Zeven 
Lieve Ramses,
Wanneer dringt het toch eens tot je door, dat als je dan toch niet naar een psychiater of afkickinstelling wil, ik er ben om je een beetje te helpen als we optredens hebben. Misschien doe ik het niet goed, maar dat had je dan eens moeten zeggen. Ik dacht dat je me echt vertrouwde. Ik dacht dat je wist dat ik niets van je wil, dat je niets van me moet, dat ik niet op eigen voordeel uit ben, dat ik niet wil dat je anders bent dan je bent. Het enige wat ik wil is dat je niet als een arme zielige vaatdoek op het toneel staat.
Een brief van 31 mei 1979. Liesbeths handschrift. De andere kant van Ramses. Ik zie La List vanavond in Hoorn, Ramses is er ook. Ze samen zien, daar gaat het me om, en om bij hen te zijn. De Citroën spoort in de richting van de Zuiderzeestad. In mijn gedachten hoor ik Bram Vermeulen. ‘Alsmaar rechtdoor, over het spoor, links langs de dijk. Je rijdt dan zo Hoorn binnen, dan rechtsaf naar theater Het Park. Daar is het, heel gemakkelijk.’ Ik nam afscheid van hem en van Shireen, liet ze achter met de resten van een ‘onverwachte’ maaltijd. Op weg naar Noord-Holland was ik tegen etenstijd spontaan de polder in gereden. Ik was benieuwd hoe het hen verging, en of Shireen al de brieven van Ramses en Joop uit Rome had gekopieerd. Ik kon blijven eten, als ik zelf zou koken. De routebeschrijving klopt.
Een kwartier later parkeer ik mijn auto naast een van de vrachtwagens van het orkest van de Koninklijke Luchtmacht op de artiestenparkeerplaats en snel naar binnen. Voor de kassa staat een korte rij. Een aantrekkelijke blondine met open gezicht verwelkomt mijn begroeting met een glimlach. Ik vraag naar het kaartje voor La vie en rose dat Liesbeth List voor me klaar zou laten leggen. Ze wil dat ik deze show kom zien. Met een beetje fantasie zal ik Chantant erin kunnen herkennen. Over beide voorstellingen schijnt het licht van de jaren twintig. Dat is het idee.
‘Het is niet helemaal goed gegaan,’ zegt de blonde vrouw, haar ogen traag naar me opslaand, ‘net was er ook al iemand, die twee kaarten moest hebben. Ik schrijf je er gewoon bij.’ Mijn ogen volgen haar hand en ik lees in pennenschrift ‘Huijer tweemaal’. Ramses! Edith!
‘Zit ik bij hen?’
Ze knikt. Haar ogen fonkelen als maanlicht in water. Ze wenst me een fijne avond en drukt een kaartje in de palm van mijn hand. In de foyer wacht een menigte. Waar zouden ze zijn? Aan de andere kant van de ruimte zie ik hem lopen, enkele passen achter Edith. Ze komen van de toiletten. Edith draagt een grote boodschappentas, Ramses een zwart fluwelen jasje. Een lach breekt door. Een teken van herkenning. Hij heft zijn handen ten hemel en roept blij verrast: ‘Daar ben je!’ Omhelzing, zoenen. Zijn zoete aftershave. Nog even zitten in de hal. Ramses mag er niet roken. Drinken wel. Het is de tweede keer dat Ramses en Edith naar de show van Liesbeth gaan kijken. De vorige keer in Purmerend had hij erg genoten. Vanavond zouden ze weer even samen zijn.
Liesbeth vouwde een boek voor me open, met daarin foto's van Ramses en afdrukken van zijn schilderijen. Haar hand reisde bladzijde voor bladzijde terug in de tijd. Mijmerend zei ze: ‘Als je bij Ramses bent, vergeet je… Door zijn aanwezigheid vergeet je alle prietpraat of alle huis-, tuin- en keukenproblemen. Vooral als-ie nuchter is. Alsie dronken is, is-ie strontvervelend! Dan trok ik me terug.
Ik had een heel slecht huwelijk, zo noem ik het, met Cees Nooteboom. Ik hunkerde alleen maar naar die klok van drie uur, dat ik de deur uit kon naar Ramses, om hem te halen en te gaan naar welke schouwburg dan ook. Dat heeft mijn leven gered, omdat Ramses dus geen jaloezie kent, geen ego had dat vond dat het zo en zo moest gebeuren en niet anders. Ramses gaf je totale vrijheid, je kon je helemaal in feeststemming voelen. Iedere dag weer! En als wij met z'n tweeën op het toneel stonden, dan was het féést! Dan kwam hij op van rechts en ik van links, en dan stonden we achter het gordijn, in de coulissen al naar elkaar te zwaaien, kun je nagaan, dan kom je net van het eten, en uit de auto. We waren zo blij elkaar te zien. En die magie zogen we op van elkaar. En dát zag het publiek. Het was dus feest op het toneel. En wij konden dus echt blijdschap tonen en we vergaten dat het publiek daar zat. En dat sloeg over, ook het publiek werd helemaal meegezogen.’
Sierlijk pakte ze haar glas witte wijn, zette het tot aan haar lippen. Nog voordat ze een slok had genomen: ‘We zagen elkaar wat minder begin jaren zeventig… ik maakte andere lp's, Brel, de Mauthausenliederen van Theodorakis. Dat was na Shaffy Chantate… 1969 kan dat? Ramses deed toen Shaffy Verkeerd in het Shaffy-theater. Met trio Louis van Dijk, Anneke Grönloh, trio Thijs van Leer en nog anderen, weet ik niet meer.
In die tijd hadden Shaf en ik wel een geweldige hit met Pastorale… van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Ramses en Joop waren toen al een paar jaar uit elkaar en Ramses was met Ad, Ad Fernhout, die zat op de toneelschool in Maastricht. Heeft-ie ook nog een soort toneelvoorstelling mee gemaakt. Sunkist, dat was heel experimenteel. Werd niet wat.’ Ze glimlachte. Even een ander licht in haar ogen. ‘Hij heeft zelfs nog in De Jantjes gespeeld, een musical. Daarna een lp… Zonder bagage, die was prachtig. Heel goede teksten, minder liedjes zoals Oude Hein, en zo, maar eh… Zing-vecht-huil-bid-lachwerk en bewonder. We hadden ook nog een duet Aan de andere kant van de heuvels. Dit moet ongeveer 1970 zijn. Zoiets. Nog altijd droop het plezier ervan af. Hij deed ook niets aan politiek. Hebben we nooit gedaan. Wij waren geen damslapers en zo, we zijn nooit met stromingen meegegaan. Hooguit is Ramses met de drugsstroming meegegaan, maar gewoon aan de flowerpower, hippie en de bijtjes en zo hebben we niet meegedaan. Waarschijnlijk ook omdat Ramses buiten alle wetten staat en we alleen maar aan het feesten waren. Letterlijk, op het toneel en daarnaast.’
