1. Old Firehand

Het was omstreeks de middag van een zeer warme dag in juni dat de ‘Dogfish’, een van de grootste passagiers- en vrachtschepen van de Arkansas, met haar machtige schepraderen de wateren van de stroom geselde. Zij had in de vroege morgenuren Little Rock verlaten en moest nu spoedig Lewisburg bereiken om daar aan te leggen.

Deze stoomschepen lijken uiterlijk helemaal niet op de schepen die wij gewoonlijk op onze bevaarbare rivieren zien. Een zeer groot vaartuig met opvallend platte bodem vormt als het ware de onderbouw. Hierdoor wil men met het oog op de vele ondiepe plaatsen en zandbanken in de Noord-Amerikaanse rivieren trachten ongelukken te vermijden. Op dit vaartuig verheft zich dan een bouwwerk dat veel weg heeft van een huis met twee verdiepingen. Gelijkvloers, om het dan zo maar te noemen, op het onderste dek dus, staan de stoomketels en de machines die de machtige schepraderen in beweging brengen en tevens liggen hier de kolen en de vracht. Ook is hier de bemanning ondergebracht en is er plaats voor passagiers die zo goedkoop mogelijk willen reizen. Op de eerste en tweede verdieping bevinden zich de kajuiten van de beter betalende reizigers evenals de salons, zoals eetzaal, rooksalon enzovoort. Helemaal boven strekt zich nog een soort zonneterras uit.

De tocht stroomopwaarts was altijd zwaar en de stoomboot snoof en stampte dan ook behoorlijk om aan de eisen van degenen die ze aan boord had, te voldoen.

De grote hitte had de beter gesitueerde reizigers in hun hutten en kajuiten gedreven, de meeste dekpassagiers lagen echter achter vaten, kisten en andere bagage om zich het rusten wat te veraangenamen. Voor deze passagiers had de kapitein een buffet laten opstellen waarop allerlei glazen en flessen stonden waarvan de inhoud zo scherp was dat deze beslist niet voor een verwende tong en verhemelte in aanmerking kwam. Achter deze tapkast zat een door de hitte afgematte kelner met dichte ogen te knikkebollen. Wanneer hij af en toe zijn ogen opsloeg kwam er een zachte vloek of een andere krachtterm over zijn lippen.

Zijn wrevel gold een groep van ongeveer twintig mannen die voor de tapkast in een kring op de vloer zaten en de beker met dobbelstenen van hand tot hand lieten gaan. Er werd om een zogenaamde ‘drink’ gespeeld, hetgeen betekende dat de verliezer aan het einde een rondje moest geven. Hierdoor kon de kelner het dutje waar hij zoveel zin in had niet genieten. Deze mannen waren vast niet op de steamboat voor ’t eerst met elkaar in contact gekomen, daarvoor was hun omgang te vertrouwelijk en ze schenen elkaar ook goed te kennen, zoals uit diverse uitlatingen bleek. Ondanks deze algemene verbroedering scheen er toch iemand onder hen te zijn die een zekere autoriteit had. Ze noemden hem cornel, een gebruikelijke verbastering van het woord kolonel, overste.

Deze man was lang en mager, zijn gladgeschoren gezicht was spits en scherp besneden. Zijn kortgeknipt haar was knalrood, hetgeen duidelijk te zien was daar hij zijn oude, afgedragen vilthoed ver naar achteren had geschoven. Zijn kleding bestond uit zware, met spijkers beslagen leren schoenen, een nanking broek en een kort jack van dezelfde stof. Een vest droeg hij niet, maar in plaats daarvan een vuil, ongestreken shirt met een grote kraag die wijd openstond en zijn blote, door de zon verbrande borst liet zien. Om zijn heupen had hij een rode doek met franje geknoopt waaruit het heft van een mes en de kolven van twee pistolen staken. Achter hem lag een vrij nieuw geweer en een linnen rugzak met twee banden.

De andere mannen droegen dezelfde nonchalante en vuile kleding, maar ook hun bewapening was prima in orde. Niet een was er onder hen die je op het eerste gezicht zou vertrouwen.

Ze dobbelden met ware hartstocht en sloegen daarbij een taal uit die iemand met een beetje fatsoen in zijn lijf geen minuut lang zou kunnen aanhoren. Ze hadden beslist al de nodige drinks achterovergeslagen want hun gezichten waren niet alleen door de zon maar ook door de brandewijn verhit.

De kapitein was naar de stuurman op het achterdek gegaan om hem een paar noodzakelijke aanwijzingen te geven. De stuurman vroeg hem daarna: ‘Wat vindt u van die kerels die daar zitten te dobbelen, captain? Als u ’t mij vraagt, geen boys die je graag aan boord neemt.’

‘Ik denk er net zo over,’ beaamde de aangesprokene. ‘Ze geven zich wel uit voor harvesters[1] die naar het Westen willen om zich op de farms te verhuren, maar ik zou niet graag de man zijn aan wie ze werk vragen.’

‘Well sir, ik voor mij houd ze voor echte, onvervalste tramps[2].’

‘Ik zou ’t ze ook niet aanraden, ons last te bezorgen. We hebben hands[3] genoeg aan boord om ze in de oude, dierbare Arkansas te smijten. Maar maak je klaar om aan te leggen. Over tien minuten komt Lewisburg in zicht.’

Inderdaad zag men weldra de huizen van genoemde plaats die het schip met een langdurig gillen van de stoomfluit begroette.

Van de kade werd het teken gegeven dat het schip vracht en passagiers mee moest nemen.

De plaats was toen lang nog niet zo groot als nu. Bij de aanlegplaats stonden alleen een paar leeglopers. Er hoefden slechts een paar kisten en pakketten ingeladen te worden en het aantal nieuwe passagiers dat aan boord kwam bedroeg niet meer dan drie. Een van hen was een blanke, een grote, opvallend krachtige gestalte. Hij had zo’n dichte, donkere baard dat alleen zijn ogen, neus en het bovendeel van zijn wangen te zien waren. Op zijn hoofd droeg hij een oude muts van beverbont die in de loop der jaren zo goed als kaal was geworden en zijn oorspronkelijke vorm volkomen verloren had. Zijn pak bestond uit een broek en een jasje van sterk, grijs linnen. In zijn brede, leren riem staken twee revolvers, een mes en een aantal kleine voorwerpen die voor de westman onontbeerlijk zijn. Bovendien bezat hij een zware dubbelloopbuks waaraan hij een lange bijl had vastgebonden.

Toen hij het reisgeld betaald had wierp hij een onderzoekende blik in het rond. Hierbij viel zijn oog op de mannen die van hun spel waren opgestaan om te kijken wie er aan boord kwam. Hij zag de cornel. Zijn blik gleed onmiddellijk verder, als had hij hem helemaal niet opgemerkt. Maar terwijl hij de afgezakte schachten van zijn hoge waterlaarzen over zijn machtige dijen trok bromde hij in zichzelf: ‘Behold! Als dat niet rooie Brinkley is dan mogen ze me roken en met huid en haar opvreten! Hopelijk herkent hij mij niet.’

