daar is het stil, daar schildert, schrijft en musiceert hij. Shireen keek me aan. Een eeuwig jonge blik, kinderogen met de glans van een oud leven. ‘Het was begin jaren vijftig. Ik zat op de Middelbare Meisjes School. Er was een feest in Den Haag. Ik weet niet meer hoe ik daar kwam of wat ik er moest. Ik was verschrikkelijk onzeker als halfbloed. Mijn vader was Nederlander, maar mijn moeder is Indiaas. Zelf zie je dat niet, je bent wie je bent. Ik begreep ook niet dat ik soms werd uitgescholden voor jodin. Wist niet eens wat er eigenlijk gezegd werd. Ik vond mezelf wel erg lelijk. Dacht dat er een complot was van God. Tegen mij. Ik werd op de proef gesteld. Fijn, ik werd uitgenodigd voor een feest. Ik was enorm verbaasd dát ik werd uitgenodigd. Ik had nogal een wild en exotisch uiterlijk… nou ja… ik was er. Zat aan de kant in mijn rode jurk. Misschien wel te rood. Weet ik niet. Zat in de hoek. Ineens een orkaan! Opwinding! Een lichtgevende, wilde jongen. Hij stond recht voor me en zei dat hij Ramses heette.
‘Ik ben half Egyptisch en jij?’
Ik snakte naar adem, kon nog maar net antwoorden: ‘Half Indiaas.’ Hij danste voor me en pakte me gillend beet. Hij trok me mee de dansvloer op. Hij vertelde dat hij op de toneelschool zat en hoe mooi ik was, hoe goed ik danste. Hoe zei hij het ook alweer? Oh ja, dat mijn ogen schitterden als robijnen uit duizend-en-één nacht. Ik moest van hem naar de toneelschool. Het Nederlandse toneel zou zitten te wachten op mensen met bloed uit twee werelden.’ Shireen sloeg haar ogen op, tuurde in het donkere raam dat als een spiegel was: ‘Er gebeurde iets geweldigs die avond. De tovenaar Shaffy, de magiër had de betovering verbroken. Het complot tegen mij gold niet meer. En zo heb ik hem leren kennen. Ja… Er is er niet één die een mens zo in zichzelf kan laten geloven, een mens zo kan opzwepen, boven zichzelf uit kan laten stijgen en regeltjes, dogma's en “hoe het hoortjes” over boord kan donderen als Ramses.’ Een slok, een lach plooide zich op haar wangen. Ze keek me ondeugend aan. Ze wilde me iets vertellen. Storm in haar hoofd, zoekend naar woorden. Begon zinnen, kapte af, begon opnieuw, haalde nooit adem. Wat een energie! ‘Hij leefde. In die tijd, halverwege jaren vijftig, gingen we soms eten in een restaurant. Hadden we geen rooie rotcent. Als er maar een piano stond.’
Het waaide. Ramses trok haar mee aan haar hand, zwaaide de deur open, zwierde naar binnen. Mensen in het restaurant keken wat verstoord op van hun dis. ‘Hier hebben ze een fijne piano!’ had Ramses haar beloofd. Zonder omwegen liep hij naar de piano. Daar begroette hij zijn onwetende publiek. Hij boog zijn hoofd. Ging zitten, ontblootte de toetsen, keek zelfverzekerd om zich heen en begon te spelen. Rustig, improvisatie, sfeervol, warm, Slavisch, Arabisch. Later sneller, ritmisch. Hij testte. Shireen had haar schroom overwonnen, tilde één hand tot boven haar hoofd en bewoog als een sierlijke vogel tussen de tafeltjes door. De ober was verrast en wilde op het duo af lopen, maar las nog net op tijd de waardering op de gezichten van de gasten. Het was goed. Dit keer. Mensen applaudisseerden dankbaar. Ramses speelde door, tot ook het gezicht van de restaurant-eigenaar tevredenheid uitstraalde. Een knipoog naar Shireen. ‘Dank u, dank u, mag ik iets te eten en te drinken aanbieden… u bent?’
‘Dit is Shireen Strooker en ik ben Shaffy. Ramses Shaffy.’
Ze sloeg haar handen voor haar gezicht. Huilen of lachen. Ik kon het niet zien. Haar stem stokte.
‘Hij liet me dat durven… Ik had het altijd over Ramses thuis, dat-ie zo goed piano kon spelen. Dan zei ik: “Mam, hij kan alle componisten spelen, Mozart, Bach… Chopin…” Toen had ik het zover gekregen dat mijn moeder vrienden en vriendinnen uitnodigde voor een recital, officieel aangekondigd… met hapjes en drankjes… en hij ging achter de piano zitten en speelde het ene Bach-ding na het andere. Mijn moeder zei: “Ja ik ken ze niet, maar het is waarschijnlijk onbekend werk van Bach, maar we vinden het prachtig en we voelen ons zeer vereerd.” Later vertelde Ramses me dat hij alles geïmproviseerd heeft!!’ Shireen lachte, verstilde en zei mijmerend: ‘Het was fantastisch, zeker later ook, toen Joop erbij kwam. We waren de drie musketiers, vechtend tegen windmolens. Ik heb altijd een soort broer- en zustergevoel gehad… en het is ook uit geweest, één of twee jaar… ja… maar dat is heel persoonlijk…’
‘Rome.’
