13 Gezien vanaf een halve Roon
Op het Aards Waarnemingsstation begreep men de term ‘botkoorts’ wonderwel. Het was een onderdeel van een complex ziektemechanisme dat veroorzaakt werd door een virus, dat bij de geleerde families van Avernus bekend stond als het helico-virus; de uitwerking werd door hen beter doorgrond dan door degenen die eraan leden en stierven op de planeet beneden hen.
De onderzoekingen naar de Helliconiaanse microbiologie waren zover gevorderd, dat de Aardlieden wisten dat het virus zich tweemaal manifesteerde in de 1.825 jaren van het Helliconiaanse Grote Jaar. Hoe anders dat ook door de Helliconianen zelf werd ervaren, het optreden van de ziekte geschiedde niet willekeurig. De aandoening trad steevast op tijdens de periode van de twintig verduisteringen, die het begin van de ware lente aankondigde, en opnieuw gedurende de periode van zeven verduisteringen later in het Grote Jaar. Klimaatveranderingen die samenvielen met de verduisteringen, zetten de fasen van hyperactiviteit van het virus in gang, die als het ware elkaars spiegelbeeld vormden, omdat de gevolgen, zij het even vernietigend, zich tijdens de verschillende perioden heel verschillend openbaarden.
Voor de inwoners van de wereld beneden hen, waren de twee bezoekingen twee heel verschillende verschijnselen. Ze woedden meer dan vijf Helliconiaanse kleine eeuwen (ofwel iets meer dan zeven Aardse eeuwen) na elkaar. En dus stonden ze bekend onder verschillende benamingen: de botkoorts, en de dikke dood.
De ziektestroom van het virus tastte als een onafwendbare vloedgolf de geschiedenis aan van ieder, door wiens land het zich een weg zocht. Maar net als een droppel water was elk individueel virus verwaarloosbaar.
Een helico-virus moest tienduizend maal worden vergroot, voor het zichtbaar werd voor het menselijk oog. De afmeting bedroeg zevenennegentig millimicron. Het bestond uit een membraanzak die gedeeltelijk overdekt was met icosahedrons, bestaande uit lipiden en proteïnen, en bevatte RNA; in vele opzichten leek het op het pleomorfe schroefvirus dat verantwoordelijk was voor een uitgeroeide Aardse ziekte: de bof. Zowel de geleerden op Avernus, als de Helliconia-waarnemers thuis op Aarde, hadden uit de gevolgen afgeleid wat de functie was van het vernietigende virus. Net als de oude Hindoegodheid Shiva, vertegenwoordigde het de tweesnedige principes van vernietiging en behoud. Het doodde, en in zijn moordend kielzog volgde een nieuw bestaan. Zonder de aanwezigheid van het helico-virus op de planeet, zou menselijk- en fagerleven niet mogelijk zijn geweest.
Door de aanwezigheid van het virus kon geen Aardbewoner voet op Helliconia zetten met de hoop het te overleven. Op Helliconia had het helico-virus de heerschappij, het hield de planeet in quarantaine.
Tot nog toe was de botkoorts nog niet doorgedrongen in Embruddock. Het was in opmars, net als het kruisheir van de jonge kzahhn, Hrr-Brahl Yprt. De vraag die de geleerden van Avernus bezighield was, welk van de twee het eerst zou toeslaan.
Andere vragen hielden de gedachten bezig van hen die in Embruddock woonden. En de vraag die heerste in de hoofden van hen die de top van de wankele hiërarchie in zicht hadden, was hoe ze aan de macht konden komen en die macht konden behouden.
Gelukkig voor de mensheid was er nog nooit een afdoend antwoord gevonden op die vraag. Maar Tanth Ein en Faralin Ferd, wellustig en gemakzuchtig als ze waren, stelden geen belang in abstracte vragen. Terwijl de tijd vergleed en een nieuw jaar aanbrak – het noodlottige jaar 26 volgens de nieuwe jaartelling – en de afwezigheid van Aoz Roon nu al een half jaar duurde, leidden de twee luitenants de zaken van dag tot dag en keken niet vooruit.