Slokje, adem, slok, glas terug op tafel. Zucht.
Ik keek haar aan, niet te lang natuurlijk. ‘Hij staat boven de wet, hoe bedoel je dat?’
‘Letterlijk. Belastingaanslagen werden meteen weggegooid, niet eens geopend. Er werd geen belasting betaald, dus weer failliet, of onder curatele. De tijd bestaat niet, dus nacht of dag gingen in elkaar over. Taboes bestaan niet voor hem. Hij is iemand die niet in regeltjes leeft of iemand anders aan regeltjes wil herinneren. Hij is anders dan wie dan ook in de hele wereld, dat is ieder mens, maar wij leven in regels. Een ander mooi verhaal is dat hij later in de commune zat en dat al het geld dat je verdient naar de commune moet gaan. Ramses had zijn geld in zijn sok, in zijn schoen. Hij had zoiets van: jullie kunnen me de pot op, ik wil mijn eigen drankje of weet ik veel wat kunnen kopen. Ook daar stond hij boven de wet, er zijn geen regels voor Ramses.’
Ze bladerde en schoof het boek naar me toe. Glanzende foto's, wit papier.
Mijn gedachten tolden. Ramses en geld. Ze hebben elkaar nooit echt begrepen. Tegenwoordig regelt een accountant alles. Alles komt nu op één zorgvuldig beheerde rekening. Ramses kan iedere dinsdag en donderdag zijn geld afhalen bij een loket in het Sarphatihuis.

Ramses als getuige op het tweede huwelijk van zijn pleegvader Herman Snellen, begin jaren zeventig.
‘In de jaren zestig kregen we nog gewoon cash geld na een optreden,’ zei Liesbeth, ‘ik zei tegen Shaffy: “Als jij nu gewoon je leefgeld meeneemt en de rest aan mij geeft en ik doe het in een doos, en als je geld nodig hebt, kom je naar mij en haal je geld.” En dat hebben we een jaar lang gedaan.’
‘Was dat geen betutteling voor hem?’
‘Nee, hij was het ermee eens, want hij verloor ook geld. Hij had het altijd los in zijn zak, en dan grabbelde hij wat en als er dan iets uit viel dan merkte hij dat niet eens… Het kon ook niet anders meer, deurwaarders liepen af en aan. Toen hij bij Joop weg was, gebeurde het volgens mij vaker… maar dat weet ik niet zeker. Er is heel veel misbruik van hem gemaakt.’
Haar lippen verstarden. Ze had gelijk. Ik had te veel verhalen gehoord van mensen, zogenaamde vrienden van hem, die op naam van Ramses hun bestelling deden in winkels. De rekening werd nooit betaald of de winkelier stuurde de factuur naar Ramses. Het resultaat bleef gelijk. Nul.
‘Hij vond het wel vervelend, die deurwaarders, maar gelukkig: zijn vleugel bleef staan. Hij heeft ook wel eens een deurwaarder gehad die hij gewoon versierd heeft en de man ging onverrichterzake de deur uit. Die man was toevallig mooi, Ramses had hem binnen gevraagd en er gebeurde iets moois tussen die twee… ja… die magie. De gróóte Ramses Shaffy! Hij was toen net zo aanbeden als de koningin bij wijze van spreken. Die kon trouwens heel goed met hem. Als wij de koningin zagen, dan ging Juliana meteen naar “meneer Shaffy”. Zo van: hoe gaat het met u? En gelukkig was Ramses dan niet dronken en dan stonden ze de hele tijd te praten, totdat dan Bernhard zei: “Kom, Mammie, we gaan maar weer eens naar het Gooise…”’
Sarphatihuis. Ramses had me verteld dat hij gék werd van die irritante deurwaarders. Hij had zelfs fantasie-naambordjes naast zijn deur. Geentje Gleilewiend, Bintje Woetekeet, zijn de bekendste. De een kleedster, de ander souffleuse. ‘Om de deurwaarders buiten te houden!’ zei hij, ‘deurwaarders, dat was een grote ramp. Die kwamen door schulden, ze werden ingehuurd.’ Shaffy keek alsof hij er echt niets van begreep. Ik zei dat hij toch wel redelijk verdiende als acteur en zanger. ‘Nou, zoveel was dat niet, hoor. Ik heb altijd geld gehad, en ook nooit geld gehad. De ene dag wel, de andere dag niet, begrijp je.’ ‘En de belastingdienst?’
‘Ik heb de vriendschap tussen mij en de belastingdienst nooit gekend zelfs. Ik heb er geen enkele reláátie mee! Ik heb helemaal nooit een belastingformulier ingevuld, ik opende de enveloppen niet eens. Dus, ik ging niet tot op de bodem van het probleem.’
Ergens bewonderenswaardig. Hij deed het gewoon. Heel begrijpelijk. Shaffy sprak verder: ‘Ik heb soms het gevoel dat er in deze wereld alléén maar over geld wordt gepraat. Ik heb er zelf dus weinig verstand van, maar iedereen praat erover. Het hoort bij dit land, ik erger me er niet meer aan. Nederlanders komen ook alleen maar los bij het happy hour! Ik vind geld lastig. Ik leef eigenlijk ook zonder besef van geld. Wat ik in mijn zak heb, heb ik nodig, dat geef ik uit. Ik weet ook niet wat ik verdien, maar ik heb geen behoefte aan meer.’
Liesbeth glom, en sprak als over de gewoonste zaak ter wereld: ‘Ramses betaalde nooit de rekeningen. Ook niet bij de slager om de hoek, Rodriquez. Dat liep dan op tot honderden guldens. Dan zorgde hij dat hij weer geld kreeg. Dat boekje Lielje schreef hij toch ook om de rekening van Rodriquez te betalen. Voorschot tweeduizend gulden, en dat kreeg Rodriquez dan. Was Shaffy weer even klaar. Ook bij Emi de Lange, aan het Koningsplein. Daar kochten wij altijd onze schoenen, maar Shaf betaalde nooit. En die heeft toen onder andere Ramses failliet laten verklaren. Sindsdien zijn we nooit meer gezamenlijk naar Emi gegaan.’
