HOOFDSTUK 4  De vuurdoop

 

Gert Jakobs is er in 1984 aanvankelijk wel voor in de stemming. Voor het gebruikelijke gala van de prestigieuze Batavus-amateurploeg aan het einde van het seizoen. De formatie voor het volgende jaar wordt er gepresenteerd en achter de schermen is het payday. De coureurs krijgen allen een envelopje van ploegleider Piet Hoekstra met de premies van het afgelopen seizoen. De prijzen zijn keurig over de hele ploeg verdeeld. Want als Bert Wekema de Ster van Zwolle wint en daarvoor tweeduizend gulden incasseert, wordt het bedrag over alle deelnemende Batavus-renners uitgesmeerd. Een goed systeem om de teamgeest te bevorderen.

Gert heeft een mooi seizoen achter de rug. Zijn palmares als amateur is bij het scheiden van de markt aardig gegroeid. Hij heeft enkele weken geleden aan Hoekstra bekendgemaakt dat hij in 1985 de overstap naar de profs wil maken. Daarmee wordt hij (op dat moment) de jongste beroepsrenner ooit. Hij heeft hiervoor dispensatie moeten aanvragen bij de KNWU, want hij bereikt pas op 29 april de vereiste leeftijd van 21 jaar. De wielerunie doet niet moeilijk en verstrekt hem een licentie.

Hoekstra is niet te spreken over de vroege overstap naar de profs van zijn pupil. Hoewel hij heel goed met Gerts ouders omgaat, bekritiseert hij de beslissing openlijk in de media. ‘Eerlijk gezegd vind ik het een verschrikkelijke stap’, verkondigt Hoekstra. ‘Gert kan erg hard fietsen, maar om bij de beroepsrenners te slagen komt er meer om de hoek kijken. Natuurlijk, dat is te leren. Maar hoeveel tijd krijg je daarvoor als prof? Persoonlijk vind ik dit te veel gevraagd.’

Gert zet toch door. De Drent vindt dat hij nu zijn deelname aan de Olympische Spelen in Los Angeles te gelde moet maken. Hij kan naar Verandalux-Dries-Rossin, de ploeg van de Belg Roger Swerts. Dat heeft zijn zaakwaarnemer André Boskamp voor hem geregeld. Een vetpot is het nog niet. De neoprof ontvangt voor een half jaar 1.690 gulden, exclusief premies en een vaste maandelijkse vergoeding van 250 gulden voor reis- en verblijfskosten. Daarvoor moet hij tot zijn verbazing echter wel een heel jaar fietsen en beschikbaar zijn! ‘Leuk dat ze je in België met u aanspreken, maar ik vond het vreemd’, ziet hij nu de humor er wel van in. Bij Verandalux staan ook Teun van Vliet en het monument Hennie Kuiper onder contract.

Op de persconferentie van het Batavus-gala steekt Hoekstra andermaal zijn mening over de ambitie van Jakobs niet onder stoelen of banken. Dat doet de bonkige Groninger als hij de renners in een soort evaluatie van het seizoen een voor een de revue laat passeren. ‘Hoekstra zei over mij dat ik nog lang niet klaar was om de overstap te maken’, vertelt Gert nu. ‘In zijn optiek kon ik niet goed genoeg bergop. Het was volgens hem beter nog een jaar amateur te blijven. Maar ik vond van mezelf dat ik voldoende klimcapaciteiten had om de Tour de France uit te rijden. Dat had ik als junior en amateur wel bewezen. In koersen als de Ronde van Rheinland-Pfalz en de Nieder-sachsen-Rundfahrt stond ik bij de eerste vijf in het eindklassement, tussen Russen en Oost-Duitsers. Daar zaten toch ook heuvels in het parkoers, van acht-, negenhonderd meter. Als dat nu iemand voor elkaar zou krijgen, wordt er al gauw gerept over het grootste Nederlandse talent van de laatste tien jaar.’