Dat beviel hen best. Raynil Layan beviel het niet zo goed. Hij kreeg steeds meer invloed bij de twee regenten, zowel als bij de raad. Raynil Layan zag dat een geheel nieuw stelsel dringend invoering behoefde in Oldorando; als hij dat zou kunnen bewerkstelligen, zou hij zich macht vergaren op de geweldloze wijze die hem het beste paste.
Hij zou voorgeven dat hij was gezwicht voor de druk die de kooplieden uitoefenden, en zou geld invoeren ter vervanging van het eeuwenoude ruilhandelstelsel.
Van nu af aan zou er niets meer voor niets zijn in Oldorando. Voor brood moest betaald worden met zijn munten.
Eenmaal gerustgesteld dat zij hun deel zouden krijgen, gaven Tanth Ein en Faralin Ferd grif hun toestemming voor het plan van Raynil Layan. De stad breidde zich met de dag uit. De handel kon niet langer worden beperkt tot de voorstad; handel werd het middelpunt van het bestaan en drong dus door tot het middelpunt van de stad. En op handel kon belasting worden geheven volgens de vernieuwende opvattingen van Raynil Layan.
‘Eten kopen is niet behoorlijk. Eten moet voor niets zijn, net als de lucht.’
‘Maar we krijgen toch geld om het te kopen.’
‘Mij zint het niet. Raynil Layan wordt er maar vet van,’ zei Dathka. Hij en zijn medeheerser van het Westelijke Veld waren op weg naar de toren van Oyre en inspecteerden onderweg een aantal van hun verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheden namen toe, naarmate Oldorando zich uitbreidde. Overal zagen ze nieuwe gezichten. Geleerde leden van de raad hadden – met enig handenwringen – geschat dat niet veel meer dan een kwart van de huidige bevolking ter plaatse geboren was. De rest bestond uit vreemdelingen, van wie velen op doortocht waren. Oldorando lag op een continentaal kruispunt dat nog maar net verkeer begon aan te trekken.
Wat nog een paar maanden tevoren open land was geweest, was nu een bouwplaats voor hutten en tenten. Sommige veranderingen grepen dieper in. Het oude leventje van de jacht, om beurten hard en verrukkelijk, was van de ene dag op de andere verdwenen. Laintal Ay en Dathka hielden een slaaf om hun hoksnies te voederen. Het wild was schaars geworden, de stinkelzakken waren verdwenen en de reizigers voerden vee aan, dat een meer gevestigde wijze van bestaan waarborgde.
Het gebekvecht van de bazaar had de kameraadschap van de jacht de das om gedaan. Lieden die ervan genoten hadden om als de wind over pas ontdekte grasvlakten te rijden in de dagen van Aoz Roon, slenterden nu voldaan over straat, stonden achter marktkraampjes, werkten als stalknecht in de herbergen of als lijfwacht of pooier.
De heren van het Westelijke Veld waren nu verantwoordelijk voor de ordehandhaving in de steeds groeiende stadswijk, die ten westen van de Voral lag. Ze hadden ordebewaarders om hen te assisteren. Slaven uit het zuiden, ervaren in het bouwvak, waren bezig een toren voor hen op te trekken om in te wonen. De steen werd gehouwen bij de brassimips. De nieuwe toren was een kopie van de bestaande torens; hij zou uitkijken over de tenten van diegenen die de heren in het gareel trachtten te houden, en drie verdiepingen hoog worden.
Na de voortgang van die dag in ogenschouw te hebben genomen en een paar grapjes te hebben gemaakt met de opzichter, togen Laintal Ay en Dathka op weg naar de oude stad, door een drom van pelgrims. Kraampjes van zeildoek werden opgetrokken om in de behoeften van de reizigers te voorzien. Elk kraampje had een vergunning van het kantoor van Laintal Ay en droeg een schijf met een nummer.
