3. Nachtelijke gevechten

Op de oever van de Black-Bear-river brandde een groot vuur.

Weliswaar stond de maan aan de hemel, maar haar licht was niet in staat door het dichte bladerdek te dringen. Zonder dit vuur zou het aardedonker geweest zijn. De vlammen verlichtten een blokhut die niet uit recht boven elkaar gelegde stammen maar op een andere manier gebouwd was. Van vier bomen die in een regelmatig vierkant stonden waren de toppen afgezaagd en daar waren dwarsbalken overheen gelegd die het dak droegen.

Dit dak en ook de vier wanden bestonden uit zogenaamde clap-boards, planken die zo maar uit onvertakte stammen van cipressen en rode eiken gespleten worden. In de voorwand waren drie openingen uitgespaard, één grotere als deur en aan weerszijden twee kleinere als ramen. Vóór dit huis brandde het genoemde vuur en eromheen zaten ongeveer twintig woeste figuren die er wel naar uitzagen dat ze al een hele tijd niet met de beschaving in aanraking waren geweest. Hun kleren waren versleten en hun gezichten gebruind door weer en wind. Behalve een mes droegen ze geen wapens; die zouden wel binnen in de blokhut liggen.

Boven het vuur hing aan een sterke boomtak een grote ketel waarin geweldige stukken vlees lagen te stoven. Naast het vuur stonden twee uitgeholde kalebassen met gegist honingnat, mede dus. Wie zin had schepte er een bekervol uit of nam wat vleesnat. Ondertussen werd een levendig gesprek gevoerd. Het gezelschap scheen zich volkomen veilig te voelen want niemand deed zijn best zijn stem te dempen. Hadden deze mannen de nadering van een vijand vermoed dan zouden ze het vuur wel op Indiaanse wijze gestookt hebben, namelijk zó dat het slechts kleine vlammen maakte die niet van ver zichtbaar waren. Tegen de wand van de blokhut stonden bijlen, aksen, zagen en ander gereedschap waaruit viel op te maken dat men hier te doen had met een groep rafters, houthakkers en vlotters dus.

Deze rafters vormen in het dichte woud een geheel eigen soort bevolking. Ze zijn door hun werk niet aan één plaats gebonden en leiden een vrij, nagenoeg onafhankelijk bestaan. De rafter trekt van de ene staat naar de andere en van het ene land naar het andere. Mensen en mensenhuizen bezoekt hij niet graag omdat zijn beroep eigenlijk onwettig is. Het land waarop hij hout hakt is niet zijn eigendom. Hij komt ook maar zelden op de gedachte, te vragen aan wie het behoort. Wanneer hij wouden vindt die hem aanstaan, met water dat geschikt is om houtvlotten af te voeren, gaat hij aan de arbeid zonder zich erom te bekommeren of de plek die hij bewerkt nu aan de staat of aan een andere eigenaar toebehoort. Hij zoekt de beste bomen uit, velt ze, kapt en bewerkt de stammen, maakt er vlotten van en Iaat deze stroomafwaarts drijven om ze ergens te verkopen.

Daarom is de rafter geen graag geziene gast. Weliswaar heeft menig nieuwe bewoner veel hinder van het dichte woud en zou hij blij zijn wanneer het wat uitgedund werd, maar de rafter dunt niet uit. Zoals gezegd neemt hij alleen de beste stammen, hakt de kruin eraf en laat die liggen. Tussen deze boomtoppen en uit de oude wortel schieten dan weer nieuwe loten op die door wilde wingerd en andere slingerplanten tot een stevig geheel worden verbonden. Op die manier vormt zich dan pas een echt oerwoud waartegen de bijl en zelfs het vuur maar weinig vermogen.

Desondanks wordt het de rafter niet vaak moeilijk gemaakt, want hij is een moedig en sterk man tegen wie men het niet graag opneemt. Hij kan natuurlijk niet alleen werken; meestal verenigen ze zich tot groepen van vier tot acht of tien. Het komt ook wel voor dat ze in nog groter aantal zijn. Dan voelt de rafter zich dubbel veilig want tegen een dergelijke groep, die voor een boomstam het leven op het spel zou zetten, durft geen farmer de strijd aan te binden.

De rafters leiden een hard leven, vol inspanning en ontberingen, daarover bestaat geen twijfel, maar ze verdienen uiteindelijk een aardige som. Het hout kost hun niets, alles is dus winst.

Terwijl de anderen werken zorgt een kameraad, of een paar, naargelang de grootte van de groep, voor de bevoorrading. Dit zijn de jagers die overdag, of ook wel ’s nachts rondzwerven om ‘vlees te maken’. In streken die rijk zijn aan wild is dat makkelijk. Maar is er gebrek aan wild dan is de jacht moeilijk. Dan blijft er geen tijd over om honing en dergelijke lekkernijen te zoeken en moet de rafter genoegen nemen met die gedeelten van de buit die een woudbewoner anders versmaadt, zoals de ingewanden.

Het gezelschap dat hier aan de Black-Bear-river bezig was scheen, gezien de volle vleespan, geen gebrek te lijden. Daarom waren ze allemaal in de beste stemming en werd er na de zware dagtaak veel plezier gemaakt. Ze vertelden elkaar grappige verhalen en spannende avonturen.

‘Je moest die vent eens kennen die ik daarboven bij Fort Niobrara ontmoet heb,’ zei een oude man met een grijze baard. ‘Die vent was een man en werd toch tante genoemd.’

‘Bedoel je soms tante Frolic?’ vroeg een ander.

‘Ja, die bedoel ik. Heb jij hem soms ook ontmoet?’

‘Ja, één keer. Dat was in Desmoines, in het hotel. Daar verwekte hij een hele deining. Iedereen had plezier om hem. Eén was er die hem maar niet met rust kon laten, totdat tante Frolic hem bij zijn nekvel pakte en het raam uitsmeet. Die is toen niet meer binnengekomen.’

‘Ja, zoiets is tante Frolic wel toevertrouwd. Hij houdt best van een grapje, maar als je te ver gaat laat hij zijn tanden zien. Trouwens, de vent die hem echt beledigt zou ik zelf met plezier tegen de grond slaan.’

‘Jij, Blenter? Waarom?’

‘Omdat ik mijn leven aan hem te danken heb. Ik heb samen met hem bij de Sioux gevangen gezeten en ik bezweer je dat ik zonder zijn hulp naar de eeuwige jachtvelden gestuurd zou zijn. Ik ben niet iemand die ’m voor een paar Indianen knijpt en ik begin ook niet meteen te piepen als er iets mis loopt maar toen was er echt geen hoop meer, ik zag er geen gat meer in. Maar die Frolic is een gladakker zoals je er zelden een tegenkomt. Hij heeft de roodhuiden dronken gevoerd, zodat ze nauwelijks meer uit hun ogen konden kijken. En we zijn ontsnapt.’

‘Hoe is dat dan gegaan? Vertel eens!’

‘Als ’t jullie hetzelfde is, dan praat ik daar liever niet over. Niemand vertelt graag een verhaal waarin hij zelf geen roemrijke rol gespeeld heeft. Maar dat ik me deze reebok vandaag zo goed kan laten smaken, heb ik aan tante Frolic te danken, dat wil ik jullie wel vertellen.’

‘Dan moet je wel heel erg in de klem gezeten hebben. De oude Missouri-Blenter staat toch bekend als een westman die altijd een gaatje ziet om te ontkomen, al is het ook nog zo klein.’

‘Toen zag ik het toch niet. Ik stond al haast aan de martelpaal! Als ik daaraan denk word ik dubbel zo woedend op die roodhuiden.’