‘Maar Emi had toch ook wel een beetje een reden?’
‘Ja, maar, dan moet je gewoon zeggen: “Ramses krijgt geen schoenen meer van me.” Je gaat niet iemand die geen cent heeft… En het hele hofje in Amsterdam wist dat hij een onstuitbaar iemand was die geen idee heeft van geld. Als Ramses geld op zak had, dan ging het eruit. Weg! Je kent het beroemde verhaal dat-ie bij Sophie van Kleef in haar modewinkeltje kwam. Hij zag daar een meisje een heel mooie jurk passen. Ze stond te glanzen, het zat haar zo mooi. Maar ze hing het terug, 't was duidelijk te duur. Toen zei Ramses: “Ik zie aan je ogen dat je deze jurk heel mooi vindt. Hier gauw, neem 'm maar. Ik betaal wel.” Zo ging Ramses met zijn geld om. Als-ie doorgezakt was in het café en leuke mensen had ontmoet, dan riep hij om één uur 's nachts: “We hebben honger hè?” Dan nam hij iedereen mee naar restaurants, en dan betaalde hij. Hij stuurde dan de rekening naar Basart. Hij heeft al zijn rechten destijds verkocht aan Basart. Shaf had geld nodig, en heeft geen idee van de wereld. Dat zijn schandalige praktijken geweest… maar is dat niet rechtgetrokken? Is dat contract nog steeds geldig?’
‘Geen idéé.’
‘Maar zo'n man kun je toch niet failliet laten verklaren. Toch is het gebeurd, meerdere malen.’
‘Ik snap niet dat je als zakenman mensen zo wilt bedonderen. Wat is dan geweten?’
‘Och, ik ben ook stom geweest. Ik heb een handtekening gezet onder een contract van Universal, die wilden van mijn lp's cd's maken. Toen dacht ik: leuk, heerlijk! Totdat ik later bij Sony kwam en die vroegen me of ik een contract had getekend om mijn oude nummers op cd te zetten. “Heb je een handtekening gezet?” vroegen ze. “Je bent gek!” Hoezo? Nou, dat wil dus zeggen dat-ie cd's gaan volgens de contracten van vijfentwintig, dertig jaar geleden. En naar de jaren verstrijken is het bij een contract zo dat je steeds minder geld krijgt per verkochte plaat. Dus, mijn contract met Universal is dus peanuts waard. Ik krijg dus nul komma nul één cent per nummer. Op het moment dat er cd's gedrukt moesten worden, had ik een níéuw contract moeten tekenen. Want nu al die cd's die maar doorgaan… ja… daar verdien ik niets aan. Nou ja, we verdienen er heel veel aan, ha, ha… ze maken compilaties en we krijgen elk halfjaar toch iets van zesduizend gulden, moet je nagaan wat zíj verdienen…’
Ze lachtte erom. Dacht ik. Failliet verklaard worden. Hoe is dat? Stel je voor dat je huis afbrandt en je alles kwijt bent. Ergens moet het heerlijk zijn. Hé! Ramses zingt erover! Zonder Bagage, zo heet het nummer. Uit 1970. Na een paar maanden van stilte rondom Shaffy keerde hij terug aan het front met deze plaat. Ik zag Liesbeth zitten op de bank. Ze keek in de richting van de keuken. Rob was er aan het rommelen. Ik sneed alle geluiden af.
Ramses sprak: ‘Het is in Nederland een schande als je openlijk geen geld hebt. Daarom vind ik de Nederlandse politiek ook zo vervelend; ze houden zich zo bezig met prijsverhogingen en -verlagingen, altijd met geld. En daar word ik erg zenuwachtig van. Daarom ben ik tegen deze maatschappij ook nauwelijks opgewassen. Ik heb nooit 't genoegen mogen smaken om iets overeind te zetten, een huis, een gezin of een auto. Ik ben niet getrouwd, eigenlijk heb ik nog altijd de materiële problematiek van een jongen van achttien, maar ik ben al bijna veertig.’ Ramses begon te zingen. Kristal helder, ik sta bij hem aan de vleugel. Hij vertelde me direct naar de piano te zijn gelopen, toen de brief met de bekendmaking van zijn faillissement op de deurmat viel.
De wereld heeft mij failliet verklaard,
ik heb me nog nooit zo goed en licht gevoeld als nu,
ik heb me nog nooit zo schoon en bevrijd gevoeld als nu,
weg met de kroegen,
weg gezuip,
weg zijn de katers,
Dronken flaters,
Glazige morgens,
En hun zorgen; niet te betalen.
De wereld heeft mij failliet verklaard
Het is een verbazingwekkend lot, waar men mij mee stoorde
Een verbazingwekkend lot, van wat eens bij mij behoorde
Geen parasieten,
Geen gevlei,
Geen stroop meer
Geen gevrij,
Geen gelik meer,
't is voorbij, niets meer te halen.De wereld heeft mij failliet verklaard,
Het is een geschenk van God en niet van de maatschappij
Het is een geschenk van God en dit is wat hij zei: Je moet weer werken,
Je moet weer zingen,
Je moet weer lachen,
Je moet weer spelen,
Je moet weer geven,
En beleven,
Je moet weer stralen.
De weg is vrij,
De weg is open,
De weg is mateloos van mij
Zonder bagage
Kan ik weer lopen,
Want ik ben weer vogelvrij.De wereld heeft mij failliet verklaard
Ik ben ontstegen aan het groot krakeel,
Ik ben ontstegen aan het maffe oordeel,
Ik heb niets meer te verliezen,
Ik heb alleen
Te winnen,
Te beminnen
Te beginnen,
Ik ben niet meer
Te achterhalen…Ohoooh oohohooh
Ramses noemde dit lied een bevrijdingslied. ‘In eerste instantie is zo'n brief heel beschuldigend, je kunt er heel neerslachtig van worden. Dat ik er een bevrijdingslied van heb gemaakt heeft alles te maken met het plezier waarmee ik leef. Hollanders kunnen dat moeilijk begrijpen. Het heeft alleen maar met plezier te maken, en met het vertrouwen dat het wel goed komt, dat dwing je bijna af.’
