‘Ik heb hem altijd in de Slavische hoek gezien,’ zegt Louis, ‘hij zou zo een straatmuzikant kunnen zijn. Maar zijn warmte, zijn beste dingen, dat zie je als hij vol overgave speelt. Vette akkoorden. Hij gaat dan ook altijd zo met zijn knieën draaien, en dan krijg je die broeierige, Slavische, muzikale vetheid, die door sommige arrangeurs niet is begrepen. Dan hoor je zo'n orkestregistratie op de plaat, bijvoorbeeld van Sammy… nou ja, daar is alles wat Ramses puur en Slavisch maakt uit gearrangeerd. Letterlijk!’

Image

28 januari 1967. Ramses in Shaffy Chantant.

Alsof Shaffy de vingers van Louis via touwtjes controleert. Hij klinkt hier in de kamer.

Zo moet Sammy klinken, puur, piano. ‘Er zijn niet zo heel veel mensen die me muzikaal, door hun geluid en door hun wezen, tot op het bot kunnen ontroeren. En dat kan Ramses.’

Ik kijk toe, begrijp wat hij bedoelt.

‘Wat we absoluut samen delen is de liefde voor de rijkdom, de ontroering die je met muziek teweeg kan brengen. Dat kan ik niet uitleggen, dat kan ik alleen maar spelen.’

Mijn oren volgen zijn vingers. Het zijn de volle akkoorden, die ik ken van de platen van Ramses. Louis praat terwijl hij speelt: ‘Dit is een typische Ramses-harmonie.’

Ik voel het melancholieke, het dromerige…

‘Mijn muzikaliteit ligt heel dicht bij de zijne.’

Weer die slepende akkoorden.

‘En dan ineens die waanzinnige Ravel-invloed, dat is hem uit het hart gegrepen.’

Louis vindt vrijheid. Zijn lichaam kronkelt, zoekt een houding om de muziek te dragen.

‘Het is ook extatisch altijd… hij gaat er altijd helemaal in. Hogewenkbrauwenmuziek, noem ik het wel eens, bijna Rachmaninov-achtig, maar net te aards daarvoor. Heel moeilijk onder woorden te brengen. Het is fluwelig, vettig… rijk. Het is barok… het is zoals-ie-is.’

Daar schiet ik wat mee op. Niet te beschrijven, dus gewoon luisteren. ‘'t Non-conformisme, toch. Ja, wat ik bij hem indrukwekkend vind, behalve zijn Slavische muzikaliteit, zijn warmte, originaliteit. Er zijn heel veel mensen uit het vak, die vinden tachtig procent van zijn teksten onzin.’

‘Vindt hij zelf soms ook, toch?’

‘Dat zal best, maar ik vind dat zijn teksten vaak wél wezenlijk mooi zijn, en ontroerend. Ook als het onzin is. Dat liedje van zijn dronkenschap en waar is mijn Picasso, waar is nu mijn Steinway… dat vind ik práchtig! Natuurlijk is het onzin, maar dat hoort bij zijn luxueuziteit, bij zijn brallende barokachtigheid. Dat is zo wezenlijk. Alles is verguld. En dat staat totáál haaks op het calvinisme waar ik vandaan kom.’

Het moet heerlijk zijn zo te kunnen spelen op een piano. Ik zie hoe hij geniet. Glunderend als een klein kind dat een ijsje mag. ‘Wat Ramses deelt met veel muzikanten die intuïtieve dingen maken, is dat heel veel stukjes heel veel op elkaar lijken. Ik moest ontzettend oppassen met het begeleiden dat ik niet het ene stukje met het andere verwisselde… bijvoorbeeld… (hij speelt voor me) en (speelt iets anders dat verschrikkelijk veel lijkt op het vorige), dat lijkt zoveel op andere stukken van hem. Dezelfde akkoorden…’

‘'t Is allemaal een beetje …’

Louis gaat nu helemaal los. Even denk ik aan 't hondje van de Muppetshow. Die schudt ook zo met zijn hoofd als-ie speelt. Een typische, melancholieke Ramses-melodie vloeit over in de Shaffy Cantate.

‘Dit speelden we soms wel acht keer achter elkaar, en soms met het trio maakten we er jazz van.’ Louis versnelt, slaat wat extra noten aan. Ik hoor meer ritme, meer swing.

‘Die Shaffy Cantate, daar heb jij toch ook een rol in?’

‘Dat zegt Liesbeth… maar ik kan me dat absoluut niet meer herinneren. Die zegt dat het is ontstaan in de Lange Leidsedwarsstraat op de kamer waar ik toen zat, maar ik kan het me niet herinneren…’

‘Was de cantate er al bij de eerste Shaffy Chantants?’

‘Volgens mij was die er nog niet in het Mirandapaviljoen…’

‘Dan zou het kunnen…’

‘Ik weet het ook niet meer, ik zoop toen zo ontzettend veel… dat deed ik al voordat ik Shaf leerde kennen. Toen ik met Shaffy in contact kwam, werd het alleen nog maar erger, en daar kwamen de jointjes bij… maar dat heb ik maar heel weinig gedaan.’

Louis kijkt voor zich uit, door de muur, naar de schepen op het water. Dan keert hij terug. Zingend: ‘Laa. Laa, laa, laa, laa, la… En dan vreselijk brallen… vrrreselijk hard brallen… mensen vonden dat heerlijk!’ Dat zijn de beelden die ik heb gezien. Louis brallend, wippend op zijn pianokruk. La la laa, la laa la… Ramses zet nogmaals zijn eigen cantate in. Liesbeth volgt lachend. Ze vieren feest.

Zwart-wit nog.

‘Wat zie je er heerlijk uit, zo flamboyant,’ zei Ramses toen ik terugkwam met twee kwartlitertjes. ‘Zo'n prachtige blouse, met die mooie kleuren.’ Ik lachte en ging zitten. Ik voelde me vrij in deze kleren. Beetje jaren zeventig, dat wel. Ik schonk in. ‘Op jou… op jou,’ fluisterde hij.

‘Op jou, Ramses.’

