15. Aan het Zilvermeer
Een overweldigend mooi landschap ontrolde zich voor de ogen van de blanken toen ze na een paar dagen het doel van hun veelbewogen tocht naderden. Hun weg voerde door een langzaam oplopende canyon tussen machtige, hoge rotsmassa’s van een haast verblindende kleurenpracht. Reusachtige piramiden van zandsteen stonden er aaneengerijd of coulissenvormig achter elkaar en rezen in lagen en verdiepingen van volkomen verschillende tinten ten hemel. Soms hadden deze piramiden gladde loodrechte wanden, soms ook waren ze, met hun vele pijlers, vooruitspringende hoeken en kanten te vergelijken met burchten. De zonnestralen vielen schuin over deze fantastisch gevormde scheppingen van de natuur zodat de kleuren opgloeiden.
Er waren rotsen in felblauwe tinten en andere van een diep goudachtig rood. Daartussen zagen ze weer gele, olijfgroene en warm koperkleurige lagen, terwijl in de groeven een wazig blauwe schaduw hing. Maar al deze pracht die de toeschouwer haast overweldigde, had toch iets doods. Het leven, de beweging ontbrak. Er vloeide geen druppeltje water tussen het gesteente, geen grassprietje vond voedsel op de diepe bodem en ook langs de strakke wanden was geen twijgje of blad te bekennen; het weldadige groen ontbrak volkomen. Dat hier toch wel eens water stroomde en zelfs in geweldige hoeveelheden was duidelijk te zien aan de sporen die het gesteente aan weerskanten vertoonde. In die tijd van het jaar vormde de nu kurkdroge canyon de bedding van een rivier die zijn woest stromende wateren in de Colorado stortte. Dan was de kloof wekenlang voor de mens ontoegankelijk en zou zelfs geen Indiaan of ervaren jager zich met de zo tere, kwetsbare kano op de kolkende golven wagen. De bodem van de canyon bestond dan ook uit een dikke laag rondgeslepen stenen en met zand opgevulde tussenruimten. Het was een moeilijk begaanbaar pad want de ronde stenen schoven telkens onder de hoeven van de paarden weg en de dieren werden zo moe dat er van tijd tot tijd halt gehouden moest worden om ze wat rust te gunnen.
Old Shatterhand, Old Firehand en Winnetou reden voorop.
Old Firehand lette met bijzondere aandacht op de omgeving.
Op een plek waar twee geweldige rotspijlers elkaar boven raakten en beneden een ruimte open lieten die nauwelijks drie meter breed was en verderop nog smaller scheen te worden, hield hij zijn paard in, tuurde scherp en zei: ‘Hier moet ik uitgekomen zijn, die keer dat ik de ader ontdekt had. Eerst maar eens goed kijken. Het is heel goed mogelijk dat ik me vergis.’
Hij wilde van zijn paard stappen voor een nader onderzoek, maar de Apache had zich reeds naar de nauwe opening gewend en nodigde het gevolg op zijn rustige, besliste wijze uit: ‘Willen mijn broeders mij maar volgen? Hier begint de weg waarmee we een groot stuk afsnijden. Ook is het daar voor de paarden veel makkelijker lopen dan op het losse gesteente van de canyon.’
‘Kent Winnetou deze spleet dan?’ vroeg Old Firehand verrast.
‘Ja, eerst wordt hij smaller, dan verbreedt hij zich tot een gladde rotsvlakte, een geweldige, langzaam oplopende vloer.’
‘Dat klopt! Dan zijn we bij de goede plek. Die rotsvlakte loopt meer dan honderd meter op. En wat komt er dan? Weet je dat?’
‘Het plateau eindigt plotseling bij een afgrond die loodrecht naar een grote ketel voert, van waar dan weer een smalle, kronkelende kloof omhoog loopt naar het brede, mooie dal van het Zilvermeer.’
‘Ja, dat klopt ook. Heb je ook iets bijzonders ontdekt in dat keteldal?’
‘Nee. Daar is niets, helemaal niets te vinden, geen water, geen gras, geen dier. Er kruipt zelfs geen mier of kever over de eeuwig droge stenen.’
‘Dan wil ik toch bewijzen dat er wel iets te vinden is, iets dat veel kostbaarder is dan water en gras.’
‘Bedoelt Old Firehand de zilverader die hij ontdekt heeft?’
‘Om deze rotsketel heb ik die lange rit ondernomen. Voorwaarts, laten we hier ingaan!’
Ze reden de spleet in, achter elkaar want er was geen plaats voor twee. Maar al gauw weken de rotswanden uiteen en nu zagen de ruiters een geweldige rotsvlakte voor zich die een driehoek vormde tussen de geleidelijk aan wijkende muren, met de onderste punt tegen de kloof en langzaam oplopend naar de basis die als een scherpe, kaarsrechte lijn tegen de lichte lucht afstak.
Deze was nu het eerste doel van hun rit. Het was alsof de paarden een reusachtig dak moesten beklimmen. Toch was de stijging niet zo sterk dat ze er veel last van ondervonden. Het duurde wel een uur voor de troep boven aankwam en nu zagen ze een mijlenlang rotsplateau dat zich naar het westen uitstrekte, met op de voorgrond de diepe ketel waarvan Old Firehand en Winnetou gesproken hadden. Van boven konden ze vanuit de ketel een donkere streep naar links, naar het zuiden zien lopen.
Dat was de bedoelde kloof waardoor ze van het keteldal uit het Zilvermeer konden bereiken.
Maar nu moesten ze de diepte in. Het terrein liep zo steil af dat ze de paarden bij de teugel moesten nemen. Af en toe was het werkelijk gevaarlijk. De gevangenen waren van hun paarden gehaald en van hun voetboeien bevrijd. Beneden moesten ze weer opstappen en zich laten vastbinden. Nu wilde Old Firehand zijn metgezellen zijn vondst tonen. Maar de Utes mochten hier niets van weten. Daarom werden ze een eind weegs de kloof ingebracht en een paar rafters gingen mee om hen te bewaken.
De anderen waren niet te paard gaan zitten. Het bericht dat ze nu bij de lang verwachte vindplaats waren had een hele opwinding teweeggebracht.
De ketel had een doorsnede van ten minste één Engelse mijl.
De bodem bestond uit zand vermengd met gladgeschuurde stenen tot de grootte van een vuist. Patterson, de ingenieur, keek onderzoekend rond en gaf toen als zijn mening te kennen:
‘Het kan zijn dat we hier op een rijke bonanza stoten. Wanneer hier inderdaad edel metaal ligt, dan is het waarschijnlijk in grote hoeveelheden voorradig. Deze geweldige uitholling is in de loop der eeuwen uitgewassen. Het water stroomde door de kloof van het zuiden hierheen en vormde, omdat het niet verder kon, een kolk die de stenen los sloeg en tot zand en kiezel schuurde. De grond waarop we staan wordt door het meegespoelde gesteente gevormd en moet ook de uitgewassen metalen bevatten die dan onder het zand liggen omdat ze het zwaarst zijn. Als we een paar meter diep graven kunnen we zien of onze reis de moeite waard was of niet.’
‘We hoeven niet te graven. Als we bewijzen kunnen dat de wanden van dit voormalige bassin het gezochte metaal bevatten, is dit al voldoende,’ antwoordde Old Firehand.
‘Zeker! Bevatten de wanden zilver, dan ligt het zeker ook volop onder het zand.’
‘Kom dan mee! Ik zal jullie het bewijs leveren.’ Old Firehand liep voorop. De anderen volgden in de grootste spanning.
‘Neef, mijn hartje gaat van rikketikketik,’ bekende Hobble-Frank. ‘Als we hier zilver vinden dan stop ik al mijn zakken vol en reis naar huis, naar Saksen. Daar laat ik dan op het liefelijke Elbestrand een zogenaamde villa bouwen en ga van de morgen tot de avond met mijn hoofd uit het raam hangen om de mensen te laten zien wat een voorname, aanzienlijke kerel ik geworden ben.’
‘En ik,’ zei Frolic, ‘koop een boerenbedrijf met twintig paarden en tachtig koeien en geiten. Dan maak ik alleen maar kwark en geitenkaas want dat is het belangrijkste in Altenburg.’
Old Firehand was nu bij de rotsmuur aangekomen die hier uitgesleten en brokkelig was. Hij haalde er een losse steen uit, nog een en nog een paar totdat er een scheur te zien kwam die door de stenen afgesloten was geweest. Deze scheur was door natuurlijke invloeden ontstaan en, wat duidelijk te zien was, kunstmatig verbreed. Old Firehand stak er zijn hand in terwijl hij zei: ‘Van wat ik hier vond heb ik een monster meegenomen en laten onderzoeken. Nu wil ik eens zien of het deskundig rapport van ingenieur Patterson hetzelfde is.’
Toen hij zijn hand weer terugtrok was deze gevuld met een wit, bruinachtig uitgeslagen, draadvormig voorwerp dat hij de ingenieur overhandigde. Nauwelijks had deze er een blik op geworpen of hij riep luidkeels uit: ‘Hemel ja! Dat is zuiver, gedegen zilver! En zat dat ook oorspronkelijk in die scheur?’
‘Ja, de hele spleet was ermee opgevuld. Hij schijnt diep in de rots door te lopen en zeer rijk te zijn aan metaal.’
‘Dan kan ik u verzekeren dat dit een geweldig rijke exploitatie kan worden. Er zijn hier stellig nog meer van die barsten en kloven met zuiver zilver.’
Old Firehand glimlachte en haalde een tweede, nog veel groter voorwerp te voorschijn. Het was een stuk erts tweemaal zo groot als een vuist. Patterson bekeek het nauwkeurig en riep toen uit: ‘Een chemisch onderzoek zou natuurlijk veiliger zijn maar ik durf er toch zo al op te zweren dat we hier met zilverchloride, dus zilvererts of kerargyriet te doen hebben!’
‘Dat klopt. De chemische analyse wees ook op zilverchloride.’
‘Van hoeveel procent?’
‘Vijfenzeventig procent zuiver zilver.’
‘Wat een vondst! Het is trouwens bekend dat er in Utah vooral veel kerargyriet voorkomt. Waar ligt de door u bedoelde ader?’
‘Meer naar achteren aan de andere zijde van de ketel. Ik heb hem achter een hoge stapel stenen verstopt.’
‘Mr. Firehand, hier ligt voor miljoenen en de ontdekker is een rijk man!’ riep Watson, de voormalige ploegbaas.
‘Alleen de ontdekker? Nee, jullie zullen er allemaal in delen. Ik ben de ontdekker, mr. Patterson de ingenieur, en jullie helpen allemaal mee bij de ontginning. Daar heb ik jullie juist voor meegenomen. De arbeidsvoorwaarden en het deel dat ieder krijgt, zullen we nog nader bespreken.’
Deze woorden werden met gejuich ontvangen, een gejuich waar haast geen einde aan scheen te zullen komen. De meesten wilden al direct op verder onderzoek uitgaan maar Old Shatterhand hield hen tegen met de waarschuwing: ‘Niet zo haastig, gentlemen! We moeten eerst nog aan iets anders denken. We zijn hier namelijk niet alleen.’
‘Maar we zijn de roodhuiden vóórgekomen,’ merkte de Engelsman op.
‘We zijn ze inderdaad voor, maar niet veel. De Navajo’s zullen nauwelijks een paar uur na ons bij het Zilvermeer zijn en ze worden natuurlijk op de voet gevolgd door de Utes. We hebben dus geen tijd te verliezen voor het nemen van maatregelen.’
‘Zo is het,’ bevestigde Old Firehand. ‘Maar ik zou toch nog wel willen weten of de exploitatie veel moeilijkheden zal opleveren. Om ons dat te vertellen zal mr. Patterson hoogstens een paar minuten nodig hebben.’
De ingenieur liet zijn blikken onderzoekend over de omgeving gaan en informeerde toen: ‘Hoe ver ligt het Zilvermeer hier vandaan?’
‘We kunnen er in twee uur zijn.’
‘Ligt het hoger dan deze plek?’
‘Belangrijk hoger.’
‘Dus het nodige verval voor het onontbeerlijke water is voorhanden. Maar we hebben pijpleidingen nodig, al was het voorlopig maar van hout. Staat hier hout?’
‘Massa’s. Het Zilvermeer ligt midden in de bossen.’
‘Prachtig. Misschien hoeven we de pijpleiding niet over het hele stuk te leggen. We kunnen namelijk een stuk hogerop een stuwmeer maken. Van het Zilvermeer kunnen we het water gewoon naar het stuwmeer laten vloeien, maar verder moet het dan door pijpen, om de nodige druk te krijgen.’
‘O, voor het spuiten?’
‘Ja, we moeten ons natuurlijk wel hoeden het gesteente met houweel en kapmes te lijf te gaan. Met water laten we het springen en alleen daar waar de waterdruk niet helpt nemen we onze toevlucht tot kruit. Ook de metaalhoudende bodem hier behandelen we met water.’
‘Maar dan moet het water ook een afvoer hebben anders loopt de ketel vol en kunnen we niet werken.’