Liesbeth was opgestaan. Ze liet me achter op de bank. Misschien was ik te lang stil. Ik keek de tuin in, daar was het keukentje van Joop weer. Nog altijd zaten we aan de tafel in de keuken. Olijfjes en witte wijn op tafel. Het huis van Joop is een huis dat graag ontvangt. Ook zijn stem klonk warm. Hij had meerdere faillissementen van Shaffy meegemaakt: ‘Ik weet nog dat ik thuis kwam, en alles lag op straat. Het werd per opbod verkocht. Ik kwam daar en Ramses was er niet. En we kochten het allemaal zelf weer terug. We hadden geen geld, maar dat hadden we weer geleend. Ik weet nog wel, die schilderijen voor één gulden. Wie biedt er meer dan één gulden. Ik riep nog dat ik het schande vond, één gulden voor een schilderij. Dus ik bood meer, terwijl ik het zelf wilde kopen! Ik had er een soort party gemaakt met sherry. Ik moest een keer alles terugkopen voor vierhonderd gulden. En dat betaalde ik en dan mocht het blijven. Dat geld leende ik dan weer van Kitty Courbois en van alle mensen die zogenaamd de schilderijen kochten… ja… Dat is verschillende keren gebeurd… in de jaren zestig, zeventig… ja…
De eerste keer lag alles al buiten, kwam ik thuis, dacht ik: wat is er gebeurd? Is er brand? Het hele huis ontruimd. Maar toen was Ramses er wel en die heeft toen Guus Oster opgebeld, van de Nederlandse Comedie. En Oster zei: “Oké, ik betaal dat geld.” Toen ging het om duizend gulden, dat is nu zoiets als tienduizend euro.’
Joop keek me aan als een sereen water. Onder de stilte stormde het. ‘Die onzin-vrienden kostten hem ook veel geld, die profiteurs die hij altijd om zich heen heeft gehad, die hem maar vol bleven gooien… Gelukkig, later is het beter geregeld. Dankzij Hélène Herschel, zijn manager begin jaren zeventig, is het allemaal wat gecontroleerder gegaan. Ramses werd onder curatele geplaatst. Dat is nu nog zo, volgens mij. Hij zegt dat hij het zelf graag wilde, maar dat weet ik niet. Toen vader Snellen is overleden en hij die erfenis kreeg, een paar jaar geleden, heeft Aya het wel zo geregeld dat hij niet zomaar van alles met dat geld kon doen. Dat-ie het niet allemaal kon opmaken met allemaal van die onzin-vrienden, die profiteurs. Dat hij het niet zo kon weggooien aan niks.’
Ik zat alleen in de kamer van Liesbeth en Rob. Hun stemmen klonken vanuit de keuken. Ik keek naar het glas wijn op tafel. Halfvol met een filmpje lippenstift. Door het gedoe met deurwaarders en incassobureaus kwam ook de begeleidingsband shaffiaans tot stand. Roy Henninger, Ais Lawalata, Dick Visser en Carel Prins hebben Ramses, en soms ook Liesbeth, meer dan acht jaar begeleid. Van 1973 tot begin tachtiger jaren.
De geboorte van De Shaffy's was ‘wonderlijk’. Op het arbeidsbureau in Ede ging de telefoon. Roy Henninger nam op, toevallig, want het was niet zijn telefoon die rinkelde. Een zekere Peter Walraven zocht een bassist, gitarist en een pianist. Zelf zou hij drummer zijn. Dat leek hem spannend. En het moest allemaal heel snel, want er moest een kerst-lp worden opgenomen, hij had plannen voor een kerstshow bij circus Toni Boltini en er was een idee voor een vestzaktheaterprogramma. En dat allemaal in december. Hij had de arbeidsbureaus in Amsterdam, Utrecht en Deventer al gebeld. Laatste strohalm was het kantoor in zijn eigen woonomgeving. Roy hoorde het verhaal aan.
Walraven had een klein incassobureautje en was zojuist bij Ramses Shaffy geweest in een poging een openstaande rekening verzilverd te krijgen. Hij trof de zanger thuis aan in een complete chaos. Met veel bombarie had Shaffy hem ontvangen, hij had hele verhalen over optredens, shows die hij wilde maken, en dat er dan binnen de kortste keren weer geld genoeg zou zijn. Peter was diep onder de indruk van Ramses. Hij liet zich inpakken door zijn toverspreuken en voorspellingen. Shaffy lulde hem helemaal om, en vroeg of hij zijn manager wilde worden. Walraven ging steeds meer mee in de fantasieën van Shaffy. Hij zag zichzelf al naast Ramses staan. De droom werd hem voorgehouden als een vette worst. In plaats van geld te innen zei Peter tegen Ramses: ‘Zorg dat je weer gaat optreden, dan komt er geld om de rekeningen te betalen. Ik word je manager en ga een band regelen die je gaat begeleiden.’
Roy en Peter raakten aan de praat over de telefoon. Uit dat gesprek maakte Peter op dat Roy zelf ook speelde. Er ging hem een lichtje branden. ‘Kun jij dan niet voor me gitaar spelen, en die vrienden van je, die maken ook muziek?’
‘Ja,’ had Roy gezegd, ‘maar we zijn semi-profs, we spelen eigenlijk vooral op feesten.’ Peter dacht beet te hebben: ‘Kom met de jongens naar me toe!’ Zo ging het.
Het was in de tuin. Drie van de vier Shaffy's zaten om me heen. ‘En verder?’ vroeg ik.
Roy grinnikte: ‘Ik vertelde de jongens van het idee van Walraven, over of we op wilden treden met een zekere Ramses Shaffy. Ik kende Shaffy helemaal niet. De eerste die zei dat we het moesten doen was Carel. Die zei: “Dat is een heel bekende artiest, acteur, Shaffy Chantant!” Ik vertelde het thuis aan mijn vrouw. Ze zei dat Shaffy een fantastische man was, waar ze altijd graag naar keek en luisterde. We maakten een afspraak met Peter. Karel zag het al helemaal zitten, die liet zich ook een beetje inpakken door Peter. De duizenden dollars vlogen al over tafel, want tournees in de States dat was het volgende! We maakten een nieuwe afspraak, nu zou Ramses ook komen. Ergens in een zaaltje op een sportcomplex in Wageningen. Ik moest helemaal uit Breda komen en was wat laat. Ik kwam binnen, en ik zag daar het gezelschap. De jongens wat onwennig. Staat er ineens een lange rijzige figuur op. ‘Aha, dus jij bent degene op wie wij wachten,’ zei hij. Er stonden twee drumstellen, ik begreep er niets van. En er stond een saxofoon. Ik zag Peter heel zenuwachtig naar het drumstel lopen, dan deed hij weer iets, liep hij naar de saxofoon… zette haar weer terug in het rek.
