17 Wraak

 

Elgahar vroeg om stilte.

De gesprekken vervielen tot een zacht gemompel en verstomden toen totaal terwijl de gasten van de Heer van de Minwanabi zich verdrongen in de kamer waar Teani van het balkon was gestort. Shimizu was weer bij kennis. Zittend aan de voeten van zijn heer keek hij met onverstoorbare blik naar de Grootheid.  

Mara zat aan de andere kant, met naast haar Nacoya en Arakasi. Haar lijfwacht had het bloed van zijn gezicht geveegd, maar verder geen moeite gedaan zich op te knappen. Een paar gasten hadden slaven gestuurd voor een mantel om hun nachtgoed mee te bedekken, maar de meesten maakten zich niet druk over hun uiterlijk. Geprikkeld door nieuwsgierigheid stonden ze allemaal vol verwachting te kijken naar de magiër die zijn kunst zou tonen.  

De maan scheen helder op het kapotte hek van het balkon. Badend in het koperen licht liet de Grootheid zijn armen zakken. 'Ik heb een open ruimte nodig rond alle plekken waar zich iets heeft afgespeeld en de deuropening moet vrijgehouden worden.'

Met geschuifel van sandalen op de gladde houten vloer deden de gasten wat Elgahar van hen verlangde. De Krijgsheer stelde zich op achter de Heer van de Minwanabi en Mara zag hem voorover buigen en iets fluisteren. Jingu reageerde met wat bedoeld was als een nonchalant glimlachje, maar het resultaat was geforceerd en stijf. Geen enkele heer in het keizerrijk had enig inzicht in de macht die de leden van de Assemblee der Magiërs hadden. Het vermogen van deze Grootheid om met een bezwering de waarheid aan het licht te brengen scheen de Heer van de Minwanabi weinig op zijn gemak te stellen. De magie kon Mara makkelijk op een leugen betrappen, en dan was de Acoma geruïneerd, maar er kwamen Jingu ook nog andere mogelijkheden voor de geest. Voor hem was een van de aantrekkelijke kanten van Teani haar onvoorspelbare karakter geweest. En haar haat jegens Mara was geen geheim.  

De Grootheid stelde zich op bij de deur. Zijn gewaad ging als inkt op in de schaduw, waardoor slechts zijn gezicht en handen zichtbaar bleven als een bleek waas. Toen hij sprak, galmden zijn woorden alsof ze werden uitgesproken door een stem die het bevattingsvermogen van de menselijke geest te boven ging. Schuldigen, onschuldigen en toeschouwers gelijk krompen ineen bij het horen van het geluid. 'Wij bevinden ons op de plaats van geweldplegingen,' zei Elgahar tegen de menigte die getuige zou zijn van zijn magie. 'Resonantie van intense passie creëert echo's in de bovennatuur, de staat van energie die parallel loopt met de werkelijkheid. Met mijn bezwering roep ik deze echo's op in zichtbare vorm, opdat alle ogen zullen zien wat er zich heeft afgespeeld tussen de bedienden van de Minwanabi en zijn gaste, Mara van de Acoma.'  

Hij zweeg. Met zijn gezicht verscholen in de kap bleef hij een ogenblik volkomen roerloos staan, toen keerde hij zijn gezicht naar het plafond. Met een hand beschreef hij tekens in de lucht en hij begon aan een spreuk, zo zacht dat zelfs degenen die het dichtst bij hem stonden de woorden niet konden verstaan.

Mara zat doodstil als een tempelbeeld, zich nauwelijks bewust van het flauwe rijzen en dalen van Elgahars stem. De bezwering die hij deed had een vreemde invloed op haar, alsof haar innerlijk zelf werd aangeraakt door een kracht die een stuk van haar geest afscheidde. Naast haar maakte Arakasi een plotselinge beweging, alsof ook hij de magie voelde trekken.  

In het midden van de kamer kwam een zachte blauwwitte gloed op boven de verspreid liggende kussens. Vol verbazing zag Mara in die gloed een vaag, doorschijnend beeld van zichzelf verschijnen, gezeten in de houding die ze had toen Teani binnenkwam. Naast haar zat een lijkbleke schim en allen herkenden het gerimpelde voorkomen van Nacoya.

De gasten mompelden verwonderd. Toen Nacoya zichzelf zag, wendde ze haar gezicht af en maakte een teken om het kwaad af te weren. De Grootheid reageerde er niet op. Abrupt hield hij op met zijn spreuk en hief zijn handen ten hemel. Gevangen in :vallend bleek licht begonnen de gloeiende gedaanten te bewegen.

Het tafereel ontvouwde zich met een spookachtige helderheid, zonder geluid en broos als op water weerspiegeld licht. Mara zag zichzelf spreken en er verscheen een zweem van beweging in de deuropening. De Grootheid bleef roerloos staan toen de omtrek van Teani binnenkwam, dwars door hem heen alsof hij van lucht was. Geschrokken maakten de dichtstbij staande gasten plaats, enkelen zelfs met een kreet.  

Het fantoom van de concubine merkte er niets van. Met spookachtige schoonheid trad ze in de voetsporen van het uur daarvoor en liep naar de kussens voor Mara. De beelden van beide vrouwen namen plaats en zeiden iets. Kijkend naar haar eigen gedaante zag Mara verbaasd hoe kalm ze er in Teani's ogen moest hebben uitgezien. Zelfs nu deed de herschepping van het voorval haar hartslag versnellen en haar handen zweten. De herinnering aan haar verschrikkelijke twijfel wist haar zelfs nu nog bijna te overweldigen, maar niets daarvan was voor Teani zichtbaar geweest en ook de gasten die nu keken naar de vruchten van Elgahars magie kregen de indruk van een jonge, buitengewoon zelfverzekerde vrouw die zich verstond met iemand van ondergeschikte rang. Voor Mara was het nu wel te begrijpen dat de concubine voor haar bluf was gevallen en geloofd had gehecht aan het zogenaamde bewijs dat zij een spion was voor de Anasati.  

Vervolgens zagen alle aanwezigen Teani roepen naar Shimïzu in de gang. Al maakte haar beeld geen geluid, haar lippen waren goed te lezen en een ogenblik later verscheen de slagleider. De woorden die volgden waren niet te herleiden, maar Teani's gezicht veranderde op slag en werd zo dierlijk en primitief dat verscheidene gasten verrast naar adem snakten. Pardoes verliet Shimizu het raamwerk van de bezwering en allen in de kamer zagen Teani een mes uit haar gewaad trekken. Zonder zichtbare aanleiding stortte ze zich op de gedaante van Mara. Wat Jingu ook ter verdeepging mocht aanwenden, het viel nu niet meer te betwijfelen dat de Vrouwe van de Acoma was aangevallen door een bediende van de Minwanabi. Jingu's eed was geschonden.  