 

Na afloop van het Batavus-gebeuren ontvangen de renners dan eindelijk hun gevulde enveloppen. Gert Jakobs rekent op een bedrag van ongeveer tweeduizend gulden. Dat heeft hij becijferd aan de hand van de overwinningen die hij dat jaar heeft behaald. Na het kleinood te hebben geïncasseerd, voelt Gert echter meteen nattigheid. Hij trekt zich terug op het toilet, scheurt wild de envelop open en constateert tot zijn ontsteltenis dat er slechts 150 gulden tussen de papieren zit! ‘Het zou best kunnen dat Piet dit heeft gedaan uit ongenoegen’, denkt hij nu. ‘Maar ik voelde me niet in de positie bij hem verhaal te halen.’ Het is een wat wrang afscheid van de amateurwielerploeg, maar er staat tegenover dat zijn jongensdroom, een contract als profwielrenner, binnen is. En in de winter treedt Gert ook nog toe tot het peloton van marathonschaatsers. Hij maakt deel uit van de Amsterdamse diamantenploeg Holthuysen Stoeltie, waarvoor eveneens Co Giling en later ook Elfstedentochtwinnaar Evert van Benthem uitkomen. Jong Oranje-coach Eddy Verheijen heeft zijn langebaancarrière dan wel wreed verstoord, in het marathonschaatsen maakt Gert Jakobs meteen grote indruk. Al bij de seizoensouverture op kunstijsbaan De Meent in Alkmaar. Hij is de enige die in dezelfde ronde weet te eindigen als winnaar Jan Kooiman. Beiden zijn ontsnapt, maar Gert heeft een ronde achterstand. Kooiman laat de schaatsende wielrenner van hem weg demarreren, zodat die de tweede plaats kan pakken. ‘Ik wilde ’s winters aan de gang blijven. Het was supergezellig om dat te doen. Je ging zaterdagavond naar de ijsbaan, je reed honderd ronden en daarna bleef je een biertje drinken in de kantine. Het waren de tijden van Jos Pronk, Jos Niesten en Emiel Hopman. Ik dubbelde ook weleens het peloton. Vertrok soms meteen na de start. In het begin dachten die marathonrijders: Wat is dat voor een mafkees?

In het voorjaar, na het schaatsseizoen, treedt Jakobs in dienst bij Verandalux. En passant heeft hij in zijn laatste maanden als amateur nog even de Ronde van Groningen en onder barre weersomstandigheden de Omloop van de Braakman gewonnen. Jakobs doet dat tot zijn overgang op 20 april naar de profs in het clubshirt van de wielervereniging Emmen, waardoor hij alleen maar B-klassiekers mag rijden. Met Hoekstra heeft hij elk contact gemeden. ‘Het is net of ik door hem steeds in de grond word getrapt’, motiveert hij die houding. Bondscoach Piet Liebregts nodigt Jakobs echter uit om met het nationale team de Niedersachsen-Rundfahrt te rijden. In tegenstelling tot Hoekstra vindt hij Jakobs al wel rijp voor de professionals. ‘Ik zie hem binnen een maand een goede uitslag neerzetten. Hij komt er wel’, is Liebregts optimistisch.

Gert verlaat eind april zijn ouderlijk huis en trekt in bij Kees Martens, de verzorger van Verandalux, en diens vrouw Mieke, in het Vlaamse Westmalle. Dat heeft zijn nieuwe ploegleider Roger Swerts voor hem geregeld. Jakobs: ‘Het was dichter bij de koersen. Als je voor elke wedstrijd uren in de auto moet zitten, ben je al naar de kloten als je bij de start komt. Natuurlijk miste ik in het begin mijn ouders, maar mijn droom kwam uit.’

Hij kan het goed vinden met Swerts. De voormalige knecht van onder anderen Eddy Merckx is een aardige, rustige man. Een leider van weinig woorden. ‘Maar hij was heel geslepen’, zegt sprinter Jean-Paul van Poppel, die zich een jaar later bij Swerts aansluit, als die de Skala-Skil-ploeg is gaan leiden. ‘Een goede ploegleider, hij wist hoe de hazen liepen. Je kon niet met zijn kloten spelen. Wij noemden hem Dolf. Als Swerts vroeger wat gedronken had, ging hij Duits praten. Vandaar.’