De man die hij bedoelde was bij zijn aanblik ook even geschrokken. Op gedempte toon zei hij tegen zijn makkers: ‘Kijk eens naar die zwarte kerel! Is er iemand van jullie die hem kent?’

Deze vraag werd ontkennend beantwoord.

‘Nou, ik moet hem toch wel eens gezien hebben en wel onder omstandigheden die voor mij niet erg prettig waren. Daar staat me zo iets van bij.’

‘Dan zou hij jou toch ook moeten kennen,’ meende een van hen.

‘Hij heeft ons vluchtig opgenomen en op jou helemaal geen acht geslagen.’

‘Hm! Misschien schiet ’t me nog wel te binnen. Of ik kan nog beter vragen hoe hij heet. Als ik zijn naam hoor weet ik meteen waar ik aan toe ben. Laten we hem een drink aanbieden!’

‘Als hij die aanneemt!’

‘Dacht je van niet? Jullie weten allemaal dat dat een grote belediging zou zijn. Als je iemand een borrel aanbiedt en hij weigert, dan heb je in dit land het recht met het mes of het pistool te antwoorden en als je hem koud maakt dan kraait er geen haan naar.’

‘Hij ziet er anders niet naar uit dat je hem iets kunt laten doen waar hij geen zin in heeft.’

‘Pshaw! Wedden?’

‘Ja, wedden, wedden!’ klonk het rondom. ‘Wie verliest geeft drie rondjes.’

‘Mij best,’ verklaarde de cornel.

‘Mij ook,’ zei een ander, ‘maar er moet gelegenheid zijn tot revanche. Drie weddenschappen en drie rondjes.’

‘Met wie?’

‘Nou, eerst met de zwarte die jij beweert te kennen zonder te weten wie hij is. Dan met een van die gentlemen die daar naar de oever staan te gapen. Laten we die grote nemen die daar staat als een reus onder de dwergen. En als derde die Indiaan die met zijn jongen aan boord gekomen is. Of ben ie soms bang voor hem?’

Een algemeen gelach weerklonk als antwoord op deze vraag en de cornel zei verachtelijk: ‘Ik bang voor dat rooie smoel? Pshaw! Dan nog eerder voor die reus tegen wie jullie me op willen hitsen. The devil, wat moet die vent sterk zijn! Maar juist zulke reuzen hebben dikwijls geen greintje moed en hij is zo sjiek en fijn uitgedost dat ie wel niet zal weten hoe hij met mensen van ons slag om moet gaan. Ik neem dus de weddenschap aan. Een borrel met elk van die drie. En nu aan ’t werk!’

De roodharige had de drie laatste zinnen zo hard geroepen dat ze door alle passagiers gehoord moesten worden. Iedere Amerikaan en iedere westman kent de betekenis van het woordje ‘drink’, vooral wanneer het zo luid en dreigend wordt uitgesproken. Aller ogen richtten zich dus op de cornel. Het was hem, evenals zijn kameraden aan te zien dat hij al half dronken was. Er kon dus op enige sensatie gerekend worden.

De cornel liet de glazen vullen, nam het zijne in de hand, liep op de zwartgebaarde toe en zei ‘Good day, sir! Mag ik u dit glas aanbieden? Ik beschouw u als een gentleman en hoop dat u het op mijn gezondheid zult ledigen!’

De baard van de aangesprokene verbreedde zich en trok zich toen weer samen, waaruit viel op te maken dat er een vergenoegd lachje over zijn gezicht gleed.

‘Well,’ antwoordde hij, ‘ik heb er niets op tegen, u dit plezier te doen, maar eerst wil ik weten wie me deze verrassende eer bewijst.’

‘Heel juist, sir! Men moet weten met wie men drinkt. Brinkley is mijn naam, cornel Brinkley, om u te dienen. En u?’

‘Mijn naam is Grosser, Thomas Grosser, als u daar geen bezwaar tegen hebt. Op uw gezondheid dan, cornel!’

Hij ledigde zijn glas terwijl ook de anderen het hunne leegdronken en gaf het terug. De cornel voelde zich overwinnaar, nam de zwartgebaarde man op bijna beledigende wijze van hoofd tot voeten op en vroeg: ‘Ben je soms een mof?’

‘Nee, een Duitser, sir,’ antwoordde de aangesprokene vriendelijk, zonder zich over deze onbeschaamdheid op te winden. ‘Dat “mof” moet u ergens anders zien te plaatsen. Bij mij heeft het weinig zin. Nou, bedankt voor de drink en adieu!’

Grosser draaide zich bruusk op zijn hakken om en ging snel heen terwijl hij op zachte toon voor zich heen zei: ‘Dus inderdaad die Brinkley! En dat noemt zich tegenwoordig cornel! Die vent heeft niet veel goeds in de zin. Moet ’m in de gaten houden.’

Hoewel Brinkley het eerste deel van de wedstrijd gewonnen had, keek hij toch niet bepaald triomfantelijk. Het leek er eerder op dat hij zich ergerde. Hij had gehoopt dat Grosser zou weigeren en zich door dreigementen tot drinken zou laten dwingen, maar deze had de wijste partij gekozen door eerst te drinken en daarna openlijk te laten blijken dat hij niet zo dom was, aanleiding te geven tot een handgemeen. Dit zat de cornel dwars. In deze stemming trad hij, nadat hij zijn glas opnieuw had laten vullen, op zijn tweede slachtoffer, de Indiaan, toe.

Tegelijk met Grosser waren namelijk twee Indianen aan boord gekomen, een oudere en een jongen van misschien vijftien jaar.

Naar de onmiskenbare gelijkenis van hun gelaatstrekken te oordelen konden ze vader en zoon zijn. Ze waren volkomen identiek gekleed en bewapend zodat de zoon een verjongde uitgave van de vader leek. Ze droegen leren leggins die aan de zijkanten met franje versierd waren en geel geverfde mocassins.

Van een jachthemd of iets dergelijks was niets te bekennen daar hun bovenlichaam tot aan de schouders bedekt werd door zo’n bontgekleurde zuni-deken die vaak meer dan zestig dollar per stuk kost. Het zwarte haar was glad naar achteren gekamd en hing tot op hun rug, waardoor hun uiterlijk iets vrouwelijks had. Hun gezichten waren vol en rond. De goedmoedige uitdrukking die er op lag werd nog verhoogd door de kunstmatige blos die ze met vermiljoen op hun wangen geverfd hadden. De geweren die ze in de hand hielden schenen samen nog geen halve dollar waard te zijn. Er was trouwens aan hun hele voorkomen niets dat vrees aanjoeg. Ze hielden zich afzijdig, alsof ze wat mensenschuw waren en leunden tegen een uit sterk hout vervaardigde kist van manshoogte. Ze schenen nergens acht op te slaan en zelfs toen de cornel op hen afkwam sloegen ze hun ogen pas op op het moment dat hij vlak vóór hen halt maakte en hen aansprak:

‘Warm weertje, hè? Of niet soms, rooie? Dan smaakt een slokje goed. Hier, pak aan, ouwe, en giet ’t door je keel!’