En toen begon het gesprek. Peter had het over hele theatershows, omdat, zo bleek achteraf, hij dacht dat hij mee kon drummen. Hij had hele verhalen over een show dat Ramses achter uit de zaal opkwam. We waren allemaal diep onder de indruk. We hadden allemaal één bandje thuis gekregen met daarop alleen Sammy. Het was voor ons heel onwennige muziek. Heel bewust hebben we naar dat nummer zitten luisteren, om die akkoorden eruit te halen. Er was geen bladmuziek, we hadden alleen een bandje. Ramses had niets. Afijn, ik vond het een leuk thema, leuk nummer. We hadden er wel onze eigen aanpak voor, het was een soort zesachtstemaat, maar dan jazzie. Ramses hoorde het ons spelen en vond het prachtig. “Ja,” riep hij, “dit is precies… precies… PARIJS!”’
Roy hikte van de lach, Ais en Dick gniffelden, alsof ik opnieuw heel wat had gemist. ‘Dick, die zat te drummen,’ vervolgde Roy, ‘en een zesachtstemaat is best lastig. Maar die Peter, die zat maar een beetje mee te rammelen… tjonge, jonge, maar het ging goed. De volgende keer dat we afspraken, kenden we wel al acht nummers. Ramses vond alles best. “Zoek het maar uit,” zei hij, “doe er maar iets mee, wat je lekker vindt.” Zo ging het met alle nummers, wij kregen ruwe cassettebandjes, waarop Ramses iets zong. Hij vertelde dat het ongeveer zo moest klinken. Wij pasten onze eigen sound in. In We zullen doorgaan zit voor een deel ons arrangement.’
Het moet voor hen een bizarre tijd zijn geweest. Vier jongens uit de omgeving van Barneveld ineens op tournee met de onberekenbaarste artiest van ons land. De show bij Boltini ging door, en in Wageningen werd een klein theaterprogrammaatje gemaakt. De lp liet op zich wachten. ‘Bij Boltini was heel maf. Dat was op de eerste autoloze zondag, 1973. Wij hadden speciale toestemming om te rijden. De hele A12 was van ons. Plank gas, dan weer stoppen, uitstappen midden op de weg. Heel maf. Bij Boltini in Amterdam hebben we toen drie nummers gespeeld, waaronder Pastorale. Die moest ik ook fluiten. De mensen vonden het geweldig om Ramses weer te zien, dat hij weer muziek ging maken. Hij had daarvoor echt in de goot gelegen, niemand geloofde meer in hem. Hij was ziek geweest van de alcohol.’
Ik zocht, plakboeken, knipsels, in mijn herinnering. Rondom Ramses was het een tijdlang stil geweest begin jaren zeventig. Mensen om hem heen spraken van een crisis. Hij produceerde niets meer en werd alleen nog gesignaleerd in het nachtleven. Zijn stem schalde alleen nog in cafés. Vreugdekreten, gelal, bestellingen voor iedereen die om hem heen hing. Shaffy was de spil van de nacht. Soms was hij dagen spoorloos, wist niemand waar hij was. Hij zelf vaak ook niet meer achteraf. Drugs en alcohol hadden de artiest uitgedreven en wonnen meer en meer terrein. Nachten en dagen doolde hij over straat, kroeg in, kroeg uit. Alleen werken kon hem redden. Over zichzelf zei hij toen: ‘Ik leef met één oog naar God, met het ander naar de duivel. Heel mijn leven loop ik op het randje van het trottoir. Als ik een alcoholische bui heb, dan is het meer dan een avondje doorzakken, dat kan zo weken duren. En zo'n kater… om daarvan bij te komen heb je tijd nodig, dan trek ik me terug, als een zieke kat, dan duik ik onder.’
Nu, in het Sarphatihuis zegt hij dat het meeviel. ‘Het is altijd goed gegaan.’
‘Wat weet je nog van die tijd?’
‘Ik weet er niets van.’
‘Weet je het niet of wil je het me niet vertellen?’
‘Ik weet het niet.’
‘Je wilt het me niet vertellen?’
‘Ja.’
Later zei hij: ‘Crisis? Viel erg mee, in dit land kunnen ze geen plezier maken.’
Ja. Zo kun je het ook zien.
Roy kuchte, spoelde zijn mond met frisdrank en vertelde verder: ‘We gingen een programma maken voor in De Brakke Grond. We repeteerden in een kelder bij Pon, van de Volkswagens. Carel had het eigenlijk wel een beetje gehad, toen Ramses weer dronken aan kwam en niet in staat was te werken. Het contact werd zelfs even verbroken.’
Dick Visser vulde aan: ‘Die man was wel altijd stomdronken. En als je ging repeteren vond hij dat weer niet goed, of dat was slecht. Soms hadden we echt zoiets van: wat moeten we hiermee? Het heeft helemaal geen zin om hier te zitten. Je repeteerde niet, je kon niets doen. Maar als hij nuchter was, dan ging het top, dan zag je zijn talent en kregen de nummers echt vorm.’
‘Via Ineke Cohen is het contact later hersteld,’ zei Roy. ‘Toen had Ramses echt zoiets over zich dat hij iets goed wilde maken. Dat is de eerste avond Brakke Grond geweest. Hij deed met Ineke Cohen wat teksten en wij speelden nummers. Dat was het programma Ramsessie, of Ramses in de Nes, zo heette dat. Met opperstalmeester Lou van Paridon, die kondigde aan. Hoed op. Billentikker aan. Hij kondigde echt aan als bij een circus. De entree was vaak een liedje van Ramses aan de piano, dan deed Ineke een gedicht, dan samen iets, en dan kwamen wij met een paar nummers en dan werd er afgesloten met een tour de chant, zo'n tien nummers achter elkaar. Dan klaar. En daarna, na de pauze ging het verder in het Engels, Ramsession. Of een programmaatje met Boy Edgar en Johnny Engels. Dan werd er lekker gejamd. Deden we allemaal aan mee, dat was heerlijk, dan ontstond er iets, een andere wereld.’