Waarom hij Gert Jakobs naar zijn team heeft gehaald, kan Swerts zich anno nu niet goed meer herinneren. ‘Het zal zeker op voorspraak van Teun van Vliet zijn geweest’, zegt hij in zijn woonplaats Heusden-Zolder. ‘Kijk, in de zetel waar ik nu zit, heeft destijds Boskamp gezeten bij de onderhandelingen over het contract. Van Vliet was direct een goede renner. Ik had alle volmachten voor het aantrekken van coureurs, dus toen Teun mij voorstelde Jakobs te contracteren kon ik daar zonder ruggespraak een beslissing over nemen. Ik had Jakobs als amateur niet gevolgd, ik wist alleen dat hij ook schaatser was. Maar zijn komst is nooit een miskleun geweest.’

Roger Swerts is een Vlaming met een leeuwenhart. Als renner wordt hij Belgisch kampioen in 1974 en een jaar later verwerft hij zelfs de heldenstatus in Parijs-Roubaix. Swerts komt die dag in een kopgroep te zitten met favorieten als Roger De Vlaeminck, Francesco Moser, Freddy Maertens en de onvermijdelijke Eddy Merckx. Het is noodweer, de renners trotseren de regen op de glimmende kasseien. Als De Kannibaal even aanzet, laat Maertens een gat vallen. Swerts probeert het dicht te rijden, maar kijkt niet goed en klapt op een stilstaande motor van een fotograaf van Het Laatste Nieuws. In een plas bloed, dat uit een gapende hoofdwond van negen centimeter gutst, ligt hij vijf minuten lang bewusteloos op de grond. ‘Swerts morto…’, wordt er al geroepen in het Italiaans, Swerts is dood. Zo ver heen is de Vlaming gelukkig nog net niet. ‘Maar ik had een hoofdwond tot op mijn schedel.’

De rondedokter laat een traumahelikopter komen, er staat een ambulance klaar om hem af te voeren. Maar zijn ploegleider Rik Van Looy beveelt beslist: ‘Roger fietst verder.’ En blijft onverbiddelijk: ‘Doorrijden!’ Zonder te beseffen wie hij is en waar hij zich bevindt, wordt Swerts op de fiets gehesen en als in trance vervolgt hij het parkoers. De hoofdwond bloedt nog steeds en hij heeft een gebroken pink. Zijn kampioensshirt kleurt rood. In de laatste twintig kilometer haalt hij nog diverse renners in, maar Swerts arriveert net te laat op de wielerbaan om mee te sprinten met het groepje, waarin De Vlaeminck de sterkste blijkt, vóór Merkckx. Swerts wordt zevende, zijn beste prestatie ooit in de Hel van het Noorden. Aan de finish stroomt het bloed nog steeds uit zijn hoofdwond. Overal rode vlekken. De volgende dag schrijft organisator en journalist Jacques Goddet, decennialang ook verantwoordelijk voor de Tour de France, in het Franse sportblad L’Equipe: ‘Dit was een medisch wonder!’ De wielerloopbaan van Swerts staat eigenlijk model voor die van Gert Jakobs: de mijnwerkerszoon uit Heusden rijdt net als de arbeiderszoon uit Emmen altijd in de schaduw van de toppers. In Swerts’ geval van grootheden als Eddy Merckx en Raymond Poulidor. Al won de Belg veel meer prijzen dan Jakobs.

Ondanks de ervaring van Swerts, die ook een uitstekende tijdrijder is geweest, heeft Gert in die dagen misschien nog wel het meest aan Hennie Kuiper. Swerts doet er goed aan Jakobs bij de wereldkampioen van 1975 op de kamer te leggen. Hij houdt er rekening mee dat de jongeling nog veel moet leren. En wie kan hem nu beter dingen instrueren dan de toprenner uit Overijssel?

