HOOFDSTUK 6 De poenploeg
Alpe d’Huez is inmiddels bijna Nederlands grondgebied, opvallend veel landgenoten kwamen er al met opgestoken armen over de finish rijden. Gert Jakobs ziet er in 1989 echter als een berg tegenop. Het wordt sowieso een loodzware etappe voor de niet bepaald als klimmer bekendstaande renner van SuperConfex met ook nog de Alpenreuzen Croix de Fer en de Glandon in het parkoers. Hij heeft een list nodig om de gevaartes binnen de tijdslimiet over te komen.
Een dag eerder krijgt Jakobs tijdens een interview met Jacques Chapel plotseling een ingeving. En doet hij een oproep in de microfoon van de verbaasde verslaggever van de Wereldomroep, die goed wordt beluisterd door Nederlandse vakantiegangers in het buitenland: ‘Als ik morgen bij de voet van de Alpe d’Huez ben, lig ik waarschijnlijk een half uur achter. Lieve Nederlanders, als jullie mij bij bocht 3 zien, willen jullie me dan een duwtje geven?’ Chapel speelt daarop het geweten van de Tour: ‘Ik zou het er niet op wagen, Gert. Je weet wat voor straffen kunnen volgen. Je bent knettergek.’
De volgende dag staat bij de bewuste bocht echter een menigte oranjehemden klaar om Jakobs een zetje te geven. Hij kan het zich nog goed herinneren. ‘Ik zat in een bus en was eigenlijk alweer vergeten wat ik de dag ervoor had gevraagd. Ik had een kop als een uitgeknepen citroen. Maar na bocht 2 hoorde ik in de verte: “Hij komt eraan!” In de volgende bocht werd ik vastgegrepen door allerlei supporters die mij aan elkaar doorgaven en dat scheelde enorm. Je kunt dan even herstellen en naar een goede versnelling schakelen. Het liep als een tierelier, ik leek wel een brommer. De mensen bleven met me meelopen en op sommige stukken moest ik zelfs even in de remmen knijpen. Zelfs bij de steilste bochten 6 en 9. Echt waar! Het werkte formidabel. Het probleem was natuurlijk dat de jury-auto altijd bij de groene trui blijft hangen. En die fietste achteraan, dus hij zat ook bij mij in de buurt. Maar ik had afstand genomen en aangezien de haag die het publiek vormde zich na mij sloot, was ik voor niemand achter mij nog zichtbaar.’
Op de top zegt de verzorger van SuperConfex tegen Jakobs: ‘Wat zie je er nog fris uit, Gert.’ ‘Jaaaa!’, antwoordt Jakobs. ‘Truc speciaal, hè.’ De verzorger: ‘Goed gedaan mijn jongen.’
Het is één groot oranjefeest die dag op de Nederlandse berg. Na Joop Zoetemelk (1976 en ’79), Hennie Kuiper (’77 en ’78), Peter Winnen (’81 en ’83) en Steven Rooks (’88) wordt Gert-Jan Theunisse de vijfde landgenoot die een Touretappe naar Alpe d’Huez wint. Als Jakobs nog naar boven wordt geduwd, krijgt Theunisse ook de bolletjestrui aangemeten.
’s Avonds in het hotel ziet Jakobs zijn ploegleider Raas met stevige tred de eetzaal binnenlopen. Hij kijkt nogal streng met het ziekenfondsbrilletje wat afgezakt op de neus. Gert denkt: Ohhh, als hij maar niet voor mij komt. Dat blijkt wel degelijk het geval.
‘Gert, kom jij eens even hier’, zegt Raas ten overstaan van de hele ploeg. ‘Jij weet toch dat op de Alpe d’Huez, als enige berg, ook de tijd wordt opgenomen? Jij was als 135ste twee minuten sneller dan winnaar Theunisse… Maar je hebt drie minuten straftijd gekregen vanwege ongeoorloofd duwen. En een boete van vijfduizend Franse francs.’
Jakobs krijgt een hoofd als een boei. ‘Ik ga morgen wel de hele dag op kop rammen’, belooft hij Raas met een benepen stemmetje. Zijn ploegleider: ‘Dus je hebt nog goede benen? Dan betaal ik die boete wel.’
De overwinning van Theunisse die dag namens de andere Nederlandse formatie is een van de vele hoogtepunten die de PDM-ploeg deze bewuste Tour beleeft. Ook de groene trui (Sean Kelly) en het ploegenklassement gaan uiteindelijk naar de equipe van Jan Gisbers, evenals drie ritzeges (Raúl Alcalá, Martin Earley en Steven Rooks) en vier plaatsen in de toptien van het eindklassement. Maar PDM wil méér, altijd maar méér.
Cassettes en videobanden; dat is de toekomst. Daar zijn de elektronicaconcerns het lange tijd wel over eens. In de jaren tachtig liggen de schappen van de winkels er vol mee. BASF, Sony, Maxell, TDK; er zijn tal van merken waaruit de mensen kunnen kiezen. En ook Philips, dat een mislukt avontuur met Video 2000 achter de rug heeft, probeert door een samenwerking met het Amerikaanse chemieconcern DuPont als Philips DuPont Magnetics (PDM) een marktaandeel op dat gebied te veroveren. Waar TDK met veel succes naamsbekendheid verwerft met de shirtsponsoring van Ajax, ziet PDM wel wat in de wielersport.
Harrie Jansen, oud-renner en radioverslaggever van Langs de Lijn, komt in 1985 via een technicus van de NOS in contact met Ruud Wijnands, distributeur van PDM. Ze worden het al gauw eens over het budget en hoe de uitstraling zou moeten zijn van de nieuwe wielerploeg, die in alles de bestaande profstallen moet overtreffen. Niet alleen op het gebied van salarissen, maar ook van medische verzorging. Jansen benadert Roy Schuiten, de stijlvolle tijdrijder van weleer, om ploegleider te worden van de nieuwe PDM-formatie en samen beginnen ze aan de klus. Jansen heeft nog een appeltje te schillen met Post die hem als wielrenner een keer heeft geflikt in een combine. Ze zouden in een Limburgse koers het prijzengeld delen als een van beiden won, maar Post had zich door Roger Swerts laten betalen om te verliezen. Jansen regelt een Touraccreditatie voor Schuiten, zodat die boven op de renners en het personeel van andere ploegen komt te zitten. Zo kan hij met een grote zak geld eenvoudig een mooi team bij elkaar ronselen. Via Telegraaf-journalist Ron Couwenhoven, die uiteraard de primeur krijgt van de nieuwe wielerploeg, komt hij in contact met onder anderen Steven Rooks. Het grillige talent krijgt twee keer zoveel salaris aangeboden als zijn gage bij het Panasonic van Post. Uiteraard twijfelt de Noord-Hollander geen moment.