Voor het eerst sinds de heugenis van alle heren in het keizerrijk werd Jingu in het openbaar lijkbleek. Er verschenen zweetdruppels op zijn bovenlip terwijl voor zijn ogen het drama van het afgelopen uur zich bleef ontvouwen. Slagleider Shimïzu kwam weer binnen en na een korte, bittere strijd raakte hij licht gewond door Teani's mes. Gefascineerd toekijkend zag iedereen dat hij de concubine door de schermopening smeet. Met een geluidloze klap versplinterde het houten hek en Teani stortte haar dood tegemoet, met nalating van slechts een schimmige indruk van een door haat, afgrijzen en wanhoop verwrongen gezicht in de herinnering van de gasten. Een ogenblik bleef het doodstil in de drukke kamer. Toen, in de veronderstelling dat het drama was voltooid, mompelden enkele gasten onthutst een paar opmerkingen. Van de gelegenheid gebruik makend wierp Mara een blik op de Heer van de Minwanabi.  

Zijn gezicht stond berekenend en in zijn kleine ogen glom een vage hoop. Als Teani zich afvallig had getoond, dan had Shimizu zijn eer gered door haar te doden. Als het beeld hier stopte, was er niets aan de hand. Maar in de schaduw van zijn kap vertoonde het gezicht van de Grootheid strengheid noch medeleven. Zijn bezwering bleef van kracht en in het midden van de kamer draaide de slagleider van de Minwanabi zich om, nam een gevechtshouding aan en deed een stap in de richting van de Vrouwe van de Acoma. Jingu verstijfde alsof hij werd getroffen door de zwaardpunt van een beul. Door Shimizu's brede rug kon niemand in de kamer zien wat vrouwe Mara zei, maar na een korte woordenwisseling ging het zwaard van de krijger omhoog en vlug weer neer. Mara's gedaante rolde naar een hoek. En behoedzaam, heimelijk, begonnen de gasten die naast Jingu stonden van hun gastheer weg te schuifelen, alsof zijn schande door aanraking op anderen kon worden overgebracht. Arakasi's dappere tussenkomst werd tot niet meer dan een naspel, aangezien de ene na de andere gast veroordelend en minachtend de blik vestigde op de Heer van de Minwanabi.  

De beelden hadden duidelijk genoeg gesproken. In een verstikkende stilte prevelde Elgahar een paar woorden en het buitenissige blauwwitte licht doofde. Mara liet weer lucht toe in haar verkrampte longen, nog steeds bevend van de spanning. Het gevaar was nog niet geweken.

Naast de Heer van de Minwanabi stond Almecho, een valse grijns op zijn gezicht. Kostbaar borduurwerk flitste even op toen hij met veel omslag zijn schouders ophaalde. 'Nou, Jingu, dat was toch wel een aanval op een gast te noemen. Eerst het meisje, toen de krijger. Je beschikt wel over enthousiaste dienaren, hè?'

Jingu toonde geen beroering. Verscheurd door emoties die alleen hij kende, keek hij eerst naar Mara, toen naar de gespierde en bloedende gestalte van zijn slagleider. De mensen die het dichtst om hem heen stonden, hoorden hem fluisteren: 'Waarom? Shimizu, je was mijn trouwste krijger. Wat heeft je hiertoe aangezet?'  

Shimizu's lippen krulden van pure wanhoop. Welk excuus hij voor Teani's intriges ook kon noemen, met zijn daden had hij zijn meester al veroordeeld tot het plegen van zelfmoord teneinde de blaam op zijn eer te zuiveren. 'Die heks heeft ons verraden,' zei hij alleen maar, en of hij doelde op Mara of Teani was onduidelijk.

'Krankzinnig rund!' schreeuwde Jingu en zijn felheid was voor alle aanwezigen een schok. 'Stom jong van een zieke teef, je hebt me vermoord!' Zonder erbij na te denken trok hij een dolk vanonder zijn gewaad tevoorschijn en sprong naar voren. Voordat iemand op zijn razernij kon reageren, haalde hij met een zwaai uit naar Shimizu's onbeschermde hals. Uit de doorgesneden slagader spoot een fontein van bloed, spetterend op dure kleren en een kreet ontlokkend aan een oververmoeide vrouwe. Vol verwarring en onbegrip kwam Shimizu wankel overeind, zinloos grijpend naar het leven dat tussen zijn vingers door liep. Zijn brede schouders zakten in toen hij besefte dat zijn eigen dood nabij was. Verraad, leugens, perverse begeerten, misplaatste liefde, dat alles had nu geen betekenis meer. Hij zeeg neer. Welhaast vredig de hand van Turakamu verwelkomend fluisterde hij zijn laatste woorden tot zijn meester. 'Ik dank mijn heer dat hij mij de dood door de kling heeft gegund.'  

Ten slotte knikte Shimizu naar Mara, een zwijgend compliment voor haar overwinning. Toen werden zijn ogen leeg, en de handen die haar kort tevoren het leven wilden ontnemen vielen slap neer. Dood liggend aan de voeten van de gasten vormde hij een passend symbool van Jingu's nederlaag. In het Spel van de Raad was de Heer van de Minwanabi geruineerd.

'Dat was erg impulsief, Jingu,' verbrak Almecho de stilte. 'De krijger had misschien nog meer te zeggen. Jammer.'

Met een ruk draaide de Heer van de Minwanabi zich om. Even leek het erop dat hij de Krijgsheer te lijf zou gaan, maar zijn razernij verdween en hij li!et de dolk vallen. Almecho zuchtte. Terwijl de zwarte gedaanten van de Grootheden weer naast hem kwamen staan, richtte hij zijn blik op Desio, zoon en erfgenaam van de Minwanabi. 'Aangezien de zonsopgang wordt beschouwd als de beste tijd voor dit soort zaken, verwacht ik dat u uzelf de komende uren bezighoudt met de voorbereidingen voor uw vaders rituele boetedoening voor zijn schuld. Ik ga terug naar bed. Als ik opsta, ga ik ervan uit dat u weer wat vrolijkheid hebt weten te brengen in de bende die er van mijn verjaardagsfeest is gemaakt... heer Desio.'