‘Juist, de afvoer! Die moet eerst gemaakt worden. Ik denk dat we voorlopig wel met een pomp het water tot op de hoogte kunnen krijgen waar wij vanaf zijn gekomen. Daar loopt het dan wel vanzelf naar beneden en door de spleten naar de canyons. Daar hebben we natuurlijk machines voor nodig, maar dat is niet het ergste. Over twee maanden kan alles wat we nodig hebben hier zijn. Maar één punt is er waar we nog niet mee klaar zijn: aan wie behoort deze grond?’
‘Aan de Timbabaches. Winnetou zal zijn invloed aanwenden om hem te kunnen kopen en dat laat ik dan direct bij de regering registreren.’
‘Dan zit het wel goed. De hoofdzaak is de mogelijkheid, het water van het meer hier te krijgen en daarom zal ik eens goed uitkijken tijdens de rit die we nu gaan maken. Laten we maar verder rijden!’
De smalle spleet die Old Firehand geopend had werd weer afgesloten. Daarna bestegen ze hun paarden om de onderbroken tocht voort te zetten.
Ze trokken door een soort holle weg waar de gevangen roodhuiden en hun bewakers gewacht hadden. Het was een in vroegere tijden door het water in de rots uitgesleten goot met een groot aantal bochten en drie tot zes meter breed. Ook hier was geen plantengroei. De vroegere stroom was geheel en al uitgedroogd en bevatte misschien alleen in het voorjaar een weinig water, niet genoeg om enige vruchtbaarheid aan de bodem te geven. Ze hadden het Zilvermeer nog niet bereikt toen de voormalige beekbedding plotseling breder werd en een soort door rotsen omgeven platform vormde met in het midden een vijvertje. Hier groeide gras, voor het eerst na die lange tocht.
De paarden hadden van de hitte, het watergebrek en de slechte weg erg geleden. Ze gehoorzaamden niet meer aan de teugel: ze wilden eten. Daarom stegen de ruiters af om hun de gelegenheid hiertoe te geven. Ze gingen in groepjes bij elkaar zitten en praatten over de rijkdommen die ze hier hoopten te verzamelen.
De ingenieur had onderweg zijn ogen goed de kost gegeven. Nu deelde hij hun zijn bevindingen mee: ‘Tot nog toe ben ik meer dan tevreden. De holle weg biedt niet alleen ruimte voor de waterleiding maar ook voor het vervoer van wat wij nodig zullen hebben. Ik moet zeggen dat de natuur ons heel vriendelijk tegemoet komt.’
‘Zeg!’ zei Hobble-Frank terwijl hij zijn neef een por in zijn ribben gaf. ‘Heb je ’t gehoord. Die villa van mij wordt wel wat!’
‘En mijn boerenbedrijf ook! Verheug je, Altenburg, als je beroemdste zoon thuiskomt met een geldzak van wel twintig el lang! Neef, kom hier, ik moet je omhelzen!’
‘Nog niet,’ weerde Frank af, ‘ik ben …’
Hij werd onderbroken door de ingenieur die bezorgd uitriep: ‘Ellen! Waar is Ellen? Ik zie haar niet!’
Het meisje had hier sedert twee dagen niet alleen het eerste gras maar ook de eerste bloemen gezien en zich, zoals alle meisjes, gehaast er een paar te plukken. De vochtigheid van het dichtbijgelegen meer doordrong de aarde tot hiertoe. Daarom begon hier een plantengroei die naar boven toe steeds weelderiger werd en zelfs de holle weg naar het meer bekleedde. Al plukkend ging Ellen verder en verder, tot ze bij een bocht kwam. Juist wilde ze omkeren toen er drie mannen de hoek omkwamen, drie gewapende Indianen. Het meisje verstijfde van schrik, wilde om hulp roepen maar kon geen geluid over haar lippen brengen.
Door zijn opvoeding bezit iedere Indiaan tegenwoordigheid van geest. In iedere situatie handelt hij snel en beslist. Nauwelijks ontwaarde het drietal het meisje of twee ervan wierpen zich op haar. De ene hield zijn hand over haar mond, de andere zei in gebroken Engels terwijl hij haar met zijn mes dreigde: ‘Stil, anders dood.’ De derde sloop verder om te onderzoeken bij wie het blanke meisje hoorde, want het sprak wel vanzelf dat ze hier niet alleen was. Na nauwelijks twee minuten was hij al weer terug en siste zijn makkers een paar woorden toe die Ellen niet verstond. Toen werd ze meegesleept zonder dat ze een kik durfde te geven. Even later kwamen ze bij het einde van de holle weg. Hij liep uit op een niet erg hoge bergrug die aan de voet met struikgewas en hogerop met bossen begroeid was. Ellen werd tussen de struiken door en daarna naar de bomen gesleurd waar nog meer Indianen zaten. Hun wapens lagen naast hen maar ze grepen er terstond naar toen ze hun kameraden met het meisje zagen naderen. Ellen zag zoveel dreigende blikken op zich gericht dat ze in groot gevaar meende te verkeren.
Opeens dacht ze aan de totem die ze van de Kleine Beer gekregen had op het schip. Hij had gezegd dat dit stukje leer haar tegen alle vijandelijkheid van rode mannen zou beschermen. Ze trok de ketting te voorschijn waaraan de totem hing, maakte hem los en gaf hem aan de Indiaan die haar het gevaarlijkst leek omdat hij er zo grimmig uitzag. De roodhuid vouwde het stukje leer open, bekeek de figuren, stiet een kreet van verrassing uit en gaf het door aan zijn buurman. De totem ging van hand tot hand. De gezichten werden vriendelijker en de roodhuid die al een paar woorden tegen Ellen gezegd had vroeg nu: ‘Wie – dit – geven?’
‘Nintropan-homosh,’ antwoordde ze.
‘Waar?’
‘Op het schip.’
‘Grote vuurkano?’
‘Ja.’
‘Op Arkansas?’
‘Ja.’
‘Goed zijn. Nintropan-homosh op Arkansas geweest. Wie – mannen – daar?’ Hij wees achter zich naar de holle weg.
‘Winnetou, Old Firehand, Old Shatterhand.’
‘Oef,’ riep de roodhuid uit en ‘Oef’ riepen ook de anderen. Hij wilde nog meer vragen maar plotseling kraakte het in de struiken en met de drie genoemden aan de spits drongen de blanken naar voren, waarbij ze de roodhuiden onmiddellijk omsingelden. De verspieder had Winnetou daarstraks niet opgemerkt. Nu herkende hij hem. ‘Het grote opperhoofd der Apaches!’ riep hij uit. ‘Dit blanke meisje bezit de totem van de Kleine Beer, ze is dus onze vriendin. Wij hebben haar meegenomen omdat we niet wisten of de mannen bij wie ze hoorde vrienden of vijanden waren.’ De roodhuiden hadden blauwe en gele verfstrepen op hun gezicht. Dit was voor Winnetou een reden om te vragen: ‘Jullie zijn krijgers van de Timbabaches?’
‘Ja.’
‘Welk opperhoofd is de aanvoerder?’
‘Chia-nitsas.’
Deze naam wil zeggen ‘het Lange Oor’. De man was waarschijnlijk beroemd om zijn scherp gehoor.
‘Waar is hij?’ vroeg Winnetou verder.
‘Bij het meer.’
‘Met hoeveel krijgers?’
‘Honderd.’
‘Zijn daar ook nog andere stammen verzameld?’
‘Nee, maar er komen nog wel tweehonderd Navajo-krijgers. Wij willen met hen naar het noorden trekken om de scalpen van de Utes te halen.’
‘Pas maar op dat ze die van jullie niet nemen! Zijn er wachtposten uitgezet?’
‘Waarom? Wij hebben geen vijanden te verwachten.’
‘Er komen er meer dan jullie lief zal zijn. Is de Grote Beer bij het meer?’
‘Ja en de Kleine Beer ook.’
‘Breng ons naar hen toe!’
Juist kwamen een paar rafters met de paarden en de gevangenen uit de holle weg want de andere blanken waren Winnetou en de jagers te voet gevolgd. Men steeg te paard en de Timbabaches reden als gidsen voorop. Ze beklommen de hele helling en reden onder de bomen nog een stuk over de kam. Toen daalde de weg aan de andere kant weer en weldra zagen ze het glanzen van water. Het Zilvermeer was bereikt!
Torenhoge rotsbastions in allerlei schitterende kleuren zoals in de canyon omsloten het dal dat misschien twee uur lang en half zo breed was. Achter die bastions rezen weer andere bergreuzen op, onafzienbaar, de ene nog hoger dan de ander. In de talrijke kloven en groeven groeiden bomen en struiken. Meer naar beneden werd het bos steeds dichter, tot vlak bij het meer strekte het zich uit, waar het slechts een smalle grensstrook vrijliet. In het midden van het meer lag een groen eiland met een heel bijzonder bouwwerk van leemtegels. Het scheen te stammen uit de tijd toen de huidige Indianen de oorspronkelijke bevolking nog niet verdrongen hadden. Op de grasstrook stonden een aantal hutten en vlak erbij lagen een paar kano’s gemeerd. Het eiland was volkomen rond en had misschien een middellijn van honderd passen. Het oude bouwwerk was voor een deel met bloeiende klimplanten bedekt. De rest van het eiland was als een tuin aangelegd, vol bloemen en heesters. De toppen van de bomen weerspiegelden in het water en de kruinen der bergen wierpen er hun schaduw over. Toch was het water groen noch blauw, het had eigenlijk helemaal geen kleur, eerder een zilvergrijze glans. Geen zuchtje rimpelde het oppervlak. Het leek wel of ze voor een met kwikzilver gevuld bekken stonden. In en bij de hutten lagen Indianen, de honderd Timbabaches. Ze werden onrustig toen ze de stoet blanken zagen naderen. Maar op het gezicht van hun kameraden kalmeerden ze weer. De blanken waren nog niet vlakbij het meer toen er op het eiland twee mannelijke figuren uit het gebouwtje naar buiten kwamen. De Apache hield zijn handen aan zijn mond en riep: ‘Nintropan-hauey! Winnetou is gekomen!’ Het antwoord schalde over het water. Toen zagen ze het tweetal in een kano stappen en naar de oever roeien. Het waren de twee Beren, vader en zoon. Ze moesten wel zeer verwonderd zijn, zoveel bekende gezichten te zien maar ze lieten er niets van blijken. Toen de Grote Beer aan land gestapt was hief hij groetend zijn hand naar Winnetou op en zei: ‘Het grote opperhoofd der Apaches is overal en waar hij komt brengt hij vreugde in de harten. Nintropan-hauey begroet ook Old Shatterhand die hij kent en Old Firehand met wie hij op het schip was.’ Toen hij tante Frolic zag vloog er even een glimlach over zijn gezicht. Hij herinnerde zich de laatste ontmoeting met Frolic en sprak terwijl hij hem de hand reikte: ‘Mijn blanke broeder is een dapper man. Hij heeft de panter gedood en de Grote Beer heet hem welkom!’ Zo ging hij van man tot man om iedereen te begroeten. Zijn zoon liep naar Ellen toe die uit de draagstoel was gekomen. Hij groette haar in gebroken Engels: ‘Kleine Beer heeft niet gedacht de blanke miss nog eens te ontmoeten. Wat is het doel van uw reis?’
‘We gaan niet verder dan het Zilvermeer,’ zei ze. Er was vreugde op zijn gezicht te lezen, ofschoon hij een uitdrukking van verbazing niet kon verbergen. ‘Dus zal de kleine miss hier een tijdlang blijven?’ vroeg hij.
‘Zelfs een hele lange tijd,’ antwoordde ze.
‘Dan verzoekt Nintropan-homosh bij haar te mogen zijn. Zij moet alle bomen, planten en bloemen leren kennen. Wij zullen vissen in het meer en in het bos jagen. Wil zij hem dit toestaan?’
‘Graag. Ik vind het fijn dat je hier bent.’ Ze gaf hem een hand, die hij aarzelend aannam, maar dan een tijdje teder vasthield.
De paarden van de reizigers werden door de Timbabaches naar het bos gebracht waar ook de hunne stonden. Het opperhoofd had tot nu toe in zijn hut gezeten en kwam nu langzaam nader, enigszins gebelgd dat er niet meer aandacht aan hem besteed werd. Het was een sombere man met lange armen en benen, die hem iets van een orang-oetan gaven. Op een afstand bleef hij staan, naar de bergen kijkend, over de hoofden van de blanken heen, alsof zij hem volkomen niet aangingen. Maar hij had zich misrekend want tante Frolic ging naar hem toe en vroeg: ‘Waarom treedt het Lange Oor niet nader? Wil hij de beroemde krijgers der bleekgezichten niet begroeten?’
Het opperhoofd bromde iets onverstaanbaars voor zich heen in zijn eigen taal, maar daar nam Frolic geen genoegen mee. Hij klopte hem als een goede oude kennis op de schouder en riep uit: ‘Engels praten, old boy! Ik heb jullie taal niet geleerd.’ De roodhuid mompelde weer iets in het koeterwaals en Frolic vervolgde: ‘Hou je niet van den domme! Ik weet dat je een aardig mondje Engels spreekt.’
‘No,’ ontkende het opperhoofd.
‘Niet? Ken je me niet?’
‘No!’
‘Heb je me nog nooit gezien?’