‘Ja, Rome… Rome, wat is met Rome?’
‘Daar zou je over vertellen, Ramses en Joop gingen naar Rome.’
‘Jahaha… Ramses was in Nederland heel bekend als theater- en televisie-acteur, maar hij wilde naar de film. De gróte film. Fellini. We hadden net La Dolce Vita gezien, en dat was voor Ramses het teken om te vertrekken.’ Ik zie het voor me. Ramses en Joop. Shaffy zag hun namen al in neonletters knipperend boven de hele wereld.
Een paar dagen na de eerste ontmoeting met Shireen, bezocht ik Ramses. Hij begroette me met een warme lach en gespreide armen. ‘Wat heerlijk om jou hier weer te zien!’ opende hij.
‘Dag Ramses, het voelt ook goed om hier weer te zijn!’ Ik ging zitten op de stoel, naast hem. Hij keek me lang aan. Het was vertrouwd. Zijn handen, zijn voeten, zijn blik, zijn drank, zijn rook, zijn hoestbuien. Ik was niet langer op audiëntie.
‘Hoe gaat het met jouw leven?’ vroeg hij voor de allereerste keer zolang we elkaar kenden en streek met zijn hand langs mijn been.
‘Goed, vol impulsen… heerlijk, eigenlijk, ja… lijkt wel of ik blijer ben, meer energie krijg,’ zei ik. De laatste tijd ontdekte ik steeds meer wat ik ben en hoe ik wil zijn. Voor het eerst draag ik de soms flamboyante kleding die ik zo mooi vind, zonder dat ik me afvraag wat anderen ervan vinden. Dit ben ik. Punt.
‘Daar ben ik blij om!’ glimlachte Shaffy en hief zijn wijn. Hij keek me diep aan en zei zacht na een tijdje: ‘Je bent een ontroerende man…’ ‘…’
Ik schoof mijn stoel naar de tafel. ‘Ja… eh… Rome, hoe ging dat daar?’ ‘Ha, ha… dat ging eigenlijk helemaal niet.’
‘Jullie gingen naar Fellini?’
‘We gingen gewoon naar Italië toe, we huurden een kamer in Rome en gingen voor de deur liggen bij Fellini, en aanbellen. Toen zei-ie dat we slecht opgevoed waren… mal educate.’
‘Een wijs man.’
‘Ja ha, ha… en dat zag-ie allemaal van boven, uit zijn raam. Hij heeft geloof ik niet eens opengedaan de eerste keer.’
‘En toch blijven proberen?’
‘Ja, maar, het is toch snel gebeurd, we kregen vrij snel een ontmoeting met hem, maar dat werd niets. We hadden het slecht georganiseerd. Vana Caruso zou dingen voor ons regelen. Ik kende haar uit Amsterdam en ze zat bij de film. Ze deed montage en dat soort dingen. En ze introduceerde ons op feesten en dergelijke. Een grote steun, hoor.’
In het museale keukentje van Joops grachtenpand was de reis teruggevoerd naar Italië, naar 1960. Joop sprak beheerst: ‘Ramses wilde weg. Parijs was niet gelukt. Hij zei tegen me: “Jij hoort hier ook niet, jij moet ook internationaal.” In ieder geval moest ik naar de film, ik moest van hem beroemd worden en ik geloofde dat dan allemaal. Ramses en ik speelden samen ook goed, we hadden een soort chemie die wel opviel. Als we samen op toneel staan, dan gebeurt er iets. Dat werd toen ook gezegd. We hadden allebei talent. We zouden eerst naar Berlijn gaan, want daar werd ook veel gefilmd. Toen zagen we La Dolce Vita van Fellini, en toen zijn we naar Rome gegaan, om naar Fellini te kunnen.’
‘Hoe gingen jullie weg?’
‘Nou gewoon, koffer pakken en weg.’
‘Je zegt het alsof je de trein naar Amersfoort neemt…’
‘Het was wel bijzonder, maar Ramses was ervan overtuigd dat Rome op ons lag te wachten… God, ja…’
Een dametje met een druppel aan haar kin passeerde. Ze rollatorde voorbij. Ramses keek haar na, blikte naar mij en vervolgde zijn verhaal over Rome: ‘Het viel ons behoorlijk tegen. De filmrollen lagen zéker níét voor het oprapen. Daarvoor moet je een heel andere strategie bedenken en een agent hebben. We hadden helemaal niets geregeld! Geen strategie, geen kantoor, geen producent, niets!’
‘Maar je was eind jaren vijftig hier wel al een bekend en vooral opvallend acteur?’
‘Ja, hier, maar dáár niet, daar zegt niemand het iets. Je moet je wel introduceren op die manier.’
Ramses keek langs me heen, alsof hij een oude film zag op de witte muur. Ik draaide mijn hoofd, zag grijsgele beelden. Twee mannen, jongens nog. Gedreven door een droom, hopend op wonderen. Ergens moet het ook heerlijk zijn geweest, om zo vrij te zijn, om gewoon te gaan, de boel de boel te laten, blind te vertrouwen op dat het altijd goed komt.
