HOOFDSTUK 9  Handenvol aan Gert

 

Ze zien hem niet graag komen, de grote ploegleiders van die tijd. André Boskamp is in de jaren tachtig een van de eerste, zo niet de eerste zaakwaarnemer van professionele wielrenners. Ze worden tot dan toe matig begeleid. Soms alleen door een ploegleider die natuurlijk zijn eigen belangen heeft of anders gewoon door een goedwillende vader dan wel buurman.

De verdiensten in het profwielrennen zijn ook niet van dien aard dat het nodig is coureurs te adviseren met geldbeleggingen en fiscale constructies. Ze worden ploegleider, beginnen zelf een handeltje van hun verdiende geld of komen in de horeca terecht, zoals Joop Zoetemelk die met zijn vrouw Françoise een hotel koopt in de buurt van Parijs. Het kan ook slechter aflopen. Johan van der Velde raakt verslaafd aan amfetamine en belandt om dat te bekostigen in de criminaliteit. Het zou later wel weer goedkomen met hem.

Boskamp is zelf ook wielrenner geweest en komt via baancoach Frans Mahn bij de KNWU terecht. Hij krijgt de functie van vrouwencoach aangeboden, maar wil liever trainer/coach van de nationale juniorenploeg worden. Als dat ook gebeurt, is Boskamp pas 23 jaar. In die rol ontmoet hij Gert Jakobs voor het eerst. De jonge bondscoach helpt de Drent met trainingsschema’s, periodisering en zorgt ervoor dat hij op het juiste moment piekt in het wielrennen én schaatsen. In de tussentijd ontpopt Boskamp zich ook als een echte kampioenenmaker. Tom Cordes (’84), Raymond Meijs (’85) en Michel Zanoli (’86) pakken gedurende zijn bewind als junior goud op de mondiale titelstrijd op de weg. Aan Boskamps hand wordt Teun van Vliet (’79) in dezelfde leeftijdsklasse wereldkampioen op de puntenkoers.

Tegelijk met de lichting Cordes-Meijs-Zanoli stapt Boskamp, die ook nog vijf jaar sociotherapeut in de Van Mesdagkliniek is, over naar de amateurs. Hij wordt bondscoach van de nationale selectie voor de 100-kilometerploegentijdrit, naast Piet Liebregts die de veelbelovende renners voor de individuele wegwedstrijd dient klaar te stomen. Het eerste grote succes op de conduitestaat van Boskamp moet het goud op de Olympische Spelen van Los Angeles worden. Maar dat mislukt. Halverwege de jaren tachtig mag Boskamp Liebregts opvolgen. Dat voelt voor hem echt als een overwinning. Want grote ploegleiders uit het amateurwielrennen, zoals Herman Krott, Piet Hoekstra en Jan Gisbers, vinden dat hij te veel volgens het boekje werkt. Maar Boskamp heeft ook zijn licht opgestoken op de Sporthochschule in de DDR en weet wat hij doet.

Boskamp dirigeert in 1986 een ander kwartet wél naar de hoogste trede op het podium, dit keer op het WK ploegentijdrit. Dan gaat het om Tom Cordes, Rob Harmeling, Gerrit de Vries en John Talen. Op hetzelfde wereldkampioenschap pakken John Talen en Arjan Jagt in de individuele titelstrijd, achter de later voor PDM uitkomende Oost-Duitser Uwe Ampler, respectievelijk het zilver en brons. Twee jaar later blijkt voor het viertal Tom Cordes-Gerrit de Vries-Maarten den Bakker-Michel Zanoli de druk te groot op de Olympische Spelen van Seoul.

Boskamp onderhandelt na dit evenement met de Amerikaanse wielerbond om daar in dienst te treden. Op het laatste moment – zijn spullen staan al ingepakt – is hij echter niet tevreden over de afwikkeling van het contract en ziet hij ervan af de oceaan over te vliegen voor dit avontuur. Boskamp begint daarop voor zichzelf en richt het bureau Sport In Business op.