Ik frummelde aan het kleine recordertje waarmee ik ons samenzijn vastlegde. De batterijtjes waren zo goed als leeg en ik schakelde het machientje uit. Alsof Ramses erop zat te wachten. Nog geen minuut later: ‘Geef me je handen eens…’

Geen vraag, geen verzoek, maar een zacht bevel, waaraan ik zonder gêne gehoor gaf. Hij voelde mijn handen, hij keek me aan en lachte geheimzinnig. Het voelde als een oude vrede, en ik wist waarheen dit zou leiden. Hij had het al eerder voorgesteld. Hoe ver mag hij gaan? Hoe ver wil ik gaan? En om het boek? Driftig zocht ik naar ethische regels, etiquette, oplossingen. ‘Zullen we naar een hotel gaan?’ sprak hij zacht, ‘ik zou zo graag met je naar bed willen.’

Mijn God.

‘Shaf… ik val op vrouwen, dat weet je toch?’ 't Klonk verdorie haast als een bekentenis! Wat is dit? Hij bleef mijn hand strelen, trok me nog dichter naar zich toe, tegen zich aan. Als hij maar van mijn kruis afblijft!

‘Gewoon een heel zacht samenzijn. Je zou me dan pas echt leren kennen…’

Ja, vast! Maar hoe redde ik me hieruit, zonder hem te kwetsen. ‘Shaf, du moment dat jij verandert in een 30-jarige Sophia Loren, gaan we all the way!’

‘Ha, haa, ja, dat is dan afgesproken!’

Maar nog altijd koesterde hij mijn handen. Ik voelde liefde, openheid en intimiteit. Zo gaat dat bij hem. Dat is zijn magie, zijn betovering. Maar niet de liefde om met hem naar bed te gaan.

‘Laat me je handen nog even vasthouden,’ sprak hij en ik zag hoe zijn vingers de rug van mijn hand masseerden. Ik ontspande. Hij lachte en kuste mijn hand: ‘Ik ben blij je te mogen ontmoeten.’ Ik was leeg, wijn klotste achter mijn slapen en ik kon niets zeggen.

De piano wordt zachter. Louis zoekt, stuit af en toe op een lachlosbrekende herinnering.

‘In de Mont d’Or zaten we in een klein kleedkeldertje, en dan moesten we via een smal trappetje het podium op. Het was natuurlijk pikkedonker, want Loesje Hamel zou met een lantaarn iedereen aankondigen. Ik ging natuurlijk als eerste op, want ik moest achter de piano zitten. Loesje als tweede met haar lantaarntje. En ik liep dus voorop dat trappetje op met Loesje achter me. En die was ook zo gek als een deur, die had dan de gewoonte om me dan keihard bij mijn zak te pakken en dan te zeggen: “Éven aan het léven!” Dus ik zat krom van de pijn achter het klavier. Ze was meedogenloos.’

‘Toen kwam de Shaffy Chantate… toen kwam het liedje… tie, die die, tie, ta, die, doe, in een storm elkander tegen… en dan Ramses op het orgeltje. En als dat gezongen was, dan kwam de eerste waanzin. Dan ging Ramses staan, ik ging achter hem staan met alleen maar de buitenkant van een enorme tuba, dus met alle ventielen eruit. Die tuba had ik om m'n nek en ik stond dus achter Ramses. En Ramses begon dan.’ Louis verdraait zijn stem: ‘“Oude Hein lag op de bleek, hij had nog niets gegeten, toen hij de blauwe lucht in keek had een kip hem in de bibs gebeten.” Daarna deed ik met die toeter om een dansje: “Van je flipflapfla, van je flipflapflie…” Dan kwam het volgende couplet. En de mensen zaten ademloos te kijken, je gelooft het toch niet. Dadaïstisch bijna! Waanzin!

“Wat zie ik in de duinen, is het een oude mees, jawel, een vieze bruine en zingt een beetje hees. Van je flipflapfla, van je flipflapflie…” Je gelooft het niet, en dat ging dan een minuutje of vijf, zes door… Een soort humor zonder betekenis, zonder mensen te kwetsen… Het was het grote niets, maar tegelijkertijd zo shaffiaans, het boek Lielje… dat slaat toch helemaal nergens op. Er was een uitgever die hem een voorschot had gegeven, en daar kon hij Rodriquez van betalen, de slager. En daar kocht hij allemaal lamsbouten om goed te maken dat hij 's nachts zo'n kolere-herrie maakte. En die lamsbouten lagen dan weer te rotten in die troep daar. Ik kwam daar wel aan de Derde Weteringdwarsstraat… mijn God, wat een rotzooi.’

Zijn buik schudt. Plezier werkt aanstekelijk. Het kost me weinig moeite om het absurde ervan in te zien. Plezier om plezier. Heerlijk. Leven lijkt ineens zo eenvoudig. Dat is vrijheid.

Louis komt terug uit de keuken. Nieuwe kan koffie. ‘Lust jij een brado?’

‘Een wat?’

‘Een gebakken haring in het zuur… heerlijk! Lekkerste wat er is. Bijna niemand lust het!’ grijnst hij onder zijn bril, ‘we gaan zo een boterhammetje eten. Met brado, oké?’

Voorzichtig schenkt hij me in: ‘Ik heb me eigenlijk alleen maar rot gelachen met Ramses… het was geweldig om met hem te werken en door het land te trekken. Het had een soort grandeur, het was één groot levensgebaar. De exuberantie kwam er bij mij uit als ik achter het klavier zat, maar hij bleef exuberant, overdadig. Ook als hij niet op het toneel stond. Hij stond in zijn blote kont in kroegen, of in een hotel in Antwerpen. Zaten we met z'n allen. Dan ging hij met alleen een laken om de gang op om bij kamers aan te kloppen. Hij was dan zo verschrikkelijk lazarus en al lang niet naar bed geweest. En dan kwam hij dus bij wildvreemde mensen de kamer in en begon hij verzen voor te dragen. Het laken ging dan ook open… van alles. De hoteldirectie leverde hem dan af bij de politie. Hij was er soms ook op uit om in een politiecel te belanden. Dat vond hij lekker. Hij had dan onderdak, maar ook uit recalcitrantie. Het verhaal gaat dat hij in Maastricht, of was het Knokke… het politiebureau binnenkwam, de thermosfles koffie van de tafel rukte en dwars door het raam naar buiten gooide en er een fles jenever voor in de plaats zette. Hij kon meteen de cel in! Ha, ha, ha! 't Was weer gelukt! Ha, ha…’

