4

Je hebt maar één kans om een eerste indruk te maken, had Luella die ochtend aan Fiona gemaild. Fiona, die een zorgvuldig gekozen wijde linnen broek en een lang jasje droeg – om die lastige dijen te bedekken – en grote sieraden om had, voelde zich niet op haar best, maar beslist niet slecht. Na een paniekerig telefoontje was Sian, die medelijden met haar had gehad, gekomen om haar te helpen met het uitzoeken van haar kleren. Uiteindelijk had ze gezegd: ‘Ik ben geloof ik jaloers, het is allemaal zo spannend!’

‘Té spannend,’ had Fiona droogjes gezegd, maar toen ze wegreed, nadat Sian haar voor de honderdste keer had beloofd haar een sms’je te sturen, besefte ze dat ze ervan genoot. Haar leven als ‘keurige vrouw’ was prima, maar de laatste tijd had ze het gevoel dat een deel van haar niet genoeg aandacht kreeg. Ze kon zich nog goed herinneren hoe het was toen ze in Sians situatie zat, maar hoeveel ze daar ook van had genoten, het was fijn om dat los te kunnen laten, ook al maakte ze zich nog steeds zorgen om ‘haar jongens’. Misschien was het tijd om eens uit de band te springen. Ze vond een plekje op de grote parkeerplaats in de stad en bekeek het adres van de boekwinkel dat ze in haar hand had. Door vóór haar afspraakje op de antiekmarkt iets nuttigs te doen, voelde ze zich wat minder schuldig. Hoewel er geen enkele reden was om geen afspraak te maken met een man die ze op een datingsite had ontmoet, had ze onwillekeurig toch het gevoel dat het verkeerd was. Ze pakte de doos boeken die ze de vorige avond had uitgezocht en ging op weg. Ze hoopte dat de winkel niet ver lopen was.

Zodra ze de winkelstraat had bereikt, zag ze de boekwinkel al. Ik hoop maar dat die man de boeken wil hebben en dat ik ze niet helemaal terug hoef te sjouwen, dacht ze, toen ze de deur met haar heup open duwde en achteruit de winkel in liep.

‘Zal ik u daar even mee helpen?’

Een diepe, vriendelijke mannenstem klonk uit het donker, en Fiona voelde dat de doos voorzichtig uit haar armen werd genomen. Ze keek op en zag een kleine man met dik grijs haar en vriendelijke ogen.

‘O, dank u. Hij werd zwaar. Bent u meneer Langley?’

‘Dat klopt, James Langley. Dan bent u vast mevrouw Matcham. Komt u verder, dan zullen we eens kijken.’

Fiona volgde de man naar achteren en merkte dat ze de geur en sfeer in de winkel heel plezierig vond.

‘Boekwinkels hebben iets, hè?’ zei ze, toen ze bij zijn kantoortje kwamen. ‘Alsof er elk moment iets magisch uit de omslag van een van de boeken kan komen.’

De man zocht op het overvolle bureau een plekje voor de doos en keek toen naar Fiona. ‘Vindt u dat? Wat leuk! Dat vind ik namelijk ook altijd. Je verwacht het alleen niet van iemand die niet van boeken houdt.’

‘O, maar ik ben dol op boeken!’ zei Fiona snel. ‘Ik heb er alleen veel en veel te veel. Die zal ik van mijn leven niet allemaal kunnen lezen.’

‘Nou, we zullen eens kijken. Wilt u iets drinken. Thee? Koffie? Water?’

‘Een glaasje water zou heerlijk zijn.’

‘Ik heb helaas niets waarmee ik het wat interessanter kan maken.’

‘Water is interessant genoeg, heus.’

‘Neemt u plaats, ik ben zo terug.’

Fiona ging zitten en keek om zich heen. Ze bevond zich in een kleine ruimte vol boekenplanken. Een oud, houten kaartenbaksysteem nam veel ruimte in beslag, maar de rest stond vol met dozen boeken zoals ze zelf had meegebracht. Hij kon kennelijk geen nee zeggen, als iemand hem vroeg om naar wat boeken te kijken. Er zou eens een juweeltje tussen kunnen zitten. Ze kon zich dit hoopvolle gevoel voorstellen, maar had zo’n vermoeden dat het niet het meest briljante bedrijfsplan was. Ze hoopte maar dat er een juweeltje in haar eigen doos zat.