‘Dan weet je toch niet goed wat je doet en wat je zegt. Wie de Indianen haat, beoordeelt ze verkeerd. Die heeft er nooit over nagedacht wat de roodhuiden allemaal te verduren gehad hebben. Als er nu eens iemand kwam die ons hier weg wilde jagen, wat zou je dan doen?’

‘Vechten, natuurlijk, al moest het mijn leven kosten of het zijne!’

‘En is dit stuk grond soms van jou?’

‘Ik weet echt niet van wie het is, maar betaald heb ik ’t zeker niet.’

‘Nou dan, al het land hier is van de roodhuiden, en als zij er om vechten dan veroordeel jij ze?’

‘Hm! Daar zit wat in. Maar de roodhuid moet wijken, die moet uitsterven. Zo is het nu eenmaal bestemd.’

‘Ja, hij sterft uit, omdat wij hem vermoorden. Het schijnt dat hij moet verdwijnen omdat hij niet in de beschaving past. Maar beschaving schiet je niet zo maar als een kogel uit de loop. Daar is tijd voor nodig, veel tijd. Ik heb er niet veel verstand van maar ik denk toch wel dat er eeuwen voor nodig zijn. En geven ze de roodhuiden tijd? Als jij een joch van zes naar school stuurt, sla je die dan om z’n oren wanneer hij na een paar weken geen professor is? En zoiets doen ze met de Indianen. Ik wil ze niet verdedigen, want dat helpt toch niet, maar ik heb er evenveel goede mensen aangetroffen als bij de blanken, misschien nog wel meer. En aan wie heb ik het te danken dat ik mijn familie kwijt ben en mijn mooie huis en dat ik als ouwe, grijze kerel nog in het Wilde Westen rond moet zwerven? Aan de blanken of de roden?’

‘Hoe moet ik dat nou weten? Daar heb je ’t toch nooit over gehad.’

‘Omdat een man zulke dingen liever voor zich houdt dan dat hij er over praat. Eén moet ik er nog hebben. De laatste, die van de bende overgebleven is. Hij is me ontsnapt. De aanvoerder nog wel, de allerergste!’

Grimmig zei de oude man dit, langzaam, alsof hij op ieder woord de nadruk wilde leggen. Dat verhoogde de aandacht van de anderen. Ze kwamen naderbij en keken hem afwachtend aan, zonder echter een woord te zeggen. Hij staarde een poosje in het vuur, stootte met zijn voet tegen het brandende hout en vervolgde toen, als sprak hij voor zichzelf: ‘Ik heb ze niet neergeschoten en niet doodgestoken, doodgeranseld heb ik ze, de een na de ander. Levend wilde ik ze hebben om ze dezelfde dood te laten sterven die mijn gezin gestorven is, mijn vrouw en mijn twee zoons. Met zijn zessen waren ze. Vijf heb ik gauw te pakken gekregen. De zesde is ontkomen. Ik heb hem door alle staten achtervolgd totdat het hem eindelijk lukte zijn spoor te verbergen. En ik heb het nog niet teruggevonden. Maar hij leeft nog, want hij was jonger dan ik, veel jonger, en dus denk ik wel dat mijn oude ogen hem nog zullen zien voor ik ze voorgoed sluit.’

Er viel een diepe stilte. Iedereen voelde dat het hier om iets ontzettends ging. Pas na een hele tijd waagde iemand het te vragen: ‘Blenter, wie was die man?’

De oude man kwam tot zichzelf: ‘Wie het was? Geen Indiaan, maar een blanke, een schoft, zoals er onder de roodhuiden geen te vinden is. Ja, mannen, ik moet zelfs zeggen dat hij hetzelfde was als jullie en als ik, namelijk rafter.’

‘Wat? Is je gezin door rafters uitgemoord?’

‘Ja, rafters! We hebben heus geen reden om trots te zijn op ons beroep en te denken dat we meer zijn dan de roodhuiden. Zoals we hier bij elkaar zitten zijn we allemaal dieven en spitsboeven.’

Deze uitspraak lokte natuurlijk felle protesten uit. Onverstoorbaar vervolgde Blenter: ‘Deze rivier waarbij we zitten, dit bos waarvan we de bomen vellen en verkopen, zijn ons eigendom niet. We vergrijpen ons aan het bezit van de staat of van iemand anders. We zouden iedereen neerschieten, zelfs de rechtmatige eigenaar, wanneer hij ons hier weg wilde jagen. Is dat geen roof?’

De oude man keek de kring rond, en daar hij niet direct antwoord kreeg ging hij verder: ‘En met zulke rovers kreeg ik destijds te doen. Ik was van de Missouri gekomen, met de wettige koopakte in mijn hand. Mijn vrouw en mijn zoons waren bij me. We hadden koeien, een paar paarden, varkens en een grote wagen met huisraad, want ik kan jullie wel zeggen dat ik toen tamelijk welgesteld was. Er woonde niemand in onze buurt en we hadden ook niemand nodig want onze acht armen waren sterk en werkzaam genoeg. Het duurde niet lang of onze blokhut stond er. We brandden een stuk bos af, ontgonnen het en begonnen te zaaien. Op een dag was ik een koe kwijt en ik ging het bos in om haar te zoeken. Ik hoorde bijlslagen en ging op het geluid af. Daar zag ik zes rafters die mijn bomen aan het kappen waren. De koe lag bij hen. Ze hadden het beest doodgeschoten om het op te eten. Nou, mesjeurs, wat hadden jullie in mijn plaats gedaan?’

‘De kerels neergeknald!’ riep er een. ‘En met het volste recht. De wet van het westen zegt dat een veedief de doodstraf verdient.’

‘Zo is het. Maar ik heb het niet gedaan. Ik heb kalm met die mannen gepraat en alleen geëist dat ze mijn grond zouden verlaten en de koe betalen. Ze lachten me uit. En de volgende dag ontbrak er weer een koe. De rafters hadden er weer een gestolen. Toen ik weer bij ze kwam hadden ze het dier in stukken gesneden en te drogen gehangen om er pemmican[7] van te maken. Ik dreigde van mijn recht gebruik te maken en eiste schadevergoeding. De woordvoerder, die tevens de leider was, hief zijn geweer naar me op. Ik verpletterde het met een kogel. Ik wilde hem niet raken en had alleen op het geweer gemikt. Toen rende ik terug om mijn zoons te halen. Met ons drieën waren we geen ogenblik bang voor dit zestal. Maar toen we er aankwamen waren ze al weg. Nu moesten we voorzichtig zijn en dagenlang waagden we ons niet buiten de onmiddellijke omgeving van de blokhut. De vierde morgen waren we bijna door onze voorraad heen en ik ging er met mijn oudste zoon op uit om vlees te schieten. Natuurlijk keken we goed om ons heen, maar er was geen spoor van de rafters te bekennen. Toen we daar zo langzaam en voorzichtig door het bos slopen, misschien twintig passen van elkaar verwijderd, zag ik plotseling de aanvoerder achter een boom staan. Hij keek niet naar mij maar naar mijn zoon John en legde op hem aan. Het heeft nooit in mijn aard gelegen, een mens te doden tenzij uit noodweer en dus sprong ik snel op hem toe, rukte het geweer uit zijn hand, zijn mes en zijn pistool uit zijn gordel en gaf hem een klap in zijn gezicht zodat hij op de grond viel. Geen ogenblik verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest en hij was sneller dan ik. In minder dan geen tijd was hij weer op de been en voor ik mijn hand naar hem kon uitsteken was hij ervandoor.’

‘Heavens! Voor die stommiteit zul je later wel hebben moeten boeten!’ riep er een. ‘Die vent heeft zich natuurlijk later voor die klap gewroken.’

