Image Vijf Image

‘Mijn zoon is vernoemd naar een lied van hem,’ zegt de vrouw naast me, ‘Aram.’ Ze draagt mooie kleren, heeft heldere ogen en komt uit Zwolle. We staan voor Carré en wachten. De Amstel lacht ons toe. Ze draagt een tasje. ‘Daarin zitten mijn plakboeken.’ Mijn wenkbrauwen rijzen. ‘Ik wilde ze vandaag bij me hebben,’ lacht ze. Ze strekt haar hals en kijkt langs de oever. ‘Ik wil hem zo graag een hand geven. Gewoon een hand geven… meer niet,’ vervolgt ze, ‘ik heb zo veel voorstellingen van hem gezien… mijn vriendinnen begrepen me nooit, maar er is voor mij maar één.’

‘Ja.’

Om ons heen staan tientallen mensen. Honderden zijn het theater al binnengegaan. De sfeer is uitgelaten, maar ook wat gespannen. Alsof we op de intocht van Sinterklaas staan te wachten. Mijn horloge liegt niet. Over een paar minuten is hij hier, Ramses Shaffy.

Een jaren-vijftig-Amerikaan rijdt de kade op. Een soort Pontiac. Het chroom schittert. Ik herken het silhouet van Ramses. Hij zit rechts voorin. De vrouw met de plakboeken stapt naar voren, maar laat zich naar de zijkant werken door brede ruggen die geen oog hebben voor haar bewondering. Ramses en Edith stappen uit en blijven even stilstaan voor de hal van Carré. Shaffy weet hoe het hoort. Hij zwaait en groet. Kom op! Stap op hem af! Geef hem die hand! Ramses neemt Edith bij haar arm en leidt haar de theatertempel binnen. De vrouw met de plakboeken is veranderd in een jong meisje dat haar idool niet kan benaderen. Verstijfd als de verlegen lach op haar gezicht blijft ze staan. Ramses en Edith zijn binnengegaan. Zij hebben de vrouw naast me nooit gezien. Ik leg mijn hand even op haar schouder. Ze zegt: ‘Hij heeft nog steeds die mooie ogen…’

Ik volg de mensenstroom. Kaarten in mijn hand. Ineens ben ik ‘de schrijver van het boek over Ramses’ en krijg ik een goede plaats aan de arena. Carré puilt uit. Het lijkt wel of iedereen erbij wil zijn, bij het Gala ter ere van – zoals Liesbeth List hem later zal noemen – het grootste nog levende Nederlands kunstbezit. Ik zie vooral grijze hoofden. Waren zij er destijds al bij? Toen het begon met Shaffy Chantant? Hebben zij gezien, ervaren, hoe de jonge Ramses Amsterdam een ander leven inblies? Ik ga zitten op mijn stoel en zucht. Te laat geboren voor Chantant. Net op tijd voor vanmiddag. Iedereen zit. Ook Mary Dresselhuys. Zij kwam aan de arm van Jeroen Krabbé. En Joop zit verderop. Wie is toch… ik herken haar gezicht? Laat maar. Kitty Courbois, Sigrid Koetse.

Dan zwaaien twee deuren open. Alle ogen draaien, iedereen staat op. Een luid applaus! Daar is-ie! Ramses treedt binnen. Hij gaat Edith een paar centimeter voor over het rode trappetje en zwaait naar alle mensen die voor hem gekomen zijn. Ik ril, lach, roep en ik hoop dat hij beseft wat hem nu overkomt. Later merk ik dat ook bij mij tranen over de wangen rollen. Om… ja… Deze man hoeft alleen maar binnen te komen. Te zwaaien, te lachen en te blijven staan in het licht. En het is al genoeg voor een staande ovatie van tien minuten. Carré siddert.

Ik zie hoe hij een stoel krijgt naast Mary Dresselhuys. Een van de radio bekende stem klinkt: ‘Dit is het Radio Twee gala van het Nederlandse lied met een muzikaal hommage aan Ramses Shaffy!’ Herman van Veen komt op, legt een viool op zijn schouder en tovert er Jiddische klanken uit en zingt: ‘Rrramses Shaffy! Rrramses Shaffy! Geeft niet om de dingen! Daarom gaan we voor jou zingen!’ Opnieuw strijkt hij een weemoedig geluid uit zijn viool. Hij zingt ‘Sammy loop niet zo gebogen…’ Ik luister. Frank Boeijen vertolkt Ik drink. Ik blader in het programmaboekje. Liesbeth List zingt straks ook. Zij deelt een leven met Ramses.

Ik zat bij Liesbeth op de bank in haar moderne huis in Hilversum. Ik had het snel gevonden, want ik was er maanden eerder al geweest. ‘Kom eerst maar eens langs om mijn plakboeken te lezen,’ had ze gezegd. En ik was met vijf zware dozen naar huis gegaan. Het artistieke leven van Ramses en van Liesbeth ligt bij mij op zolder. Ik las het stukje in een Telegraaf uit 1955. Hij kondigde zichzelf eigenlijk al aan. Negen jaar van tevoren: ‘Ramses zelf loopt al met cabaret-plannen rond, maar daarover wil hij nog niet veel kwijt. Eerst wil hij een allround acteur worden, zodat hij beide genres [toneel en cabaret] kan beoefenen. “Maar als ik cabaret ga spelen, dan niet bij Wim Kan of Wim Sonneveld.”’