Desio knikte. Met stomheid geslagen begon hij zijn vader weg te voeren. Jingu scheen in trance, de moed verloren, zijn brutale, harde stem gestild, zich inwaarts kerend voor de taak die voor hem lag. Dapper was hij nooit geweest; niettemin moest hij de rol van een Tsuranees heer uitspelen. Het lot had zijn dood verordend en ergens moest hij de kracht vandaan zien te halen om te volbrengen wat er van hem werd verwacht. Maar terwijl zijn vader over de drempel stapte, wierp Desio een laatste blik over zijn schouder naar vrouwe Mara, in zijn blik een duidelijke waarschuwing. Haar kundigheid in het Spel van de Raad mocht dan worden bejubeld, maar gewonnen had ze niet. Ze had alleen de bloedvete overgedragen op de volgende generatie. Mara zag zijn haat en onderdrukte een huivering van afgrijzen. Ze hoefde er niet aan te worden herinnerd dat ze zich nog steeds diep in het hart van het Minwanabi-bolwerk bevond.  

Vlug dacht ze na en voordat de Minwanabi-erfgenaam de openbaarheid kon ontsnappen, riep ze hem na: 'Mijn heer Desio. Minwanabi-bedienden hebben geweld tegen mij gepleegd. Ik verlang een escorte van uw soldaten wanneer ik morgen naar huis vertrek. Het zou een schande zijn wanneer het reinigen van uw familienaam werd besmet doordat de benadeelde gast werd aangevallen door mensen in uw dienst... of door naamloze bandieten of piraten op de rivier.'  

Op pijnlijke en abrupte wijze belast met de verantwoordelijkheden van het regentschap, miste Desio de helderheid van geest om het verzoek beleefd te weigeren. Zich slechts bewust van het leed van zijn vader en de haat jegens de vrouwe die dat had veroorzaakt, nam hij de vormen waarmee hij was opgevoed in acht. De vete tussen de Minwanabi en de Acoma duurde voort, maar in het openbaar verdiende de belediging aan Mara's adres en de smet op zijn familienaam minstens een compenserend gebaar. Na een kort instemmend hoofdknikje vertrok Desio om de voorbereidingen te gaan treffen voor Jingu's rituele zelfmoord.  

Langzaam kwamen de achtergebleven gasten in de kamer in beweging, opmerkingen uitwisselend terwijl een gehavende Arakasi vrouwe Mara overeind hielp. Almecho en de anderen bezagen de Vrouwe van de Acoma met respect. Geen enkele gast geloofde dat de Heer van de Minwanabi zijn bedienden had gestuurd om de Vrouwe van de Acoma botweg te vermoorden. Niemand twijfelde eraan dat de magie van de Grootheid alleen het laatste bedrijf had onthuld van een complex plan van Mara's kant: het Grote Spel van de Raad op zijn subtielste en dodelijkste hoogtepunt. Tegen zelfs de onmogelijkste verwachtingen in had de Vrouwe van de Acoma wraak weten te nemen voor de slag die haar huis bijna te gronde had gericht. Stilzwijgend werd ze door allen gefeliciteerd voor de bekwame wijze waarop ze haar vijand in zijn eigen huis had verslagen.  

Maar een ding had Mara goed geleerd: altijd op haar hoede zijn voor verraad van Minwanabi-zijde. Na even op zachte toon overleg te hebben gevoerd met Arakasi stapte ze naar voren, maakte een eerbiedige buiging voor de Krijgsheer en glimlachte op een manier die haar werkelijk deed stralen. 'Mijn heer, het spijt me dat mijn onvrijwillige rol in deze bloederige aangelegenheden een schaduw heeft geworpen over uw verjaardagsfeest.'  

Eerder geamuseerd dan geïrriteerd keek Almecho haar indringend aan. 'Ik houd u nergens voor verantwoordelijk, vrouwe Mara. Jingu wist straks alle schuld uit die er nog is. Maar toch heb ik het vermoeden dat deze kwestie nog niet ten einde is. Ook al zorgt onze kersverse heer voor een escorte voor de weg naar huis - mijn complimenten voor die handige zet, overigens - u kunt nog steeds op problemen stuiten.'

Mara deed luchtig over het gevaar dat ze liep. Met alle charme die ze had toonde ze haar medeleven met de man die in Tsuranuanni de stem des keizers was. 'Mijn heer, er heeft zich hier zoveel ellende afgespeeld dat uw verjaardag nauwelijks nog met veel luister gevierd kan worden. Hoe Desio ook zijn best zou willen doen, in zijn smart zal hij weinig enthousiasme kunnen opbrengen om de festiviteiten te uwer ere te hervatten. Ook al zijn er landgoederen dichterbij, het mijne ligt aan de snelste route langs de rivier. Laat mij u ter compensatie mijn huis aanbieden voor de laatste handelingen van uw verjaardagsfeest. Indien u besluit mijn gastvrijheid te aanvaarden, zullen mijn staf en ambachtslieden hun uiterste best doen om u te vermaken.'  

Vervuld van heimelijke plannen dacht Mara aan de talentrijke maar onbekende artiesten die op haar bruiloft hadden opgetreden. In ruil voor de destijds betoonde hoffelijkheid zouden ze beslist bereid zijn op korte termijn een optreden te verzorgen en als iemand die nieuwe talenten ter vermaak van de Krijgsheer had ontdekt, zou haar sociale status alleen maar toenemen. En menig waardevol muzikant en kunstenaar zou er een broodnodige beschermheer kunnen opdoen, waardoor ze nog dieper bij haar in het krijt kwamen te staan.

Almecho begon te lachen. 'Scherpzinnig ben je wel, hè, klein vogeltje?' Hij kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Ik moest jou maar eens goed in de gaten gaan houden. Geen enkele vrouw heeft ooit het wit-en-goud gedragen, maar jij... ' Hij knikte. 'Ja, ik hou wel van zo'n stoutmoedig aanbod.' Met luide stem richtte hij zich tot de gasten die nog talmden om de afloop der gebeurtenissen te vernemen. 'We vertrekken bij zonsopgang naar het landgoed van de Acoma.'  

Na een lichte buiging liep hij, geflankeerd door zijn somber geklede magiërs, met ferme tred de deur uit. Zodra hij was verdwenen, stond Mara in het middelpunt van onstuimige belangstelling. In dezelfde kamer waar ze ternauwernood aan moord was ontsnapt, werd ze van alle kanten gefeliciteerd. Ineens niet langer een sociale verschoppeling, een meisje waar de dood al op loerde, ontving ze van de grootste families van het keizerrijk de huldebetuigingen die pasten bij een overwinnaar die de weg wist in het Spel van de Raad.