‘No.’
‘Hm. Denk dan eens goed na! Je moet je mij nog herinneren.’
‘No.’
‘Wij hebben elkaar toch in Fort Defiance gezien!’
‘No.’
‘We waren daar met elf roodhuiden en drie blanken, hebben wat gekaart en gedronken. De roden dronken meer dan de blanken en wisten op ’t laatst niet meer hoe ze heetten en wie ze waren. Ze hebben de hele middag geslapen en ook nog de hele nacht. Weet je ’t nu eindelijk, ouwe?’
‘No!’
‘Niet? Goed! Wij blanken zijn bij de Indianen in de houten loods gaan liggen omdat er verder nergens plaats was. Toen we ontwaakten waren de roodhuiden weg. Weet je nog waarheen?’
‘No.’
‘Maar tegelijk met hen waren ook mijn geweer en mijn kogeltas verdwenen. Ik had T.F., Tante Frolic in de loop laten graveren. En vreemd genoeg staan die letters op de loop van je buks. Weet je misschien hoe ze daarop gekomen zijn?’
‘No.’
‘En mijn kogeltas was met kralen versierd en ook voorzien van T.F. Ik droeg hem aan mijn gordel, net als jij. En tot mijn vreugde zie ik weer dezelfde letters. Weet je hoe die letters op die tas zijn gekomen?’
‘No!’
‘Des te beter weet ik hoe mijn buks in je handen en mijn kogeltas aan je gordel zijn terechtgekomen. Ik zal je ervan verlossen.’
In een oogwenk had hij de roodhuid het geweer uit de hand en de tas van zijn riem gerukt en wendde zich van hem af. Maar snel als de weerlicht was de Indiaan bij hem en beval nu in tamelijk goed Engels: ‘Geef hier!’
‘No!’ antwoordde Frolic nu op zijn beurt.
‘Dit geweer behoort aan het Lange Oor!’
‘No!’
‘En die buidel ook!’
‘No!’
‘Je bent een dief!’
‘No!’
‘Hier ermee of moet het opperhoofd je dwingen?’
‘No!’
Toen trok de Indiaan zijn mes. Frolic barstte in een hartelijk gelach uit en riep: ‘Jij bent het Lange Oor. Ik ken je wel. Je vingers zijn nog veel langer dan je oren. Als je de waarheid spreekt mag je die dingen houden! Dus nu eerlijk: Ken je me?’
‘Yes,’ antwoordde de roodhuid tegen alle verwachting in.
‘Ben je met mij in Fort Defiance geweest?’
‘Yes.’
‘Was je dronken?’
‘Yes.’
‘En ben je er toen met mijn geweer en mijn tas vandoor gegaan?’
‘Yes.’
‘Goed zo! Nu krijg je ze allebei terug. Hier! En mijn hand er bij! We zijn vrienden. Maar Engels praten en niet meer gappen, begrepen?’
Frolic greep de hand van de roodhuid, schudde ze en gaf hem de gestolen voorwerpen terug. Deze nam ze aan zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken maar zei allervriendelijkst:
‘Mijn blanke broeder is de vriend van het Lange Oor. Hij weet wat recht en billijk is want hij heeft deze zaken bij Lange Oor gevonden en geeft ze hem nu weer terug. Hij is een vriend van de rode mannen en wij beminnen hem.’
‘Ja, vriendje, wij beminnen jullie ook. Dat zul je gauw merken want als wij niet gekomen waren zouden jullie waarschijnlijk je scalpen aan de Utes zijn kwijtgeraakt.’
‘O, die komen niet. Die zijn door de Navajo’s verslagen en wij zullen de overwinnaars spoedig volgen en menige scalp van de Utes bemachtigen.’
‘Je vergist je.’
‘Maar wij zien hier toch gevangen opperhoofden van de Utes. Dan moeten de Utes toch overwonnen zijn!’
‘Die opperhoofden hebben wij voor onze eigen rekening genomen. Maar de Navajo’s hebben een smadelijke nederlaag geleden en zijn gevlucht. De Utes achtervolgen hen en zullen misschien vandaag nog bij het Zilvermeer verschijnen.’
‘Oef!’ riep het Lange Oor uit en van ontsteltenis bleef zijn mond openhangen.
‘Spreekt tante Frolic de waarheid?’ vroeg de Grote Beer.
‘Ja,’ verzekerde Old Firehand. ‘Wij zullen u alles vertellen maar niet voordat we ons ervan vergewist hebben dat we niet door de vijand verrast kunnen worden. Zijn komst is ieder moment te verwachten. Vijftig krijgers van de Timbabaches moeten direct naar de canyon rijden. Frank, Frolic, Davy, Jemmy, Bill en Uncle gaan mee. Jullie rijden tot de plek waar de canyon smal begint te worden en kruipt daar achter de rotsen! Er zijn daar genoeg vooruitspringende punten en holen waar jullie je kunnen verschuilen. De Utes zullen de Navajo’s wel op de hielen zitten om gelijk met hen het Zilvermeer te bereiken. Jullie moeten de vrienden hulp verlenen en ons een bode sturen zodra de vijand nadert. Laat eerst de paarden drinken! En drink zelf ook. Daar beneden is geen water. De Grote Beer zal voor proviand zorgen.’
Vlees was er genoeg voorradig. Het hing te drogen aan riemen die tussen de bomen gespannen waren. Drinkwater was er ook in overvloed. Van de bergen kwam een aantal beken omlaag die het meer voedden. Bij een van deze beken stonden de paarden hun dorst te lessen. Weldra waren de vijftig krijgers en de zes blanken tot het vertrek gereed. De Kleine Beer had de leiding.
Het bergdal van het Zilvermeer liep van noord naar zuid, was aan de oost- en westkant ontoegankelijk en kon aan de noordkant alleen bereikt worden via de canyon en de rotskloof waardoor de blanken gekomen waren. Aan de zuidkant vloeide het water van het meer in een kloof die daar de uitgang vormde.
Vanuit het zuiden was voorlopig geen vijand te verwachten.
Eerder zouden de bevriende Navajo’s van die kant kunnen komen.
Wie de noordelijke omgeving van het Zilvermeer onderzocht moest spoedig tot de ontdekking komen dat het water vroeger niet naar het zuiden maar naar het noorden, door de canyon afgevloeid was. Nu lag er echter tussen het meer en de canyon een soort dam, tamelijk breed, die er vroeger niet geweest was. Vanzelf kon die niet ontstaan zijn en dus moest men wel aannemen dat hij aangelegd was. Maar de handen die deze arbeid verricht hadden waren allang tot stof vergaan want er groeiden bomen op de dam die wel honderd vijftig jaar oud waren. Waarom was deze verhoging opgeworpen? Was er nog iemand die deze vraag kon beantwoorden?
De door Old Firehand uitgezonden troep reed over de dam heen waarachter de canyon begon. Deze was hier amper tien meter breed, eerst vlak en slechts geleidelijk aan dieper in de bodem zinkend. Naarmate ze lager kwamen nam ook de breedte toe. Vlak achter de dam hielden de bomen en struiken op en al gauw was er geen grassprietje meer te zien. Ze hadden nog geen tien minuten gereden toen de wanden van de canyon al zeker dertig meter hoog waren. Nog een kwartier en ze schenen de hemel te raken. Hier kwamen ze weer terecht tussen de rondgeschuurde stenen die het rijden zo bemoeilijkten. Na het derde kwartier werd de canyon plotseling breder, wel tweemaal zo breed als eerst. De muren waren niet alleen van boven maar ook van onderen met kloven doorgroefd. Het leek haast of de rotsen op zuilen stonden die overwelfde gangen vormden waar men zich verschuilen kon. ‘Hier moeten we halt houden,’ zei de Kleine Beer, die met de blanken voorop reed. ‘Er zijn hier genoeg gaten en holen om ons te verbergen.’
‘En de paarden brengen we een eindje naar achteren,’ vond Frolic, ‘zodat ze van hieruit waar het misschien wel tot een gevecht komt, niet gezien kunnen worden.’ Dit voorstel werd opgevolgd. De zevenenvijftig mannen verscholen zich aan weerskanten in de uithollingen. Ze hadden nog niet lang gewacht of ze hoorden een vermoeid paard over de stenen strompelen.
Vlak daarop verscheen een enkele ruiter, een Navajo op een paard dat haast niet meer vooruit kon komen. De man scheen gewond te zijn want zijn kleren waren met bloed bevlekt. Desondanks probeerde hij onophoudelijk zijn paard met handen en voeten tot hernieuwde krachtsinspanning aan te zetten. De Kleine Beer verliet zijn schuilplaats. Zodra de Navajo hem in het oog kreeg, hield hij zijn paard in en riep uit: ‘Oef! Mijn jonge broeder! Zijn de verwachte Navajo-krijgers al aangekomen?’
‘Nog niet.’
‘Dan zijn wij verloren! De Grote Geest heeft ons verlaten en zich tot de honden der Utes gewend. Wij hebben hen in het Hertendal overvallen maar zijn teruggeslagen. Wij zijn gevlucht en de Utes achtervolgden ons. Vanmorgen in de vroegte heeft zich nog een grote troep bij hen aangesloten. Ze zijn nu viermaal zo sterk als wij en dringen in groten getale achter ons op.’
‘Oef, jullie zijn dus al vernietigd?’
‘Bijna. Tien geweerschoten van hier naar omlaag woedt de strijd nog voort. Ik ben naar het meer gestuurd om hulp te halen want we dachten dat de verwachte krijgers al aangekomen zouden zijn. Nu zijn onze mannen verloren.’
‘Nog niet. Stijg af en rust wat! Er zal hulp komen.’
Het was nu zaak de in het nauw gedreven Navajo’s zo snel mogelijk hulp te bieden om hun de terugtocht mogelijk te maken.
Ze stuurden een bode naar het Zilvermeer, lieten de Navajo bij de paarden achter en haastten zich naar het toneel van de strijd.
Ja, het zag er voor de Navajo’s slecht uit. De meeste van hun paarden waren neergeschoten. Achter de lijken van hun dieren vonden de krijgers de enige dekking die er was, want de zijmuren van de canyon waren hier glad en vertoonden geen hoeken waarachter nog enige veiligheid te vinden zou zijn. Hun pijlen schenen op te raken want ze schoten alleen maar wanneer ze heel zeker waren van hun doel. Een paar van de dappersten renden op en neer om de pijlen van de Utes op te rapen. De tegenstanders waren zo talrijk dat ze over de hele breedte van de canyon rijen dik stonden opgesteld. Ze vochten te voet. Hun paarden hadden ze achtergelaten om ze niet neer te laten schieten.
Het krijgsgehuil verstomde even toen ze de hulp zagen opdagen.
De blanken bleven, toen ze de Utes binnen het bereik van hun geweren hadden, midden in de open canyon staan, mikten en schoten. Een geschreeuw van de Utes bewees dat ze goed getroffen hadden. Weer zes schoten en hernieuwd gebrul. De Timbabaches bukten zich en kropen voorwaarts om ook te kunnen schieten. Humply-Bill was van mening dat de blanken niet alle zes tegelijk moesten schieten omdat er dan door het laden een te grote pauze ontstond. Terwijl er drie schoten moesten de andere laden. Dit vonden de anderen ook. Weldra bleek wat zes goede schutters met zes goede geweren kunnen uitrichten. Iedere kogel trof een man. De Utes weken achteruit.
Alleen degenen die geweren bezaten, hielden stand. Maar hun kogels kwamen niet ver genoeg en ze durfden zich niet dichterbij wagen. Toen riep Hobble-Frank de Kleine Beer toe: ‘Wij houden de vijand onder schot. Zeg tegen de Navajo’s dat ze zich achter ons in veiligheid kunnen brengen!’ De zoon van het opperhoofd volgde deze aanwijzing. De Navajo’s sprongen op en renden terug om achter de blanken te komen. Nu pas was het te zien hoe deerlijk de Navajo’s geleden hadden. Ze telden nog hoogstens zestig man en niet eens de helft van hen bezat nog een paard. Gelukkig konden ze zich nu ongehinderd terugtrekken want ook de Timbabaches bleven liggen en hielden de Utes onder schot.
Geleidelijk begonnen nu ook de redders van de Navajo’s aan hun terugtocht. De Utes trokken gelijk op. Ze spaarden hun pijlen en zetten het gevecht alleen met hun geweren voort. Zo verplaatsten ze zich en de anderen volgden tot ze, stukje voor stukje de plek naderden waar ze zich eerst schuilgehouden hadden. De blanken raadden aan, nu zo snel mogelijk de holen en kloven op te zoeken en de Kleine Beer nam de rol van tolk op zich. Een plotselinge, algemene terugtocht en redders zowel als geredden verdwenen. Ze waren nu in veiligheid want hier hadden ze dekking tegen ieder schot terwijl de Utes zich niet verbergen konden. Als de verwachte hulp nu snel kwam opdagen konden ze onbezorgd het verdere verloop van de strijd tegemoet zien.