De Indiaan vertrok geen spier en antwoordde in gebroken Engels: ‘Not to drink – niet drinken.’

‘Wat, wil je niet?’ tierde de roodharige. ‘Het is een drink, begrepen, een drink! Als je die afwijst betekent dat voor iedere echte gentleman een bloedige belediging die alleen met het mes gewroken kan worden. Hoe heet je?’

‘Nintropan-hauey,’ antwoordde de Indiaan kalm en bescheiden.

‘Tot welke stam hoor je?’

‘Tonkawa.’

‘O, die tamme jongens die voor iedere kat bang zijn. Met jou hoef ik niet veel complimenten te maken. Nou, drink je of niet?’

‘Ik niet drinken vuurwater.’

Ondanks de dreigementen door de cornel geuit zei de Indiaan dit even kalm als te voren. De cornel echter haalde uit en gaf hem een klinkende klap in het gezicht. ‘Hier heb je dan je loon, rooie lafaard!’ riep hij uit. ‘Ik heb geen zin, me op een andere manier te wreken. Dat is zo’n vent als jij niet waard.’

Nauwelijks was de klap gevallen of de hand van de jonge Indiaan schoot onder de zuni-deken, waar hij zeker een wapen droeg en tegelijkertijd blikte hij snel omhoog naar het gezicht van zijn vader, in afwachting van wat deze nu doen en zeggen zou.

Het gezicht van de roodhuid was zó veranderd dat het haast niet meer te herkennen was. Zijn gestalte scheen gegroeid te zijn, zijn ogen fonkelden, alle spieren van zijn gezicht trokken zich samen met plotselinge spankracht. Maar even snel sloeg hij zijn ogen weer neer, zijn lichaam verslapte en hij herkreeg zijn vroeger onderdanig uiterlijk.

‘Nou, wat heb je daarop te zeggen?’ vroeg de cornel honend.

‘Nintropan-hauey danken.’

‘Is die oplawaai je zo goed bekomen dat je er mij voor bedankt? Nou, dan kun je er nog een krijgen!’

De cornel haalde opnieuw uit, maar daar de Indiaan bliksemsnel zijn hoofd boog sloeg hij met zijn hand tegen de kist waartegen het tweetal leunde. Dat gaf een harde, holle klap. Toen klonk er van binnen een kort, scherp gegrom en geblaas dat snel aanzwol tot een woest, hees gebrul zodat weldra het hele schip van dit onheilspellende geluid vervuld was.

Brinkley sprong haastig achteruit, liet zijn glas vallen en riep uit: ‘Heavens! Wat is dat? Wat zit daar voor een ondier in die kist? Mag dat zo maar? Ze zouden er een mens de doodsschrik mee op ’t lijf jagen!’

Ook de andere passagiers waren door angst aangegrepen.

Slechts vier van hen hadden geen spier vertrokken, namelijk de zwartgebaarde die nu helemaal vooraan bij de boeg zat, de reus die de cornel als derde een drink wilde aanbieden en de beide Indianen. Dit viertal moest zich wel een geweldige zelfbeheersing eigengemaakt hebben.

Het gebrul was ook tot de hutten doorgedrongen en verscheidene reizigers kwamen verschrikt vragen wat er aan de hand was.

‘Het is niets, ladies and gentlemen,’ riep een goedgeklede heer die zojuist uit zijn kajuit naar buiten was gekomen. ‘’t Is maar een pantertje, een klein pantertje, anders niets! Een schattige “felis pardus”, maar dan zwart.’

‘Wat? Een zwarte panter?’ kreet een klein mannetje met een bril dat er wel naar uitzag de wilde dieren beter te kennen uit biologische werken dan door de praktijk der ontmoeting. ‘De zwarte panter is een van de aller-gevaarlijkste roofdieren! Hij is slimmer en brutaler dan de leeuw en de tijger! Hij doodt vaak zuiver uit bloeddorst. Hoe oud is hij eigenlijk?’

‘Pas drie jaar, sir.’

‘Pas? Noemt u dat “pas”? Maar dan is hij helemaal volwassen! Goeie hemel! En zo’n ondier is hier aan boord! Wie is daar verantwoordelijk voor?’

‘Ik, sir, ik,’ verklaarde de vreemdeling terwijl hij voor de dames en heren boog. ‘Sta mij toe dat ik me voorstel. Ladies and gentlemen, ik ben Jonathan Boyler, eigenaar van het beroemde circus en sedert enige tijd verblijf ik met mijn troep in Van Buren. Daar deze zwarte panter in New Orleans voor mij was aangekomen heb ik mij met mijn meest bekwame dierentemmer daarheen begeven om hem af te halen. De kapitein van dit beste schip gaf me tegen hoge vrachtprijs verlof het dier in te schepen, onder voorwaarde dat de reizigers zo mogelijk onkundig moesten blijven van het feit dat ze in een dergelijk gezelschap reisden. Daarom voederde ik de panter alleen ’s nachts en ik heb ’m steeds een heel kalf gegeven zodat hij zich vol kon vreten, overdag zou slapen en zich nauwelijks zou kunnen verroeren. Maar ja, als er met vuisten op de kist geslagen wordt, dan ontwaakt hij en dan laat hij ook zijn stem horen. Ik hoop dus dat de geachte dames en heren geen bezwaar zullen hebben tegen de aanwezigheid van het pantertje dat immers niet de minste last veroorzaakt.’

‘Wat?!’ voer het mannetje met de bril uit wiens stem bijna oversloeg. ‘Geen last veroorzaken? Geen bezwaar hebben? Maar dat is een onbeschaamde eis, meneer! Ik zou dus op dit schip moeten verblijven in gezelschap van een zwarte panter. Ik laat me hangen als dat gebeurt. Of hij gaat van boord óf ik! Gooi het ondier in het water! Of zet anders die kist aan de wal!’

‘Maar, sir, er is werkelijk niet het minste gevaar aan verbonden,’ verzekerde de eigenaar van het circus. ‘Kijk die stevige kist eens aan en…’

‘Ach wat kist!’ onderbrak het mannetje hem. ‘Die kist krijg ik nog wel kapot en de panter dus zeker!’

‘Ja, maar vergeet niet dat er in die kist eerst nog een ijzeren kooi zit die zelfs tien leeuwen of panters niet uit elkaar kunnen wringen.’

‘Is dat echt waar? Laat die kooi dan eens zien! Ik moet me kunnen overtuigen.’

‘Ja, we willen de kooi zien, we willen de kooi zien! We willen weten waar we aan toe zijn!’ riepen tien, twintig, dertig stemmen.

