8. Winnetou
Over de prairie liep, langzaam en vermoeid, een voetganger.
Dat was een zeldzaam verschijnsel, want hier heeft zelfs de armste duivel een paard. Tot welke stand deze man behoorde was moeilijk uit te maken. Hij droeg stadskleren die echter zeer afgedragen waren en hem het uiterlijk van een vreedzaam mens gaven, waarbij echter het lange, oude geweer dat hij over zijn schouder droeg niet goed paste. Zijn gezicht was bleek en ingevallen, waarschijnlijk ten gevolge van de ontberingen die zo’n lange voettocht met zich brengt.
Af en toe bleef hij staan om even te rusten, maar de hoop mensen tegen te komen, dreef hem dan weer verder op zijn pijnlijke voeten. Telkens en telkens weer zocht hij met zijn ogen de horizon af tot eindelijk zijn ogen van vreugde oplichtten: hij had in de verte een man bespeurd, ook een voetganger, die van rechts kwam, zodat hun wegen zich moesten kruisen. Dit gaf hem nieuwe energie en nieuwe veerkracht aan zijn spieren. Hij liep snel door, met grote passen en zag weldra dat de ander dit bemerkte, want deze bleef staan om hem naderbij te laten komen.
Deze andere was heel vreemd gekleed Hij droeg een blauw jasje met een rode, staande kraag en gele knopen, een kniebroek van rood fluweel en hoge laarzen met kappen van geel leer. Om zijn hals had hij een blauw zijden doek geslagen van voren in een grote, dubbele knoop gelegd waarvan de einden zijn hele borst bedekten. Zijn gezicht werd door een strohoed met brede rand overschaduwd. Aan een riem om zijn nek hing een kist van gepolijst hout. De man was lang en uitgedroogd.
Zijn gladgeschoren gezicht was mager en scherp besneden. Wie deze trekken zag en in de listige, kleine ogen keek, wist direct dat hij hier een echte Yankee voor zich had, van het soort waarbij sluwheid spreekwoordelijk is.
Toen het tweetal elkaar op gehoorsafstand genaderd was lichtte de man met de kist even zijn hoed op en groette de ander: ‘Good day, kameraad! Waar komt u vandaan?’
‘Van Kinsley,’ luidde het antwoord, ‘en u?’
‘Van overal. Het laatst van de farm die achter me ligt.’
‘En waar gaat u heen?’
‘Overal heen. Eerst naar de farm daar voor ons.’
‘Is er daar dan een?’
‘Ja, nog geen half uur lopen.’
‘Gelukkig. Ik zou het ook niet langer uitgehouden hebben.’
De uitgeputte man zei dit met een diepe zucht. Hij was dichterbij gekomen en stond nu stil, maar hij zwaaide op zijn benen.
‘Niet uitgehouden? Waarom niet?’
‘Van de honger.’
‘Van de honger? Owee! Nou, wacht maar even, dat kan ik wel verhelpen. Ga hier maar zitten, op mijn kist! U krijgt meteen wat te bikken.’
De man met het blauwe jasje zette zijn kist neer, duwde de vreemdeling erop, haalde toen twee reusachtige boterhammen uit zijn borstzak, uit een andere zak een flinke homp ham, gaf alles aan de hongerige en vervolgde: ‘Eet nu maar, kameraad! Het zijn wel geen fijne hapjes, maar tegen de honger helpen ze best.’
De ander greep haastig toe. Hij wilde het brood onmiddellijk naar zijn mond brengen, bedacht zich echter, aarzelde en zei: ‘U bent erg goed, sir, maar dit voedsel is voor uzelf bestemd. Wanneer ik het opeet, moet u honger lijden.’
‘Oh nee! Ik krijg op de eerstvolgende boerderij zo veel te eten als ik wil, geloof me maar.’
‘Bent u daar dan bekend?’
‘Nee, ik ben nog nooit in deze streek geweest. Maar praat niet zoveel, eet liever.’
De hongerige volgde deze raad op, de Yankee ging in het gras zitten en keek met plezier toe hoe de geweldige happen achter de gezonde tanden verdwenen. Toen zowel brood als ham op waren, vroeg hij: ‘Verzadigd bent u nog niet, maar nu kunt u er toch weer even tegen.’
‘Ik voel me als herboren, sir. U zult het wel niet geloven, maar ik ben nu al drie dagen op pad zonder te eten.’
‘Hoe bestaat het! Van Kinsley tot hier hebt u dus niets gegeten? Had u dan niet wat proviand mee kunnen nemen?’
‘Nee, daarvoor moest ik te snel vertrekken.’
‘Zo! Maar u hebt een geweer bij u. Dan had u toch een stukje wild kunnen schieten!’
‘O, sir, ik ben een slecht schutter. Ik raak nog eerder de maan dan een hond die vlak voor me zit.’
‘Waartoe dient dan dat geweer?’
‘Om eventuele rode of blanke schurken af te schrikken.’
De Yankee keek hem een tijdlang onderzoekend aan en zei toen: ‘Hoor eens, sir, er is bij u iets niet in orde. U schijnt voortvluchtig te zijn en toch een ongevaarlijk mensenkind. Waar wilt u eigenlijk heen?’
‘Naar Sheridan aan de spoorlijn.’
‘Nog zo’n eind en dan zonder levensmiddelen! Ik ben een onbekende voor u, maar als u in nood zit, moet u me vertrouwen. Vertel me maar eens waar de schoen wringt!’
‘Dat is gauw genoeg gezegd. Ik heet Keller. Mijn ouders zijn uit Europa naar hier gekomen om iets te bereiken, maar veel succes hebben ze niet gehad. Ook mijn pad is niet over rozen gegaan. Ik heb van alles gedaan en aangepakt tot ik twee jaar geleden klerk bij de spoorwegen werd. Mijn laatste standplaats was Kinsley. Sir, ik ben iemand die geen vlieg kwaad doet, maar als ik beledigd word, loopt me de gal over. Ik kreeg daar met de uitgever van een krant ruzie wat op een duel uitliep. Stelt u zich voor, een duel met geweren! Op vijftig passen afstand. En ik had nog nooit zo’n moordwerktuig in mijn handen gehad! Het werd me geel en groen voor de ogen toen ik het hoorde. Maar ik zal kort zijn: het ogenblik brak aan en we stelden ons op. Sir, u kunt van me denken wat u wilt, maar ik ben een vredelievend mens. Bij de gedachte alleen dat ik misschien een mens zou doden, kreeg ik kippenvel. Daarom mikte ik expres een paar yards ernaast. De schoten gingen af. Ik was niet getroffen, maar mijn tegenstander had de kogel midden in zijn hart gekregen. Met het geweer, dat niet van mij was, in mijn handen rende ik weg. Ik houd vol dat de loop krom was. De kogel ging zeker twee yards naar links. Maar het ergste was dat die krantenman een grote en invloedrijke kennissenkring had en dat betekent veel hier in het Westen. Ik moest vluchten en ik gunde me alleen de tijd om van mijn chef afscheid te nemen. Hij gaf mij de raad, naar Sheridan te gaan en hij gaf mij een open aanbevelingsbrief mee voor de ingenieur die de leiding in die plaats heeft. U mag hem wel lezen, dan weet u dat ik de waarheid spreek.’
Hij haalde hierbij een brief uit zijn zak en gaf hem aan de Yankee. Deze las:
‘Beste Charoy!
