Buikpijn

„Wat doen jullie in de schuur jongens?” Koens
moeder staat met haar fiets aan haar hand in de
tuin.

„Eh… niks mevrouw. Koen en ik gaan zwem-
men,” zegt Erik, die net de schuur uitkomt. „We
moesten even iets opbergen.”

„Gaan jullie zwemmen? Met dit rotweer?”

„O, dat vinden we niet erg. We zwemmen graag.
He Koen?”

„Eriks vader betaalt,” zegt Koen, die bij de deur
van het schuurtje komt staan, de handdoek vol
verfblikjes achter zijn rug.

„Wat heb je voor zwarte vegen op je gezicht

jongen?” vraagt Koens moeder en ze wil er met
haar hand iets aan doen.

„O niks,” zegt Koen en hij doet snel een stap
achteruit, „we zijn aan het werk bij Erik. Zijn
vader is er ook bij.”

„En vindt die het goed datje allemaal smeer op
je kleren hebt?” vraagt Koens moeder en ze wijst
op Eriks broek waar de olievlek ondertussen wel
twee keer zo groot is geworden.

„Hij zei er niets van,” zegt Erik zo eerlijk moge-
lijk.

„Nou, dan zal het wel in orde zijn,” antwoordt
Koens moeder, „als jij maar wel op je kleren
past,” zegt ze tegen Koen. Met twee handen tilt
ze een tas vol cola-flessen van haar stuur.

„Natuurlijk is het in orde, waarom zou het
niet…”

„Ze gaat al naar binnen, joh,” zegt Erik.

„Ze geloven je nooit,” moppert Koen, maar hij
houdt verder zijn mond.

„Kom,” zegt Erik, „dan gaan we snel terug.”

Koen pakt de punten van zijn handdoek bij
elkaar en houdt de bobbel met blikjes als een
dikke buik voor zich uit.

„Heb je kwasten?” vraagt Erik.

„Ik heb er twee gepakt. Een grote en een kleine,
voor in de hoekjes.”

„Weet jij hoe het moet eigenlijk, schilderen?”

„Natuurlijk. Makkelijk zat. Gelijkmatig opzet-
ten en goed uitsmeren, zegt mijn broer altijd.
Ons hele huis heeft hij geschilderd.”

„En jij?” vraagt Erik.

„Hoe bedoel je?”

„Heb jij wel eens geschilderd?”

„O, zo vaak. Laten we nou maar gaan.” Koen
duwt het hekje open en kijkt of er niet toevallig
iemand door het gangetje loopt, die net aan de
voorkant had kunnen zien hoe zij met zijn
tweeën naar het zwembad gingen. Hij wenkt
Erik. „Alles veilig.”

Terwijl ze links en rechts in de tuinen kijken of
niemand ze in de gaten houdt, sluipen ze terug
naar de garage van Erik. Bij iedere stap tillen ze
hun voeten goed op om zo min mogelijk lawaai
te maken en gebaren ze naar elkaar dat ze stil
moeten doen.

„Koen!” klinkt het opeens luid door het gange-
tje.

Koen knijpt de bult met blikjes zowat zijn buik
binnen. „Mijn moeder,” kreunt hij.

Ze staat bij het tuinhekje en wappert met iets in
de lucht. ,Je zwembroek!” roept ze.

„O shit!” zegt hij en hij leunt tegen het schuur-
tje van een van de buren. „Erik,” zegt hij dan, „ga
jij even. Ik kan niet, met die blikjes.”

„Wat moet ik dan zeggen?”

„Niks. Bedankt of zo. Ga nou, anders ziet ze
het.”

Zachtjes in zichzelf mopperend loopt Erik naar
Koens moeder. „Ah, bedankt,” zegt hij en hij
steekt zijn hand uit voor de zwembroek.

„Wat is er met Koen?” vraagt zijn moeder.

„Koen?”

,Ja, heeft hij last van zijn buik of zo?”

„Koen?”

„Over wie hebben we het anders?”

„Haha, ja natuurlijk. Hij had wel iets aan zijn
hand. Een schaaf, maar dat is alweer een tijd
geleden. En we hebben nu een beetje haast
mevrouw, het spijt me.”

„Willen jullie, zo graag zwemmen?”

,,Ja precies. We moeten nu echt heel snel gaan.
We hebben met een hele groep afgesproken ziet
u, en die staan allemaal op ons te wachten.”

„O, leuk. Wie gaan er nog meer?”

„Nou, die kent u toch niet. Van school, de hele
klas eigenlijk zo’n beetje,” zegt Erik. Hij krijgt
het er warm van. Koen is veel beter in dit soort
dingen.

„Goh. En is daar wel wat toezicht bij dan?”

„Toezicht? O ja, zeker wel. Onze meester komt
ook mee, ziet u, een van de jongens heeft hem
thuis opgebeld. Daarom hebben we ook zo’n
haast. Hij zei dat wie te laat kwam er niet meer in
mocht.”

„Wat een onzin, je betaalt toch zelf.”

,Jawel, maar ja…” Erik kijkt om zich heen, alsof
de oplossing ergens op een schuurtje staat
geschreven. „Hij is nu eenmaal een meester, he,”
zegt hij dan. „Zelfs in de vakantie. Dus eh… we
moeten nu echt gaan. Dag mevrouw.” En met een
snel gebaar pakt hij de zwembroek uit haar hand.

,Ja, nou… veel plezier dan maar…” zegt Koens
moeder. Peinzend loopt ze de tuin weer in.

„Ging het goed?” vraagt Koen wanneer Erik weer
bij hem is.

„Ik dacht van wel,” zegt Erik. Met zijn hand-

doek veegt hij wat zweet van zijn voorhoofd.
„Hier is je zwembroek,” zegt hij tegen Koen.

Ondertussen draait Koens moeder zich om en
loopt langzaam terug naar het gangetje.