‘Ja?’
‘Ik wil waarschijnlijk toch een eigen plek hebben, omdat ik geen ouders heb gehad, begrijp je… iets van mezelf…’
‘Hij heeft zijn eigen ouders toch ook nooit gekend?’
‘Nee, maar onze karakters verschillen ook, hoor!’
‘En jullie hadden het nooit over dit soort zaken?’
‘Nee, nooit… en daarom ging het misschien ook zo goed. Ik was degene die zorgde voor zijn kostuums, ik ging naar de stomerij. Hij moest na de voorstelling zijn kleren ook altijd uittrekken en inleveren, anders ging hij met zijn kostuum de kroeg in en dan was het de volgende dag gewoon smerig.’
‘Wanneer zag je dat Ramses echt te veel dronk?’
‘Dat wisten wij al bij Shaffy Chantant… hij was soms onvindbaar, dan begon de voorstelling om bijvoorbeeld acht uur, dus moesten we 's middags al gaan rijden. En als hij er dan niet was, dan wisten we langs welke cafés we moesten. En vaak vonden we hem dan in zo'n morgencafé, dat 's ochtends opengaat. Daar lag hij dan… Shaffy heeft álles gedaan… hij heeft alles gedaan,’ zei ze zacht, alsof ze het aan zichzelf vertelde, ‘het was een nieuwe wereld. Ik bedoel, kijk naar al die popsterren in die tijd, die doodgingen aan een overdosis. Het donderde maar door, Janis Joplin, Jimmy Hendrix.’
‘Wat werd er gezocht?’
‘Weet ik niet… het was een nieuwe stroming, zoals rock-’n-roll dat was, flowerpower. Het is begonnen waarschijnlijk met de Beatles die in India bij de goeroes waren en die terugkwamen, ja… Het was een nieuw tijdperk gewoon. Shaffy paste daar helemaal in. Hij was anders en nieuw…’ Haar stem was vlak, ingehouden.
Shaf moet ook onhandelbaar zijn geweest, donker, grauw, as voor de zon. Kun je bouwen op onberekenbare grond? Ondanks dát, ondanks zijn duivelse kant, overheerst de adoratie. Bij Liesbeth, bij Joop, Shireen, bij iedereen de glimlach, de lof. Bewondering voor zijn vrije manier van leven. Vrijheid kan ook asociaal zijn. Ik merk dat ik heen en weer getrokken word. Aan de ene kant lokt zijn vrije leven, het feest, de drank, de nachten die dagen worden. Maar als schoonheid anderen in problemen brengt, als je anderen kwetst, dan verliest het glans. Het is niet allemaal hosanna.
In de plakboeken tref ik ook recensies uit begin jaren zeventig, over een Ramses die onzuiver zingt, moet vechten om over te komen bij het publiek, omdat hij gewoon te lam is. De magie zou uitgewerkt zijn, Shaffy teerde op de roem die hij kreeg met Shaffy Chantant. Hij zou zijn talent verkwisten door zoveel te drinken, schreven enkele kranten. ‘Hoe hij het volhoudt vraagt iedereen zich al tien jaar af.’ De Telegraaf concludeerde dat ‘terwijl Liesbeths ster helderder ging schijnen, Ramses zijn licht liet vervagen.’ Maar toch maakte hij ook weer een paar prachtige platen en speelde hij mooie rollen op toneel, in films.
Volgens zijn eigen pleegvader heeft de drank Shaffy vroeger dan nodig geblust, als hij meer discipline had gehad, had hij een grotere carrière gehad. Als, had en toen. Het is zo gegaan. Dit is zijn weg. Dit is het pad dat leidt tot waar hij gaat. Ik weet niet wat ik ermee moet. Misschien wel niets, kijken, voelen, opschrijven. Geen oordeel.
Ik dacht aan Joop, ook hij dronk veel in die tijd. Hij regelde het beter, zei hij.
‘Hadden jullie dat nodig?’ vroeg ik hem. Hij kon zo verhullend lachen. ‘Nou, dat weet ik niet… hij vond het lekker… en ik ook. Maar het was toch al wel veel, hoor. Ja, we dronken veel. Ramses ook.’
‘Besef je dat?’
‘Ja… jawel… twee liter jenever per dag…’ Joop keek me aan met een soort verlegenheid, een kleine jongen die bekende koekjes te hebben gepikt uit de trommel. ‘Maar dat was dan in de vakantie. Zelfs toen ik naar de Jellenik ging, omdat ik wilde stoppen met drinken. Dat was begin jaren zeventig. Ja, dat was na mijn tijd met Ramses. Dus in de jaren zeventig.’
‘Jellinek, bedoel je?’
‘Ja… ik wilde stoppen en ging naar de Jellenik, toen zei ik; “Ik drink te veel en ik heb 's morgens altijd zin in drank, ik weet dat het slecht voor me is, ik deug niet, ben psychisch helemaal in de war.” Toen zeiden ze: “Nee, meneer, u bent gewoon alcoholist, uw lichaam vraagt erom, niet uw geest.” Dat was toen eigenlijk een geruststelling. Toen kreeg ik Refusal.’
Ik trok mijn wenkbrauwen op en keek naar de fles chablis in zijn hand en zei: ‘Eens een alcoholist, altijd een alcoholist, maar je drinkt nu gewoon wijn. Soms met water weliswaar.’ Joop schonk in: ‘Ik heb vijftien jaar niet gedronken. Dankzij de Jellenik… toen ben ik weer een klein beetje gaan drinken, en weer een beetje meer… Ik ga niet meer zover als vroeger met Ramses. Toen begon het al toen we wakker werden… om bij te komen. Daarna gingen we wel wat eten.’
‘Jezus…’
‘Ja… en dat ging dan door… en als je moest optreden nam je daarvoor wat minder, maar dat haalde je erna wel weer in.’
‘Ik begrijp ineens waarom het voor mensen zo moeilijk is om alles na te vertellen… de mensen die erbij waren, waren waarschijnlijk dronken…’ grapte ik. Joop schudde langzaam zijn hoofd. ‘Ik ben nooit dronken op toneel geweest… Ramses wel. Hij dronk meer dan ik, hoewel… aan mij zagen mensen het nooit zo goed als ik gedronken had. Ramses begon meteen te zingen, te dansen en te doen. Daar zag je het meteen aan. Maar hij speelde ook gewoon toneel, en dan zorgde hij er echt wel voor dat hij niet dronken was. Hij is misschien maar een paar keer dronken op toneel geweest, en nu lijkt het alsof hij avond aan avond beschonken stond te spelen.’