En deze hulp was al onderweg. Old Firehand had de Grote Beer in korte woorden verteld wat er gebeurd was. De roodhuid trok een bedenkelijk gezicht en zei: ‘Nintropan-hauey heeft de Navajo’s gewaarschuwd. Hij heeft hun aangeraden te wachten tot al hun krijgers bijeen waren. Maar ze meenden dat de Utes zich ook nog niet verzameld hadden en wilden dus troep voor troep overvallen. Nu heeft hun het lot getroffen dat ze hun vijanden toegedacht hadden. En al lukt het hun in de bergen te ontkomen dan nog wordt het aantal achtervolgers van plaats tot plaats groter en kan het best gebeuren dat wij duizend Utes aan het Zilvermeer zien verschijnen.’
‘Hoe staat het met u? Zullen de Utes u als vijand behandelen?’
‘Ja.’
‘Dus u bevindt zich ook in gevaar?’
‘Nee.’
‘Zeker omdat u de Timbabaches hier hebt en nog enige Navajo’s verwacht?’
‘Nee, Nintropan-hauey vertrouwt alleen op zichzelf.’
‘Dan begrijp ik u niet!’
‘Hij is voor duizend Utes nog niet bevreesd want hij hoeft alleen maar zijn hand op te heffen en ze zijn verloren. Eén kort moment kan ze allen doden.’
‘Hm! Allemaal?’
‘Gelooft u het niet? Ja, bleekgezichten zijn wel zeer slimme mannen maar op deze gedachte zou geen van u gekomen zijn.’
Deze woorden sprak hij uit met trotse onverschilligheid. Old Firehand haalde zijn schouders op. Old Shatterhand liet zijn blikken over het meer en de bergen gaan en zei toen terwijl er een flauw glimlachje om zijn lippen speelde: ‘Maar u bent zelf ook niet op die gedachte gekomen.’
‘Nee? Wie zegt u dat?’
‘Ik! U meent dus dat wij blanken een dergelijke inval niet kunnen hebben. Ik wil u dan wel het tegendeel bewijzen. Wij zijn slim genoeg uw ziel te doorgronden.’
‘Bedoelt u dat u weet waarom de Grote Beer voor duizend vijanden nog niet bevreesd is?’
‘Ja!’
‘Zeg het dan!’
‘Goed! U doodt dus duizend Utes in een paar ogenblikken?’
‘Ja.’
‘Wanneer ze in de canyon zijn?’
‘Ja.’
‘Dat kan niet met messen, geweren of dergelijke wapens geschieden, maar wel door de kracht van de natuur. Door de lucht, de storm?’
‘Nee.’
‘Door vuur?’
‘Ook niet.’
‘Dan door water!’
‘Uw gedachten zijn slim en goed, maar verder komt u niet.’
‘Dat staat nog te bezien! Waar bevindt zich genoeg water om zoveel mensen te doden? In het meer. Zullen deze mensen het meer ingaan? Nee. Het meer moet dus naar de mensen toe. Het moet zijn golven plotseling in de canyon storten. Hoe is dat mogelijk? Daar ligt toch een hoge sterke dam tussen. Nu, deze dam is er in vroeger tijden niet geweest. Die is aangelegd en wel zo dat hij ook weer geopend kan worden zodat de droge canyon in een paar tellen verandert in een kolkende stroom. Heb ik het geraden?’
Ondanks het feit dat een Indiaan onder alle omstandigheden zijn kalmte moet bewaren sprong de Grote Beer nu toch op en riep uit: ‘Bent u dan alwetend?’
‘Nee, maar ik denk na.’
‘U hebt het werkelijk geraden!’
‘Maar hoe is de Grote Beer achter dit geheim gekomen?’
‘Dat heeft hij geërfd.’
‘En hoe wordt de dam geopend?’
‘Hebt u daar zelf geen idee van?’
‘Wanneer u mij toestaat dit te onderzoeken zal ik deze vraag gauw kunnen beantwoorden.’
‘Nee, dat kan Nintropan-hauey niet toestaan! Maar kunt u ook raden waarom deze dam gebouwd is?’
‘Om twee redenen. Ten eerste voor verdediging. De veroveraars van de zuidelijke gebieden kwamen allen uit het noorden. De grote canyon was een weg die de veroveraars bij voorkeur gebruikten. De dam werd gebouwd om de weg te versperren door het plotseling uitstromen van het water.’
‘En de tweede reden?’
‘De schat.’
‘De schat?’ vroeg het opperhoofd terwijl hij een stap achteruit deed. ‘Wat weet u van de schat?’
‘Niets, maar ik vermoed veel. Ik zie het meer, de oevers en de omgeving en ik denk na. Vóór hier een dam was, was er geen meer, maar een diep dal waardoor beken die nu hier uitkomen naar de canyon vloeiden, die hierdoor ontstaan is. Hier heeft een rijk volk gewoond. Lange tijd heeft het zich tegen opdringende veroveraars verweerd, maar ten slotte zag het in dat de zaak verloren was en dat het moest vluchten, misschien maar voor enige tijd. De kostbaarheden en gewijde vaten werden in dit dal begraven, de dam werd aangelegd zodat er zich een meer vormde dat de zwijgende bewaker moest zijn van de schat.’
‘Zwijg, zwijg!’ riep de Grote Beer verschrikt uit. ‘Laten we niet over de schat spreken, alleen over de dam! Ja, de Grote Beer kan deze openen. Hij kan duizend en nog meer Utes laten verdrinken in de canyon. Zal hij het doen, als ze komen?’
‘In hemelsnaam niet! Er zijn nog wel andere middelen om ze te bedwingen.’
‘Welke? Wapens?’
‘Ja, en bovendien nog de gijzelaars die daar in het gras liggen. Het zijn de beroemdste opperhoofden van de Utes. De vijand zal op vele voorwaarden ingaan om de opperhoofden te redden. Daarom juist hebben wij hen gevangengenomen en als gijzelaars meegebracht.’
‘Dan moeten wij deze gevangenen in veiligheid brengen.’
‘Hebt u daar een geschikte plaats voor?’
‘Ja. Ze kunnen eerst eten en drinken en daarna zullen wij hen wegbrengen.’ De handen van de gevangenen werden losgemaakt. Ze kregen water en vlees en werden toen weer gebonden.
Vervolgens werden ze met behulp van een aantal Timbabaches in de op de oever liggende kano’s naar het eiland gebracht. Old Firehand, Old Shatterhand en Winnetou gingen mee. Ze waren nieuwsgierig naar het inwendige van het bouwwerk. Het bestond slechts uit een benedenverdieping die door een muur in tweeën gedeeld was. In het ene deel was de haard en het andere vormde het woonvertrek dat echter maar heel karig was ingericht. Een hangmat en een eenvoudige legerstede, dat was alles.
‘En moeten de gevangenen hier ondergebracht worden?’ vroeg Old Firehand.
‘Nee, hier zou het niet veilig genoeg zijn. Er is een veel betere plaats.’
De Grote Beer schoof het bed opzij dat uit een onderlaag van dwarshouten bestond waarop een paar rietmatten en dekens lagen. Onder het bed kwam nu een vierkante opening vrij. Een ingekerfde boomstam deed dienst als ladder en voerde naar beneden. Het opperhoofd daalde af. Old Shatterhand volgde en de anderen moesten nu de gevangenen een voor een naar beneden laten gaan. Door de opening viel maar weinig licht in de kelderachtige ruimte. Het was er ruimer dan in de woonkamer. De uitbouw lag aan de tuinkant. De andere zijde was door een muur van lemen tegels afgesloten waarin geen deur of iets dergelijks te zien was. Toen de jager erop klopte klonk het hol. Er lag dus nog een kelder achter, onder de haardruimte. En toch hadden ze daar ondanks ijverig zoeken geen doorgang naar beneden gezien. De Utes werden naast elkaar gelegd. Old Shatterhand was bang dat ze gebrek aan lucht zouden krijgen. Toen hij iets hierover zei antwoordde de Grote Beer: ‘Ze kunnen genoeg ademhalen. In de zoldering zijn gaten die door de muren van het huis gaan. Daar zijn houten tegels ingezet. De vroegere bewoners van deze streek wisten wel wat ze deden.’ Old Shatterhand stampte een paar maal op de vloer, zogenaamd toevallig.
Ook de vloer klonk hol. Het eiland was waarschijnlijk, vóór men het meer had laten ontstaan, een hol, toren-vormig gebouw geweest dat men omgeven had met een waterdichte mantel van leem en stenen. Zou daaronder, op de bodem van het eiland, de schat bewaard worden? Maar er was nu geen tijd voor nadere onderzoekingen want de laatste gevangene was nu ook beneden en het opperhoofd ging weer naar boven. Old Shatterhand moest hem volgen. Onder het dak van het gebouw hingen aan staven grote stukken gedroogd en ook gerookt vlees. Een kleine voorraad hiervan werd in kano’s gebracht en meegenomen naar de oever.
Juist toen ze daar aankwamen verscheen op een met schuim overdekt paard de bode die uitgestuurd was om hulp te halen.
Iedereen greep zijn wapens en snelde naar de paarden. Ellen moest natuurlijk achterblijven en haar vader bleef bij haar om haar te beschermen. Van de Grote Beer kreeg hij de raad, naar het eiland te roeien, omdat het daar het veiligst was. Hij ging dus met haar in de kano en stootte af toen de anderen wegreden.
Uit voorzorg was er nog een sterke wachtpost gestuurd naar de rotskloof waardoor de blanken die dag het Zilvermeer bereikt hadden. Zo waren ze voldoende gedekt in de rug. De anderen vuurden hun paarden veel meer aan dan de eerste afdeling. In galop ging het door dik en dun en in een kwartier hadden ze de weg afgelegd waarvoor de eerste vijftig drie kwartier nodig gehad hadden. Daar stonden de paarden van hun bondgenoten.
Vóór hen klonken schoten. Ze sprongen op de grond, lieten hun rijdieren hier eveneens achter, verdeelden zich snel in twee partijen en bereikten zonder dat de Utes het merkten de holen en kloven die hun vrienden tot schuilplaats dienden. De Utes verkeerden in de mening dat ze nog steeds alleen maar te doen hadden met de mannen die ze gezien hadden. Ze dachten dat ze eigenlijk allang de strijd hadden kunnen beslechten door snel op te rukken en wilden dit dan ook gaan doen.
Plotseling weerklonk er een woest geschreeuw en de Utes drongen op. Een nauwelijks twee minuten durend gekraak van weerskanten volgde en de Utes weken terug, een menigte doden en gewonden achterlatend. Old Shatterhand had achter een rotspijler gestaan en verscheidene schoten gelost, maar steeds zó gemikt dat hij zijn tegenstanders alleen ongeschikt maakte om verder te vechten. Nu zag hij de Timbabaches naar voren stormen om de gevallenen te scalperen. Hun opperhoofd was erbij.
‘Halt!’ riep de jager met donderende stem. ‘Laat de Utes liggen!’
‘Waarom? Hun scalpen behoren ons!’ antwoordde het Lange Oor. Hierop trok hij zijn mes en bukte zich om de hoofdhuid van een gewonde los te snijden. Het volgende moment was Old Shatterhand bij hem, hield hem zijn revolver tegen het hoofd en dreigde: ‘Eén snee en ik schiet!’
Het Lange Oor richtte zich op en vroeg verwonderd: ‘Wat is er tegen? De Utes zouden ons ook gescalpeerd hebben!’
‘Dat zouden ze wel uit hun hoofd laten als ik bij hen was. Ik wil het niet en zeker niet bij iemand die nog leeft.’
‘Laat hij zijn scalp dan maar houden, maar die van de doden nemen we.’
‘Met welk recht?’
‘Het Lange Oor begrijpt u niet,’ zei de roodhuid beduusd. ‘Een verslagen vijand moet toch gescalpeerd worden!’
‘Hier liggen er velen, hebt u die allemaal verslagen?’
‘Nee, het opperhoofd heeft er één geraakt.’
‘Welke?’
‘Dat weet hij niet precies.’
‘Is hij dood? Toon mij de dode die uw kogel in zijn lichaam heeft. Dan mag hij gescalpeerd worden. Eerder niet!’ Het opperhoofd keerde mopperend naar zijn schuilplaats terug en zijn mannen volgden dit voorbeeld. Nu verhief zich beneden, waar de teruggeslagen Utes zich verzameld hadden, een geschreeuw.
Zolang de jager tussen de Timbabaches gestaan had was hij niet duidelijk te zien geweest. Toen hij alleen op de open plek achterbleef herkenden ze hem en men kon ze horen roepen: ‘Old Shatterhand! Het tovergeweer, het tovergeweer!’
Hij liep langzaam in hun richting en toen hij op gehoorsafstand gekomen was riep hij hun toe: ‘Kom de doden en gewonden halen. Wij geven ze vrij!’
Een van de aanvoerders kwam naar voren en antwoordde: ‘Dan wordt er op ons geschoten!’
‘Nee!’
Hierop keerde Old Shatterhand om en ging naar zijn schuilplaats terug. Hoe onbetrouwbaar deze roodhuiden zelf ook waren, ze wisten wel dat er van hem geen verraad of bedrog te duchten was. Daarom stuurden de Utes eerst bij wijze van proef twee mannen, die langzaam naderden, een gewonde optilden en wegdroegen. Ze kwamen terug en namen een tweede mee. Toen er ook nu nog niets vijandigs ondernomen werd, schepten ze moed en kwamen met meerderen. Old Shatterhand trad weer naar buiten en riep hun toe: ‘Blijf! Er zal jullie niets gebeuren.’ Ze bleven staan. Hij kwam nu vlakbij hen en vroeg: ‘Hoeveel opperhoofden zijn er nu bij jullie?’