Avondenlang leefde ik in hun tijd, voordat ik naast haar op de gele bank plaatsnam. Natuurlijk, ze was ouder geworden, maar dat wat haar zo mooi maakt, was onverweerd. Ze maakte koffie voor me, of ze vroeg het aan Rob, haar man, om het te maken, dat weet ik niet meer. Ik wist dat ze als meisje hoteldebotel was van Ramses. Dat ze met haar HBS-klas uit Harlingen naar Amsterdam ging. ‘Ik keek tegen hem op. Ik kende hem alleen maar van het toneel, en van de Margriet en van de Libelle en zo. Dan zag je een foto van Ramses Shaffy, dus dat vrat je. Ik was bezeten van de magie van kunstenaars, dus ik ging vaak naar het café waar de kunstenaars kwamen. Dat was in die tijd Fiacre. Ik woonde op kamers. De voorkamer had ik en de achterkamer was van een zekere Hans Driessen. We waren geen familie, maar deden wel alsof. Hans kende Ramses, omdat hij de uitbetalingen deed bij de televisie. Vroeger als je een televisieprogramma deed, dan kreeg je na afloop direct je geld. Toen was ik nog geen Liesbeth List, want ik had nog nooit opgetreden. Hans vroeg of ik voorgesteld wilde worden aan Ramses Shaffy. Ik zei jahááá!!’

Ik keek naar haar, ik observeerde haar bewegingen. Eigenlijk kwam ik vooral om naar haar te kijken, haar aanwezigheid te voelen. Net zoals ik dat onbewust altijd deed als ik bij Ramses zat. Het moest heel bijzonder zijn geweest in de jaren zestig in Amsterdam, de nieuwe tijd van vrijheid, de experimenten en van Shaffy Chantant. Mensen die erbij waren praten er altijd over alsof dát het helemaal was. Tijd kleurde veel ervaringen mooier in, maar toch. Het was bijzonder geweest, zeker voor hen. Huidige generaties groeien anders op, zonder schaduw van een oorlog, of een degelijk, calvinistisch wederopbouwtrauma. Terwijl nu er misschien behoefte is aan een nieuw sociaal verband, lag in de jaren zestig de prioriteit bij de ontdekking van het individu, de vrijheden en de geestelijke ruimte.

Liesbeth zou die middag vertellen over de uitbarsting van de Shaffyvulkaan in Amsterdam. Ik dronk mijn koffie en draaide me naar haar toe. Zij zat met een opgetrokken been op de bank en keek naar buiten.

‘Was het bij Ramses ook meteen een klik en boem!’

‘Nee, nee, hij was met Joop.’

Dat bedoelde ik niet. Ze praatte door: ‘Het was meer zo van: wat doe je eigenlijk? Nou, ik wil zangeres worden. Toen zei hij dat ik maar eens langs moest komen, want hij had allemaal leuke liedjes. Hij was toen nog alleen bekend als acteur. Ik dacht letterlijk gadverdamme, daar heb je weer zo'n versierder. Ik heb nooit iets laten horen, totdat Henk van der Meyden een artikel schreef over mij en mijn gemiste kans als zangeres. Dat was naar aanleiding van een tv-opname die niet doorging en waar ik in zou zitten. Ramses las dat in de krant en hij kon zich mij herinneren. Hij heeft me gebeld.’

‘En?’

‘Ik was een zeer gefrustreerd meisje van Vlieland en ik was verliefd op afstand. Ik liet nooit iets blijken. Dat was not done. Of zoals het later ging: “Zullen we een kopje koffie drinken?” Dat was een teken van: “Ik wil met je naar bed.”’

‘Hij heeft toch nooit zulke avances gemaakt?’

‘Nee, hij had Joop.’

‘Dat zegt bij hem niets.’

‘Ach ja, hij heeft een heel vrije seksuele moraal, ging gewoon met echtparen mee… Hij is vrij in alles, maar hij belde me met de vraag of ik iets in Shaffy Chantant wilde doen, toen moest ik een liedje voorzingen. Halverwege kon ik ophouden, hij vond het goed. Hij wilde me vertellen hoe zijn nieuwe programma eruit kwam te zien. En hij ging toen Oude Hein zat op de bleek voordragen. Ik heb hem gesméékt of hij op wilde houden, want ik kon niet meer van het lachen. En toen was het gebeurd, het klikte.’

Het licht is fluwelig. Carré kijkt naar twee grote handen die applaudisseren in de lucht.

Shaffy klapt voor Frank Boeijen die zojuist een lied van hem heeft vertolkt. Het zijn dezelfde woorden die gezongen worden, maar zo anders. Shaffy staat op zichzelf, zijn stem, zijn timbre. Het is een beetje zoals bij Jacques Brel, het origineel is onovertroffen. Hij is ook de eerste, de eerste Nederlandse idool. Veel chansonniers in Nederland zijn tot in hun wortels door Shaffy gevoed.

Onze ontmoetingen werden steeds warmer. Ik moest mezelf er soms aan herinneren dat ik over hem een boek wilde schrijven en dat ik niet alleen maar langs kwam om samen te zijn. Van Shaffy Chantant wist hij geen details meer. Hoe het nu precies was, hoe die zus, en die zo, daarvoor is het misschien wat lang geleden. ‘Vraag het maar aan Liesbeth of Joop, zij zijn er beter in dan ik. Het was een feest, dat tot op de dag van vandaag niet is opgehouden,’ zei hij me, ‘ik had het al een tijd in mijn hoofd, en toen ineens was de tijd daar. We deden het gewoon.’

‘Goede mensen om je heen.’

‘Ja, maar die zocht ik zelf uit hoor. Ik zag gewoon dat het goed zat met Liesbeth, Polo en Loesje. En we hadden elke keer nieuwe gasten. Het was heel fijn. En na de optredens de nacht in, totdat het licht werd. Dan moest je ergens een slaapplaats zoeken. Of ik ging naar de Nieuwmarkt, naar zo'n café dat tegen de ochtend openging. Heerlijk. Soms ook wel gewoon naar huis.’

We zaten naast elkaar aan een tafeltje in het Sarphatihuis. Naast ons het groene plastic tasje van Ramses.