Ik zie het voor me en kan niet ontkomen aan een anekdote, die me door meerdere vrienden van Shaffy is bevestigd. Ramses had een heerlijke avond gehad. Hij was met een moeder en haar dochter mee naar huis gegaan om er het ‘heerlijk toverspel’ mee te spelen. Welke man droomt er niet van. De volgende dag wilde hij er wel weer naartoe, maar hij kon zich het adres niet meer herinneren. Na een sloot wodka ging Shaffy op stroperstocht… ‘Het moest daar en daar ergens zijn. Het was een groot huis, met een portiek. Ja, zoiets als dat. Aanbellen. Wachten. Deur gaat open, iemand trok aan een touw. Aahh, ik ben dus goed. Laat ik me alvast uitkleden.’ Stommelend en strompelend op de trap ontdeed Ramses zich van zijn kleding om halverwege het huis piemelnaakt in een deuropening te verschijnen. ‘Hier ben ik dan! Meiskes!?’ Verkeerde huis. De mensen schrokken zich rot en zagen de naakte man het liefst vertrekken. Daar had Ramses helemaal geen zin in en hij liet zich niet zomaar wegsturen.

De politie moest er zelfs aan te pas komen. Ramses belandde die nacht in een cel. De volgende dag liet hij grote paarse gladiolen bezorgen bij het politiebureau. Hij dankte de agenten voor hun gastvrijheid. Waarschijnlijk heeft hij de bloemen nooit betaald.

‘Of hij ging de cel grondig schoonmaken… dat was in Knokke. Toen vroeg-ie om een emmer. En de gendarmes in België zijn ietsje minder zachtzinnig dan in Nederland en geheel humorloos. Toen zei hij: “Het is hier een beetje víes! Hebt u een emmertje met sóp!” En dat was heerlijk natuurlijk, want het is iemand die iets durft wat een ander nóóit zou doen. En daar ook schijt aan hebben, zo bouwde hij dat legendarische om zich heen.’

Hij schuift zijn bril hoger op zijn neus, houdt met zijn ene hand het kopje vast, de andere houdt het schoteltje boven zijn schoot. Hij kijkt gelukzalig zijn wereld in. Die van nu of van toen? Snel komt er antwoord. Hij hikt, en schiet vanuit het niets in de lach. Alwéér een anekdote.

‘Henk van der Meyden heeft een tijdje de Shaffy-groep geproduceerd, als een soort manager. En die ging dan ook mee in het busje. En Henk van der Meyden heeft een afwijking, dat als je hem zo aanraakt,’ zegt hij terwijl hij een hand op mijn been legt, ‘dan schrikt-ie zich al het lazarus. En Henk zit met Steve Austen voorin in het Volkswagenbusje. Steve reed en Henk zat rechts naast hem. Ramses – duivels – had zich achter in het busje geheel ontkleed en klom helemaal naakt over ons heen naar voren en ging plotseling in zijn blote kont naast Henk zitten. Die schrok zich helemaal klem!! Ha, ha, ha! O, wat we toch allemaal hebben meegemaakt… Het was een geweldige sfeer. Ramses is heel exhibitionistisch. Hij heeft me zelfs een keer zo ver gekregen dat ik een striptease heb gedaan op het podium in de Mont d’Or!!’

‘Publiek was al weg?’

‘Neehee! Dat zat er nog! Bijna een rel geworden. Ha, ha, helemaal in de blote kont!’

Ik kijk Louis aan, strak in zijn gezicht. Alsof ik daar kan lezen hoe hij eruitgezien moet hebben in zijn blote kont, piemelnaakt in het rokerige, roze licht van de spots. Ik probeer het me niet voor te stellen, maar faal. Het bizarre in mijn fantasie is dat hij hard bralt. Draaiend met zijn billen in de Mont d’Or. La la la la la la! Ik vrees dat ik nu nooit meer normaal kan kijken naar deze ‘gevleugelde vriend’.

Louis gaat me voor de keuken in. Hij dekt een klein tafeltje. Twee placemats, een paar potjes, bordjes, bestek. ‘Brado!’ Ik kijk toe hoe hij de verminkte haring over zijn boterham verdeelt. ‘Neem er ook één of twee, mag ook. Heerlijk!’ smakt hij enthousiast met volle mond. Even later zitten we samen aan de brado. Louis heeft me veel verteld. Ik sta er nog steeds versteld van hoe iemand twee van deze levens in één kan leiden. De grote ster, muziekidool, avond aan avond optreden, en tegelijkertijd iedere dag de bodem van de fles opzoeken, wazige pillen slikken, hasj roken, weet ik veel. Doe het eens een keer, en probeer de avond erna weer fris te zijn. Hij deed het avond na avond. Ongelooflijk.

Louis drinkt melk. Ik niet. ‘Ramses,’ begint hij, ‘ik denk dat Ramses een soort doorbraak is geweest. Je hebt best kans dat mensen zoals Herman van Veen en andere mensen van die grootte er misschien wel niet waren geweest als Ramses er niet was geweest. Dat is achteraf niet meer te controleren natuurlijk.’ Zijn vingers zwijgen. Trekt een bedachtzaam gezicht. ‘Hij neemt toch een unieke plek in omdat hij alles zelf maakte, op een paar uitzonderingen van covers na. En dat zijn er toch niet zo verschrikkelijk veel die dat doen. Hij is een extreme exponent van de vrijheid van de zestiger en zeventiger jaren. Hij was de belichaming van de vrijheid, gevoed door natuurlijk talent en een enorm acteurschap. Als je alle anderen achter je laat en de onbetwiste koning van Amsterdam bent, dat was zijn bijnaam, dan heb je wel een pak fluïdum bij je en charisma.’ Hapje brado. Kijkt langs me heen en zegt: ‘Als je het in de zestiger jaren met talent niet hebt gemaakt, dan ligt het aan jezelf.’

‘Ja?’

‘Je had niet alleen het talent, maar je had in die tijd die enorme vloedgolf van de ontwikkeling. In de zestiger jaren kon alles, ook die enorme creatieve golf. Theater en muziek werd bereikbaar voor de grote groep, dus er was enorme behoefte aan input. In de zestiger jaren tot eind zeventiger jaren surfde je mee op de golf, je hoefde alleen maar mee te surfen en te zorgen dat je de wereld een beetje verbaasde. In die tijd dacht je toch dat je zelf ongeveer de allerbeste was die er bestond. Dat was ook de drijfveer, je dacht er ook niet aan dat iemand het niet mooi vond.