Mensen vertelden me dat de uitstraling van de verloren zoon nog altijd zaalvullend was. Overdonderend. Te laat komen of dronken zijn was vergeven op het moment dat hij opkwam, in zijn witte pak, met zijn lange ongetemde haren. Het publiek verwachte zelfs dat Shaffy te laat zou zijn, het hoorde haast bij de act. Het optreden in de Brakke Grond was ook een hereniging tussen Liesbeth en Ramses. Zij hadden elkaar een tijdje niet gezien. Liesbeth had allerlei andere dingen gedaan en ze zat op de eerste avond in het publiek. De Shaffy's gingen mee op de theatertour van ‘tien jaar Ramses en Liesbeth’. Allerlei nieuwe nummers werden ingestudeerd, Dimitri Frenkel Frank regiseerde een latere tournee, Paso Doble. Het publiek ging uit z'n dak zodra de oude nummers werden gezongen. Dan werd het succes van weleer onieuw gevierd.
Ramses kreeg weer wat regelmaat in zijn leven. Hij moest optreden en daarmee was hij heel gelukkig. Het ging ook weer wat beter met hem. Zijn ogen stonden niet meer wild en vreemd in zijn hoofd, zijn huid had kleur. ‘Ik rijd tegenwoordig veel paard, en ik ben veel op de woonboot, die ik van Thijs van Leer ter beschikking heb gekregen. Ik leef dichter bij de natuur dan ooit, en ik ben keihard aan het werk. Alles in mijn ziel is nu werk, werk, werk,’ zei Ramses in die tijd, ‘ik schrijf weer een hoop nieuwe liedjes en Liesbeth heeft weer tijd om in Nederland mee te werken. Dat is geweldig.’
Over de Shaffy's zegt Ramses: ‘De Shaffy's is een heerlijke groep, ik voel me zalig tussen die jongens. Trouwens die manager Peter Walraven is er met alle poen die ik verdiend heb vandoor. Hij heeft er een bloemenstal van gekocht op het station.’
Een zachte elektronische gong maant de theaterbezoekers de zaal in te gaan. Onlesbaar leegt hij het wijnglas. Naast hem ga ik de zaal in. Ramses kijkt om zich heen. Inspecteert-ie de zaal, zoekt hij aanknopingspunten, herkenning? Rij acht, stoel vier, drie en twee. Edith, Shaffy en ik. ‘Woepedie!’ slaakt hij als hij gaat zitten: ‘We waren hier ook met de Gijsbrecht… veel geweest hier, hoor.’
Boven het podium hangt een modern beeldscherm waarop een elegante damesvoet op een rode pump is afgebeeld. ‘Dat is een mooie voet… die is niet van Liesbeth, die heeft ook mooie voeten.’ Het orkest komt op, neemt plaats. De dirigent groet het publiek en stapt op de verhoging. ‘O ja, dat is die dirigent met het kontje…’ zegt Ramses tegen Edith. Ik hoor een zacht gegniffel. Liesbeth betreedt het toneel. Applaus. ‘Daar is ze!’ Ze is een magneet. Ramses laat haar niet meer los. Iedere beweging leeft hij mee. Hij strekt zijn hals om Liesbeth beter te kunnen zien.
Ik voel heimwee, naar een tijd die me voor was. Ramses zien zingen! Met Liesbeth. Mijn gedachten verlaten de show en keren terug naar dezelfde plek, in andere tijden. Ramses staat er, fier, krachtig. Iedere noot, iedere toon is zijn leven. Hij geeft, danst, speelt, klinkt. Ik zie hem voor me, jonge god. Armen uitgestrekt naar het uitgelaten publiek.
't Liefst zou hij iedereen omhelzen. Wat zingen ze? De Cantate? Natuurlijk de Cantate. Alfabed? Heintje, Marije, Sammy, maar ook van later, de grote hits uit de jaren zeventig. Zing-vecht-huil-bid-lach-werk en bewonder en We zullen doorgaan! Dat laatste nummer werd ooit nog door André van Duin geparodieerd, aanvankelijk tot ongenoegen van Ramses. Hij hield van het lied, het had een enorme spirituele lading voor hem. Zoals hij nooit kwaad sprak over anderen, zo spotte je ook niet met andermans creaties.

1981. Ramses, Liesbeth en de Shaffy's (v.l.n.r.: Ais Lawalata, Carel Prins, Roy Henninger en Dick Visser).
Ademloos kijk ik naar de oude man naast me, ik doorzoek de lijnen op zijn handen, de sporen op zijn gezicht. Dan is het alsof hij opzij kijkt, even naar me lacht en me zeggen wil dat alles goed komt, dat het goed is. Maar hij kijkt onafgebroken naar de vrouw op het podium. ‘Heb me lief! Heb me lief!’ zingt Liesbeth. Kijkt ze naar ons? Weet ze dat we hier zitten? Dat hij hier zit?
Het doek gaat dicht, de lampen doven. Het is pauze.
Ik ga hem voor naar de uitgang van de zaal. Bij de trap aarzelt hij even. Zijn hand vindt steun aan de mijne. ‘Dank je,’ zegt hij zacht. Edith grist een stoel uit de foyer en creëert een legale rookruimte bij een nooduitgang. Tenminste, er staat een asbak. Ze plant Shaf voor de grote glazen deuren en verdwijnt in de menigte voor twee glazen wijn en een cola. Ramses steekt een sigaret op. Daar zit hij, alleen, starend naar buiten. De kopjes op het IJsselmeer. Samen een Hollands landschap. Heel even kijkt hij naar me: ‘Het is weer een bijzondere avond. Ik ben blij dat je er bent. Dat maakt dit volledig. Ik ben zo blij voor je dat je voor dit boek allemaal leuke mensen ontmoet, vrienden van me…’
Ik knik: ‘Ja, ik ben erg dankbaar.’
‘Dat is een mooie instelling, dé instelling. Dan komt de rest vanzelf…’ Hij lacht en rookt.
Edith komt binnen. Ramses ontvangt de wijn en vervolgt in een zwijgen.
‘Liesbeth straalt,’ mompel ik na een tijdje.
‘Ja… het publiek is mét haar. Dat voel je. En als het publiek mét je is, dan ben jij mét het publiek. Dan pas kun je ook geven. Je moet kunnen ontvangen, om te kunnen geven. We hebben ook wel eens publiek gehad dat niet wilde, dat vastzat. Dat zijn rampavonden.’ ‘Hoe is het om haar daar te zien staan?’