‘Vier.’
‘Wie is de voornaamste?’
‘Kai-unune.[34]’
‘Zeg dat ik hem spreken wil! Hij kan halverwege komen. Ik doe dat ook en we ontmoeten elkaar dus in het midden. De wapens laten we achter.’ Ze brachten de boodschap over en kwamen terug met het antwoord: ‘Hij zal komen en de andere drie opperhoofden meebrengen.’
‘Ik breng slechts twee metgezellen mee. Laat de opperhoofden verschijnen zodra jullie hier klaar zijn.’
Weldra naderden ze: vier van de ene kant, Old Shatterhand, Old Firehand en Winnetou van de andere kant. Halverwege ontmoetten ze elkaar, groetten zwijgend en gingen tegenover elkaar op de grond zitten. Trots verbood de roodhuiden, direct het woord te nemen. Het was de Grote Wolf duidelijk aan te zien dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Aldus bleven de ogen van de tegenstanders een hele tijd op elkaar gevestigd tot eindelijk de oudste van de Utes, Rollende Donder, zijn geduld verloor en besloot te spreken. Hij stond op, nam een waardige houding aan en begon: ‘Toen de wijde aarde nog aan de Grote Manitou behoorde en er bij ons geen bleekgezichten waren …’
‘… toen konden jullie zolang praten als je maar wilden,’ viel Old Shatterhand hem in de rede, ‘maar de bleekgezichten maken het liever kort en dat zullen we nu dan ook doen.’
Wanneer een roodhuid gaat beraadslagen kan dit eindeloos zijn.
De bespreking had dan ook uren kunnen duren als Old Shatterhand deze niet al direct bij de inleiding had afgekapt. De Ute wierp hem een half toornige, half verwonderde blik toe, ging weer zitten en zei: ‘Rollende Donder is een beroemd opperhoofd. Hij telt vele jaren meer dan Old Shatterhand en is niet gewend zich door jongere mensen te laten onderbreken. Howgh!’
‘Een man kan vele jaren tellen en toch minder ervaring bezitten dan een jongere. U wilde spreken over de tijden toen er hier nog geen bleekgezichten waren. Maar wij willen over de dag van vandaag spreken. En daar ik degene ten die u liet roepen, zal ik ook degene moeten zijn die als eerste het woord neemt om te zeggen wat ik van u verlang. Ook ik heb gesproken! Howgh!’
Dat was een scherpe terechtwijzing. De roodhuiden zwegen en Old Shatterhand vervolgde: ‘U hebt mijn naam genoemd en kent mij dus. Kent u ook de beide krijgers die naast mij zitten?’
‘Ja, het zijn Old Firehand en Winnetou, het opperhoofd der Apaches.’
‘Dan zult u ook wel weten dat wij altijd vrienden van de rode mannen geweest zijn. Waarom achtervolgt u ons?’
‘Omdat u bevriend bent met onze vijanden.’
‘Dat is niet waar. De Grote Wolf heeft ons gevangen genomen zonder dat wij iets vijandigs tegen hem ondernomen hadden. Om ons leven te redden moesten we ons tegen de Utes keren.’
‘Is het oude opperhoofd niet neergeslagen in het Woud van het Water en zijn er toen geen andere opperhoofden meegevoerd?’
‘Alweer alleen om onszelf te redden.’
‘En nu bevinden de jagers en Winnetou zich bij de Navajo’s en de Timbabaches die onze vijanden zijn.’
‘Zonder slechte bedoelingen. We wilden naar het Zilvermeer en troffen hen daar aan. We hoorden dat het tot een gevecht zou komen tussen hen en de Utes en snelden hierheen om vrede te stichten.’
‘Wij willen wraak, geen vrede!’
‘De bleekgezichten hebben u zwaar gekrenkt, dat weten wij, maar het is onrechtvaardig zijn wraak ook op de onschuldigen te willen koelen. Het ligt alleen aan onszelf dat wij niet allang aan de martelpaal gestorven zijn zoals die anderen in het Hertendal.’
‘Wat weet u van hen?’
‘Alles. We hebben hun lijken begraven.’
‘Dus daar bent u ook geweest?’
‘Ja, we waren midden onder de uwen. We hebben gehoord wat de Utes bespraken en gezien wat zij deden. We stonden onder de bomen toen de Navajo’s kwamen en zagen hoe ze verdreven werden.’
‘Dat is onmogelijk! Dat is niet waar!’
‘U weet dat ik niet lieg. Vraag het aan de opperhoofden die erbij waren.’
‘Waar moeten we hun dat vragen? De Grote Geest heeft hen tot zich geroepen. Ze zijn verdwenen.’
‘Nee, de Grote Geest wil van zulke trouweloze en oneerlijke mannen niets weten. Hij heeft ze in onze handen overgeleverd.’
‘Uw tong is vals en spreekt deze woorden alleen om ons de vrede af te dwingen.’
‘Ja, ik wil en zal de vrede afdwingen maar ik spreek de waarheid. Toen wij die avond in het Hertendal waren hebben wij de drie opperhoofden gevangen genomen. Ik zal bewijzen dat ik de waarheid spreek. Wat is dit?’
Old Shatterhand haalde uit zijn zak een smalle riem die bezet was met cilindervormige knopen, gesneden uit de schelpen van Venusmosselen en hield deze Rollende Donder voor.
‘Oef!’ riep het oude opperhoofd verschrikt uit. ‘De wampum van de Gele Zon!’
‘En dit hier?’ De jager haalde een tweede riem te voorschijn.
‘De wampum van Vier Buffels!’
‘En deze derde wampum?’
Toen hij ook nog de derde riem liet zien kon het opperhoofd haast geen woord meer uitbrengen en stamelde: ‘Geen krijger geeft zijn wampum af. Die is hem heilig boven alles. Wie de wampum van een ander bezit, heeft hem gedood of overweldigd. Leven de drie opperhoofden nog?’
‘Ja. Ze zijn in onze macht.’
‘Wat wilt u met hen doen?’
‘Leven om leven, bloed om bloed! Sluit vrede met de Navajo’s en de Timbabaches en wij geven u de gevangenen!’
‘Maar wij hebben ook gevangenen gemaakt. Laten we man tegen man inruilen!’
‘Houd u mij voor een knaap! Denkt u dat ik niet weet dat een opperhoofd tegen tenminste dertig krijgers ingeruild wordt? Ik zeg u: als u geen vrede met ons sluit zullen weinig Utes hun wigwam terugzien!’
De Rollende Donder keek somber peinzend naar de grond.
Toen stond Old Firehand op, rekte verveeld zijn reuzengestalte uit en zei: ‘Pshaw! waartoe al die woorden als we wapens hebben! Laat de Rollende Donder nu maar eens gauw zeggen of hij vrede wil dan wel oorlog. Dan weten we waar we aan toe zijn en we zullen hem geven wat hem toekomt: leven of dood!’
‘Zo snel kunnen wij niet besluiten.’
‘Waarom niet? Zijn dit mannen of squaws?’
‘Wij zijn geen vrouwen, maar krijgers. En het betaamt een man, in koelen bloede te handelen. Wij zullen dus gaan overleggen wat ons te doen staat.’
‘Bedenk wel dat het over een half uur nacht is.’
‘Ook in de nacht kunnen wij zeggen wat wij besloten hebben. Wie een mededeling te doen heeft vuurt een schot af en roept luid. Ik heb gesproken. Howgh!’
De Ute stond op, neeg bijna onmerkbaar zijn hoofd en verwijderde zich. De anderen volgden zijn voorbeeld.
‘Nu zijn we nog even ver!’ zei Old Firehand boos.
‘Mijn broeder heeft te driftig gesproken,’ zei Winnetou kalm.
‘Hij had Old Shatterhand verder moeten laten praten. Rollende Donder dacht al na en stond op het punt tot inzicht te komen.’
Old Firehand scheen de waarheid van dit verwijt in te zien want hij antwoordde niet. Toen ze bij de anderen terugkwamen werden ze door het Lange Oor met een vraag ontvangen: ‘Er waren vier Utes. Waarom dan maar drie van ons?’
‘Omdat dat genoeg was,’ snauwde Old Firehand.
‘Maar er waren nog andere mannen hier. Ook het Lange Oor is een opperhoofd en hoorde eveneens bij de beraadslaging.’
‘Er zijn al genoeg nutteloze woorden gesproken. Daar hadden we geen vierde man voor nodig!’
Het Lange Oor zweeg. Had zijn gezicht niet zo onder de verf gezeten dan zou de uitdrukking van boosheid wel te zien geweest zijn. Hij was toch al in een slechte stemming omdat hij door tante Frolic ontmaskerd was zonder daarover zijn wrok te hebben kunnen uiten. Bovendien had Old Shatterhand hem met zijn verbod tot scalperen in aanwezigheid van zijn mannen beledigd. Het opperhoofd was een lafaard die niet de moed had openlijk te spreken. Maar de toorn die hij niet toonde vrat des te dieper in zijn binnenste.
Het begon te schemeren en de nacht viel snel. Het was niet waarschijnlijk dat de Utes een aanval zouden wagen, maar toch moesten er maatregelen getroffen worden om een eventuele overrompeling te voorkomen. Er moesten dus wachten uitgezet worden. Het Lange Oor bood vrijwillig aan, hiervoor met een paar van zijn mannen in aanmerking te komen en dit kon niet geweigerd worden. Met het opperhoofd mee waren er nu vijf mannen die een dwars linie over de canyon vormden. Het Lange Oor stond op de uiterste rechtervleugel. De wrok knaagde nog aan zijn hart. Hij wilde deze blanken tonen dat hij een gewichtig man was die men zo maar niet kon voorbijzien. Stel nu dat de Utes iets in het schild voerden en hij dit ontdekte door ze te beluisteren. Deze gedachte liet hem niet met rust en ten slotte besloot hij er gevolg aan te geven. Voorzichtig kroop hij voorwaarts maar dat was niet zo makkelijk als hij gedacht had want de losse stenen rolden onder zijn lange ledematen weg. Daarom moest hij zijn aandacht meer richten op hetgeen onder dan vóór hem lag. Weer schoof er een steen onder hem weg – naast hem dook iets donkers op – voor hem ook. Twee sterke handen omklemden zijn keel als stalen tangen, twee andere handen drukten zijn armen tegen zijn lichaam. Zijn adem werd afgesneden en hij verloor het bewustzijn. Toen hij weer bijkwam lag hij tussen twee mannen die de punt van hun mes op zijn ontblote borst gericht hielden. Zijn ledematen waren gebonden en in zijn mond had hij een prop. Hij maakte een beweging die opgemerkt werd door een derde die bij zijn hoofd zat. Deze zei op gedempte toon terwijl hij zijn hand op zijn hoofd legde: ‘Wij hebben het Lange Oor herkend. Als het opperhoofd verstandig is zal hem niets gebeuren. Maar is hij niet verstandig dan zal hij de messen voelen die zijn borst beroeren. Hij moge de Rollende Donder door een hoofdknik te kennen geven dat hij hem verstaat!’ Het gevangen opperhoofd gaf het gevraagde teken. Hij lag hier tussen leven en dood en het was begrijpelijk dat hij het leven koos.
‘Het Lange Oor mag ons nu door een teken te kennen geven of hij zacht zal spreken wanneer wij hem de knevel uit de mond nemen,’ vervolgde de ander. Het Lange Oor knikte weer en de prop werd onmiddellijk uit zijn mond genomen, maar Rollende Donder waarschuwde: ‘Bij het eerste luide woord volgt de dood! Wilt u echter onze broeder worden dan zult u in onze buit delen. Antwoord!’
Buit! Bij dit woord kwam de Timbabache op een gedachte. Hij had een gesprek tussen de Kleine en de Grote Beer afgeluisterd, een gesprek dat hem nu nog in de oren klonk. Buit! Ja, er zou een buit zijn zoals er nog nooit een na een strijd verdeeld was! Vanaf dit moment was hij de zaak van de Utes met hart en ziel toegedaan. ‘Het Lange Oor haat en veracht de blanken,’ verklaarde hij. ‘Met uw hulp zullen wij hen vernietigen!’
‘En de Beren ook?’
‘Ja! Maar mijn krijgers moeten in leven blijven!’
‘Dat beloven wij, maar waarom bent u eerst onze vijand geweest?’
‘Omdat het opperhoofd toen nog niet wist wat hij nu weet. De bleekgezichten hebben hem zo beledigd dat hij hun bloed moet hebben.’
‘Deze wraak zij u gegund. Kai-unune zal spoedig zien of dit eerlijk of vals gesproken is.’
‘Het Lange Oor is oprecht en zal dit bewijzen.’
‘Vertel dan eerst of het waar is dat deze bleekgezichten onze opperhoofden als gevangenen bij zich hebben.’
‘Het is waar. Het Lange Oor heeft hen gezien.’