‘We waren ook wel een beetje gespannen, maar het was ook leuk, en daar ging het om!’ knipoogt Ramses, ‘maar de rollen waarop we hoopten bleven uit. Het was een overlevingstoestand, die was niet eenvoudig, hoor. Alles wat er binnenkwam aan geld was heel welkom. Bijzonder fijn was toch dat Henk van der Meyden een interview wilde opnemen met me. Daar kreeg ik geld voor en dat was zéér hard nodig. Ik heb ook een keer in een soepreclame gespeeld voor Knorr. Ik kreeg een rolletje in een serie als een soort hulpdetective.’
‘In een Knorr-filmpje?’
‘Maar wel een internationaal Knorr-filmpje! 't Ging om de soep, maar er zat een verhaaltje omheen… en toen werd ik op straat herkend en toen werd ik signore Knorr genoemd!’
Ik herinnerde me een brief van Shireen waarin Ramses erover schreef. Hij stond met allerlei Italianen op de set, verstond geen woord van de regisseur. Hij ging maar een beetje malloot doen, speelde een geflipt figuur. Tot zijn eigen verbazing was iedereen erg enthousiast over zijn ingeving en kreeg hij de rol. Joop en hij konden weer een tijdje vooruit.
‘Je schreef in die periode ook Nella notte a Roma.’
Shaffy zette onmiddellijk in, de eerste woorden… daarna klanken. Hij keek me strak aan en zei: ‘Eigenlijk een heel ondeugend lied.’
‘Is het niet een Italiaanse versie van Het is stil in Amsterdam?’
‘Nee, heel anders van sfeer, ondeugend, erotisch…’
‘Het is stil in Amsterdam schreef je toen je negentien was, toch?’
‘Ja, maar die sfeer zat er toen al in, die eenzaamheid, gevoel voor solitude… een vorm van verlangen, geilheid… En ook dat dubbele van niemand tegen willen komen en tegelijkertijd naar iemand verlangen… zat er altijd in.’
De armoede was soms heel erg. Ramses en Joop werden dan nog wel uitgenodigd door mensen, dan konden ze op hun kosten een avondje eten en drinken. Een dag later visten ze brood uit hun afvalbak, of rookten ze alleen een sigaar.
‘We zaten eerst in de Via Varzella,’ zei Joop, ‘later in andere straten bij het station, station Termini. We deden alles om maar in contact te komen met de filmscene… Ik weet nog dat ik een keer bij een producer in de auto zat, in zo'n grote Amerikaan. Legde die man zijn hand op mijn knie. Ik zei onmiddellijk “stop”. Ik ben uitgestapt. Heel dom ook, ik had erom moeten lachen, of iets mee moeten doen. Maar ik ben gewoon uitgestapt en daarna heb ik die man nooit meer gezien. Hij was ook geen leuke man, had ook macht… heel onaangenaam.’
‘Dus via hem kreeg je ook al geen werk, waar leefden jullie dan van?’ ‘We deden af en toe figuratiewerk, we liepen helemaal naar het Cinecittà, zes kilometer heen en zes kilometer terug. Dat is de filmstad, daar wordt alles gebouwd, staat vol met decors. Daar kan je een woestijn zien. Een soort Italiaans Hollywood. Alle Fellini-films zijn er opgenomen. Daar liepen we naartoe, we hadden niet eens geld voor de tram. Ik weet nog goed dat ik een keer tegen Ramses zei: “Ik ga nu vragen om een kwartje, ik vind het onzin dat we zo'n eind moeten lopen.” Maar ik durfde het niet, ik durfde het niet. We zagen er niet verlopen uit, maar mijn schoenen waren niet verzoold, dus die waren kapot. We zorgden ervoor dat we er wel netjes uitzagen. En Ramses ging soms maar in nachtclubs spelen. Hij maakte nog niet zo veel muziek als later. Had al wel een paar liedjes gemaakt. Heeft-ie ook op de Nederlandse televisie nog een keer gezongen… ja. Het was ook gewoon heel duur, want we moesten contacten leggen, we gingen uit om mensen van de film te ontmoeten, we hadden ook wel eens lunches met mensen van de film. Af en toe dacht je van ooh, dit gaat goed, maar ja… dan toch… weer niet.’
Joop rookte niet minder dan Ramses. Een staafje as aan het uiteinde van zijn sigaret neigde te breken. Ik schoof de asbak naar hem toe. Met een sierlijk gebaar tipte hij de as in het bakje. Joop glimlachte naar me, alsof hij zich verontschuldigde. Of omdat hij zich fijn voelde. ‘Bij figuratiewerk werd ik meestal gekozen omdat ik blond was, maar ik heb ook modeshows gelopen, omdat je uit wilde, dat was natuurlijk heel duur. We dronken dan meestal campari… thuis wijn.
Het drinken was toen nog niet zo erg, dat is pas later. We hielden er wel van, maar het liep nog niet uit de hand.’ Hij was opgestaan om ook voor mij wijn te schenken. ‘'t Was wel leuk, maar we waren wel echt arm. Ik schilderde ook nog op luciferdoosjes, die werden dan verkocht in zo'n quasi winkeltje met macramédingen… ik heb nog mannequinwerk gedaan. Maar we waren arm, omdat we het zelf wilden. Dat is toch anders. We waren niet zielig.’