‘Ik ben ontzettend blij voor haar dat ze er staat. Ik houd zoveel van haar, dat het me blij maakt haar te zien stralen, zoals je zei. Dat is ook een cadeau, hoor. We hebben zoveel meegemaakt…’ De gong gaat, hij dooft zijn tweede sigaret.
‘Wat heb je een mooi jasje aan, blijft ook zo mooi…’ zeg ik vlak voordat de voorstelling wordt hervat. ‘Jaha… ik heb het ook bijna nooit aan!’ Nieuwsgierig draait hij zijn ogen naar het toneel. Liesbeth komt op. Ze zingt Marquerite, een ontroerend lied. Ramses volgt haar bewegingen en voor de eerste keer die avond applaudisseert hij krachtig. De hele avond blijft hij bij haar. De andere zangers en zangeressen vullen de zaal met hun stemmen, ze dansen en bewegen over het podium. Soms laat hij haar los om te kijken naar de knappe Amerikaan, maar hij keert altijd terug bij de vrouw met wie het voor hem begon, die hem altijd steunde in zijn gevecht met de alcohol. Samen hebben ze gevierd en geleden.
Naast me barst een enorme hoestbui los. Ramses brengt zijn hand voor zijn mond. Edith buigt zich naar de boodschappentas. Glimlachend reikt ze hem een dropje aan. Ik knipoog naar haar. Shaffy's hoest bedaart.
Tevreden kijkt hij me aan, even maar. Zijn hand rust op mijn knie, een paar seconden. Hij wrijft en laat los. In het moment dat ik voel hoe zijn been tegen het mijne schurkt, vervagen grenzen van de tijd. Ik zit in een klein bootje. Ramses zit achterop, houdt het roer. Hij is bruin van de zon, zijn witte blouse is open tot zijn navel, zijn gezicht open tot op zijn ziel. Aan zijn voeten ligt een fles wodka. Om de beurt nemen we een slok. We varen over een gracht. Aan weerszijden hoge huizen, terrassen vol drinkers, we varen door geuren van vers gebraden vlees. Het is avond en we zijn onbereikbaar. Ramses rookt een jointje, ik drink.
‘Ik leef niet bepaald zoals een artiest behoort te leven. Ik doe alles wat zogenaamd verboden is. Alles waardoor mijn fysieke gesteldheid naar de sodemieter zou kunnen gaan! Ik voel me meestal nog het meest ontspannen als ik een ontbijt heb genomen met koffie en een vieux, en nog een vieux, en nog een vieux en dan een sherry. Dan absorbeer ik de mensen meer dan dat ik op ze afvuur. Voor die tijd ben ik te zenuwachtig. Ik voel me op mijn gemak als ik intoxicated ben. Dan heb ik het gevoel dat ik de wereld kan inademen. Dat gaat dan ook heel ver.’
Ik sluit mijn ogen, dobber voort op het gepruttel van het koffiemolentje achter ons bootje. Ramses houdt de verzwaarde rook van zijn ‘sigaretje’ zo lang mogelijk in zijn longen. Gelukzalig ademt hij uit. ‘Ik heb de wereld fiks ontmoet, hoor. En dat gaat nog steeds door. Hoewel ik er nu wat centjes betreft wat beter voor kom te staan, ja, wil je ook een pufje?’
Het is een heerlijke zomeravond. Ramses is net terug van een vakantie uit Frankrijk. Hij was alléén op reis gegaan en alléén thuisgekomen. De reis had nogal wat haken en ogen, vertelde hij. De Franse Pyreneeën waren het met hem oneens geweest. Shaffy viel in een ravijn, werd opgevangen door een boom en hij besloot naar St. Tropez te gaan. Ook daar werd hij niet begrepen. Keer op keer werd hij uit hotels gegooid, omdat zijn idee van gastvrijheid niet strookte met dat van de hotelbazen. Nadat hij zijn bagage aan terugkerende Hollanders had meegegeven, ging hij op de bonnefooi te voet door Frankrijk.
‘Zonder vrijheid is er niets mogelijk, maar vrijheid krijgt pas vorm via een bepaalde gebondenheid waar je voor kiest. Daarom zijn er ook afspraken waar je je wél aan houden moet.’ Het is een diepe, ik houd mijn ogen gesloten en denk na. Ik luister naar het water dat klotst tegen het neusje van de boot. Ik ben alleen oren.
‘Ik vind het ook zo vervelend om voortdurend rekening te moeten houden met de klok, maar een van de dingen waarom het nu zo goed met me gaat, is dat ik me omringd voel door heerlijke mensen die alles voor me organiseren. Zoals Hélène. Dat moet ook wel, want ik kan helemaal niet plannen. Daarvoor is mijn verantwoordelijkheidsgevoel te onderontwikkeld… zo zit het… slokje?’ Ik strek mijn arm, de fles gaat van zijn mond naar de mijne. Hij kijkt me ondeugend aan. Hij stuurt het bootje onder een brug door de vallende avond in. Misschien gaan we wel nergens heen.
‘Het is een lief bootje,’ mompel ik.
‘Jazeker, het is een heel lief bootje, als ik een biertje of een wijntje wil drinken of een keertje wil eten, dan pak ik mijn bootje en vaar ik door de grachten. Iedereen die langs de kant staat, kan wat mij betreft in de boot stappen. Mijn boot is eigenlijk voor iedereen.’ Ik knik, trek me wat overeind aan de rand en kijk naar de stad vanaf het water. Prachtige mensen, liefdesparen, chique dames en heren, ook junks, een oude man met zijn been gewikkeld in vuile doeken. Ramses zingt zacht. Ineens zegt hij: ‘Ik ben een soort troubadour, ik trek rond en zing liedjes. Ik laat het me allemaal gewoon overkomen. En dat is het eieren eten van alles. Ik ben een heel slechte plannenmaker. Liesbeth regelt vrijwel alles. Zij beslist eigenlijk wat er wel en niet gebeurt.’