Kuiper bevindt zich dan al in de herfst van zijn loopbaan. De olympisch kampioen van 1972, succesvolle Tour-renner (twee keer tweede in het eindklassement en twee keer als eerste op Alpe d’Huez) en de enige Nederlandse winnaar van een grandslam in klassiekers (Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en de Ronde van Lombardije) heeft de Kwantum-ploeg van Jan Raas ingeruild voor Verandalux. Hij is het zat om als speelbal te worden gebruikt in de beruchte vete tussen zijn ploegleider en Peter Post, op dat moment de roerganger van Panasonic.

Aan de Bloemenrivièra wint Kuiper in het shirt van Verandalux op 36-jarige leeftijd nog Milaan-San Remo. Jakobs, dan nog ruim een maand amateur, ziet de traditionele openingsklassieker later op tv. Hij wint zelf die zaterdag de Ronde van Groningen. ‘Ik weet het nog als de dag van gisteren. Teun van Vliet reed voorop met de Italiaan Silvano Ricco. Op zijn Kuipers haalde Hennie het duo in en ging er ook voorbij. Niet eens erop en erover, het was alsof hij geen snelheid maakte. Gewoon in één tempo erlangs. Maar als Hennie eenmaal tien meter voorsprong had, haalde je hem niet meer in. En Teuntje dacht: Ik kan natuurlijk niet achter mijn kopman aan gaan.

Van Vliet, eveneens een jongeling, leert net als Jakobs zal doen, meteen een wijze les. ‘Ik was de beste’, zegt het voormalige toptalent er vele jaren later over in het boek Alleen vooruit. ‘Dat had ik zelf niet in de gaten. Als ik een paar jaar daarna in dezelfde situatie terecht was gekomen, had ik Kuiper en Ricco er op de Poggio wel afgepierd. Kuiper heeft gebruikgemaakt van mijn onwetendheid. Daar is niets mis mee. Als topcoureur moet je slim zijn. Ik ben gewoon vergeten te winnen.’ En dat heeft een tijdje aan hem geknaagd. Hij vraagt aan Kuiper nog om een financiële genoegdoening, een soort smartengeld, maar de ervaren coureur is daar niet van gediend en denkt dat anderen Van Vliet dit hebben aangepraat.

Gert is vooral blij met Kuiper, die hem probeert de fijne kneepjes van het wielervak bij te brengen. ‘Als klein jochie keek ik natuurlijk geweldig tegen hem op’, vertelt hij. ‘En nu lag ik met hem op de kamer. Ik heb heel veel van hem geleerd. Vooral hoe je te gedragen als profwielrenner. Ik doel dan vooral op jezelf verzorgen. Die gasten gingen na de koers altijd vlug eten, want om acht uur ’s avonds wilden ze weer op hun bedje liggen, met de benen omhoog. Niet om te slapen, maar om te rusten. In het begin deed ik dat niet. Want ik vond het veel te mooi om in zo’n trainingspak van de ploeg over straat te wandelen.’

Kuiper maakt Jakobs al snel duidelijk dat hij serieus moet leven voor de wielersport. ‘Hennie kon niet alleen hard fietsen, hij had ook goede ideeën. Een superaardige vent.’ Kuiper doceert Jakobs. ‘Alle profrenners kunnen hard fietsen’, zegt hij met zijn hoofd diep in de kussens van het hotelbed. ‘Maar als je ze wil verslaan, moet je het zoeken in details. Bijvoorbeeld door heel erg te letten op wat je eet en in welke hoeveelheden.’

Jakobs drentelt tijdens zulke gesprekken door de kamer. ‘Voor een eendaagse wedstrijd maakt het nog niet zo veel uit’, probeert Kuiper op rustige, vaderlijke toon uit te leggen. ‘Maar als je in de Tour elke dag anderhalf uur meer rust dan je tegenstander, weet je dan hoeveel je na veertien dagen op hem hebt gewonnen?’

Jakobs is even overdonderd, laat razendsnel de raderen in zijn bovenkamer draaien, maar komt er niet uit. ‘Eh, veertien keer anderhalf uur’, antwoordt hij veiligheidshalve.

‘Klopt’, vervolgt Kuiper, ‘dat heb je dan nodig om de laatste week door te komen.’

Jakobs nu: ‘Die wijsheid van de meester zelf ben ik nooit vergeten. Je kon op bed het beste met je benen omhoog gaan liggen, vond hij. Niet gaan rondlopen, anders krijg je klompvoeten.’