Hierbij zend ik je mr. Joseph Keller die tot nu toe klerk bij mij
geweest is. Hij is een eerlijke, trouwe en vlijtige kerel, maar hij
was zo ongelukkig, bij een duel met een hoek te schieten en juist
daardoor zijn tegenstander dodelijk te treffen. Daarom moet hij
voor een tijdje weg van hier. Je zou me een genoegen doen, hem werk
te verschaffen in je afdeling totdat de gemoederen hier wat bedaard
zijn.
Je Ben Norton’
De Yankee vouwde de brief weer dicht en gaf hem aan de eigenaar terug terwijl er een half spottend, half medelijdend lachje om zijn lippen speelde: ‘Ik geloof u op uw woord, mr. Keller, u had mij daarvoor die brief niet hoeven te tonen. Ik hoef u maar aan te zien om te weten dat ik met een doodeerlijk mens te doen heb die moedwillig nog geen vlieg kwaad zou doen. Met mij is het net zo gesteld. Ik ben ook geen groot jager of schutter. Maar ik geloof toch niet dat ik in uw plaats zo bang zou zijn geweest. Ik denk dat u zich een beetje op stang hebt laten jagen.’
‘O nee, het was heus een gevaarlijke zaak!’
‘Bent u er dan zeker van dat ze u achtervolgd hebben?’
‘Heel zeker. Daarom heb ik tot nu toe alle farms vermeden, zodat het niet uitlekt welke kant ik opgegaan ben.’
‘En bent u er zeker van dat u in Sheridan goed ontvangen zult worden en daar een aanstelling krijgt?’
‘Ja, want mr. Norton en mr. Charoy, de ingenieur in Sheridan, zijn goede vrienden.’
‘En wat voor salaris krijgt u daar?’
‘Tot nu toe verdiende ik acht dollar en ik denk wel dat ik daar hetzelfde zal krijgen.’
‘Zo! Ik weet een baantje voor u dat het dubbele betaalt, zestien dollar dus en bovendien nog vrij onderdak.’
‘Wat? Zestien dollar en vrij onderdak?’ riep de schrijver verheugd uit terwijl hij opsprong. ‘Zestien dollar? Maar dat is vorstelijk! Waar is dat baantje te vinden?’
‘Bij mij.’
‘Bij… u?’ klonk het ontnuchterd.
‘Jazeker! Dat had u van mij zeker niet gedacht hè?’
‘Hm! Ik ken u niet.’
‘Dat kan meteen verholpen worden. Ik ben magister doctor Jefferson Hartley, physician en farrier van beroep.’
‘Dus mensen- en veearts?’
‘Dokter voor mens en dier,’ knikte de Yankee.
‘Wanneer u zin hebt kunt u mijn assistent worden en dan betaal ik u het genoemde loon.’
‘Maar ik heb van die dingen toch geen verstand,’ protesteerde Keller bescheiden.
‘Ik ook niet,’ bekende de magister.
‘Nee?’ vroeg de ander verwonderd. ‘Maar u moet toch medicijnen gestudeerd hebben?’
‘Geen kwestie van!’
‘Maar als u magister en doctor bent…!’
‘Dat ben ik inderdaad. Deze titels en waardigheid bezit ik. Dat kan ik weten, want ik heb ze mezelf verleend.’
‘Uzelf?’
‘Jazeker! Ik ben heel openhartig tegen u, omdat ik wel denk dat u mijn aanbod zult aannemen. Eigenlijk ben ik kleermaker, later werd ik kapper en vervolgens leraar. Daarna heb ik een opvoedingsinrichting voor jonge ladies gesticht. Toen dat ophield, heb ik naar mijn trekharmonica gegrepen en ben reizend muzikant geworden. Bovendien heb ik nog tien of twintig beroepen op roemruchte wijze uitgeoefend. Ik heb het leven en de mensen leren kennen en deze kennis culmineert in de ervaring dat een handige kerel geen stommerik mag zijn. De mensheid wil bedrogen zijn. Je doet er haar het grootste plezier mee en niets vindt ze prettiger dan wanneer je haar knollen voor citroenen verkoopt. Vooral hun zwakheden moet je strelen, hun geestelijke en lichamelijke gebreken en daarom ben ik dokter geworden. Hier, kijk eens wat een apotheek!’
De Yankee ontsloot de kist en sloeg het deksel open. Het inwendige bestond uit vijftig vakken die met rood fluweel bekleed en met vergulde sierrandjes afgezet waren. In ieder vak stond een flesje dat met een fraai gekleurde vloeistof gevuld was.
Er waren vloeistoffen in alle mogelijke tinten.
‘Is dat nu uw apotheek?’ vroeg Keller. ‘Waar haalt u uw medicijnen vandaan?’
‘Die maak ik zelf.’
‘Maar daar hebt u toch geen verstand van?’
‘O jawel! Dat is een klein kunstje. Wat u daar ziet is niets dan een klein beetje kleurstof en een beetje veel water, aqua genaamd. Uit dit woord bestaat mijn hele kennis van het Latijn. De andere uitdrukkingen heb ik zelf bedacht. Ze moeten zo mooi mogelijk klinken. En dus treft u hier opschriften aan als: aqua salamandra, aqua peloponnesia, aqua chimborassolaria, aqua invocabulataria en nog andere. U zou niet geloven hoeveel mensen ik al met die watertjes behandeld heb. Ik neem u dat helemaal niet kwalijk, want zelf geloof ik er ook niets van. De hoofdzaak is, het resultaat niet af te wachten, maar zo gauw mogelijk te zorgen dat je je geld krijgt en je uit de voeten maakt. De Verenigde Staten zijn heel groot. Voor ik rond ben zijn er heel wat jaren verlopen en ben ik intussen een rijk man geworden. Het leven kost me niets, want overal waar ik kom krijg ik meer voorgezet dan ik op kan en wanneer ik wegga, stoppen ze ook nog mijn zakken vol. Voor de Indianen hoef ik geen angst te hebben, omdat ik als medicijnman voor hen onaantastbaar ben. Kom, sla toe! Wilt u mijn assistent zijn?’
‘Hm,’ bromde Keller terwijl hij zich bedenkelijk achter het oor krabde, ‘ik vind ’t een beetje een bedenkelijk zaakje. Het is niet eerlijk.’
‘Doe niet zo belachelijk! Het geloof doet alles. Mijn klanten geloven in de uitwerking van mijn geneesmiddelen en daardoor worden ze gezond. Is dat bedrog? Probeer het dan eens. U bent nu een beetje gesterkt door het eten en de farm waar ik heen wil ligt op uw weg, dus nadeel hebt u er niet van.’
‘Ik wil het wel proberen, al was het alleen maar uit dankbaarheid. Maar ik kan de mensen niets op de mouw spelden daar ben ik niet handig genoeg voor.’
‘Hoeft ook niet. Dat doe ik allemaal zelf. U hoeft alleen maar eerbiedig te zwijgen en uw hele werk bestaat hierin dat u mij het verlangde flesje uit de kist aangeeft. U moet het zich ook laten welgevallen dat ik u als mijn dienaar behandel. Nou, vooruit, dan gaan we maar!’
Hij hing zijn kist weer om zijn nek en samen liepen ze verder.
Na ongeveer een half uur zagen ze in de verte een farm liggen.
Erg groot leek ze niet. Nu moest Keller de kist dragen, want voor een doctor en magister past zoiets niet.
Het hoofdgebouw van de farm was van hout. Daarnaast en daarachter lagen goed verzorgde groente- en fruitkwekerijen.
De bijgebouwen stonden op enige afstand van het woonhuis.
Daar stonden drie paarden vastgebonden, een zeker teken dat er vreemden op bezoek waren. Ze zaten in de woonkamer, dronken bier dat de farmer zelf gebrouwen had en zagen de kwakzalver met zijn assistent aankomen.