Jan Gisbers is aanvankelijk aangezocht als assistent van Schuiten. Tot de laatste in 1986 na een conflict met Gerrie Knetemann wordt ontslagen. Gisbers neemt het roer van hem over. Hij is jarenlang het gezicht geweest van de befaamde wielerstal Jan van Erp, die maar al te vaak heeft gedomineerd in de befaamde amateurronde Olympia’s Tour. Grote renners rijpen onder zijn handen, zoals Jan Raas, Bert Oosterbosch, Adrie van der Poel, André Gevers, Gerrit Solleveld en Henk Lubberding. In 1983 houdt die ploeg op te bestaan.
Gisbers wil overstappen naar de profs. Hij weet in het amateurwielrennen elke hobbel in de weg te vinden, zo stelt de Eindhovense wielercoach. ‘Ik kende iedereen, iedere klassieker en iedere route.’ Hij begint in de ploegleiderswagen van Kwantum Hallen, maar moet wennen aan het harde profmetier. Raas, dan nog renner, noemt hem zelfs te soft. Gisbers en de Belg Guillaume Driessens vertrekken en Raas wordt zelf ploegleider.
Zijn beginperiode als ploegleider in het professionele wielrennen staat bij Gisbers nog in het geheugen gegrift. ‘Daar kan ik een heel boek over schrijven’, vertelt hij. ‘Ik was niet het type Post, dat klopt. Ik fungeerde als tweede ploegleider achter Driessens. Raas en ook Cees Priem wilden mijn lijn volgen, maar eigenlijk hebben ze uiteindelijk juist de harde, spartaanse aanpak van Post zelf voortgezet toen ze eenmaal ploegleider waren. Raas en ik pasten niet bij elkaar. Ik combineerde wel goed met Driessens. Hij werd door Raas een beetje belachelijk gemaakt, maar die man was tien keer slimmer dan de hele zaak bij elkaar. Dat kan ik je wel vertellen. Hij heeft me overal wegwijs gemaakt.’
Gisbers haalt diep adem en vervolgt zijn relaas. ‘Raas moest stoppen met wielrennen en zocht emplooi. Ik wist dat hij de ambitie had om ploegleider te worden. Het was de bedoeling dat ik de organisator werd. Maar ik kreeg een aanbieding van PDM via Harrie Jansen. Raas wilde de lijn Post volgen. Ook met een aantal van zijn renners. Ik zag meer in het laten doorstromen van jonge, talentvolle amateurs. Die reden op dat moment net zo hard of harder. Ik had alles geregeld voor Raas… Toen besloot ik zelf ontslag te nemen. Ik heb gezegd: “Je kunt alles bij me ophalen. Draaiboeken, administratie, ploegleiderswagen; alles”. De volgende dag ben ik met Schuiten en Jansen aan de slag gegaan voor PDM.’
De nieuwe ploeg wordt met veel bombarie gepresenteerd in het Amsterdamse Marriott Hotel bij het Leidseplein. De Dolly Dots zorgen op die dag in maart 1986 voor de muzikale omlijsting, terwijl oude voetbalsterren als Bobby Charlton, ‘Paco’ Gento en Ferenc Puskás er als vreemde eenden in de bijt ook bij zijn. De dan net zeventienjarige illusionist Hans Klok tovert het nieuwe logo tevoorschijn.
PDM houdt er aanvankelijk nog een tweesporenbeleid op na. Adrie van der Poel en Gerrie Knetemann zijn er voor de vlakke koersen, Steven Rooks, zijn maatje Gert-Jan Theunisse en Pedro Delgado voor de klassementen en bergetappes. Gisbers en Jansen hebben de Spanjaard vastgelegd na de Tour van 1985, waarin hij als zesde was geëindigd. Eerder dat wielerseizoen was de klimmer, die ook geweldig goed kan dalen, de sterkste geweest in de Vuelta. Het heeft nogal wat voeten in aarde om Delgado, die in beeld komt als Greg LeMond en Laurent Fignon geen interesse blijken te hebben, te verleiden voor een contract met de nieuwe ploeg. Gisbers: ‘De Spaanse markt was voor PDM belangrijk. Maar het is bijna niet mogelijk om een Spanjaard naar Nederland te laten verhuizen. Alleen met geld. We beschikten al over talenten en goede renners die hard konden fietsen op de vlakke wegen. Maar we misten nog een goede klassementsrijder. Delgado twijfelde en twijfelde. Toen zei Jansen: “Hier is het contract, vul maar in wat je wilt verdienen en zet dan je handtekening”. We konden betalen wat hij vroeg, maar het was wel een grote hap uit het budget.’
Delgado, bijgenaamd El Conquistador (De Veroveraar) of wat meer liefdevol Périco, krijgt in Spanje al vier ton en gaat bij PDM het dubbele verdienen. Gisbers: ‘Ik zeg tegen Harrie: “Het is een hoop geld, maar als we hem niet hebben, wordt het duurder. Dan gaan we voor gaas. We moeten alleen de toprenners hebben en die betalen we goed. Dat is de beste stimulans”.’
Gisbers stelt decennia later vast dat de keuze voor de enorme investering in Delgado, waarmee ook een trend wordt gezet voor salarisstijgingen bij andere renners, een juiste is geweest. ‘We hebben met Pedro enorm veel succes gehad. Hij reed in 1986 dicht bij het geel, en had de etappe naar Pau gewonnen, toen zijn moeder op sterven lag. Ze zei nog kort voor haar dood dat hij de Tour moest uitrijden. Maar vlak voor de Alpe d’Huez stapte Pedro toch af.’ In 1987 wordt Delgado in het shirt van PDM tweede in de Tour. Hij komt slechts veertig seconden tekort op winnaar Stephen Roche.
In 1988 keert Delgado terug naar de Reynolds-ploeg van José Miguel Echavarri. PDM trekt Greg LeMond aan en de ploegleiding geeft de Amerikaan te verstaan dat hij alle steun krijgt als Delgado in de vlakke aanloop naar de bergen van de Tour te veel tijd verliest. PDM wedt echter op het verkeerde paard. Bij Reynolds verovert Delgado wel de eindzege in de Ronde van Frankrijk. Hij verslaat zijn vroegere ploegmaat Steven Rooks, die dat jaar de rit naar Alpe d’Huez wint, het bergklassement en het combinatieklassement. In zijn woonplaats Warmenhuizen krijgt café De Klok een witte gevel met rode bolletjes, gelijk de bergtrui. Eigenlijk heeft de eigenaar beloofd het pand geel te schilderen in het geval Rooks de Tour wint. Maar deze prestatie vindt hij ook goed genoeg om de kwast te erbij te pakken.