De eigenaar van de menagerie was een Yankee en hij nam de gelegenheid te baat om uit het algemene verlangen enig persoonlijk voordeel te putten.

‘Heel graag!’ antwoordde hij. ‘Maar, ladies and gentlemen, het ligt voor de hand dat u niet de kooi kunt bekijken zonder ook de panter te zien en dit kan ik, zonder een kleine tegemoetkoming, niet toestaan. Om de aantrekkelijkheid van dit zeldzame schouwspel nog te verhogen, zal ik order geven het dier te voederen. We nemen drie rangen, een van één dollar, een van een halve en een van een kwart. Daar zich hier echter slechts ladies and gentlemen bevinden ben ik ervan overtuigd dat we de tweede en derde rang al meteen kunnen laten vervallen. Of is er soms iemand die een halve of zelfs maar een kwart dollar wenst te betalen?’

Hierop kwam natuurlijk geen antwoord.

‘Dus alleen maar eerste rang. Eén dollar per persoon alstublieft, ladies and gentlemen.’

Hij nam zijn hoed in de hand en haalde de dollars op, terwijl zijn dierentemmer die hij snel had laten komen, de nodige toebereidselen tot de voorstelling trof.

De passagiers waren voor het merendeel Yankees en als zodanig wel ingenomen met de wending die de zaak genomen had.

Waren de meesten van te voren verontwaardigd geweest, nu verheugden ze zich op het welkome verzetje in het eentonige leven aan boord. Zelfs de kleine geleerde had zijn angst overwonnen en zag met spanning het schouwspel tegemoet.

‘Luister eens, boys,’ zei de cornel tot zijn makkers, ‘één weddenschap heb ik gewonnen en de andere verloren, want die rode schurk heeft niet gedronken. Dat weegt tegen elkaar op. De derde gaat niet om drie glazen brandy, maar om de dollar entree die we moeten betalen. Zijn jullie het daar mee eens?’

De vrienden namen het voorstel aan want de reus zag er niet naar uit dat hij zich gauw schrik zou laten aanjagen.

‘Mooi,’ zei de cornel die door het genot van de vele brandy zeker was van de overwinning. ‘Let maar eens op hoe snel en graag die Goliath met mij zal drinken!’

Brinkley liet zijn glas vullen en liep op de bewuste persoon toe.

De afmetingen van deze man waren ongetwijfeld formidabel.

Hij was nog langer en breder gebouwd dan Grosser en zou zo ongeveer vijftig jaar geweest zijn. Zijn gladgeschoren gezicht was door de zon gebruind. Moed sprak uit zijn mannelijke, knappe gelaatstrekken en zijn blauwe ogen vertoonden de typische blik van mensen die in grote ruimten leven waar de horizon niet beperkt is, zoals zeelieden, woestijnbewoners en prairiejagers. Hij droeg een keurig reistenue. Wapens waren niet te zien.

Naast hem stond de kapitein die van de brug naar beneden was gekomen om de voorstelling met de panter eveneens bij te wonen.

Toen plantte de cornel zich wijdbeens voor zijn vermeende derde slachtoffer en zei: ‘Sir, mag ik u deze drink aanbieden? Hopelijk weigert u mij dit genoegen niet.’

De aangesprokene wierp hem een verbaasde blik toe en wendde zich af om zijn zo brutaal onderbroken gesprek met de kapitein voort te zetten.

‘Phoe!’ riep de cornel uit. ‘Bent u doof of wilt u niet naar mij luisteren? Dat zou ik u niet aanraden. Ik bied u een drink aan en hierover versta ik geen scherts. Als u verstandig bent, dan neemt u een voorbeeld aan die twee Indianen daar!’

De ander haalde flauwtjes zijn schouders op en vroeg aan de kapitein: ‘Hebt u gehoord wat deze kwajongen tegen mij zegt?’

‘Yes, sir, ieder woord,’ knikte de kapitein.

‘Well, dan bent u ook getuige dat ik hem niet geroepen heb.’

‘Wat?’ stoof de cornel op. ‘Een kwajongen noemt u mij? En u wijst de drink af? Dan zal het u ook vergaan als die Indianen die ik …’

Verder kwam hij niet want op dat ogenblik kreeg hij zo’n enorme oplawaai van de reus dat hij neer smakte, een eind over het dek schoof en toen ook nog over de kop sloeg. Even bleef hij versuft liggen, kwam echter weer snel overeind, trok zijn mes, hief het op om toe te stoten en sprong op de reus af.

Met zijn handen in zijn broekzakken stond deze daar, doodgemoedereerd, als was er geen vuiltje aan de lucht, als bestond de hele cornel niet. De cornel brulde: ‘Hond, mij een oorvijg geven? Dat gaat je bloed kosten!’

De kapitein wilde tussenbeide komen maar de reus wees dit met een kort hoofdschudden af, hief, toen de cornel hem op twee passen afstand genaderd was, zijn rechterbeen op en ontving hem met zó’n hevige schop tegen de maag dat de aanvaller opnieuw tegen de grond ging en een eind wegrolde.

‘En als het nu niet uit is, dan …’ riep de reus dreigend uit.

Maar de cornel sprong weer op, stak zijn mes in zijn riem, trok brullend van woede een van zijn pistolen en richtte op zijn tegenstander. Deze haalde echter zijn rechterhand uit zijn zak. De hand hield een revolver omklemd.

‘Weg met dat pistool!’ beval hij terwijl hij aanlegde op de rechterhand van zijn belager. Eén – twee – drie korte, scherpe knallen – de cornel gaf een schreeuw en liet zijn pistool vallen.

‘Zo, kwajongen!’ zei de reus. ‘Je zult het in het vervolg wel laten, oorvegen uit te delen wanneer iemand geen zin heeft te drinken uit het glas waaraan jij eerst je grote bek hebt afgeveegd. En als je nu nog wilt weten wie ik ben, dan…’

‘Verrek met je naam!’ brulde de cornel. ‘Ik wil ’m niet eens horen. Maar jou moet en zal ik hebben. Vooruit! Pak hem, jongens, go on!’

Nu bleek dat deze kerels werkelijk een bende vormden waarin allen voor één opkwamen. Ze rukten hun messen uit de gordel en wierpen zich op de reus. Deze zette één voet naar voren, hief zijn armen op en riep: ‘Kom maar op als er één bij is die met Old Firehand te doen wil hebben!’

Het noemen van deze naam werkte als bij toverslag. De cornel die met zijn gezonde linkerhand weer naar zijn mes gegrepen had, schrok. ‘Old Firehand? Voor de donder, wie had dat kunnen denken! Waarom hebt u dat niet eerder gezegd?’

‘Is een gentleman dan alleen door zijn naam voor jullie onbeschaamdheden gevrijwaard? Scheer je weg! Ga rustig in een hoek zitten, allemaal, en kom niet meer onder mijn ogen, anders zal ik jullie nog eens een lesje geven in goede manieren. Well, we spreken elkaar nog wel nader!’