Wat ook niemand gelooft, is dat we nooit nadachten over geld. Behalve dan dat je geld nodig had om te leven. Verder niet. In die periode maakten we nooit muziek om geld. We waren buitengewoon gedreven en we hadden een intense behoefte om de mensen te laten zien wat we konden, en tot onze grote verbazing verdienden we er geld mee. Zo was het. Ik was trouwens wel de enige in de tijd van de Mont d’Or die verdiende. Ik kreeg toen al vijfenzeventig gulden per avond. Aan het eind van het weekend had ik dus tweehonderd-envijfentwintig gulden. Dat was toen heel veel geld, dat kun je rustig met tien vermenigvuldigen. Dus ik had een soort een maandsalaris in drie dagen.’

‘Hoe kan het dan dat jij wel verdiende en Shaffy geen donder?’

‘Dat zal ik je vertellen. Kijk, ik was ingehuurd om het zootje te begeleiden, Ram, Liesbeth en Loesje moesten in de meest fraaie kleren het podium op en dat moest betaald worden. Dus de kosten om er mooi uit te zien waren hoger dan wat er binnenkwam. Ik was een freelancer die werd ingehuurd, dus ik had een vaste prijs. Ik werkte ook met andere gezelschappen, jazzclubs et cetera… ik verdiende heel goed.’

We beginnen aan de laatste brado. Ik heb mijn mond vol en kijk een beetje om me heen in de keuken. Ik denk aan Ramses. Hij vindt het zo leuk voor me dat ik allemaal bijzondere en hem zo dierbare mensen ontmoet. Ze zullen je allemaal verwelkomen, had hij gezegd. Louis spoelt zijn brado weg met een slok melk. Ineens begint hij weer te praten: ‘Ik zou graag willen dat ik iets meer schijt aan de wereld had. Ik houd altijd rekening met mijn omgeving… ik wil ook dat als ik ergens gespeeld heb dat de mensen van me houden na afloop, en als ik daarvoor enige kniebuigingen moet doen, dan doe ik ze met liefde. Ik zal nooit stekelig zijn of shockeren. Maar Ramses deed dat voortdurend. Hij had overal schijt aan.’

‘Hoe reageerden de mensen dan, als hij recalcitrant was of dronken?’ ‘Ramses was heilig, die kon alles.’

Louis draait zijn ogen naar de kast: ‘Ik heb me daar voortdurend over verbaasd, misschien ook wel dat er mensen bij waren die het fantastisch vonden om het een keer meegemaakt te hebben dat hij inderdaad lam op het toneel stond. Ach, man, wat er in die zestiger jaren allemaal ook kón, tjonge, jonge. Het was fantastisch, en ik heb er heel veel aan gehad. Het heeft me bevrijd van mijn calvinistische opvoeding, maar op een gegeven moment moest ik er ook mee ophouden, dat was heel goed gezien van Hilda, mijn toenmalige vrouw. Die zei tegen me dat ik wel mezelf moest blijven. Anders ging ik helemaal naar de kloten. 's Morgens cognacje bij de koffie om je weer een beetje oké te voelen. Ja, ik was toen echt op de verkeerde weg, maar alles ging goed jongen… Ik kan me er niet veel meer van herinneren. Het gekke is vanaf mijn dertigste weet ik alles, maar van mijn twintigste tot mijn dertigste is zovéél weg… ik weet alleen dat ik zoop. Ja… er is wel veel waanzin gebeurd. Dat is toch tekenend, dat ik er zo weinig meer van weet. Eigenlijk één grote mist… dat zegt toch wel iets over hoe we leefden met drank en zo. Wat ik van mijn twintigste tot mijn dertigste heb, heeft Ramses van zijn twintigste tot op de dag van vandaag!’ We zwijgen en kijken elkaar aan. ‘Ik werd erg door hem meegezogen, omdat hij zo'n enorme charismatische kracht heeft, waarvan ik erg onder de indruk was. Ik zat erg in zijn invloedsfeer. Er waren tijden bij dat ik net zo praatte als hij, ik was echt ontzettend… eh…’

‘Wilde je hem zijn soms?’

‘Ja! Ja… een beetje, maar dat had ik wel met meer mensen die een grote invloed op me hadden.’

Shaffy zwaaide me na, zoals altijd. Toch was het anders. Hij had me vastgehouden, ik hem. Er volgde een zoen op mijn mond. In een soort roes loop ik nu het centrum in van de stad. Het is al donker en ik word onvindbaar tussen de naamlozen van de nacht. Alles loopt door elkaar. Ik hoor mensen lachen, anderen schreeuwen agressief. Bij het bruggetje houdt een jongen een meisje vast in het licht van een café. Dit is zijn terrein. Misschien dat ik nu wel op een vergeten voetstap sta. Ineens voel ik een enorm besef van het water, de sterren. De wind die mijn langer geworden haren in mijn ogen blaast. Ik leef! Voor me vaart een bootje, zo'n zelfde als waar Ramses vroeger mee door de grachten voer. Onbereikbaar vanaf de kant gleed hij door de stad, over dit water. Met iemand of alleen, naar huis, of naar een café. De stad vierde hem, hij dronk op haar.

Ik ga een café binnen in een smal straatje tussen twee grachten en bestel iets helders met veel alcohol. Naast me een prachtige vrouw, die ik even aan mag kijken. Niet te lang. Geen signalen. Nog een glas. Ik weet niet eens waar ik ben. ‘Wheels,’ lees ik in de spiegelletters op het raam. Mijn gehoor mengt zich in gesprekken om me heen. Ik zwijg en leun op de toog, kijk tussen gespoelde glazen en gekeerde flessen door naar de spiegel tegen de achterwand. Mijn blik valt op een oudere man. Hij zit ergens achter me, in een hoek. Hij drinkt en lacht luid. Een zuivere lach. Ramses is het niet. Misschien een paar jaar geleden. Toen kwam hij hier nog veel, in dit café. Nee, hij is het niet.