‘Zal ik voor je spelen?’ vroeg hij. Hier had ik op gehoopt. Nog nooit had ik hem zien spelen. Ik knikte blij. Hij stond op. Met zijn broekspijp hangend op zijn sok schuifelde hij naar de vleugel midden in het Atrium. Kleedje eraf, klep open. Zitten. Stil. Ogen even omhoog gericht. Hij plaatste zijn handen op het klavier. Wachtte. Ik durfde amper met mijn ogen te knipperen, bang dat ik het zou missen. Ramses Shaffy speelde voor mij. Ik was als een kind, zo gelukkig. En daarna een enorme warmte. Heel rustig speelde hij, werd hij één met wat klonk. Hij bloeide en zijn lichaam wiegde mee. Shaffy vulde de ruimte met zijn spel. De tafeltjes om ons heen waren oren. Ik boog voorover op mijn stoel, sloot voor even mijn ogen om de muziek dieper tot me door te laten dringen. Het was de oudere Ramses, de ontvangende Ramses. Niet die van Chantant, die kolkte, deze was als een oneindig kabbelend water, dat als zilver was in de zon. Ik keek op en zag dat Ramses naar me keek. We glimlachten naar elkaar. De klanken stopten. Ramses bleef nog even zitten, knikte naar het klavier. Hij dankte. Stond op. Klep dicht, kleedje, de zoom van zijn broek nog altijd op zijn sok. Ik boog mijn hoofd. Uit de ruimte om ons heen klonk een zacht applaus.

‘Dank je wel, Ramses…’

Zijn gezicht was ontspannen. Hij hield zijn guitige blik op mij gericht: ‘Als ik een luchtbed zou hebben, zou ik nog veel kunnen spelen.’

‘Wat bedoel je?’

‘Ik heb een luchtbed nodig, ik kan thuis niet slapen.’

‘Thuis?’

‘Aan de Herengracht. Ik wil daar weer naartoe. Maar ik moet zo'n luchtbed hebben, zo'n ding dat zichzelf kan opblazen. Ik heb het op televisie gezien. Nu is er zo'n hoogslaper met een trappetje… en dat is gewoon te gevaarlijk… ja… Ik ben hier nu lang geweest, de tijd van gaan nadert.’

‘En dan?’

‘En dan zien we dan wel weer. Dit is een fijn tehuis, maar ik kan hier niet spelen, niet schilderen, niet alléén zijn. Ik heb in al die tijd dat ik hier zit maar twee liedjes geschreven. Over oude mensen. Dat is nieuw voor me. Meestal maak ik liedjes over de jeugdige gevoelens, de liefde, het leven. Ik moet eerst enórm verliefd worden om te kunnen musiceren… Dat gebeurt hier niet.’ Hij keek me net te lang aan. Ik moest mijn hoofd afwenden.

‘Buundewieet!!’ lachtte hij en ontdeed de fles van de dop. ‘Het is fijn hier met jou zo te zitten,’ zei hij vol timbre.

‘Ja… dat is het…’

Blauwe tanden.

Allebei?

Ik zakte wat achterover in de gele bank, zag hoe Liesbeth sierlijk van het water nipte.

Ramses heeft altijd een goede neus voor talent gehad. Veel artiesten zijn dankzij hem groot geworden. Ook de vrouw naast me. Samen gingen we terug in de tijd. Zij reizend in haar herinnering, ik in mijn voorstellingsvermogen. Ik dacht aan Ramses, toen, 1964.

Hij was eruit gegooid bij de Nederlandse Comedie en had maar één ding voor ogen. Hij wilde een eigen vorm van theater, waarin alles mogelijk was en hij al zijn talenten en passies kon uiten. Cultuuroverschrijdend theater! Alle kunstvormen die hij in zijn jeugd ontdekte. Een internationale filmcarrière zat er toch niet in, dus hij richtte zijn pijlen op dat wat hij eigenlijk heel zijn leven al wilde en ook deed. Dat hij behalve acteur ook muzikant was, dat was wel bekend. Hij had in 1959 al eens opgetreden in het Nieuwe de la Martheater op een chansonmiddag. Daar zong hij liedjes die ik pas later tijdens onze ontmoetingen in fragmenten uit zijn mond heb horen komen; Tanya en Kom maar met me mee. In krantenknipsels uit 1960 las ik over zijn eerste plaat. In het Engels: Come with me.

Shaffy vertelde me dat de Deens cabaretier-zanger Freddy Albeck een paar liedjes van hem gebruikte in zijn programma. ‘Hij trok veel op met Merel Laseur… met wie ik een liefdesband had, en eigenlijk nog steeds heb. Maar het werd later allemaal wat ingewikkeld voor haar… ik was ook met hem naar bed geweest… ach ja…’

Ik wist niet goed wat ik met zo'n opmerking moest. Als het waar is… als de data kloppen was hij al met Joop.

Een jaar later, 1961, las ik, was Shaffy namens Nederland uitgezonden naar het songfestival in Knokke. Dat werd een fiasco. Nederland eindigde op de laatste plaats. Volgens Ramses door zijn schuld. Hij moest ervoor uit Rome komen. Eenmaal in Knokke realiseerde hij zich – naar eigen zeggen – alle arrangementen vergeten te zijn. In de nacht voor het optreden zou Ramses in een café zijn gaan zitten om alle liedjes opnieuw uit te schrijven. Er was geen tijd meer om te repeteren. Het zal wel, echt een verhaal om te verzinnen. Feit is dat het geen succes was. In het voorjaar van 1964 was het dan zover. Ramses zou zijn nieuwe theater van Amsterdam presenteren in de Sint Olofskapel aan het begin van de Zeedijk. Er was geen enkele financiële steun. Alles zou betaald moeten worden uit de recette. De kapel was beschikbaar gesteld door de Stichting Kunstcontact en vrijwel alle Nederlandse toneelacteurs beloofden mee te werken. Het idee van een soort ‘workshop’ met artiesten sloeg aan. In de plakboeken van Liesbeth vond ik een artikel uit De Telegraaf. De kunstenaars werden ‘dapper’ genoemd.