De grote wielervedette staat erom bekend dat hij stottert. ‘Maar daar heb ik eigenlijk aan tafel en op de kamer niets van gemerkt’, vertelt Jakobs. ‘Alle zinnen kwamen er altijd vloeiend uit. Dat stotteren gebeurde hem voornamelijk op televisie en in grote gezelschappen.’

Buiten Kuiper heeft Gert ook veel contact met Teun van Vliet. Het grote talent van Verandalux zou al in 1990 noodgedwongen stoppen vanwege een chronische darmontsteking. En in 2001 wordt bij hem een hersentumor geconstateerd, die in 2006 in alle hevigheid terugkeert. Ook dan knokt Van Vliet zich weer terug. ‘Een heel gedreven jongen toen’, omschrijft Jakobs hem. ‘Hij had poten als kabeltouwen. Hij was echt sterk. ‘Eén brok graniet. Het was mooi om naar hem te kijken. Hij was geen rasklimmer, maar kon best goed omhoog. Teun en ik woonden op den duur bij elkaar in de straat in Baarle-Hertog. Daardoor trainden we ook vaak samen. Maakten we op een dag ritjes van tweehonderd kilometer.’

De ploeg van Verandalux bestaat verder uit renners als de gebroeders Jan en Adrie van Houwelingen, de Belgen Géry Verlinden, Jos Jacobs en Dirk Demol. Ook met de Van Houwelingens kan Jakobs goed opschieten. ‘Ze woonden ergens in de buurt van Kerkdriel en kwamen uit een tuindersfamilie. Hardwerkende mensen. Als we vanuit Den Bosch vertrokken, sliep ik meestal de nacht ervoor bij ze.’ In de eerste wedstrijden die Jakobs als prof rijdt, meestal kermiskoersen in België, ziet hij geweldig af. ‘In het begin eindigde ik alleen maar bij de laatste tien renners. Dat schoot niet op. Ik dacht: Als dit het is, heeft het geen zin. Er waren wedstrijden bij waarin het van meet af aan knalhard ging. Dan kijk je wel raar. Bij de profs gaat het drie, vier kilometer per uur harder dan bij de amateurs. Maar ik kwam er gelukkig toch snel in.’

De vuurdoop volgt in de Amstel Gold Race, Nederlands enige echte klassieker. ‘Daar reed Kuiper lek op een klimmetje bij Voerendaal. Toen moest ik hem terugbrengen naar de kopgroep en was ik écht bang. De grote Kuiper die stopt, tv-ploeg erbij… Ik denk: Als ik hem niet terug kan brengen, is dat voor mij een geweldige afgang. Al moet ik mijn stuur opvreten, ik moet hem terugfietsen naar waar hij zich bevond. Ik was een tempobeul en kon dat ook wel, alleen ging het nu om het echie. Het móést dus wel gebeuren. Het was op een moment waar je niet vrolijk van werd. Iedereen trapte hard door. Maar het ging gelukkig goed.’

Een jaar later zijn de weersomstandigheden erbarmelijk in het Limburgse heuvelland. Regen en wind gieren over de smalle wegen van de Gold Race. Gert Jakobs rijdt op zijn tandvlees. ‘Ik wist van voren niet meer dat ik van achteren leefde. Ik was totaal verdoofd. Na tweehonderd kilometer ben ik afgestapt. Ik dacht: Lekkere indruk maak ik. Maar toen ik bij het hotel aankwam, zag ik zeven fietsen tegen de muur staan. Van ploeggenoten die al binnen waren. We hadden nog één renner in de koers. Weet je wie? Hennie Kuiper. Dat was zó’n diehard. Een echte karakterrenner.’

