HOOFDSTUK 2 De eerste trappen
Plotseling komt er een hummeltje op een piepklein fietsje de hoek om spurten. Geheel uitgedost als wielrenner, inclusief helm. Gert Jakobs’ ogen beginnen te glimmen van trots. ‘Dit is mijn jongste zoon. Sil.’ De korte beentjes draaien met soepele tred de pedalen rond. ‘Hij is vijf jaar, maar ik hoef hem weinig te leren. Links door de bocht, dan de trapper aan die kant omhoog. Van dat soort simpele dingen.’
Sil trekt woest aan een heus racestuur, maar de handremmen zijn fake. Gert heeft ze er voor de show opgezet, de tweewieler heeft gewoon een terugtraprem. ‘Ik heb hem echt niet gestimuleerd dit te gaan doen’, probeert Gert de gedachte alleen al voor te zijn. ‘Soms doet Sil alsof hij de ravitaillering passeert en krijgt mijn ex-vrouw een lege bidon toegeworpen.’
Gert is op weg van zijn ouderlijk huis in Emmen naar de parkeerplaats achter het Hondsrug College, de middelbare school. De plek waar hij zelf ooit als kleine jongen parkoersen uitzette om zich vervolgens ontelbare keren door scherpe bochten te werpen.
Nee, school heeft bij kleine Gert al vroeg geen hoge prioriteit. Hij heeft een ander levensdoel: het verdienen van een profcontract als wielrenner. Maar de weg daarnaartoe verloopt vooral in het prille begin moeizaam. Niets duidt erop dat hij begiftigd is met veel talent. Op achtjarige leeftijd staat Gert aan de start van zijn eerste wielerwedstrijd, in de omgeving van Emmen. Hij heeft zijn ouders de oren van de kop gezeurd om te mogen wielrennen. Ze hebben aan die hartenwens van hun zoon maar toegegeven, want fietsen doet hij al jaren in en om het huis. Elk vrij uurtje. ‘Maar in die eerste koersen kon ik er helemaal niets van’, herinnert hij zich. ‘In vier van de vijf wedstrijden die ik reed, werd ik een rondje gedubbeld.’
Hij ploegt echter voort op de semi-racefiets die zijn vader voor hem in elkaar heeft geknutseld. Nou ja, het is vooral een kwestie van onderdelen verwijderen. ‘De wielen hadden geen uitvalnaven. Die moest je er met een sleutel opdraaien. Er waren sportbanden omheen gelegd, geen tubes. Het enige echte race-onderdeel op die fiets was het kromme stuur met een mooi, wit lint. Dat gaf me een trots gevoel.’
Zijn ouders of die van Henk Groen brengen hem naar wedstrijdjes in Assen, Groningen en Emmen. Eigenlijk overal in de noordelijke provincies waar een koers voor beginners is. Ritjes van een kilometer of vijf, meestal rondjes rondom de kerk. ‘Ik was al snel een beetje ijdel’, bekent Gert. ‘Ik zorgde dat ik gladde benen had en droeg witte sokjes. Maar daar ging je natuurlijk niet harder van rijden. Ik kon er geen hout van. Vooral mijn bochtentechniek was slecht. Dus zei mijn vader: “Als je dat niet kan, gaan we het leren”. En hij zette een parkoers uit met acht bochten. Onder meer op dit parkeerterreintje.’ Jakobs kijkt er decennia na dato weer over uit, het ligt verscholen onder bomen. ‘Hier gingen we trainen. Het resulteerde erin dat ik later als prof geweldig bochten kon rijden. Ik had een grandioze techniek.’