In december 1988 krijgt hij een telefoontje: Teun van Vliet.

‘Hallo André, ik zit hier in een vakantiehuisje aan zee met Erik Breukink, Peter Winnen en Gert Jakobs. God, zou jij niet onze manager willen worden?’

Dat geldt dan niet voor Breukink die zich al door zijn vader Wim, oud-directeur van de Gazelle-fietsfabriek, laat begeleiden. ‘Mijn vader was mijn adviseur’, aldus Erik Breukink. ‘Dat vond ik prima. Boskamp heeft nog weleens geprobeerd mij over te halen bij hem te komen, maar daar ben ik nooit op ingegaan. Zo’n man wil er ook geld aan verdienen. En wat is dan usance? Tien, vijftien procent van de verdiensten als commissie? Het is makkelijk verdiend. Niets ten nadele van Boskamp, want die kende ik al uit mijn juniorentijd. Een betrouwbare man. De meeste managers hebben het wel goed met je voor. In het begin werd er natuurlijk raar tegenaan gekeken. Nu zie je dat steeds meer louche personen uit de wielerwereld moeten worden geweerd.’

Boskamp bedenkt zich voor de overige drie geen moment; dit is de ideale start voor zijn managementbureau. Hij bezoekt al snel de prominente Nederlandse ploegleiders van dat moment voor een kennismakingsgesprek. De Grote Drie: Peter Post, Jan Raas en Cees Priem. Boskamp schrikt van de manier waarop ze hem bejegenen. Ze beschouwen hem als een indringer in het wereldje waarin ze het tot dan toe alleen voor het zeggen hebben. Zeker als het over contracten en salarissen van renners gaat.

‘Post was de enige die met me wilde praten’, vertelt Boskamp over zijn beginperiode als wielermanager. ‘Hij vroeg of ik iets voor hem kon betekenen. Een echte zakenman. Priem zei echter: “Je blijft met je poten van mijn renners af, anders gebeurt er wat en weet ik je huis te vinden”. Ook met Raas had ik direct een conflict. Ze probeerden mij op allerlei manieren onderuit te halen.’

Boskamp ontfermt zich vooral over Jakobs die, van eenvoudige komaf, wel wat extra begeleiding kan gebruiken. Hij vangt hem op, daar waar het nodig is. In 1989 wil Breukink dat Gert, op dat moment in dienst van de SuperConfex-ploeg van Raas, naar zijn team PDM komt. Manager Manfred Krikke van die ploeg neemt contact op met Boskamp. Er lijkt weinig reden tot zorg, want Gerts contract bij SuperConfex loopt af. Maar dan wordt Boskamp geconfronteerd met de zakelijke onbetrouwbaarheid van Raas. Boskamp: ‘Aanvankelijk zei hij bij een biertje op Schiphol: “Hier gaan we helemaal niet moeilijk over doen”. Vervolgens ging hij toch dwars liggen. Hij wilde Gert houden. Gewoon een kwestie van claimen. Duidelijk maken dat hij de macht over de renners had. De coureurs kregen van hem heel vaak het mes op de keel. Daar zou ik veel meer schrijnende voorbeelden van kunnen noemen. Het leek wel complete maffia. Uiteindelijk kwam het goed na veel gedoe.’

Net als voor de andere renners bedenkt Boskamp voor Jakobs een fiscaal aantrekkelijke constructie. Daarvoor moet de tempobeul op de fiets wel in Baarle-Hertog gaan wonen, een stukje België in Nederland. Dat is ook handiger met vliegen, want alle vluchten naar de grote wielerkoersen vertrekken ook vanaf Brussel, dat op goed een uur rijden van Baarle-Hertog ligt.