We varen een groter water op en maken een flauwe bocht. Ik val achterover in een diepe droom, een verhaal dat ik ooit las in een krant. Ramses en Liesbeth waren in Berlijn. Liesbeth lag in bad, na een drukke dag. De telefoon ging. Geïrriteerd sloeg ze een handdoek om zich heen en drentelde naar de telefoon. Natte voetjes op het tapijt tekenden haar pad. Een Duitse stem klonk: ‘Frau List, Sie müssen sofort nach Eindhoven kommen.’ Er kwam een heel verhaal over dat ze een afspraak voor een plaatopname had vergeten. Liesbeth schudde haar hoofd, ontkende de afspraak, maar begon toch te twijfelen. De Duitser aan de telefoon zei: ‘Ja, ja… sofort kommen und dan müssen Sie hier auftreten in ihrem bloten Koent…’ Pas toen herkende ze Ramses.
Ik drink en laat een paar centimeter voor hem over. Hij lacht naar me, zoals hij dat meer dan vijfentwintig jaar later als bejaarde heer ook naar me zou doen. Dezelfde lampjes in zijn ogen. ‘Amsterdam vertrouwt mij en ik vertrouw Amsterdam. Ik ben inmiddels deel van het stadsbeeld, hi, hi… maar in mijn hart ben ik ook altijd Leids gebleven. Ik wilde eerst ook graag naar het buitenland, maar mijn karma is dat ik het moet maken in Nederland, en daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben net Nederlander geworden, eindelijk een paspoort. Ik had altijd zo'n paspoort voor statelozen, maar nu hoor ik erbij, ik hoor erbij!’ Voor me zit een blij kind, het bestuurt ons bootje.
Om aan een paspoort te komen moest hij een proef van taalvaardigheid afleggen. Ramses kwam getooid met een hoed, in een lange jas naar het gemeentekantoor. Haalde er zijn kleine trekharmonica te voorschijn en begon onverstaanbare Russische liedjes te zingen. ‘Albanees,’ zou Louis van Dijk zeggen. De ambtenaren stond het schaamrood op de kaken. We varen. Ik heb mijn zomerjasje aangetrokken. Ramses stuurt. We gaan steeds harder. Alles ligt open. Dan zet hij de motor uit. We staan samen in de schijn van stilte. Alle geluiden klinken anders hier, en de stad is als duizenden kaarsjes.
Ramses houdt mijn hand vast, en kijkt naar het toneel. Alle artiesten samen vormen de finale. Na het vallen van het doek, laat hij mijn hand los en gaat hij staan. Hij is één met de applaudiserenden. Het doek heropent, Liesbeth zingt Brel als toegift. Laat me niet alléén. Shaf lijkt onbewogen, alsof niet alles tot hem doordringt. Ik weet van Edith dat hij het prachtig vindt.
Liesbeth verdwijnt in de coulissen. Ze komt zo wel naar ons toe. Ik leun tegen een muurtje en keer terug naar het gesprek dat ik met haar had op de bank. Ze had een brief geschreven. Naar de aanleiding daarvoor had ik nog niet gevraagd. Hoe dan ook, de ‘donkere kant’ van Ramses moet ik onder ogen zien. Het is niet alléén maar leuk en feest geweest, dat bestaat niet. Al doet Shaffy het wel graag zo overkomen. Liesbeth wachtte totdat mijn gedachten waren aangesloten. Ze had nog meer foto's meegebracht. Ze toonde me een zwart-wit van Liesbeth met Ramses, zittend. Zij staat achter hem. Foto van 10 jaar samen. Ramses met opgemaakte ogen. ‘Moet je die foto zien… hij had er de pest in dat hij moest gaan poseren, want hij wilde drinken… maar zóó mooi, mannen, vrouwen, hier kun je niet onderuit. Dit is een schoonheid.’
‘Heel androgyn, eigenlijk…’
‘Ja.’
‘Het is bij hem ook helemaal niet vreemd, dat je hem aanraakt of zoent…’
‘Ja, en ik denk ook niet meteen aan seks als ik iemand zo prachtig vind.’
‘Hij wel, denk ik.’
‘Ja, hij wel… ha, ha…’
‘De laatste tijd zéker!’
‘Ha, ha… ja, ik denk gewoon dat hij zich de laatste tijd erg goed voelt… En dat hij een besluit heeft genomen. Hij rebelleerde tot voor kort, want hij moest en zou uit het Sarphati! En ik denk dat hij nu besloten heeft… hij is bevrijd van zichzelf door te denken: ik kan niet meer voor mezelf zorgen. Dat is tot hem doorgedrongen, denk ik. Of heeft hij het nog steeds over dat luchtbed? Dat hij naar huis wil? Als hij daarover begint, moet je er gewoon overheen praten of een ander onderwerp aansnijden. Hij kan er niet weg, hij kan niet meer voor zichzelf zorgen… helaas.’ Ze was even fel. Ik blanco.

Halverwege de jaren zeventig. Ramses en Liesbeth 10 jaar samen.
‘Hij heeft ook nog wel geacteerd in die tijd, hoor. We speelden in een rare film waarin ik een getrouwde vrouw was en hij als vreemdeling verliefd op me werd. Met Gregor Frenkel Frank, De Liefdeswacht. Ook heeft hij nog een paar toneelstukken gedaan, ook op televisie. Dat is hij altijd blijven doen. Hij is altijd ook acteur gebleven, maar de muziek maakte hem bekend bij het grote publiek in die tijd, zijn hits. Heel bijzonder was wel dat tv-programma met Bob Rooijens. Heel erg jaren zeventig, of was het al 1980? Met allerlei vreemde effecten. Ramses en ik zongen liedjes, vertelden kleine verhaaltjes over ons leven. Het was prachtig, met een heel psychedelisch decor, een soort vreemd ballet… het is nog ingezonden naar Montreux, daar werden we tweede, geloof ik.’
Twee foto's verder, vertedering in haar ogen.
‘Wat ik van hem heb geleerd, is het totaal vrij denken. Het leven léven, en vooral niet zeuren. Gewoon nú leven. Wat maak je je zorgen of je volgend jaar nog werk hebt, dat heb ik dus ook niet meer gedaan. Als we in juni ophielden, wisten we niet wat er in september zou gebeuren. We keken wel, we zagen wel. Dat heb ik geleerd, en dat is een grote rijkdom.’
‘De wereld heeft mij failliet verklaard…’
‘Hij is zo váák failliet verklaard, wegens wanbetaling. Werd zijn huis weer leeggehaald, moest Joop weer alles terugkopen… Je kent het. Voor hem betekende het een bevrijding. Ik ben dus niet zoals Ramses, hè. Ik hecht wél aan mooie dingen in huis en schoon en keurig. Alles moet op z'n plek. Begrijp je? Armoede is voor mij het ergste wat er is.’