De cornel draaide zich om en ging met zijn bloedende hand naar voren. Zijn makkers volgden hem als geslagen honden. Ze gingen langs de kant zitten, verbonden de hand van hun aanvoerder, voerden een gedempt doch zeer levendig gesprek en wierpen daarbij de beroemde jager blikken toe die niet zozeer getuigden van vriendelijkheid als wel van de heilige vrees die hij hun inboezemde.

En niet alleen op hen had de wijd en zijd bekende naam indruk gemaakt. Onder de passagiers was er waarschijnlijk niemand die nog niet gehoord had van deze dappere man wiens leven een aaneenschakeling was van moedige daden en gevaarlijke avonturen. De kapitein gaf hem een hand en zei op de vriendelijkste toon waartoe een Yankee in staat is: ‘Maar sir dat had ik moeten weten! Dan had ik u mijn eigen hut afgestaan. Waarom hebt u een andere naam opgegeven?’

‘Ik heb u mijn echte naam genoemd. Old Firehand heet ik in het Westen omdat het vuur uit mijn buks iedere vijand in het verderf stort.’

‘Ik heb gehoord dat u nooit mis schiet!’

‘Pshaw! Dat doet iedere goede westman me na. Maar u ziet wat een voordelen het biedt, zo’n bekende krijgsnaam te hebben. Als de mijne niet zo vermaard was geweest, was het beslist tot een gevecht gekomen.’

‘En dan had u het tegen die overmacht moeten afleggen!’

‘Dacht u dat?’ vroeg Old Firehand terwijl er een lachje over zijn gezicht vloog. ‘Zolang ik met dergelijke vlegels te doen heb, maak ik me geen zorgen. Ik zou me wel staande gehouden hebben tot uw mannen te hulp waren gekomen.’

‘Daar zou het niet aan ontbroken hebben, maar wat moet ik met die schavuiten beginnen? Ik ben heer en meester op mijn schip. Moet ik ze in de boeien laten slaan?’

‘Nee.’

‘Of zal ik ze aan land zetten?’

‘Ook niet. U wilt toch niet dat dit de laatste tocht is die u met uw steamboat maakt?’

‘Nee, geen sprake van, ik hoop nog lange jaren op de oude Arkansas heen en weer te varen.’

‘Nou, wacht u dan de wraak van deze lieden op uw hals te halen! Ze zijn in staat zich ergens langs de oever op te stellen en bij gelegenheid een streek uit te halen die u niet alleen uw schip maar ook uw leven kan kosten.’

Nu merkte Old Firehand dat de zwartgebaarde man naderbij gekomen was en verlangende doch bescheiden blikken op de jager richtte. Old Firehand stak hem zijn rechterhand toe en vroeg: ‘Hoe ver wilt u met dit schip meegaan?’

‘Tot Fort Gibson maar. Dan ga ik verder met een roeiboot. Ik ben bang dat u mij wel een lafaard zult vinden omdat ik zojuist een drink van die zogenaamde cornel heb aangenomen.’

‘O nee! Ik kan u alleen maar prijzen om uw verstandige handelwijze. Maar toen hij die Indiaan sloeg nam ik mij natuurlijk voor hem een goede les te geven.’

‘Hopelijk neemt hij die ter harte. Trouwens wanneer hij van dit schot een stijve vinger overhoudt is het met hem als westman gedaan. Maar ik weet niet wat ik van die Indiaan moet denken. Hij heeft zich als een lafaard gedragen en toch schrok hij niet het minst bij het gebrul van de panter. Dat laat zich niet rijmen, volgens mij.’

‘Zal ik het rijmpje dan eens voor u maken? Kent u die Indianen?’

‘Ik hoorde de naam toen hij die zei. ’t Is een woord waar je je tong op kunt breken.’

‘Omdat hij zich van zijn moedertaal bediende, natuurlijk om de cornel niet te laten merken met wie hij te doen had. Hij heet Nintropan-hauey en zijn zoon heet Nintropan-homosh, dat betekent Grote Beer en Kleine Beer.’

‘Werkelijk? Van die twee heb ik al dikwijls gehoord. De Tonkawa’s zijn ontaard. Alleen deze twee hebben de strijdlust van hun voorvaderen geërfd en zwerven nog vrij door het gebergte en de prairies.’

‘Ja, het zijn twee flinke kerels. Hebt u niet gezien dat de zoon onder zijn deken naar zijn mes of zijn tomahawk greep? Alleen het strakke gezicht van zijn vader weerhield hem ervan de daad van de cornel ogenblikkelijk te wreken. Ik vertel u dat die Indianen dikwijls genoeg hebben aan een enkele blik waar wij, blanken, een hele redevoering moeten afsteken. Sedert het moment dat de cornel de Indiaan in zijn gezicht sloeg staat zijn dood vast. De beide Beren zullen zijn spoor niet eerder verlaten vóór zij hem uit de weg geruimd hebben. Maar toen u uw naam noemde hoorde ik dat het een Duitse was. Wij zijn dus landgenoten.’

‘O ja? Bent u ook Duitser sir?’ vroeg Grosser verwonderd.

‘Zeker. Mijn eigenlijke naam is Winter. Ik vaar ook nog een stuk met dit schip mee en we zullen dus nog wel gelegenheid hebben met elkaar te praten. Bent u pas kort in het Westen?’

‘Nou,’ meende de gebaarde bescheiden, ‘toch al iets langer. Ik heet Thomas Grosser. De achternaam wordt hier weggelaten. Thomas wordt Tom en omdat ik zo’n enorme, zwarte baard heb noemt iedereen me Zwarte Tom.’

‘Wat?’ riep Old Firehand uit. ‘Bent u dan Zwarte Tom, de beroemde rafter?[4]

‘Tom heet ik en rafter ben ik, maar of ik nu zo beroemd ben dat betwijfel ik. Maar sir, de cornel daar mag mijn naam niet te weten komen, anders herkent hij me misschien.’

‘Hebt u dan al eens met hem te doen gehad?’

‘Zo’n beetje. Ik vertel het u nog wel eens. Kent u hem niet?’

‘Ik heb hem vandaag voor de eerste keer gezien, maar als hij langer aan boord blijft zal ik hem scherp op de vingers kijken. En u moet ik nader leren kennen. U bent de man die ik nodig heb. Wanneer u nog geen andere afspraken gemaakt hebt zou ik graag van uw diensten gebruik willen maken.’

‘Och,’ meende Tom terwijl hij nadenkend naar de grond keek, ‘de eer bij u te mogen zijn is meer waard dan vele andere zaken. Ik heb mij weliswaar aangesloten bij andere rafters en ben zelfs hun aanvoerder, maar als u mij tijd wilt geven hen op de hoogte te stellen dan is dat wel te regelen. Maar kijk eens! Ik geloof dat de voorstelling gaat beginnen.’

De eigenaar van het kijkspel had van kisten en balen een paar rijen zitplaatsen gemaakt en nodigde nu in hoogdravende bewoordingen het publiek uit, plaats te nemen. Dit gebeurde.