Ik drink nog een paar glazen, betaal, voel een vrouwenhand op mijn been. Ik kijk op, in een geopend gezicht. In een andere tijd, besluit ik en ga de straat op. Overal mensen nog. Geknetter van een scooter. De jongen heeft zijn helm schuin op zijn achterhoofd. De lichten doen het niet, de houten pizzakist schudt op de bagagedrager. Ik steek mijn handen in mijn jaszakken en laat mijn benen de vrije loop. Ik slenter het centrum in, brug over, linksaf, Herengracht… Voor een coffeeshop blijf ik staan. In het huis erboven is het donker, de vitrages zijn al jaren dicht. Hier woonde hij. Hier woont hij. Hij gaat hij straks hier weer wonen. Of nooit meer. Ik klim het kleine bordes op, probeer naar binnen te kijken. In de hoop in het aardedonker een geluid te horen dat ik herken. Zijn piano… zijn lach, een uitroep. ‘Buundewiet,’ fluister ik zonder dat mijn lippen bewegen.

‘Ramses is er niet,’ klinkt een Marokkaanse stem schuin onder me. Mijn hoofd draait, ik kom naar beneden, wankel even. Leg mijn hand op de rug van de jongen en zeg: ‘Hij is er wel. Hij is hier overal. Dit is zijn stad, toch? Hier… elke steen… elk café… hij gaat hier nooit meer weg…’ Een zestal ogen, vriendelijk.

Na jaren zet ik mijn mond aan een nat filtertje van een doorgegeven joint. Het wordt lichter. Ik verlies mijn benen. Als ogen ga ik de straat weer op. Zwem en zwalk door kleine straatjes, Keizersgracht. Op een groot doek lees ik ‘Felix Meritis’. Ik ga zitten op een trap voor het gebouw. Ik ben helemaal open en wacht af.

Het komt door de plek dat ik moet denken aan Steve Austen. De roadmanager! Waar was het? O ja, zijn huis aan de Amstel. Ik had aangebeld, een raam ging open, een sleutelbos viel omlaag. Een paar minuten later stond ik in een ruimte waaraan ik niet kon zien of het echt ingericht was. Alles had er wel een plek, en ik zou er ogenblikkelijk kunnen wonen. Er stonden stapels boeken, de stereotoren vond een thuis op een schapje in het trapgat.

We gingen aan tafel zitten, schoven wat tijdschriften opzij. ‘Het was eind 1965, ja… als we het land in gingen reed ik het busje,’ begon Steve en graaide met zijn hand in zijn grijze haar. ‘Thijs Chanowski deed het management toen. Er waren allerlei voorstellingen geboekt, maar niemand wist hoe Ramses, Liesbeth en de anderen, zoals Louis van Dijk en Loes, daar naartoe moesten. Ik studeerde economie en had een bijbaantje bij Chanowski. Ik had net mijn rijbewijs gehaald, dus toen iemand vroeg wie kon rijden, stak ik mijn vinger op. Ineens heette ik roadmanager. En later toen Sammy uit was en hoog in de top zoveel stond, wilde iedereen Ramses zien en dat lied horen. Toen reisden we het hele land door… dan haalde ik Ramses ook altijd op, aan de Derde Weteringdwarsstraat. Het is me gelukkig nooit overkomen dat ik hem niet kon vinden. Ik wist hem altijd wel te lokaliseren. Soms was hij wel nog niet klaar, of hij sliep nog… dat wel. En hij wilde de deur nooit opendoen als hij niet wist wie er was. We hadden een soort code. Ik moest dan door de brievenbus iets roepen of een bepaald geluid maken. Dan wist-ie dat ik het was. Ik bracht hem ook weer thuis, of we gingen nog de stad in met een stel mensen…’

Ik las een verhaaltje in de Elsevier, begin '67. Een beschrijving van ‘Ramses on tour’:

Het is pauze, in de gang achter de coulissen wachten jongens van schoolbladen voor interviews. Meisjes voor handtekeningen. Er is iemand van de regionale omroep. Ook Liesbeth, die het eerste deel van de avond deed, moet spreken. Henk van der Meyden regelt alles; houdt mensen die er werkelijk niets mee te maken hebben, uit de kleedkamers. Hij heeft moeite om iedereen te begrijpen, want er wordt erg moeilijk-Limburgs gepraat. Schouwburgdirecteur Wim Bary komt binnen en zegt tegen Ramses dat hij voor een huilende vrouw uit Roermond, die geen plaats meer kon krijgen, een stoel heeft bijgezet. De dertien nummers na de pauze worden in doodse stilte aangehoord. Bij het applaus stoten meisjes hun vrienden aan. Daarna weer veel mensen op de gang en weer veel lege bierflesjes. […]

Het is elf uur en buiten staat het busje voor de terugreis naar Amsterdam. Een lange tocht, die in twee cafés voor nog meer bier wordt onderbroken. ‘Het mag niet uit de hand lopen,’ zegt Van der Meyden. Hij draaft heen en weer, maar eenmaal in het busje, om nu zeker aan de weg terug te beginnen, stapt hij na vijfhonderd meter uit. Hij zegt dat er te veel mensen in zitten. Hij gaat slapen in hotel Du Casque. ‘Dag Henk,’ joelt iedereen. Er wordt aan de rand van Maastricht nog een fles whisky gekocht. Bij Eindhoven, waar het bowlingcentrum midden in de nacht op herhaald aandringen opengaat, een nieuwe fles die ook van mond tot mond gaat. Praten, praten, gekke praat, totdat niemand meer iets zegt. Een busje met artiesten in de nacht. La vie en rose. Morgenavond wacht Haarlem. Maar er is ook nog een morgen, het begin misschien van een langdurende day after the night before. Het is dat een morgen méér uren heeft…

Steve knikte glimlachend. Zo was het. ‘Na verloop van tijd werd dat management totaal. Ik deed de contracten, de boekingen, het transport, zorgde dat er eten was, hotels geregeld als we verder weg optraden.’ Hij opende een kartonnen doos met foto's. Zwart-wits van Ramses, Liesbeth. Hij wierp me een papiertje toe. Een handschriftje. Ik herkende het. Ramses. Het was een papiertje met de speelvolgorde van de liederen die ze op een bepaalde avond hebben gespeeld. ‘Ramses was in die tijd zo verschrikkelijk beroemd. Hij was zich het wel bewust, maar het maakte hem niet anders. Hij werd er niet door aangetast. Hij was onaantastbaar, een man met een heel duidelijke authenticiteit. En dat was toen iets exceptioneels. Hij was niet kwaadaardig, niet vervelend en arrogant en daardoor was hij een soort lieveling, ja… en ha, ha… daar kwam dan ook nog die vermeende spirituele lading van zijn liedjes bij! Mijn God, hij werd gestalkt door godsdienstfanaten… die dachten allemaal dat “Sammy kijk omhoog” vooral op zondag gezongen moest worden. Ramses werd ook uitgenodigd om in kerken te komen zingen. Mensen die dachten dat hij dat ook wel zou doen, dat je Ramses, Liesbeth en het hele trio van Louis van Dijk wel voor een fles wijn en een kop koffie op zondagmorgen naar hun kerk kreeg…’