Hij kwam terug met twee glazen water en vond een plekje voor haar glas op een ansichtkaart met een bloemenklok erop. De snelle blik die ze erop wierp voordat hij het glas erop zette, deed haar vermoeden dat hij uit de jaren vijftig kwam en waarschijnlijk als boekenlegger was gebruikt, en daarom nu op het bureau van James Langley lag.

‘Zo, mevrouw Matcham, we gaan eens kijken,’ zei hij. Hij stak zijn hand in de doos en haalde een boek tevoorschijn. ‘Ah!’ zei hij. ‘Heel mooi.’ Hij legde het boek neer en stak zijn hand weer in de doos. ‘Het is net een grabbelton met alleen maar mooie prijzen,’ zei hij. ‘Waar komen de boeken vandaan?’

‘Dit is een selectie uit de bibliotheek van mijn echtgenoot. Mijn eerste echtgenoot die is overleden, moet ik zeggen, en niet mijn tweede man die inmiddels mijn ex is.’ Fiona besefte dat ze veel meer zei dan strikt noodzakelijk was en legde haastig uit: ‘Dat u niet denkt dat ik de boeken van mijn man verkoop, die hij helemaal niet kwijt wil.’

‘Er zijn er dus nog meer?’

Fiona knikte. ‘Een hele kamer vol. En vele boekenkasten vol. Het grootste deel had hij zelf geërfd, maar hij kocht zelf ook altijd boeken. Het huis bezwijkt eronder en ik moet echt een deel wegdoen. Als ik het huis zou willen verkopen, zou het me jaren kosten.’

James Langley had ondertussen de boeken in de doos bekeken en had zo nu en dan wat goedkeurende geluiden gemaakt. ‘Er zitten goede boeken tussen die ik wel wil kopen, maar ik denk ook aan de rest van de bibliotheek. Wat bent u daarmee van plan?’

‘Tja, als de boeken iets waard zijn, wil ik ze graag verkopen. Mijn zoons zijn geen van beiden geïnteresseerd. Alles wat ze wilden, hebben ze al.’

‘Hoe wilt u dat doen?’

‘Dat weet ik niet. Ik heb geen idee welke boeken waardevol zijn. Ik was van plan ze plank voor plank in te pakken en op zoek te gaan naar mensen zoals u.’ Ze glimlachte en vond James Langley erg aardig. Zoals het bij een boekhandelaar hoorde, droeg hij geen chique kleren, maar ze waren wel van goede kwaliteit. Misschien waren ze wel van zijn vader geweest, dacht Fiona, maar ze stonden hem goed.

‘Zou u het fijn vinden als ik eens kwam kijken? Dan hoeft u niet met dozen te sjouwen.’ Hij glimlachte. Hij had een prachtige glimlach: zijn hele gezicht lichtte op. Een knap gezicht ook. Ze vroeg zich af waarom ze hem zo bekeek en besloot dat het waarschijnlijk kwam omdat ze op het punt stond naar haar eerste afspraakje te gaan, en tijdens het afspraakje werd er natuurlijk heel veel gekeken.

‘Zou u dat willen? Is het de moeite waard? Ik zou natuurlijk graag willen dat u ze voor me verkoopt, of dat u ze van mij koopt… hoe het dan ook werkt. Maar toch, het zijn wel heel veel boeken.’

‘Als ik afga op de kwaliteit van de boeken die u hebt meegenomen, denk ik zeker dat het de moeite waard is.’

‘Nou, ik zou u erg dankbaar zijn. Ik hou van boeken, maar deze zijn een enorme verantwoordelijkheid. Ik kan ze niet zomaar wegdoen; er zouden waardevolle boeken bij kunnen zitten die iets kunnen toevoegen aan de erfenis van mijn zoons. En ze laten staan, is echt geen optie. Zoals ik al zei, misschien moet ik ooit verhuizen.’

‘Ik wil met alle plezier langskomen om te zeggen welke boeken waardevol zijn en wat u met de rest kunt doen.’

‘Echt?’ De man had zich in zijn leven omringd met boeken, en hield zichtbaar van ze, maar het was wel een gigantische klus. Afijn, dat was zijn werk.

‘Absoluut. Kijkt u eens, hier hebt u mijn kaartje. Belt u mij, dan maken we een afspraak wanneer het u schikt.’

‘Hebt u e-mail?’

‘Uiteraard. Ik zou niet meer zonder internet kunnen. Mensen schijnen zo tegenwoordig zelfs hun partner te vinden.’