En dan, na een minutenlange stilte, Joop had in zichzelf gekeken: ‘Ik deed dat ook niet goed. Wie kon het wel? Je kon hem niet sturen. Ik heb vooral een hekel aan mensen die op kosten van Ramses aan het drinken waren, die de hele nacht toch niks te doen hadden. Vaak een beetje laffige, nietszeggende mensen. En Ramses vond het wel leuk om te drinken met gezelschap. Alleen drinken is niet leuk. De meeste vrienden zijn afgehaakt, niet echt afgehaakt, maar die gingen niet naar de Gelaghkamer om met Ramses te praten, want daar was niets meer aan te doen. Ik zag hem in die tijd vier keer per jaar, omdat ik dan contact zocht.’ Het glas stond aan zijn mond. Hij wilde een slok nemen.
‘Jullie houden nog steeds van elkaar,’ constateerde ik.
‘Ja, maar ik kan hem ook niet veranderen.’
Liesbeth veegde haar haren uit haar ogen. Ze zocht mijn ogen.
‘Had hij dan totaal geen verantwoordelijkheidsgevoel, naar jou toe, naar de anderen?’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei ze, ‘dat weet je niet als je zoveel drinkt, je weet ook niet dat je dronken bent. Hij ging gewoon door, hij hield niet op met drinken, totdat hij neerviel en dan sliep-ie. En dat was meestal op de Nieuwmarkt, daar bij Riekje, omdat dat om vier uur 's ochtends openging.’
‘Sliep hij dan op de bar?’
‘Nou, nee, ze liet hem ook wel boven het café slapen…’
‘Hoe vond je dat?’
‘Ik wilde het niet horen, ik wilde de verhalen niet horen als mensen zeiden van: moet je horen, die Ramses Shaffy is weer tekeergegaan vannacht in de stad. Ik vond het vreselijk. Hij deed het vaak, maar ik zag hem alleen in de weekenden. Dan hadden we onze optredens. Ik wilde niet weten wat hij allemaal uitspookte… Je kunt iemand niet wezenlijk veranderen. Als iemand tegen hem zei “dat moet je niet doen”, dan deed hij het juist wel. Als iemand hem ging betuttelen, dan schafte Ramses die ander gewoon af. Ik weet het, ik voelde dat, ik heb het allemaal meegemaakt, dat-ie dronken echt iemand tot op het bot afbrandde, vernederde. Hij zoog, je bent niets meer, je bent laag, je ben dit… Als hij nuchter is is hij heel vriendelijk, maar als een alcoholist dronken wordt, dan gebeurt er iets in hem, de één wordt vrolijk en vindt iedereen lief, de ander bijt van zich af.
Hij heeft het één keer bij mij gedaan en ik wist niet dat het zo was. Dat was in ons theatertje aan het Rembrandtplein. Hij heeft me toen zo verschrikkelijk uitgescholden bij een repetitie. Hij bleef maar gaan. Wist ik veel dat-ie dronken was. De dag erna moest er weer gerepeteerd worden en ik was stil en heb niets gezegd. Ik vond het zóó erg. Toen kwam Ramses naar me toe. “Hoe is het met je?” vroeg hij. Hij was nuchter en voelde dat er iets was. Ik zei: “Je hebt me zo vernederd Shaf, ik kan er niet tegen. Je hebt me zo uitgescholden.” Hij keek me aan. “Vertel eens, ik weet er niets meer van.” Hij heeft toen een enórme bos bloemen laten komen, want hij wist het niet. Niet wat hij gedaan had, niet wat hij gezegd had. Niets meer…’
In het nat van haar ogen zag ik een kwetsbare vrouw, misschien wel een meisje nog. Haar haar kleefde aan haar wang. Misschien dat alleen ik het zag. Ze lichtte op in haar weerloosheid, en werd even heel erg mooi.
‘Toen wist ik het, als-ie dronken is steekt er een soort alter ego de kop op. Hij pakt gewoon een slachtoffer, maakt niet uit wie. Vanaf dat moment wist ik: o, nu wordt het link. Dan ging ik weg. Ik wilde het gezeik niet meer meemaken. Ik kende het symptoom. Hij ging dan zitten zuipen in De Kring, en dan wist ik… wegwezen!’
Ik kon het me niet voorstellen. Shaffy was altijd zo aardig voor me en open. Het is de andere kant van de fles. Wat begonnen is als vrijheid, werd langzamerhand zijn gevangenis. Aan het begin van de jaren zeventig trad Ramses ook op met Liselore Gerritsen in een theaterprogramma. Het werd een ramp. Ramses voelde zich niet op zijn gemak bij Liselore. Tenminste dat gebruikte hij als excuus om voor een uitverkochte voorstelling in Rotterdam een fles wodka soldaat te maken. Zo klem als een hoepel kwam Shaffy het toneel op, samen met een volslagen onbekende vrouw, die later journaliste bleek te zijn. Ook zij was in de olie. Ramses ging achter de vleugel zitten en zij kroop eronder. Liselore ontplofte. Ze greep de microfoon en zei tegen het publiek dat de avond niet door kon gaan en dat ze hun geld terug konden krijgen. Shaffy zat achter de vleugel en speelde enkele akkoorden, hij overschreeuwde Liselore: ‘U kunt gáán, maar u kunt ook bij mij komen zitten. Op het toneel!’
De zaal verdeelde zich over uitgang en podium. Ramses speelde de hele avond. Het was de laatste show die hij met Liselore deed. Volgens Shaffy zijn ze wel altijd vrienden gebleven.
‘Ja, en daarvoor nog, had hij een keer met een pistool, dat had-ie ergens geleend, of zo, de lampen van de kleedkamer van de stadsschouwburg in Utrecht kapotgeschoten… verschrikkelijk,’ zei Liesbeth. Ik weet niet goed wat ik ermee moet. Ik schrijf een boek over een onaangepast artiest, maar ook meer en meer over een alcoholist. Zijn witte en zwarte kant zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, nooit was het grijs.
Wie is Ramses? Misschien ben ik al betoverd door zijn magie, het leven dat hij voorstaat. Natuurlijk hij heeft prachtige liederen geschreven, mensen uitgetild boven hun doorsneebestaan. Maar dat drinken om alles, dat zelfvernietigend zuipen. Ik kan er niets mee.
Rob schonk ons bij.
‘Soms heb je het over hem als een jonge god, een icoon van de vrijheid, dan weer over een asociaal drankorgel.’