De salarissen worden overgemaakt naar een Limited op het belastingparadijs Jersey, het Kanaaleiland dat op 22 kilometer van de kust van Normandië ligt. Boskamp: ‘Die regeling was juridisch en fiscaal helemaal legaal. Je betaalde daar driehonderd pond belasting per jaar voor de onder-neming, meer niet. De renners deden dit ook om het Nederlandse Wielrenners Fonds voor beroepsrenners te omzeilen. Je kon bij dit fonds als wielrenner met pijn en moeite 3,9 procent rendement krijgen, terwijl institutionele beleggers in die tijd wel dertien, veertien procent rente haalden.’

‘Ondertussen hielden de renners in Nederland na aftrek van belasting maar zo’n tachtigduizend gulden over van hun geld als ze bijvoorbeeld twee ton bruto verdienden. Gert had na zijn carrière miljonair in guldens kunnen zijn. Hij verdiende twee ton aan salaris en streek met criteriums en premies nog zeker vijftigduizend gulden per jaar extra op.’

Boskamp is niet alleen een zakelijk begeleider. Ook op de trainingskampen zorgt hij voor ondersteuning. ‘Lange ritten heb ik met ze gemaakt, naar bijvoorbeeld Oostenrijk, de DDR en Tsjechië. Dan werd de ene na de andere cassette van André Hazes in mijn autoradio geschoven. Een paar nummertjes is best leuk, maar zeven uur lang gaat wel vervelen. Zeker als Gert dan ook nog meezingt.’

Zeer memorabel is een trip naar Baskenland, waar Tom Cordes trouwt met een Spaans meisje. Jean-Paul van Poppel haalt samen met Jakobs Boskamp op van het vliegveld van Bilbao. Bergop naar het hotel ontstaat een wilde rally met Teun van Vliet. Van Poppel: ‘Het was de nacht voor de bruiloft en de wegen waren glad. Van Vliet raakte van de weg en we hebben hem in de stromende regen weer op een talud moeten trekken. Vol gas. Het was daar wel vier meter diep.’

‘Gert had Boskamp voor alles nodig’, herinnert Van Poppel zich. ‘Wij woonden dicht bij elkaar: hij in Baarle-Hertog, ik in Poppel. Gert had een keer een brandje in de keuken. Belde hij met Boskamp in Borger om te vragen of André de brandweer in Baarle-Hertog wilde bellen. Zo zat hij in elkaar. Als Gert een probleem had, belde hij Boskamp.’

Van Poppel komt dankzij Boskamp in contact met PDM. ‘In 1990 had Peter Post mij mondeling een contract voor twee jaar toegezegd. Maar na de Tour zag hij daarvan af. Moest ik naar een andere ploeg. Ik had ook wel een slecht jaar gehad. Boskamp heeft mij toen voorgesteld bij PDM en mij met manager Manfred Krikke in contact gebracht.’

Aan de hand van Boskamp gaan Van Poppel en Jakobs later ook nog naar Festina. ‘Gert had daarna een heerlijk vrij mens kunnen zijn’, suggereert Boskamp financiële onafhankelijkheid. ‘Zijn eerste scheiding heeft hem al veel geld gekost en hij kwam de verkeerde mensen tegen die hem niet goed adviseerden.’

In november 1993 heeft Jakobs ondanks de geruststellende woorden van zijn zaakwaarnemer nog steeds geen nieuw contract. Gert maakt zich zorgen, want de meeste ploegen treffen alweer hun voorbereidingen voor de trainingskampen en het nieuwe seizoen. Als hij in december nóg geen onderdak heeft gevonden, besluit hij met bloedend hart een streep te zetten onder zijn loopbaan als profwielrenner.