De Tourzege van Delgado in ’88 is overigens nog altijd omstreden. Bij de Spanjaard wordt na de rit naar Morzine tijdens een dopingcontrole probenicide in zijn urine gevonden, een middel om anabolen te maskeren. De Tourzege wordt hem echter niet ontnomen, hij krijgt evenmin een schorsing. Het product staat wel op de lijst van verboden middelen van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), maar niet op dat van de Internationale Wielerunie UCI. In dezelfde ronde krijgt PDM ook zelf met een dopinggeval te maken. Bij Theunisse wordt een te hoge testosteronwaarde aangetroffen. De klimmer komt ervan af met een tijdstraf van tien minuten.
Hoewel de Drent de hulp van supporters nodig heeft om de Alp d’Huez op te komen, valt in 1989 het oog van Gisbers op Gert Jakobs. De gangmaker in de ploeg van Raas kan zijn nieuwe troef Erik Breukink op de vlakke stukken uit de wind rijden, bedenkt Gisbers. Dat maakt zijn ploeg compleet. Geld speelt wéér geen rol. ‘Gert kon ontzettend hard rijden’, vertelt de PDM-ploegleider van toen. ‘We hebben geprobeerd om hem ook koersen te laten winnen. Dat is nooit gelukt, maar het bracht altijd wel teweeg dat een van onze renners dan als eerste de streep passeerde. Ik wilde iemand die op commando opdrachten uitvoerde. Jakobs kon in z’n eentje vijf kilometer lang zestig per uur rijden. Wat hij deed, daar werd Gert goed voor betaald. Er waren al veel te veel slimme renners. Als je die wat vroeg, gingen ze er eerst over nadenken.’
Breukink komt over van Panasonic. Jakobs heeft een aflopend contract bij Raas, van wie hij een verbeterde aanbieding krijgt om verder te gaan in de nieuwe Buckler-formatie. Die weegt echter niet op tegen hetgeen hij bij PDM kan verdienen. Bovendien is Jakobs uiterst kritisch op het beleid van Raas. ‘Ik zag het bij Jan niet meer zitten’, vertelt hij in november 1989 aan het Nieuwsblad van het Noorden. ‘Ik voelde me niet meer thuis bij hem. SuperConfex was eerst een vriendenploeg, maar daar is niet veel meer van over. Neem het geval Nico Verhoeven tijdens het Nederlands kampioenschap. Die jongen is door zijn eigen ploeg geflikt. Hij rijdt alleen voorop en is door vier ploegmaten teruggehaald. Dat leek toch nergens op? Raas zei ook steeds dat er een klassementsrenner bij zou komen. Nou, die is er nog steeds niet.’
Met enige moeite en juridische ondersteuning weekt zaakwaarnemer André Boskamp Jakobs los bij de koppige Raas. Jakobs nu: ‘Dat Raas moeilijk deed om mij vrij te geven, daar heb ik toen niet veel van meegekregen. Later hoorde ik dat het hem wel rauw op zijn dak viel. Hij wilde mij graag houden. Maar ik kon bij PDM een beter contract krijgen. Bruto was bijna netto door een fiscaal vriendelijke belastingregeling. Je kunt ergens tevreden werken, maar op een gegeven moment komt toch het geld om de hoek te kijken.’
Jakobs gaat plotseling een bruto jaarsalaris van 225 duizend gulden verdienen, exclusief premies. ‘Gert verdient nu als meesterknecht meer dan een minister’, illustreert Boskamp dan. Ter vergelijking: bij Raas was zijn contract nog goed voor 40.872 gulden bruto per jaar. Eigenlijk is alles beter verzorgd bij PDM. ‘Dat was het crème de la crème’, weet Gert. ‘PDM begon ook met die indrukwekkende, zwarte touringcars die naar de start en finish reden. Nu heeft iedere ploeg dat. Maar PDM had dat al in de jaren tachtig voor elkaar.’
De teambus is zeer luxe ingericht, met een wasgelegenheid, massageruimte en televisie. De renners worden voor het eerst in comfortabele fauteuils rondgereden. De touringcars zijn natuurlijk ook rijdende reclamezuilen; de letters van de sponsor vol in het zicht. Gisbers: ‘We hadden het dubbele budget van Post (in het begin ongeveer 5,5 miljoen gulden). Die Touringcars waren ook een idee van Jansen. Ze werden gebouwd in Valkenswaard. Later overgenomen door DAF Trucks. Harrie hamerde erg op promotionele zaken. We zaten op een gegeven moment rond de tafel met een dame van PDM over de trui te praten. We zeiden: “Het design is goed, maar er mankeert nog iets aan”. We hebben het shirt toen aan een Belgische kunstenaar gegeven. Een dag later belde hij dat-ie klaar was. Hij had misschien een extra lijntje getrokken, maar er was verder niets aan veranderd. Ik zei: “Dit is de mooiste trui die ik ooit heb gezien!” Na een paar jaar meldde Manfred Krikke, de teammanager van PDM, dat er een miljoen shirts waren verkocht met een flinke winstmarge. We hadden een fanshop met tientallen artikelen, maar dit was de hoofdmoot.’
Jakobs heeft het tricot nog steeds op zijn bovenverdieping hangen. Een wit bovenstuk, met daaronder rode, groene en blauwe banen en vervolgens in het zwart overlopend naar de wielerbroek. Jansen heeft uitgezocht dat de mouw op tv altijd prominent in beeld komt. Dus daarop prijken de letters PDM. Gisbers: ‘Ik heb altijd gezegd: “Als je met veel geld in het wielrennen stapt, kost het na drie jaar niets meer”. Een kleine ploeg is het duurste dat er bestaat.’
Zijn eerste kennismaking met PDM is voor Gert Jakobs niet op de fiets, maar op de ski’s. ‘Wij gingen in januari 1990 op wintersport. Geen ploeg die dat deed. Reden we naar Sölden in Oostenrijk. Daar lag de Gaislachkogel, op 3.056 meter hoogte. Je kon natuurlijk met de kabelbaan naar boven, maar wij moesten lopen met skistokken. Een wandeling van bijna drie uur! Boven gekomen namen we een bakkie thee. Dan weer naar beneden en vervolgens gingen we de hele middag skiën. We kregen les van een beroemde slalomkampioen. De hele trip was natuurlijk ook één groot mediacircus. Breukink en ik gingen ook weleens schaatsen in Zell am See. Bonden we de schaatsen onder en reden we dat meer op. We hadden een lol, dat wil je niet weten. Heel goed voor de sfeer. Nu is dat ondenkbaar, want in de wintermaanden zijn er al koersen in Australië en Qatar.’