Het programma van het Theater a Capella was een melange van liederen, toneelspel, poëzie en klassieke muziek. Ramses zou beginnen met een tour de chant, onder begeleiding van Polo de Haas. Josephine van Gasteren zou een absurdistisch toneelstuk spelen van de Franse toneelschrijver Jean Tardieu, gevolgd door een stuk van Lodewijk de Boer, waarin Kitty Courbois, Jules Hamel en Ramses Shaffy zouden spelen; dan weer gedichten van François Villon voorgedragen door Ramses, Kitty Courbois en Henk van Ulsen. Het toetje was de tour de chant van Liesbeth List. Anne-Marie Prins regisseerde de voordrachten. Het tweede deel van het programma lag helemaal open en zou worden gevuld door improvisaties. Ramses wilde iedereen de kans geven om een eigen artistieke daad te stellen. Natuurlijk zocht hij zelf ook uiting voor zijn veelzijdigheid. Het was niet echt een open podium, want er werden kwaliteitseisen gesteld.

Op de eerste pinksterdag van 1964 zouden de deuren opengaan en tot 12 juli zou Ramses het zichzelf steeds vernieuwende programma willen uitproberen. Zou. Het kwam er niet van. De Sint Olofskapel bleek een levensgevaarlijk gebouw te zijn, dat elk moment kon instorten. De dienst Bouw- en Woningtoezicht sloot het gebouw vlak voor de première. Ramses zocht snel een uitwijk, vond die in de vorm van de Doelenzaal. Uiteindelijk besloot Shaffy de hele voorstelling alsnog uit te stellen. De Doelenzaal haalde het niet bij de sfeer van de Sint Olofskapel. Achteraf bleken er ook allerlei fouten te zijn gemaakt bij de aanvraag van vergunningen en Shaffy zou zonder formele toestemming van de gemeente zijn Theater a Capella hebben willen opvoeren. De teleurstelling was groot, maar Ramses was vastbesloten zijn passie te realiseren.

Ik was bij Liesbeth, maar ik zag Ramses. Hij moest op zoek naar een andere locatie voor zijn theater. Ondertussen sleutelde hij aan zijn programma, schreef hij nachten door aan de teksten voor de liederen, bedacht hij een ludieke manier om de onderdelen aan te kondigen. Eind september 1964 had Shaffy zijn programma klaar. In de Tilburgse Schouwburg gaf hij een voorproefje. Er zat maar één persoon in de zaal. Toon Hermans, in die dagen Nederlands beroemdste conferencier en cabaretier. In De Telegraaf van 26 september 1964 zegt Hermans:

Ramses belde mij op, en omdat ik deze week hier optreed, heb ik hem gevraagd om naar Tilburg te komen. Ik ben heel enthousiast over hun repertoire en zou ze graag verder willen helpen. Ze zijn volgens mij heel talentvol. Ze brengen een fris, beschaafd programma en hebben heel goede teksten, die ik artistiek absoluut verantwoord vind.

Ramses zegt in hetzelfde artikel:

We waren wel zenuwachtig toen we voor Toon Hermans optraden, maar hij stelde ons direct op ons gemak en alle schroom viel weg. Hij heeft ons eerlijk zijn mening gegeven en het was dan ook een leerzame middag.

De locatie was een probleem. Nog altijd hadden Shaffy en de zijnen geen idee waar ze hun kunsten konden vertonen. Ramses ging op zoek en hij vond. Dat zoeken was niet meer dan rondrijden in een auto. John Rosinga, de manager, stuurde. De rit voerde langs de Amstel. Er moest ergens een pand zijn. Zo'n uitspanning voor wandelaars, waar ook vreemdgangers hun partner ontmoetten. Net buiten de stad. ‘We hadden direct een goed gevoel. Dit moest het worden, hier gingen we het doen. Het Mirandapaviljoen,’ vertelde Shaffy. Het Mirandapaviljoen? Een burgerlijk Oudhollands pannenkoekenhuis met geweien en geweren aan de muur? Ja. Eindelijk was er een plek gevonden en er was weinig tijd. Iedereen die erbij betrokken was, leefde in een koorts.

Mijn gedachten flitsten naar de keuken van Joop Admiraal. Ik herinnerde ons gesprek daar. Joop stond voor het antieke aanrecht: ‘We waren er thuis alleen maar mee bezig en daarnaast moest je ook nog gewoon spelen. We waren erg gelukkig, omdat we iets creëerden, iets maakten wat nieuw was. Ik geloof dat Ramses het zelf verzon. We deden eigenlijk al iets dat op een café chantant leek. Bij ons thuis aan de Derde Weteringdwarsstraat. In die tijd was Amsterdam nog wat suf. De kroegen gingen vroeg dicht. We namen mensen mee naar huis, we hadden dan zogenaamde culturele avonden. We deden het voor onszelf, maar zogenaamd voor de andere mensen. Dan deed ik gedichten en Ramses had een vleugel in de kamer staan. Die was gehuurd. We hadden het arm, alleen we leefden veel te ruim. We verdienden niet veel als toneelspeler, maar dan deed je televisie en dat verdiende goed. Maar alles ging altijd op. Alle mensen zaten dan op de grond. En dan gingen de mensen weg en dan stond ik bij de deur om te controleren of ze geen platen meenamen. Het waren ook mensen die we niet kenden.’

Ik stelde me voor, de chaos van de Derde Weteringdwarsstraat, blauw van de rook, een ranzige geur van stof, vettigheid, hasj en drank. Overal stapeltjes boeken, hier een daar een schilderij van Ramses, een tiental mensen op de grond, rondom de vleugel. Ramses speelde en zong zijn frivole teksten, Joop droeg poëzie voor. Dan werd er weer een plaat gedraaid. De hele buurt genoot mee of lag wakker. ‘En zo kwamen jullie dan aan het programma voor Chantant?’