‘Deksels!’ riep een van hen uit. ‘Zie ik het goed? Maar die ken ik toch? Als ik me niet heel erg vergis dan is het Hartley, de muzikant met de harmonica!’
‘Een kennis van je?’ vroeg de tweede. ‘Heb je iets met hem gehad?’
‘Nou en of! Die vent had goede zaken gedaan en zijn zakken vol dollars. Toen heb ik ook goede zaken gedaan door ze ’s nachts leeg te halen.’
‘Weet hij dat jij het gedaan hebt?’
‘Hm, waarschijnlijk wel. Goed maar dat ik mijn rode haar gisteren weer zwart geverfd heb! En het gemis van mijn oorschelpen – die verdomde roodhuiden! – zal me wel onherkenbaar maken. Jullie moeten me toch maar geen Brinkley of cornel noemen! Die vent zou anders onze zaakjes wel eens in de war kunnen sturen.’
De beide nieuwkomers hadden nu het huis bereikt. De vrouw van de farmer kwam de stal uit, groette hen vriendelijk en vroeg wat ze wilden. Toen ze hoorden dat ze met een dokter en zijn assistent te doen had vroeg ze opgetogen of ze niet binnen wilden komen.
‘Mesjeurs,’ riep ze naar binnen, ‘daar is een hooggeleerde dokter met zijn assistent. Ik denk wel niet dat u bezwaar zult hebben tegen het gezelschap van de heren.’
‘Hooggeleerde dokter?’ mompelde de cornel in zichzelf. ‘Onbeschaamde vlerk. Ik zou hem wel eens de waarheid willen zeggen!’
De binnenkomenden groetten en gingen zonder veel woorden zitten. De cornel merkte tot zijn voldoening dat Hartley hem niet herkende. Hij gaf zich uit voor vallenzetter en zei dat hij met zijn kameraden de bergen in wilde. Daarna ontspon zich een gesprek terwijl de huisvrouw bezig was bij het haardvuur.
Toen het middagmaal klaar was, ging ze voor het huis staan en blies volgens het gebruik van die streek op een hoorn om alle huisgenoten binnen te roepen. Daarop kwamen van de nabijgelegen velden de farmer, een zoon, een dochter en een knecht aangelopen. Ze reikten de gasten, vooral de dokter, met welgemeende vriendelijkheid de hand en gingen toen zitten om samen met hen het maal te gebruiken. Het waren eenvoudige, argeloze lieden die niet tegen de elegant-geestige en doorgewinterde Yankee opgewassen waren.
Gedurende het eten gaf de farmer slechts eenlettergrepige antwoorden. Maar na tafel stak hij een pijp op, leunde met zijn ellebogen op tafel en zei tegen Hartley, terwijl hij hem vol verwachting aankeek: ‘Straks moeten we weer naar het veld, dokter. We hebben nu nog even tijd, met u te praten. Misschien kunnen we ons voordeel doen met uw geleerdheid. Van welke ziekten hebt u verstand?’
‘Wat een vraag!’ antwoordde de kwakzalver. ‘Ik ben physician en farrier en genees dus alle ziekten van mens en dier.’
‘Well, dan bent u de man die ik nodig heb. Hopelijk bent u niet een van die zwendelaars die als dokter rondtrekken en die alles geweest zijn en van alles beloven, maar niet gestudeerd hebben?’
‘Zie ik eruit als zo’n bedrieger?’ vroeg Hartley terwijl hij een hoge borst opzette. ‘Hoe zou ik mijn doctors- en magisterexamen gehaald hebben als ik geen gestudeerd man was? Daar zit mijn assistent. Vraag het hem en hij zal u antwoorden dat duizenden en duizenden, de dieren nog niet eens meegerekend, aan mij hun gezondheid en hun leven te danken hebben!’
‘Ik geloof u wel, sir, en u komt juist op tijd. Ik heb een koe in de stal staan. Wat dat betekent zult u wel weten. In dit land gaat een koe alleen naar stal als ze zwaar ziek is. Ze heeft twee dagen lang niets gegeten en laat aldoor haar kop hangen. Ik heb haar al afgeschreven.’
‘Pshaw! Ik geef de hoop pas op als de dood ingetreden is. Laat de knecht mij er maar eens heenbrengen dan zal ik u vertellen wat er aan de hand is.’
Hartley liet zich naar de stal brengen. Toen hij terugkwam keek hij bedenkelijk en verklaarde: ‘Het was hoog tijd. Ze zou de avond niet gehaald hebben. Ze heeft bilzekruid gegeten. Gelukkig heb ik daar een heel oud tegengif voor. Morgenochtend is ze weer zo gezond als een vis. Geef me maar eens een emmer water en jij daar, pak eens de fles met aqua sylvestropolia!’
Keller opende de kist en haalde er het verlangde flesje uit.
Hartley liet een paar druppels in het water vallen. Hiervan moest de koe om de drie uur twee liter drinken. Toen kwamen de menselijke patiënten aan de beurt. De vrouw had een beginnend kropgezwel en kreeg aqua sumatralia. De farmer was reumatisch en kreeg aqua sensationia. De dochter was kerngezond maar kon makkelijk overgehaald worden aqua furonia te nemen tegen de paar zomersproeten die ze had. De knecht hinkte een beetje, al van zijn kinderjaren af, maar nam deze gelegenheid te baat, het euvel met aqua ministerialia te bestrijden.
Ten slotte vroeg Hartley of hij ook de drie vreemdelingen ergens mee van dienst kon zijn. De cornel schudde zijn hoofd. ‘Dank u, sir, wij zijn gezond. En als ik me eens niet lekker voel dan heb ik daar mijn Zweedse methode voor.’
‘Hoe gaat dat dan?’
‘Met heilgymnastiek. Ik laat me op een trekharmonica een vlot deuntje voorspelen en dans dan zo lang tot ik er bezweet van raak. Dat is een probaat middel. Gesnapt?’
Hij knikte Hartley veelbetekenend toe. De geneeskundige zweeg onthutst en wendde zich af om de gastheer de weg te vragen naar de volgende farms. De dichtstbijzijnde lag acht mijl[15] verder naar het westen en dan lag er nog een andere vijftien mijl naar het noorden. Toen de zogenaamde magister verklaarde dat hij nu zonder dralen naar het westen moest vertrekken vroeg de farmer wat hij hem schuldig was. Hartley vroeg vijf dollar die hij zonder enig bezwaar uitbetaald kreeg. Toen nam hij afscheid met zijn assistent die de kist weer omhing. Toen ze zo ver weg waren dat ze vanuit de farm niet meer gezien konden worden, zei hij: ‘We zijn naar het westen gegaan, maar nu zwenken we om naar het noorden, want ik denk er niet aan, de dichstbijgelegen farm op te zoeken. Die koe was al zo ver heen dat ze over een uur wel dood zal zijn. Als de farmer het dan in zijn hoofd krijgt mij achterna te rijden, ziet het er niet best voor me uit. Maar een middagmaal en vijf dollar voor tien druppeltjes anilinewater is anders niet kwaad, hè? Ik hoop dat je deze goede kans waarneemt en bij mij in dienst komt!’
‘Die hoop is dan ijdel, sir,’ weerde Keller af. ‘U biedt mij weliswaar veel geld maar daarvoor moet ik nog veel meer leugens vertellen. Neem het mij maar niet kwalijk. Ik ben een eerlijk man en wil het ook blijven. Mijn geweten verbiedt mij, uw voorstel aan te nemen.’