Gerts ouders wonen al 48 jaar in hetzelfde huis, iets verderop aan de Peyserhof in Emmen. Het ligt nu vlak bij een druk winkelcentrum. De familie Jakobs heeft het nooit breed gehad. Na Gert worden nog broer Albert-Jan en zus Trudy geboren. Ze zouden later allemaal aan sport doen. Vader Jan Jakobs is wel zo verstandig het huurhuis waarin ze wonen te kopen als hij de kans krijgt; voor nog geen dertigduizend gulden. Het ziet er vandaag de dag piekfijn uit. Gert toont zijn voormalige jongenskamer aan de straatkant. Onder zijn bed lag altijd een grote schaatsplank waar hij op trainde.
Niet alleen vanwege zijn bochtentechniek heeft Gert volgens zijn eigen theorie nooit breuken opgelopen. Dat heeft zeker ook te maken met de judolessen van zijn vader. Pa Jakobs is judoleraar in de jeugdjaren van Gert. Overdag werkt de man als heftruckchauffeur in de AKU-fabriek. De Algemene Kunstzijde Unie, waar vooral synthetische garen worden vervaardigd, zou later opgaan in de AKZO. Maar is jarenlang de spil van de industrialisatie in Emmen en bepaalt dan ook voor een groot deel de economische ontwikkeling en werkgelegenheid in Zuidoost-Drenthe. Het laden en lossen van vrachtwagens bevalt Jan wel. En vanaf vijf uur ’s middags geeft hij vrijwel elke werkdag judoles om zijn drie kinderen hun sporten en hobby’s te laten beoefenen.
Judo komt in het leven van Jan Jakobs na een demonstratie op de fabriek. Hij is vervolgens de eerste Drent met de zwarte band, behaalt de derde dan en heeft nog getraind met Anton Geesink en de gebroeders Jan en Peter Snijders.
Gert staat tot zijn veertiende trouw met zijn vader op de mat. Maar hij heeft weinig met dat gesjor aan zijn lijf. ‘Ik vond er nooit zo veel aan. Het was immers binnen, je had geen wind om de kop. Maar mijn vader verplichtte me min of meer te judoën. Ik heb zo wel het doorrollen en vallen geleerd. Zodoende was ik tussen mijn achtste en 34ste jaar een van de weinigen in de wielersport die nooit iets had gebroken.’
Ook op zaterdag is pa druk met zijn judolessen. Er moet immers geld in het laatje komen. Vandaar dat moeder Harmke Gert naar de koersen brengt. De jonge coureur gaat steeds beter fietsen. Trainen doet hij vooral in de mooie omgeving van Emmen, waar bossen en veengronden elkaar afwisselen.
In de negentiende eeuw is de omgeving van Emmen veranderd van een agrarische streek in een gebied van turfwinning, mede door het openstellen van de Zuidoost-Drentse venen en het doortrekken van de Hoogeveensche Vaart naar de Emmer venen. De grote vraag naar turf zorgt voor een ware immigratiegolf. In 1920 werkt meer dan de helft van de beroepsbevolking in Emmen en omstreken in de turfwinning.
Maar daar heeft kleine Gert zich niet intensief in verdiept als hij door het landschap racet. Triomfantelijk worden al snel de eerste prijzen huize Jakobs binnengedragen. Medailles, bekertjes; het bekende zilverwerk. Dat gebeurt al vanaf zijn negende. In de koersen ontmoet hij aanvankelijk nog veel weerstand van Gerard en Marja Dekker, de oudere broer en zus van de latere topper Erik Dekker. Die twee zouden uiteindelijk niet doorbreken, maar winnen op dat moment praktisch altijd. Als de onbekende Gert Jakobs zijn eerste triomf behaalt, wordt er gezegd: ‘Deden Gerard en Marja dan niet mee?’
Vanaf zijn elfde, twaalfde begint Gert de Dekkers te overvleugelen. Hoewel, in een van zijn laatste wedstrijden als junior slaat Gerard Dekker nog één keer toe en is hij Gert in de Omloop van Niekerk-Oldekerk te snel af. Zijn begeleider Gerard Bruinsma stelt dat de havo-scholier Gerard Dekker wat te gemakzuchtig is en zich te vaak te simpel laat aftroeven door Jakobs. ‘Ik heb hem gezegd dat hij op het beslissende moment eens van zich af moet bijten.’ Dekker gebruikt in die koers in augustus ’82 Jakobs als springplank voor de eindsprint.