‘Ramses, hij heeft alles bedacht. Hij schreef zijn liedjes ook in één keer op, en als je er dan iets van zei, van… eh… het is wel heel erg storm, water en wind, dan was het meteen klaar, ging het hele lied de prullenbak in.’ Joop liep traag naar zijn stoel en stak er een nieuwe sigaret op.

‘En de première?’

‘Je was er heel erg mee bezig. We versierden alles zelf, we dachten mee over het licht. Het Mirandapaviljoen was ineens onze ruimte gewoon. En ik deed Lodeizen en iets met een pop. Ik liep ermee over een soort begraafplaats, we keken naar de zerken. Twee nummers.’

Ik ontwaakte uit mijn dagdroom. Liesbeth draaide zich naar me toe en articuleerde krachtig alsof ze wist waar ik in gedachten was: ‘Van tevoren zei iedereen: “Shaffy, er komt geen hónd!” Maar Rosinga was fénóménáál. Hij had gezorgd dat er rondvaartboten met genodigden aanmeerden voor het pannenkoekenhuisje. Iedereen was er uiteraard. Het was heel klein en wij vierden feest. Dat was heerlijk, geen zenuwen, niks! Het was ook zo leuk. Het kwam allemaal van Ramses, allemaal. Alles was Ramses. Ook om Loesje Hamel door het publiek te laten lopen met een lantaarn of een kaars. Ze fluisterde de aankondiging. Heel bijzonder. Hij bedacht alles.’ Ze lachte.

‘Waar haalde hij de mensen vandaan? Zo'n Polo de Haas? Jullie waren allemaal nog onbekenden.’

‘De aankomende acteurs, actrices, schilders, dichters zochten elkaar op, kenden elkaar allemaal. Dus er moest begeleid worden en Ramses had in zijn hoofd om van alles te gaan doen. Joop zou gedichten lezen, Polo de Haas klassieke stukken spelen, want Ramses hield van klassiek. Shaffy speelde vroeger zelf ook Satie, en hij wilde iets brengen van alle culturen.’

Het liefst zou ik mijn ogen sluiten, terugreizen in de tijd, die je meegemaakt wilde hebben. Om het te voelen, te ervaren. Het beroemde Shaffy Chantant. Het begon pas om elf uur 's avonds. Iedere avond vertrok er om tien uur een rondvaartboot vanaf het Rokin naar de Amsteldijk. Een heerlijke manier om in de juiste stemming te komen. Varend door een zee van lichtjes, de nachtelijke grachten. Er was speciaal een steiger aangelegd. Op donderdagavond 22 oktober 1964 was de première. Het zat bomvol.

Image

Oktober 1964. Shaffy Chantant in het Mirandapaviljoen. V.l.n.r. Ramses, Loesje Hamel, Liesbeth List en Polo de Haas.

‘Ik stond er als Alice in Wonderland. Grote droom, dat mij dit mocht overkomen. Mijn ouders waren er uiteraard, en tante Greetje uit Vlieland. Die zaten naast Fien de la Mar en die zat te janken. Ik was trots… nou ja trots… ik had een hekel aan school en leraren en dus had ik iets van overwinning, zo van: zó!’

Carré gonst. Het gala wordt live uitgezonden op radio twee. Er gaat een applaus door de zaal. De presentator vraagt: ‘En meneer Shaffy, hoe vindt u het hier?’ Doodstil. Iedereen wacht af wat zijn antwoord zal zijn. ‘Dat is een geheim,’ repliceert Ramses langzaam en weloverwogen. Prachtig. Op het podium van Carré staat Willeke Alberti. Zij zingt Laat me. Dit nummer kan maar door één gezongen worden. Ik zie Ramses. Hij straalt naar de vrouw op het toneel. Ze zijn vrienden. Willeke treedt regelmatig op voor mensen in bejaarden- en verpleegtehuizen. Meestal nog voor niets ook. Zo hebben Ramses en Willeke elkaar leren kennen. Laat me werd niet door Ramses geschreven, toch is het voor vrijwel iedereen Shaffy's lijflied.

‘Mijn lijflied?’ vroeg hij zich af, ‘Come with me. Kom maar, kom maar met me mee, ik zal je te eten geven, ik zal je te drinken geven, we zullen muziek maken of we zullen zwijgen. Kom maar met me mee. Dat is een van de eerste liedjes, die ik ooit gemaakt heb… ook mijn eerste plaat. Dat is ook tekenend voor mij… kom met me mee…’

Ik knikte: ‘Muziek maken lijkt me heerlijk.’

‘Ja, dat is het zeker. Muziek heeft voor mij alles te maken met erotiek, met verleiding. Muziek kan mij verleiden, maar ik kan er ook mensen mee verleiden. Mensen gaan vrijen door muziek. Het gevaarlijkst zijn mensen die vioolspelen, ik kan er blind op vallen. Ik word daar dan spontaan verliefd op. Om liedjes te maken moet ik ook verliefd zijn, of een erotische beleving hebben. Dat kan geluk zijn, maar ook ongeluk… samen zijn of eenzaamheid.’

‘Schrijf jij eerst je tekst, of eerst de muziek?’

Ramses haalde zijn pakje Marlboro uit zijn borstzak: ‘Ik laat liedjes ook meestal gewoon komen… meestal eerst muziek, en dan later de tekst… en dat komt er dan…’

‘Dus als je Marije maakt, dan heb je eerst de melodie?’

‘Nou bij Marije had ik gewoon een gevoel en dat kwam tegelijk.’

‘Je zingt over een vrouw met wie je vrijt! Je was toen al met Joop!’

‘Ja maar, Joop heeft het ook niet zo gemakkelijk met me gehad, hoor, met de vriendinnen die er ook wel waren…’

‘Niet gemakkelijk,’ herhaalde ik fluisterend.