Hij zei dit zo ernstig en zo vastberaden dat de bedrieger wel inzag dat verder praten geen zin had. Daarom schudde hij spijtig zijn hoofd. ‘Ik had het zo goed met je voor. Jammer dat je geweten zo teer is!’
‘Ik ben dankbaar dat ik een ander gekregen heb. Hier hebt u uw kist terug. Ik zou u graag van dienst geweest zijn, na alles wat u voor mij gedaan hebt, maar ik kan niet.’
‘Well! Een mens zijn zin is een mens zijn leven. Ik wil er verder niet op aandringen. Maar daarom hoeven we nog niet direct uit elkaar te gaan. We kunnen in ieder geval tot de volgende farm samen blijven.’
De Yankee nam zijn kist weer terug en zo liepen ze zwijgend verder, slechts lettend op wat voor hen lag, tot ze plotseling achter zich hoefgetrappel hoorden. Ze keken om en zagen de drie mannen die ze op de farm aangetroffen hadden.
‘Woe to me!’ liet Hartley zich ontvallen. ‘Dat kon wel eens voor mij bedoeld zijn. Ik dacht dat die kerels de bergen in wilden. Waarom gaan ze dan niet naar het westen? Ik vertrouw ze niet. Ze zagen eruit als schurken.’
Tot zijn schade zou hij weldra ervaren dat hij goed gezien had.
De ruiters hielden bij het tweetal stil en de cornel zei met een honende blik tegen de kwakzalver: ‘Sir, waarom bent u van richting veranderd? Nu kan de farmer u niet vinden.’
‘Mij vinden?’ vroeg de Yankee onschuldig.
‘Ja. Toen u weg was heb ik hem ronduit verteld hoe het met die fraaie titels van u zit en daarna is hij haastig weggereden om u achterna te gaan en zijn geld terug te halen. Hij is op weg naar de farm die u met uw bezoek wilde vereren naar het scheen. Wij waren een beetje slimmer dan hij. We kunnen een spoor lezen en hebben dat van u gevolgd om u een voorstel te doen.’
‘Wat moet ik daarmee aan? Ik ken u niet en heb niets met u te maken.’
‘Maar wij wel met u. Ik ken u wel, de reizende muzikant van vroeger. Wij lieten toe dat u die eerlijke farmers bedroog en dus zijn wij uw medeplichtigen geworden. Het is niet meer dan billijk dat u ons daarvoor een deel van uw verdienste afstaat. U bent met uw tweeën en wij met ons drieën. Wij moeten dus drievijfde van het bedrag eisen. U ziet dat we rechtvaardig handelen. Als u het er niet mee eens bent, dan… nou, kijk mijn kameraden maar eens aan!’
Brinkley duidde op de beide anderen die nu hun geweren op Hartley richtten. Deze begreep wel dat protest hier niet zou baten. Inwendig verkneukelde hij zich dat hij er zo goedkoop afkwam. Hij haalde dus drie dollar uit zijn zak, stak ze de cornel toe en zei: ‘U vergist zich in mijn persoon, maar u schijnt in omstandigheden te verkeren dat u een deel van mijn welverdiende geld nodig hebt. Ik wil die eis van u als een grap beschouwen en het spelletje meespelen. Hier hebt u de drie dollars die u naar uw eigen berekening toekomen.’
‘Drie dollar? Bent u niet goed bij Uw hoofd?’ lachte de cornel.
‘Dacht u dat we u om zo’n jodenfooi achterna zouden rijden? Nee, nee! Ik bedoelde niet alleen het geld van vandaag. Wij eisen ons aandeel op van wat u tot nu toe verdiend hebt. Ik veronderstel dat u wel een aardig sommetje bij u hebt.’
‘Hoe komt u daarbij, sir!’ riep Hartley verschrikt uit.
‘We zullen eens zien. U spreekt niet de waarheid en daarom moet ik u onderzoeken. Ik denk wel dat u dat rustig toe zult laten want mijn kameraden hebben hun buksen niet voor de grap bij zich. Het leven van een armzalige harmonicaspeler heeft voor ons geen cent waarde.’
De tramp steeg van zijn paard en ging naar de Yankee toe.
Deze bedacht koortsachtig wat hij zou kunnen doen om het naderend onheil af te wenden, maar tevergeefs. De geweermonden keken hem zo grimmig aan dat hij zich in zijn lot moest schikken. Hij hoopte alleen maar dat de cornel niets zou vinden, want hij had zijn geld goed verstopt.
De nu zwartgeverfde roodharige doorzocht een voor een Hartley’s zakken, maar vond slechts een paar dollar. Toen tastte hij zorgvuldig zijn kleren af om te voelen of daar niets ingenaaid zat. Zonder resultaat. Hartley dacht al dat het gevaar geweken was, maar de cornel was een sluwe vos. Hij liet de kist openmaken en bekeek deze nauwkeurig.
‘Hm!’ meende hij. ‘Deze fluwelen apotheek is zo diep dat de vakken niet tot op de bodem reiken. Toch eens even kijken of ze er niet uit te lichten zijn.’
Hartley verbleekte want de schurk was op het goede spoor. De cornel pakte met beide handen de tussenschotten en trok. De apotheek kon inderdaad uit de kist gehaald worden en er onder lagen enige enveloppen. Toen hij deze opende zag hij dat ze gevuld waren met bankbiljetten van verschillende waarde. ‘Aha! Daar hebben we de verborgen schat!’ lachte hij tevreden. ‘Ik dacht het wel. Een physician en farrier verdient geld als water. Er moest wel wat te halen zijn.’
Hij maakte aanstalten het geld bij zich te steken. Hierdoor ontstak de Yankee opeens in woede. Hij wierp zich op de cornel om hem het geld weer af te nemen. Daar knalde een geweer. De kogel zou hem beslist doorboord hebben als hij niet juist een snelle beweging gemaakt had. Nu trof hij de bovenarm en versplinterde het bot. Met een kreet zonk de gewonde in het gras. ‘Goed zo, schobbejak!’ riep de cornel uit. ‘Als je op durft te staan of iets zegt dat me niet bevalt, krijg je nog een kogel en die zal je beter raken! En nu zullen we master assistent ook eens nakijken.’
Hij stak de enveloppe in zijn zak en trad op Keller toe.
‘Ik ben zijn assistent helemaal niet. Ik heb hem pas ontmoet vlak voor de farm,’ protesteerde Keller verschrikt.
‘Zo? Wie en wat ben je dan?’
Keller beantwoordde deze vraag naar waarheid. Hij liet Brinkley zelfs de aanbevelingsbrief lezen om de waarheid van zijn woorden te staven. De cornel gaf hem het schrijven terug en zei neerbuigend: ‘Ik geloof u wel. Het is u op het eerste gezicht aan te zien dat u een eerlijke vent bent, al schijnt u het buskruit niet uitgevonden te hebben. Ga maar gauw naar Sheridan! Ik wil verder niets meer met u te maken hebben.’ En zich weer tot de Yankee wendend vervolgde hij: ‘Ik had het alleen over ons aandeel, maar omdat je ons voorgelogen hebt zul je wel begrijpen dat we nu alles meenemen.’
Hartley bewoog hemel en aarde om toch minstens een deel van het geld terug te krijgen, maar hij werd alleen maar uitgelachen.
De cornel sprong weer op zijn paard en reed met zijn beide handlangers en de buit heen, naar het noorden nota bene, een bewijs dus dat hij helemaal niet van plan geweest was naar de bergen in het westen te gaan.