‘Die honden hebben een verbond met de boze geesten gesloten, anders was hun niet gelukt wat ieder ander onmogelijk is. Waar bevinden zich de opperhoofden der Utes?’
‘In het huis dat op het eiland in het meer staat.’
‘Door wie worden ze bewaakt?’
‘Door een enkel bleekgezicht en een meisje dat zijn dochter is.’
‘Is dat waar? Eén man en een meisje om zoveel dappere en beroemde krijgers vast te houden?’
‘Het Lange Oor spreekt de waarheid. Bedenk dat de gevangenen geboeid zijn!’
‘Dan zullen wij het geloven. En nu verder! Hoeveel krijgers liggen aan de oever van het meer?’
‘Alleen een paar bleekgezichten. Ze bewaken de andere toegang tot het Zilvermeer.’
‘Oef! Is de weg door deze canyon dan niet de enige? Is er nog een andere?’
‘Ja, zo u wilt zal het Lange Oor deze aanwijzen.’
‘Waar is dat pad?’
‘Een eindje omlaag bevindt zich tussen twee rotszuilen een spleet waardoor men over een rotsvlakte in een diepe ketel komt vanwaar een holle weg naar het meer leidt. Het Lange Oor is met de Grote Beer over deze weg gereden.’
‘Hoelang duurt het om over die weg bij het meer te komen?’
‘Drie uur.’
‘Dat is zeer veel!’
‘Maar de moeite waard! Alle vijanden vallen in uw handen, u bevrijdt de opperhoofden en krijgers en…’
‘En? Spreek verder!’
‘… u vindt daar een buit zoals nog nooit is voorgekomen.’
‘Een buit? Bij de Navajo’s? Hun paarden en wapens bedoelt u?’
‘Het Lange Oor spreekt nu niet over de Navajo’s doch over de beide Beren en hun Zilvermeer. Op de bodem bewaren ze onschatbare rijkdommen: goud, zilver en edelstenen in grote hoeveelheden.’
‘Wie heeft u dat wijsgemaakt?’
‘Niemand. Het Lange Oor heeft het zelf van de Beren gehoord. Hij lag op een avond in het donker onder de bomen. Ze kwamen langs hem en bleven staan. Toen spraken ze over de schat.’
‘Hoe zijn die schatten in het meer gekomen?’
‘Een volk dat er lang geleden woonde en verdreven werd, heeft ze daar verborgen.’
‘Hoe krijgen we ze naar boven als ze op de bodem van het meer liggen? Moeten we het soms leegscheppen?’
‘Nee. Waar nu het meer is was vroeger droog land. Dat volk heeft een toren gebouwd waarvan de spits nu het eiland vormt. Vanuit die toren werd een stevige gang aangelegd door het dal heen tot aan de plek waar nu de canyon begint. Daarna hebben ze een sterke, brede dam aangelegd zodat het water niet meer naar het noorden kon afvloeien. Het dal vulde zich met water en werd het meer waar de torenspits als eiland bovenuit steekt. Toen het dal vol was, liep het water naar het zuiden af. Maar het einde van de gang werd met stenen afgesloten.’
‘En dat zou allemaal waar zijn?’
‘Beslist! Het Lange Oor heeft zich overtuigd. Hij heeft in het geheim de stenen weggenomen en de gang ontdekt. Binnen de ingang liggen fakkels om de gang te verlichten. Deze leidt nu over de bodem van het meer naar het eiland, de oorspronkelijke toren en onderin liggen de schatten. Deze gang dient tevens om in geval van nood het water door te laten en eventuele vijanden die zich in de canyon bevinden te vernietigen. De gang wordt op een punt geopend, het water treedt naar buiten en de canyon stroomt vol en ieder die erin is moet verdrinken.’
‘Oef! dat was iets voor ons! Als we die bleekgezichten eens konden laten verzuipen!’
‘Dat mag niet gebeuren want dan zouden mijn Timbabaches ook verdrinken!’
‘Dat is waar. Maar als alles werkelijk zo is zijn de blanken zonder meer verloren. We zullen eens zien of er eerlijke taal gesproken is. Wilt u ons nu naar het meer brengen?’
‘Ja, daartoe is het Lange Oor wel bereid maar hoe groot zal zijn aandeel in de rijkdommen zijn?’
‘Dat zal Kai-unune beslissen zodra hij ervan overtuigd is dat u de waarheid heeft gesproken. Hij zal u nu losmaken en een paard geven. Bij de geringste poging tot vluchten bent u echter verloren.’
Met zachte stem gaf het opperhoofd zijn bevelen. Weldra zaten alle Utes in het zadel en reden door de canyon terug, eerst heel voorzichtig om geen geluid te veroorzaken. Ze bereikten de plek waar de blanken vanuit de canyon in het keteldal gekomen waren en volgden dezelfde richting. De rit was, nu het nacht was, nog veel moeilijker dan overdag. Maar de roodhuiden hadden echte kattenogen en ook hun paarden kwamen zonder veel moeite vooruit. Het ging omhoog over het schuine rotsplateau, omlaag naar het keteldal en dan door de kloof over dezelfde weg die de blanken genomen hadden. De laatste helft van de rit was iets makkelijker doordat de maan opgekomen was. Er waren precies drie uur verlopen toen de Utes bij de bomen aankwamen. Hier hield het Lange Oor halt en zei: ‘De ingang naar het dal is zo smal dat de bewakers die makkelijk tegen ons kunnen verdedigen. Maar we zullen hen in de rug aanvallen.’
‘Hoe is dat mogelijk?’
‘Door de gang waarover het Lange Oor reeds gesproken heeft. Die begint op slechts een paar passen afstand van hier. We verschaffen ons toegang door de stenen weg te nemen en gaan er dan in. Als we de fakkels aansteken, kunnen we makkelijk onze weg vinden. Zo komen we in de toren en klimmen dan omhoog om het eiland te bereiken. Daar liggen altijd een paar kano’s waarin we dan naar de oever kunnen roeien. Dan vallen we de vijand in de rug aan en zullen hem makkelijk kunnen overmeesteren, temeer daar mijn Timbabaches zich aan onze zijde zullen scharen zodra hun opperhoofd dit beveelt.’
‘Goed! De helft van mijn krijgers blijft hier en de andere helft volgt ons in de gang. Wijs ons de weg!’
De Utes waren van hun paard gestapt. Het Lange Oor voerde hen opzij naar een plek waar een hoop stenen tegen de rots lag.
‘Deze stenen moeten weg,’ zei de Timbabache, ‘dan zullen we de opening te zien krijgen.’ De steenhoop werd verwijderd en toen zagen ze een donker gat, één meter breed en twee meter hoog. De opperhoofden gingen er in en vonden na enig rondtasten inderdaad een hele voorraad fakkels van herten- en buffelvet. Ze namen er elk een en staken ze aan met punks. Daarna drongen ze verder de gang binnen. Het was er bedompt maar niet vochtig. De gang moest wel buitengewoon stevig gemetseld en daarna dik met leem bestreken zijn om zolang weerstand te hebben kunnen bieden aan het water van het meer. Om niet te lang in deze atmosfeer te vertoeven die door de walm van de fakkels nog benauwder werd, liepen ze zo snel mogelijk tot ze na een tijd die hun oneindig scheen, in een ruime hal belandden.
Hier mondde een soort schacht in uit waarin, ofschoon ze niet veel weg hadden van onze trappen, een soort treden gehouwen waren die naar boven leidden. Er was maar voor één persoon plaats op. Daarom moesten de roodhuiden achter elkaar lopen.
Het Lange Oor liep voorop, met een fakkel in zijn hand. Hij had de bovenste trede van deze verdieping nog niet bereikt of hij hoorde beneden zich een schreeuw gevolgd door een angstkreet uit vele monden. Hij bleef staan en keek om. Wat hij zag was wel zo ontzettend dat hun schrik volkomen begrijpelijk was.
Door de gang waarin zich nog ontelbare Utes bevonden drong, zo hoog en breed als maar mogelijk was, het water naar binnen.
De fakkels belichtten de donkere, kolkende vloed die al bijna manshoog was en met enorme snelheid steeg. Degenen die nog in de gang stonden waren verloren. Het water verstikte hen onmiddellijk. Maar ook de mannen die reeds de treden beklommen, waren niet meer te redden. Ze verdrongen elkaar om boven te komen. De ene duwde de andere opzij. Ze gooiden de fakkels weg om met beide handen te kunnen vechten. Zo kwam het dat niemand erin slaagde op de trede te blijven staan. En intussen steeg het water zo snel dat het een minuut nadat de eerste kreet geuit was, de roodhuiden al tot de keel reikte. Ze werden er door opgetild, ze zwommen, ze vochten tegen de dood en tegen elkaar, maar tevergeefs. Slechts een man of zes waren zo hoog gekomen dat ze kans op redding hadden. Rollende Donder en Grote Wolf waren daarbij. Ze hadden slechts één fakkel die de voorste, de Timbabache, droeg. Door een smalle opening in het plafond konden ze de volgende verdieping bereiken vanwaar eenzelfde soort trap omhoog leidde.
‘Geef mij het licht en laat mij voorgaan!’ beval Rollende Donder.
Hij wilde de fakkel grijpen maar het Lange Oor verzette zich.
Er ontstond een kort gevecht dat evenwel lang genoeg duurde om het water naderbij te laten komen. Het drong reeds door de opening op deze verdieping door. Daar de ruimte hier veel kleiner was steeg het water dubbel zo snel langs de wanden omhoog. Het Lange Oor was jonger en sterker dan Rollende Donder. Hij rukte zich los en wierp de ander met een krachtige stoot op de grond. Maar nu drongen de andere Utes op hem toe. Hij bezat geen wapens en had maar één hand vrij om zich te verdedigen. Grote Wolf hief reeds zijn vuist op om hem neer te slaan toen hij uitriep: ‘Halt! Anders slingert het Lange Oor het licht in het water en dan is iedereen verloren! Niemand kan zien waar hij heen moet en het water zal ons inhalen.’
Dit hielp. Ze zagen in dat ze zich alleen in veiligheid konden brengen als er licht was. Het water reikte hun al tot de heupen.
‘Houdt de fakkel dan en ga vooruit, hond!’ antwoordde Rollende Donder. ‘Maar later zul je hiervoor boeten!’
De Timbabache stond al op de trap en haastte zich verder. Weer kwam hij door een smalle opening op de volgende verdieping.
Het dreigement van het oude opperhoofd was ernstig gemeend, dat besefte het Lange Oor wel. Daarom bleef hij staan toen hij door de opening was en keek om. Achter hem verscheen het hoofd van Rollende Donder.
‘Mij heb je een hond genoemd en je wilt je op mij wreken!’ riep het Lange Oor hem toe. ‘Je bent zelf een hond en zult als een hond sterven. Terug, het water in!’
Hij gaf het opperhoofd een trap in zijn gezicht zodat de oudere man achterover viel en verdween. Even later verscheen het hoofd van de volgende Ute. Ook deze kreeg een schop en viel.
De derde onderging hetzelfde lot. Het Lange Oor hijgde van inspanning en opwinding maar tevens kwam er een uitdrukking van woeste triomf op zijn gezicht. Daar dook een machtige arm op uit de duisternis en een ijzeren vuist greep de voet van de Timbabache. Met ontzetting voelde hij dat hij wankelde. Op hetzelfde ogenblik verscheen het van woede vertrokken gezicht van de Grote Wolf in de opening. In zijn vertwijfeling scheen het Lange Oor plotseling over reuzenkracht te beschikken. Met een geweldige stoot duwde hij de brandende fakkel in het ene oog van de Grote Wolf. Deze brulde het uit en greep met beide handen naar zijn gezicht. Onmiddellijk kreeg hij een tweede onverbiddelijke klap met de toorts. Hij wankelde en stortte toen omlaag in de kolkende watermassa, die angstig snel, over hem heen, de volgende verdieping bereikte. Het Lange Oor was alleen. Hij was de enige overlevende van allen die de tunnel betreden hadden.
Snel klom hij hoger, verdieping na verdieping, en het water volgde hem in hetzelfde tempo. Toen voelde hij dat de lucht frisser werd. De ruimte was nu heel smal geworden en er was ook geen trap meer, alleen een plank met kerven die als een soort ladder tegen de muur stond. Hij had zijn voeten er al op om naar boven te klimmen toen hij boven zich een stem hoorde: ‘Halt, blijf daar of ik schiet! De Utes hebben ons willen vernietigen. Nu zijn ze zelf verloren en jij zult als laatste sterven!’
Het was de stem van de Grote Beer. De Timbabache hoorde dat.
‘Maar ik ben geen Ute! Schiet niet!’ riep hij angstig uit.
‘Wie ben je dan?’
‘Uw vriend, het opperhoofd van de Timbabaches.’
‘O, het Lange Oor! Die heeft zeker de dood verdiend. Hij is een afvallige, een verrader.’
‘Nee, nee! U vergist zich!’
‘Ik vergis mij niet. Het Lange Oor heeft op de een of andere wijze mijn geheim achterhaald en het de Utes meegedeeld. Verdrink dus zoals zij verdronken zijn!’
‘Maar ik heb niets verraden!’ hield de roodhuid doodsbang vol, want het water was al bij zijn knieën.