Ramses bewoog de sigaret naar zijn mond, maar op een paar centimeter van zijn lippen stopte de beweging: ‘Dat was het ook niet, maar wel geweldig.’

Joop is de belangrijkste liefde in zijn leven. Ze deden alles samen. Dus ook Chantant.

Joop was er de eerste gastspeler. Volgens hem was het direct een succes. Het was ook hoog tijd dat er iets kwam in Amsterdam. ‘Voor de happy few was het hét meteen. Het was een hype. En na afloop werden we dan uitgenodigd door die man van de Peter Stuyvesantfabriek, door de rijke mensen. Die nodigden het hele Shaffy Chantant dan uit. Het was feest-feest. De mensen waren ook trots om ons te hebben. Chantant was het leukste van de stad in die tijd. Er was niet veel in Amsterdam. Je had de Cotton Club, dat was live-muziek op de Zeedijk. Dat waren allemaal zwarte mensen en live, dat was ook in. En dan had je een vrouw achter een piano in een café de Paris.’

De jaren zestig zouden alles veranderen. Behalve gewoon bier drinken en dansen, was er behoefte aan intiem cabaret. Sieto Hoving met cabaret Tingel-Tangel en cabaret Lurelei traden ook op in kleinere, café-achtige zaaltjes. Shaffy paste met zijn café-chantant precies in de tijd. ‘Toen was Frans ook nog erg in,’ zei Joop,

‘Sartre… Brel… ik was ook altijd in het zwart, en je moest er ook altijd slecht uitzien… meisjes hadden erg donker opgemaakte ogen, en ik had vies haar. Dan ging ik naar huis, naar mijn ouders en dan stond mijn moeder altijd met een kam achter de deur. Moest ik eerst mijn haar doen.’

Pauze in Carré. Ramses en Edith zitten in de artiestenfoyer. Ik sta bij de buitendeur en kijk uit over de Amstel. In mijn hoofd liggen stapels plakboeken. Allemaal van Liesbeth. Een van de boeken gaat alleen maar over Shaffy Chantant. Zelfs de toegangskaartjes zijn bewaard. Langwerpige kartonnen kaftjes met zwarte jaren-zestig-letters ‘Shaffy Chantant’. Binnenin staan de namen van de cast en een motto uit het Boek Lielje, dat Ramses in dezelfde tijd publiceerde:

Wat zie ik in de duinen?
Is het een oude mees?
Het is een oude bruine
en zingt een beetje hees
.

En recensies! Iedereen stond te juichen, zo lijkt het. Vrijwel alle kranten schreven erover. Het Algemeen Handelsblad: ‘De charmante, maar ook nonchalante acteur Ramses Shaffy heeft eindelijk zijn draai gevonden’ en: ‘Buiten kletterde de regen, maar binnen maakte Ramses Shaffy met Liesbeth List, Loes Hamel en pianist Polo de Haas een pretentie waar: hij gaf ons land een nieuw intiem cabaret met een eigen vorm en een eigen geluid.’

Het Parool kopte: ‘Uitstekend origineel cabaret’ en Het Vrije Volk opende de kunstpagina: ‘Shaffy Chantant: sprankelende melange. Amsterdam heeft er een heerlijk programma bij.’

Nog een paar, de Volkskrant: ‘Duivelskunstenaar Shaffy neemt revanche’. De krant doelde op de tegenslag met Theater a Capella. ‘De Shaffy-teksten doen niet onder voor Hans Andreus. Shaffy is in één klap over de hele Amsterdamse kleinkunst heen gegaan! Ramses is een talent dat meer kansen verdient. Iets in hem doet aan Brel denken. Ramses toont zijn talent en laat zien dat er in Nederland meer is dan de truttigheid van Trea Dobs en Willeke Alberti.’

Alle kranten waren enthousiast, maar ook verrast door de veelzijdigheid van Ramses en dat het hem uiteindelijk gelukt is. Na de tegenslagen met Olé la Marquerita en Theater a Capella was Shaffy Chantant wel levensvatbaar! Ramses heeft het risico genomen zich te laten omringen door ‘groentjes’ als Liesbeth, Polo en Loesje. Juist dat maakte Chantant nog oorspronkelijker. Shaffy Chantant deed denken aan café-chantants uit de jaren twintig in Parijs. Die on-Hollandse sfeer straalde joie de vivre uit. Hij maakte alles nieuw en sprankelend. Andere cabarets zaten vol politieke en maatschappijkritische grappen. Shaffy niet. Hij bracht een literair poëtisch cabaret, zong over liefde, romantiek en speelde met sick jokes. Alles kon en mocht. Het programma stond nooit vast, maar was iedere avond anders. Loesje Hamel, een bloedstollend mooie mannequin, sloop katachtig tussen de tafeltjes en stoeltjes door. Ze fluisterde het publiek toe: ‘Rrramses Shaffy… Liesbeth List…’ In haar hand de lantaarn. Ze hield gelijktijdig een modeshow. Elke aankondiging showde ze een nieuwe creatie van Dick Holthaus. Verder was het donker. Dan, langs de houten trap achter het piepkleine podiumpje kwamen Shaffy en Polo de Haas.