‘Ja, gewroken heeft hij zich,’ knikte de oude man, terwijl hij opstond en een paar maal op en neer liep. De herinnering wond hem op. Hij ging weer zitten en vervolgde: ‘We hadden geluk, de jacht leverde flink wat op. Toen we thuis kwamen liep ik achterom om de buit weg te bergen. Ik meende wel even een verschrikte uitroep van John te horen, maar helaas lette ik daar niet op. Bij mijn binnenkomst zag ik mijn gezinsleden gebonden bij de haard liggen en op hetzelfde moment werd ik zelf vastgegrepen en neergegooid. De rafters waren in onze afwezigheid naar onze farm gegaan, hadden mijn vrouw en mijn jongste zoon overweldigd en toen op ons gewacht. John kwam eerder binnen dan ik en ze hadden zich zo snel op hem geworpen dat hij maar nauwelijks tijd had die waarschuwende kreet te laten horen waar ik het net over had. Mij verging het niet slechter en niet beter dan de anderen. Alles gebeurde zo plotseling en zo onverwacht dat ik niet eens de tijd had aan verdediging te denken. Ik kreeg eveneens een prop in mijn mond zodat ik niet kon schreeuwen. Wat nu volgt is haast niet onder woorden te brengen. Er werd een rechtszitting gehouden. Dat ik geschoten had, werd in de aanklacht een misdaad genoemd waarop de doodstraf stond. De schurken hadden zich ook nog meester gemaakt van mijn brandy en daar werden ze zo dronken van dat ze nauwelijks nog iets menselijks hadden. Ze besloten ons te laten sterven. Als speciale straf eiste de aanvoerder dat wij, omdat ik hem een klap had gegeven, ook geslagen zouden worden, dus doodgeranseld. Twee vielen hem bij, drie waren er tegen. Maar hij zette toch zijn zin door. We werden naar buiten gebracht, naar de omheining. Eerst kwam mijn vrouw aan de beurt. Ze werd vastgebonden en ze begonnen met knuppels op haar te slaan. Eén had toch zo iets als medelijden met haar en schoot haar een kogel door het hoofd. Mijn zoons hadden het zwaarder te verduren. Die werden letterlijk doodgeknuppeld. Ik lag erbij en moest alles aanzien, want ik zou de laatste zijn. Jongens, ik kan jullie wel zeggen dat dat kwartier een eeuwigheid duurde. Ik werd haast krankzinnig en kon niets tegen die wreedheid beginnen. Eindelijk kwam ikzelf aan de beurt. Ik werd overeind gezet en vastgebonden. De slagen die ik kreeg voelde ik niet eens. Mijn ziel was zo geschokt dat ik ongevoelig geworden was voor lichamelijke pijn. Ik weet alleen dat er opeens van het maïsveld iets geroepen werd en dat er, toen de rafters zich daar niet aan stoorden, een schot viel. Ik was buiten kennis geraakt.’

‘Waren dat mensen die je kwamen redden?’

‘Mensen? Nee, het was er maar één. Aan de houding van mijn hoofd had hij al uit de verte gezien dat mijn leven geen cent meer waard was als hij niet meteen optrad. Daarom die schreeuw en dat schot. Hij had alleen maar een waarschuwingsschot in de lucht gelost, want hij wist toen nog niet dat hij met moordenaars te doen had. Toen hij snel naderbij kwam herkende een van de kerels hem en riep verschrikt zijn naam. Een laffe moord plegen dat konden de schurken wel, maar het met hun zessen tegen één enkele opnemen, daar hadden ze de moed niet toe. Ze renden weg en gebruikten het huis als dekking om in het bos te ontkomen.’

‘Dan moet die ander wel een beroemde westman geweest zijn.’

‘Westman? Pshaw! Een Indiaan was het! Ja, jongens, geloof het maar, ik ben door een Indiaan gered!’

‘Een roodhuid? En was die zo gevreesd dat zes rafters voor hem op de loop gingen? Onmogelijk!’

‘Het was Winnetou!’

‘Winnetou, de Apache! Good luck! Ja, dan is het wel te begrijpen! Maar was die dan toen al zo bekend?’

‘Hij stond nog aan het begin van zijn roemruchte loopbaan, maar de rafter die zijn naam riep en toen hard wegliep had al eens kennis met hem gemaakt op zo’n manier dat hij ’m maar liever uit de weg bleef. Bovendien weet iedereen die Winnetou maar éénmaal gezien heeft wat voor indruk zijn optreden alleen al maakt.’

‘En liet hij die kerels ontsnappen?’

‘Voorlopig, ja. Wat had jij dan gedaan? Uit hun haastige vlucht maakte hij wel op dat ze een slecht geweten hadden, maar de eigenlijke toedracht van de zaak kende hij toen nog niet. Pas toen hij de lijken zag begreep hij dat hij met een echte misdaad te doen had. Maar hij kon de vluchtelingen niet achtervolgen want hij moest zich op de eerste plaats met mij bezighouden. Toen ik bijkwam lag hij naast me geknield. Hij had mij van boeien en knevel bevrijd. Ik voelde geen pijn, werkelijk niet, ik wilde opstaan en ervandoor gaan om me te wreken. Hij verhinderde dit. Hij bracht mij en de lijken in het huis waar ik mij tegen de rafters zou kunnen verdedigen voor het geval ze terug zouden komen en reed toen naar de dichtst bij wonende buurman om verpleging en hulp te halen. Tussen haakjes, die buurman woonde meer dan dertig mijl verder en Winnetou was nog nooit in die streek geweest. Toch vond hij hem, hoewel hij pas tegen de avond daar aankwam, en hij bracht hem en een knecht bij mij. Toen verliet hij me om de sporen van de moordenaars na te gaan. Meer dan een week bleef hij weg. In die tijd had ik mijn doden begraven en mijn buurman opdracht gegeven mijn bezit te verkopen. Mijn gekneusde ledematen waren nog niet genezen en ik had de terugkeer van de Apache met smart afgewacht. Hij was de rafters gevolgd, had ze beluisterd en gehoord dat ze naar Fort Smoky-Hill wilden. Hij had zich niet vertoond en hen ook niets gedaan, want de wraak kwam mij toe. Toen hij afscheid van me genomen had, nam ik mijn buks, steeg te paard en reed heen. De rest weten jullie, of kunnen jullie wel raden.’

‘Dat weten we niet, vertel verder!’

‘Voor mijn plezier doe ik dat niet, maar goed, vijf zijn er opgeruimd, een voor een. De zesde, de ergste is ontkomen. Zoals ik al gezegd heb was hij een rafter en misschien oefent hij dat beroep nog uit. Daarom ben ik ook rafter geworden, omdat ik dan waarschijnlijk de meeste kans heb hem te ontmoeten. En nu… Behold! Wat zijn dat voor mannen?’

Hij sprong op en de anderen volgden zijn voorbeeld, want op dat moment waren twee in bonte dekens gehulde gestalten vanuit de duisternis van het woud in de lichtkring van het vuur getreden. Het waren Indianen, een oude en een jonge. De oude hief geruststellend zijn hand op en zei: ‘Geen zorgen maken! Wij geen vijanden. Werken hier rafters die Zwarte Tom kennen?’

‘Ja, die kennen we,’ bevestigde Blenter.

‘Hij weggegaan om voor u te halen geld?’

‘Ja, dat moest hij halen. Over een week kan hij weer hier zijn.’

‘Tom nog eerder komen. Wij zijn dus bij rafters die wij zoeken. Vuur kleiner maken, anders ver zien. Ook zachter spreken, anders ver horen.’