Ook de bemanning mocht, voor zover ze niet bezig was, toekijken. De cornel en zijn mannen kwamen er niet bij. Hij had er geen zin meer in.

Aan de beide Indianen was niet gevraagd of ze mee wilden doen. Twee Indianen bij ladies and gentlemen die een dollar per persoon betaald hadden, dat kon de eigenaar van het dier niet riskeren. Ze bleven dus op een afstand staan en schenen noch aan de kooi noch aan de groep kijkers enige aandacht te besteden, terwijl er toch aan hun scherpe, heimelijke blikken niet het minste ontging.

Nu zaten de toeschouwers voor de nog gesloten kist. De meesten wisten nauwelijks wat een zwarte panter was. De katachtige roofdieren van de Nieuwe Wereld, zoals de poema of zilverleeuw, zijn beduidend kleiner en minder gevaarlijk dan de leeuw van de Oude Wereld. Zelfs wanneer ze door honger gekweld worden vluchten ze nog voor de mens. De jaguar die de Amerikaanse tijger genoemd wordt, wordt door de gaucho met de lasso gevangen en meegesleurd. Zoiets zou hij bij een Bengaalse koningstijger niet hoeven te proberen. De toeschouwers verwachtten dus niet een echt geducht roofdier te zien. Het gaf dan ook een hele sensatie toen de voorwand van de kist verwijderd werd en de panter zichtbaar werd.

Vanaf New Orleans had hij in het donker gezeten. De kist was alleen ’s nachts geopend. Nu zag het dier voor het eerst weer het daglicht en het verblindde zijn ogen. Het deed ze snel dicht en bleef nog een tijdje uitgestrekt liggen. Toen knipperde het met zijn ogen en bemerkte nu de voor hem zittende mensen. In een oogwenk was het roofdier overeind en begon zo hevig te blazen dat het merendeel van de toeschouwers opsprong en de vlucht wilde nemen.

Ja, deze panter was werkelijk een prachtig, volwassen dier, zeker meer dan zestig centimeter hoog en twee meter lang. Met de klauwen van zijn voorpoten greep hij de staven van de kooi en schudde eraan zodat de hele kist trilde. Hierbij liet hij zijn vreselijk gebit zien.

‘Ladies and gentlemen,’ vertelde de eigenaar, ‘de zwarte soort van de luipaard of panter komt oorspronkelijk van de Soenda eilanden, maar wordt ook in Noord Afrika aan de grens van de Sahara en in Abessinië aangetroffen. Deze roofkat is behendiger en gevaarlijker dan de leeuw en kan een jong rund in zijn muil wegslepen. Wat zijn gebit vermag zult u direct kunnen zien want de voedering begint.’

De temmer bracht een half schaap en legde het voor de kooi neer. Toen de panter het vlees in de gaten kreeg, ging hij als een razende te keer.

Een neger, die bij de machines van het schip bezig was had zijn nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en was naderbij geslopen. De kapitein gelastte hem, direct weer aan zijn werk te gaan.

Toen de zwarte niet onmiddellijk gehoorzaamde, greep de kapitein een stuk touw en gaf hem hiermee een paar klappen.

De gestrafte trok zich nu snel terug, bleef echter op enige afstand staan en balde met een dreigende uitdrukking op zijn gezicht, zijn vuist tegen de kapitein. De toeschouwers, die alleen oog hadden voor de panter, merkten hier niets van. De cornel echter zag het en hij zei tegen zijn makkers: ‘Die nigger is niet op de kapitein gesteld, geloof ik. We moeten het met hem aanleggen. Een paar dollars doen wonderen bij zo’n zwarte.’

Nu schoof de grofgebouwde temmer het vlees tussen de ijzeren stangen in de kooi, nam de toeschouwers met onderzoekende blik op en fluisterde toen zijn baas iets in het oor. Deze schudde bedenkelijk het hoofd. De andere drong aan en scheen de bezwaren weg te nemen, want de eigenaar knikte eindelijk en kondigde toen met luide stem aan: ‘Ladies and gentlemen ik wil u wel zeggen dat u het buitengewoon treft. Een getemde zwarte panter is nog nooit te zien geweest, tenminste niet hier in The States. Tijdens het verblijf van drie weken in New Orleans heeft mijn temmer de panter in de leer genomen en hij verklaart nu dat hij voor het eerst in het openbaar de kooi zal binnengaan en naast de panter op de grond zal gaan zitten. Mits u hem hiervoor een geldelijke beloning toezegt natuurlijk!’

De panter had zich op zijn maaltijd geworpen en hierbij werden de beenderen als karton tussen zijn kiezen fijngemalen. Hij had alleen maar oog voor zijn buit en men kon dus wel aannemen dat het gevaar, juist nu de kooi te betreden, niet zo heel groot moest zijn.

De kleine geleerde die eerst zo bang geweest was, riep nu boven alles uit: ‘Dat zou schitterend zijn, sir! Inderdaad een prestatie die wel wat waard is. Hoeveel moet uw man daarvoor hebben?’

‘Honderd dollar, sir. Het gevaar dat hij op zich neemt is niet te onderschatten, daar hij het dier nog maar amper kent.’

‘Nou, ik ben wel niet rijk, maar vijf dollar draag ik bij. Gentlemen, wie betaalt er mee?’

Er stroomden zoveel gaven binnen dat de som weldra bijeen was. Zelfs de kapitein raakte opgewonden en wilde weddenschappen afsluiten.

‘Sir,’ waarschuwde Old Firehand, ‘wees voorzichtig! Ik smeek u, sta dit waagstuk niet toe. De man kent het dier immers maar nauwelijks. Het is uw plicht te protesteren.’

‘Protesteren?’ lachte de kapitein. ‘Ik ben toch zeker niet de vader of de moeder van de temmer! In dit gezegende land heeft iedereen het recht zijn hachje te wagen als hij daar zin in heeft. Vreet de panter hem op, dan is dat zijn zaak en die van de panter. Komaan, gentlemen, ik wed om honderd dollar dat die man niet zo gaaf uit de kooi komt als hij erin gaat. Wie doet ermee? Tien procent van de winst moeten wij aan de temmer geven.’

Dit voorbeeld sloeg in. Er werden weddenschappen om aanzienlijke bedragen afgesloten en het zag ernaar uit dat de temmer, als zijn waagstuk lukte, tegen de driehonderd dollar zou incasseren.

De temmer haalde nu een zweep die in de greep een ontplofbare lading had. Viel het dier hem aan, dan kon hij zich met één prachtige slag van de panter ontdoen.

‘Ik heb zelfs geen vertrouwen in die zweep,’ zei Old Firehand tegen Zwarte Tom. ‘Ik zal het waagstuk pas kunnen waarderen wanneer het voorbij is.’