Daar is Liesbeth! In gedachten ben ik binnen. Het is niet echt een zaal, er staan geen rijen met stoeltjes. Je zit aan tafeltjes. Ik hoef geen entree te betalen, maar de prijzen van de consumpties zijn verhoogd. Het is donker, hier en daar een kaarsje. Net wat gegeten, derde glas wijn in de hand. Ik ben gekomen met de boot en ben razend nieuwsgierig. Polo de Haas draagt een rokkostuum en gaat achter de vleugel zitten. Ramses neemt plaats achter een klein orgeltje. Het plezier waarmee hij en Liesbeth hun liederen brengen, slaat ogenblikkelijk op me over. Dit is het geluid van een nieuwe generatie. Nog nooit in Nederland vertoond! Een diep gevoel explodeert! Alles ligt open, alles is vrij, alles kan. Als zovelen ga ik onder in de avond. Ik bloei als ik Ramses zijn kolderiek hoor bezingen. Ik verstil door de stem van Liesbeth. Ze zingt ook melancholische, Franse liederen. Een beetje zoals Juliette Gréco. Ik laat me meeslepen door de gedichten die door Joop worden voorgedragen, het spel van Polo, en ik aanbid de gratie van Loesje. Midden in de nacht lift ik op de avond naar huis. Ik zing de liedjes die ik voor het eerst hoorde: ‘Heya, hup Marije… ho, ho, ho, hoooho…’ Ik val in slaap en word wakker in een nieuwe tijd.

Image

23 februari 1965. Ramses na het optreden in De Meeuw van Tsjechov.

Shaffy betaalde alles uit eigen middelen. ‘Daarom werkte ik ook nog als acteur bij Ensemble. Ik speelde Kostja in De Meeuw van Tsjechov. We traden drie keer per week op met Shaffy Chantant. Dat we zo laat op de avond begonnen, was om alle acteurs en artiesten de kans te geven om na hun vaste werk, ook bij ons hun kunsten te vertonen. Ik kwam soms ook zo van het podium af bij De Meeuw, naar Chantant om daar een voorstelling te geven, ja… en daarna begon er wel weer een volgend feest… Ik heb altijd toneelspelen als vak en basis willen houden, en daarnaast een plek willen vinden voor dingen, die je nooit in toneelgezelschappen kunt doen,’ zei Shaffy me in het Atrium. ‘Het ging mij erom mezelf te uiten… achteraf merkte je pas dat je veel mensen aanspreekt. De hele prestatie om mensen aan te spreken was nooit mijn drijfveer.’ Shaffy schonk zichzelf bij. ‘Je moet Albert Mol bellen, die weet nog veel van me. Hij praat ook zo leuk.’

Iedereen die wat kon, wilde in Shaffy Chantant. De ene avond kwam Albert Mol met vertrouwelijke verhalen die hij absoluut niet door mocht vertellen, de nacht erna was voor Shireen Strooker en haar gedichten van Lorca. Later Simon Vinkenoog en zelfs Drs. P. ‘Wij zijn heel natuurlijk bij elkaar gekomen, uit onze psychische gesteldheid,’ zei Ramses.

Amsterdam bruiste en iedereen wist wie Ramses Shaffy was. Als een komeet rees zijn ster. Volgens Joop was iedereen verliefd op Ramses. Op zijn energie, zijn lach en de tomeloze vrijheid die hij uitstraalde op iedereen. De wereld die hij bezong in zijn liedjes was een wereld zonder moralisme. De wereld volgens Shaffy. En wie wilde er niet wonen? In het keukentje aan de Prinsengracht vertelde Joop: ‘Hij is een soort Rattenvanger van Hamelen. Hij kan net als een sprookjesrattenvanger mensen betoveren en enorm veel energie geven, mensen zich heel mooi laten voelen, en vrij, dat alles kan. Dat deed hij, die wereld stond hij voor met Chantant. En bloc vielen de mensen voor hem.’

‘De pers schreef alsof het ons eindresultaat was, maar voor ons was het een totaal debuut,’ zei Shaffy in 1964 in een krant, ‘we beginnen pas!’ Hij was de gevierde man. Het was hem gelukt, na jaren proberen, en na een paar flops, had hij het theater waarvan hij droomde. ‘Ik voel wel dat ik de mensen pak, maar nu moet ik het leren. Au fond begin ik. Wij beginnen allemaal. Na de première zeiden mensen: “Dit is typisch iets van deze tijd.” Dat vind ik niet. Het refereert aan de tijd tussen '20 en '30, die mijn persoonlijke liefde heeft. Een tijd met allure. Ik geloof dat wij in dit programma een hang hebben naar de grandeur en de folie, naar de betrekkelijkheid. Maar daar heb ik me pas rekenschap van gegeven. Wij doen eenvoudig dingen die wij fijn vinden om te doen. Ik vind begrippen als modern en onmodern onbelangrijk. Een beetje l'art pour l'art.’

In december 1964 verruilde Shaffy Chantant het Mirandapaviljoen voor de Moulin Rouge aan het Thorbeckeplein. Het paviljoen had niet langer een nachtvergunning. De Telegraaf van 7 december heeft het zelfs over de ‘rosse tenten’ waar Shaffy nu is beland. Van Oudhollandse burgerlijke pannenkoeken in één ruk door naar het kloppend hart van de betaalde seks. Bij Shaffy kan alles. Je moest ook wel even zoeken, want het pand viel niet echt op tussen alle cabaret-dansant-floorshow-striptease-chantant-panden. Leuk was dat prinses Beatrix naar Amsterdam kwam om Shaffy en consorten te bewonderen, en dat haar nadrukkelijk werd verboden het toilet te bezoeken. Het was de ‘directie’ namelijk niet gelukt alle schuttingtaal van de wc-muren af te schrobben. Zelfs onder de nieuwe laag witkalk bleven de drie-letter woorden duidelijk zichtbaar…

De wc's in Carré zijn koningshuis-proof. Net nog gezien. Het is de middag van Ramses. Zal hij zich deze middag herinneren? Alle mensen, alle liefde hier is om hem. Ik zie zijn zilveren haar. Dichterbij kom ik niet. Ik glimlach en rol achterover in de tijd naar die middag in het Sarphatihuis. Ik had wijn gehaald en was weer bij Ramses aan het tafeltje gaan zitten. Zacht keek hij me aan, recht in mijn ogen. ‘Geef me je hand eens,’ zei hij. Zijn stem was lauw.