Hij pakt zijn spullen in Baarle-Hertog en verhuist naar Drenthe, naar Borger, waar hij naast zijn zaakwaarnemer gaat wonen. Boskamp: ‘Dat was maar goed ook. Een werkeloze renner kan in Brabant gemakkelijk in het criminele circuit van bijvoorbeeld de amfetaminehandel terechtkomen. Onze vrouwen, mijn ex en Gerts Hanneke, konden ook goed met elkaar opschieten. Zelfs mijn kinderen kwamen veel bij hem over de vloer. We hadden een hek met een poort tussen ons huis, waardoor we zo bij elkaar naar binnen konden lopen.’ Boskamp heeft de woning geregeld met het oog op het bedrijfje dat ze samen opstarten. Met Bikin’ Business gaan ze mountainbike-clinics organiseren op de Drentse hei. Jakobs: ‘Achteraf had ik nooit uit het zuiden weg moeten gaan, want ik woonde goed in Baarle-Hertog. Maar ik kwam voor ons bedrijf Bikin’ Business. Zo zou ik ook weer in aanmerking komen voor een uitkering. Ik immigreerde als het ware uit het buitenland. Als ik in België bleef wonen, had ik nergens recht op.’ In Baarle-Hertog loopt de grens door zijn tuin. Naast zijn voordeur hangt een Belgisch vlaggetje. Terwijl bij de buurvrouw een Nederlands exemplaar op de gevel prijkt en zij dus wel in Nederland haar domicilie heeft. ‘Na een half jaar werken zou ik dankzij Boskamp recht hebben op een uitkering’, aldus Jakobs. Boskamp: ‘Hij zou in België waarschijnlijk alleen maar hebben kunnen stempelen, een uitkering trekken. Hij had daar helemaal niets opgebouwd. Nu kwam hij bij mij, Sport In Business, op de loonlijst te staan. Dat betekende dat hij sociaal-maatschappelijk zo goed beschermd en verzekerd was.’

Ofschoon zijn zaakwaarnemer daarover anno 2012 met geen woord rept, investeert Jakobs al zijn spaargeld in Bikin’ Business. Er moeten immers materialen worden aangeschaft, zoals fietsen, en er dient een brochure te worden gedrukt. Gert: ‘Als het te weinig oplevert, loopt het geld snel van je weg. Dan ben je zo alles kwijt. Ik moest ook nog in leven blijven, zonder dat er inkomsten binnenkwamen. Ik had bij PDM en Festina wel aardig verdiend, maar de eerste jaren als profwielrenner natuurlijk niet. Oud-renners als Steven Rooks hebben langer gefietst en ook beter verdiend omdat ze geen knecht waren.’

Boskamp schetst een ander, veel positiever beeld van Bikin’ Business: ‘Het bedrijf begon goed te lopen. Gert stond bij mij voor 4.100 gulden per maand op de loonlijst. We pakten soms vijf-, zesduizend gulden per maand. Daar hielden we dan na aftrek van de kosten twee-, drieduizend gulden van over. In de zomer organiseerden we clinics op campings. Dat leverde extra geld op.’

Jakobs bestrijdt deze lezing. ‘Duizenden guldens per maand? Mooi niet! Daar zou ik dan weleens de cijfers van willen zien. Er was geen droog brood mee te verdienen. Waarom zijn we er anders mee gestopt? Stel, je hebt twintig klanten op een dag die in totaal driehonderd gulden betalen. Daar zit de fiets bij in, het onderhoud van de mountainbike, het inhuren van Gert, een kopje koffie en cake. Dat moet je dan ook nog met z’n tweeën delen.’

Jakobs’ ex-vrouw Hanneke heeft na al die jaren een andere kijk op Bikin’ Business, dat nog een apart leven zou gaan leiden. ‘Met die clinics had Gert moeten doorgaan. Daar was hij goed in. Als je die nu verkoopt voor vijftig euro per persoon, is dat best aantrekkelijk. Gert had er een goede boterham mee kunnen verdienen.’