De manier waarop hij haar met fonkelende ogen aankeek, bracht haar van haar stuk. Hij kon toch onmogelijk weten wat ze zometeen ging doen? ‘Werkelijk?’ zei ze, in de hoop dat ze ongelovig genoeg klonk. ‘Nou ja, ik moet ervandoor. Zal ik de boeken hier laten?’

‘Als u dat niet vervelend vindt. Dan kan ik ze elk apart taxeren. De exemplaren die ik wil hebben, neem ik van u over. Voor de boeken die ik niet wil, maar die wel van waarde zijn, zal ik kijken of ik een koper kan vinden. Is dat goed? Vertrouwt u ze aan mij toe?’

Fiona keek met een glimlach in zijn ogen, die nog altijd een beetje leken te fonkelen, en besloot dat ze hem vertrouwde. ‘Ja,’ zei ze resoluut, in de wetenschap dat iedereen die haar kende haar een beetje naïef vond. Maar ze vertrouwde haar intuïtie en had zich maar één keer vergist.

Met een zorgeloos en optimistisch gevoel vertrok Fiona naar de antiekmarkt. Het succes met haar doos boeken was vast een teken dat de rest van de dag ook goed zou gaan. Het feit dat ze een parkeerplekje vond dat niet in een modderig veld lag, was ook al een plus.

Maar toen ze eenmaal bij de ingang van het landhuis kwam waar de antiekmarkt werd gehouden, werd ze een beetje zenuwachtig. Ze hadden afgesproken op de antiekmarkt, maar nu ze bij het hek stond, besefte ze hoe nutteloos het woord ‘op’ hier was. Ze hadden ‘binnen’ of ‘buiten’, ‘naast de leeuw bij het hek’ of ‘bij de derde zuil van links’ moeten afspreken.

Maar toen ze de ingang naderde, waar een rij mensen naar binnen ging, zag ze een aantrekkelijke man die leek op de foto op de website.

Luella had haar gewaarschuwd dat mensen er vaak een stuk ouder uitzagen dan op de foto. Haar eigen foto was ook een paar jaar oud, maar bij deze man leek hij precies te kloppen.

Misschien was het hem niet. Misschien was het iemand anders van ‘een meter drieëntachtig, grijs bij de slapen, en in een roomkleurig linnen kostuum’.

Toen vermande ze zich. In wat voor wereld leefde zij dat het feit dat iemand precies op zijn foto leek wel toeval moest zijn in plaats van wat je zou verwachten? Het moest hem wel zijn.

Net toen ze bij hem kwam, draaide hij zich om. Hij glimlachte.

‘Jij bent zeker Fiona. Ik ben Robert.’ Hij leunde naar voren en gaf haar een zoen op haar wang. ‘Wat leuk om je eindelijk te ontmoeten.’

Fiona gaf hem ook een zoen, genoot van het gevoel van zijn wang tegen de hare, van zijn aftershave en het korte contact met zijn keurige, gestreepte overhemd. Van dichtbij zag hij er nóg beter uit, terwijl ze niet eens op zoek was geweest naar ‘een lekker ding’, maar meer naar iemand met wie ze gezellig dingen kon ondernemen.

‘Je bent nog mooier dan op de foto,’ zei hij, en Fiona was direct gerustgesteld. ‘Zullen we naar binnen? Ik trakteer, trouwens. Mag ik je bij de arm nemen? Ik ben ouderwets in die dingen.’

‘Is er iets speciaals wat je wilt zien?’ vroeg Fiona. Er waren momenten waarop ouderwets heel geruststellend was.

‘Ik ben dol op van die olie-en-azijnstelletjes,’ zei Robert.

De hoop dat ze iemand had gevonden die meer dan een vriend zou kunnen zijn, werd met deze woorden de grond in geboord. Olie-en-azijnstelletjes hadden iets deprimerends dat Fiona aan kustpensions uit de jaren vijftig deed denken. Maar goed, ze moest geen overhaaste conclusies trekken. ‘Zullen we eens kijken of we die kunnen vinden?’ vroeg ze vrolijk.

‘Tenzij jij ergens speciaal naar op zoek bent?’

‘Ach,’ zei Fiona. ‘We komen ongetwijfeld wel iets leuks tegen op weg naar de olie-en-azijnstelletjes.’

Fiona begon te genieten. Terwijl ze door de zalen slenterden waar kraampjes met antiek in alle vormen en maten stonden, werd haar blik getrokken door een zilveren lijstje en een tafelklok, maar Robert was vastbesloten eerst de olie-en-azijnstelletjes te bekijken, en Fiona vond het prima.