Ik zag hoe mijn vingers zich legden in de geopende hand voor me. Ongemakkelijk keek ik hem aan. Teder kneedde hij mijn palm, wreef hij over de muis van mijn hand. Zijn nagels waren lang en vuil. ‘Ik ben blij dat je er bent… ik voel dat we elkaar gevonden hebben… Het blijft een wonder, dat we hier naast elkaar zitten… dat we praten over elkaars leven.’ ‘…’

‘Ik zou heel graag naakt met je willen zijn…’

Nog nooit had een man me zo aangekeken. Ik wist niet hoe ik moest reageren.

‘Dat zijn we toch?’

‘Ik bedoel… ik zou zo met je naar bed willen.’

Jezus!

Hij bleef mijn hand vasthouden, beloerde mijn ziel en lachte zangerig: ‘Jaháá, het wordt lente… een ÉNÓRME lente!’

Ik wist niet wat hij wilde. Was het liefde of gewoon geilheid?

Minutenlang hield hij me vast. Edith had me gewaarschuwd. Hij zou er ‘in the mood’ voor zijn. Een week eerder was er een journalist bij hem geweest. De man kon vier keer vertellen dat hij een vriendin had, het maakte Ramses niets uit. Als hij liefde voelt, spreekt hij liefde. Voltrekt zich een verlangen, dan opent hij. Ik was verrast en voelde me opgelaten.

‘Ik schenk nog even wat in, goed?’

Hij liet me voor even los.

Liesbeth lachtte breeduit. ‘Wat is het ook een ondeugd. Heeft-ie dat tegen je gezegd? Ha, ha… ja, zo is hij. Compleet vrij in daden en denken… ha, ha…’

Ze schudde haar hoofd en bood me een glas wijn aan.

‘Dat Chantant was voor jullie allebei de doorbraak bij het grote publiek?’ vroeg ik.

‘Ja, maar eerst vooral Amsterdam. Het begon ook laat, dus als je geen auto had, dan kon je er van buiten Amsterdam niet eens komen. Later zijn we ook het land in gegaan. Iedereen wilde ons zien. Iedereen wilde Shaffy zien, zijn elektriciteit ervaren. Ramses was echt een jonge God die boven alle wetten stond. Hij dronk, vierde feest, had geld en geen geld, vree met iedereen, betaalde geen belasting, leefde op de pof bij die, en iedereen was stapeldol op hem… ja. Hij heeft zo veel mensen bevrijd.’ Liesbeths ogen zochten haar tuin. De zon daalde er zojuist neer. ‘Het was zo'n succes, niet alleen omdat het nieuw was, maar ook omdat het plezier ervan afstraalde. Als wij een duet zongen, dan keken we elkaar aan. Dat was magie waarvan je niet wist dat het bestond.’

We keken elkaar aan. Ik zocht wat Ramses zag.

‘Was drank al een probleem?’

‘Hij dronk altijd al veel, en het begon ook wel uit de hand te lopen… na Chantant werd het wel gauw erger… Maar in die tijd, 1964-65 was het nog leuk. Hij was er meestal nog op tijd… ja.’

‘Wat heeft hij met jou gedaan?’

‘Als hij optrad, stond ik achter het toneel. Iedere avond. En ik keek, en keek. Het was zo geweldig, dus langzaam aan nam ik iets over van Ramses. Niet dat bruisende, in het begin nog niet. Maar wel dat je je hart openzet, en dat je durft dat lied te zijn, dat gevoel te zijn. Zoals een kind leert lopen van zijn ouders, eerst kleine pasjes en opeens gaat het vanzelf. Dankzij Ramses.’

Ze zuchtte. Ik wist dat het gesprek hier stopte. In gedachten hoorde ik hen samen zingen. De Cantate. Liesbeth jong, een veulen met een staart, korte rok, zwart omrande ogen. La la la la la la. Ramses, lang, slank gesneden broek, kort haar nog. Laa laaa laaa laaa…

Een enorm contrast met de oude man die ik nu ken. Of toch, misschien dat zijn uitwerking hetzelfde is… Ik ga nooit meer weg. Ik blijf hier zitten, op de bank, bij haar. Misschien dat het dan nog even zo kan zijn.

Carré is blij en weemoedig. Iedereen heeft gezongen. Liesbeth zong met Boudewijn de Groot de Pastorale. Ze zong zoals zij zingt. Ze is een weduwe. Als Shaffy er niet staat, gaapt er een leegte. Wie die ook probeert te vullen. De ruimte is er maar voor één. Ramses moet naar voren komen. Er wacht hem een prijs. De ‘Radio twee zendtijdprijs’, een prijs van duizenden luisteraars. Een bronzen beeld. Herman van Veen nodigt hem uit. Hij speecht dat hij diep geïnspireerd is door Ramses en dat Shaffy een eeuwig lichtje is in zijn hart. Ze omhelzen elkaar.

‘En daarom deze prijs,’ hoor ik Van Veen zeggen.

‘Een dolfijn!’ slaakt Shaffy.

‘Het is een hond.’

‘Ach, een hond, en een mooie hond… met een groot oor, wat enig! Waarom krijg ik die?’ vraagt Shaffy.

‘Fien de la Mar zou zeggen, om alles, Ramses.’

‘Ja, ik ben blij dat ik iets gedaan heb in mijn leven.’

Alle artiesten vormen een halve cirkel om hen heen. Het orkest zet in. Shaffy Cantate!

La, la, la, la, la, la… la, la, la, la, la, la. Ramses zingt!! Haast onhoorbaar. Liesbeth ziet hem, zij schenkt hem haar microfoon. Een geluksmoment! Dit is de eerste keer dat ik hen samen zie. Ramses Shaffy en Liesbeth List. De cantate, nog net! Ramses schalt, kijkt de zaal in. Zijn stem nu onvervalst hoorbaar. Hierom was het vandaag. Zoals Nico Scheepmaker in 1964 schreef na het zien van Chantant: ‘Eerst Shaffy zien en dan leven!’