De roodhuid wierp zijn deken af, liep op het vuur toe, trok de brandende stukken hout uit elkaar en doofde ze uit op een paar na, met behulp van de jonge Indiaan. Toen dat gebeurd was wierp de oude Indiaan een blik in de vleespan, ging zitten en zei: ‘Ons stuk vlees geven, wij lang gereden en niets gegeten.’

Zijn eigenmachtig optreden wekte vanzelfsprekend de verwondering van de rafters. De man van Missouri vroeg verbaasd: ‘Maar man, wat bezielt je? Je doet net of je hier de baas bent!’

‘Wij kunnen dit doen,’ luidde het antwoord. ‘Rode man niet hoeven zijn slechte man. Rode man zijn goede man. Bleekgezicht dat merken.’

‘Maar wie ben je dan? Je bent er in ieder geval niet een die langs de rivieren of in de prairies thuishoort. Je ziet er meer uit als iemand uit New Mexico, een pueblo misschien.’

‘Geen pueblo zijn. Opperhoofd van Tonkawa’s zijn, Grote Beer heten en dit mijn zoon.’

‘Wat, Grote Beer?’ riepen enige rafters verrast uit en de man uit Missouri voegde eraan toe: ‘Dan is deze jongen dus Kleine Beer?’

‘Zeker!’ knikte de roodhuid.

‘Ja, dat is wat anders. De twee Tonkawa beren zijn overal welkom. Neem maar zoveel vlees en mede als jullie willen en blijf hier zolang jullie daar zin in hebt! Maar wat komen jullie in deze streek doen?’

‘Wij komen om rafters te waarschuwen.’

‘Waarvoor? Is er dan gevaar?’

‘Groot gevaar.’

‘Wat dan? Vertel op!’

‘Tonkawa eerst eten en paarden halen, dan spreken.’

De Grote Beer gaf zijn zoon een wenk, waarop deze zich verwijderde en nam toen een stuk vlees dat hij zo rustig begon op te eten alsof hij zich thuis in zijn veilige wigwam bevond.

‘Hebben jullie paarden bij je?’ vroeg de oude.

‘’s Nachts en in dit donkere bos? En bovendien ons gezocht en ook nog gevonden! Dat noem ik knap werk!’

‘Tonkawa ogen en oren hebben. Hij weten dat rafters steeds bij rivier wonen. Jullie luid praten en groot vuur branden, dat hij zeer ver zien en nog verder ruiken. Rafters onvoorzichtig, vijanden hen makkelijk kunnen vinden.’

‘Hier zijn geen vijanden. Wij zijn helemaal alleen in deze streek en in ieder geval sterk genoeg om ons tegen een mogelijke vijand te verdedigen.’

‘Missouri-Blenter zich vergissen.’

‘Wat, ken je mijn naam?’

‘Tonkawa lange tijd achter boom staan en horen wat bleekgezicht spreken. Ook naam horen. Wanneer geen vijanden zijn, zij nu toch komen. En als rafters onvoorzichtig zijn, zij overwonnen worden ook door weinig vijanden.’

Thans hoorden ze hoefslagen op de zachte grond. De Kleine Beer bracht twee paarden, bond ze aan een boom vast, nam ook een stuk vlees uit de pan en ging naast zijn vader zitten eten. De oude Indiaan was klaar met zijn maaltijd. Hij stak zijn mes in de gordel en zei: ‘Nu Tonkawa spreken en rafters dan wel met hem vredespijp roken. Zwarte Tom veel geld hebben. Tramps komen om hem op te wachten en geld af te nemen.’

‘Tramps? Hier aan de Black-Bear-river? Nou vergis je je toch.’

‘Tonkawa zich niet vergissen, hij precies weten en ook vertellen.’

De Indiaan deelde in zijn gebroken Engels mee wat hij op de steamer had beleefd, maar was te trots om met een enkel woord over de heldendaad van zijn zoon te reppen. Er werd met spanning naar hem geluisterd. Hij vertelde ook wat er na de vlucht van de tramps gebeurd was. Kort na hen had hij met zijn zoon in het bootje de oever van de Arkansas bereikt, was daar echter blijven liggen omdat hij in de nacht het spoor toch niet kon volgen, ’s Morgens had hij het heel duidelijk kunnen lezen. Het had, Fort Gibson vermijdend, tussen Red Fork en North Fork van de Canadian door naar het westen gevoerd en was ten slotte omgebogen naar het noorden. In een van de daarop volgende nachten hadden de tramps een nederzetting van de Creek Indianen overvallen om zich paarden te verschaffen. Op het middaguur van de volgende dag hadden de beide Tonkawa’s zwervende Choctaw krijgers ontmoet van wie ze twee paarden gekocht hadden. Maar door de gebruiken die bij de Indianen aan de paardenhandel zijn verbonden was er zoveel tijd verlopen dat de tramps een voorsprong van een dag hadden gekregen.

Ze waren toen over de Red Fork gegaan en door de open prairie naar de Black-Bear-river gereden. Nu hadden ze hun kamp opgeslagen aan de oever van het water en de Tonkawa’s waren zo snel mogelijk naar de rafters gekomen om hen te waarschuwen. Dit relaas miste zijn uitwerking niet. Er werd nog slechts fluisterend gesproken en men doofde het vuur helemaal.

‘Hoe ver is de legerplaats van de tramps van hier verwijderd?’ vroeg de oude Missouriër.

‘Wat de bleekgezichten een half uur noemen.’

‘Deksels! Als ze ons vuur niet gezien hebben dan moeten ze ’t toch wel geroken hebben! En wij voelden ons nog wel zo veilig! Hoelang liggen ze daar al?’

‘Vanaf een uur voor de avond.’

‘Dan moeten ze ook naar ons gezocht hebben. Weet je daar soms iets van?’

‘Tonkawa tramps niet mogen bespieden omdat nog veel daglicht zijn. Snel verder om rafters te waarschuwen want…’

Hij zweeg en luisterde. Toen vervolgde hij, nog zachter: ‘Grote Beer iets zien, een beweging bij de hoek van het huis. Stil zitten en niet spreken! Tonkawa erheen sluipen en kijken.’

Tegelijk ging hij liggen en kroop met achterlating van zijn geweer in de richting van het huis. Er verliepen wel tien minuten, toen klonk er een korte, schrille kreet, een kreet die iedere westman kent – de doodskreet van een mens. Na enige tijd keerde het opperhoofd terug.

‘Een verspieder van de tramps,’ deelde hij mee. ‘Tonkawa hem mes laten voelen. Maar misschien nog een tweede daar zijn. Zal teruggaan en melden. Daarom snel handelen als blanke mannen soms beluisteren willen.’

‘Dat is waar,’ gaf de Missouriër fluisterend toe. ‘Ik ga mee en jij neemt de leiding, want jij kent de plek waar ze hun kamp hebben. Nu hebben ze er nog geen vermoeden van dat hun aanwezigheid ons bekend is. Dus voelen ze zich veilig en zullen wel hun plannen bespreken. Als we meteen gaan, horen we misschien wat die inhouden.’

‘Ja, maar zacht en heimelijk, zodat andere verspieder, wanneer hij er is, niet merken dat wij gaan. En niet geweer meenemen, alleen mes. Geweer ons hinderen.’

Deze raad werd opgevolgd. De rafters verzamelden hun gereedschap, namen de vleespot en gingen de blokhut binnen waar ze niet bespied konden worden. De Missouriër sloop echter met het opperhoofd heen.

De Black-Bear-river kan als grens van dat eigenaardige heuvelland beschouwd worden dat met de naam van Rolling Prairie, golvende grasvlakte, aangeduid wordt. Daar verheft zich heuvel naast heuvel, de ene bijna even hoog en breed als de andere gescheiden door dalen die al evenveel op elkaar lijken.