 

Mara's krijgergevolg werd ruim voor het aanbreken van de dag uit de kazerne geroepen. Aan boord van de Acoma-boot voegden ze zich weer bij hun meesteres. Terwijl land en water nog in duisternis waren gehuld, werd het vaartuig weg van de kade geboomd. Nog steeds opgewonden door de gebeurtenissen van die nacht deed Mara niet eens een poging te gaan slapen, maar bleef bij haar eerste adviseur en haar spionnenmeester aan de reling staan. Met schrijnende smart om het ontbreken van Papewaio keken ze naar de langzaam kleiner wordende lichten in de ramen van het Minwanabi-huis. In de nasleep van de doodsangst en de onverwachte triomf was Mara zowel beverig als opgewonden. Maar zoals altijd snelden haar gedachten vooruit. De gebruikelijke voorbereidingen konden onmogelijk worden getroffen, aangezien de Krijgsheer en alle gasten onaangekondigd het Acoma-landgoed zouden bereiken. Ondanks zichzelf moest Mara glimlachen. Jican zou zich beslist de haren uit het hoofd trekken als hij tot de ontdekking kwam dat zijn staf de verantwoordelijkheid had Almecho's verjaardagsfeest te verzorgen.  

De boot schommelde licht toen de slaven hun vaarbomen verruilden voor riemen en een regelmatige slag inzetten. Hier en daar stonden de soldaten met elkaar te fluisteren. Toen werd het lichter boven het meer en verstomden alle gesprekken. Achter hen nam een kleurrijke vloot van gasten afscheid van de gastvrijheid van de Minwanabi. Nu de waterroutes zo stampvol adellijke getuigen zaten, hoefde Mara niet te vrezen voor een aanval van vijandelijke krijgers, verkleed als bandieten. En bovendien was Desio amper in staat om, naast de voorbereidingen van de ceremonie van zijn vaders rituele zelfmoord, ook nog eens een poging tot een overval op touw te zetten.

Toen de gouden schijf van de zon zich boven de vallei verhief, zagen Mara en de andere edele passagiers op de boten het kleine groepje soldaten op de heuvel bij de contemplatietuin van de Minwanabi: de erewacht voor heer Jingu, die de moed verzamelde om zich op zijn zwaard te laten vallen. Toen uiteindelijk de mannen in oranje wapenrusting gelederen vormden en wegmarcheerden naar het grote huis, fluisterde Mara een dankgebed tot de goden. De vijand die haar vader en broer, en bijna ook haarzelf, had vermoord was eindelijk dood.

Met Jingu's overlijden waren de Minwanabi hun rol als grootste macht na die van de Krijgsheer kwijt, want Desio was een jonge knaap met slechts geringe sociale vaardigheden. Slechts weinigen zagen in hem een waardig opvolger van zijn vader. De opvarenden van de zuidwaarts trekkende boten waren algemeen van oordeel dat de opvolger van de oude heer er de grootste moeite mee zou krijgen de door zijn vader gesmede bondgenootschappen voor uiteenvallen te behoeden, laat staan dat hij in staat was de macht van de Minwanabi te vergroten. Desio kon verwachten dat hij goed in de gaten werd gehouden. Terwijl hij hoedde over het verval van zijn familie zouden alle huizen die eerst bang waren voor de Minwanabi hun krachten scharen achter zijn vijanden. Als niet een van Desio's begiftigder neven aan de macht kwam, was het lot van de Minwanabi bezegeld. Een groot huis was diep gevallen in het Spel van de Raad.  

Tijdens de reis over de rivier dacht Mara daarover na, en ook nog later, toen haar draagkoets door de drukke straten van Sulan-Qu en het rustiger landschap rond het Acoma-domein werd gedragen. Nu de Hoge Raad niet meer door de Minwanabi werd overheerst, stond Almecho onbetwist aan de top, met als enige oppositie de Blauwe-Wielpartij en de Partij voor Vooruitgang. Met haar blik gericht op de versierde koetsen van de edelen die achter haar gevolg aan kwamen, was Mara in gedachten bezig met de waarschijnlijke verschuivingen binnen de politiek. Met een flauw glimlachje besefte ze dat het wijs zou zijn om tijdens de festiviteiten Hokanu van de Shinzawai minstens eenmaal vlak bij haar plaats te laten nemen. Toen moest ze stiekem lachen. Juist op het moment dat ze weer moest gaan nadenken over een huwelijk begon het keizerrijk aan een nieuw rondje bekvechten in de volgende fase van het Spel- dat altijd het Spel van de Raad zou blijven.

Toen Mara haar gedachten met Nacoya wilde delen, zag ze dat de oude vrouw sliep. Nu ze terug waren op vertrouwde bodem kwam de eerste adviseur eindelijk tot rust na de spanning die haar tijdens het verblijf in het Minwanabi-huis had gedreven.

Net op dat moment zei Arakasi: 'Meesteres, er is iets raars verderop.'

Nacoya werd wakker, maar haar klachten bestierven haar in de mond toen ze haar meesteres ingespannen vooruit zag kijken. Boven op de volgende heuvel, aan de grens van het Acoma-gebied, stonden twee krijgers, aan weerskanten van de weg. Links, op Acoma-grond, wachtte een soldaat in het vertrouwde groen van haar eigen garnizoen. Rechts, op land dat toebehoorde aan het keizerrijk, stond de andere soldaat in de rood-met-gele wapenrusting van de Anasati. Toen Mara's stoet in zicht kwam, draaiden beide mannen zich om en schreeuwden vrijwel tegelijk: 'Acoma! Acoma!'

Mara schrok toen haar draagkoets naar links zwenkte Ze keek achterom en zag dat haar dragers plaats maakten zodat de koets van de Krijgsheer naast de hare kon komen. 'U hebt voor een wel zeer zonderling welkomstcomité gezorgd, vrouwe,' riep Almecho boven het lawaai van marcherende voeten uit.  

Totaal verrast antwoordde Mara: 'Mijn heer, ik weet niet wat dit betekent.'  

Even later bereikten ze de top van de heuvel en ze zagen dat een flink stuk verderop nog twee krijgers op wacht stonden, en op grotere afstand weer een tweetal. En boven op de laatste heuvel voor de gebedspoort was een vierde paar te zien. En allemaal gaven ze elkaar de kreet 'Acoma' door. Het nieuws van Mara's terugkeer was haar ver vooruitgesneld.

Mara wendde zich tot Almecho en neigde haar hoofd. 'Met permissie van mijn heer?'

Op Almecho's bruuske hoofdknik gaf de Vrouwe van de Acoma haar dragers de opdracht het tempo te versnellen en ze greep zich vast aan de leuningen toen haar slaven rennend naar voren stoven. Haar krijgersescorte rende mee langs de vertrouwde afgelegen akkers en nidraweiden met de rossige koeien en kalveren. Mara voelde haar borst verkrampen van spanning. Zo ver het oog reikte waren er geen landarbeiders, herders, bodes of wagenmenners te zien. Zelfs de slaven waren er niet. Waar Acoma-arbeiders hard aan het werk hoorden te zijn, stonden gewassen en vee verlaten in de zon.  