Onderweg maakten ze zich vrolijk over het avontuur en kwamen overeen dat ze het geld zouden verdelen zonder hun andere bendegenoten er iets van te laten weten. Toen ze na enige tijd een geschikte plek vonden, van waaruit ze de streek konden overzien, stegen ze af om het gestolen geld te tellen. Ieder stak zijn aandeel bij zich, waarna een van de tramps opmerkte: ‘Je had die andere eigenlijk ook moeten doorzoeken. Wie zegt je dat hij de waarheid zei en werkelijk een schrijver was? Wat stond er in die brief die hij je liet zien?’
‘Dat was een aanbevelingsbrief voor ingenieur Charoy in Sheridan.’
‘Wat?’ stoof de man op. ‘En die heb je ’m teruggegeven?’
‘Ja. Wat zouden wij aan dat vod gehad hebben?’
‘Vraag je dat nog? Heel veel zelfs! Het ligt toch voor de hand dat die brief ons enorm had kunnen helpen bij de uitvoering van ons plan. We hebben onze mensen achtergelaten om eerst eens poolshoogte te nemen. We moeten de plaatselijke toestanden leren kennen en ook iets van de kas te weten zien te komen. Dat is des te moeilijker omdat we ons niet willen vertonen. Wanneer we die vent nu zijn brief afgenomen hadden, dan zou een van ons naar Sheridan kunnen gaan en zich voor deze schrijver uitgeven. Hij zou dan natuurlijk op het kantoor tewerkgesteld zijn, had inzage gekregen in de boeken en was misschien na een of twee dagen al in staat geweest ons de nodige inlichtingen te verschaffen.’
‘Bliksems!’ riep de cornel uit. ‘Dat is ook zo! Hoe is het mogelijk dat ik niet op die gedachte gekomen ben? En jij had juist mooi die rol kunnen spelen omdat je nogal met de pen overweg kunt.’
‘En ik zou ’t wel klaargespeeld hebben ook. We hadden er ons heel wat moeilijkheden mee bespaard. Maar is het niet mogelijk ons verzuim nog goed te maken?’
‘Natuurlijk is dat mogelijk. We weten waar die twee heen willen. De weg die de farmer hun gewezen heeft komt hier voorbij. We hoeven dus alleen maar te wachten tot ze komen.’
‘Prachtig, dat doen we dan! Maar het is niet genoeg, die brief af te pakken. Als die schrijver dan toch naar Sheridan gaat, kan hij alles nog voor ons bederven. We moeten dat hem en die kwakzalver verhinderen.’
‘Heel juist. We schieten ze allebei een kogel door de kop en stoppen ze onder de grond. Dan ga jij met de brief naar Sheridan, probeert zoveel mogelijk te weten te komen en geeft het aan ons door.’
‘Maar waar en hoe?’
‘Wij rijden samen terug om de anderen te halen. Je kunt ons dan vinden op de plek waar de spoorweg over Eagle Tail gaat. Precies kunnen we dat van te voren niet zeggen. Ik zal voorposten uitzetten in de richting van Sheridan, die moet je dan in ieder geval tegenkomen.’
‘Goed! Maar als mijn vertrek nu eens opvalt en verdenking wekt?’
‘Hm, daar moeten we in ieder geval op voorbereid zijn. Of nee, we kunnen het vermijden, wanneer jij Dugby meeneemt. Je zegt dat je hem onderweg bent tegengekomen en dat hij werk zoekt bij de spoorweg.’
‘Uitstekend!’ stemde de tweede tramp in. ‘Werk krijg ik wel en zo niet dan is me dat eigenlijk nog liever want dan heb ik de tijd om berichten naar Eagle Tail te brengen.’
Het plan werd nog verder uitgewerkt en ze besloten het op die manier uit te voeren. Daarna bleef het drietal wachten op de nadering van de kwakzalver en zijn reisgenoot. Maar er verliepen uren voor die twee zich vertoonden. Het was natuurlijk mogelijk dat ze van richting veranderd waren om niet nog eens de tramps te treffen. Er werd dus besloten dat ze terug zouden rijden om het nieuwe spoor te volgen.
Wat nu de twee mannen betreft die door dit nieuwe gevaar bedreigd werden: de Yankee had eerst een noodverband laten aanleggen door de schrijver. Zijn bovenarm was zwaar gewond en hij was wel gedwongen een plek op te zoeken waar hij tenminste voor de eerste dagen verpleegd kon worden. Dat was de farm waar ze oorspronkelijk heen wilden. Maar daar de tramps die richting ingeslagen hadden zei de Yankee: ‘En als we dan nog eens in hun handen vallen? We moeten er ons wel van bewust zijn dat ze allang spijt hebben, ons niet onschadelijk gemaakt te hebben en dat ze dat verzuim nog wel zullen inhalen. Mijn geld hebben ze maar ik ben niet van plan hun mijn leven te gaan aanbieden. Laten we dus een andere farm opzoeken!’
‘Wie weet hoe lang dat kan duren!’ zei Keller. ‘Zou u zo’n lange tocht uithouden?’
‘Ik denk het wel. Ik ben een sterke vent. We zullen wel op de plaats van bestemming zijn vóór de wondkoorts optreedt. In ieder geval hoop ik dat je me niet voor die tijd verlaat.’
‘Natuurlijk niet. Als u er onderweg bij neervalt, ga ik hulp halen. Maar laten we nu geen tijd verliezen. Welke kant gaan we uit?’
‘Noordwaarts, net als eerst, maar wat meer naar rechts. De horizon is daar donker. Ik denk dat daar bos is of struikgewas. Waar bomen zijn daar is ook water en water heb ik hard nodig om mijn gewonde arm te verkoelen.’
Keller nam de kist op en het tweetal verliet de ongeluksplaats.
Het vermoeden van de Yankee bleek juist te zijn. Ze kwamen na enige tijd in een streek waar tussen groene bosjes een plas lag, waar het eerste verband vernieuwd werd. Hartley goot al zijn gekleurde watertjes weg en vulde de flessen met zuiver water om onderweg het verband te bevochtigen als dit nodig mocht zijn. Toen gingen ze weer verder. Ze liepen nu over een prairie met zulk kort gras dat hun voetsporen nauwelijks te zien waren. Alleen het oog van een ervaren westman kon uitmaken of het spoor door één of twee personen gemaakt was.
Na enige tijd zagen ze in het verschiet weer een donkere streep, een teken dat ze nogmaals een bosrijke streek naderden. Toen de Yankee nu even omkeek zag hij achter zich enige punten die zich bewogen. Het waren er drie en dus kwam hij onmiddellijk tot de conclusie dat de rovers omgekeerd waren. Het ging dus om hun leven. Een ander zou de schrijver op de achtervolgers opmerkzaam gemaakt hebben, maar niet aldus Hartley. Hij verdubbelde alleen zijn snelheid en wendde wondpijn voor toen Keller zich over die plotselinge haast verwonderde. Ruiters zijn natuurlijk op grotere afstand te zien dan voetgangers. De afstand tussen hen was zo groot dat Hartley wel aan mocht nemen dat ze nog niet door de tramps opgemerkt waren. Hierop was het plan van zijn redding gegrond. Hij besefte dat tegenstand nutteloos zou zijn. Werden ze ingehaald dan waren ze beiden verloren. Slechts voor één van beiden bestond er kans op redding. Daarvoor moest de ander opgeofferd worden en die andere was natuurlijk de schrijver. Deze mocht daarom niet merken welk gevaar hem dreigde en dus zweeg de sluwe Yankee.