Gert mag in zijn eerste hele seizoen in 1986 als prof nog redelijk zijn gang gaan. Swerts observeert hem aanvankelijk in kleine meerdaagse koersen als de Driedaagse van De Panne. Maar als de Tour de France nadert, staat Jakobs niet op de lijst van uitverkorenen. En daar heeft nota bene Kuiper een grote stem in gehad. Jakobs: ‘Ik was eerst boos, maar toen Swerts mij die beslissing uitlegde, kon ik het wel begrijpen. Hij was natuurlijk ontvankelijk voor wat de grote mannen zeiden. Hij maakte op mij ook niet de indruk dat hij de overtuiging had dat ik wél moest gaan. Kuiper hoef je natuurlijk niet uit te leggen wat de Tour inhoudt. Achteraf zeg ik: het was toen de enige juiste beslissing.’

Swerts geeft toe dat hij altijd veel waarde heeft gehecht aan de mening van Kuiper. ‘Ik had heel veel vertrouwen in Hennie. Hij had ook een grote ploegleider kunnen worden. Hennie was niet alleen met zichzelf bezig, hij praatte ook veel met jonge renners. Zij keken erg tegen hem op. Daarom gaf ik in de koers een coureur als Kuiper ook carte blanche. Dat vind ik normaal als je iemand als hij in de ploeg hebt.’

In 1986 is Gert al snel wél toe aan andere grote koersen. Verandalux is dan inmiddels opgegaan in Skala-Skil. Hij maakt voor het eerst kennis met Parijs-Roubaix. Natuurlijk kent hij het kasseienrijden van zijn eigen geboortestreek, maar dit is van een heel ander kaliber. Als het voorjaar droog is, rijden de renners in een wolk van stof. Als het heeft geregend, en dat is vaker de praktijk, moeten ze ploeteren door de modder. Het slijk maakt de keien gladder dan een ijsbaan. Wie die dag geen goede benen heeft, haalt het einde niet. Wie geen geluk heeft, komt evenmin over de streep.

Jakobs put uit zijn ervaring. ‘Je wil niet geloven wat er met je gebeurt als je het Bos van Wallers inrijdt. Je wordt als het ware gelanceerd van een aflopend vals plat. Met 65 kilometer per uur stuiter je over de kasseien het bos in. De eerste keer weet je niet wat je overkomt. Als het heeft geregend, zit de weg vol valkuilen. Als je daarin terechtkomt, is de helft van je fiets verdwenen in een gat. Je moet geweldig opletten. Wél een machtig mooie ervaring. Kuiper had me een beetje voorbereid. Maar je moet het toch zelf ervaren. Het is echt een knechtenwedstrijd. Je kopman rijdt voortdurend lek en hem kun je dan steeds weer terugbrengen. Op een gegeven moment gaat dat niet meer. Dan heb je al heel veel afgezien.’

 

Jakobs verschijnt verder aan de start van wat semi-klassiekers als de E3 Prijs en gaat ook mee naar de Ronde van Italië. Daar gebeurt in de vijftiende etappe iets wat hij zijn hele leven niet zal vergeten. Samen met Erik Breukink, die ook debuteert in de Giro, komt hij voorop te liggen. Die dag voelt Jakobs dat hij waanzinnig goede benen heeft. ‘In het peloton waren mijn ploeggenoten druk aan het afstoppen. Kuiper had de hele zaak zo ongeveer stilgelegd. Erik fietste voor Panasonic. Ik kon niet sprinten, maar hij helemaal niet. Ik reed bovendien als een beer. Op een gegeven moment komt Swerts langs rijden. Ik moest mijn benen stilhouden. “Kom nou, Roger!”, riep ik wanhopig. “Ik ga die rit winnen! Straks vreet ik Breukink op!” Ook Erik hield al snel zijn benen stil. Het was een aanfluiting, live op tv. Twee Nederlanders die in 1984 nog samen in de olympische tijdritploeg hadden gereden, zaten voorop en wilden niet meer fietsen… Maar Swerts had in de eerste week van de Giro iets met Post gehad en wilde zo wraak nemen. Het was een zootje. We zouden met zijn tweeën moeiteloos naar de finish zijn gehobbeld. En ik had die rit met twee vingers in de neus gewonnen. Dan had mijn carrière er totaal anders uitgezien…’

‘We werden uiteraard opgeslokt door het peloton. Toen kwam er een bergje van de derde categorie, waar zich een groepje van twaalf man afscheidde en ik kon wéér mee. Op dat moment was bij mij de jeu er natuurlijk wel af. De Noor Dag Erik Pedersen won de rit, ik word nog achtste. We hadden een heel goede ploeg. Van Poppel won twee ritten en reed ook nog twee dagen in de roze trui. Ondanks de aanwezigheid van grote sprinters als Guido Bontempi, die in de Giro van dat jaar vijf etappes won en ook het puntenklassement.’