'Wat is er aan de hand? Zijn we overvallen?' riep Mara naar de eerste Acoma-soldaat die ze voorbij kwamen, Keyoke's solide aanwezigheid node missend.

Mee rennend naast de dravende slaven bracht de krijger verslag uit. 'Gisteren kwamen de soldaten van de Anasati, meesteres. Buiten de gebedspoort hebben ze het kamp opgeslagen. Opperbevelhebber Keyoke heeft alle soldaten in staat van paraatheid gebracht. De uitkijkposten die hij op de weg heeft geplaatst moesten hem waarschuwen zodra u in zicht kwam, of verslag uitbrengen dat er Minwanabi-soldaten op weg waren.'

'Wees voorzichtig, dochter.' Buiten adem door het schokken van de draagkoets leek Nacoya op het punt om uit te weiden, maar Mara hoefde niet te worden gewaarschuwd. Ze wuifde Keyoke's schildwacht terug naar haar escorte en riep naar de Anasati-krijger die op de heuvel tegenover haar eigen soldaat had gestaan en nu aan de andere kant van de weg met haar draagkoets mee rende.

Antwoorden hoefde hij niet, aangezien geen enkele Anasati-krijger gehoorzaamheid verschuldigd was aan de Vrouwe van de Acoma. Kennelijk had hij het bevel gekregen zich afzijdig te houden, want zwijgzaam bleef hij doorlopen, het gezicht resoluut naar voren gericht, Toen de draagkoets boven op de laatste heuvel kwam, bleek de vallei erachter te zijn bedekt met een deken van bontgekleurde wapenrustingen. Mara's adem stokte in haar keel. Voor haar poort stonden zeker duizend Anasati-krijgers in gevechtsopstelling. Tegenover hen stond, vanaf de andere kant van de lage grenswal, een even groot aantal Acoma-soldaten onder bevel van Keyoke. Hier en daar werden de groene gelederen onderbroken door het glimmende zwart van cho-ja's, klaar om het verdrag met hun koningin na te komen zodra de vrede op het Acoma-terrein werd bedreigd.  

Op het moment dat de draagkoets in zicht kwam, werd er in de vallei druk geschreeuwd. Bij het zien van hun meesteres barstten de Acoma-troepen los in een ongeremd gejuich en tot Mara's verbazing werden ze beantwoord door de strijdmacht van de Anasati. Toen gebeurde er iets waar zelfs de oude Nacoya nog nooit van had gehoord, niet in verhalen, niet in ballades en niet in de overgeleverde historische gebeurtenissen in het Spel van de Raad: de twee legers verbraken hun formaties. Wapens en helmen van zich afgooiend renden ze in een grote menigte naar haar draagkoets.  

Vol verbazing keek Mara toe. Het stof woei op in een verfrissende bries en werd als rook over de vlakte verspreid terwijl zeker tweeduizend schreeuwende soldaten haar koets en eregarde omringden. Met moeite baande Keyoke zich een pad door zijn Acoma-soldaten. Aan Anasati-zijde verscheen een open ruimte en een verblufte Mara zat ineens oog in oog met Tecuma. De Heer van de Anasati droeg de wapenrusting van zijn voorzaten, helderrood met een gele rand, en naast hem marcheerde de gepluimde gestalte van zijn opperbevelhebber.  

De massa krijgers verstomde en met een schok bleven de koetsdragers staan. Hun hese ademhaling klonk hard in de stilte. Keyoke maakte een buiging voor zijn meesteres. 'Mijn vrouwe.'  

Met de eerste beleefde buiging die in vele generaties voor een Acoma-regent werd gemaakt, stapte de Heer van de Anasati naar voren.  

'Mijn heer,' reageerde Mara, een beetje stijfjes vanaf haar zitplaats in de draagkoets. Met een frons van oprechte verwarring vroeg ze haar opperbevelhebber om verslag.

Keyoke rechtte zijn rug en sprak met luide stem, zodat iedereen het kon horen. 'Gisteren, bij het krieken van de dag, waarschuwde de wacht dat er een leger in aantocht was, mijn vrouwe. Ik heb het garnizoen laten aantreden en ben zelf naar de indringers -'

'We hebben het Acoma-gebied nog niet betreden, opperbevelhebber,' onderbrak Tecuma.  

Met een onbewogen blik gaf Keyoke dit toe. 'Dat is zo, mijn heer.' Hij keek weer naar Mara en hervatte: 'Ik werd benaderd door mijn heer van de Anasati, die eiste zijn kleinzoon te zien. In uw afwezigheid heb ik zijn "erewacht" de toegang geweigerd.'

Met een neutraal gezicht keek Mara Ajiki's grootvader aan. 'Heer Tecuma, hebt u uw halve garnizoen als "erewacht" meegenomen?'

'Een derde, vrouwe Mara,' zei Tecuma met een humorloze zucht. 'Halesko en Jiro voeren het bevel over de andere twee derden.' Op dat moment scheen de oude man te weifelen, al wist hij het moment met zijn gebruikelijke finesse te maskeren door zijn helm los te gespen en af te doen. 'Mijn bronnen gaven aan dat u de verjaardag van de Krijgsheer niet zou overleven' - hij zuchtte alsof hij het erg vond dit te moeten toegeven - 'en ik vreesde wat dit voor gevolgen kon hebben, mocht die voorspelling uitkomen. Om te voorkomen dat mijn kleinzoon iets zou overkomen, besloot ik op bezoek te gaan, voor het geval Jingu van plan was de bloedvete tussen de Acoma en de Minwanabi voorgoed tot een einde te brengen.'  

Mara trok haar wenkbrauwen op. 'Dus toen mijn opperbevelhebber u de toegang tot mijn zoon weigerde, besloot u te blijven om te zien wie er als eerste kwam, ik of Jingu's leger.'

'Inderdaad.' Tecuma's handen verstrakten rond zijn helm. 'Waren er Minwanabi-soldaten over die heuvel gekomen, dan zou ik naar binnen zijn gemarcheerd om mijn kleinzoon te beschermen.'

'En dan zou ik u hebben tegengehouden,' zei Keyoke op vlakke toon. Mara staarde beurtelings naar haar opperbevelhebber en haar schoonvader, die elkaar strak aankeken. 'Dan zouden jullie dus Jingu's werk voor hem hebben gedaan.' Geïrriteerd schudde ze het hoofd. 'Het is allemaal mijn schuld. Ik had eraan moeten denken dat de zorg van een grootvader tot een oorlog kon leiden. Maar goed, er is niets om u zorgen over te maken, Tecuma. Uw kleinzoon loopt geen enkel gevaar.' De Vrouwe van de Acoma zweeg even, alsof ze het wonder weer helemaal opnieuw beleefde. 'Jingu is dood, door zijn eigen hand.'