‘Lieg niet!’
‘Laat me erdoor! Bedenk toch dat ik altijd uw vriend geweest ben!’
‘Nee, het Lange Oor blijft beneden!’
Toen klonk de stem van Old Firehand: ‘Laat hem boven komen. Er is al genoeg verschrikkelijks gebeurd. Hij zal wel schuld bekennen.’
‘Ja, ik zal alles zeggen,’ beloofde het Lange Oor want het water stond al tot aan zijn heupen.
‘Goed, ik wil je het leven schenken en hoop dat je mij hiervoor dankbaar zult zijn.’
‘Mijn dankbaarheid zal geen grenzen kennen.’
‘Goed, ik houd je aan je woord. Kom boven.’ Om zijn beide handen te kunnen gebruiken wierp de roodhuid zijn fakkel in het water en klom naar boven. Toen hij daar was zag hij dat hij in het haardvertrek van het eilandhuis was. Voor de open deur brandde een vuur en bij het naar binnen vallende licht herkende hij de Grote Beer, Old Firehand en Old Shatterhand. Hij zakte in elkaar van uitputting en de doorstane angst, sprong echter onmiddellijk weer op, sprong naar buiten en riep uit: ‘Weg van hier, naar buiten! Anders komt het water voor we ons kunnen redden!’
‘Blijf hier!’ beval de Grote Beer. ‘Van het water is nu niets meer te vrezen want hier kan het niet hoger stijgen dan het meer. Nu je gered bent wil ik eerst horen hoe je je post hebt verlaten en hier gekomen bent.’
Zo ongeveer een uur na het uitzetten van de eerste wacht was Old Firehand op de gedachte gekomen de posten te gaan controleren. Hij sloop naar buiten en kwam het eerst op het punt waar het Lange Oor had moeten staan. Zijn plaats was leeg. Hij ging naar de naast hem opgestelde Timbabaches om te vragen waar hun opperhoofd was en hoorde dat deze weggeslopen was.
‘Waarheen?’
‘Naar de Utes. Hij is nog niet terug.’
‘Hoelang is hij al weg?’
‘Al bijna een uur.’
‘Dan moet hem iets overkomen zijn. Ik zal eens gaan kijken.’
De jager ging liggen en kroop naar de plek waar hij eerst de vijandelijke wachtposten gezien had. Ze waren weg. Hij kroop verder. Waar de Utes de canyon overdwars versperd hadden gehouden was evenmin iemand te zien. Met uiterste omzichtigheid zette Old Firehand zijn onderzoekingen voort. Hij vond geen enkele Ute, maar ook het opperhoofd niet. Dat was onrustbarend. Hij ging nog een heel stuk de canyon door zonder een vijand te ontmoeten en keerde toen terug met het bericht dat de Utes verdwenen waren. Dat zou op zichzelf niet zo onbegrijpelijk of zorgwekkend geweest zijn als het opperhoofd niet eveneens spoorloos geweest was.
‘Ze hebben hem gesnapt,’ veronderstelde de Grote Beer. ‘Hij is te onvoorzichtig geweest en nu is het met hem gedaan.’
‘En met ons waarschijnlijk ook,’ zei Old Firehand.
‘Waarom met ons?’
‘Ik vind het vreemd dat ze weg zijn. Daar moeten ze wel een gegronde reden voor gehad hebben. En dat kan niet alleen het feit zijn dat het Lange Oor in hun handen gevallen is. Volgens mij moet er nog een andere aanleiding voor die onverwachte terugtocht zijn, die echter wel verband houdt met het opperhoofd.’
‘Wat zou dat dan kunnen zijn?’
‘Hm! Ik vertrouw het Lange Oor niet. Ik heb altijd iets tegen hem gehad.’
‘Nintropan-hauey zou niet weten waarom wij hem moeten wantrouwen. Hij heeft nooit iets vijandigs van hem ondervonden.’
‘Dat kan wel, maar toch is hij geen man die ik zou vertrouwen. Kent hij deze streken goed?’
‘Ja.’
‘Kent hij ook de weg die door het rotsdal naar het Zilvermeer voert?’
‘Die kent hij, wij zijn er met hem geweest.’
‘Dan weet ik genoeg. We moeten onmiddellijk opbreken en naar het meer gaan.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij die weg waarschijnlijk aan de Utes verraden heeft. Ik kan me natuurlijk vergissen en het is mogelijk dat hij onder pressie zijn mond voorbijgepraat heeft maar daar komt het niet op aan. Ik ben er zeker van de Utes al een uur weg zijn en over twee uur bij het Zilvermeer aankomen.’
‘Dat denk ik ook,’ viel Old Shatterhand bij.
‘Het Lange Oor heeft geen goed gezicht,’ vond Winnetou. ‘Mijn broeders moeten snel naar het meer rijden anders zijn de Utes daar vóór ons en nemen ze Patterson en zijn dochter gevangen.’
Ze stegen te paard en reden de canyon door zo goed en zo kwaad als het in de duisternis mogelijk was. Het duurde wel een uur voor ze de toegang tot het dal bereikten. Dit werd bezet en wel door blanken, daar de Timbabaches, nu hun opperhoofd weg was, niet meer te vertrouwen waren.
Patterson was niet meer op het eiland. Hij had met zijn dochter in het gebouw gezeten. Beneden hen lagen de gevangenen met elkaar te praten. Vaag drongen hun stemmen tot hen door en dit vond Ellen zo griezelig dat ze haar vader gevraagd had het eiland te verlaten en met haar naar de oever te gaan. Hij had dit verzoek ingewilligd en was met haar naar de kant geroeid. Toen het nacht werd stak hij een vuur aan, maar was zo voorzichtig er niet dichtbij te gaan zitten. Hij trok zich met Ellen in de schaduw terug waar ze de verlichte plek konden overzien. Het was niet prettig, zo alleen op dit gevaarlijke terrein te zijn en ze waren dan ook dolblij toen ze hun vrienden en de Timbabaches zagen verschijnen.
De blanken gingen, voor zover ze de beide toegangen niet moesten bewaken, bij het vuur zitten. De Timbabaches staken een tweede vuur aan en gingen er omheen zitten om over de verdwijning van hun opperhoofd te praten. Dat de blanken hem van verraad verdachten hadden ze wijselijk voor hen verzwegen.
Sedert hun komst bij het meer had Watson, de vroegere ploegbaas, nog geen gelegenheid gehad de Grote Beer te spreken. Nu ze echter samen om het vuur zaten zei hij: ‘Mijn rode broeder heeft nog niet met mij gesproken. Ik ben een van de twee bleekgezichten die een hele winter hierboven geweest zijn. Toen leefde Ikhachi-tatli, uw grootvader nog. Hij was ziek en wij hebben hem verpleegd tot zijn dood.’
‘Nintropan-hauey is u hiervoor dankbaar!’ zei de Grote Beer eenvoudig.
‘Ja, wij hebben hem verzorgd en hij heeft ons daarvoor iets geschonken. Hij vertrouwde ons een geheim toe, het geheim van een schat die hier verborgen zou zijn.’
‘Het oude opperhoofd had niet over dit geheim behoren te spreken. Hij was moe en zwak geworden en zo vergat hij uit dankbaarheid zijn gelofte van eeuwig stilzwijgen. Hij mocht hierover alleen met zijn zoon en kleinzoon spreken die de enige erfgenamen van deze schat zijn.’
‘Denkt u dus dat ik geen recht heb, over deze zaak te spreken?’
‘De Grote Beer kan het u niet verbieden. Maar op enig profijt van dit geheim hoeft u niet te hopen. De schat is allang uit zijn schuilplaats op de bodem van het meer weggehaald. Hij was er niet veilig meer daar hier meer en meer vreemde jagers en vijandige Indianen verschenen. Laat de gedachte aan die schat dus maar los. Iedere andere wens zal echter met vreugde ingewilligd worden.’
‘Is dat werkelijk zo?’ vroeg Old Firehand snel, daar hij uit de woorden van de Grote Beer wel moest opmaken dat de tekening nu waardeloos was.
‘Dan zal ik uit naam van mijn makker een wens uitspreken.’
‘Doe het. Zo het in de macht van de Grote Beer ligt zal hij deze gaarne vervullen.’
‘Aan wie behoort het land waar wij ons bevinden?’
‘Aan Nintropan-hauey. Eens zal hij het nalaten aan zijn zoon, de Kleine Beer.’
‘Kunt u bewijzen dat u er recht op heeft?’
‘Ja. Bij de rode mannen is het woord voldoende maar de blanken vragen een papier met zwarte letters. Een dergelijk papier is klaargemaakt en door blanke opperhoofden ondertekend. Er zit ook een groot zegel op. Daarvoor is de Grote Beer naar de stad van de Blanke Vader geweest. Het stuk grond van het Zilvermeer is zijn eigendom tot waar het door de bergen omsloten wordt. Hij kan ermee doen wat hij wil.’
‘En wie behoort de rotsketel waardoor wij vandaag gekomen zijn?’
‘Aan de Timbabaches. De blanke opperhoofden hebben de hele streek opgemeten en in tekening gebracht en toen heeft de Blanke Vader in Washington dit dal aan de Timbabaches toegekend.’
‘Ze kunnen er dus een gedeelte van verpachten, verkopen of wegschenken, al naar het hun belieft?’
‘Ja.’
‘Dan wil ik u zeggen dat ik de rotsketel van hen kopen wil:’
‘De Grote Beer kan u niet verbieden te kopen en hun niet te verkopen.’
‘Daar gaat het niet om. Ik wil weten of u er al dan niet op gesteld bent, ons als buren te krijgen.’
Er verscheen een slimme uitdrukking op het gezicht van de Grote Beer toen hij vroeg: ‘Waarom wilt u juist op een plek wonen waar geen water is en waar geen grashalm groeit? De blanke koopt alleen land als het hem iets oplevert. De Grote Beer raadt uw gedachten. Het is de rots, de steen die waarde heeft voor u.’
‘Dat is ook zo. Maar pas dan wanneer we water kunnen krijgen.’
‘Neem het dan uit het meer!’
‘Dat is het wat ik u vragen wilde.’
‘U kunt zoveel hebben als u nodig hebt.’
‘Mag ik een leiding aanleggen?’
‘Ja.’
‘Als u mij het recht verkoopt zal ik daarvoor betalen!’
‘Wanneer er een koop gesloten moet worden, dan zij het zo. U kunt de prijs bepalen maar Nintropan-hauey zal deze niet aannemen. U hebt hem een grote dienst bewezen. Zonder u en uw vrienden zou hij in handen van de Utes zijn gevallen. Daarom zal hij u helpen, de schatten uit het keteldal vrij te maken.’
‘Dat gaat mooi,’ fluisterde Hobble-Frank zijn neef toe. ‘Het water hebben we al en als het zilver ook zo toeschietelijk is zullen we gauw voor crisis spelen!’
‘Je bedoelt zeker Croesus? Dat was toch die koning die zo schatrijk was?’
‘Zeg, begin nu ook niet net als dikke Jemmy! Als je mijn neef en vriend wilt blijven, dan… Luister eens!’
Bij de ingang weerklonk een gefluit. Dit was het met de rafters afgesproken teken. De blanken sprongen op en snelden naar de ingang van het dal. Daar vernamen ze dat er in de buurt van de rotskloof een geluid gehoord was dat op hoefslagen leek. Snel werden de nodige maatregelen getroffen. De blanken lagen onder en achter de bomen verscholen en wachtten met spanning op de dingen die komen zouden. Er verliep echter een hele tijd zonder dat ze iets zagen of hoorden. Dat was verdacht. Daarom kroop Winnetou voorwaarts om de toestand te verkennen. Na ongeveer een kwartier kwam hij bij Old Firehand, Old Shatterhand en de Grote Beer terug met de boodschap: ‘De krijgers der Utes hebben zich gesplitst. De ene helft staat met alle paarden links, waar de weg uit het keteldal mondt. De anderen zijn rechts, bij het begin van de canyon. Ze hebben daar een gat geopend waarin ze verdwijnen.’
‘Een gat?’ vroeg de Grote Beer verschrikt. ‘Dan kennen ze de onderaardse gang en is mijn geheim verraden. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan het Lange Oor. Hoe is hij erachter gekomen! Ik moet gaan zien of het waar is.’
Nintropan-hauey snelde weg, in de richting van de dam en de drie volgden hem. Weldra zagen ze, verscholen tussen de bomen, het begin van de canyon in het maanlicht onder zich liggen. De steenhoop was verwijderd en ze konden de Utes de gang zien binnengaan. ‘Ja, ze kennen mijn geheim,’ zei de Grote Beer.
‘Ze willen naar het eiland om ons in de rug aan te vallen en ze willen mijn schatten hebben die ze op de bodem van het meer denken te vinden. Daar zullen ze voor boeten. Ik moet snel naar het eiland. Old Firehand en Old Shatterhand kunnen met mij meegaan maar Winnetou moet hier blijven. Ik zal hem iets laten zien.’ Hij nam de Apache mee naar een plek, een paar schreden verder, waar de dam loodrecht naar het meer afliep.