Jakobs echter: ‘Boskamp had van zaken buiten het wielrennen niet zo veel verstand. Hij wist, net als ik, ook niet altijd waar Abraham de mosterd haalt. Ik had verwacht dat hij daar effectiever mee om zou springen. Hij heeft me tijdens mijn sportcarrière altijd heel goed begeleid, maar je verwacht van een manager ook dat hij daarna het een en ander voor je regelt. Er kwam in dat opzicht wel een stukje naïviteit van mijn kant bij. Een jaar nadat ik de fiets aan de wilgen had gehangen, was ik zakelijk gezien naar de knoppen. In het begin gaf ik Boskamp overal de schuld van, later ben ik in de spiegel gaan kijken. Dat zou hij ook moeten doen. Als een grote kerel. We zijn aan iets begonnen en hij heeft het zakelijk gezien niet goed gedaan. Kijk, als alles naar wens verloopt, is het niet zo moeilijk om manager van een wielrenner te zijn. Het gaat juist om de mindere periodes. Hij moet toch kunnen begrijpen dat ik dit zeg…’

Jakobs verwijt Boskamp vooral dat hij hem in 1993 na het mislukte avontuur bij Festina bij geen enkele wielerstal weet onder te brengen. Terwijl hij in dat laatste seizoen toch de Ronde van Frankrijk en de Ronde van Spanje heeft gereden. De teleurstelling hierover heeft hij bijna twintig jaar later nog steeds niet helemaal verwerkt. ‘Ik was op dat moment een van de beste knechten ter wereld en in 1994 werd ik pas dertig jaar! Ik begreep ook wel dat ik na Festina geen contract kon krijgen bij de topploegen van dat moment. Maar er is ook nog een laag daaronder. Ik had een overbruggingsjaar nodig. Ik was bereid geweest voor niets te fietsen. Dan komt er vanzelf wel weer wat op je pad. “Maak je geen zorgen, het komt wel goed”, zei André steeds…’

Maar Gerts dopingverleden zou de Drent volgens Boskamp parten hebben gespeeld. Dat wordt hem duidelijk in zijn contacten met (internationale) ploegleiders. Oud-sportjournalist Dick Heuvelman, die voor het Nieuwsblad van het Noorden de loopbaan van Jakobs van begin tot eind heeft gevolgd, constateert dat Jakobs zodoende veel geld is misgelopen. ‘Gert is trendsetter geweest op het gebied van goedbetaalde knechten’, zegt hij. ‘Nadat hij bij PDM zo’n goed salaris had gekregen, worden alle superknechten tot de dag van vandaag goed betaald. Gert had zeker nog tot zijn 38ste kunnen doorfietsen, knechten houden het vaak langer vol. Reken dus maar uit: acht jaar maal twee ton in guldens. Dat is 1,6 miljoen! Met allerlei premies erbij kun je rustig stellen dat hij een miljoen euro is misgelopen. Maar toen Gert in ’93 een nieuwe ploeg zocht, zat het Nederlandse wielrennen qua teams even in een impasse. Bij Post en Priem lag Boskamp slecht en terug naar Raas kon natuurlijk niet meer.’

Heuvelman vindt dat Jakobs er goed aan heeft gedaan jarenlang de dienaar van Van Poppel te blijven. ‘Jean-Paul gunde hem alle eer. Zo behandelen veel kopmannen hun knechten niet. Toen Gert als nieuweling vaak met voorsprong won, vermoedde ik al dat hij als prof niet veel zou winnen. Bij de beroepsrenners is het tempo zo moordend hoog dat je niet wegkomt en met deze stijl van rijden geen prijzen kunt pakken. Aan de andere kant had Jakobs wel meerdaagse koersen als de Vierdaagse van Duinkerke en de Driedaagse van De Panne kunnen winnen. En waarom is hij niet de meesterknecht van Miguel Indurain geworden en Erwin Nijboer wel? Dat had Gert ook gekund.’

Hoewel Boskamp zegt het nodige te hebben geïnvesteerd, qua tijd en geld, kan Jakobs geen mededogen voor hem opbrengen. ‘Hij stond er bij heel veel ploegleiders niet goed op. Boskamp heeft veel voor ons gedaan, maar daar werd hij ook goed voor betaald. Zeven procent van twee ton is al veertienduizend gulden. Maar hij had ook Jean-Paul van Poppel erbij, die misschien wel vijf, zes ton verdiende, en Teun van Vliet en Tom Cordes. Zijn onkosten kon hij gewoon bij ons declareren. Nee, net als ik is André iemand van twaalf ambachten, dertien ongelukken.’