‘En zo sprokkelden jullie je inkomen bij elkaar?’
‘Ja…’
‘Maar langzaam werd wel duidelijk dat het wonder waarop Ramses rekende, uitbleef. De grote ontdekking door Fellini bleef uit.’ ‘Is dat een klap geweest?’ vroeg ik, terwijl mijn hand in het kleine koffertje viste dat geopend voor me stond. Joop had het ergens vandaan gehaald in de hoop er nog iets in aan te treffen uit die tijd. Er was niets bewaard gebleven. Toen jaren later Joop en Ramses uit elkaar gingen had Joop de deur zo achter zich dichtgetrokken. Zonder iets. Alleen een artikeltje uit de Eva had hij nog. Zijn moeder had het later aan hem gegeven. Verder is er niets.
‘Nee, niet echt. We deden ook niet echt ons best, we waren niet fanatiek. We deden er zelf ook niet genoeg aan. En misschien hadden we iemand moeten hebben die ons nog meer zou pushen. Het is ook heel moeilijk, je moet ook geluk hebben.’
‘En Shireen maar geld sturen.’
‘Ja… heel erg.’
‘Ja?’
‘Nee, niet echt. Het is heel lief van haar. Maar Shireen geloofde er ook in. Zij dacht: als Ramses en Joop beroemd zijn, dan ga ik daar ook naartoe. Zo hadden we het ook afgesproken. En dan worden we samen internationale filmsterren.’
‘Zo gaat dat.’
‘Kijk, in Holland behoor je tot het nieuwe talent, dus dan denk je van: nou, als het hier kan, waarom dan niet daar?’ Ik volgde Joops blik naar een schilderij dat door Ramses is geschilderd. Het is Joop. Duidelijk. Joop keek langer dan ik. Mijn ogen waren op zijn gezicht. Hoe hij keek, met zo veel liefde nog. ‘We auditeerden ook vaak voor reclamefilmpjes. Dan werd je gewoon bekeken. Heel gênant. Ik vond het voor Ramses nog erger dan voor mij. Dan moest je zo naar voren lopen, en dan zeiden ze: “Naar rechts, naar links, links, links, links, rechts… links.” Als je naar links moest, was je dus af. Je werd gekeurd als vee. Ik snap het ook wel, maar ik vond dat ik dat dan wel kon doen, omdat ik net begon. Maar Ramses was al drie jaar langer aan het toneel… ik wilde niet dat hij zich zo moest vernederen. Heeft dan niemand in de gaten dat hij een heel bijzondere acteur is? Begrijp je?’
De brieven uit Rome lagen voor me op tafel. ‘Rome,’ fluisterde ik en keek door het raam. Gras danste. In me klinkt de stem van Ramses. Hij heeft het me nooit zelf verteld, ik heb het gelezen. Het was zijn handschrift dat me vertelde dat hij eenmaal zonder geld in Italië toch maar instemde met een interview aan Henk van der Meyden. In Holland zou hij het nooit doen, schreef hij, omdat hij vond dat Van der Meyden zo slecht schreef. Nu hij geld nodig had, lagen de kaarten anders. Gezond opportunisme? Later zijn ze zelfs bevriend geworden.
Shireen was weer bij me gaan zitten: ‘Ik zat in een productie, maar als dat afgelopen was, zou ik ook naar Rome komen, ook voor mij zou er een grote wereldcarrière in het verschiet liggen. We zouden het in Rome gaan maken. Zij zouden alvast vooruit gaan. Het was ook gezegd door verschillende deskundigen. Joop als beeldschone, talentvolle acteur, die zou een stuk spelen over Napoleon toen hij jong was… en bij de film was het helemaal… en Fellini zou al meteen bij de eerste gesprekken werk voor ze hebben… dat was het idee… en dat is natuurlijk niets geworden. Op een gegeven moment zaten we helemaal zonder geld… Ik miste ze verschrikkelijk… we schreven elkaar veel brieven… maar wat gebeurde er… Ik ontmoette Ton Lensink, die werd verliefd op me en ik op hem… en toen wilde ik niet meer naar Rome… en dat schreef ik ze… en ik zat in hun huis… zij zouden het gaan maken, ik was het vangnet hier. Ik hield het huis in de gaten, en de deurwaarders en politie buiten…’
‘Ha, ha… was het zo erg?’