Daar lag een groot rotsblok, wel honderden kilo’s zwaar op een onderlaag van kleinere stenen die op een vreemde manier gerangschikt waren. De Grote Beer wees op een van die stenen en zei: ‘Zodra Winnetou van hieruit ziet dat ik op het eiland een vuur ontsteek moet hij deze steen wegduwen, waarna het rotsblok in het water zal rollen. Mijn rode broeder moet echter snel achteruit springen en niet schrikken wanneer hij een geweldige klap hoort.’ Nintropan-hauey rende heen en de beide jagers volgden hem. Hij trok een brandende tak uit het vuur en stapte in een van de bootjes. Daar hij proberen moest het hout brandende te houden, namen Old Shatterhand en Old Firehand de roeispanen. Ze stieten van wal en voeren op het eiland toe. Daar aangekomen liep de Grote Beer snel het gebouw binnen. In de haard lagen dorre takken. Hij nam ze mee naar buiten en stak ze aan.
‘Nu moeten mijn broeders luisteren!’ zei hij tot de jagers terwijl hij naar de kant wees waar Winnetou achtergebleven was. Ze hoorden in de verte een kort, hol gerommel, daarna het gebruis van het water dat door de neerstortende rots hoog opspatte en toen een knal, een gekraak alsof er een huis instortte.
‘Het is gelukt!’ riep de Grote Beer met een zucht van verlichting uit. ‘De toegang is versperd. De Utes zijn verloren. Kom mee!’
Hij ging het bouwwerk weer binnen, naar het vertrek met de haard. De vuurplaats stond, zoals de jagers nu zagen, op een beweegbare ondergrond. De roodhuid schoof deze zonder moeite opzij. Er ontstond nu een opening. De Grote Beer keek erin en luisterde. ‘Ze zijn erin. Ik hoor hen aankomen,’ zei hij.
‘Maar nu snel het water naar binnen laten!’
Hij sprong naar buiten om achter het huis nog iets te doen wat de anderen niet konden zien. Maar toen hij terugkwam wees hij naar een plek op het meer, niet ver van hen verwijderd en zei: ‘Zien mijn broeders het water daar bewegen? Het vormt een kolk want het wordt omlaag gezogen en stort nu in de gang die ik geopend heb.’
‘Nee maar, dan moeten alle Utes ellendig verdrinken!’ riep Old Shatterhand uit.
‘Ja, allen, allen! Niet één zal er ontkomen!’
‘Afgrijselijk! Was dat niet te vermijden geweest?’
‘Nee, want niemand die mijn geheim ontdekt, mag ontkomen.’
‘Maar nu hebt u uw eigen bouwwerk verwoest!’
‘Ja, dat is vernield en nooit zal het weer hersteld kunnen worden. Het eiland zal tot boven toe vollopen met water. Kom binnen!’ De beide blanken huiverden. Het opstijgende water dreef de bedompte lucht voor zich uit. Ze voelden de kilte uit het gat in de vloer komen. Dit betekende de dood van meer dan honderd mensen.
‘Maar onze gevangenen die daar ook ergens liggen, zullen nu ook verdrinken!’ zei Old Shatterhand.
‘Nee, de muur zal enige tijd weerstand bieden. Dan moeten we hen er inderdaad uithalen. Luister!’ Onder hen hoorden ze geluiden en toen zagen ze een roodhuid opduiken met een fakkel in zijn hand. Het was het Lange Oor. De Grote Beer wilde hem ook laten verdrinken maar op aandringen van Old Firehand zag hij van deze dwaasheid af. Nauwelijks was de Timbabache in veiligheid of op het eiland stond het water even hoog als in het meer en de trechtervormige kolk die ze eerst gezien hadden, was verdwenen. Het Lange Oor was bij het vuur gaan zitten. Hij kon onmogelijk meer op zijn benen blijven staan. De Grote Beer ging tegenover hem zitten, trok zijn revolver en beval dreigend: ‘Nu kan het opperhoofd der Timbabaches beginnen te vertellen hoe hij met de Utes in de gang is gekomen. Wanneer hij Nintropan-hauey iets voorliegt, krijgt hij een kogel in zijn hoofd. Kende het Lange Oor het geheim van het eiland?’
‘Ja,’ gaf het opperhoofd toe.
‘Wie heeft het u verraden?’
‘Uzelf.’
‘Dat is niet waar!’
‘Het is waar. Ik zat daarginds onder de oude levenseik toen u met uw zoon naderde. U bleef bij mij staan praten over het eiland, de schatten en over de manier waarop men het water in de gang kan laten. Weet u dat nog?’
‘Ja.’
‘Ik maakte uit uw woorden op dat de gang begon bij de steenhoop. De volgende morgen ging u op hertenjacht en ik benutte die tijd om de steenhoop te verwijderen. Ik trad de gang binnen en vond de fakkels. Toen wist ik genoeg en legde de stenen weer op hun plaats.’
‘En vandaag ging het Lange Oor naar de Utes om het geheim te verraden?’
‘Nee, ik wilde hen besluipen maar werd gepakt. Om mijzelf te redden heb ik toen van die gang en het eiland verteld.’
‘Dat was laf. Zo Old Firehand niet gemerkt had dat uw plaats leeg was, zou het verraad gelukt zijn en zouden onze zielen morgen reeds in de eeuwige jachtvelden zijn. Welke straf komt het opperhoofd toe?’ De Timbabache zweeg. ‘Een tienvoudige dood! Maar eens was hij mijn vriend en deze bleekgezichten willen niet dat ik hem dood. Hij leve dus, maar slechts dan als hij mijn eisen inwilligt.’
‘En wat eist de Grote Beer van mij?’
‘Datgene wat Old Firehand van u verlangt. Hij wil in de rotsketel wonen en die van u kopen. U verkoopt hem dus dat dal en de weg die naar het Zilvermeer voert.’
‘Wij hebben die ketel niet nodig. Geen paard kan er grazen.’
‘Wat is de prijs?’
‘Dat moet ik eerst met de andere Timbabaches bespreken.’
‘Ik zal de prijs noemen: Old Firehand zal u twintig geweren en twintig pond kruit, tien dekens, vijftig messen en dertig pond tabak geven. Dat is niet te weinig. Gaat u hierop in?’
‘Ja, en ik zal mijn best doen dat de anderen dit ook doen.’
‘U zult met Old Firehand en een paar getuigen naar het dichtstbij wonende blanke opperhoofd moeten gaan om de koop geldig te doen verklaren. Daarvoor krijgt u ook nog een geschenk, groot of klein, veel of weinig, zoveel u verdient en zoveel het Old Firehand belieft. Ik erken dus dat u hem van nut kunt zijn, maar ik hoop ook dat u mij het verraad zult doen vergeten. En roep nu uw mannen. Ze moeten de gevangen Utes naar boven halen opdat ook zij niet verdrinken!’
Het Lange Oor gehoorzaamde dit bevel want het was hoog tijd dat de gevangenen in veiligheid gebracht werden. Niet lang nadat de laatste van hen voor het gebouw was neergelegd hoorden ze het water al ruisen en gorgelen. Het had de muur naar binnen gedrukt en was nu ook de kelder binnengedrongen. De gevangenen werden in kano’s naar de oever gebracht en aan de Timbabaches toevertrouwd, die hen moesten bewaken. Het Lange Oor mocht er niet bij zijn daar men hem toch nog niet durfde vertrouwen. Hij moest mee naar de andere ingang, waar de blanken nog steeds op hun post waren daar de tweede helft van de Utes nog tegenover hen lag en zich niet had teruggetrokken.
Deze roodhuiden wisten niet waar ze aan toe waren. De meesten van hen, die ook naar het eiland hadden willen doorstoten, waren de gang al binnengedrongen toen deze plotseling door een geweldige hoop stenen en aarde van bovenaf ingedrukt werd. Deze instorting had velen het leven gekost en de gang zo volkomen afgesloten dat het water niet uit het meer kon stromen. Dat was ook de bedoeling van de Grote Beer geweest: het water mocht niet naar de canyon afvloeien maar moest doordringen in het inwendige van het eiland. De Utes die niet onder de instorting bedolven waren, hadden zich verschrikt teruggetrokken en waren naar de andere groep gesneld om te vertellen wat er gebeurd was. Ze wisten niet of alle mannen die zich in de gang bevonden verloren waren. Misschien hadden er nog een paar het eiland weten te bereiken. Als dat het geval was dan moesten deze krijgers de blanken in de rug aanvallen. Ze wachtten van minuut tot minuut maar de tijd verstreek zonder dat hun hoop in vervulling ging. Nu stond het dus wel vast dat allen in de gang door de ramp getroffen waren. Het werd dag en nog steeds stonden de Utes met de paarden op dezelfde plaats. Om niet door de blanken overrompeld te worden, hadden ze een paar posten naar voren geschoven. Daar zagen ze Old Shatterhand onder de bomen verschijnen. Hij riep hun toe dat hij met de aanvoerder wilde spreken. Toen ze elkaar ontmoetten, vroeg Old Shatterhand: ‘Is het u bekend dat enige opperhoofden en krijgers als gijzelaars in onze macht zijn?’
‘Ik weet het,’ was het sombere antwoord.
‘En weet u wat er gebeurd is met de krijgers die de gang zijn ingegaan?’
‘Nee.’
‘De gang is ingestort en het water drong naar binnen. Allen zijn verdronken. Alleen het Lange Oor is ontkomen. Zo-even zijn de verwachte tweehonderd Navajo’s aangekomen. Wij zijn nu verre in de meerderheid, maar wij willen uw bloed niet. Wij wensen vrede. Wees verstandig en ga met mij mee. Ik breng u naar de andere opperhoofden. Spreek met hen en daarna kunt u weer hier terugkomen.’
De man keek even naar de grond en vroeg toen: ‘U zult woord houden en mij terug laten keren? Ik vertrouw u en ga met u mee.’ Hij bracht zijn mannen van dit voornemen op de hoogte, legde zijn wapens af en volgde de jager naar het meer. Daar heerste een grote drukte want de Navajo’s waren inderdaad aangekomen. Ze brandden van begeerte zich op de Utes te wreken voor de nederlaag van de hunnen en er was heel wat overredingskracht voor nodig geweest om hun een vredelievende houding te doen aannemen.
De gijzelaars waren nu van hun boeien bevrijd. Ze zaten bij elkaar, onder voldoende bewaking, toen Old Shatterhand met de Ute naderde. Deze zette zich bij hen neer en toen werd het Lange Oor naar hen toe gestuurd om hun te vertellen hoe de vernietiging had plaatsgevonden. De beraadslaging duurde lang. Tenslotte kwam het Lange Oor melden dat ze op de vredesvoorwaarden ingegaan waren. Dit had een plechtige zitting tot gevolg waaraan de voornaamste blanken en roodhuiden deelnamen. Deze duurde verscheidene uren en er werden heel wat redevoeringen gehouden tot eindelijk de vredespijp rondging. Het resultaat was een ‘eeuwige’ vrede tussen alle partijen. Genoegdoening viel er van geen enkele zijde te geven.
De gevangenen werden vrijgelaten en allen, Utes, Navajo’s en Timbabaches, beloof den plechtig de bleekgezichten die in de rotsketel wilden wonen en werken, vriendschap te betuigen en alle hulp te verlenen. De tekening die de rode cornel gehad had bleef zoek en zou nu trouwens ook geen enkel nut meer gehad hebben.
Hierna volgde een grote jacht die tot de avond duurde en rijke buit opleverde. De volgende morgen brak het uur van scheiden aan. De Utes trokken noord en de Navajo’s zuidwaarts. Ook de Timbabaches keerden naar hun dorpen terug. Het Lange Oor beloofde over de verkoop van de rotsketel te beraadslagen en het resultaat te komen meedelen. Hij kwam al de derde dag terug en meldde dat de vergadering toegestemd had en het eens was met de prijs die de Grote Beer genoemd had. Ze hoefden nu alleen nog maar de koop door een bevoegde instantie te laten bekrachtigen.
Eerst reed Old Firehand met de Grote Beer en het Lange Oor naar Salt Lake City waar de overeenkomst gesloten werd. Dat was tevens een geschikte stad om de nodige machines en werktuigen te bestellen. Tante Frolic was meegereden om onder getuigenverklaring bij de notaris te laten vastleggen dat de rode cornel dood was waarop Frolic in het bezit van de uitgeloofde beloning kwam.
Na bijna twee maanden kwamen de machines bij het Zilvermeer aan en begon de ingenieur zijn werkzaamheden. De waterleiding werd aangelegd en vervolgens nam de ontginning van het dal een aanvang. Het leverde inderdaad een rijke oogst op en de winst werd van dag tot dag groter. Iedere avond werd er opnieuw geschat en gewogen. Wanneer de opbrengst bijzonder verheugend was fluisterde Frolic zijn neef vergenoegd toe: ‘Als het zo doorgaat, zal ik gauw mijn hoeve kunnen kopen. De zaken lopen gesmeerd!’ En Hobble-Frank antwoordde dan steevast: ‘En mijn villa staat er al bijna, tenminste in mijn hoofd. Wat zal dat een prachtig bouwwerk worden op het mooie Elbestrand en de naam die ik ervoor bedenk, zal nog veel prachtiger zijn.[35] Ik heb gesproken. Howgh!’