Zwijgend liepen ze verder tot ze het bos bereikten dat uit dicht kreupelhout bestond waar de toppen van een paar hickory’s, eiken, notenbomen en olmen bovenuit staken. Het bos was niet diep maar strekte zich ver naar rechts uit. Toen ze er doorheen waren en de andere kant bereikt hadden, bleef de Yankee staan en zei: ‘Mr. Keller, ik heb nog eens nagedacht over de last die ik u veroorzaak. U wilt naar Sheridan en bent nu, ter wille van mij, van de rechte weg afgeweken. Wie weet of en wanneer we in deze richting een farm vinden. Op die manier trekt u misschien dagenlang met mij rond terwijl er toch een simpel middel is om deze opoffering onnodig te maken.’
‘Welk middel dan?’ vroeg Keller argeloos.
‘U gaat in ’s hemelsnaam maar verder en ik keer gewoon terug naar de farm waar ik vandaan kwam toen ik u ontmoette.’
‘Dat kan ik niet toestaan. Het is veel te ver.’
‘Helemaal niet. Ik ben eerst naar het westen gegaan en toen recht naar het noorden met u. We hebben dus een rechte hoek gemaakt. Als ik die nu afsnijd hoef ik van hieruit niet meer dan drie uur te lopen en zolang houd ik het wel uit.’
‘Denkt u? Nu goed! Maar ik ga met u mee. Ik heb beloofd, u niet te verlaten.’
‘En ik moet u van die belofte ontslaan omdat ik u niet in gevaar mag brengen. De vrouw van de planter is namelijk, zoals ze me zelf vertelde, een zuster van de sheriff van Kinsley. Honderd tegen één dat de sheriff daar aangaat wanneer ze u willen achtervolgen. U zou hem dus misschien in de armen lopen.’
‘Daar voel ik niet veel voor,’ zei Keller geschrokken. ‘Wilt u er werkelijk heen?’
‘Ja, het is het beste voor u en voor mij.’
De Yankee sprak zo overtuigend over de voordelen van dit plan dat Keller ten slotte in de scheiding toestemde. Hartley nam de kist van hem over. Ze schudden elkaar de hand, wisselden de beste wensen uit en gingen toen uiteen. Keller liep verder, de open prairie op. Hartley keek hem even na en haastte zich toen, een geschikte schuilplaats te vinden.
Hij was geen jager of vallenzetter. Toch wist hij wel dat hij geen sporen mocht nalaten en hij had ook wel eens gehoord hoe men het aan moest leggen een spoor uit te wissen. Terwijl hij het struikgewas indrong zocht hij zo veel mogelijk naar plekken die geen afdrukken opnamen. Waar dat niet ging, wiste hij het spoor achter zich weer uit met zijn hand. Daarbij ondervond hij natuurlijk veel hinder van zijn verwonding en ook van de kist. Hij kwam dus maar langzaam vooruit, maar vond tot zijn geluk al spoedig een plaats waar het struikgewas zo dicht stond dat men er niet doorheen kon kijken. Hij werkte er zich doorheen, zette zijn kist neer en ging er op zitten. Nauwelijks was dat gebeurd of hij hoorde de stemmen van de drie ruiters en de hoefslag van hun paarden. Ze reden op enige afstand langs het struikgewas, zonder te merken dat het spoor dat zij volgden nu enkelvoudig was geworden.
De Yankee schoof de takken wat uit een zodat hij uitzicht had op de prairie. Daar in de verte liep Keller. De tramps zagen hem en brachten hun paarden in galop. Nu hoorde hij ze ook, keerde zich om en bleef verschrikt staan. Ze hadden hem weldra bereikt. Ze spraken even met hem, hij wees naar het zuidoosten. Hij zei zeker dat de Yankee in deze richting naar de farm teruggegaan was. Toen knalde er een pistoolschot en Keller stortte neer.
‘Het is gebeurd,’ mompelde Hartley. ‘Wacht maar, schurken! Als ik jullie nog eens tegen kom, zal ik jullie dit schot betaald zetten.’
Hartley zag dat de moordenaars afstegen en iets met de dode uitvoerden. Toen stonden zij even te beraadslagen, stegen weer te paard en de cornel nam de vermoorde dwars vóór zich over het zadel. Tot verbazing van de Yankee keerde de cornel om terwijl zijn metgezellen verder reden. Toen de cornel het bosje bereikte, drong hij er met zijn paard een eind in en liet het lijk daar vallen. Het lag zo, dat het aan de buitenkant van het bosje niet te zien was, tamelijk dicht bij Hartley. Hierop trok de ruiter zijn paard terug en reed heen; waarheen kon Hartley niet zien. Hij hoorde nog enige tijd de hoefslag. Toen werd het stil.
De Yankee gruwelde. Haast kreeg hij berouw, de schrijver niet gewaarschuwd te hebben. Hij was getuige geweest van deze ontzettende daad. Het liefst was hij ervandoor gegaan maar dat durfde hij niet omdat hij veronderstelde dat de cornel nog wel naar hem zou zoeken. Ten slotte besloot hij toch maar de plaats des onheils te verlaten. Eerst keek hij nog eens over de prairie. Toen zag hij iets dat hem ertoe bracht, nog even in zijn schuilplaats te blijven.
Een ruiter, die een onbereden paard aan de hand voerde, kwam van rechts over de prairie gereden. Hij stootte op het spoor van de twee tramps, hield zijn paard in en steeg af. Nadat hij nauwkeurig naar alle kanten om zich heen gekeken had, bukte hij zich om het spoor te onderzoeken. Toen ging hij, terwijl de paarden hem uit vrije beweging volgden, op het spoor terug tot waar de moord plaatsgevonden had. Hier bleef hij weer even staan om de plek te bekijken. Pas na enige tijd richtte hij zich weer op en kwam naderbij. Met zijn ogen volgde hij het spoor van de cornel. Ongeveer vijftig passen van het bosje hield hij plotseling stil. De man stiet een vreemd keelgeluid uit en wees met zijn arm naar het struikgewas. Dit teken scheen voor het paard bedoeld te zijn want dit verwijderde zich, draafde eerst met een kleine boog naar het bosje en daarna langs de rand, ondertussen de lucht met wijd open neusgaten opsnuivend. Toen het geen teken van onrust gaf, kwam de ruiter eveneens naderbij.
Nu zag de Yankee dat het een Indiaan was. De roodhuid droeg leggins met franje en een jachthemd dat op de naden met franje en borduursel versierd was. Zijn kleine voeten staken in mocassins. Zijn lang zwart haar was helmvormig opgestoken, maar niet getooid met de adelaarsveer. Om zijn hals droeg hij een driedubbele ketting van berenklauwen, de vredespijp en zijn medicijnzakje. In zijn hand had hij een dubbelloopsgeweer waarvan het hout met zilveren spijkers beslagen was. Zijn gezicht dat matlichtbruin was met een bronzen gloed, vertoonde haast Romeinse gelaatstrekken en zijn jukbeenderen staken maar heel weinig uit.
Eigenlijk was de nabijheid van een roodhuid iets dat de Yankee, die niet voor held in de wieg gelegd was, zeker met schrik vervuld zou hebben, maar hoe langer hij naar het gezicht van de Indiaan keek des te duidelijker voelde hij dat hij voor hem geen angst hoefde te hebben. De roodhuid was hem nu tot op twintig passen genaderd. Het ene paard was nog dichterbij gekomen, terwijl het andere achter de ruiter bleef. Op dat ogenblik – het hief al de smalle voorhoef op om verder te gaan – steigerde het en wierp zich met een luid, waarschuwend snuiven achteruit. Het had de lucht van de Yankee of van de dode geroken. De Indiaan maakte een ware pantersprong zijwaarts en verdween, met hem ook het tweede paard.