We glimlachten naar elkaar, alsof we beter wisten. Toch herinnerde ik me dat Ramses eind jaren zestig in de Amsterdamse Dominicuskerk van pastoor Tepe kerstverhalen heeft voorgelezen. Voor in de kerk, zittend op het altaar. Ramses vertelde me dat hij op éérste kerstdag naar een televisie-uitzending had gekeken vanuit die kerk en dat hij zo ontroerd was, dat hij de pastoor had opgebeld en een dag later aan honderden mensen het kerstverhaal vertelde.

‘Het was een prachtige tijd, heel avontuurlijk. Ik bedoel, ik was begin twintig en managede de populairste groep van Nederland. Ik raakte ook onmiddellijk van slag toen ik Ramses meemaakte. Door zijn oerkracht. Mensen wisten niet waar dat vandaan kwam. Spiritueel, erotisch, elektrisch… gesublimeerde perversie, subliem, artistiek. Hij hoefde niets te doen, alleen maar een liedje te zingen. Louis vulde het op. Liesbeth List erbij. Hij hoefde alleen maar op te komen en de zaal stond in lichterlaaie. Heel naturel, met heel veel kracht. Ik deed in die tijd ook licht en geluid. Tegelijk! Ik stond met mijn ene hand aan het lichtorgel, met de ander bediende ik de schuiven. Ik voelde aan het begin van het liedje wat 't ging doen. We pepten het op met donkerslagen. Dus. Donker. Vol licht. Donker. Nieuw liedje. Het was een totaal nieuwe wereld waarin ik kwam, de wereld van de grote Ramses Shaffy. Heel spannend ook… mede vanwege zijn alcoholprobleem. Dat heeft-ie volgens mij altijd al gehad, maar het stond zijn vakmanschap nooit in de weg. Nooit heb ik een optreden moeten afzeggen, wel dat er optredens op het randje waren… ja, ja…’

‘Ik ben nog altijd verbaasd dat hij alles kan maken…’

Steve keek naar buiten. Toen hij begon te spreken zocht hij mijn ogen weer: ‘Nederland is een niet-bestaande woestijn, en er is een uniek fenomeen. Dan wil je alles doen om dat te zien en te laten zien. Het alternatief is totale saaiheid.’

Hij stond op, keerde terug met een halfje rood, en een glas gekoeld water voor mij. ‘Ik deed dus ook aan alcohol-management.’

‘Je zorgde dat er drank was?’

‘Nee, nee… ik was dag en nacht beschikbaar. Hij belde me ook wel eens diep in de nacht. Stond-ie weer ergens in een kroeg en kon hij de rekening weer niet betalen. Dan regelde ik dat…’

Het is nacht. Nog geen middernacht, toch? Ik zit nog altijd op een trappetje. Uitzicht op het Felix Meritis en de maan in het water. Ik wil rustig worden. Accepteren dat alles zo gaat, en gegaan is. Jaartallen zeggen niets. Geen van zijn vrienden doet iets met jaartallen. Wanneer je ernaar vraagt, weten ze het toch niet precies. Zonder de plakboeken van Liesbeth, zou het niets geworden zijn. Tijd. Wat is tijd? Ik maak hem nu toch mee, nu ik aan hem denk. Misschien kijkt hij ook wel naar de maan, en Liesbeth, Louis. Als we allemaal naar de maan kijken, komen we er samen. Ja. Ik kijk over het water. Langzaam kruipen schoksgewijs mijn ogen langs de gevel omhoog, naar de nok. Daar moet het geweest zijn. In de nok, daar begon het. Shaffy's eigen theater!

‘Het hele concept is van Ramses,’ sprak Steve, ‘maar de uitvoering is van mij. Ramses en ik gingen weg bij Chanowski. Ik richtte toen een eigen bedrijfje op en nam Ramses onder contract. We hadden natuurlijk geen rode rotcent. Ik zou van alles regelen en in ruil daarvoor kreeg ik een eeuwigdurende toestemming de naam Shaffy te gebruiken voor theateractiviteiten in het zaaltje dat we huurden in het Felix Meritis. Dat gebouw was toen nog in handen van de Communistische Partij Nederland. Wij huurden op dagbasis zaal F. Dat zaaltje hadden we prachtig beschilderd, in felle kleuren met een grote ster… Ik noemde het zaaltje naar Shaffy als hommage aan zijn inspiratie, maar ik gebruikte het ook als merk. Shaffy was een merk. Er gaan deuren open als je z'n naam noemt. Ik had de merknaam ook nodig op de toegangskaartjes, en in het telefoonboek stond Shaffytheater, zodat je niet bij de communisten uitkwam wanneer je ons probeerde te bellen. Ons kantoor was niet meer dan een telefoon naast mijn bed. Nog altijd is dat nummer van het Felix… 231 311, maar dan nu met een 6 ervoor.’

Ik herhaalde zijn woorden, er gaan deuren open als je zijn naam noemt.

‘Het was in de tijd van de Shaffy Chantate. Eigenlijk de opvolger van Shaffy Chantant en ook op plaat verschenen. Het is muzikaler, psychedelischer. Ramses was geïnspireerd door de Mama's & the Papa's en hij had er weer een prachtig programma van gemaakt, opnieuw met onbekend talent… Thijs van Leer. Dat is een ontdekkking van Ramses, maar ook Eelko Nobel, Sylvia Alberts en Marjol Flore. Een prachtig programma, ze droegen prachtige kostuums. Ramses zong heel melancholieke liedjes…’

Ik knikte. Ik kende de muziek van een cd. Vooral Duet weet mijn bodem te raken.