Gisbers hamert sowieso erg op teambuilding. In tegenstelling tot Post is hij erin geslaagd om de einzelgänger Rooks naar topprestaties te stuwen. In de Amstel Gold Race van 1986 heeft de Noord-Hollander al een bod van Joop Zoetemelk van 25 duizend gulden afgeslagen om hem de zege te gunnen. Althans, dat zegt Rooks in het boek Sultans of Swing. De renner uit Warmenhuizen vindt het belangrijker dat de nieuwe ploeg zijn eerste klassiekerwinst boekt. Hij gaat samen met Theunisse in 1990 toch weer terug naar Post, omdat zij bij hem het astronomische bedrag van 1,2 miljoen gulden kunnen verdienen. De man die het altijd heeft gehad over ‘de poenploeg’ als hij praatte over PDM, tast nu zelf diep in de buidel. Nog steeds onderhoudt Gisbers een goed contact met Rooks.
De ploegleider heeft het wintersporten ook om conditionele en fysiologische redenen op zijn programma gezet. ‘Een renner heeft een motor’, zoekt hij naar een metafoor, ‘Je kunt van een Fiatje een Porsche maken. Er zijn methoden om de cilinderinhoud van een coureur te vergroten. Ik liet ze ook nog hard skiën. Post zei tegen mij dat ik gek was geworden. Maar vergelijk het met een afdaling van de Tourmalet. Dan zeg ik ook niet tegen die jongens dat ze voorzichtig moeten zijn. Het hele jaar door moesten ze leren om risico’s te nemen. Hoog in de bergen konden ze tijdens die wintersport bovendien veel zuurstof verbranden. Overal waar we kwamen, pakte ik een van de beste skiërs uit het dorp om les te geven.’
Behalve de touringcar, die de ritten in de stationwagons verving, wordt er ook op andere gebieden naar uiterlijk vertoon gestreefd. Jakobs weer: ‘Alles was bij PDM tot in de puntjes verzorgd. Zelfs de vrijetijdskleding.’ Hij is thuis en haalt van boven een leren vliegeniersjack dat ook nu nog zeer modieus oogt. Hier en daar een badge die herinnert aan de door de ploeg behaalde triomfen. ‘We hadden uitstraling. Het was een team met aanzien. Zo ga je ook fietsen. En dan geloof je al snel dat je de beste van de wereld bent.’
De ploeg bestaat uit een groot aantal vedetten, aangevuld met renners die op vlakke stukken hoge snelheden kunnen ontwikkelen. De absolute wegkapitein is de Ier Sean Kelly, een grote persoonlijkheid in de koers en erbuiten. Jakobs omschrijft hem als ‘een wonderbaarlijk fijne kopman’. En: ‘Hij respecteerde erg wat zijn ploeggenoten voor hem deden. Een sociale, nette vent. En een fantastische renner natuurlijk. Hij sprak ook gewoon Nederlands. “Hé jong-e-tje”, zei hij altijd.’
De ploeg is gelouterd, met veel renners die goed bergop kunnen. Jakobs moet ervoor zorgen dat Breukink in de vlakke ritten van de Tour niet te veel tijd verliest. Gisbers beschrijft de hiërarchie in de ploeg: ‘Bij PDM waren rond 1990 maar vier mensen belangrijk: Sean Kelly, Erik Breu-kink, Raúl Alcalá en ikzelf. Zij hadden met mij altijd een bespreking vooraf. Ik hoefde Kelly niet te vertellen wat hij moest doen in de koers. Dat was de slimste renner van de wereld. Hij wist het beter dan Raas en ik samen. Ik gaf de renners de vrije hand in het sluiten van combines in de koers. In de wedstrijden kun je ook handel drijven. Ik hield ervan renners eigen verantwoordelijkheid te geven. Als ik iemand een miljoen geef als salaris, dan moet het niet nodig zijn nog met een zweep achter hem te gaan staan.’
‘Ik werkte veel samen met Post en Echavarri. Al had ik in het begin wel problemen met Post. We hadden een keer bijna letterlijk slaande ruzie. Hij begreep niet hoe ik zo kon werken. Piet Liebregts heeft voor mij bemiddeld en daarna zijn we de beste kameraden geworden. Dat heeft nooit iemand geweten. Ook Raas niet. Hij zal er niet blij mee zijn geweest.’
Buiten Kelly, Alcalá, Breukink en Jakobs staat er bij PDM ook een aantal renners uit de voormalige DDR onder contract: Uwe Raab, Uwe Ampler en Falk Boden. Zij zijn vrijgekomen door de val van de Muur en zijn eigenlijk al kort voor die tijd door marketingdirecteur Jack Blinck vastgelegd. Dat lukt via Klaus Ampler, de vader van Uwe die ook de coach is van Raab. Uwe Ampler heeft drie keer op rij de Vredeskoers, de Oost-Europese evenknie van de Tour de France, gewonnen en in 1986 ook de wereldtitel bij de amateurs op zijn naam geschreven. Voor het eerst kunnen ze in hun nieuwe vrijheid het grote geld incasseren.
Jakobs praat echter over een ‘DDR-kliek’. Hij heeft er weinig mee. ‘Het was wel slim van Gisbers om ze erbij te halen. Een hilarisch verhaal is hoe wij toen over hen praatten. Je moet het natuurlijk niet te letterlijk nemen. Die Boden had een grote onderkaak, zo’n centenbak. Stond flink naar voren. Daar zit kraakbeen en dat kan groeien, luidde het verhaal. Vroeger hadden ze natuurlijk van alles in die Oost-Duitsers gestopt, zo dachten velen. Het scheen dat de onderkaak van Boden elk jaar een centimeter groeide. Er was ook al een stuk tussenuit gehaald. Aan tafel zeiden Van Poppel en ik tegen elkaar: “Laten wij maar niet dezelfde middelen gebruiken, want dan hangt onze kin straks in het soepbord… En misschien begint dan ook onze schedel te groeien en moeten we een puntmuts dragen”.’
‘Die gasten konden ontzettend hard fietsen’, weet Jakobs ook nog. ‘Ze waren enorm gedrild en gedisciplineerd. Ampler leek net een genetische robot. Alles klopte bij hem, zo kun je een mens niet eens tekenen. Gespierde poten als staalkabels en een torso met een sixpack. Dat was dan een wielrenner, hè. Heel imponerend. Maar Ampler was altijd heel eigenwijs. Dan begon het te waaien en lette hij niet op. Moest ik een halve dag tegen de wind op kop rijden om hem terug te brengen naar de groep of het peloton. In de Ronde van Spanje werd ik daar op een gegeven moment schijtziek van. Heb ik tegen Gisbers gezegd: “Nou moet hij scherper worden, want anders komt hij maar een half uur later binnen”.’