Boskamp beweert wat zijn commissie betreft juist het tegenovergestelde van wat Jakobs zojuist heeft verkondigd. ‘Ik kan je de contracten laten zien. Dan zul je je afvragen waarom ik het daarvoor heb gedaan.’ Uit de management-overeenkomst die ‘Gerrit Jakobs’ met het licentienummer 59 op 1 juni 1989 voor drie jaar tekent, blijkt dat Boskamp een jaarlijks inschrijfgeld verlangt van twee procent van Gerts bruto jaarinkomen, vooruit te betalen. En tevens een vergoeding voor het afsluiten van een arbeids- en/of publiciteitsovereenkomst van vijf procent van het betreffende bruto jaarsalaris. Maar bij een inkomstenverbetering begint de meter harder te lopen: vijftien procent over het verschil van het door de renner verdiende bruto jaarsalaris. Het wordt tevens interessant voor Boskamp als hij reclamecontracten, vergoedingen in natura en dergelijke kan regelen. Dan ontvangt hij 25 procent van de overeengekomen waarde van deze prestaties als gevolg van de wet op de inkomstenbelasting.

 

Net als bij Gert zit ook bij Boskamp nog een grote frustratie. Over de handelwijze van Jakobs in de eerste jaren na zijn actieve wielerloopbaan. ‘Gert heeft genoeg mensen om zich heen gehad die het best wel goed met hem voor hadden. Zoals manager en kledingproducent Bert van der Tuuk, die Gert in dienst nam als vertegenwoordiger. Ook ex-beroepswielrenner Mathieu Hermans, als manager bij kledingproducent Bioracer, gaf Gert een kans. Maar de projecten waaraan hij begon, maakte hij niet af. Iets regelen en verantwoording nemen kan Gert totaal niet. Het gebeurde wel dat ik thuis voor de buis zat, dat de telefoon ging en ze op zoek waren naar hem. “Waar blijven jullie?” hoorde ik dan aan de andere kant van de lijn met op de achtergrond veel geroezemoes. “We zitten hier met een volle zaal en Gert zou een spreekbeurt houden”, klonk het dan. Was hij totaal vergeten met me te bespreken.’

‘Aan Gert kun je een dagtaak hebben. Hij kreeg ooit een nieuwe Toyota gesponsord. Maar degene die het voor hem had geregeld, moest wel de helft van de nieuwprijs van vijftigduizend gulden hebben. Ik zei: “Als je dan nog die andere helft aan de belasting moet opgeven, heb je die auto helemaal zelf betaald”. Een man als Cees van Leeuwen, oud-manager van Shocking Blue en de Dolly Dots, wilde een popidool van hem maken. Hij vroeg alleen wel vijftig procent provisie bij reclamecontracten met vergoedingen in natura. Als je steeds zo wordt gepakt, voel je je op een gegeven moment een minkukel. Ik heb weleens gedacht: Gert, zie je het leven nog wel zitten? Daar ben ik heel bang voor geweest.’

‘Gert is mijn ogen altijd een eerlijke en heerlijke jongen geweest, met een klein hartje en erg sociaal. Als we alles op een rijtje zetten, moet er nog heel wat geld op tafel komen. Maar het zij zo. Van een kale kip kun je niet plukken.’

De wielerwereld is klein in Nederland. Je loopt elkaar vroeger of later altijd weer tegen het lijf. ‘Als ik hem ergens tegenkwam’, vertelt Boskamp, ‘liep hij eerst met een boog om me heen. Ik denk dat hij wel een schuldgevoel heeft, anders zou hij niet zo reageren. Uiteindelijk zijn we wel weer on speaking terms geraakt. Maar ik vind het jammer dat hij mij niet meer heeft benaderd vanaf het moment dat het beter met hem ging en hij alles weer op een rijtje had.’