De hele oostkant van Kansas is zo. Deze Rolling Prairie is rijk aan water en bossen. In vogelvlucht bekeken zou men de opeenvolging van heuvels en dalen met de deinende golven van een groene zee kunnen vergelijken. Vandaar deze naam, waaruit men kan opmaken dat onder prairie niet steeds een vlak gras of weideland verstaan hoeft te worden. In de weke, humusrijke grond heeft het water van de Black-Bear-river zich diep ingevreten zodat zijn oevers tot aan de grens van de Rolling Prairie meestal heel steil zijn en bovendien dicht bebost. Het is of liever was daar een echt wildgebied. Later is de Rolling Prairie dichter bevolkt geraakt en de wildstand is hierdoor sterk teruggelopen.

Waar de rafters hun werkterrein hadden daalde de hoge oever niet ver van de blokhut steil omlaag naar het water, wat zeer geschikt was voor hen omdat het de aanleg van houtbanen mogelijk maakte, waarlangs de rafters de stammen zonder veel moeite naar het water konden brengen. Bovendien was de oever vrij van onderhout. Maar daarom was het nog niet makkelijk er in de duisternis te lopen. De Missouriër was een ervaren westman, maar hij bewonderde het opperhoofd dat hem bij de hand had genomen en nu zo geluidloos tussen de bomen doorliep en de stammen met zo’n onfeilbare zekerheid vermeed alsof het klaarlichte dag was. Beneden hen klonk het geruis van het water dat het geluid van hun voetstappen overstemde.

Toen er ongeveer een kwartier verlopen was daalden ze af in een dal dat door de rivier in tweeën gesneden werd. Ook dit dal was dicht begroeid met bomen. Het werd bevloeid door een zacht kabbelend beekje. Daar hadden de tramps hun kamp opgeslagen en een vuur gemaakt waarvan de mannen het schijnsel al zagen toen ze nog onder het bladerdak van het woud waren.

‘Tramps al even onvoorzichtig als rafters,’ fluisterde het Tonkawa-opperhoofd zijn metgezel toe. ‘Maken grote vuren als om hele buffel te braden. Wij gemakkelijk daarheen kunnen en ook zo dat zij ons niet zien.’

‘Ja, komen zullen we er wel,’ meende de oude man. ‘Maar het is de vraag of we ons zo dichtbij kunnen wagen dat we horen wat ze bespreken.’

‘Wij zeer dichtbij. Wij horen zullen. Maar elkaar bijstaan wanneer tramps ons ontdekken. Aanvaller in geval van nood doodsteken en dan snel het woud in.’

Ze liepen tot aan de laatste bomen en konden toen het vuur en de mannen die eromheen lagen beter zien. Hier in de laagte waren meer muggen, de gewone plaag langs de rivieren in deze streken. Daarom hadden de tramps waarschijnlijk zo’n hevig rokend vuur aangelegd. Ergens opzij stonden de paarden. Ze zagen ze niet maar konden ze horen stampen. Ze werden zo door de muskieten gekweld dat ze voortdurend in de weer waren om hun belagers op een afstand te houden.

Nu gingen de beide verspieders plat op de grond liggen en kropen in de richting van het vuur. Als dekking gebruikten ze het struikgewas dat op de open plek groeide. De tramps zaten vlak aan de beek die met dicht riet omzoomd was dat tot vlak bij het kamp reikte en eveneens een prachtige dekking bood.

De vooraan kruipende Indiaan toonde zich een ware meester.

Het was zaak tussen de hoge palmen door te schuiven zonder daarbij geritsel te veroorzaken. Ook mochten de halmen van het riet niet bewegen, omdat dit hen zou kunnen verraden. De Grote Beer vermeed dit gevaar door zich eenvoudig een weg te snijden. Met zijn scherp mes legde hij de halmen neer, waarbij hij er ook nog aan dacht het de Missouriër zo makkelijk mogelijk te maken. Het wegsnijden van het harde riet gebeurde zo geruisloos dat zelfs Blenter het neervallen niet hoorde.

Zo naderden ze het vuur en bleven pas stil liggen toen ze zo dicht genaderd waren dat ze het gesprek van de tramps konden horen. Blenter nam de voor hem zittende gestalten op en vroeg zacht aan het opperhoofd: ‘Welke is nu die cornel over wie je ons verteld hebt?’

‘Cornel niet hier, hij weg,’ antwoordde de Indiaan fluisterend.

‘Vermoedelijk om ons te zoeken.’

‘Grote Beer dat geloven.’

‘Dan is hij misschien de man die je neergestoken hebt.’

‘Nee, hij het niet zijn.’

‘Dat kon je toch niet zien.’

‘Bleekgezichten zien slechts met ogen, Indianen zien ook met handen. Mijn vingers zouden cornel zeker herkend hebben.’

‘Dan was hij bij degene die jij gedood hebt.’

‘Dat juist zijn. Nu hier wachten tot cornel terugkomen.’

De tramps voerden een levendige conversatie. Ze zwetsten over van alles behalve over datgene wat de beide luisteraars interesseerde, totdat er een zei: ‘Ik zou wel eens willen weten of de cornel goed gegokt heeft. Het zou beroerd zijn wanneer de rafters hier niet meer waren.’

‘Ze zijn er, en dichtbij ook,’ meende een ander. ‘De houtspaanders die het water hier aangespoeld heeft zijn nog helemaal vers. Die zijn van gisteren of op zijn laatst van eergisteren.’

‘Als dat zo is dan moeten we weer terug. Als we te dicht bij die kerels zitten zullen ze ons nog in de gaten krijgen. En ze mogen ons natuurlijk niet zien. Met hen hebben we trouwens niets te maken. We hebben alleen Zwarte Tom nodig, liever zijn geld.’

‘Maar dat krijgen we niet te pakken,’ viel een derde in. ‘Denken jullie soms dat de rafters ons niet opmerken wanneer we een eindje teruggaan? We laten hier immers sporen achter die niet uit te wissen zijn. En is onze aanwezigheid eenmaal verraden dan kunnen we ons plan wel opgeven.’

‘Hoe kom je erbij? We schieten die kerels gewoon neer!’

‘Ja, die laten zich daar zomaar doodschieten! Ik heb de cornel de beste raad gegeven, maar die heeft hij jammer genoeg in de wind geslagen. In het Oosten, in de grote steden, gaat de bestolene naar de politie en laat het aan haar over de dief op te sporen. In het Westen daarentegen neemt iedereen zijn taak in eigen hand. Ik ben ervan overtuigd dat we in ieder geval een stuk gevolgd zijn. En wie van de passagiers van de steamer heeft verstand van spoor lezen? Dat zijn Old Firehand, Zwarte Tom en misschien nog die rare tante Frolic. We hadden ze op moeten wachten en dan hadden we Tom makkelijk zijn geld af kunnen nemen. In plaats daarvan hebben we die wilde rit gemaakt en zitten nu hier aan de Black-Bear-river terwijl we niet eens weten of we ’t zullen krijgen. En dat de cornel nu bij nacht door het bos loopt om de rafters te zoeken is al even dom. Hij had tot morgen moeten wachten en…’

De spreker slikte de rest van zijn kritiek in want de man over wie het ging kwam op dat ogenblik onder de bomen uit op het vuur toe. Hij zag de blikken van zijn mannen nieuwsgierig op zich gericht, nam zijn hoed van zijn hoofd, gooide die op de grond en zei: ‘Ik heb geen goede berichten, jongens. Ik heb pech gehad.’

‘Pech? Hoe dan?’ werd er gevraagd. ‘Waar is Bruns? Waarom is hij niet meegekomen?’