‘Omdat hij niet iedere dag zo was. Hij had het vermogen weer uit zijn as te herrijzen. Begin jaren zeventig, hij was soms dagen onvindbaar, haalde hij nachten door, danste op tafels in cafés, lag hij letterlijk in de goot, dronken, vies, soms in elkaar geslagen. Zag hij eruit als een lijk, en dan toch, een paar dagen later dan straalde hij weer. Gaf hij zich helemaal op het toneel. Of hij ging hij op vakantie, kwam zwart gebrand terug, fonkelende ogen, nieuwe kleding, hoed. En dan had-ie de kracht weer. Hij is zó sterk, hij had al lang dood moeten zijn. En dan bruiste hij van energie en van de creativiteit. BATS! Daar ging er weer een show. En dan kwam er na een tijdje weer een periode aan dat de alcohol de overhand nam. Het was een cirkel. En daar kun je niets aan doen. Het enige wat je kunt doen is eeuwig aan de Refusal. En dat is saai! Je moet er toch niet aan denken dat je bij het eten geen wijntje kunt drinken?’
‘Je bent er nooit in meegegaan?’
‘Nee, want ik hou niet van katers, ik dacht op een gegeven moment: ik moet ophouden met zoveel te drinken. We gingen altijd door na optredens, als we uit Maastricht kwamen van een show, gingen altijd nog naar De Kring. In het begin ben ik meegegaan, maar ik ben nooit zover gegaan als Ramses dat je in de goot lag. Ik ben vaak wankelend naar huis gegaan, hoor, maar bewúst naar huis. Ik had katers tot tien uur 's avonds, maar niet zoals Ramses. Die had weer alcohol nodig om op te starten.’
Ik weet niet hoe het is om zo door drank te worden geleefd. Zo komt het op me over. Alle jubelverhalen ten spijt. De Shaffy's vertelden me ook al dat hij soms de flessen wodka verstopte in zijn jas. Altijd wodka. Volgens Ramses kon je er zo lekker op zingen, het hart gaat open. Dat zou ook de reden zijn waarom Russen drinken. Roy Henninger kon zijn plezier niet onderdrukken. Twinkelende ogen, lachende rimpeltjes. Hij keek om zich heen: ‘Sneek, Amicitia…’ Dick en Ais begonnen te giechelen als jonge jongens.
Roy nam het woord: ‘Het was nog voordat Liesbeth erbij kwam, dus nog in ons eerste seizoen… eh… 1974. Ramses wil altijd graag een direct contact met zijn publiek. En we stonden op het podium. En het was een hoog podium en er zat een orkestbak voor. Daar zat helemaal niemand in. Er lagen wat opgestapelde stoelen. En dat vond hij heel frustrerend. Hij liep al een paar keer als een tijger heen en weer om te kijken of hij dichter bij zijn publiek kon komen. We speelden zing-vecht-huil… ha, ha. En toen meende hij met zijn bezopen kop, of drugs, geen harddrugs, maar hij had behoorlijk zitten blowen, dat hij wel over de rand van de orkestbak… ha, ha… kon lopen. Dus hij liep over de rand, en ineens… WEG!! En wij als jongetjes uit de provincie schrokken ons rot, maar we bleven wel doorspelen. Wat gebeurt hier!? Maar toen kwam Ramses weer uit de orkestbak omhoog, zingend! Zing-vecht-huil-bid-lach-werk en bewonder! Hij had zich wel lelijk bezeerd, hij viel met zijn rug op die stoelen… mijn God… maar hij stond er weer… wat een figuur! Ze noemden hem wel eens Ramses Sherry!’
De voorstelling is afgelopen. Ramses, Edith en ik gaan de hal in. Liesbeth zit achter een tafel met cd's en een stapel boeken over haar leven. Ramses loopt voor me. Kleine stapjes, bijna aarzelend. Hij nadert de tafel. Fans en publiek dringen om Liesbeth heen. Ze gaat op de foto met een jonge vrouw. De man van Liesbeth, Rob, komt met uitgestoken hand op Ramses af. Hij sist naar zijn vrouw: ‘Lies! Ramses!’ Onmiddellijk wurmt ze zich tussen twee tafels door, slaat ze haar armen om de hals van Ramses. Hun gezichten zijn heel dicht bij elkaar. Ze zoenen net niet, ze praten. Liesbeth kijkt Shaffy indringend aan. Ze opent. Haar ogen zoeken zijn ziel. Hun lippen bewegen, ik kan ze niet verstaan. Ik voel het. Verbondenheid.

Halverwege de jaren zeventig. Liesbeth en Ramses vieren carnaval op Vlieland.
‘Shaf, ik ga me omkleden, we zien jullie zo wel, boven, in de artiestenfoyer,’ zegt Liesbeth. Ze verdwijnt in een trappenhuis. Wij lopen naar de artiestenfoyer. Er is geen rode wijn. Aan de andere kant van het theater vind ik een tweede, beter bevoorrade bar. Daar koop ik een fles wijn, neem een paar glazen mee en keer terug naar de ronde tafel. Ramses lacht breeduit: ‘Kijk nou eens! Wat prachtig! Een hele fles, dat heb je héél goed gedaan!’
Edith lacht en geniet. Liesbeth en Rob schuiven aan, net als de Amerikaanse zanger en zangeressen. Ramses buigt zijn hoofd naar Liesbeth om haar te kunnen verstaan. Ze praten over de naderende vakantie. Shaffy zou ook graag weer eens op vakantie gaan. Omdat het zo'n geregel is, komt het er niet van. Ik kijk naar een tijdperk. Begin jaren zestig tot de dag van vandaag. Liesbeth en Ramses lachen, drinken en ze zwijgen. Het is een oude vriendschap die ik zie.
Liesbeth staat op. Ze is moe. ‘We moeten morgen naar Sittard,’ zegt Rob die haar altijd chauffeurt en begeleidt tijdens de toernees. ‘Tot gauw, Shaf!’ belooft ze. We nemen afscheid.
De Amerikaanse artiesten, Matthew, Coco en M. delen in de wijn. Matthew Dickens is zanger, choreograaf, regisseur van La vie en rose. Coco is een krachtige zwarte zangeres. De meest opvallende is M. Zij is een albino-negerin, vrijwel blind, heeft een stem met een bereik van zes octaven. Haar gezicht is zacht. Shaffy schakelt moeiteloos over op het Engels.
Matthew laat hem een artikel zien uit het Parool, ergens in 1976. Ramses kijkt naar de foto van zichzelf met Liesbeth. Shaffy is er begin veertig, heeft middellang donker haar, met zwarte kohl omrande ogen. Ik ken de foto. Liesbeth liet me enkele weken ervoor het origineel zien. Het is degene waarvan Ramses er destijds de pest in had om op de foto te moeten. Het duurde hem allemaal te lang. Hij wilde drinken. Aandachtig kijkt Ramses naar het vergeelde papier: ‘Maar ik kén deze foto helemaal niet. Die heb ik nog nooit gezien!’ Edith lacht: ‘Dat lijkt me sterk, Ramses, je staat er zelf op! En het is al een oude foto die in alle kranten heeft gestaan, dus…’
‘Nou ja… ik weet er niets meer van…’

2 november 1974.