Swerts ontkent dat hij in die Ronde van Italië een akkefietje heeft gehad met Post. ‘Daar kan ik me niets van herinneren. Ik had juist een goede relatie met Peter. Wij hadden nooit problemen met elkaar, zelfs geen discussies. In de Ronde van Zwitserland zaten we altijd bij elkaar in het hotel.’ Hij denkt nu dat hij Breukink destijds waarschijnlijk toch te goed vond om met Jakobs alleen naar de streep te rijden. Maar hij onthult ook nog een andere affaire die van invloed kan zijn geweest. ‘Wij reden op fietsen van Gazelle, van de vader van Erik dus. Daarom leek het ons logisch dat Erik na zijn amateurtijd bij ons kwam rijden. Maar hij koos voor Panasonic, de ploeg die gebruikmaakte van Raleigh. Ik weet niet wat er is gebeurd tussen Breukink en onze sponsor Skala-Skil, maar Erik was al bij ons aangenomen. Op het laatste moment heeft hij een contract getekend bij Post. Toch geloof ik niet dat ik uit rancune aan Gert heb gevraagd om zijn benen stil te houden. Erik was en is een beleefde, aardige, intelligente jongen.’

 

Koningssprinter Jean-Paul van Poppel vermoedt na al die jaren dat Jakobs in die Giro wél het slachtoffer kan zijn geweest van onenigheid tussen Swerts en Post. ‘Gert is toen verschillende keren betrokken geweest bij ontsnappingen’, weet hij nog. ‘Wij hadden een heel klein ploegje, Post een topteam met geweldige sprinters. Wat gebeurt er? Ik versla in de tweede etappe al die vedetten en win een etappe. Kun je wel op je vingers natellen dat Post not amused was. Die ploeg won bijna de hele Giro niets, tot de laatste etappe waarin Eric Van Lancker zegevierde. Dat zat niet goed. Ik geloof best dat er onenigheid was met Post. We reden ook in de roze trui. De onenigheid werd geventileerd door de verzorgers. Die kwamen elkaar tegen bij de ravitaillering. Zij kregen onderling woorden.’

‘Er werden allerlei trucjes uitgehaald’, vervolgt Van Poppel. ‘Als het bergop ging, moesten wij eraf omdat de ploeg van Post het tempo opvoerde. Als Peter in de gaten kreeg dat er een jurywagen in de buurt was, bleef hij naast je plakken met de auto, net zo lang tot je een keer aanklampte. Kreeg je vervolgens een straf. Wij trapten erin, want we waren nog te onervaren. Het kan best zijn dat Gert van die onderlinge strijd de dupe is geworden. Adrie van Houwelingen en Fons De Wolf brachten mij in de finale van elke etappe naar m’n plek van waaruit ik kon sprinten. Gert was daar nog niet bij. Hij had nog een tamelijk vrije rol als aanstormend talent.’

Maar voor de start van de Ronde van Italië voelt Jakobs zich toch niet helemaal serieus genomen door de ploegleiding. Als enige krijgt hij géén tijdritfiets uitgereikt in de eerste de beste race tegen de klok. Hij is immers niet van belang voor het klassement. ‘Ik liet me niet kennen en gaf vol gas. Voor volk en vaderland. ’s Avonds aan tafel ging de ploegleiding eens in de uitslagen snuffelen waar ik was geëindigd. Ze liepen met hun vingers langs de laatste twintig, maar zagen mijn naam daar niet staan. Logisch, want Gertje was achttiende en stond op het eerste A4’tje. Ik vond dat een hilarisch moment. Daarna kreeg ik wel een tijdritfiets.’