De temmer hield een korte toespraak tot het publiek, schoof de zware grendel van de kooi en duwde het smalle hekwerk dat de deur moest voorstellen terzijde. Hij moest zich bukken om naar binnen te gaan. Hij had beide handen nodig om de deur tegen te houden en deze, wanneer hij zich in de kooi bevond, weer te sluiten. Daarom had hij zijn zweep tussen de tanden genomen en was dus, zij het dan ook slechts voor een kort ogenblik, weerloos. Weliswaar was hij al dikwijls bij de panter in de kooi geweest, maar niet onder deze omstandigheden. Toen had het dier niet dagenlang in het donker gezeten, er waren niet zoveel mensen in de buurt geweest en ook geen gestamp van de machines. Deze factoren waren noch door de eigenaar, noch door de temmer in overweging genomen en dit had fatale gevolgen.

Toen de panter het geluid van het rammelend traliewerk hoorde, keek hij op. De temmer stak juist zijn gebogen hoofd naar binnen, een bliksemsnelle beweging van het roofdier en het had dit hoofd, waaruit de zweep omlaag viel, in zijn muil en kraakte het met één knauw tot moes en splinters.

Het geschreeuw dat nu voor de kooi opsteeg tartte iedere beschrijving. Allen sprongen op en maakten zich sidderend uit de voeten. Slechts drie personen bleven staan: de eigenaar, Old Firehand en Zwarte Tom. De eerste wilde de deur van de kooi dichtschuiven, maar dat was onmogelijk daar het lijk half binnen en half buiten de kooi lag. Toen wilde hij de dode bij de benen pakken en eruit trekken.

‘Doe dat in vredesnaam niet!’ riep Old Firehand. ‘Dan komt de panter er achteraan. Schuif het lichaam helemaal naar binnen. Dat is het enige wat erop zit. Dan kan de deur ten minste dicht.’, De panter lag voor het onthoofde lichaam. Met de beensplinters nog in zijn muil, waaruit bloederig slijm droop, hield hij zijn fonkelende ogen op de eigenaar gevestigd. Hij scheen te raden wat deze van plan was want hij blies kwaadaardig en kroop over het lichaam naar voren. Zijn kop was nu nog maar een paar centimeter van de opening verwijderd.

‘Weg, weg! Hij komt eruit!’ schreeuwde Old Firehand. ‘Tom, je geweer! Een revolver kan de zaak alleen maar erger maken!’

Sedert het ogenblik dat de temmer zijn hoofd in de kooi had gestoken, waren er nauwelijks tien seconden verstreken. Het hele benedendek was één wirwar van vluchtende, angstig schreeuwende mensen. De doorgangen tussen machines, ketels en lading waren versperd. Men verschool zich achter kisten en balen en sprong dan weer op omdat het daar te onveilig was.

De kapitein rende naar de trap en wilde naar boven om orde te scheppen. Old Firehand volgde hem. De eigenaar van het beestenspel vluchtte achter de kooi. Zwarte Tom vloog weg om zijn geweer te halen. Onderweg bedacht hij dat zijn bijl eraan vastgebonden zat en dat hij het dus niet direct zou kunnen gebruiken. Hij rukte de oude Indiaan zijn geweer uit de hand.

‘Zelf schieten,’ zei de roodhuid, zijn hand naar het wapen uitstrekkend.

‘Laat me begaan!’ beet de gebaarde hem toe. ‘Ik schiet in ieder geval beter.’

Hij keerde zich naar de panter. Het dier had juist zijn kooi verlaten en brulde. Zwarte Tom mikte en trok af. Het schot kraakte maar trof geen doel. Haastig rukte hij nu ook de jonge indiaan het geweer uit de hand en schoot de lading op het dier af… helaas met hetzelfde negatieve resultaat.

‘Slecht schieten. Geweer niet kennen,’ zei Grote Beer zo bedaard alsof hij veilig in zijn wigwam zat.

Tom lette niet op deze woorden. Hij smeet het geweer neer en rende naar voren, waar de geweren van de cornel en zijn mannen lagen. Deze heren hadden niet de minste behoefte gevoeld de strijd met het roofdier aan te binden en waren hals over kop gevlucht.

Toen weerklonk in de buurt van de trap een ontzettende kreet.

Een dame wilde zich hier in veiligheid brengen. De panter zag haar. Hij dook ineen en vloog in lange, soepele sprongen op haar toe. Ze stond nog onderaan terwijl Old Firehand al op de vijfde of zesde trede was. Bliksemsnel greep hij haar beet en hief haar met zijn sterke armen boven zijn hoofd, waar de kapitein haar van hem overnam. Dat was het werk van een ogenblik geweest en nu was de panter bij de trap. Hij zette zijn voorpoten op de eerste trede om Old Firehand te bespringen.

Deze gaf hem een enorme trap tegen zijn neus en vuurde toen de resterende drie kogels van zijn revolver op zijn kop af.

Het was eigenlijk een belachelijke vorm van verdediging. Met een schop en een paar revolverkogels kan men een zwarte panter niet op de vlucht jagen. Maar Old Firehand bezat geen afweermiddel dat meer afdoende was. Hij was ervan overtuigd dat het dier hem nu zou grijpen. Maar dat gebeurde niet; de panter draaide langzaam zijn kop opzij alsof hij zich even wilde bezinnen. Hadden de zo dichtbij afgeschoten kogels die echter nauwelijks een millimeter diep in zijn harde schedel gedrongen konden zijn, toch een soort verdoving bij hem teweeggebracht? Of was de trap tegen zijn gevoelige neus al te pijnlijk geweest? Hoe het ook zij, hij richtte zijn ogen nu niet meer op Old Firehand maar meer naar voren waar nu, onbeweeglijk en verlamd van schrik, een meisje van ongeveer dertien jaar stond dat beide armen naar de trap uitstrekte. Haar licht, felgekleurd jurkje trok de aandacht van de panter. Hij trok zijn klauwen van de trap terug, wendde zich af en snelde met lange sprongen op het kind toe.

Allen die dit zagen gebeuren, slaakten een kreet, maar niemand kon hulp bieden. Niemand? Jawel, toch iemand! En wel degene van wie men een dergelijke moed en tegenwoordigheid van geest niet direct zou verwachten, namelijk de jonge indiaan.

Hij stond met zijn vader ongeveer tien schreden van het meisje verwijderd. Toen hij het gruwelijke gevaar bemerkte, bliksemden zijn ogen. Hij keek naar rechts en links om een uitweg te zoeken. Toen liet hij de zuni-deken van zijn schouders glijden en riep zijn vader toe in de taal der Tonkawa’s: ‘Tshaual aina; shai shoyana – opzij; ik ga zwemmen!’

De Tonkawa was in twee sprongen bij het meisje, pakte haar bij haar ceintuur, vloog met haar naar de verschansing en sprong er bovenop. Daar bleef hij even staan om achter zich te kijken.