Gisbers geeft aan wat hij met de Oost-Duitsers op dat moment voor ogen heeft: ‘Ik kende ze van het amateurwielrennen. Toen ik ze haalde, gingen ze meteen goed verdienen. Zoveel weelde waren ze achter het IJzeren Gordijn natuurlijk nooit gewend geweest. Ze kregen bij ons een huis, een Mercedes en een goed salaris. Uwe Ampler reed zo hard dat hij de Tour kon winnen, maar hij was een stommerik. Paste niet in de ploeg. Raab was een sprinter. Kon alle toppers verslaan. Hij heeft in de Ronde van Spanje vier ritten gewonnen.’
‘Ze kregen ineens heel veel geld. Wat moet je daarmee doen?’, vervolgt Gisbers. ‘Manager Manfred Krikke hielp ze met bv’s. Met als doel zo min mogelijk belasting te betalen. Op die manier heeft bijvoorbeeld Rooks best wat geld overgehouden. Post deed dat allemaal niet. Hij gaf ze geld en verder moesten ze het maar uitzoeken. Theunisse verdiende bij ons daardoor binnen achttien maanden tien, twaalf keer zoveel als bij Post. Die jongens wisten ook niks op dat gebied. Theunisse was verder een renner die geen verantwoording kon nemen.’
Het wordt Jakobs al snel duidelijk dat het Gisbers vooral is te doen om de klassementen. Met als ultieme doel natuurlijk de Ronde van Frankrijk winnen. Maar juist in La Grande Boucle krijgt Jakobs het steeds moeilijker. Zegt ook rassprinter Jean-Paul van Poppel, met wie hij in 1991 bij PDM wordt herenigd. ‘Bergop ging het Jakobs na ’88 steeds moeilijker af. Ik denk dat hij door meer spiervorming wat zwaarder was geworden. Maar als het nog honderd kilometer vlak was naar de finish kon je rustig tegen Gert zeggen: “Ga maar op kop fietsen”. Dan kwam er niemand weg, want hij was beresterk.’
‘Gert is met de jaren een ander soort renner geworden’, vindt Van Poppel. ‘In ’85 en ’86 was hij het grote talent. Daarin bleef Gert hangen. Hij kon honderd kilometer op kop rijden, maar niet de sprint aantrekken. In die laatste kilometer kwam hij tekort. Waarschijnlijk miste hij topsnelheid en had hij angst voor het gevaar van valpartijen in de finale. We hebben het bij PDM wel met hem geprobeerd in de laatste fase van een koers. Maar hij begon dan twintig kilometer voor het einde al alles te geven. Gert dacht vermoedelijk: Die finale is aan mij niet besteed. Ik zei: “Als je ook nog de laatste kilometer op kop kunt rijden, ben je voor mij meer waard”. Maar dan moest Gert geen zestig maar 69 per uur rijden. Daaraan twijfelde hij zelf. Ik ben ervan overtuigd dat Gert het wel kon. Mentaal was het echter te veel gevraagd.’
Jakobs voelt bij PDM al snel dat zijn rol in de Tour beperkter is dan ooit. Dat heeft ook met de kwaliteit van zijn ploegmaten te maken. ‘Het was typerend voor het niveau van de ploeg dat in de zware ritten bijna alle renners binnen tien minuten van elkaar finishten. Vervolgens kwam er een hele tijd niks en dan ik op een half uur…’
Ploegleider Gisbers rijdt normaliter achter de kopman, meestal Breukink, en Alcalá is daar ook in de buurt. De tweede ploegleiderswagen, met assistent Piet van der Kruijs, zit veelal bij een tweede groepje PDM-coureurs. Jakobs: ‘Van der Kruijs moest eigenlijk achter mij blijven. Want bij de tweede groep zaten genoeg andere ploegleiderswagens die onze renners konden helpen. Maar hij zoefde mij altijd voorbij en liet me alleen achter. Totdat halverwege de Tourmalet mijn derailleur afbrak. Ik kon niet verder. Ik had geluk dat Walter Planckaert van Panasonic bij me in de buurt reed. Ik riep wanhopig: “Walter, Walter, stop, je moet me redden. M’n hele fiets is naar de filistijnen”. Hij gaf me een van hun fietsen.’
‘Zij hadden echter derailleurs van het Japanse merk Shimano, terwijl wij met Campagnolo uit Italië werkten. Dat was een heel ander schakelsysteem. Ik had ineens een totaal andere fiets. Daar moest ik een kilometer of veertig op zien te harken. En ik had een positie van likmevestje. Ik ben tijdens de rit nog hartstikke kwaad geworden. Stond Piet bij Luz Ardiden, op de laatste berg, met een fiets voor me klaar. Ik zei: “Verdomme, nu hoeft het niet meer”. Als ik daar achteraf over nadenk, weet ik niet hoe ik dat heb overleefd. In de bergen reed ik van ellende achterstevoren. Na alle klassiekers en de Ronde van Spanje was ik in de Tour na twee weken meestal total loss.’
Ook in 1990 doet het peloton Alpe d’Huez aan. Breukink staat er in het algemeen klassement goed voor. En er volgen nog twee tijdritten, zijn specialiteit. Maar op de avond voor de rit naar de beroemde berg voelt Jakobs na de teambespreking nattigheid over het lot dat zijn maatje mogelijk kan treffen. Gisbers heeft meerdere kanshebbers voor het klassement. Breukink is er één van. De Nederlander heeft altijd wel een mindere dag, maar dit seizoen mocht hij de Giro laten schieten om topfit voor de Tour te zijn. Alcalá en Kelly staan echter ook kort.
Jakobs: ‘Voor de rit van Saint-Gervais naar Alpe d’Huez over 182,5 kilometer moesten we een aantal scenario’s bespreken. Op het moment dat het helemaal verkeerd zou uitpakken, zou Breukink als een van de eersten worden geslachtofferd. Vanaf de Glandon is het dertig kilometer vlak. Als je karretje daar in de soep loopt, is de Tourzege verkeken. Volgens het noodscenario zou daarom een van onze drie topkandidaten op kop moeten gaan rijden om ontsnappingen van concurrenten voor het klassement te voorkomen of te pareren.’