Shireen verborg haar lach achter haar hand. Ze schudde het hoofd. ‘Het was een soort open huis daar… zodra het weekend begon, ging de bel. Er was één kamer… eigenlijk twee… maar de achterkamer was vol met spullen… en het bed… Toen ik erin kwam, was het er zóóó vies… de schimmel die bewoog! En ik ben als een gek gaan schoonmaken, dat deed ik ook wel toen zij er woonden, maar er was niet tegenop schoon te maken, dus op een gegeven moment geef je dat gewoon op… maar die troep, dat niet opgeruimde eten… En dan ook die twee katten van hen, Kloet 1 en Kloet 2… En dat was eigenlijk de hoofdoorzaak dat ik in dat huis was, namelijk om die katten te eten te geven… Toen ik er woonde, kwam ik in een kringetje terecht met allerlei types, die kwamen in Ramses’ huis feesten in het weekend… heel leuke mensen… intelligente, creatieve mensen, vrijzinnige mensen, de leukste mensen die je je kon voorstellen… en die waren eigenlijk het begin van de drugsscene… echte pillen… die kwamen dan bij mij, in dat huis van Ramses en Joop… ook als ik er geen zin in had. Je zette ze er niet uit. Het huis van Ramses was altijd open voor alles en iedereen… iedereen nam drank mee, dus dan zat ik daar met de huiskamer vol, terwijl ik de volgende dag moest werken. Dan trok ik meestal gewoon mijn pyama aan… en die hint werd nog wel eens verstaan, maar soms ook niet… Er was ook een keer, toen stond de recherche op de stoep. Ik had geen idee waar het over ging… maar ze vroegen of ze mochten zoeken in het huis, omdat er was ingebroken in de apotheek aan de Vijzelstraat die avond ervoor, en ze dachten dat de gestolen waar als drugs gebruikt zou zijn, door jongens die regelmatig in Shaffy's huis kwamen, of dat ze het hier verstopt hadden… Ik zei dat we alleen maar hadden feestgevierd… Zoiets.’
‘En die internationale carrière is er nog steeds niet. Ik bedoel Shaffy heeft wel bloed van twee werelden, maar is alleen in Nederland en Vlaanderen aan de bak gekomen, toch?’
‘Ach nee, joh! Ze gingen vol bravour weg, maar die bravour die je in Nederland hebt slaat als een tang op een varken zodra je over de grens bent. Ze zijn zo Westers-Europees, de Middellandse Zee en Italië had niet die verliefdheid op Ramses en Joop die er in Nederland was, néé… ze waren blij dat ze eindelijk op een of andere receptie waren binnengedrongen waar weer een of andere filmregisseur was, en dat ze voorgesteld werden. Zegt Ramses: “I'm Ramses Shaffy.” Vervolgens Joop, doodop en doodzenuwachtig, de hand schuddend van de regisseur, zo in de war dat ook hij zegt: “Ramses Shaffy.”’
Een slok, een handje nootjes. Ik las Ramses’ handschrift. Ergens midden in een brief:
Als jij ooit naar Rome komt, moet je een paar dingen weten.
1e = dat, al mocht je de eerste weken alleen Leger des Heils-liederen moeten zingen, je toch een van de belangrijkste stappen in je leven hebt gedaan.
2e = dat het het beste kriterium is om te leren, wat je afgezien van je talent, waard bent als mens.
3e = dat al mochten wij de beroemdheid krijgen van een Marlon Brando en je overal introduceren je het toch zelf zult moeten doen en dezelfde geestelijke ontwikkeling zult moeten doormaken als iedereen, daar helpt, of liever daar kan niemand je bij helpen. Het is het zogenaamde acclimatiseren, wat veel moeilijkheden met zich meebrengt.
4e = Rome is geen theaterstad, alleen film. Nachtclubs zijn er alleen om te dansen. Ik kan er met mijn liedjes niet terecht en jij met je nachtclubnummers niet. Een eenvoudige striptease is het enige, verder is men niet geïnteresseerd.
5e = Er zijn geen cabarets zoals in Parijs of Holland.
6e = De meeste mannen zullen voor jou hier wezenloos attractief zijn, maar misschien zal je hun eerste toenadering niet begrijpen en zal je dat dichtklappen. Ik bedoel men heeft hier een stijl, om zich zo oppervlakkig mogelijk voor te doen en het kost tijd erachter te komen dat die oppervlakkigheid een tactiek is om zo snel mogelijk beet te krijgen, zonder zichzelf te moeten konfronteren. Italianen zijn niet oppervlakkig, zelfs heel gecompliceerd, maar de ‘attitude’ tot vrouwen is snel en eigenlijk heel ongeraffineerd, waardoor vele noordelijke vrouwen er door afgeschrikt worden. Ik bedoel voor de avonturen. Natuurlijk mag men nooit generaliseren.
Is het toch ergens goed voor geweest.
Shireen en Ton gingen uiteindelijk toch naar Rome. In een Citroën 2CV. Het was de zomer van 1961. De reis zou het waard zijn. Ramses had geld bij elkaar gekregen om een film te maken, waarin Shireen zou acteren. Ik lachte vanbinnen, denkend aan de man in het Sarphatihuis. Misschien probeert hij het me allemaal wel mooier voor te stellen dan het was. Als ik hem hoor praten, is het allemaal zo vanzelfsprekend. Het viel allemaal wel mee. Problemen? Had-ie zogenaamd nooit. Zelfs echte tegenvallers neemt hij dankbaar op, alsof ze bij het avontuur horen. Misschien is het een soort façade, maar het kan zijn dat hij gelijk heeft, dat ik het niet zo serieus moet nemen.
‘Ja, Ramses heeft het me verteld,’ zeg ik en zag hem voor me.
Het was tijdens ons gesprek over Rome. Hij was naar voren geschoven op de stoel. Ramses’ stem was warm: ‘Ik kreeg op een gegeven moment wel een opdracht van de NCRV en de Italiaanse omroep, de RAI. Ik zou een film maken over Rome. Van de NCRV had ik een flink voorschot gekregen, maar dat was heel snel op. Aan alleen maar leuke dingen, natuurlijk!’