Lange tijd bleef Hartley stil zitten, zonder een beweging te maken totdat een half onderdrukt geluid zijn oor trof. ‘Oef!’
Deze lettergreep had hij gehoord en toen hij zijn gezicht naar de richting van deze klank keerde, zag hij de Indiaan bij het lijk van de schrijver knielen en dit met ogen en handen onderzoeken.
Toen kroop de roodhuid achteruit en was zeker een kwartier lang niet meer te zien, tot Hartley ineenkromp van schrik want vlak naast hem klonken de woorden: ‘Waarom houdt het bleekgezicht zich schuil? Waarom treedt het niet voorwaarts om de blik van de rode krijger te ontmoeten? Wil het soms niet zeggen waar de drie moordenaars van het andere bleekgezicht zijn heen gevlucht?’
Toen Hartley omkeek zag hij de Indiaan naast zich hurken, het blinkende bowiemes in de hand. Zijn woorden bewezen dat hij het spoor goed gelezen en op scherpzinnige wijze geïnterpreteerd had. Hij hield de Yankee niet voor de moordenaar. Dat stelde Hartley gerust en hij antwoordde: ‘Ik houd me schuil voor hen. Twee zijn er weg, de prairie op. De derde heeft het lijk hier neergegooid en ik ben hier blijven zitten omdat ik niet weet of hij weg is.’
‘Hij is weg. Zijn spoor loopt door het bos en dan naar het zuidoosten.’
‘Dan is hij naar de farm om mij te achtervolgen. Maar is hij echt niet meer hier?’
‘Nee, de blanke man en ik zijn de enige levende wezens hier. Hij moge te voorschijn komen en mij vertellen wat er gebeurd is.’
De Indiaan sprak zeer goed Engels. Wat hij zei en de manier waarop boezemden de Yankee vertrouwen in. Hij kroop uit het struikgewas en toen hij dat gedaan had zag hij dat de beide paarden vastgebonden waren. De roodhuid keek de blanke aan met een blik die dwars door hem heen scheen te gaan en begon: ‘Vanuit het zuiden zijn twee mannen gekomen, te voet. Eén van hen heeft zich hier verstopt. De andere ging verder de prairie op. Toen kwamen er drie ruiters die hem volgden. Ze hebben hem een pistoolkogel door het hoofd geschoten. Twee reden heen, de derde nam het lijk op zijn paard, wierp het hier neer en vluchtte toen in galop in zuidoostelijke richting. Is dat zo?’
‘Ja, zo is het gegaan,’ knikte Hartley.
‘Vertel mij dan eens waarom men uw blanke broeder neergeschoten heeft. Wie bent u en waarom bevindt u zich in deze streek? Waren het ook deze drie mannen die uw arm gewond hebben?’
De vriendelijke toon waarop deze vragen gesteld werden bewees de Yankee dat de roodhuid hem welgezind was en geen verdenking tegen hem koesterde. Hij beantwoordde de vragen.
De Indiaan keek hem hierbij niet aan. Toen vroeg hij echter opeens met een doorborende blik: ‘Uw metgezel heeft dus uw leven met het zijne moeten betalen!’
De Yankee sloeg zijn ogen neer en antwoordde haperend: ‘Nee. Ik vroeg of hij zich ook niet wilde verstoppen, maar dat wilde hij niet.’
‘Hebt u hem gewaarschuwd dat de moordenaars u achterna zaten?’
‘Ja.’
‘En ook gezegd dat u zich hier wilde verbergen?’
‘Ja.’
‘Waarom heeft hij dan, toen de moordenaars naar u vroegen, in zuidoostelijke richting gewezen, naar de farm?’
‘Om hen te misleiden.’
‘Hij wilde u dus redden en was een dapper man. Bent u hem waardig geweest? Alleen de grote Manitou weet alles. Mijn oog kan niet in uw binnenste dringen. Kon het dat, dan zou u zich misschien voor mij moeten schamen. Ik zal zwijgen. Uw God moge uw rechter zijn. Kent u mij?’
‘Nee,’ antwoordde Hartley kleintjes.
‘Ik ben Winnetou, het opperhoofd der Apaches. Mijn hand richt zich tegen de mens die kwaad doet en mijn arm beschermt iedereen die een goed geweten heeft. Ik zal nu uw wonden onderzoeken. Maar zeg mij eerst waarom de moordenaars omgekeerd zijn om u te vervolgen. Weet u dat?’
Hartley had al vaak van Winnetou gehoord. Hij antwoordde daarom extra beleefd: ‘Dat heb ik u al gezegd. Ze wilden ons uit de weg ruimen zodat wij niet konden verraden dat zij ons beroofd hadden.’
‘Nee! Als het dat alleen geweest was, hadden ze u direct gedood. Het moet iets anders zijn, iets dat hun pas later ingevallen is. Hadden ze u nauwkeurig doorzocht?’
‘Ja.’
‘En u alles afgenomen?’
‘Ja.’
‘Uw reisgenoot ook?’
‘Nee. Hij zei dat hij een arme voortvluchtige was en bewees dit door hun de brief te laten lezen.’
‘Een brief? Hebben ze die gehouden?’
‘Nee, die kreeg hij terug.’
‘Waar heeft hij hem ingestopt?’
‘In de borstzak van zijn jas.’
‘Daar is hij niet meer. Winnetou heeft alle zakken van de dode doorzocht maar geen brief gevonden. Het was dus dit schrijven dat hen ertoe gebracht heeft, terug te gaan om u in te halen.’
‘Onwaarschijnlijk!’ meende Hartley hoofdschuddend.
De Indiaan antwoordde niet. Hij haalde het lijk uit de struiken en keek nog eens zijn zakken na. De dode was gruwelijk om aan te zien, niet alleen door de kogelwond maar vooral omdat zijn gezicht met een mes kriskras opgereten was zodat het onherkenbaar was geworden. Zijn zakken waren leeg. Natuurlijk hadden ze ook zijn geweer meegenomen.
Winnetou keek nadenkend in de verte en kwam tot de slotsom: ‘Uw kameraad wilde naar Sheridan. Twee van de moordenaars zijn naar het noorden gereden, dus in die richting. Ze willen daar ook heen. Waarom hebben ze hem die brief afgenomen? Omdat ze die nodig hebben, omdat ze er gebruik van willen maken. Waarom hebben ze het gezicht van de dode verminkt? Omdat hij niet herkend mag worden. Men mag niet weten dat Keller dood is. Hij mag niet gestorven zijn daar een van de moordenaars zich voor Keller wil uitgeven.’
‘Maar met welk doel?’
‘Dat weet Winnetou niet, maar hij zal het achterhalen.’
‘Wilt u hen dan achterna?’
‘Ja. De Apache wilde naar de Smoky-Hill-rivier en Sheridan ligt in die buurt. Zo hij daarheen rijdt zal zijn weg hierdoor niet veel langer worden. Deze bleekgezichten zijn zeker iets heel ergs van plan. Misschien lukt het Winnetou, dit te voorkomen. Gaat de blanke mee?’
‘Ik had eigenlijk naar de eerste de beste farm gewild om mijn arm te laten verbinden. Maar ik zou liever naar Sheridan gaan, dan krijg ik misschien het gestolen geld terug.’
‘U rijdt dus met mij mee.’
‘Maar mijn wond dan?’
‘Winnetou zal ze onderzoeken. Op de farm krijgt u wel verpleging maar er is daar geen arts. Winnetou heeft verstand van wondbehandeling. Hij kan versplinterde beenderen weer aaneen doen groeien en bezit een uitstekend middel tegen wondkoorts. Laat mij uw arm zien.’