‘Bruns,’ zei de cornel terwijl hij ging zitten, ‘die komt helemaal niet meer. Die is dood.’

‘Dood? Wat vertel je nu? Hoe is hij dan verongelukt?’

‘Door een mes dat ’m in z’n hart werd gestoken.’

Dit bericht verwekte begrijpelijkerwijze grote opwinding. Iedereen wilde het hoe en waarom weten zodat de cornel niet eens in staat was te antwoorden. Hij gebood dus stilte en toen het rustig was geworden vertelde hij: ‘Bruns en ik veronderstelden dat de rafters stroomopwaarts zouden zijn en sloegen dus die richting in. We moesten dat heel voorzichtig doen omdat het best mogelijk was dat ze ons zouden zien. Dus kwamen we maar heel langzaam vooruit en het werd donker. Ik wilde teruggaan, maar Bruns was er tegen. We hadden een aantal sporen ontdekt waaruit viel op te maken dat we dicht bij de vlotplaats waren. Hij dacht dat we de rafters wel zouden ruiken omdat ze vast een groot vuur ontstoken zouden hebben vanwege de steekvliegen. Die veronderstelling kwam uit want na een tijdje konden we de rook ruiken en op de hoge oever zagen we een zwak schijnsel als van een vuur dat door bomen en struiken dringt. We klommen omhoog en zagen inderdaad het vuur, vlak voor een blokhut. Er zaten ongeveer twintig rafters omheen, evenveel als wij. We slopen dichtbij. Ik bleef onder een boom liggen en Bruns verdween achter het huis. We hadden nog geen tijd gehad op het gesprek te letten toen er opeens twee vreemdelingen op kwamen dagen. Het waren de twee Indianen van de “Dogfish”.’

Hierover waren de tramps erg verbaasd, maar toen ze hoorden wat het opperhoofd de rafters verteld had ontstelden ze hevig.

De cornel vervolgde: ‘Ik zag de roodhuid het vuur doven en daarna werd er zo zacht gesproken dat ik niets meer kon verstaan. Ik wilde toen wel weg, maar ik moest op Bruns wachten. Plotseling hoorde ik een schreeuw, zo vreselijk, zo ontzettend dat het me door merg en been ging. Het kwam van achter de blokhut, waar Bruns was. Ik werd bang voor hem en sloop om de legerplaats heen naar de hut. Het was zo donker dat ik op de tast mijn weg moest vinden en daarbij kwam mijn hand tegen een menselijk lichaam aan dat in een bloedplas lag. Ik voelde aan de kleren dat het Bruns was en schrok ontzettend. Hij had een steek in zijn rug die zijn hart geraakt moest hebben. Wat kon ik doen? Ik haalde zijn zakken leeg, pakte zijn mes en zijn revolver en liet hem liggen. Toen ik weer aan de voorkant kwam, zag ik dat de rafters zich in de blokhut teruggetrokken hadden en ik maakte dat ik zo vlug mogelijk wegkwam … En nu hebben we geen tijd meer te verliezen, we moeten weg.’

‘Waarom?’ werd er gevraagd.

‘Waarom? Hebben jullie dan niet gehoord dat die roodhuiden onze legerplaats kennen? Ze willen ons natuurlijk overvallen. En omdat ze wel begrijpen dat we verdenking koesteren door het verdwijnen van Bruns zullen ze wel gauw komen. Als ze ons bij verrassing nemen zijn we verloren. We moeten dus zo gauw mogelijk verder en van het geld van de rafters afzien. Dat is het beste en…’

Brinkley hield op en maakte een gebaar van verwondering.

‘Wat heb je?’ vroeg er een. ‘Praat toch verder.’

De cornel stond op zonder te antwoorden. Hij had dicht bij de plek gezeten waar de beide verspieders lagen en een van hen had zich te veel naar voren gewaagd. Toen de blik van de oude Missouriër namelijk op de cornel was gevallen had zich een ongewone opwinding van hem meester gemaakt die bij het horen van Brinkley’s stem nog heviger was geworden. Hij bleef niet stilliggen, maar schoof steeds verder door het riet vooruit. Zijn ogen gloeiden en puilden uit zijn hoofd. Door deze opwinding vergat hij de nodige voorzichtigheid. Hij lette er niet op dat zijn hoofd bijna helemaal boven het riet uitstak.

‘Niet laten zien!’ siste het opperhoofd terwijl hij hem beetpakte en achteruit trok.

Maar het was al te laat, de cornel had het hoofd gezien. Daarom onderbrak hij zijn toespraak en stond snel op om de luisteraar onschadelijk te maken. Heel listig zei hij: ‘Ik bedenk daarjuist dat we bij de paarden nog – ja, komen jullie tweeën eens mee!’

Hij wenkte de twee mannen die links en rechts van hem gezeten hadden. Ze stonden op en hij fluisterde hun toe: ‘Dat zei ik zo maar. Achter ons in het riet ligt iemand, vast een rafter. Als hij merkt dat ik het op hem gemunt heb smeert hij ’m. Wanneer ik hem grijp moeten jullie hem ook meteen beetpakken! Op die manier krijgen we ’m zeker en heeft hij niet de kans, ons te verwonden. Voorwaarts dus!’

Bliksemsnel draaide hij zich om en deed een sprong naar de plek waar hij het hoofd gezien had.

De Tonkawa was een voorzichtig, ervaren en scherpzinnig man.

Hij zag de cornel opstaan en met het tweetal fluisteren waarbij het hem niet ontging dat een van hen een onwillekeurige beweging naar achteren maakte. Een flauwe beweging was het, haast onmerkbaar, maar voor de Grote Beer duidelijk genoeg.

Hij raakte de oude man met zijn hand aan en siste: ‘Vlug! Weg! Cornel u gezien en vangen! Kom!’

Tegelijkertijd keerde hij zich om en verdween, zonder zich van de grond te verheffen, in een oogwenk achter het dichtstbijzijnde bosje. Dat was het werk van hoogstens twee seconden.

Maar reeds klonk het ‘voorwaarts’ van de cornel en toen hij omkeek zag hij dat de drie tramps zich op de Missouriër stortten.

De oude Blenter werd ondanks zijn beroemde tegenwoordigheid van geest overrompeld. Met hun drieën lagen en knielden ze boven op hem en hielden zijn armen en benen vast terwijl de anderen van het vuur opsprongen en snel kwamen toelopen.

De Indiaan had zijn mes getrokken om de oude man bij te staan maar hij moest wel inzien dat hij niets kon uitrichten. Hij kon alleen toezien wat er met de Missouriër gebeurde en dan de rafters verslag uitbrengen. Toen de tramps de gevangene zagen begonnen ze luid te roepen, maar de cornel legde hun het zwijgen op. ‘Stil! We weten niet of er nog anderen in de buurt zijn. Hou hem vast. Ik ga kijken.’

Hij zocht de omgeving van het vuur af en bemerkte tot zijn geruststelling dat er niemand was. Terwijl vier mannen de gevangene tegen de grond gedrukt hielden boog de cornel zich over hem heen om hem in het gezicht te zien. Dit deed hij met een lange, nadenkende en vorsende blik. Toen zei hij: ‘Man, ik moet je kennen! Waar heb ik je toch eerder gezien?’

De oude man wachtte zich wel, hem in te lichten. Haat ziedde in zijn binnenste, maar hij deed zijn uiterste best een zo vlak mogelijk gezicht te tonen.

‘Ja, ik ken je beslist,’ herhaalde de cornel. ‘Wie ben je? Hoor je bij de rafters die hier werken?’

‘Ja,’ antwoordde de gevangene.