Het is een uur na middernacht. Matthew en ik staan buiten met Ramses. Het miezert. Edith haalt de auto. Shaffy spreekt zacht: ‘Het was een prachtige avond… ik heb genoten.’ We lopen met hem mee naar de rode Suzuki. Ik zie hoe Ramses zijn armen om Matthew heen slaat, en hem zacht tegen zich aan beweegt. Een korte kus op zijn mond. ‘Good night, see you Sunday… in Soesterberg…’
Dan voel ik zijn handen op mijn schouder. We kijken elkaar even aan. In zijn ogen glinstert het buitenlicht van het theater. Heel zacht drukt hij zijn lippen net naast mijn mond.
‘Ik hoop jou heel gauw weer te zien… ja.’
Edith houdt haar hand tussen de voorstijl van de auto en het hoofd van Shaf, als hij instapt.
Ze neemt plaats op de bestuurdersplaats en groet hartelijk. Sinds Ramses in het Sarphatihuis woont, is haar leven erg veranderd. Ze rijden weg. Door het natgeregende raam zie ik de contouren van een zwaaiende Ramses. Twee rode lampjes en een zacht brommend geluid draaien naar links, uit het zicht. Op hetzelfde moment doven de lichten van het theater.
Liesbeth draaide zich naar me toe. Ze had het verhaal vast vaker verteld, toch rook haar onvermogen nog vers.
‘Totdat het misging, wist ik hem te manipuleren… ik haalde hem op, van de boot waarop hij zo nu en dan woonde in die jaren. Op tijd, dan gingen we de spullen klaarleggen in het theater en dan was het stipt zes uur dat we aan tafel zaten. Dat was zijn ontbijt, en dan wist ik: dan heeft-ie een bodem. En daar werd dan sherry gedronken en wijn. Dan deden we ook mee, maar daarna was het soundchecken, opmaken en de show begon. Als het dan pauze was, en hij was nog op het toneel, dan zorgde ik dat al zijn flessen waren verstopt.’
‘Nam hij die mee?’
‘Jahaa, die zaten altijd in zijn kledingtas. Wodka. En die verstopte ik dan, en dan vroeg ik wel wat hij wilde drinken. En als dat sherry was, dan haalde ik sherry voor hem. Dat was er dan één. En dan was de voorstelling afgelopen en dan gingen we terug naar de kleedkamer en dan zei ik: “Shaf, weet je wat ik hier vind? Hier staat zo maar een fles wodka.” Begrijp je…’
‘Hij had dat niet door, van troela, je nept me?’
‘Nee, nee… ik verzon ook steeds iets anders. Dat ging zo lang goed. En dan in de auto zingen en drinken. Als Hélène Herschel niet terugreed en ik moest rijden dan dronk ik minder. Ja, dan gingen we naar De Kring, of als-ie lam was zetten we hem meteen af bij de boot.
Ze haperde. Ik ontweek haar blik. Ik wist van het ‘drankspel’ tussen haar en Ramses. Hij probeerde zijn drank te verstoppen in de theaters, zij deed verwoede pogingen het optreden niet vroegtijdig te laten uitmonden in dronkenschap. Ramses had ook de gekste soorten flesjes. Telkens wist hij Liesbeth, de Shaffy's of manager Hélène Herschel te verrassen. Dan zei hij dat hij geen drank bij zich had, maar gedurende het optreden werd hij steeds dronkener. Liesbeth merkte het vaak tijdens de soundcheck en daarna: ‘Hé, het wordt erger, hij heeft drank. Houd hem in de gaten!’ Ze had wel een bepaalde greep op hem, als ze echt kwaad op hem werd bond hij wel in. Maar toch…
‘Ramses had altijd mensen die zorgden voor zijn drank en zijn peppillen… ze is dood helaas, die dat deed voordat-ie kapot ging… Ingrid? Ingrid Weiler! Zij bracht Ramses altijd totaal stoned naar de voorstelling… Hij ging niet altijd meer met mij mee, omdat hij er vaak niet was. Of hij sliep nog. Dan ging ik naar de voorstelling en dan kwam hij net voor achten met haar aan, of veel te laat en soms helemaal niet! Ingrid zorgde voor alle pillen. Ze reed hem, en dan moest Ramses voor de voorstelling eerst ergens naartoe, waar ze die troep haalden.’
Ze sloeg haar hand voor haar gezicht. Toch zag ze opnieuw de beelden. ‘Ik geloof dat het in Vlissingen was. We hadden een optreden met een klassiek orkest. Iedereen was er, behalve… juist, Ramses. Alles moest worden omgegooid. Pas in de pauze kwam hij aan. En hij was zo strontdronken en hij stond stijf van de pillen. De show kon niet meer doorgaan. Toen ben ik voor het eerst echt kwaad geworden. Ik zei tegen hem: ik wil dit niet meer! De volgende keer laat ik je gewoon stomdronken het toneel op komen en dan zoek je het maar uit. Als jij niet zorgt in de pauze dat je koffiedrinkt, dat je nuchter bent, dan ga ik weg! Dan komt er maar een schandaal! Hij heeft zich vermand, en vanaf dat moment heeft hij niet meer tegen me gesproken. Wel de tournee afgemaakt, maar niet meer tegen me gesproken, hij wilde ineens ook een eigen kleedkamer. Er is nog een foto uit de tijd dat hij me niet wilde spreken. We moesten allebei poseren voor Madame Tussaud… hij heeft me niet aangekeken en hij wees erop dat hij niet tegen me sprak. Ook daar niet. We kwamen met z'n tweeën binnen en er werd niet gesproken.’
‘Hoe los je dat dan op, op zo'n moment in Vlissingen?’
‘Dan zeg je: “Dames en heren, Ramses is er niet, u kunt of naar een andere voorstelling komen, of uw geld terugkrijgen.” Een gedeelte ging weg, een deel bleef, want het orkest was er, plus List. Dan deed ik gewoon meer, meer liederen. Ja. Dat was Ingrid Weiler.’
Als een kleermaker zat zij op de bank. In gedachten las ik haar brief, die zij in 1979 schreef als Shaffy's ‘buundeweetje’, zo noemde hij haar.
Het ergste tussen twee mensen die van elkaar houden is als de één medelijden met de ander moet hebben. Waar blijf je nu met je prachtige uitstraling, je magie, je prachtige gezicht, je prachtige lichaam, je stem? Nu ben je kwaad omdat ik voor het eerst na al die jaren, waarin ik je met diplomatie enigszins in banen trachtte te leiden, geflipt ben.