Keller had al de mouw van de Yankee opengesneden, Hartley had er dus niet veel moeite mee, de arm te ontbloten. Winnetou onderzocht hem en kwam tot de conclusie dat de wond niet zo ernstig was als het leek. De kogel had, daar het schot van heel dichtbij was afgevuurd, het bot glad doormidden geslagen. De Apache haalde een gedroogd blad uit zijn zadeltas, bevochtigde het en legde het op de wond. Toen sneed hij twee rechte spalken en verbond hiermee de arm zo vakkundig dat een dokter het hem met al zijn hulpmiddelen niet verbeterd zou hebben. Ten slotte verklaarde hij: ‘De blanke man kan nu gerust met mij meerijden. De koorts zal niet opkomen of anders pas als wij allang in Sheridan zijn.’
‘Maar moeten we niet eerst proberen te achterhalen wat de derde moordenaar doet?’ vroeg Hartley.
‘Nee. Hij zoekt u maar zal uw spoor niet vinden en dan de beide anderen volgen. Misschien heeft hij nog andere handlangers die hij eerst opzoekt om dan met hen naar Sheridan te gaan. De Apache komt uit bewoonde streken en heeft gehoord dat er zich in Kansas vele bleekgezichten die men tramps noemt verzameld hebben. Het is mogelijk dat de moordenaars tot deze lieden behoren. In dat geval bestaat de kans dat de tramps iets tegen Sheridan in hun schild voeren. Wij mogen geen tijd verliezen maar moeten direct vertrekken om de blanken daar te waarschuwen. Winnetou kent het doel van de moordenaars en hoeft hun spoor dus niet te volgen. Wij nemen een andere weg.’
‘En wanneer zijn we dan in Sheridan?’
‘Winnetou weet niet hoe het bleekgezicht rijdt.’
‘Nou, een kunstrijder ben ik zeker niet. Ik heb nog niet vaak in het zadel gezeten, maar ik laat mij er niet uitgooien.’
‘Dan mogen we niet te snel gaan, maar dit maken we weer goed door gestaag te rijden. We trekken de hele nacht verder en zijn dan morgen aan ons doel. De mannen die wij achtervolgen slaan vannacht een kamp op en komen dus later aan dan wij.’
‘En wat gebeurt er met het lijk van de arme Keller?’
‘Dat begraven we.’
De grond was heel los en dus hadden ze, ofschoon ze slechts gebruik maakten van messen, al vrij spoedig een tamelijk diepe groeve waarin de dode neergelegd werd. Hierop nam de Yankee zijn hoed af en vouwde de handen. Of hij werkelijk bad valt te betwijfelen. De Apache keek ernstig in de ondergaande zon. Het was alsof zijn oog achter de kim de eeuwige jachtvelden zocht.
Hij was een heiden maar op zijn manier bad hij zeker. Daarna gingen ze naar de paarden.
‘De blanke man mag mijn Iltshi[16] nemen,’ zei de Apache. ‘Hij heeft een zachte gang, gelijkmatig en licht als een kano in het water. Winnetou neemt het andere paard.’
Ze stegen op en reden weg, eerst een stuk naar het westen om daarna noordwaarts af te zwenken. De paarden hadden ongetwijfeld al een lange weg afgelegd maar ze liepen zo kwiek alsof ze pas van de weide kwamen. De zon zonk lager en lager; eindelijk verdween ze achter de horizon. De korte schemering was gauw voorbij en toen werd het donkere nacht. Dat verontrustte de Yankee.
‘Als u in deze duisternis maar niet verdwaalt!’
‘Winnetou verdwaalt nooit, noch overdag, noch ’s nachts. Hij is als de ster die steeds op haar juiste plaats is en hij kent alle streken van het land zoals het bleekgezicht de kamers van zijn woning kent.’
‘Maar er zijn toch zoveel hindernissen die in het donker niet te onderscheiden zijn!’
‘Winnetou’s ogen zien ook bij nacht. En alles wat hij niet opmerkt bespeurt zijn paard wel. Het bleekgezicht moet niet naast doch achter mij rijden, zodat zijn paard geen misstap kan doen.’
Het was werkelijk niet te geloven met welk een zekerheid paard en ruiter zich voortbewogen. Nu eens stapvoets, dan weer in draf reden ze uren achtereen met vermijding van iedere hindernis. Ze moesten om moerassen heentrekken, door beken waden.
Ze kwamen langs farms. Steeds wist Winnetou waar hij zich bevond en geen moment scheen hij moeite te hebben, zich te oriënteren. Dat was een hele geruststelling voor de Yankee. Hij was ook vooral bezorgd geweest om zijn arm, maar het wondkruid hielp wonderlijk goed. Meestal voelde hij helemaal geen pijn en het enige waarover hij zich misschien te beklagen had, was het ongemak van de rit waaraan hij niet gewoon was. Een paar maal hielden ze halt om de paarden te laten drinken en het verband met koel water te bevochtigen. Na middernacht haalde Winnetou een stuk vlees voor de dag dat Hartley op moest eten.
Verder was er geen enkele onderbreking en toen de toenemende koelte de morgen aankondigde zei de Yankee bij zichzelf dat hij best in staat was, nog langer in het zadel te blijven.
In het oosten werd het al licht maar de omtrekken van het landschap waren nog niet te onderscheiden daar er een dichte nevel over de aarde lag.
‘Dat zijn de nevels van de Smoky-Hill-river,’ legde het opperhoofd uit. ‘Die zullen we nu weldra bereiken.’
Zijn stem klonk alsof hij verder had willen spreken maar hij hield zijn paard in en luisterde. Van links klonk de regelmatige hoefslag van een paard. Dat moest een galopperende ruiter zijn.
Inderdaad, daar kwam hij en bliksemsnel, als een spookverschijning, vloog hij voorbij. Hijzelf en zijn paard waren niet te zien geweest. Slechts even hadden ze zijn donkere, breedgerande hoed boven de laag hangende nevelflarden zien uitsteken.
Een paar seconden later was de hoefslag al niet meer te horen.
‘Oef!’ riep Winnetou verrast uit. ‘Een bleekgezicht! Zoals deze man kunnen niet veel blanken rijden. Zo rijden Old Shatterhand en Old Firehand. Old Shatterhand is niet hier daar ik hem boven bij het Zilvermeer zou treffen. Maar het schijnt dat Old Firehand zich nu in Kansas ophoudt. Zou hij het geweest zijn?’
‘Old Firehand?’ vroeg de Yankee. ‘Dat is toch zo’n beroemde westman?’
‘Hij en Old Shatterhand zijn de beste, dapperste en meest ervaren bleekgezichten die Winnetou kent. Hij is hun vriend.’
‘Die man scheen haast te hebben. Waar zou hij heengaan?’
‘Naar Sheridan, want hij ging dezelfde richting uit als wij. Links ligt Eagle Tail en vóór ons is de doorwaadbare plaats in de rivier. Daar zijn we nu bijna. En in Sheridan horen we dan wel wie de ruiter was.’
De nevel begon op te trekken. Ze werd door de morgenwind uit elkaar geblazen en weldra zagen ze de Smoky-Hill-river voor zich. Ook hier bleek de Indiaan nauwkeurig te weten waar ze zijn moesten. Hij bereikte de oever precies op de plek waar ze naar de overkant konden waden. Dit ging makkelijk en was niet gevaarlijk want het water reikte maar tot aan de buik van de paarden.
Hierna moesten de ruiters door kreupelhout dat langs de oever groeide, vervolgens weer over open grasland, totdat hun einddoel, Sheridan, voor hun ogen opdook.