De pelgrims dromden naar voren. Laintal Ay deed een stap achteruit om plaats te maken en leunde met zijn rug tegen een pas opgetrokken wand van zeildoek. Zijn hak kwam in het niets terecht, hij gleed uit en viel ruggelings in een gat dat door het zeildoek aan het oog onttrokken werd. Hij trok zijn zwaard. Drie bleke jongelieden, naakt tot aan het middel, keken hem geschrokken aan toen hij zich naar hen omdraaide.
Het gat was diep, ter grootte van een kleine kamer.
Op het voorhoofd van de jongelieden was een groot oog geschilderd. Dathka verscheen om de hoek van het zeildoek en keek omlaag in het gat, grijnzend om de smak die zijn vriend had gemaakt.
‘Wat doen jullie daar?’ vroeg Laintal Ay de drie jongelieden. Ze waren van hun verbazing bekomen en hadden zich vermand. Een van hen zei: ‘Dit wordt een tempel, gewijd aan de grote Akha van Naab, en dus is dit gewijde grond. Wij moeten u verzoeken dadelijk weg te gaan.’
‘Die grond is van mij,’ zei Laintal Ay. ‘Laat me je vergunning maar zien voor de huur van dit stukje grond.’
Terwijl de jongelieden elkaar aankeken, verzamelden zich pelgrims rond het gat die omlaag keken en mompelden onder elkaar. Ze droegen allemaal wit met zwarte klederen.
‘We hebben geen vergunning. We verkopen niets.’
‘Waar komen jullie vandaan?’
Een forse man, met een zwarte doek om zijn hoofd gewonden, stond aan de rand van het gat met naast zich twee oudere vrouwen, die een groot voorwerp tussen zich in droegen. Hij riep met gewichtige stem: ‘Wij zijn volgelingen van de grote Akha van Naab en wij trekken naar het zuiden om onze boodschap te brengen. Wij zijn van plan hier een kleine kapel in te richten en wij staan erop dat u uw onwaardige persoon ogenblikkelijk verwijdert.’
‘Ik ben eigenaar van deze grond, van elke schep aarde. Waarom zijn jullie in de grond aan het graven als jullie er een kapel óp willen zetten? Kennen vreemdelingen het verschil niet tussen aarde en lucht?’
Een van de jonge gravers zei verontschuldigend: ‘Akha is de god van de aarde en het ondergrondse, en wij graven in zijn aderen. We zullen zijn goede boodschap door alle landen verbreiden. Zijn wij niet de Nemers van Pannoval?’
‘Ja, maar je neemt dit gat niet zonder onze toestemming,’ brulde Laintal Ay. ‘Eruit jullie, allemaal!’
De forse, gewichtigdoenerige kerel begon te schreeuwen, maar Dathka trok zijn zwaard. Hij stak toe. Het voorwerp dat de twee oude vrouwen meedroegen was bedekt met een doek. Dathka prikte de stof op de punt van zijn zwaard en rukte de lap weg. Een lelijke, hurkende figuur werd onthuld, een halfmenselijke gedaante met blinde, starende kikkerogen. Hij was gehouwen uit zwarte steen.
‘Wat een schoonheid,’ riep Dathka lachend uit. ‘Zo’n lelijke tronie mag je inderdaad wel onder een doek stoppen.’
De pelgrims werden woedend. Akha was beledigd; het was niet toegestaan dat het zonlicht Akha bestreek. Een aantal mannen wierp zich op Dathka. Laintal Ay sprong schreeuwend uit het gat en begon op de pelgrims in te slaan met het plat van zijn zwaard. De vechtpartij deed een ordebewaarder en twee van zijn knechts ter plaatse verschijnen met hun stokken, en in korte tijd waren de pelgrims wel zo afgerammeld dat ze beloofden zich in het vervolg netjes te gedragen.