‘Wat heb je hier dan rond te sluipen en ons af te luisteren?’

‘Ook een vraag! Is het in het westen soms verboden de mensen eens goed op te nemen? Ik heb altijd gedacht dat dat zelfs noodzakelijk was. Er loopt hier genoeg volk rond waarvoor je op moet passen.’

‘Je hebt gehoord wat wij zeiden en weet dus wie en wat wij zijn.’

‘Ik heb niets gehoord. Ik was beneden bij de rivieren wilde naar ons kamp terug. Toen zag ik jullie vuur en sloop er natuurlijk heen om te kijken wie hier zaten. Ik heb niet eens tijd gehad om iets te horen, ik was onvoorzichtig en werd direct door jullie gezien.’

Hij hoopte maar dat de cornel hem niet bij de blokhut had zien zitten. Maar hij vergiste zich want de roodharige antwoordde spottend: ‘Je kunt aardig liegen. Ik heb je zo-even niet alleen bij de rafters zien zitten, maar ik heb je ook horen praten en ik herken je. Geef dat maar toe.’

‘Ik denk er niet aan, ik heb de waarheid gesproken.’

‘Ben je dus helemaal alleen hier geweest?’

‘Ja.’

‘En je houdt vol dat je werkelijk niets van ons gesprek gehoord hebt?’

‘Geen woord.’

‘Hoe heet je?’

‘Adams,’ loog de Missouriër die alle reden meende te hebben zijn werkelijke naam niet te noemen.

‘Adams,’ herhaalde de cornel peinzend, ‘Adams. Een Adams die jouw gezicht had heb ik nooit gekend. En toch heb ik het gevoel dat we elkaar al eens zijn tegengekomen.’

‘Nee,’ verklaarde de oude man. ‘En laat me nu gaan! Ik heb jullie niets gedaan en ik hoop met eerlijke mensen te doen te hebben die anderen met rust laten.’

‘Ja, eerlijke mannen zijn we inderdaad, mannen die op recht en wet gesteld zijn,’ lachte Brinkley. ‘Jullie hebt daarnet een van de onzen neergestoken en volgens de wet van het westen roept dat om wraak, oog om oog, tand om tand. Wie je bent kan me niet schelen, maar je gaat eraan!’

‘Wat? Willen jullie me vermoorden?’

‘Ja, zoals jullie ook onze kameraad vermoord hebt. ’t Is alleen nog de vraag of je net als hij door het mes zult sterven of dat we je verzuipen. Veel omslag maken we er in geen geval mee, want we hebben geen tijd te verliezen. Laten we vlug stemmen! Snoer hem de mond zodat hij niet kan schreeuwen! Wie ervoor is dat we hem in het water smijten moet zijn hand opsteken!’

Dit laatste was tot de tramps gericht en de meesten gaven direct het gevraagde teken.

‘Verzuipen dus!’ besloot de cornel. ‘Bindt zijn armen en benen vast, dan kan hij niet zwemmen! En dan gauw in het water met hem en ervandoor vóór zijn kameraden komen!’

De oude Missouriër was tijdens het verhoor door een paar mannen vastgehouden. Nu zouden ze hem dus een prop in zijn mond gaan stoppen. Hij wist dat de Indiaan de rafters onmogelijk al bereikt kon hebben en dus verweerde hij zich met alle kracht terwijl hij luidkeels om hulp riep. Het geschreeuw klonk ver door in de stilte van de nacht.

‘Hell and damnation!’ raasde de cornel. ‘Laat hem toch niet zo krijsen! Als jullie hem niet aankunt zal ik hem wel eens mores leren. Wacht maar!’

Hij greep zijn geweer en haalde uit om de oude man met de kolf een slag op het hoofd te geven. Op dit moment maakte zich een reusachtige schaduw uit het struikgewas los. De cornel werd door een enorme klap getroffen en stortte achterover op de grond…

Tegen het vallen van de avond waren vier ruiters de sporen van de tramps gevolgd, namelijk Old Firehand, Zwarte Tom en tante Frolic met de jonge Fred. Het spoor voerde hen tussen de bomen door. Het was tamelijk makkelijk te herkennen, maar moeilijker was het, de ouderdom ervan te bepalen. Pas toen ze over een met gras begroeide open plek reden steeg Old Firehand af om het te onderzoeken, daar hij uit de halmen beter iets af kon lezen dan uit het lage mos van het woud. Toen hij de indrukken nauwkeurig bekeken had, zei hij: ‘De tramps zijn ons ongeveer ruim een mijl voor, want dit spoor is zowat een half uur geleden gemaakt. We moeten onze paarden dus een beetje aanzetten.’

‘Waarom?’ vroeg Tom.

‘Om nog vóór de nacht zo dichtbij te komen dat we weten waar ze hun kamp opslaan.’

‘Is dat niet wat gevaarlijk voor ons? Ze slaan hun kamp natuurlijk op voor het donker wordt en we moeten er op voorbereid zijn dat we ze dan in de armen lopen.’

‘Daar ben ik niet bang voor. Zelfs wanneer je veronderstelling juist is kunnen we ze toch niet vóór de schemering bereiken. Er zijn tekenen die erop wijzen dat we in de nabijheid zijn van de rafters die we moeten waarschuwen. Dan is het van groot belang dat we de plek waar de tramps liggen, kennen. En daarom moeten we haast maken, anders worden we door de nacht overvallen en dan kan er voor het morgen is veel gebeuren wat we niet kunnen verhinderen. Wat vindt u ervan, Frolic?’

Frolic antwoordde: ‘Ik denk er precies zo over. Hoe harder we rijden des te eerder hebben we ze en hoe langzamer we rijden des te later hebben we ze. Laat onze beestjes dus maar eens tonen wat ze kunnen!’

Daar de bomen niet dicht op elkaar stonden konden ze hun paarden flink laten draven. Maar de tramps hadden ook haast gemaakt en waren pas afgestegen toen ze hiertoe door de duisternis gedwongen werden. Wanneer Old Firehand niet hun spoor gevolgd had, maar meer langs de oever had gereden dan zou hij het spoor van de beide Tonkawa-Indianen gekruist hebben die slechts een kleine voorsprong op hem hadden.

Toen het zo donker werd dat de hoefindrukken haast niet meer te onderscheiden waren, steeg hij nogmaals af om ze te onderzoeken. Hij constateerde: ‘We hebben een halve mijl gewonnen. De tramps hebben helaas ook vrij snel gereden. Toch moeten we nog proberen ze in te halen. Afstappen allemaal! We moeten nu te voet verder en de paarden aan de teugel voeren!’

Maar nu werd het zo snel donker dat het spoor helemaal niet meer te zien was. Het viertal bleef staan.

‘Wat nu?’ vroeg Tom. ‘We zijn nu wel gedwongen hier te blijven.’

‘Nee,’ vond Frolic, ‘we blijven niet hier, we wandelen gezellig verder tot we ze vinden.’

‘Maar dan horen ze ons toch aankomen!’

‘Dan doen we ’t heel zachtjes. Mij horen ze niet en mij krijgen ze niet, wat vindt u ervan, meneer Firehand?’

‘Ja, ik ben ’t helemaal met u eens,’ stemde de jager in, ‘maar de voorzichtigheid gebiedt, wel van de richting van het spoor af te wijken. Laten we wat meer naar rechts gaan, van de rivier af. Dan krijgen we de kerels tussen ons en het water in en moeten we hun vuur zien zonder dat ze ons in de gaten krijgen.’

‘En als ze geen vuur maken?’ vroeg Tom.