Het was niet de eerste keer dat Shaffy verstek liet gaan. Louis van Dijk vertelde me over hun ‘muzikale avontuur’ in New York. Het was voor hem als een jongensboek.
‘En ik heb hem in New York meegemaakt. Daar heb je de metropolitan opera, en daar is ieder jaar een soort benefietavond om geld bij elkaar te krijgen voor de opera. Ze kennen daar geen subsidie, zoals hier. En dat is heel luxueus. En ieder land dat in New York vertegenwoordigd is via de ambassade of wat dan, verzorgt om beurten de avond van het metropolitan. Toen was het de beurt aan Nederland. De Nederlandse Kamer van Koophandel en de Nederlandse mensen in New York organiseerden dat jaar. Ook de Limburger, John Bröcheler, die heeft daar toen gezongen en Ramses en ik zouden er optreden. Ramses was al in New York, een paar weken. En die werd toen een beetje bijgestaan door een vrouwelijke fan en dat was de enige die zich om hem bekommerde en dat was maar goed ook. Hij zat in zo'n motorhotel. Die hotelkamer was veranderd in een zwijnenstal. Hij dronk alleen nog maar, hij heeft ook op die avond niet opgetreden. Ik was er speciaal voor naar New York gekomen, hij was totaal niet in staat om op te treden. Ik heb toen alleen met Chris Hinzen iets gedaan.
In die tijd kon hij geen voedsel meer verdragen. En het eerste wat hij 's ochtends nam was een bull-shot. Dat is runderbouillon met wodka. En dat at hij 's morgens. Daar kreeg je toch nog iets van vlees of zo binnen, maar het is natuurlijk niets. Toen hij uit New York terugkwam, duurde het niet lang meer voordat hij voor het eerst in het ziekenhuis terechtkwam… Eind jaren zeventig. Het enige wat hij deed in NY was drinken en op bed liggen. Dat hij het heeft overleefd, hij ging gewoon Harlem in, en daar moet je niet naartoe. En dan had hij zijn geld in zijn sokken. Hij heeft er toen anderhalve maand gewoond, hij had iets van een beurs of zo… ik weet niet waarom hij daar was.’
Het rode autootje van Edith valt onmiddellijk op tussen de bomen. Het is de zondag na de show van Liesbeth in Hoorn. Ik parkeer de Citroën naast het ‘Shaffy-mobiel’. Mijn lippen krullen. Een typisch Shaffy-verhaal schiet me te binnen. Al een tijdje klinkt op de radio een Ramses-imitatie van het nummer We zullen doorgaan. Het wordt gebruikt in een Suzuki-reclame.
Willeke Alberti was naar Ramses toe gekomen. ‘Hoe zit dat? Je hebt dat toch wel goed geregeld, met rechten en zo? Dat moet je echt uitzoeken, hoor!’ Ramses had haar vragend aangekeken en zijn grijze hoofd geschud. ‘Je moet daar echt achteraan gaan. Die mensen van Suzuki kunnen toch niet zomaar je liedjes gaan gebruiken!’
Ramses had naar Edith gekeken en gevraagd: ‘Edith, wij rijden toch ook altijd in een Suzuki?’
‘Ja,’ luidde het antwoord.
‘En wij gaan toch altijd iets leuks doen als we in de auto gaan?’
‘Ja,’ zei Edith weer.
‘Nou, dan is het toch geregeld.’ Punt.
Ik sluit de auto af, geef mijn zoontje Jip een hand en ga Ariane voor naar het huisje in het groen. Door de glimmende ruiten heen zie ik Matthew. Hij staat in de keuken. Er klinkt muziek. Mijn vrouw en zoontje volgen me naar het kleine houten bungalowtje. Gedurende het theaterseizoen woont Matthew in het groen van Soesterberg. Shaf zit op de bank, met sigaret en glas wijn. Edith staat op om ons te begroeten. Shaffy heft zijn glas.
‘Wat leeuuk!’
‘Dag Maestro, hoe is het leven?’
‘Het gaat goed, het is een wonderlijke dag. Wat enig dat je er bent!’
Ik stel hem voor aan mijn gezin en ga het keukentje in om een nieuwe fles wijn te openen.
Edith komt naast me staan: ‘Je weet 't… geen fles op tafel!’
Ze kijkt me vriendelijk aan. Zonder haar zou Shaf waarschijnlijk de deur van het Sarphatihuis niet uit komen of er juist al lang verdwenen zijn. Het is goed dat ze er is en wat ze voor hem doet. Samen met al die anderen, die Ramses gedurende zijn leven proberen te behoeden voor sloten en kuilen. Ik begrijp waarop ze doelt. Ramses zou binnen tien minuten de fles legen. Dronken is hij onberekenbaar, ook voor haar.
De fles gaat terug naar de keuken. Matthew zingt mee met de muziek en schept pastasalade in een kom. Later zal hij nog een Filippijns kipgerecht serveren.
Jos Pommer, de dirigent van de Luchtmachtkapel, komt binnen. Edith heeft fotoboeken meegenomen van ‘Het Gala’. Ik blader en zie tussen alle foto's een briefje van Liesbeth. In snelgeschreven letters:
Amsterdam Carré, 9-3-2003
Lieve Ramses,
Alweer een kroon op je hoofd!!
Heel Nederland houdt van je
en ik het allermeestJe Liesbeth
Ik mis haar. Ze zou eerst wel komen.
De deuren van het huisje staan open. Buiten staan stoelen voor tussen de dunne buitjes door. Twee vuurkorven moeten de wolken verdrijven. Soms knippert de zon met haar ogen.
Ramses drinkt, rookt, lacht. Toch merk ik dat hij gespannen is. Zou het de drank zijn? Neemt de donkere kant het over, zoals Liesbeth het me vertelde? Hij wordt onbenaderbaar en kattig. Wat is er? Zit hij te broeden? Ineens verheft hij zijn stem, reageert hij fel op iets onbeduidends. Te fel. Edith reageert direct: ‘Zeg! Doe-es effe normaal, jij!’ Net alsof hij beseft dat hij te kribbig was, ontdooit zijn gezicht. Zijn ogen lijken lichter.
Dan zegt hij resoluut: ‘Ik denk dat we het nu moeten doen.’