Laintal Ay en Dathka liepen verder naar de nieuwe vertrekken van Oyre in de toren van Vry, die men aan het herbouwen was. Oyre was verhuisd, omdat het plein voor de grote toren zo rumoerig was geworden met al die houten kraampjes en drankhuizen. Dol Sakil en haar zoontje Rastil Roon Den waren met haar meegegaan, samen met Dols oude moeder Rol Sakil. Toen Aoz Roon maar steeds wegbleef, had Dol zich niet meer veilig gevoeld in een toren, die ook onderdak bood aan de twee steeds onhandelbaarder wordende luitenants, Tanth Ein en Faralin Ferd.
Voor de ingang van de toren, die nog steeds de toren van Shay Tal werd genoemd, stonden vier potige, jonge, vrijgemaakte Borliense slaven op wacht. Dat had Laintal Ay geregeld. Hij beantwoordde hun groet, terwijl Dathka en hij naar binnen liepen.
‘Hoe gaat het met Oyre?’ vroeg hij, terwijl hij al op de trap liep. ‘Beter.’
Hij trof zijn geliefde in bed aan, met Vry, Dol, en Rol Sakil om zich heen. Hij liep naar haar toe en ze sloeg haar armen om hem heen.
‘O, Laintal Ay, het was zo afschuwelijk. Ik ben zo bang geweest.’ Ze keek hem in de ogen. Hij keek naar haar gezicht en zag er een grote vermoeidheid, gevangen in de flauwe rimpeltjes onder haar ogen. Iedereen die vaderspraak ondernam werd er ouder van. ‘Ik dacht dat ik nooit meer bij je zou terugkomen, lieveling,’ zei ze. ‘De benedenwereld wordt steeds erger, elke keer dat je erheen gaat.’
De oude Rol Sakil was krom van ouderdom. Haar lange, witte haar hing voor haar gezicht, zodat het enige wat je van haar zien kon nog haar neus was. Ze zag op haar hurken naast het bed met haar kleinzoontje op schoot en zei: ‘Het zijn alleen de ouden die niet meer terugkomen, Oyre.’
Oyre ging overeind zitten en klampte zich steviger aan Laintal Ay vast. Hij kon voelen dat ze sidderde.
‘Het leek deze keer wel twee keer zo vreselijk – een universum zonder zonnen. De benedenwereld is de tegenpool van de onze, en de rots van oorsprong zweeft er onder als een zon die zwart licht uitstraalt. Alle fessops hangen daar beneden als stenen – niet in de lucht maar in het gesteente. Ze worden allemaal langzaam omlaag gezogen in het zwarte gat van de rots van oorsprong… Ze zijn zo kwaadaardig, ze haten de levenden.’
‘Dat is zo,’ zei Dol, die haar oude moeder kalmeerde. ‘Ze haten ons en ze zouden ons opeten als ze maar konden.’
‘Ze bijten naar je als je voorbijkomt.’
‘Hun ogen zijn vol stof, kwaadaardig stof.’
‘En hun kaken…’
‘Maar je vader…’ opperde Laintal Ay, terugkomend op haar reden om in pauk te gaan.
‘Ik kwam mijn moeder tegen in de benedenwereld…’ Oyre kon even niet spreken. Hoewel ze zich aan Laintal Ay vastklampte, aan de wereld van de lucht waar hij thuishoorde, leek hij haar minder werkelijk dan degenen die ze achter zich had gelaten. Geen vriendelijk woord had haar moeder voor haar over gehad, alleen verwijten en beschuldigingen, en een intense haat, die levenden eigenlijk nooit durfden te tonen.