‘Drank?’
‘Dat viel wel mee, we dronken wel heerlijke campari's en sambuca's. Maar ook gewoon aan het leven… 't feest.’ Dus drank! Zeg 't dan gewoon! Iedereen weet dat je drinkt en een drankprobleem hebt. Waarom dat ontkennen? Omdat dat het kenmerk is van alcoholisme, realiseer ik me.
Ik stelde een andere vraag: ‘Hoe los je dat dan op? Ze willen toch die film een keer zien?’
‘Per dag! Per dag zie je hoe je daar doorheen komt…’
‘Vertel, die film?’
‘Shireen, Joop en ik zouden acteren, en Ton Lensink ging de camera bedienen. Maar die was heel alcoholisch en die kon de camera niet stil houden, ha, ha…’ Alcoholisch? Wie zegt hier iets? Ramses had zojuist het vierde kwartlitertje open geschroefd.
‘De film is klaar, maar waar die is…’ zei Ramses. Veel meer wist hij er niet meer van.
‘Dan vertel ik je de rest wel, want het was een heel avontuur,’ zei Shireen aan de tafel met brieven, ‘ze leefden als arme ratten… De NCRV had dat gehoord, en die had Ramses een opdracht gegeven om een film te maken, gebaseerd op die programma's die we vroeger wel eens gemaakt hadden met acts… Ramses zingen, Joop en ik toneelachtige dingen, en ik wel eens dansen… dat had veel sfeer… Joop was als een pierrot geschminkt en dan had-ie een gesprek met die pop… of hij danste. En die pop bewoog alleen… met muziek… heel artistiek. Nou ja, de NCRV wilde dat op film en het voorschot was gestuurd, en ook de RAI werkte eraan mee, en de techniek moest Italiaans zijn… een co-productie. En ik zou sowieso die zomer naar ze toe gaan in Rome, maar ik zou Ton Lensink, mijn vriendje, meenemen.
In een oude Citroën 2CV gingen wij op weg naar Rome… Ton wist dat ik in de film een rol zou spelen en een Amerikaans meisje, Margo… Dus Joop, Margo en ik zouden in de film de acteurs zijn. We zouden Rome goed in beeld brengen en ook een soort van goed verhaal hebben. We komen aan in hun appartement. Ton en ik slapen op zolder waar het ook 's nachts 40 graden is. De volgende dag roept Ramses ons bij elkaar en hij zegt: “Shireen… eh… het geld is op… denk je dat Ton cameraman zou kunnen zijn?”
“Dat ga ik niet vragen.” Ton was namelijk regisseur, géén cameraman. “Je móét het vragen, want anders kan de film niet doorgaan, en dan weet de NCRV dat het geld op is… dan hebben we niets terug te geven, en dan moet ik het terugbetalen.”
De camera kwam van de Italianen, en de voorwaarde was dat de crew Italiaans was… dus Ton moest zich uitgeven voor Italiaan, dus we moesten een naam voor hem bedenken. Het werd Antonio Campidollio. 's Avonds zitten we daar te eten. Opeens zegt Ramses: “Bukken!”
De mensen van de RAI kwamen binnen, van wie Ramses geld had losgepeuterd. Maar ze hadden ons al gezien: “Ah… Ramssèsse!!” Wij stonden op en moesten dus voorgesteld worden. De eerste die zich voor moest stellen was Ton Lensink, die zich ineens voorstelt als Antonio Lenski. In de pure overtuiging dat hij het goed had gedaan.’ Shireens lach schalde aanstekelijk door het huisje. Zag het helemaal voor me. Enthousiast werd er wijn bijgeschonken.
‘Dat draaien van de film was ook iets bijzonders. We zouden ook filmen tijdens een nacht. Ramses wilde dat ik als een soort danseres bij de fonteinen in Rome zou staan. In het ochtendlicht, je weet wel, dat zachte licht, dat alles nog slaapt. Ik zou iets doen, en dan zou de fontein beginnen te spuiten. Al die fonteinen gingen via een knop bij de gemeente iedere ochtend om vijf uur aan. Maar we konden maar één nacht filmen.
Shaffy had het met zijn enthousiasme, zijn onbevangenheid en overtuigingskracht voor elkaar gekregen dat enkele fonteinen met tussenpozen van een halfuur zouden aangaan, zodat wij snel konden verkassen en de volgende fontein konden opnemen. Dat had-ie toch weer mooi geregeld… dat bedoel ik maar. Na dat hele fonteingedoe zijn we doorgegaan met draaien.
We hadden bijna 24 uur niet geslapen. We waren bekaf. Maar Ramses wist de oplossing wat je moest doen om over je vermoeidheid heen te komen. Dan moest je naar het strand. Wij als kippen zonder kop naar het strand. En dan moest je bepaalde cognac drinken met koffie. Dus dat werd gehaald… Dus badpakken aan… drinken… en ik ben als een blók in slaap gevallen. Ik werd gewoon zwart! Niemand die een parasol boven me zette of maar even dacht: Shireen moet uit de zon… Toen we 's middags terug in huis kwamen, dacht ik dat ik dood zou gaan! Ik was zo ziek, kon niets meer binnenhouden, zelfs geen water. Die avond naar het ziekenhuis.