‘Erik en ik lagen op de kamer en ik zei tegen hem: “Verdomme, als jij morgen voor een ander op kop moet rijden of je benen moet stilhouden, stap ik uit de Tour. Want dan rijd ik alleen nog voor Jan Doedel mee. Daarvoor ga ik niet drie weken mijn kloten eraf fietsen”. Voor mij was Breukink de man voor het klassement en niemand anders. Want hij zou nog kunnen toeslaan in de tijdritten.’
Gisbers ontkent anno 2012 de suggestie van Jakobs. ‘Erik was mijn absolute kopman’, is de Brabander stellig. De volgende dag gaat er niettemin iets mis. Gisbers: ‘In de afdaling van de Glandon liet Breukink concurrenten als Pedro Delgado, Gianni Bugno, Miguel Indurain en Greg LeMond ontsnappen. Ze pakten anderhalve minuut. Als je die berg afrijdt, gaat het nog even omhoog. Daar reden ze weg. Erik vraagt: “Wat moet ik nou doen?” Ik reageer: “Ja, je helemaal leegrijden”. Daar heb ik in gedachten afscheid genomen van Ampler. Hij werkte niet mee, ging niet op kop rijden. Uwe dacht dat hij ook tot de kanshebbers behoorde… Kennelijk was hij niet gewend om dit soort opdrachten uit te voeren. Kelly en Alcalá hebben het gat dicht gereden. Breukink stak alleen over. Wij hebben nog geroepen: “Erop en erover!” Een kilometer of vier voor de top moet de ploegleider via een andere weg naar boven. Breukink zat in een geweldige tred. Ik ben ervan overtuigd dat Erik ze had geklopt als hij ze voor de finish vijftig meter had gegeven en er dan overheen was gegaan. Maar ik kon hem niet meer bereiken.’
Het doemscenario wordt gelukkig voor Breukink, die achteraf verklaart geen moment in paniek te zijn geraakt, dus niet bewaarheid. Maar Alcalá stort na zijn krachtsinspanning in op de flanken van de Alpe d’Huez en verliest ruim vijf minuten. Bugno wint de etappe door in de sprint LeMond te verslaan. Ook Breukink boekt tijdwinst.
‘Iedereen had verwacht dat Erik halverwege de etappe een ram zou krijgen’, kijkt Jakobs terug. ‘Hij had van tevoren het vertrouwen van Gisbers verdiend. Zo’n renner gaat er ook over nadenken. Jezus, morgen kan het doemscenario mij treffen. Als Erik zijn benen stil had moeten houden, zou hij op Alpe d’Huez drie minuten hebben verloren.’
Jakobs krijgt wat de kansen van Breukink betreft gelijk. Breukink wint na Alpe d’Huez nog twee tijdritten: de volgende dag naar Villard-de-Lans en in de voorlaatste rit, de omloop Lac de Vassivière. Hij klimt uiteindelijk als derde op het podium in Parijs.
Gisbers is echter verre van tevreden. Kan er nu nog van wakker liggen over wat hij heeft meegemaakt in de laatste Pyreneeënrit. Dat gebergte is die Tour na de Alpen gepland. De zeventiende etappe van Lourdes naar Pau gaat over de Aubisque en de Marie-Blanque, maar er is een lange afdaling en een vlakke aanloop naar de finish. ‘Mijn renners hebben toen een grote fout gemaakt’, meent Gisbers.
Er ontsnapt een groep met Breukink uit het peloton, nadat LeMond lek heeft gereden op de klim naar de top van de Marie-Blanque. Het betreft een man of negen, met behalve Breukink ook Pedro Delgado, Claudio Chiappucci, Gianni Bugno en Miguel Indurain. Ze pakken een minuut voorsprong. Gisbers: ‘Er stopte een wagen voor LeMond en een mecanicien rende met een achterwiel naar hem toe in plaats van een voorwiel. Ik zei altijd: “Neem twee wielen mee”, maar dat deed die man dus niet. LeMond vloekte, die man terug naar de auto. Dat verkeerde wiel slingerde Greg zo het ravijn in. Het duurde een minuut. Ik ben misschien een rare, maar op dat moment was Breukink Tourwinnaar en als ik bij de kopgroep had gereden, zou ik Delgado en Indurain een pak geld hebben gegeven. Ik had er een miljoen voor overgehad om de Tour te winnen. Die kopgroep reed niet. Onvoorstelbaar. Als het hoog nodig was, heb ik altijd betaald. Ik heb zulke cruciale momenten ook met Kelly meegemaakt en die snapte het wél, zoals in de Ronde van Italië. Voor tienduizend gulden wilde ik nog geen criterium verliezen.’
Gilbert Duclos-Lassalle en Atle Kvålsvoll van de Z-ploeg zitten in een kopgroep die zes minuten voorsprong heeft gehad en de top van de Marie-Blanque al is gepasseerd. Zij moeten zich laten afzakken om LeMond terug te brengen naar de groep van Chiappucci en Breukink. Dat lukt moeiteloos. LeMond is razend op met name Chiappucci. Minder kwaad is hij op Breukink en Delgado. Zij zouden niet hebben meegewerkt om van zijn pech te profiteren. Breukink verdedigt Chiappucci met de woorden: ‘Claudio was misschien toch al van plan op deze berg aan te vallen. Het was de zwaarste berg in deze etappe, dus logisch. En daarna kwam er nog vijftig kilometer voor LeMond om iets goed te maken. Maar ikzelf zou zo nooit de Tour willen winnen.’
Een jaar later behoort Jakobs bij PDM niet tot de uitverkorenen om de Tour te rijden. Hij is in de winter van zijn vrouw Sabine gescheiden. Jakobs denkt dat Breukink ook een rol heeft gespeeld om hem thuis te laten. Tenslotte is Sabine een hartsvriendin van Eriks vrouw Gea, ze hebben bij elkaar in de klas gezeten. Gea kan het Gert maar moeilijk vergeven dat hij Sabine in de steek heeft gelaten voor een ander, Hanneke.
‘Die twee dames waren erg close’, zegt Jakobs in gepeins verzonken. ‘Het zou goed kunnen dat de invloed van Gea een rol heeft gespeeld. Conditioneel was ik helemaal niet slecht. En ik kon ook goed met Breukink overweg op de kamer. Erik wilde mij om die reden altijd graag mee hebben. Hij vond het geen handige actie dat ik weg was bij Sabine, maar het was niet zo dat hij ónze relatie daardoor niet meer zag zitten.’