Jos, die naast hem op de bank zit, knikt en knipt met zijn vingers naar Matthew, die in een kleine kamer een studiootje heeft gebouwd. Hij lacht: ‘One minute!’ Hij rommelt met draden en knoppen van zijn synthesizer. ‘One minute, I want to record the vocals and piano seperately…’
Na een paar minuten stapt hij uit zijn mini-studio. Telefoon aan zijn oor. ‘Hoe lang duurt het voordat je hier bent… vijf minuten, oké… five minutes…’
Ik sta buiten. Matthew komt naast me staan: ‘Het lukt me niet om de zang en de piano los van elkaar op te nemen. James komt zo. Hij is de vriend van M. Hij heeft jaren voor RCA gewerkt als opnametechnicus, hij heeft alle platen van Elvis geremasterd voordat ze op cd werden gezet.’ Ramses rookt en wacht zwijgend af. De techniek ontgaat hem. Hij zit alleen, in zijn eigen wereld. Ik ken hem niet zo. Ervaart hij druk om te spelen? Druk van buitenaf of van binnenuit? In zijn hart doet hij niets liever dan improviseren op klanken. Woorden gebruikt hij zelden.
Van Matthew begrijp ik dat er iets was toegezegd, dat Shaf zou spelen en hij zou opnemen. James en M. arriveren. Onmiddellijk duikt James de studio in. Hij is een mooie donkere New Yorker met dreadlocks. M, de zangeres uit de theatershow van Liesbeth, gaat bij Ramses zitten. De technicus heeft maar een paar minuten nodig. Shaf neemt plaats achter de synthesizer, krijgt een koptelefoon opgezet en begint te spelen. Hij zoekt. Matthew switcht met zijn computer tussen verschillende pianoklanken. ‘This is too classy,’ zegt Ramses. Jos de dirigent en Matthew luisteren mee, zij hebben ook een koptelefoon. Wij zitten in de knusse huiskamer en moeten het doen met alleen de zang. We kunnen niet horen wat Ramses speelt. Snel maak ik nog een foto. Shaf lacht naar me. Even ontspanning. Dan plaatst hij zijn lange vingers terug op de toetsen. Alles is weg. Het huisje met de mensen, het spelende kind op het gras, de flessen die op een of andere manier nu toch op tafel staan, de wolken, de zon. Er is niets meer dan de klank die in hem leeft. Hij speelt, is kind en bejaard tegelijk. Dan zet hij in, hij ontlaadt. Ik besef dat er zich voor mijn ogen een klein wonder voltrekt.
Ramses speelt en Amerikaanse muzikanten nemen het op. Geen Nederlandse platenmaatschappij zou het aandurven. Dat is eigenlijk al heel lang zo. Door het imago van dronkelap en laatkomer waagde zich eind jaren zeventig al bijna niemand meer aan het maken van een plaat met Ramses. Niet uit commercieel oogpunt, maar omdat het moeilijk samenwerken was met iemand die volstrekt zijn eigen gang ging.
Toch wilde Philips, Phonogram, graag weer een plaat maken met Shaffy, zoals een paar jaar eerder de successen Zonder Bagage, We zullen doorgaan en We leven nog. Producer Eric Boom zou het allemaal moeten regelen. Ik zocht hem op in Soest en kreeg een plekje in de zon achter zijn huis. ‘Het was een heel intense periode, een heftige klus om een artistiek verantwoord product te maken die eer deed aan Ramses. We hebben ook veel lol gehad, maar ik haalde hem meestal met de taxi op, thuis. Omdat hij anders misschien niet kwam, of te laat. En de studio die was geboekt.
En gedurende de dag hield ik nauwlettend in de gaten dat hij niet te veel tot zich nam, om hem in ieder geval nog zuiver en vooral ook verstaanbaar te laten zingen. Sommige dingen waren gewoon echt onverstaanbaar, dan mompelde hij maar wat. Hij had de tekst wel voor zich, maar die moet je dan nog wel kunnen lezen. Hij liet de fles wodka dan nog wel in de kantine, maar je wist het nooit, je ruikt dat spul niet.
Het waren heel lange dagen en nachten. En we hebben echt enorm zitten knippen en plakken om een goede, zuiver gezongen en vooral verstaanbare plaat te maken. Het was een groot succes, vooral het nummer Laat me. Dat is op zijn lijf geschreven, door Herman Pieter de Boer op de muziek van een bestaand lied, Ma dernière volonté. Ook Boudewijn Spitzen heeft prachtige teksten geschreven. Dus niet alles op de plaat is door Shaffy zelf gemaakt, nee…
Het was een prachtige tijd. Hij was toen erg groot, hij was de koning van Amsterdam, bijna vergelijkbaar met Presley, ik bedoel dan de roem en de mythe. Dat was hij toen al, dat creëerde hij toen al door zijn doen en laten. Hij was in de jaren zestig natuurlijk superberoemd geworden… hij sprak heel veel mensen aan, hij heeft een enorm charisma… en ik vond het een enorme eer toen Phonogram mij vroeg om een plaat met Shaffy te maken, maar ja… geen van de andere producenten wilden er nog aan. Ze vonden Shaffy onhandelbaar. Maar ik vond hem een van de meest originele, toonaangevende uitvoerende artiesten die er is, maar ook componist en tekstschrijver vanaf 1960 tot aan 1990. Daarna werd het minder…’ Boom stak een sigaret op, zocht woorden: ‘Zo authentiek als Brel is, zo authentiek is Shaffy, ja…’
‘Jullie hebben de lp Dag en Nacht gemaakt, in 1978, en daarna die liveplaat, toch?’
‘Ja… wanneer je Ramses ergens voor uitnodigde, dan kroop hij altijd wel achter de piano en begon hij te spelen. Gewoon, in verloren uurtjes. Dan speelde hij de meest magnifieke dingen, hij improviseerde en zong. Toen hebben we hem in de Wisseloordstudio neergezet, er een soort café-chantant van gemaakt, dus helemaal zo aangekleed. Dat hebben we drie avonden gedaan, alles opgenomen. En daaruit hebben we een album geknipt. Dat was zo sfeervol… en deze is nog niet op cd overgezet. Onbegrijpelijk. Dat was Ramses-live, in 1980. Ik heb nog een schilderij van hem gehad, daarna heb ik hem niet veel meer gezien.’
Eric keek naar de blauwe hemel, achteroverleunend in een tuinstoel. Hij bleef nog even in zijn verleden.
Matthew en James weten bijna niets van Ramses, maar genoeg om door hem geïnspireerd te zijn, en om dit voor hem te doen. Door de half openstaande deur zie ik Shaffy spelen. Zilver wordt opgepoetst. Zwart-wit wordt levensecht. Een soort Jiddische roep. Hij schalt. Soms vals, soms diep, dan ijl en hoog. Soms een rauwe schreeuw, dan weer vrede.
Het is de toon van nu.
Na tien minuten zit Ramses weer op de bank. Hij straalt als een kind. ‘We did it!’ zegt hij tegen Jos. Hij pakt zijn hand en kijkt hem diep in zijn ogen. ‘Ik ben erg blij dat we het gedaan hebben… Dit is een geschenk.’