Tot haar verrassing vond ze naast de kraam met olie-en-azijnstelletjes – die in werkelijkheid mooier waren dan ze had gedacht – enkele naamkaarthoudertjes. Ze was er direct weg van. ‘Kijk eens! Net kleine fazantjes. Precies wat ik nodig heb voor mijn etentje.’

‘Geef je een etentje?’

Was het haar verbeelding of klonk hij een beetje weemoedig? ‘Ja,’ zei ze, en voordat ze zichzelf ervan kon weerhouden, voegde ze eraan toe: ‘Jij moet ook komen. Dat is leuk.’

‘Ach, lieve dame, wat een heerlijk aanbod! Maar ik wil me niet opdringen.’

‘Dat doe je niet,’ zei Fiona, die wilde dat haar goede hart eerst eens overlegde met haar verstand en haar mond het zwijgen oplegde. Zijn protest kwam overduidelijk voort uit beleefdheid. Aan alles was te merken dat hij dolgraag wilde komen. Ze hoopte maar dat hij geen verkeerde verwachtingen kreeg. Ze wist nog helemaal niet wat ze van hem vond. ‘Misschien kun je me met de wijn helpen,’ voegde ze er snel aan toe, terwijl ze zijn arm weer vastpakte en hem behoedzaam verder leidde.

Toen Sian haar een halfuur later belde, kon Fiona zich heel even niet meer herinneren waarom. Ze liep weg bij een kraampje waar Robert nogal ordinaire beeldjes aan het bekijken was.

‘En, gaat het allemaal goed?’ vroeg Sian, die klonk alsof ze barstte van nieuwsgierigheid.

‘Ja, het is heel gezellig. Hoezo? O, ja. Sorry! Nee, het gaat prima.’ Ze glimlachte.

‘Nou, ik wil alles horen zodra je thuis bent, of wanneer het uitkomt,’ voegde Sian eraan toe, toen ze bedacht dat haar vriendin zich misschien niet ingeperkt wilde voelen. ‘Ik zal je niet langer lastigvallen. Veel plezier!’ En ze hing op.

Het bleef gezellig. Robert was plezierig en niet bedreigend. Hij had wel een voorliefde voor dingen die Fiona sentimenteel en gekunsteld vond, maar hij vormde aangenaam gezelschap. Hij trakteerde haar op een overheerlijke lunch in de oranjerie van het huis.

‘Goh, vertel eens iets over jouw huis,’ zei Robert, en hij schonk haar nog eens bij. ‘Je zei dat het behoorlijk groot was…’

‘Het is prachtig. Bouwkundig een beetje een allegaartje, maar een heerlijk huis om in te wonen. Ik zou het heel erg vinden als ik weg moest.’

‘Moet dat dan?’ vroeg Robert, genietend van zijn toast met paté. Alles was bereid met lokale producten.

‘Nou, niet op korte termijn, maar mijn zoons kunnen hun erfenis beter nu krijgen dan wanneer ik dood ben. Ik denk niet dat zij erin zouden willen wonen. Er is een gigantische tuin. Ook al vind ik die prachtig.’

‘Ik ben erg benieuwd.’ Hij liet zijn hand over tafel glijden en intuïtief trok Fiona haar eigen hand weg, hoe onbeleefd het ook was. Robert was best een aardige man, ze had alleen geen romantische gevoelens voor hem. Ze kon hem maar beter niet aanmoedigen met lichamelijk contact, al was een hand door zijn arm nog zo onschuldig.

‘Naar mijn tuin?’ Fiona glimlachte. Haar tuin was nogal verwilderd, maar het was haar creatie en ze liet hem altijd graag aan anderen zien, mits het de juiste mensen waren.

‘Eerlijk gezegd heb ik zelf niet van die groene vingers, maar ik ben wel erg benieuwd naar het huis.’

Fiona had al besloten dat het tussen haar en Robert niets zou worden, maar elke hoop op vriendschap stierf nu ook een snelle dood. Dat was al de tweede keer dat hij over haar huis begon. Zag hij zich soms al met zijn slippers en zijn krantje bij haar haard zitten? ‘Ach, het is gewoon een oud huis met veel herinneringen.’

‘En veel ruimte?’

Fiona schoot in de lach. ‘O ja, dat ook.’

‘En op een mooi plekje, uiteraard.’