Het valt André Boskamp, de bondscoach bij de junioren, op dat Gerard Dekker zijn tactiek te veel afstemt op Jakobs. ‘Gert is dan ook wel de meest talentvolle renner die momenteel bij de junioren rondrijdt’, meent Boskamp in die dagen. ‘Hij staat eveneens zijn mannetje in de 70-kilometertijdrit.’
Leeftijdgenoten en latere cracks als Erik Breukink en John Talen pedaleren in hetzelfde peloton. De latere Tourvedette Breukink komt net als Jakobs in de juniorenselectie van Boskamp terecht. De twee zouden voor jaren bevriend raken. Dat geldt ook voor hun latere vrouwen Gea (van Erik) en Sabine (Gert). Breukink: ‘We hadden een hecht ploegje, een leuke groep. Daarvan maakten ook Johnny Bogers en Erwin Nijboer deel uit. Gert vond ik een gezellige vent, een op en top sportman. Veel tijd voor andere dingen had hij niet, want als hij niet fietste was hij wel aan het schaatsen.’
De opbloeiende vriendschap tussen Breukink en Jakobs is in die zin opmerkelijk dat de twee elk uit een heel ander milieu komen. Erik is de directeurszoon, Gert telg van een arbeider. Bovendien beschikken ze over twee verschillende karakters: Erik is wat introvert en ingetogen, Gert meer iemand van de gestampte pot.
Maar terug naar die andere talentvolle generatiegenoot. Gerard Dekker moet genoegen nemen met een bescheiden amateurploeg, de MAKO-equipe. Terwijl Jakobs toetreedt tot de befaamde Batavus-formatie. Hij heeft kennelijk toch meer indruk gemaakt als junior. Desondanks is in een exemplaar van het Nieuwsblad van het Noorden een fraaie foto te zien waarin Dekker en Jakobs het peloton ‘aan flarden rijden’. Dichte stofwolken stijgen op in de Hel van Exloo. De jonge renners stuiteren over een herontdekt strookje kasseien. Enkele met ruwe zwerfstenen geplaveide weggetjes.
Amateurrenner Roelof Groen heeft de organisatoren van onder meer de Ronde van Drenthe ooit op het spoor ervan gezet. Hij ontdekt op een van zijn trainingsritten zanderige karrensporen in het Land van Bartje, die uiteindelijk dankbaar in het parkoers worden opgenomen. Met als gevolg dat renners lek rijden en wanhopig met wielen langs de kant zwaaien. Juist in dit soort zware koersen voelt Jakobs zich in zijn element. Of wanneer barre weersomstandigheden, regen en wind de renners geselen.
‘Vanaf mijn veertiende won ik bijna elke wedstrijd waar ik aan de start verscheen’, weet Gert nog. ‘Ik had toch talent.’
Dat komt allemaal tot uiting op zijn tweede fiets, die Gert op zijn twaalfde heeft gekregen. Het is een echte Gazelle-racefiets. Vader komt er op een dag onverwachts mee thuis. Opgewonden stormt Gert op zijn cadeau af, maar deinst meteen terug en moet even in zijn ogen wrijven. Hij is geel! ‘Ik moest wel even kijken’, weet Gert nog. ‘Maar hij had hem voor vijfhonderd gulden gekocht. Een heel bedrag gezien onze gezinssituatie.’ Eigenlijk is de fiets nog veel te groot voor zijn leeftijd, maar met enig kunst- en vliegwerk wordt het karretje zo verbouwd dat Gert bij de trappers kan. Het wordt zijn pronkstuk.