Nog onder Swerts, bij Skala-Skil, moet hij voor het eerst in dienst rijden van rassprinter Van Poppel. De Belg benut Jakobs op zijn grote kracht. De oud-ploegleider: ‘Gert offerde zich op voor de ploeg. Hij was geen winner, viel nooit in de prijzen. Dan kies je voor iemand die dat wel doet. Gert zou ook de druk niet hebben aangekund van beschermde renner of kopman. Hij kon kilometers alleen op kop rijden, de hele dag tegen de 48 kilometer per uur, in hetzelfde tempo. Ideaal voor de kopmannen. Maar in die periode was versnellen voor hem nog moeilijk. En ook 52 kilometer per uur, een snelheid die nodig was om een koers te winnen, haalde hij echt niet. Ik vond hem ook tactisch niet geweldig in de koers. Maar nogmaals, hij had inhoud genoeg, met zijn motor zat het wel goed. En hij kon grappig zijn. Hij was goed voor de sfeer.’

 

In 1985, als hij zich voorbereidt op zijn eerste seizoen als profwielrenner, wordt voor het eerst sinds 1963 de Elfstedentocht weer verreden. Gert Jakobs, ook behorend tot de dappere ridders van het marathonpeloton, staat te trappelen om deel te nemen. Gezien zijn enorme ausdauer moet hij de tweehonderd kilometer tot een goed einde kunnen brengen. En waarom zou hij niet tot de kanshebbers behoren? Jakobs is opgewonden vanuit een trainingskamp van Verandalux naar Leeuwarden gereisd om daar zijn marathoncollega’s op te zoeken. Vervolgens belt hij vanuit Friesland, dat in alle staten is en volstroomt met mensen, met zijn ploegleider om hem te informeren dat hij de Tocht der Tochten gaat rijden. Dan krijgt hij de teleurstelling van zijn leven te verwerken, want Swerts steekt er een stokje voor.

De Belg kan het zich nog wel herinneren: ‘Goh, ik vond het risico te groot. Voor alles was het niet goed dat hij meedeed. Je gebruikt namelijk weer heel andere spieren. Als kleine jongen heb ik de Elfstedentochten van 1956 en 1963 goed gevolgd. Ik wist heus wel wat voor een volksfeest het was. Ik heb meerdere mensen van de ploegleiding laten meebeslissen. Als Gert er echt op had gestaan, had ik misschien wel toegegeven. Maar ik kreeg veel informatie over de gevaren van Hennie Liebregts, de broer van Piet die tweede ploegleider was. Hij raadde me af om voor Gert het licht op groen te zetten. Toen ik dat doorgaf, kreeg ik van bovenaf, bij de sponsor, de hint om hem de deelname te verbieden. Tenslotte betaalden zij het salaris van Gert.’

Een jaar later volgt er verrassenderwijs wéér een Elfstedentocht. Gert is dan nog steeds rijdend lid van de Vereniging De Friesche Elf Steden. Maar enkele dagen voor de Tocht, die nota bene pas op 26 februari plaatsheeft, krijgt hij van Swerts te horen dat hij dat seizoen naar de Ronde van Italië mag. De Elfstedentocht past zogenaamd niet in de voorbereiding op de Giro. Het is niettemin voor Jakobs nu makkelijker te accepteren dan een jaar eerder.

Op de dag van die Elfstedentocht rijdt Jakobs de Grote Prijs Wielerrevue, een Nederlandse eendaagse wedstrijd die in 1986 voor de tweede keer wordt gehouden. De eerste heeft Johan Lammerts gewonnen, de tweede komt op naam van een Belg: Ludo De Keulenaer. Hij is bij de beklimmingen van Het Peeske en de Paasberg er met nog negentien renners vandoor gegaan. Met prominenten als Adrie van der Poel, Joop Zoetemelk, Johan van der Velde en Sean Kelly. In de finale verslaat De Keulenaer de Nederlander Twan Poels in de sprint. Jakobs bevindt zich die dag dus in goed gezelschap, maar de koers wordt uiteraard publicitair volledig ondergesneeuwd door het schaatsfestijn in Friesland.