‘En ook Heintje, van dat vrouwtje dat een wollen mannetje breit, ermee naar bed gaat en van het wollen draadje die zij de volgende morgen op haar kussen vindt, weer een nieuw mannetje breit. Van die absurde fantasieën. Dat werd voor het eerst in dat zaaltje opgevoerd. Althans in Nederland. We waren er ook al een avond mee in Brussel geweest. Maar Ramses wilde meer, hij zeurde in positieve zin, dat er in Amsterdam geen mogelijkheid was om “underground” vriendjes uit de kunst, de mode, de cultuur, de journalistiek en performers te ontvangen en een podium te geven. Ramses droomde daarvan, en hij zou dan de gastheer zijn. En dat dan heel professioneel, goed geregisseerd. Het moest een nachtclub, trefpunt worden, waar je ook zou kunnen drinken en vooral blowen. Het Shaffy-theater was het meest populaire illegale blowcentrum. De politie kwam er nooit, het gebouw was immers van de CPN! Ook konden we tot 's ochtends zes uur doorgaan. Heerlijk. Het liep heel goed, maar je kon er niet van leven. Ik huurde op dagbasis het zaaltje, zoals ik zei. Dus na afloop van een avond werd de kassa omgekeerd, en werd er verdeeld. Er deden soms zo veel mensen mee, dat je maar een paar gulden per persoon verdiende. De eerste jaren was Shaffy er veel, hielp hij zelf ook mee, later deed ik het alleen, en kwam Ramses er nog sporadisch. Het was geweldig, precies wat Amsterdam nodig had. Er heerste een enorme “swing”. Veel groepen speelden in hun begintijd in een van de zalen van het Shaffy-theater. Neerlands Hoop, Orkater, Funhouse… man, toen ik op een gegeven moment alle zalen had overgenomen, veranderde het in één grote swingende duiventil!’

Image

1968. Shaffy Chantate in het Shaffy-theater. V.l.n.r.: Eelko Nobel, Thijs van Leer, Ramses, Sylvia Alberts en Marjol Flore.

Steve glom tevreden. Ik dacht na. Joop had me iets verteld over een vreemd einde van de samenwerking. ‘In die tijd liep Shaffy toch weer behoorlijke schulden op?’ vroeg ik.

De blik van Steve was serieus, hij zei: ‘Ja, het is inderdaad zo. Het eerste seizoen in het Felix Meritis stonden we allebei nog onder contract bij Thijs Chanowski. Daar ging Shaffy met schulden weg. Ramses had gehoopt met één seizoen genoeg geld verdiend te hebben om het theater voort te zetten. Thijs Chanowski zag dat niet zitten. Het leverde niet genoeg op en hij wilde het experiment niet voortzetten.’ Steve krabde op zijn hoofd, keek langs de tafel naar buiten. ‘Het avontuur in de bovenzaal van het Felix Meritis was helemaal voor rekening en risico van Ramses gevoerd. Door het einde van het experiment bleef Shaffy zitten met een schuld aan Chanowski. De sfeer was toen erg onprettig. Het einde van de samenwerking tussen Chanowski en Shaffy, was het begin van de samenwerking tussen Ramses en mij. Het was ook het begin van het Shaffy-theater, zoals dat toen ontstond. Thijs Chanowski heeft op mijn dringende verzoek er nog wel borg voor gestaan.’

Image

Oktober 1968. Ramses in Shaffy Chantate.

Door zijn brilletje leken de ogen van Steve mooi rond. Van alle kanten kreeg het licht evenveel kans. Hij sloot en opende: ‘Ik heb overigens nooit het risico van het Shaffy-theater voor rekening van Ramses gevoerd. Het was voor mijn eigen rekening. Dat leidde trouwens ook tot schulden, maar ik vond Han Lammers bereid, toenmalig wethouder van cultuur van Amsterdam, om bij te springen. En daarmee begon de bloeitijd van het Shaffy-theater. Tot 1988 is dat zo gebleven… ik was er al lang uit en deed andere dingen. Maar het Shaffy-theater bestond zogenaamd twintig jaar. Eigenlijk zijn we in 1967 begonnen, maar ach… Mijn opvolgers kregen jaarlijks een sloot subsidie van de gemeente, en er moest bezuinigd worden. Eerst hebben ze de Kleine Komedie proberen te sluiten, maar Youp van 't Hek blokkeerde dat. Toen besloot de gemeente als een dief in de nacht de kraan dicht te draaien bij het Shaffy-theater. We hebben toen een rechtszaak gevoerd tegen de gemeente, en die ook gewonnen. Toen is het Felix Meritis opgericht, zoals het vroeger ook al was, maar dan weer opnieuw, niet meer onder de naam Shaffy-theater. Eigenlijk wel jammer… niet?’

‘Hmm.’

Hij schonk zijn glas bij, nipte en keek me aan. De wolk dreef voorbij. Ik wachtte af.

‘Geld bleef een probleem. Hoewel, niet voor hem. Hij wist niets van geld, zei hij altijd. We hebben zelfs nog geprobeerd van Ramses een profvoetballer te maken.’

‘Wat!?’

‘Ja… fiscaal dan,’ glimlachte Steve, ‘in die tijd verdiende Ramses het ene jaar veel geld, het andere jaar minder. Net als voetballers. Samen met een fiscalist van Moret en Gudde probeerden we voor Ramses een soort gemiddeld jaarinkomen te creëren. Daarvoor moesten we de inkomsten uitsmeren over vijf jaar, en dat dan delen, zodat je weet wat je elk jaar aan belasting moest betalen. Nu was Ramses een privé-persoon, en kreeg hij gewoon belastingaanslagen. Dat werd dus niks, want Ramses maakte alles op, en als hij de aanslag in de bus kreeg, kon hij niets betalen. Ramses had voortdurend voorschotten nodig, hij maakte op wat hij cash ontving. Maar ja, ons verzoek werd afgewezen.’ Hij schudde zijn hoofd, keek naar een foto op tafel. Een portret.