Gert is bezeten van de wielersport. ‘Stapelgek, kun je wel zeggen’, stelt zijn vader, die rustig oogt maar niet iemand is die veel tegenspraak duldt. Hij lijkt op zijn zoon qua uiterlijk. Zelfde kale kop, maar met een bril. ‘We hadden eens raceschoenen voor hem gekocht’, verhaalt Jan Jakobs. ‘Die bleken echter twee maten te groot. Toen we ze de volgende dag wilden ruilen, bleek Gert er al mee te hebben gefietst en konden we ze niet meer teruggeven.’
Gertje koestert zijn fiets als een poes haar pasgeboren kittens. Elke vrijdag krijgt het stalen ros een uitgebreide schoonmaakbeurt. Elk schroefje wordt nog eens aangedraaid. ‘Ik heb zelden een jongen gezien die zo voor zijn sport leefde’, signaleert pa Jakobs nu. Hij zit aan de eettafel waar verse erwtensoep wordt opgediend en zijn dit keer uiterst rustige zoon dikke plakken spek een voor een gretig naar binnen werkt. ‘Gert gooide ’s morgens vaak een bak ijswater over zijn blote borst, om meer lucht te krijgen. Dat was een tip van een judotrainer.’
Ma diept andere herinneringen op uit haar geheugen. Ze is nog vief en heeft een minder sterk Drents accent dan haar man. ‘Gert was een rustig kind. Nooit een grote mond. Ik vond hem zelfs bij het verlegene af. Op wat oudere tienerleeftijd ging hij zelden stappen of naar feestjes.’ Dan tovert ze een glimlach tevoorschijn: ‘Later heeft hij die schade wel ingehaald. Maar toen, toen was het elke dag uit school thuiskomen, sportkleding aan en alleen maar trainen, trainen, trainen.’
En terwijl pa op de fabriek werkt, krijgt ze ook te maken met de bijna obsessieve liefde van Gert voor zijn fiets. Elke week moet er weer een nieuw, wit lint om zijn stuur. Smerig of niet. Maar daar blijft het niet bij. ‘En eigenlijk…’, zegt hij nog weleens tegen zijn moeder, ‘heb ik nog een nieuwe tube nodig…’ ‘Dat gaan we dus niet doen’, pareert ma de opmerking die een tocht naar Hooiveld Tweewielers in Valthe betekent. Een uitgave waar ze niet op zit te wachten.
‘Maar als ik morgen lek rijd…’, dringt Gert aan.
Waarop ma beseft dat ze daarvan achteraf ongetwijfeld de schuld in haar schoenen krijgt geschoven. Ze zoekt haar autosleutel en koopt even later twee banden voor veertig gulden per stuk. Maar als ze weer thuis is, blijkt Gert nog niet tevreden.
‘Eígenlijk… Heb ik ook nog een paar trappers nodig.’
Soms weet hij zijn radeloze moeder wel drie keer naar de fietsenwinkel te sturen.