Ton wist zich geen raad. Joop ging mee, die sprak wat Italiaans. In het ziekenhuis zei Joop dat ik zijn zuster was. Hij hoogblond en ik half Indiaas, zwart gebrand… Joop zei dat we dezelfde vader hadden en dat we broer en zus waren, en dat ik dus niet een of andere Italiaanse sloeber was uit een achterbuurt. Die zouden ze in dat ziekenhuis nooit geholpen hebben. Ik kon amper lopen, hebben ze me in bad gedaan. En twee van die dikke verpleegsters zijn daar gaan boenen en schrobben op mijn huid met een borstel. Ze dachten dat ik vies was, maar ik was zwart van de zon! Uiteindelijk werd ik opgenomen op zo'n zaal. Je kreeg geen hap te eten daar, daar moest je familie maar voor zorgen. Dus Joop, Ramses en Ton kwamen me eten brengen.
Die doktoren zagen me meer als een verschijnsel, zo'n donkere dame met de afdruk van een bikini op haar huid vonden ze prachtig. Verschrikkelijk!
Joop, Ton en Ramses waren natuurlijk heel bezorgd. ‘O, een zonnesteek, ja, ja… daar hadden ze wel eens van gehoord… zo onbevangen.’
Shireen viel stil. Ik voelde haar denken. Mijn verwachting kwam uit. Ze greep naar de mentholsigaretten. Het was haar tweede. Net als toen, de eerste keer dat ik bij haar was.
Ook die avond stokte het gesprek. Haar impulsieve manier van praten veranderde. Voorzichtiger koos ze woorden en rokend vertelde ze: ‘Ton en ik zijn teruggegaan nadat de film af was. We hadden allebei werk in producties die liepen. Wij gingen terug naar het huis van Ramses. Ramses en Joop kwamen maanden later terug… en toen is het echt uit geweest tussen Ramses en mij. De turbulentie was zo groot toen zij terugkwamen. We hadden nog wel geschreven en gebeld, ze wisten dat Ton en ik daar woonden. We hadden het huis versierd en ons bed weggehaald… opgeruimd… Ton respecteerde de vriendschap van Ramses en mij ook. Ik heb nooit een verhouding gehad met Ramses, wel erg close, verwantschap, maar nooit seks gehad.
Nou ja, ze kwamen dus terug, na zo'n tegenslag, als Rome toch was. Maar ze hadden toch heimwee naar die plek, want de schoonheid van Rome is toch wel iets anders dan die troep van Amsterdam. Ramses dronk toen al heel veel, en Ton en ik gingen 's morgens weg en kwamen 's avonds terug. We namen dan eten mee of we kookten. Ramses zat al gauw in een film- of tv-productie. En dat was zo lief, want je kon Ramses niet wakker krijgen, al zette je vier wekkers neer. Dus Ton had dan thee gemaakt of koffie, en hij ging Ramses wakker maken. Dat heeft hij een paar dagen lang gedaan, zodat Ramses op tijd kwam bij zijn werk. Dat was voor Ton heel wat, want voor hem was Ramses toch wel een heel exuberant type. Het viel voor een heer als Ton ook niet mee om met Ramses in één huis te wonen. Op een gegeven moment is het toch geëscaleerd… En toen zag je de kant van Ramses waar niemand het ooit over heeft. Hij heeft een zeer gemene kant, ja… gemeen… maar dat heeft te maken met drank, hoe de drank valt… hij kán een kwaaie dronk hebben…’
Ik dacht dat hij altijd feest maakte, vrolijk was. Iedereen heeft het altijd over zijn wereldvreemde naïviteit, zijn zachtheid. Op een of andere manier wordt hij altijd beschermd. Ik was verbaasd dit uit Shireens mond te horen.
‘Hij begon heel gemeen te doen tegen Ton, afschuwelijk. Ik houd van Ton en van Ramses, maar ik was met Ton, dus voor hem kwam ik op. We hebben onze spullen gepakt en zijn gegaan. Wel nog in overleg. We gingen wonen in het huis aan de overkant, bij de moeder van Pieter Fleury. Toen was het uit tussen ons.’ Als een klein meisje zat ze op het bankje. Een been opgetrokken. Kwetsbaar.
‘We begroetten elkaar zelfs niet meer als we elkaar tegenkwamen. Dat heeft zeker een jaar geduurd. Dat is ook het punt, waar ik gebotst heb met Ramses… nu niet meer, maar vroeger wel. Dat hij zich dan soms hoger voelde dan anderen. Het komt misschien ook wel omdat hij zo gedragen werd. Maar ja, waarom is hij zo'n geweldige persoonlijkheid? Niemand is zo'n geweldige persoonlijkheid, dat hij of zij alleen maar goed en fantastisch is. Mensen zijn alleen maar zo extreem de moeite waard, omdat hij ook die andere kant, die donkere kant in zich heeft, dat maakt hem volledig.’
Later sprak ik erover met Joop: ‘Misschien was Ramses ook wel jaloers. Hij was heel erg gesteld op Shireen, en dat ze met Ton was, dat vond hij misschien niet goed. Mensen zitten vaak ingewikkeld in elkaar.’