Breukink: ‘Gert ging wat losser leven; niet meer zo voor de sport als voorheen. Hij was minder strikt in alles, minder serieus. Het schaatsen liet hij ook een beetje lopen. Hij had fysiek en sportief gewoon een mindere winter doorgemaakt. Gert heeft mij altijd gesteund in de vlakke ritten, dan was hij m’n schaduw. Maar nu kon ik hem niet verdedigen. Het was voor mij moeilijk om te zeggen: “Jakobs moet mee, want hij rijdt zo goed”. Ik stond neutraal in die scheiding. Maar vrouwen kiezen voor elkaar, daardoor kwam ik er toch een beetje tussenin te staan.’ Van Poppel sluit niet uit dat de aanwezigheid van Breukink van invloed is geweest op het feit dat Jakobs in 1991 geen deel uitmaakt van de PDM-Tourploeg. ‘Het zou best kunnen. Gert was wat dikker, genoot meer van het leven met Hanneke. Ik denk dat Breukink daarin wel een punt heeft. Jakobs kon nog wel hard rijden op het vlakke, maar Breukink had juist ook iemand op geaccidenteerd terrein nodig. Ik was bij PDM vervolgens de enige renner die niet kon klimmen. Ik lag ook alleen op een kamer. Gisbers kon het weinig schelen als ik een etappe won. Hij vond alleen het klassement belangrijk. Dat kan ik me nu ook wel voorstellen. Met Breukink had je echt winstkansen.’
Gisbers ontkracht echter de invloed van Breukink: ‘Als ik van mening was geweest dat hij beter was dan een ander, zou Gert heus wel zijn meegegaan. Maar het ging ook om een Tour met veel bergetappes en dat was niet Gerts sterkste terrein. We hadden uiteindelijk vier renners bij de beste tien. Waar zijn die tijden gebleven?’
Nico Verhoeven vervangt Jakobs in de Ronde van Frankrijk van 1991. Gert: ‘Ik had in de winter wél geschaatst, alleen wat meer afleiding gehad dan andere jaren. Ik ging vaak naar Limburg, want daar kwam Hanneke vandaan. Dat zogenaamde slechte leven wordt wel gauw aangedikt. Als ik een keer naar de disco ging, was het een geweldige uitspatting. Terwijl we voorheen ook met elkaar op stap gingen om te drinken, te zuipen.’
‘Ik had in april, mei een goede Ronde van Spanje gereden. Maar in de Ronde van Murcia ben ik gevallen. Ik viel op mijn achterwerk en had meteen een koeienbil. Vette blessure. Ik reed daardoor ook niet goed in die wedstrijd, waar ik me moest bewijzen voor de Tour. Ik heb er altijd een zeurende pijn aan overgehouden. Er bestaat geen dokter die er wat aan kan doen. Ook op foto’s is er niets te zien. Het zit hartstikke diep en straalt uit naar mijn linkerbeen.’
Ook de Tour van 1992 gaat aan Jakobs voorbij. Hij moet zijn programma dat jaar volledig op de Ronde van Spanje afstemmen, die voor de verkoop van videocassettes commercieel van belang is voor PDM. In het najaar wordt bekend dat de ploeg wordt overgenomen door Festina. Ook Jan Gisbers stapt over, maar de Fransman Bruno Roussel maakt de dienst uit. In 1993 doet Jakobs voor de vijfde keer mee aan de Tour. ‘Alle Nederlandstalige renners in de ploeg waren snel naar huis, zoals Eric Van Lancker en Steven Rooks, die Fransen waren chauvinistische klootzakken. In een van de snelste etappes reed Richard Virenque twee keer lek. Ik dacht toen toch ook niet: Het is Virenque en niet Van Poppel. Ofwel: het is een Fransman en geen Nederlander. Twee keer heb ik hem vooraan afgeleverd. Ik zat vervolgens als een Jan Mongool achteraan te harken. ’s Avonds zat ik als eerste aan tafel. Toen kwamen die Fransen binnen en gingen een voor een aan de andere kant zitten en lieten mij alleen. Meden mij als de pest. Ik vertelde het de volgende dag aan Mart Smeets. Hij zei: “Toch ga je de Tour uitrijden”. Dat stimuleerde wel.’
Ook Van Poppel voelt zich in die ploeg niet op zijn gemak. ‘Het was een team uitsluitend voor de klassementen. Met Luc Leblanc, Pascal Lino, Richard Virenque. Zij konden Gert niet direct plaatsen omdat hij niet goed genoeg bergop kon. Gert reed toch de Tour. Ik hoorde dat hij heel negatief was. Dat heeft hem opgebroken.’
Lino wint de veertiende etappe naar Perpignan, Jakobs uit aan de finish echter zijn ongenoegen over de Fransman op de Nederlandse radio. En ook tegen andere verslaggevers zegt hij: ‘Normaal hoor je blij te zijn na zo’n etappezege. Maar ik had liever gehad dat een Nederlander had gewonnen of iemand anders. Het werd trouwens tijd dat Lino wat liet zien, daarvoor wordt hij betaald. Je hebt mensen die zich normaal gedragen en je hebt mensen die zichzelf geweldig vinden. Nou, tot die laatste categorie behoort Lino. De man loopt volledig naast zijn schoenen. Ik kan absoluut niet tegen zo’n mentaliteit. Indurain en Bugno, dat zijn echte kleppers, maar daar kun je gewoon mee omgaan. Maar Lino en ook Jean-Philippe Dojwa denken dat ze Jezus zijn.’
Van Poppel is op het moment dat Jakobs deze woorden uitspreekt al naar huis. Nu concludeert hij: ‘Als je dan denkt dat deze uitspraken niet bij Roussel terechtkomen, ben je niet slim bezig. Bruno heeft ook tegen mij gezegd: “Als je zo negatief bent over je ploegmaat en je bent niet een van de toppers, solliciteer je eigenlijk naar ontslag”. Ik kon Gert niet voor de ploeg behouden.’
Van Poppel heeft nog wel een doorlopend contract, voor Jakobs betekent het zelfs einde oefening als profwielrenner, zo blijkt later. ‘Ik heb nog geprobeerd bij de TVM-ploeg van Cees Priem onder dak te komen’, onthult Van Poppel nu. ‘Ik was bij Festina net zo’n buitenbeentje als bij PDM. Ik sliep ook alleen op een kamer. Roussel wilde niet dat ik sprintte, dat zag hij niet zitten. Ik mocht weleens mee in een ontsnapping. Dat heb ik een jaar later gedaan in de Tour en heb toen zelfs nog even in de bolletjestrui gereden. Leblanc en Virenque wonnen etappes in die Tour en ik ook een. Gert was niet enthousiast over Priem. Als we dat hadden gedaan, zou hij nog twee, drie jaar hebben gefietst. Was voor mij ook niet onbelangrijk geweest. We hadden dan een nieuwe start kunnen maken.’