‘Dan ruiken we hun paarden wel,’ antwoordde Frolic. ‘In een bos ruik je de paarden veel eerder dan in het open veld. Mijn neus heeft me nooit in de steek gelaten. Kom, dan gaan we nu naar rechts!’

Old Firehand liep voorop met zijn paard aan de teugel en de anderen volgden, één voor één. De rivier maakte hier een vrij grote bocht naar links. Het gevolg was dat ze er te ver vandaan kwamen. Old Firehand merkte dit aan de verminderde vochtigheid van bodem en omgeving en hield dus weer wat meer links aan. Plotseling rook hij een brandlucht en bleef staan. Frolic die achter hem liep snoof ook en verklaarde: ‘Dat is rook. De lucht komt van daarginds. Daar moeten we dus heen. Maar voorzichtig. Ik geloof dat ik wat licht zie. Dat kan alleen van het vuur zijn.’

Hij wilde doorlopen, maar bleef plotseling staan: zijn scherpe oren hadden naderende voetstappen vernomen. Old Firehand had ze ook gehoord en bovendien de snelle ademhaling van de naderende man. Hij liet de teugel los en deed een paar stappen voorwaarts. Zijn gehoor zei hem dat de man daar voorbij moest komen. In het donker van de nacht en het woud, zelfs voor de ogen van de geoefende jager nauwelijks te bespeuren, dook voor hem een gestalte op die zich snel weer uit de voeten wilde maken. Old Firehand greep met beide handen toe.

‘Halt!’ gebood hij met gedempte stem. ‘Wie ben je?’

‘Shai nek-enokh, shai kopeia – ik weet het niet, niemand,’ antwoordde de ondervraagde terwijl hij probeerde zich los te rukken.

Zelfs de minst vreesachtige zou wel schrikken wanneer hij in het holst van de nacht midden in een bos plotseling door twee sterke vuisten werd vastgegrepen. Op zo’n moment spreekt iedereen onwillekeurig zijn moedertaal. Zo ook de man die door Old Firehand vastgehouden werd. Firehand verstond de woorden en zei verrast: ‘Dat is Tonkawa-taal! De Grote Beer is ons met zijn zoon vóór. Zeg, wie bent u?’

Nu verweerde de man zich niet langer. Hij had de stem van de jager herkend en antwoordde gejaagd in zijn gebroken Engels: ‘Hier Nintropan-hauey. Old Firehand! Dat zeer goed! Nog meer mannen bij u?’

‘Grote Beer! Wat een gelukkige ontmoeting! Ja, ik ben Old Firehand. Er zijn nog drie mannen bij me en we hebben paarden. Wat voert u hier uit? De tramps zijn in de buurt, pas maar op!’

‘Heb ze gezien. Tramps oude Missouri-Blenter gevangen. Willen hem doden. Nintropan-hauey naar rafters lopen om hulp en Old Firehand mij tegenhouden.’

‘Willen ze een rafter doden? Dat moeten we voorkomen. Waar zijn ze?’

‘Achter mij, waar licht zijn tussen de bomen.’

‘Is de rode cornel bij ze?’

‘Ja hij daar zijn.’

‘Waar hebben ze hun paarden?’

‘Als Old Firehand naar hen gaan, dan paarden rechts staan voor hij aan vuur komen.’

‘En waar zijn de rafters?’

‘Boven op heuvel. Grote Beer al bij hen geweest en gesproken met hen.’

De Tonkawa vertelde zo vlug mogelijk wat er gebeurd was, waarop Old Firehand verklaarde: ‘Als er een tramp gedood is, zullen ze zeker de oude Missouriër willen vermoorden. Wij vieren zullen onze paarden hier vastbinden en ons haasten, de moord te verhinderen. Loop vast naar de rafters om ze vlug hier te halen!’

De Indiaan rende weg. Het viertal maakte zo snel mogelijk de paarden vast en haastte zich toen naar het kamp van de tramps.

Al heel gauw werd het lichter en zagen ze tussen de stammen door het schijnsel van het vuur. Rechts op de open plek zagen ze de paarden van de tramps. Ze gingen op de grond liggen en kropen naar het vuur toe. Old Firehand wendde zich tot Fred en wilde zeggen dat hij naar de paarden toe moest gaan en iedere tramp neerschieten die op wilde stijgen om te ontvluchten, maar hij had nog maar nauwelijks de eerste woorden gezegd of daar klonk een luide, doordringende kreet. Het was het reeds vermelde hulpgeroep van de oude Missouriër.

‘Ze vermoorden hem!’ riep Old Firehand uit. ‘Snel! Erop los! En korte metten maken als ze zich verweren!’

De jager sprong op en rende op het vuur toe. Drie, vier tramps smeet hij omver om bij de roodharige te komen die juist uithaalde voor de slag. Hij kwam nog net op tijd en sloeg de cornel met de kolf neer. Twee, drie tramps die bezig waren de Missouriër te binden, vielen onder zijn volgende slagen. Toen wierp hij zijn nog geladen geweer weg, trok zijn revolver en vuurde op de overige vijanden. Hierbij kwam er geen woord over de lippen van de formidabele strijder.

Des te meer kabaal maakten de drie anderen. Zwarte Tom was als een wervelwind midden tussen de tramps gesprongen en sloeg ze met de kolf van zijn geweer neer terwijl hij hun de meest kernachtige scheldnamen en dreigementen toeriep. De zestienjarige Fred had eerst zijn geweer op hen leeggeschoten, dit wapen toen weggeworpen en zijn revolver getrokken. Hij vuurde schot na schot waarbij hij brulde dat horen en zien verging om de paniek nog te vergroten.

Maar boven alles uit klonk de krijsende falsetstem van tante Frolic. Deze zonderlinge jager weerde zich voor twaalf. Zijn bewegingen waren zo snel dat geen enkele vijand hem onder schot had kunnen krijgen. De tramps waren door deze onverwachte overval zo verbluft dat ze aanvankelijk helemaal niet aan tegenstand dachten en toen ze een beetje tot zichzelf kwamen zagen de ongedeerden zoveel van hun kameraden dood, gewond of bewusteloos op de grond liggen dat het hun het beste leek, het hazenpad te kiezen. Ze renden weg zonder te beseffen dat ze in de meerderheid waren, want door het geschreeuw van Fred en tante Frolic hadden ze het aantal van de aanvallers overschat. Vanaf het moment dat Old Firehand de eerste klap had toegediend tot de vlucht van de niet gewonden was nauwelijks een minuut verlopen.

‘Ze achterna!’ riep Old Firehand. ‘Ik speel het hier wel klaar. Laat ze niet bij de paarden komen!’

Tom, Frolic en Fred vlogen onder hevig gebrul naar de plek waar ze de paarden gezien hadden. De tramps kregen niet de kans, zich op hun paarden in veiligheid te brengen. Ze stormden verder, het bos in.

Inmiddels hadden de rafters in hun blokhut op de terugkomst van de beide verspieders, de Missouriër en het Tonkawa-opperhoofd zitten wachten. Toen ze de schoten beneden bij de rivier hoorden, meenden ze dat het tweetal in gevaar verkeerde. Ze grepen naar hun wapens, verlieten de hut en snelden zo vlug als de duisternis dit toeliet in de richting van de schoten. Daarbij schreeuwden ze zo hard ze konden om de tramps van hun slachtoffers af te houden.

Voorop liep de Kleine Beer die van tijd tot tijd eveneens zijn stem verhief om de rafters op het juiste spoor te houden. Ze hadden nog niet de helft van de afstand afgelegd toen vóór hen een andere stem weerklonk, namelijk die van de Grote Beer.

‘Snel komen!’ riep hij. ‘Old Firehand daar zijn en op tramps schieten. Hij slechts met drie man zijn. Hem bijstaan!’