Iedereen had het gezien. Op het moment dat Ramses speelde, brak de zon door. Een bundel warm licht daalde op ons neer. Matthew frummelt aan zijn computer en meldt dat we naar de ruwe versie kunnen luisteren van wat Ramses heeft gespeeld. We zwijgen.
De eerste klanken voeren me naar een ontmoeting in het Sarphatihuis. Shaf was opgestaan om voor me te spelen op de vleugel. Het zijn dezelfde vredige klanken.
Nu ik de muziek kan horen bij de zang blijkt er toch iets van een geheel te zijn ontstaan. Het geschal vindt gehoor in het pianospel.
Edith kijkt me aan: ‘Ik herken het… er zit iets heel bekends in… van een liedje van hem of zo… ik herken iets…’ Mijn oren scannen de muziek op bekende klanken. Eigenlijk lijkt alles bekend. Het is de muziek van Ramses. Hij vibreert op deze inspiratie. Daarvan ontvangt hij de klank die hij doorgeeft of bewerkt. Dat is zijn grondtoon. Zijn improvisaties zijn vaak variaties op deze toon. M. zit naast Ramses. Samen kijken ze naar beelden van ‘Het Gala’.

1975. Ramses en Liesbeth
De Shaffy Cantate. Bekend voor ons, nieuw voor hen. De Amerikanen vinden het prachtig! M. gaat straks een tweede stem inzingen. ‘Heb je er woorden bij?’
Ramses schudt zijn hoofd: ‘Nee… ik heb geen woorden… breaugh! breaugh!’ Ramses zinkt weg in een enorme hoestbui. Het lijkt of hij naar adem hapt, erin stikt. Zijn hoofd wordt paars, zijn lippen lopen blauw aan. Hij zakt iets in elkaar. Mijn God, hij zal toch niet doodgaan? Sterven tijdens zijn cantate? Edith komt verschrikt aangelopen, klopt hem vakkundig op zijn rug. Ze kijkt me aan en zegt bezorgd: ‘Zo heb ik het nog niet meegemaakt…’ Het lijkt wel een klein insult.
Shaf komt weer tot leven. ‘Jezus, ik dacht dat je erin bleef!’ zegt Edith zichtbaar opgelucht.
Ramses recht zijn rug en zegt aristocratisch: ‘Er is helemaal níéts aan de hand.’
Edith laat hem los en loopt zich quasi verontschuldigend naar de keuken: ‘Nee natuurlijk niet, meneer. Er is natuurlijk weer niets aan de hand… la la la…’
Liesbeth, ik denk aan haar. Aan wat ze me vertelde. Edith heeft haar rol overgenomen. We zaten de hele middag op de bank. Ze was open en spaarde de waarheid niet. ‘Na Vlissingen had ik echt zoiets, van: ik hoop dat er iets gebeurt, iets positiefs, dat een einde zal brengen aan zijn ziekte, want ik dacht, je bent zo verschrikkelijk ziek, Shaf, zo ziek. En het gebeurde. We gingen naar Arnhem, voorstelling, uitverkochte zaal. En hij was zo ziek, zo'n last van zijn darmen, die waren zowat verkleefd. Hij dronk alleen nog maar, hij at niet. Kon ook niet, want hij was zo misselijk. Het enige dat nog beviel was campari. Het deed zo'n pijn en hij was geel en grauw. De schouwburgdirecteur vond ook dat we zo niet konden optreden.
Ik heb toen echt gezegd: God als je bestaat, zorg dat Ramses in een ziekenhuis komt. Ik geloof niet in God, maar die nacht werd ik opgebeld dat hij in het Wilhelmina Gasthuis lag in Amsterdam. Hij had een epilepsie-aanval gehad. Die epilepsie is zijn redding geweest.’
Liesbeth zweeg. Ze beet op wang, haar ogen vonkten, al het roze was verdwenen. Ik zag een hard licht.
‘Ik was er een dag later naartoe gegaan. Ik kwam binnen…’ Ze perste al het rood uit haar lippen, alsof ze wilde schreeuwen, of juist niet. ‘Ik kwam binnen en ik rook dat Ramses gedronken had. “Je hebt gedronken,” siste ik. Stampvoetend ben ik weggegaan. Zogenaamde vrienden of vriendinnen smokkelden drank mee in limonadeflessen. Dat kan niet. Je ligt in het ziekenhuis, je moet genezen. Had ik niet mogen zeggen.
Toen ik thuiskwam, kreeg ik telefoon van de boodschappendienst van het ziekenhuis. “Mevrouw List is niet meer welkom!” Ik was gebroken. Het was de tweede keer dat hij me echt gekwetst had. De eerste keer was toen hij me uitschold en ik niet wist dat hij dronken was. Vanaf die dag belde ik iedere dag naar Joop. Die nam het over van me, die kwam zelf ook altijd. Dus iedere dag belden wij hoe het met Ramses was. Joop was ook razend, ik had hem nog nooit zo kwaad gezien. Hij schold die mensen echt uit, dat het geen echte vrienden waren.’
Liesbeth zat voorover, twee voeten op de grond, ellebogen steunend op haar knieën, haar handen voor haar gezicht. Ik zag nog net haar mond. Het was doodstil in huis.
Totdat ze zei: ‘Ik heb toen ook de telefoon gepakt, het ziekenhuis gebeld om te zeggen dat Ramses gedronken had, dat hij bevoorraad werd door die zogenaamde vrienden… wragh…’ Ze rilde, maar het was onmogelijk de woede los te schudden. ‘Het ziekenhuis wilde niets doen, ze zeiden dat ze er niet aan konden beginnen om de tassen van de mensen te gaan controleren. Ik zei dat ik de hele vaderlandse pers op hen af zou sturen als ik niet meteen de behandelend arts te spreken zou krijgen.’ In de stilte van mijn hoofd grinnikte ik. Twintig jaar later zou ze dezelfde methode hanteren om Ramses’ gezondheid te redden.
‘Het werkte…’ zei ze. Haar handen lieten haar gezicht los. De kleur keerde terug op haar gezicht. Door het raam legde de zon een warme sprei over haar ranke schouders. ‘Het werkte, de directeur van de Jellinek-kliniek werd op de hoogte gesteld. Het was zelfs een schoolvriendje van Ramses geweest. Hij koos voor de harde aanpak. Er werden foto's en hersenscans gemaakt van Ramses’ hoofd. Heel precies kon hij hem de plekken wijzen die waren aangetast door de alcohol. Ramses schrok zich dood en ging onmiddellijk aan de Refusal, zo'n pil dat je niet meer tegen alcohol kan. Je wordt doodziek als je dan toch drinkt.