En dan heeft Gert nog een sport die hem na aan het hart ligt: schaatsen. In de wintermaanden brengt zijn moeder hem vrijwel elke avond naar de ijsbaan in Assen, zo’n veertig kilometer heen en terug. Gert haalt de gewestelijke selectie van Drenthe. Zijn eerste slagen op het ijs, nou ja meer gekrabbel natuurlijk, heeft hij op het Oranjekanaal in Noordbarge uitgeprobeerd. Tante Grietje heeft het hem geleerd. Ze is een hartstochtelijke beoefenaar van de sport. Op houtjes heeft Gert voor het eerst zijn balans gevonden. ‘Schaatsen is zeker zo leuk als fietsen’, vindt Gert. ‘Maar om dat goed te doen, moet je echt talent hebben. Dan kun je je kracht zo optimaal mogelijk op het ijs vertalen.’ In het gewestelijke keurkorps zijn tevens Henk Groen, de latere wereldkampioen bij de junioren, en Egbert Post opgenomen. Wanneer hij ook met rijders uit het gewest Friesland gaat trainen, ontmoet Jakobs mannen als Hilbert van der Duim, Harm van der Pal, Yep Kramer en Sies Uilkema. De laatste, een sprinter die nooit zou doorbreken, is in de kleedkamer altijd druk bezig met het sleutelen aan zijn schaatsen. Gert: ‘Wij gingen daarvoor altijd naar het winkeltje van Jan Bols in Assen. Maar Sies nam telkens een brandertje mee de kleedkamer in en probeerde zelf zijn ijzers te slijpen of in de goede richting te buigen. Dat deed hij dan even tussen twee wedstrijden door…’
Bondscoach Boskamp van de juniorenrenners geeft Jakobs ook de gelegenheid te schaatsen en laat hem wat later aan de voorbereiding op het wielerseizoen beginnen. Maar bij het schaatsen volgt Eddy Verheijen, vader van topschaatser Carl, de latere kernploegcoach Egbert van ’t Oever op als trainer van Jong Oranje, en die is een stuk minder soepel. Gert ligt dan ook enkele jaren met hem overhoop. Verheijen stelt hem in 1982 zelfs voor de keuze: schaatsen óf wielrennen. Schoorvoetend en met enige tegenzin laat Gert zich verleiden tot een beslissing: hij gaat voor het wielrennen.
Boskamp is woedend. ‘Met een goede samenwerking tussen de schaatscoach en mij kan Jakobs best twee keer pieken in een jaar: op het wereldkampioenschap schaatsen én het WK wielrennen’, reageert de juniorencoach, nadat Jakobs in een lange sprint Peter Kleefstra heeft verslagen in de wielerwedstrijd Omloop door het Olieveld. ‘Het gewest Drenthe heeft een plank voor het hoofd. Door Gert tegen te werken, móét hij wel voor het wielrennen kiezen. Ze willen bij de schaatsbond gewoon niets met onze sport te maken hebben, daar komt het in feite op neer.’
Junior Gert probeert nog openingen te vinden. Hij oppert zelfs dan maar in Groningen bij Boskamp te gaan wonen en voor dat gewest te gaan schaatsen. ‘Aangezien dat gewest er minder moeite mee heeft dat ik eerst het wielerseizoen afwerk alvorens aan de schaatstrainingen te beginnen.’
Ondertussen komt er van school vanzelfsprekend weinig. Hij doorloopt de leao. ‘Huiswerk deed ik bijna nooit. Daar had ik geen tijd voor, ik had natuurlijk alleen maar dat ene doel voor ogen, hè. Daar heb ik nooit spijt van gehad. Ik had de meao kunnen afmaken, maar wat heb je nou aan een diploma dat je misschien pas veertien jaar later een keer gebruikt?’
Die opvatting deelt zijn moeder niet als duidelijk wordt dat hij een jaar moet overdoen op de meao. ‘Op het einde van het tweede jaar vroeg ik: “Je gaat toch wel over, Gert?” Hij antwoordde dat ik me geen zorgen hoefde te maken.’
Een paar dagen later is Gert met de nationale wielerselectie naar Italië. De familie Jakobs krijgt bezoek van zijn vriend Jasper Veenstra. ‘Haha’, lacht die kort na binnenkomst cynisch. ‘Gert en ik blijven allebei zitten.’
‘Hoezo?’, vraagt ma Jakobs geschrokken.
‘Daar ben ik toevallig achter gekomen’, vertelt Jasper.
‘Potverdomme!’, roept Gerts moeder. ‘Hij zei nog zo: “Ik ga over”.’
De volgende dag belt ze de directeur van de meao. Tot haar verbijstering krijgt ze te horen: ‘Het was kantje boord. We hebben er lang over vergaderd, maar als we Gert laten overgaan komt hij volgend jaar in de problemen. Maar mevrouw, waar maakt u zich eigenlijk druk over? Uw zoon reist de hele wereld rond. Dat heb ik nooit kunnen doen.’
Moeder Jakobs haalt haar schouders op en denkt: Het zal wel weer goed komen met Gert.