‘Gert wist wel hoe je een milkshake moest bestellen in het Frans, maar hij kon niet met mensen praten. Deed hij zijn best niet voor. Hij is een noorderling. Ik probeerde het wél bij Festina. In de winter ging ik ook op vakantie met die renners. Zaten we met z’n allen in een kasteel, gingen we jagen en tochtjes maken met de mountainbike. ’s Avonds bevonden we ons allemaal aan een grote tafel met de hele familie. Gert had daar niets mee. Als ik Virenque en Lino nu zie, hebben we het nog over die mooie avonden.’
Qua uiterlijk zullen de Franse renners ook hebben moeten wennen aan Jakobs. Hij oogt in 1993 als een excentrieke vogel. Zijn hoofd is nagenoeg kaalgeschoren, waarmee hij zich in die tijd trendsetter mag noemen. Het levert voor kamergenoot Van Poppel hilarische momenten op in de badkamer als hij zowel zijn benen als zijn hoofd moet inzepen en scheren. Jakobs heeft altijd van sieraden gehouden, maar die prijken nu ook in zijn oorlellen. In zijn rechteroor zitten vier gouden ringetjes en in z’n linker hangen twee grotere. Aan zijn nek bengelt een kruisbeeldje, al hangt hij geen religie aan. Het heeft te maken met bijgeloof. Over zijn hoofd zegt hij: ‘Een kale klets staat mij gewoon goed. Heb je een platte schedel, dan is het geen gezicht. Maar die van mij is mooi rond.’
Het zijn ook versieringen die hij heeft bedacht om in de publiciteit te komen. Als hij nu renner was geweest, zou hij vast met tattoo’s zijn beschilderd op de blote delen van zijn lichaam. In een interview met het Nieuwsblad van het Noorden toont hij ook een maatschappelijke betrokkenheid. ‘Je kunt de tv niet aanzetten of je ziet de vreselijkste dingen. Joegoslavië, Somalië, Cambodja; noem maar op. Ik begrijp niet dat mensen elkaar zo naar het leven kunnen staan.’
En hij steekt de hand in eigen boezem als het gaat om milieuvervuiling. ‘Wielrenners zijn enorme vervuilers. Wat die niet allemaal weggooien in de berm. Ontzettend. Ik vind dat een groot probleem, maar je staat machteloos. In de koers gooi ik ook blikjes weg en andere rommel zoals zilverpapier. Waar moet je er anders mee heen? Je kunt moeilijk je zakken ermee volproppen. Tijdens de training doe ik dat wel. Gelukkig gebruiken we bij onze ploeg een soort zilverpapier dat oplost in de natuur. En bidons werp ik alleen nog op straat waar publiek straat. De mensen zijn er tuk op.’
Jakobs is nu nog steeds boos op Roussel. ‘Hij heeft me geflikt. Roussel liet dat interview vertalen. Ik was me er niet van bewust dat dit het einde van mijn loopbaan zou betekenen. Die Fransen spraken allemaal Engels, alleen deden ze dat niet. Zij zeiden: “Als jij geen Frans spreekt, ben je gewoon dom bezig”. Ik probeerde het weleens. Deden ze net of ik gek was geworden. Ik had geluk dat er nog een paar Spanjaarden tussen zaten. Met hen kon ik me in de Spaanse wielertaal wél redden.’
Hij kan zich niet herinneren dat Van Poppel hem voorstelde naar Priem te gaan. Jakobs: ‘Ik zat onder de plak bij mijn zaakwaarnemer Boskamp. Hij had wat anders in zijn hoofd. Wel sneu als het klopt wat Van Poppel zegt. Ik zou bij Festina blijven. Op het allerlaatste moment ging dat niet door, terwijl ik een mondelinge overeenkomst had. Ik wilde bij TVM wel voor niets fietsen. Misschien is er kort na de Tour contact geweest. Ik weet er echt niets van. Ik had gelijk ja gezegd. Maar ik denk dat toen ik in november hoorde dat ik weg moest bij Festina, we niet meer naar TVM konden. De NOS heeft destijds nog een reportage gemaakt over het feit dat ik geen ploeg had. Maar Jean-Paul zegt zoiets niet zomaar. Hij is heel betrouwbaar. Ik had het knechtenwerk nog wel tien jaar willen doen. We hadden altijd dikke lol.’
Over Gisbers is steeds gezegd en geschreven dat hij zijn congé heeft gekregen bij Festina kort voor de Tour de France in 1993. Dat wil hij decennia later graag weerleggen. Gisbers krijgt het tijdens de Ronde van Zwitserland, die als laatste grote voorbereiding geldt voor de Tour, aan de stok met de eigenaar van Festina, de Spanjaard Miguel Rodríguez. ‘Ik heb me geen moment op mijn gemak gevoeld bij Festina’, begint Gisbers. ‘Er werden drie ploegen samengevoegd. In januari had ik al spijt. Ik had al een keer ruzie gehad met Rodríguez over EPO. Hij kwam in Zwitserland even vertellen hoe ik het moest doen.’
Bijna gelijktijdig hoort Gisbers van de directeur Shimano Europa dat het bedrijf per direct de co-sponsoring stopzet. Na enig aandringen hoort de Brabander de reden: de dubieuze praktijken van Rodríguez. Gisbers: ‘Ik haalde al mijn spullen van de kamer en de sleutels van de auto. Ik zeg tegen Rodríguez: “Jij bent vanaf nu de ploegleider”. Ik heb vervolgens een ontslagbriefje getekend. Ik had nog geen tien procent van mijn salaris gezien en ik zei: “Je hoeft mij niets meer te betalen”. Ik hoorde hem naar de receptie lopen om mijn creditcard te blokkeren. Dat was het eerste wat hij deed. Toen ik thuis was, voelde ik me bevrijd.’
Maar Gisbers beseft dat hij moreel verplicht is een aantal renners die hij heeft meegenomen van PDM, uit te betalen. ‘Ik heb nog wel snel een bedrag laten overboeken dat op mijn eigen rekening stond van de stichting waar ik wat renners had ondergebracht. Rodríguez wilde me daarover nog voor de rechter dagen, maar was kansloos. Later heb ik tegen het Spaanse sportblad AS gezegd: “Rodríguez is de grootste oplichter in de wielersport”. Dat leverde een kop op over twee pagina’s. Ik zat vanaf mijn zevende in de wielersport, ik heb er vier jaar niet meer naar gekeken. Ik heb verschillende aanbiedingen gehad, maar tien jaar lang wilde ik geen ploegleider meer zijn. Of ik een negatief imago heb opgelopen? Als dat zo is, zal ik dat moeten accepteren.’