Verrast drukte Tecuma zijn helm over metaalgrijze haren. 'Maar -'

'Ik weet het,' onderbrak Mara hem, 'daar hebt u geen bericht van ontvangen. Spijtig genoeg voor de Anasati is uw "bron" ook dood.'

Tecuma kneep zijn ogen tot spleetjes. Het was duidelijk dat hij dolgraag wilde weten hoe ze Teani had weten te ontmaskeren, maar hij zei niets. Heel stil luisterde hij naar het laatste nieuws dat Mara hem had te vertellen. 'We hebben het verjaardagsfeest van de Krijgsheer hiernaar toe verplaatst, Tecuma. Aangezien u de enige heer was die ontbrak, bent u wellicht geneigd dat euvel te herstellen en de komende twee dagen met ons mee te vieren? Begrijp alleen goed dat ik u met klem verzoek uw erewacht te beperken tot vijftig man, net als iedereen.'  

De oude heer knikte, opgelucht en geamuseerd. Terwijl Mara haar eigen erewacht op montere toon gelastte de mars naar het landgoed te hervatten, keek hij naar haar tengere gestalte met iets van bewondering. 'Het is maar goed dat we geen Minwanabi-soldaten over die heuvel zagen komen, Mara.' Met een blik op de vastberaden krijger naast Mara voegde hij eraan toe: 'Dan zou uw opperbevelhebber vlug tot zwichten zijn gedwongen terwijl het grootste deel van mijn strijdmacht Jingu's leger op afstand hield. Dat zou ik toch niet hebben gewild.'

Keyoke zei niets, maar draaide zich om en gebaarde naar Lujan, die aan het hoofd van de voorste colonne Acoma-soldaten stond. Op zijn beurt zwaaide hij naar een andere soldaat verderop. Toen Mara haar opperbevelhebber nieuwsgierig aankeek, zei Keyoke: 'Ik gaf het teken dat de honderd cho-ja-krijgers die in een hinderlaag lagen terug naar hun korf konden gaan, meesteres. Als u het geschikt acht, zal ik de mannen laten inrukken.'

Mara glimlachte, maar wilde niet hardop lachen om Tecuma's verbijstering toen hij hoorde dat zijn soldaten honderd cho-ja-krijgers tegenover zich zouden hebben gevonden als ze zich langs de Acoma-gelederen hadden gevochten.  

'Handhaaf een erewacht om onze gasten te begroeten, Keyoke,' zei ze.

De opperbevelhebber salueerde en vertrok om te doen wat hem was opgedragen.

'Grootvader van mijn zoon,' zei Mara tegen Tecuma, 'als u uw troepen hebt herordend, wees dan alstublieft mijn gast.' Met die woorden gaf ze haar dragers het teken haar naar huis te dragen.  

Tecuma keek haar na. Zelfs zijn smeulende haat om Bunto's dood had tijdelijk plaatsgemaakt voor verwondering. Hij keek de weg af naar de naderende stoet gasten en was blij dat de problemen van het voeden, onderbrengen en vermaken niet de zijne waren. Die kleine hadonra -Jican toch? - zou vast en zeker uit elkaar ploffen. 

 

Maar Jican plofte niet uit elkaar. Al vóór de soldaten op wacht had hij van Mara's terugkeer vernomen, aangezien hij de roddels had gehoord van een gildekoerier die met ijlberichten van een koopman was gekomen. De bode had het gerucht verteld dat er grote hoeveelheden boten van edellieden in Sulan-Qu lagen aangemeerd, met daartussen het wit-en-goud van de Krijgsheer prominent aanwezig. In de paniek die op het verschijnen van Tecuma's leger volgde, had hij er niet aan gedacht het nieuws door te spelen naar Keyoke en de krijgers. In plaats daarvan was hij naar het grote huis gegaan, waar alle vrije arbeiders, slaven en ambachtslieden al bijeen waren om Ajiki te verdedigen, voor het geval dat de Anasati-krijgsmacht wist door te breken. Daar had hij iedereen aan het werk gezet om linnengoed te verschonen en fruit te pellen in de keuken. In de aldus ontstane drukte van jewelste arriveerde Mara en haar erewacht.  

'Dus daar zijn al mijn landarbeiders!' riep de Vrouwe van de Acoma uit toen de dragers haar koets neerzetten in de voortuin. Inmiddels kon ze haar pret niet meer inhouden, want haar kleine hadonra had buiten adem verslag uitgebracht, nog steeds gekleed in afgekeurde stukken wapenrusting uit de voorraadschuren, met als helm een pot uit de keuken. De bedienden die zich van de slachthokken naar de keukens repten waren op gelijke wijze uitgerust en overal verspreid stonden de spaden, harken en zeisen die ze als wapens zouden hebben gebruikt. Mara's lachbui werd onderbroken door een norse klacht van Nacoya, die haar buik vol had van draagkoetsen en boten en verlangde naar een goed heet bad.  

'Doe gerust wat je wil, moeder van mijn hart. Wc zijn thuis.'

En alsof er een zware steen van haar schouders werd gelicht, wist de Vrouwe van de Acoma dat dat werkelijk waar was, voor het eerst sinds ze naar de Heilige Stad Kentosani was vertrokken.

 

Jican had zich weer omgekleed. Nog bezig met het knopen van de veters van zijn livrei rende hij als een bezetene van het grote huis naar de grasvelden, waar enorme paviljoens werden opgezet om enkele honderden heren, vrouwen, erfgenamen, eerste adviseurs, lijfwachten en talrijke bedienden in onder te brengen. In het grote huis was er nauwelijks nog plaats om te lopen, zo druk was het in de gastenverblijven met Almecho's naaste verwanten en Keizerlijke Witten. De keur der bedienden werd gehuisvest in de kazerne bij de soldaten en de rest ging naar de slavengebouwen. De slaven en de onfortuinlijke vrije mensen die door het lot waren aangewezen, sliepen drie nachten onder de sterren. Mara vond de loyaliteit van haar bedienden en soldaten hartverwarmend. Ondanks de chaos en de opschudding van haar thuiskomst, klaagde niemand. Zelfs de huisbedienden hadden klaargestaan om Ajiki te verdedigen, al zouden ze met hun landbouwwerktuigen en keukenmessen geen partij zijn geweest voor de wapens van geoefende soldaten. Hun dapperheid was er echter niet minder om en hun trouw ging veel verder dan hun plicht.  