 

Dat Jakobs als prof in tegenstelling tot zijn junioren- en amateurtijd weinig tot niets heeft gewonnen, kan Boskamp wel begrijpen. ‘Je bent een winnaarstype of een helper. Zo werkt het nou eenmaal in de profwielrennerij. Gert was ook geen man die met zijn vuist op tafel kon slaan. Zoals bijvoorbeeld Teun van Vliet. Die kon óók lachen en lol maken, maar ging het op een gegeven moment wel bepalen. Breukink zat daar een beetje tussenin.’

Maar één keer kan Boskamp echt genieten van een overwinning van Gert Jakobs. Alleen is het dan afgesproken werk. In de Profronde van Surhuisterveen zit Jakobs in 1992 in een kopgroep met zijn maître Jean-Paul van Poppel. Boskamp: ‘In de criteriums kon Gert nog een leuke zakcent verdienen, nadat hij het hele seizoen zijn kloten eraf had gedraaid voor rijders als Van Poppel. Medeorganisator Joop Atsma, later in het kabinet Rutte I staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, wilde dat Van Poppel zou winnen. Dan zou zijn ronde meer aanzien krijgen.’ Maar de wielertopper gunt ondanks de smeekbede zijn trouwe helper de overwinning. En zegt tegen Jakobs: ‘Jij mag vandaag winnen’

Jakobs paniekerig: ‘Dat kan niet. Atsma wil dat jij wint.’

Van Poppel: ‘Jij gaat winnen, Gert, we bedenken een plannetje.’

Jakobs zou de sprint aantrekken voor Van Poppel. Maar kort voor de finish schiet de voet van de sprinter van het pedaal en Jakobs kan niet anders dan als eerste over de finish gaan. En zo prijkt Jakobs op het lijstje van roemruchte winnaars die in Surhuisterveen door de jaren heen kennelijk steeds een goede dag hebben gehad. Hij detoneert wel een beetje tussen vedetten als Jan Raas, Joop Zoetemelk, Marco Pantani, Erik Dekker, Ivan Basso, Alberto Contador, Erik Zabel, Andy Schleck en Cadel Evans.

Boskamp: ‘In de tuin met alle vips en andere genodigden stond het gezicht van Atsma op storm. Hij had gehoopt dat de befaamde etappewinnaar in de Tour ook zijn ronde zou winnen. En dan wordt het de knecht Jakobs, die in de aanwezigheid van zijn relaties de gouden fiets krijgt. Vond ik prachtig.’

Bij PDM heeft Boskamp op een gegeven moment de afspraak gemaakt dat Jakobs in de klassiekers een beschermde rol krijgt. De leiding van de ploeg is ervan overtuigd dat de Drent sterk genoeg is om belangrijke eendaagse wedstrijden naar zijn hand te zetten. Boskamp: ‘Maar dat kon hij totaal niet aan. Die druk was veel te groot voor Gert. Dan bezwijkt hij. Zegt-ie: “Ik ben helemaal leeg. Ik kan er niet van slapen. Laat mij maar knecht zijn”.’

 

Teleurgesteld is Boskamp door de jaren heen geraakt op ploegleiders. Dat begon bij Raas, Post en Priem, en later kwam Gisbers daarbij. ‘Op het moment dat je als amateurbondscoach de renners aflevert, hoop je dat de ploegleiders in het beroepsmetier er nog professioneler mee omgaan. Toen ik talentvolle renners losliet bij de profs, dacht ik: Nu zullen ze wel goed worden begeleid. Maar dan had je ze na een aantal maanden huilend thuis bij je op de bank zitten.’