‘Deurwaarders kwamen er sowieso veel. Op zich zegt dat niets. Je moet alleen alles goed regelen. Schuldeisers tevreden stellen, door open kaart te spelen en te zorgen dat de rekeningen werden betaald. Ik moest Ramses ook regelmatig uitleggen dat hij van de twee komende optredens bijna geen geld zou overhouden, omdat ik een paar openstaande rekeningen moest betalen. Dan liet ik hem ook de rekening zien. Ben je hier toen en toen geweest? Weet je het nog? Zo ging dat. En ik vertelde de deurwaarder dat de wens om te betalen er wel degelijk was, maar dat we pas over een paar weken weer een optreden hadden, en dat er dan pas weer geld was. Soms moesten leveranciers behoorlijk lang wachten, maar ze kregen meestal hun geld. Ik schreef ze dan ook een briefje: ‘Wilt u meneer Shaffy niet meer op krediet leveren?’

Steve trommelde met zijn vingers op tafel. Er viel een heerlijke stilte. Ik dronk mijn water en krabbelde een tekeningetje in mijn schrijfblok. En Steve zei: ‘Op een gegeven moment heb ik onze relatie beëindigd, vóórdat het een conflict zou worden. Het was niets persoonlijks, ik ben hem alleen maar meer gaan waarderen, maar ik kon het zakelijke niet meer opbrengen. Dat gedoe met rekeningen en zo… we hebben toen gepraat en het was goed… ja, het was goed.’

Het klaarde op, een zomerse regenbui had de stad opgefrist. Licht viel op de tafel.

‘Nu ik hem meer van afstand zie, kan ik hem beter plaatsen,’ zei Steve haast gewichtig. Ik kreeg het gevoel dat hij een confessie af wilde leggen. Die toon. Of een conclusie. Ik wist het niet. Ik luisterde. ‘Ramses is een buitenproportioneel aansprekende figuur, veel meer dan een cultfiguur uit de jaren zestig, zeventig. Hij is geen hippie of zo. Hij is Ramses. Jong en oud, hele generaties ontleenden dingen aan hem. Hij kwam ook bij mensen thuis na een optreden. We kregen altijd uitnodigingen om ergens naartoe te komen. Mensen wilden hem dan dingen voorleggen, als goeroe, profeet… een orakel. Dat paste natuurlijk ook wel weer in het heiland-denken van de protestanten. Hij bedenkt het zelf niet. Hij is zo. Hij weet ook dat hij zo is. Hij heeft niets met conventies, consensus en compromissen. Toch is hij mild en wijs in zijn oordeel. Zijn permanente onvrede met het Nederlandse keurslijf is de reden geweest zich zo te presenteren. Het gekke is dat mensen het hier niet alleen van hem accepteren, maar zelfs bewonderen.’ Stilte. Steve zocht woorden.

‘Dat komt omdat hij niet negatief is, door de gratie waarmee hij alles doet. Hij is dankbaar, maar tegelijk een voortdurende, lopende criticaster van de onbeholpenheid van Nederland.’ Slok wijn.

‘Hij kent helemaal geen vooroordelen, er is niets gepréconditioneerd. Hij heeft wel degelijk bepaalde opvattingen, maar die uit hij meer in metaforen. Ik heb van hem erg veel geleerd over de positie van het individu, over je eigen verantwoordelijkheid, je eigen plaats in de samenleving, dat je bewust bent waar je bent, dat je onderdeel uitmaakt van een groter geheel, en dat je je toch soeverein en autonoom kunt gedragen. Hij zou eigenlijk zowat een ere-doctoraat in burgerschap moeten krijgen. Ik bedoel hij heeft het echt over inburgering. Niet zo van: je moet de taal kennen en het volkslied zingen, maar het gaat veel dieper. Je moet je bewust zijn waar je bent… denk daar maar eens over na. Het ontstijgt de performance! Mensen proberen hem altijd te vergelijken, maar dat moeten we niet doen. Dan komen ze aan met Brel of zo. Muzikaal zijn er misschien overeenkomsten, maar tekstueel niet. Bovendien is Brel een Belg, Ramses een kosmopoliet.’

Steve stond op, liep naar een ander, iets verhoogd deel van de ruimte, en trok platenhoezen uit een kast. ‘Het contrast met domineesland is zo groot, dat al die onderdrukte libido's en schuldgevoelens zijn geconcentreerd in één man. Maar in Oost-Europa zijn er veel meer, geen Ramsessen. Dat is een persoonlijkheid! Maar in de Sovjet-Unie, eh… Rusland heb je een grote solozang-traditie, van dichters die in hun eentje zingen in een vol stadion. Een mix van lied, poëzie en performance. Uit die traditie komt-ie, maar dat weet hij zelf niet.’

Ik sta op, nog een beetje licht in mijn hoofd. Het is een heerlijke avond, de nacht is mijn deken. Langzaam verzekert mijn pas. Dit is het Amsterdam, zijn mama Mokum. De grachten staan vol auto's, aan iedere paal of boom een fiets. Kroegen vuren lachsalvo's af. Ik loop alleen en ben ineens zielsgelukkig. Ik ga nú naar hem toe. Kan niet schelen hoe laat het is.

Rennen of een taxi? Bijna geen geld meer. Hardlopen op drank gaat best lekker, zolang je maar niet hoeft te stoppen. Ik zing Shaffy: ‘Halleluja Amsterdam, er waait een nieuwe wind over de dam, over 't Spui en het Rokin, en zet de tijd niet terug, het heeft geen zin, want het gaat verder, het gaat door en ik heb je lief, oho!’

Daar is het. Sarphatihuis in het donker. Zal ik roepen? Ik kijk door het raampje bij de portier. Alles lijkt stil. Een man ziet me staan. Ik zwaai. Hij wenkt me naar de deur te komen. Het is de nachtportier die opendoet. Hij houdt zijn vinger voor zijn mond, gebaart me hem zachtjes te volgen. In de deur van het Atrium blijf ik staan. Daar zit-ie. Ramses. Alleen achter de vleugel in een compleet verlaten Atrium. Zacht licht valt op hem. Misschien wel de maan. Ik hoor zijn pianospel, het is een diepe herkenning. In gedachten hoor ik Louis van Dijk: ‘Het is fluwelig, vettig… rijk. Het is barok… het is zoals-ie is.’

Ramses speelt, zingt zachtjes, woordeloos. Alle klanken krijgen de ruimte. De akkoorden vervullen het verlangen dat voelt als heimwee. Ik blijf verscholen, zonder diepe gedachten, en beleef de liefde van de man voor het klavier. Het is te mooi om te verstoren.