Fiona keek Robert even aan boven een vork vol salade met kip, en ze vroeg zich af of ze pondtekens in zijn ogen zag. Stelde hij zich meer voor dan slippers bij de haard, dacht ze een beetje grimmig. Je hoorde wel eens over mannen die aasden op rijke weduwen. Toen hield ze zich voor dat ze niet zo dwaas moest doen.

Fiona had gezegd dat ze rond theetijd misschien even bij Sian langs zou komen om haar alle details te vertellen, en dus had Sian een taart gemaakt. Deels omdat Rory moe was van al het scheppen in de tuin en vertelde dat hij taart wilde bakken. Sian deed wel vaak dingen met hem in de keuken, omdat ze daar allebei van genoten. Ze hadden gekozen voor een koffiecake, en Rory was hem aan het versieren met Smarties toen Fiona haar auto voor het huis parkeerde.

‘Ik ga even de deur opendoen voor Fiona. Rory, niet álle Smarties hoeven erop, hoor. Je kunt er ook een paar bewaren voor na het eten, vanavond.’

‘Maar het ziet er mooier uit met allemaal.’

Sian slaakte een zucht. Met een kind van vier waren sommige ruzies gewoon niet de moeite waard. ‘Goed dan, het is jouw taart.’

Terwijl ze door het huis liep, vroeg ze zich af of ze te lief was, of hij echt een vader nodig had en of trouwen met Richard voor haar het beste zou zijn. Maar omdat ze hier meerdere keren per week over dacht, besteedde ze er niet veel aandacht aan. Er was niets mis met Rory; hij gedroeg zich net zoals de meeste andere kinderen en een stuk beter dan sommige.

‘Fiona! Hoe was het? Hoe was hij?’ vroeg ze, zodra ze de voordeur had opengetrokken en Fiona had binnengelaten.

‘Goed. Leuk, maar niet de ware. Niet dat ik daar nou echt naar op zoek was, maar je begrijpt me wel. Afijn, ik heb hem dus uitgenodigd voor het etentje. Ik had medelijden met hem.’ Ze slaakte een zucht. ‘Dat moet ik echt niet doen. Het is een erg slechte gewoonte.’

Sian schoot in de lach. ‘Kom binnen, dan gaan we aan de thee. Rory heeft een taart voor je gebakken. Wees niet ongerust, ik heb geholpen.’

‘Dag Rory! Hoe gaat het met mijn favoriete knul?’ Fiona gaf hem een zoen, wat hij beleefd over zich heen liet komen.

Haar moeder was de enige andere persoon die Rory op die overdreven manier mocht kussen. Sian was blij dat hij zich zo op zijn gemak voelde bij Fiona. Ze had zelf het gevoel dat ze deze oudere vrouw al jaren kende, in plaats van slechts een paar dagen, en Rory leek hetzelfde gevoel te hebben.

‘We hebben gebakt,’ zei Rory. ‘En ik heb alle Smarties erop gedaan, ook al zei mama dat ik wat moest bewaren.’

‘Lieve schat, het ziet er fantastisch uit! Ik heb wel zin in een stuk!’ Fiona trok een stoel bij en hing haar tas aan de rugleuning. ‘Wat heerlijk dat ik hier mezelf kan zijn!’

Sian zette water op en pakte een paar bekers. ‘En? Ik wil alles horen! Rory, ga jij eens even je handen wassen, lieverd. Dan mag je daarna de taart aansnijden.’ Rory klom van zijn stoel en liep naar het toilet beneden.

Toen Fiona haar thee had, ging Sian ervoor zitten. Fiona vertelde haar hoe haar dag was geweest, maar begon toen over wat anders. ‘Ik maak me altijd erg druk over dit soort etentjes, maar ik geniet van dat gevoel. Het hoort erbij.’

Rory was bezig de Smarties van zijn stuk taart te pulken. Als hij opging in iets, kon er een trein voorbijkomen zonder dat hij het merkte. ‘Wie nodig je nog meer uit?’ vroeg Sian, terwijl ze een slokje thee nam.

‘Verschillende mensen, onder andere het echtpaar Francombe, oude vrienden van me die zúlk fantastisch gezelschap zijn dat ze zichzelf verhuren als prijs, om geld in te zamelen.’

‘Dat meen je niet! Hoe werkt dat?’ vroeg Sian geïntrigeerd.