Geroerd door hun toewijding keerde Mara terug naar de voortuin nadat ze vlug schone kleren had aangetrokken. Precies op dat moment arriveerde het gevolg van de Krijgsheer in vol ornaat. Met machinale precisie escorteerden de Keizerlijke Witten hun meester van de draagkoets naar de veranda en onder trompetgeschal en tromgeroffel maakte Almecho, de hoogste macht onder keizer Ichindar, zijn formele opwachting bij de Vrouwe van de Acoma.  

Mara maakte een sierlijke buiging. 'Mijn heer, wees welkom in ons huis. Moge uw bezoek hier u rust, vrede en verfrissing brengen.'

De Krijgsheer van heel Tsuranuanni maakte een lichte buiging. 'Dank u. Maar zou u het wat minder formeel kunnen houden dan... onze vorige gastheer deed? Een dagenlang feest kan nogal vermoeiend zijn en ik zou graag in de gelegenheid komen om met u onder vier ogen te spreken.'

Mara knikte beleefd en beduidde haar eerste adviseur de twee magiërs in zwart gewaad te begroeten en naar hun verblijven te brengen. Met trots geheven hoofd nam de oude vrouw hen op haar onvervangbare moederlijke manier onder haar vleugels en troonde hen mee alsof ze al heel haar leven gewend was met afgezanten van de Assemblee der Magiërs om te gaan. Hoofdschuddend verwonderde Mara zich over Nacoya's opmerkelijke veerkracht. Toen liet ze zich door de Krijgsheer bij de arm nemen en liepen ze getweeën naar de vredige stilte van de binnentuin waar Mara bij voorkeur mediteerde.  

Bij de ingang stonden vier krijgers op wacht, twee in het groen en twee in het wit van de Keizerlijke Garde. Stilstaand bij de rand van de fontein zette de Krijgsheer zijn helm af, sprenkelde wat water over zijn vochtige grijze haar en keek de Vrouwe van de Acoma aan. Buiten gehoorafstand van gasten en bedienden zei hij: 'Ik moet je mijn complimenten maken, meisje. Je hebt de afgelopen twee jaar je karakter wel getoond in het Spel.'

Mara knipperde met haar ogen, niet zeker of ze begreep waar hij naar toe wilde. 'Heer, ik heb alleen gedaan wat nodig was om mijn vader en broer te wreken en het bestaan van mijn huis veilig te stellen.'

Almecho schoot in de lach. Het geluid deed kleine vogeltjes uit de boomtoppen opvliegen. 'Vrouwe, dacht u dan dat het Spel iets anders was dan een onophoudelijke poging zelf in leven te blijven terwijl je je vijanden uitschakelt? Terwijl de anderen in de Hoge Raad al babbelend over dit en dat bondgenootschap een beetje hebben rondgefladderd, hebt u uw op een na machtigste rivaal geneutraliseerd - welhaast tot een schoorvoetend bondgenoot gemaakt - en uw machtigste vijand vernietigd. Als dat geen meesterlijke zege in het Spel is, dan weet ik het niet meer.' Even aarzelde hij. 'Die hond van een Jingu werd een beetje te ambitieus. Volgens mij was hij van plan zich te ontdoen van drie tegenstanders: u, de Heer van de Anasati en daarna mij. Tecuma en ik staan een weinig bij u in het krijt, denk ik, ook al hebt u beslist niet ten behoeve van ons gehandeld.' Bedachtzaam liet hij een paar vingers door het water glijden. Het wateroppervlak werd door kleine strominkjes beroerd; zo ook stroomden er altijd intriges onder de normale gang van zaken in het keizerrijk. De Krijgsheer keek haar indringend aan. 'Voordat ik u verlaat, wil ik u dit laten weten: ik zou Jingu u hebben laten vermoorden, als dat uw lot was. Maar nu ben ik blij dat u leeft en hij niet. Toch gaat mijn genegenheid niet diep. Denk niet dat ik uw ambitie minder gevaarlijk acht omdat er nog nooit een vrouw is geweest die het wit-en-goud heeft gedragen, Mara van de Acoma.'  

Enigszins overweldigd door deze bevestiging van haar bekwaamheid en moed, zei Mara: 'U vleit mij te veel, heer. Ik heb maar één ambitie, en dat is mijn zoon in vrede zien opgroeien.'

Almecho zette zijn helm weer op en wenkte zijn soldaten. 'In dat geval weet ik het niet,' peinsde hij, half in zichzelf. 'Wie is het meest te vrezen: iemand die handelt uit ambitie of iemand die handelt om in leven te blijven? Ik geloof graag dat we bevriend kunnen zijn, Vrouwe van de Acoma, maar mijn intuïtie zegt me dat u gevaarlijk bent. Dus laten we maar zeggen dat we voorlopig geen reden hebben om in onenigheid te leven.'

Mara maakte een buiging. 'Daar ben ik erg dankbaar voor, mijn heer.'

Almecho boog terug en vertrok met zijn erewacht om in bad te gaan. Toen Mara hem de tuin uit volgde, zag Keyoke haar en kwam meteen naar haar toe. 'Pape...' zei hij.

Mara knikte, met hem meelevend. 'Hij is gestorven als een krijger, Keyoke.'

Op het gezicht van de opperbevelhebber was niets te zien. 'Om meer kan een man niet vragen.'

In de wetenschap dat Nacoya op voortreffelijke wijze de honneurs waarnam met de gasten, zei Mara: 'Loop even mee naar de tuin van mijn voorouders, Keyoke.'

Zijn tred aanpassend aan die van zijn meesteres liep de opperbevelhebber van de Acoma mee naar een zijdeur en deed die zwijgend open. Toen ze het grote huis verlieten, werd het gepraat van de gasten en bedienden vervangen door vogelzang. Mara zuchtte. 'We hebben een nieuwe eerste slagleider nodig.'  

'Uw wil, meesteres,' zei Keyoke.

Maar Mara hield haar mening voor zich. 'Wie is de beste voor die post?'

Met ongewone expressiviteit gaf Keyoke antwoord. 'Ik vind het erg het te moeten zeggen, maar ondanks zijn neiging tot onbetamelijk gedrag is Lujan nog de beste. Tasido is al langer bij ons en bovendien een beter zwaardvechter ... maar op het gebied van tactiek, strategie en leidinggeven is Lujan een van de besten die ik heb gezien sinds...' - hij aarzelde - 'wel, sinds uw vader.'

Mara trok haar wenkbrauwen op. 'Zo goed?'