De panter kwam hem achterna en was op het punt zijn laatste sprong te nemen. Nauwelijks hadden de klauwen van het dier de bodem verlaten, of de jonge Indiaan stortte zich zijwaarts, om in het water niet direct in het bereik van het beest te zijn, van de reling in de rivier. Het water sloeg over hem en zijn last heen. Tegelijkertijd schoot de panter, die zo’n geweldige vaart had dat hij zich niet meer in kon houden, over de verschansing heen en eveneens in de stroom.

‘Stop, onmiddellijk stoppen!’ beval de kapitein met tegenwoordigheid van geest.

De machinist had de order verstaan en gaf tegenstoom. De steamer stopte en bleef stil liggen, terwijl de raderen slechts zoveel water schepten als nodig was om afdrijven te voorkomen.

Daar het gevaar voor de passagiers nu geweken was, snelde iedereen vanuit de diverse schuilplaatsen naar de reling. De vader van het kind riep zo hard hij kon: ‘Duizend dollar voor de redding van mijn kind! Tweeduizend, drieduizend, vijfduizend dollar!’

Niemand luisterde naar hem. Iedereen bukte over de verschansing om de rivier af te zoeken. Daar lag de panter in het water, speurend naar zijn buit… tevergeefs.

‘Ze zijn verdronken … tussen de raderen gekomen!’ jammerde de vader.

Tegelijkertijd klonk van de andere kant van het schip de stem van de oude Indiaan die luidkeels riep: ‘Nintropan-homosh slim geweest! Onder schip door zwemmen zodat panter niet zien. Hier beneden zijn.’

Nu vloog iedereen naar stuurboord en de kapitein gaf bevel lijnen uit te werpen. Inderdaad, daaronder, vlak bij de scheepswand zwom langzaam, om niet af te drijven, de jonge Indiaan.

Hij lag op zijn rug en had het bewusteloze meisje dwars over zich heen gelegd. De lijnen waren vlug neergelaten. De jongen maakte er een onder de armen van het meisje vast en slingerde zich toen behendig langs een tweede aan boord.

Hij werd met daverend gejuich begroet, maar trots trok hij zich terug, zonder een woord te zeggen. Alleen toen hij langs de cornel kwam die ook toegekeken had, bleef hij staan en zei zo luid dat iedereen het kon horen: ‘Nu, Tonkawa bang zijn voor kleine, schurftige kat? Cornel met al zijn helden weggevlucht. Tonkawa panter naar zich toe lokken om meisje en andere reizigers te redden. Cornel spoedig meer horen van Tonkawa!’

Het geredde meisje werd aan het touw omhoog getrokken en in haar hut gebracht. Toen wees de loods naar bakboord en riep uit: ‘Kijk eens! Daar is de panter! En een vlot!’

Nu liep iedereen weer naar de andere kant waar hun een nieuw, opwindend schouwspel wachtte. Een klein, uit struiken en biezen vervaardigd vlot waarop twee gestalten zaten, kwam van de rechteroever op de steamer toe drijven. Het tweetal behielp zich met armzalige, van takken gemaakte roeiriemen. Een van hen was een jongen, de ander leek wel een raar uitgedost vrouwspersoon te zijn met een soort floddermuts op, een rond rood gezicht en kleine oogjes. Deze figuur droeg een wijde zak waaraan vorm noch snit te bekennen was. Zwarte Tom stond naast Old Firehand en vroeg: ‘Sir, kent u die vrouw?’

‘Nee, is ze dan zo beroemd dat ik haar zou moeten kennen?’

‘Jazeker, het is namelijk helemaal geen vrouw maar een man, een prairiejager en vallenzetter. En daar komt de panter! Nu zult u eens zien wat een vrouw die een man is, presteert!’

Hij boog zich over de reling en riep: ‘Hallo, tante Frolic[5]! Let op! Die daar wil jullie opvreten.’

Het vlot was nu nog ongeveer vijftig passen van de steamer verwijderd. De panter had de hele tijd langs het schip op en neer gezwommen, op zoek naar zijn prooi. Nu zag hij echter het vlot en koerste daarop af. De vrouw op het vaartuig keek naar het schip op, herkende de man die haar toegeroepen had en antwoordde met hoge falsetstem: ‘Good luck, ben jij het, Tom? Het doet me plezier je te ontmoeten! Wat is dat voor een beest?’

‘Een zwarte panter die van boord gesprongen is. Maak dat je wegkomt! Vlug! Vlug!’

‘Tuttut! Tante Frolic gaat voor niemand opzij, ook niet voor een panter, of die nu zwart, blauw of groen is. Mag ik het kreng overhoop schieten?’

‘Natuurlijk! Maar ik denk niet dat het je lukt. Het is van een dierentemmer, maar het is weer wild geworden. Vlucht maar liever naar de andere kant van het schip!’

De potsierlijke figuur scheen er plezier in te hebben met de panter krijgertje te spelen. Met ware meesterhand gooide ze het broze roer om en wist de panter met ongelofelijke handigheid te ontwijken. Ondertussen riep ze met haar falsetstem naar boven: ‘Ik speel het wel klaar, oude Tom!’

De man die eruit zag als een vrouw trok het roer in en greep naar zijn buks die naast hem lag. Het vlot en de panter naderden elkaar nu snel. Het roofdier keek met wijd open, starre ogen naar zijn vijand, die zijn geweer aanlegde, even mikte en toen tweemaal vuurde. Zijn geweer weggooien, het roer grijpen en het vlot opzij rukken was het werk van een ogenblik. De panter was verdwenen. Een draaikolk wees de plek aan waar hij zijn doodsstrijd streed. Toen kon men hem, meer stroomafwaarts, weer aan de oppervlakte zien verschijnen, roerloos en dood.

Daar bleef hij een paar seconden drijven en werd toen weer naar de diepte getrokken.

‘Een meester schot!’ riep Tom verheugd uit en de reizigers stemden enthousiast in, allen, behalve de eigenaar van het beestenspel die nu zijn temmer en de panter te betreuren had.

‘Waar gaat deze steamer heen?’ vroeg de zonderlinge figuur vanaf het water.

‘Zo ver als er water te vinden is,’ antwoordde de kapitein.

‘Wij willen aan boord, daarom hebben we op de oever dit vlot gebouwd. Kunt u ons opnemen?’

‘Kunt u de reis betalen, madam of sir? Ik weet heus niet of ik u als man of als vrouw moet beschouwen.’

‘Als tante, sir. Ik ben namelijk tante Frolic, weet u. En wat het reisgeld betreft, ik ben gewoon met goed geld of ook wel met nuggets te betalen.’

‘Kom dan maar aan boord! We moeten maken dat we van deze ongeluksplek wegkomen.’

Een matroos stak zijn arm naar het vlot uit. De jongen die eveneens gewapend was met een buks, pakte de arm beet en hees zich aan boord. Toen wierp de ander hem zijn geweer toe, greep eveneens de geboden hand, stiet het vlot onder zich weg en sprong kwiek op het dek waar hij met grote ogen van verbazing ontvangen werd.