‘Ze zei dat ik haar naam in opspraak had gebracht, dat ik haar met schaamte en schande het graf in had gedreven. Ik had haar vermoord, ik was verantwoordelijk voor haar dood, ze had een afschuw van me gehad vanaf het moment dat ze me voelde in haar schoot… Alle ondeugende dingen die ik als kind had uitgehaald… mijn hulpeloosheid… mijn skak… O, o, ik kan het je niet vertellen…’
Ze begon onbedaarlijk te huilen om zich te bevrijden van haar verdriet. Vry schoot toe en hield haar vast, samen met Laintal Ay. ‘Dat is niet waar, Oyre, dat is allemaal verbeelding.’ Maar haar huilende vriendin duwde haar weg.
Iedereen was wel eens in Pauk geweest. Ze keken toe in somber medeleven, opgesloten in hun eigen gedachten.
‘Maar je vader,’ zei Laintal Ay opnieuw. ‘Heb je die ontmoet?’
Ze had zich nu in zoverre hersteld, dat ze hem weer kon aankijken met rode ogen, terwijl ze hem aan de schouders van zich afhield; snot en tranen glinsterden op haar gezicht.
‘Hij was er niet, Wutra zij dank, hij was er niet. De tijd is nog niet gekomen dat hij door de benedenwereld moet gaan.’
Ze keken elkaar niet-begrijpend aan bij dat bericht. Om de angst te verdringen dat hij uiteindelijk toch met Shay Tal was meegegaan, sprak Oyre snel verder.
‘Hij zou toch nooit zo’n lelijke gessie worden? Hij heeft toch zo’n vol en rijk leven geleid, dat hij niet verandert in zo’n brok kwaadaardigheid? Dat lot is hem tenminste nog een tijdje bespaard gebleven. Maar waar is hij dan, al die weken?’
Dol werd aangestoken en begon ook te huilen. Ze griste Rastil Roon bij haar moeder vandaan, wiegde hem in haar armen en zei: ‘Leeft hij dan nog? Waar is hij dan? Hij was heus zo kwaad niet, om eerlijk te zijn… Weet je zeker dat hij niet beneden was?’
‘Ik zeg je toch van niet. Laintal Ay, Dathka, hij is nog ergens in deze wereld, al mag Wutra weten waar, daar kunnen we van op aan.’
Rol Sakil begon te jammeren nu haar bewegingen niet meer door het kind werden belemmerd. ‘We moeten allemaal naar die verschrikkelijke plaats, vroeg of laat. Dol, Dol, het zal gauw de beurt van je arme, oude moeder zijn… Beloof je me dat je me komt opzoeken, beloof je me dat? Ik zal je geen enkel verwijt maken. Ik zal je nooit verwijten dat je betrokken bent geraakt bij die afschuwelijke man die heel ons leven bedorven heeft…’
Terwijl Dol haar moeder troostte, probeerde Laintal Ay Oyre te sussen, maar plotseling duwde ze hem weg en klom uit bed, terwijl ze haar gezicht afveegde en diep ademhaalde. ‘Raak me maar niet aan – ik stink nog naar de benedenwereld. Laat ik me gaan wassen.’
Gedurende al dat geweeklaag was Dathka aan de voet van het bed blijven staan, met zijn vierkante gestalte tegen de ruwe muur, zijn gezicht onberoerd. Nu kwam hij naar voren.
‘Wees jullie eens stil, allemaal, en probeer na te denken. Wij verkeren in gevaar en we moeten voordeel trekken uit dit nieuws. Als Aoz Roon nog leeft, dan hebben we een plan nodig; voor wat we zullen doen tot hij terug is. Als hij terug kan komen. Misschien hebben de fokkies hem gevangen.
Ik waarschuw jullie, Faralin Ferd en Tanth Ein spannen samen om de macht in Oldorando over te nemen. Eerst willen ze een Munt oprichten, waar die worm van een Raynil Layan de leiding over krijgt.’ Zijn blikken gleden even naar Vry, wendden zich dan weer af. ‘Raynil Layan heeft de metaalmakers al aan het werk gezet om munten te slaan. Zodra ze die in handen hebben en hun mannen kunnen uitbetalen, zijn ze oppermachtig. Als Aoz Roon terugkomt vermoorden ze hem, daar kun je van op aan.’