Uit het onderzoek bleek trouwens ook dat hij een lever had van een achttienjarige. Zes-, zevenenveertig was hij toen! Zijn lichaam is dus heel sterk, niet de lever, maar het zijn de hersenen die waren aangetast.’
Ik schoof mijn glas verder op tafel, legde mijn schrijfblokje neer en draaide me zo ver mogelijk naar haar toe. ‘En toen?’
Ze was weer even Alice in Wonderland, zo lachtte ze. ‘Het ziekenhuis belde me, dat meneer Shaffy me wilde laten weten dat ik weer welkom was. Ik ben meteen gegaan. Toen zei hij: “Wat moet jij al die jaren geleden hebben…”’ Ze vleide zich tegen de leuning van de bank. ‘Kijk en dat is Ramses, en daarom kun je nooit en nimmer kwaad blijven op Ramses of hem wat dan ook verwijten. Dat is de échte Ramses. Wat zal je al die tijd geleden hebben. Vanaf dat moment praatten we. Ik ben zo blij dat het toen zo is gegaan. Dat-ie er weer was, de grote, grote Ramses Shaffy. Het is een wonder.’
‘No hard feelings?’
‘Nee, nee, nee… als iemand tegen mij zegt: “Wat moet jij geleden hebben,” dan is het over. Al had hij dat niet gezegd. Het feit dat hij me liet weten “mevrouw List is weer welkom”. Dat was het al. Kláár!’
‘Adoreer je hem dan niet te veel op zo'n moment?’
‘Ik zie de mens achter de alcoholist. Dat zijn twee verschillende mensen.’
Ik zuchtte en keek haar aan. Het lijkt een haast onverstoorbaar mechanisme om alles van Ramses te accepteren, mooi te praten, in te kleuren. Ik beleef hem, ik maak hem mee, ik ontmoet veel van zijn dierbaarste vrienden en probeer iets over hem te vertellen. Waarheidsvinding vind ik zo'n woord uit de encyclopedie, maar toch.
‘Ja… ik merk wel dat ik Ramses heel mooi zou kunnen maken,’ zeg ik.
‘Hij is mooi, met alles wat hij…’
‘Ja, maar het moet wel begrijpelijk en echt blijven. Hij heeft natuurlijk heel wat uitgevreten, en zijn alcoholisme…’
‘Ja, dat is waar, maak 'm niet te mooi. Maar hij heeft wel veel gegeven. Dat is zóvéél! Laten we het eens universeel bekijken. Weet jij wat voor een beest Picasso was? Wat heeft-ie niet nagelaten? Als je weet, Peter O’Toole, was alcoholist. Richard Harris? Wat die vrouwen allemaal niet mee hebben moeten maken! Maar wat een acteurs! Als een zakenman een beest is en verschrikkelijk is tegen zijn personeel, dat onderbetaald wordt, dan is dat heel wat anders dan iemand die een groot kunstenaar is, die ons zoveel heeft gegeven aan teksten, muziek, warmte en uitstraling. Ik vind dat een groot verschil. Of een man die directeur is, veel geld verdient en macht heeft, die zijn kinderen misbruikt of zijn vrouw mishandelt, omdat hij te veel drinkt. Dat kun je niet vergeven. Vergeten ook niet. Jongens… als je met Ramses werkt, dan kan dit gebeuren. Ik had alleen maar iets tegen die vrouwen, die mensen die hem de drugs gaven. Daar had ik iets tegen, en ik kon het niet zeggen tegen ze. Dan zouden ze het tegen Ramses zeggen, dan zou alles weer instorten, dan kwam hij helemaal niet meer naar voorstellingen. Maar hij moest geld verdienen, dus ik hield mijn mond tegen die vrouwen. Alleen ik… ik praatte niet met hen, en ze wisten dat ze op afstand van me moesten blijven.’
Het is zacht gaan regenen. James en ik staan in de deuropening. Hij kijkt aandachtig naar de oude roker, de oude drinker op de bank. ‘This man scares the shit out of me,’ zegt hij. ‘Ik heb veel artiesten gezien, heel creatieve mensen, ook heel groten. Daarvan was ik best onder de indruk, maar poeh… deze man… ik ben gewoon bang voor hem…’
‘Wat dan?’
‘Zijn energie, ik zie zijn aura… he is really special, het is een enorm creatieve man… huge!!’
Ik kijk naar de bank. Ramses schenkt gretig bij. In de asbak brandt zijn sigaret. Alsof hij voelt dat ik hem begluur. Hij kijkt even op en lacht tevreden. Ik knik en loop naar de video om beelden te tonen van een televisieregistratie uit 1967. Ramses, Liesbeth, Louis van Dijk.
De Amerikaanse artiesten kijken aandachtig naar de dynamische man op het podium.
‘He's just sitting… while he sings, isn't that great?’
Ramses kijkt zwijgzaam toe. Ik ben benieuwd naar wat er in hem omgaat. Is hij blij zichzelf terug te zien? Ik krijg antwoord. ‘Wat heb je toch een leuke dingen meegenomen…’
Er zijn meer mensen bij gekomen in het huisje. Een fluitiste en een saxofonist. Matthew is enthousiast: ‘M. en ik gaan zo de andere stem inzingen, en we maken ook nog een sax- en fluitpartij erbij… Wew!!’
Shaffy is weer op vertrouwd terrein, achter de toetsen. Mijn vrouw en ik hadden zojuist besloten huiswaarts te keren. Het is al laat voor ons kind.
Met gemengde gevoelens rijden we over het bospad naar de verharde weg. Het huisje van Matthew verdwijnt tussen de bomen. Mijn gedachten ben ik vergeten. Ze zijn achtergebleven bij de muziek. Ramses achter de toetsen, M. en Matthew zingend en straks de blazers. Dan laat ik het los. Dankbaarheid vult me. De artistieke waarde is misschien niet groot, maar voor iedereen die erbij was, is het goud. Het zou wel eens een van de laatste stukken kunnen zijn die van Ramses worden opgenomen.
Midden in de nacht, 2 uur 56. Ik lees het staartje van Liesbeths brief.
Lieve Shaf, ik wil zo graag met je praten, ik wil weten wat er aan de hand is, wat de moeilijkheden zijn. Je kent mijn levensmotto, een beetje afgezaagd misschien: ‘Moeilijkheden zijn er om opgelost te worden.’ Je kunt toch niet ongedaan maken dat ik van je hou.
Je buundeweetje,Liesbeth
Een sms van Matthew. Hij is razend enthousiast over het resultaat van de opnames. Ramses en Edith zijn net naar huis. First in, last out.