‘Arjan Jagt is daar een voorbeeld van. Hij ging naar de VS, is nu piloot bij KLM. Hij won de proloog in de Ronde van Oostenrijk, maar zat het jaar ervoor nog bij mij op de bank. De Vries, Jagt en Cordes waren alledrie bijna bereid te stoppen na drie, vier maanden onder Raas. Toen ze tekenden, dachten ze: Dit is het helemaal! Het waren drie toppers. In die tijd werd er soms zo links en rechts geprepareerd, met voedingssupplementen, maar ook met dope. De renners werden toen onder druk gezet. Sommige coureurs gebruikten, maar de drie speelden het spel in het grote peloton niet mee. Een aantal renners kreeg bij hun ploeg het pistool op het hoofd. Ook onder druk van geldschieters. Er was zelfs een sponsor die zei: “Het maakt niet uit wat je doet, je prepareert maar raak. Het gaat erom dat ik naamsbekendheid krijg”. De jongens werden op deze wijze in principe gebruikt door een criminele organisatie. Het was een heel andere tijd.’

Boskamp neemt Cordes als een ander voorbeeld. De renner uit Wilnis wordt in 1984 wereldkampioen bij de junioren, twee jaar later wereldkampioen met de 100-kilometertijdritploeg en beëindigt pas in 2005 zijn loopbaan. ‘Hij was bij mij twee keer wereldkampioen geweest bij de profs. Reed naast een supertijdrit ook nog bergop met de besten mee in die tijd. In het tweede jaar bij Raas ging Cordes mee naar de Trofeo Luis Puig. Hij reed daar in de finale iedereen uit het wiel. Werd-ie onder druk gezet door Raas: “Teken nu voor twee jaar bij en je krijgt 25 duizend gulden extra”. Maar deze jongen hield zijn rug recht. Toen nam hij deel aan de Ronde van Valencia. Hij won opnieuw. En weer kreeg hij het mes op de keel. Veroverde hij daarop de eindzege in de Ronde van Murcia. Opnieuw winst dus in een etappekoers. Weer pistool op de borst. Er waren in die tijd al ploegen die contracten gaven van meer dan twee miljoen gulden over drie jaar voor een renner van dat niveau. Uiteindelijk heeft Tom getekend bij PDM. Snap je hem?’

 

Nog steeds heeft Boskamp profrenners onder zijn hoede. Zo is Bert-Jan Lindeman via hem bij de profs terechtgekomen. De Assenaar lijkt even op een dood spoor te zitten, als hij in de studio van RTV Drenthe Dick Heuvelman ontmoet die hem wel wil introduceren bij Boskamp. Aanvankelijk staat de manager niet te springen om Lindeman in zijn stal op te nemen. Boskamp vindt dat Lindeman meer aandacht aan zijn verzorging moet besteden. Maar Heuvelman blijft aandringen. ‘Want dit soort renners met een moeilijke sociale achtergrond zijn later vaak juist voorbeeldige profs’, weet hij uit ervaring. Boskamp stelt dan als voorwaarden dat Lindeman bij de eliterenners enkele klassiekers dient te winnen, zich optimaal moet soigneren en dient te luisteren naar zijn adviezen. Dan zal hij proberen een profcontract voor hem te regelen bij Vacansoleil. Lindeman maakt het waar, en in 2012 rijdt hij als jonge, debuterende prof tijdens Parijs-Roubaix in een kopgroep als eerste het Bos van Wallers binnen. Heuvelman: ‘Boskamp heeft er binnen een half jaar voor gezorgd dat Lindeman is ingeburgerd in het profmetier. Als je een slechte naam hebt, houd je het als wielermakelaar geen 25 jaar vol.’

Heuvelman is er ook getuige van geweest dat Boskamp de amateur Lindeman gratis begeleidde en tweehonderd euro per maand als vaste commissie is gaan rekenen vanaf het moment dat hij toetrad tot de rijen der profs. ‘En Lieuwe Westra was stratenmaker en hield van het uitgaansleven’, weet Heuvelman eveneens. ‘Ook hij is door Boskamp begeleid naar de beroepswielrenners. Dat komt tevens door zijn goede trainingsprogramma’s die hij kan bieden.’