‘Hoe weet je dat?’ vroeg Vry. ‘Faralin Ferd en Tanth Ein zijn al jarenlang zijn vrienden.’
‘Wat dat aangaat…’ zei Dathka, en lachte, ‘ijs is ook vast, tot het smelt.’
Hij keek waakzaam om zich heen, en liet tenslotte zijn blik rusten op Laintal Ay.
‘Nu moeten we bewijzen wat we werkelijk waard zijn. We vertellen aan niemand dat Aoz Roon nog in leven is. Aan niemand. Het is beter dat dat nog onzeker blijft. Wat Oyre nu weet, zou de luitenants er maar toe brengen dadelijk de macht aan zich te trekken, om hem de pas af te snijden voor hij terugkomt.’
‘Ik geloof niet…’ begon Laintal Ay, maar Dathka, die plotseling de beheersing over zijn tong had gekregen, onderbrak hem.
‘Wie heeft het meeste recht om hier te regeren als Aoz Roon dood is? Jij, Laintal Ay. En jij, Oyre. De zoon van Loilanun en de dochter van Aoz Roon. Dat kind van Dol is een gevaarlijk tegenargument, waar de raad gebruik van zou kunnen maken. Laintal Ay, jij en Oyre moeten onmiddellijk in de echt worden verbonden. Het moet uit zijn met dat getreuzel. We halen een stuk of tien priesters uit Borlien voor de ceremonie, en jullie kondigen aan dat de oude Heer dood is, en dat jullie samen in zijn plaats zullen regeren. Jullie accepteren ze zeker.’
‘En Faralin Ferd en Tanth Ein dan?’
‘Daar zorgen wij wel voor,’ zei Dathka grimmig. ‘En ook die Raynil Layan. Die hebben niet iedereen achter zich staan, zoals jullie.’
Ze keken elkaar ernstig aan. Tenslotte zei Laintal Ay: ‘Ik ben niet van zins me de titel van Aoz Roon toe te eigenen, zolang hij nog in leven is. Ik heb waardering voor je slimme plan, Dathka, maar ik wens er niet op in te gaan.’
Dathka zette zijn handen in zijn zij en lachte honend. ‘Zo. Het kan je dus niet schelen als de luitenants de macht overnemen? Ze vermoorden je, hoor. En mij erbij.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Geloof jij maar wat je wilt, maar vermoorden zullen ze je. En Oyre, en Dol en dat kind ook. Vry ook waarschijnlijk. Kom eens uit dromenland. Het zijn keiharde kerels en ze zullen snel iets moeten doen. De blindheden, geruchten over de botkoorts – ze zullen zeker handelend optreden, terwijl jij hier zit te kniezen.’
‘Het zou beter zijn mijn vader weer terug te hebben,’ zei Oyre, terwijl ze opzettelijk niet naar Laintal Ay keek, maar naar Dathka. ‘Alles is zo ongrijpbaar. We hebben behoefte aan een echt krachtige heerser.’ Dathka lachte zuur en keek wat voor uitwerking haar opmerking had op Laintal Ay.
Een zware stilte viel in de kamer. Laintal Ay verbrak het zwijgen en zei schutterig: ‘Wat de luitenants ook doen of niet doen, ik zal geen aanspraak maken op de macht. Daar komt alleen verdeeldheid van.’ ‘Verdeeldheid?’ zei Dathka. ‘De stad is al verdeeld, ze glijdt af in chaos met al die vreemdelingen. Je bent achterlijk, als je die onzin van Aoz Roon over eensgezindheid gelooft.’
Tijdens de woordenwisseling had Vry onopvallend bij het trapluik gestaan, tegen de muur geleund met haar armen over elkaar. Nu kwam ze naar voren en zei: ‘Jullie maken een denkfout door je alleen maar met aardse dingen bezig te houden.’