‘Jaloers, omdat Shireens aandacht naar Ton ging?’
‘Ja, zoiets. Ze zaten in ons huis en wij kwamen wel vroeger terug dan was gepland, maar het was ons huis… Ton en Ramses onder één dak, dat ging gewoon niet.’
‘We kwamen elkaar weer tegen in een toneelstuk,’ vertelde Shireen, ‘ik wist niet dat hij er ook in zou spelen. Een heel zwaar stuk, over een jongen met tbc, die op bed ligt en aan zijn meisje vertelt dat het niet goed gaat. Ramses die jongen, ik het meisje. Ik zou dan huilen… je kent dat. Het was de eerste scène… hij in dat bed, ik zat naast hem… hij begint te praten… we kijken elkaar aan en we schieten zo in de lach. Niet meer te stoppen. Dat hadden we wel vaker gehad. En toen was het weer goed. Er is nooit iets uitgepraat, maar het was weer goed. Dat is later nog een keer gebeurd… mijn God…’ Haar ogen waren nat geworden. ‘Dat vertel ik je een andere keer. Ik ben kapot en ga slapen.’ De sigaret was gedoofd. Ik haalde een glas water voor haar en bleef nog even bij haar zitten.
Ik zit op dezelfde plek als de vorige keer. Shireen wroet tussen de papieren. Mijn nieuwsgierigheid wakkerde aan. Ook de donkere kant brengt helderheid op mijn reis.
‘Wat Joop ook zei is interessant,’ zeg ik, ‘volgens hem is het “debacle Rome” een belangrijke aanleiding voor Shaffy Chantant. Hij zei letterlijk: “Dan ga je denken, als het dan niet in Parijs lukt, niet in Rome lukt, en ik wil toch iets doen buiten het toneel, dan doe ik het maar hier. Mijn eigen dingen verwezenlijken. Zoals je wel ziet voor de televisie. Een programma van korte scènetjes. En Shaffy Chantant was dat ook. Klassieke muziek, dan weer een gedicht, een tour de chant. Het heeft altijd in hem gezeten en het moest er maar van komen.”’
Over haar brilletje: ‘Zeker, heeft zeker met elkaar te maken… hier! Kijk hier! Dit moet een van de eerste brieven uit Rome zijn. Is het niet geweldig, en dat met de tekeningen van Joop.’
‘Ja.’ Dankbaar duik ik onder in de chaotische sier- en zwierletters van Ramses.
Lieve Shireen,
Je hebt geen idee wat het zeggen wil om in een nieuwe stad aan te komen, dit keer niet als tourist, maar om er te gaan werken en leven. Het is een griezelig iets, omdat je het publiek mist, dat jou in Holland heeft zien werken en dat je naam kent, en als je langs het Americain loopt of in Appelscha krijg je door de televisie herkennende blikken en het doet er niet toe, hoe je aangekleed bent of hoe je je gedraagt, je verpersoonlijkt iets voor ze. En dat geeft je het gevoel van ergens bij te horen en je hebt zelfvertrouwen. Hier ben je één van de miljoenen voorbijgangers en als Vana je aan belangrijke mensen voorstelt glimlacht iedereen beleefd en als ze erbij vertelt dat we heel bijzondere acteurs zijn, denkt iedereen: het zal wel. Wij glimlachen dan ook en hebben absoluut niets te zeggen. […] Wat ik hier eigenlijk moet doen is mij niet helemaal duidelijk, omdat er in mijn emplooi bijzonder mooie jongens aan het werk zijn, met talent en vooral filmervaring, die ik mis en ik geloof dat mijn vijf jaar Nederlandse Comedie misschien wel een draw back is, want ze houden niet van theateracteurs. Ze kunnen buitenlandse acteurs erg goed gebruiken, omdat de scènes in verschillende talen gespeeld worden, en er na in het Italiaans worden nagesynchroniseerd. Ik heb Alain Delon zien repeteren in een dialoog met Gino Gervi. Alain Delon sprak Frans en Gino Gervi Italiaans; een heel vreemd effect.
Maar je moet al een naam hebben voor de box office. Om een buitenlandse acteur te gaan lanceren, vinden ze niet zakelijk en ze hebben gelijk. Voor Joop is het iets anders, omdat hij een type verpersoonlijkt dat ik hier noch elders gezien heb. Rest ons misschien wel het allerbelangrijkste! Een absolute zekerheid, dat we hier naartoe MOESTEN, dus wachten we de wonderen, die er moeten gebeuren, af. Het gekke is dat je aan de stad zelf nog niet toekomt. Het feit, dat we nu op de Via Veneto zitten, en dat tegenover ons de beroemde Chineesachtige mannequin van Dior staat te praten en dat er palmen zijn en prachtig weer en dat iedereen zich hier met een verrukkelijke élégance beweegt en dat wij eruitzien als twee volslagen provincialen in idiote kleren, dat er honderd meter verderop Romeinse ruïnes zijn en dat over een paar dagen ons geld op is; het zijn een paar dingen die nog niet helemaal tot ons doordringen, maar alles komt wel.
Een kneepje in de bibs van Ramses.