‘Dan kun je op ze bieden tijdens een liefdadigheidsveiling. Mensen betalen om hen als gast bij hun etentje te hebben. Ze geven zelfs een klein boekje uit… ook weer om geld in te zamelen… over hoe je een succesvol diner kunt organiseren.’

Sian was verbijsterd. ‘Die moet ik ontmoeten. Ze klinken heel bijzonder.’

‘Je gaat ze ook ontmoeten. En ik zal je hun boekje laten lezen.’

‘Heb je er een gekocht?’

‘Natuurlijk. Het was voor een goed doel. Trouwens, ik was stiknieuwsgierig. Ik wilde weten of ik er als voorbeeld in voorkwam over hoe het niet moet. Ik was een beetje teleurgesteld dat ik er niet in stond.’

‘En hoe moet het volgens hen?’

‘Er staat bijvoorbeeld in dat je echtparen naast elkaar kunt zetten zodat ze elkaars anekdotes af kunnen maken, dat soort dwaze dingen. Ze maken hun eigen naamkaartjes. O trouwens, ik heb een paar houdertjes gekocht. Ik heb er al heel wat, maar ik kon ze gewoon niet weerstaan.’ Ze grabbelde onder in haar handtas en viste ze er uiteindelijk uit.

‘Dat zijn fazanten,’ zei Rory, die zijn taart op had, en opkeek nu er eindelijk iets interessants te zien viel.

‘Dat klopt. Wat goed van jou.’

‘Ze staan in een boek van mij,’ legde hij uit.

‘Ik zou handgemaakte naamkaartjes voor je kunnen maken, als je dat leuk vindt,’ zei Sian. ‘Als ik je ergens mee kan helpen…’

‘Er is genoeg te doen, maak je daar maar geen zorgen om. Alleen jammer dat Richard er niet is.’

‘Ja, en Rory gaat bij Annabelle logeren, hè schat?’

‘Maar ik zou ’s morgens kunnen helpen, Fona,’ zei hij serieus. Kennelijk kreeg hij het gevoel kreeg dat hij iets misliep.

‘Nou, Rory, toevallig zou ik het heel fijn vinden als jíj de naamkaartjes zou willen maken. Dan kan mama saai schillen en snijden.’

‘O ja, ik vind kleuren leuk. Zal ik papier pakken?’

‘Doe maar, lieverd.’ Terwijl hij ervandoor ging, zei Fiona geluidloos tegen Sian: Schattig!

‘En hij is best goed,’ zei Sian.

‘Die lijkt natuurlijk op zijn moeder.’

‘Hoe ga jij je internetvriend aan iedereen voorstellen? Ik neem aan dat je niet wilt dat iedereen weet hoe je hem hebt leren kennen.’

Fiona keek haar ontzet aan. ‘O hemeltje, nee! Mensen zouden van schrik in hun dessert vallen. Jeetje, daar had ik helemaal niet aan gedacht.’ Ze zweeg even. ‘Ik weet het al, ik zeg gewoon dat hij een oude vriend van mijn man is. Dat begrijpt Robert vast wel. Hij is heel aardig…’

Toen kwam er nog een onaangename gedachte in haar op. ‘Ik moet je nog even waarschuwen. Ik heb Melissa’s ouders uitgenodigd, en voelde me gedwongen haar ook te vragen.’ Sian had Fiona verteld over Melissa’s bezoekje, dus ze wist hoe Sian over haar dacht.

Sian aarzelde even. ‘Je moet uitnodigen wie je wilt. En misschien is het wel goed om elkaar in gezelschap nog een keer te ontmoeten. Zo leer je de vijand beter kennen, zeg maar.’

‘Misschien worden jullie nog wel vrienden. Haar ouders zijn heel aardig.’ Fiona had Melissa nooit echt gemogen, maar wist niet goed waarom. Misschien was er wel helemaal niets mis met haar.

‘Ik ben erg benieuwd naar ze.’

Fiona stond op en veegde haar plakkerige vingers aan een stukje keukenrol af dat Sian haar had gegeven. ‘Ik moet weer eens naar huis. Maar Rory en jij komen die ochtend helpen?’

‘Natuurlijk. Vergeet niet dat we hadden afgesproken dat ik vóór het etentje nog zou komen helpen om de schuur op te ruimen. Dan komen Rory en ik dat eerst doen, dan breng ik hem ’s middags naar Annabelle en kom ik terug om met koken te helpen.’

‘Super! Ik heb er nu echt zin in. Het is veel leuker om dingen samen te doen.’