Keyoke glimlachte en zijn humor was zo onverwacht dat Mara stil bleef staan. 'Ja, zo goed,' hoorde ze haar opperbevelhebber zeggen. 'Het is een geboren leider. Daarom raakte Papewaio ook zo snel op die schurk gesteld. En als uw eerste slagleider nog had geleefd, zou hij u hetzelfde hebben verteld. Was de Heer van de Kotai niet ten onder gegaan, dan zou Lujan inmiddels vast al opperbevelhebber zijn geweest.' De zweem van pijn in Keyoke's stem maakte Mara duidelijk in hoeverre Papewaio als een zoon voor deze oude veteraan was geweest. Toen kreeg zijn Tsuranese zelfbeheersing weer de overhand en was de oude krijger weer zoals ze hem altijd had gekend.

Blij met zijn keus zei Mara: 'Benoem dan Lujan tot eerste slagleider en promoveer een wachtleider tot zijn post.'

Ze liepen langs de bomen waar Papewaio op zijn knieën had gelegen, vragend om zich met zijn zwaard van het leven te mogen benemen. Met een steek van verdriet om zijn verscheiden overwoog Mara wat er had kunnen gebeuren als ze de traditie met betrekking tot de zwarte hoofddoek van de veroordeelde geen nieuwe inhoud had gegeven. Er liep een rilling over haar ruggengraat. Hoe breekbaar was de draad waarlangs haar leven zich had ontsponnen.  

Ineens bleef Keyoke staan. Verderop bevonden zich de heggen van de ingang naar de boomgaard en volgens de traditie mocht de opperbevelhebber tot op dat punt met haar mee en niet verder. Toen zag Mara dat er voor de ingang naar de heilige boomgaard van haar voorouders een eenzame gestalte op haar stond te wachten. De vertrouwde rood-met-gele helm in zijn handen glansde in het koperen licht van de late namiddagzon en in de schede aan zijn zijde zat geen wapen.  

Vriendelijk gaf ze haar opperbevelhebber permissie om te gaan en stapte toen op de Heer van de Anasati af.

Tecuma had geen erewacht meegebracht. De wapenrusting met het rood-en-geel van zijn familie kraakte in de stilte toen hij haar begroette. 'Mijn vrouwe.'

'Mijn heer,' beantwoordde Mara zijn lichte buiging. Ze merkte dat de vogels in de bomen waren opgehouden met zingen door de naderende zonsondergang.

'Ik hoopte al u hier te vinden. Aangezien de vorige keer dat wij elkander spraken ook hier was, achtte ik het gepast op dezelfde plek een nieuw begin te maken.' Hij wierp een blik op de kwebbelende menigte gasten in de voortuin en de af en aan lopende bedienden. 'Ik had verwacht dat ik de volgende keer dat ik dit gras betrad, krijgers in het oranje zou zien zwermen in plaats van feestvierders die zijn gekomen om u te eren.'  

'Ze komen hier om de Krijgsheer te eren,' corrigeerde Mara.

Tecuma bekeek het gezicht van zijn schoondochter alsof hij haar voor de eerste keer echt zag. 'Nee, vrouwe. Ze vieren Almecho's verjaardag, maar in werkelijkheid eren ze u. Veel liefde zal er tussen ons nooit zijn, Mara, maar we hebben Ajiki gemeen. En ik durf te geloven dat we respect voor elkaar hebben.'

Mara maakte een buiging, dieper dan ooit tevoren. In alle oprechtheid zei ze: 'Dat hebben we zeker, Tecuma. Spijt heb ik nergens van, behalve dan dat er goede mensen hebben moeten lijden...' 'Ze dacht aan haar vader, haar broer, aan Papewaio en zelfs aan Buntokapi, en voegde eraan toe: 'En moeten sterven. Wat ik heb gedaan, was voor de Acoma en op een dag is dat allemaal voor Ajiki. Ik hoop dat u dat kunt begrijpen.'

'Dat kan ik.' Tecuma maakte aanstalten om te vertrekken, maar keek toen Mara weer aan. 'Dat kan ik echt. Misschien dat ik, als Ajiki volwassen is geworden en regeert, het over mijn hart kan verkrijgen om te te vergeven wat u hebt gedaan.'

Mara verbaasde zich over de vreemde wendingen die de gebeurtenissen in het Spel van de Raad konden nemen. 'In ieder geval ben ik blij dat we voorlopig geen reden hebben om met elkaar in onmin te leven,' zei ze.  

'Voorlopig niet, nee.' Tecuma zuchtte, met in zijn houding iets van spijt. 'Als u mijn dochter was geweest en Bunto de zoon van heer Sezu... Wie weet wat er dan mogelijk was geweest?' Met een ferm gebaar, alsof hij de kwestie voorgoed van zich af zette, drukte hij de helm op zijn hoofd. Zijn haar stak in scheve pieken over zijn oren en de versierde kinriem bungelde tegen zijn hals, maar hij zag er niet in het minst belachelijk uit. Eerder was hij het toonbeeld van een regent, met een lang leven achter de rug en nog jaren te gaan, een wijs meester met kennis en ervaring. 'U bent een waar dochter van het keizerrijk, Mara van de Acoma.'  

Niet wetend wat daarop te antwoorden, maakte Mara alleen een diepe buiging om deze lof in ontvangst te nemen. Overweldigd door emoties zag ze Tecuma terug naar zijn gevolg lopen. Helemaal alleen betrad ze de contemplatietuin van haar voorouders.

Het pad naar de natami zag er net zo uit als altijd. Neerzijgend op de koele aarde op de plek waar menig voorouder reeds had geknield, liet Mara haar vingers over de in het steen gebeitelde shatra glijden. Zacht, maar met een stem die beefde van vreugde, zei ze: 'Rust zacht, mijn vader, en ook jij, mijn broer. Hij die jullie van het leven heeft beroofd is nu tot as vergaan en jullie bloed is gewroken. De eer van de Acoma is ongeschonden en de familielijn behouden.'

Toen kwamen ongevraagd de tranen. Jaren van angst en pijn vielen van haar af.

Hoog in de lucht klonk de fluitende roep van een shatra, de zwerm uitnodigend voor de vlucht ter viering van de zonsondergang. Mara huilde zonder zich in te houden, tot het lantarenlicht door de heggen gloeide en de geluiden van de festiviteiten naar de tuin dreven. Al haar inspanningen hadden vruchten afgeworpen. Voor het eerst sinds Keyoke haar uit de tempel had gehaald, wist ze weer wat vrede was. En ergens op het Grote Wiel rustten nu haar vader en broer in vrede, hun trots en eer hersteld.

Met een diep gevoel van voldoening en triomf stond Mara op. Ze had een huis vol gasten te verzorgen... en ook het Spel van de Raad ging door.