Ze wees naar de zuigeling en zei: ‘Toen Rastil Roon werd geboren, was zijn vader pas verdwenen. Dat is drie kwartij geleden. De Dubbele Zonsondergang is voorbij. Dus het is drie kwartij sinds de laatste verduistering, dat wil ik jullie in herinnering brengen. Of de laatste blindheid, als jullie liever de oude benaming gebruiken.
Ik moet jullie waarschuwen dat een volgende verduistering op komst is. Oyre en ik hebben de berekeningen gemaakt…’
Dols oude moeder begon luidkeels te jammeren. ‘Vroeger hadden we al dat soort bezoekingen toch nooit. Wat hebben we dan gedaan om ze nu te verdienen? Nog zo een en iedereen gaat eraan.’
‘Ik kan het waarom niet verklaren; ik begin net het hoe te doorgronden,’ zei Vry, terwijl ze een meelevende blik wierp op de oude vrouw. ‘En als ik het bij het rechte eind heb, dan zal de volgende verduistering van veel langere duur zijn dan de vorige, en zal Freyr meer dan vijf en een half uur verduisterd zijn; het zal het grootste gedeelte van de dag in beslag nemen en wel vanaf dat de zonnen opkomen. Jullie kunnen je voorstellen wat dat voor paniek zal veroorzaken.’
Rol Sakil en Dol begonnen te huilen. Dathka beval hen kortaf stil te zijn en vroeg: ‘Een verduistering die een hele dag duurt? Over een paar jaar hebben we niets dan verduisteringen en helemaal geen Freyr meer, als jij gelijk hebt. Waarom beweer je toch zulke dingen, Vry?’
Ze keek hem aan, iets zoekend in zijn donkere gelaat. Angstig voor wat ze daar zag, gaf ze hem opzettelijk antwoord in termen, waarvan ze wist dat hij ze niet kon aanvaarden. ‘Omdat het universum niet willekeurig in elkaar zit. Het is een machine. En daardoor kan men de bewegingen van het universum leren kennen.’
Een zo diepgaand revolutionair standpunt was in eeuwen niet in Oldorando uitgesproken. Het ging Dathka veel te hoog.
‘Als je daar zeker van bent, dan moeten we proberen ons te beschermen door offers te brengen.’
Zonder de moeite te nemen daar tegenin te gaan, wendde Vry zich tot de anderen en zei: ‘De verduisteringen zullen niet eeuwig duren. Ze duren twintig jaar en na de eerste elf worden ze steeds minder. Na de twintigste komen ze niet meer terug.’
Haar woorden waren bedoeld om hen gerust te stellen. De uitdrukking op hun gezichten drukte de pijn uit van hun gedachten: over twintig jaar zou waarschijnlijk niemand hier nog in leven zijn.
‘Hoe kan je nou weten wat er in de toekomst gebeurt, Vry? Zelfs Shay Tal kon dat niet,’ zei Laintal Ay bezwaard.
Ze wilde hem beetpakken, maar was er te schuchter voor. ‘Een kwestie van waarnemingen doen en oude feiten verzamelen, feiten naast elkaar leggen. Een kwestie van begrijpen wat we weten, van inzicht in wat we zien. Freyr en Batalix staan heel ver van elkaar, ook als ze dicht bij elkaar lijken te staan. Ze rollen allebei langs de rand van een grote, platte schotel. De schotels staan schuin op elkaar. Op de plaats waar ze elkaar snijden vinden er verduisteringen plaats, omdat onze wereld op één lijn staat met Freyr, en Batalix ertussenin. Begrijp je dat?’
Dathka ijsbeerde door de kamer. Hij zei ongeduldig: ‘Hoor eens, Vry, ik verbied je dergelijke idiote dingen in het openbaar te zeggen. De mensen vermoorden je nog. Dat komt nou allemaal door de academie. Ik luister niet meer naar je.’
Hij wierp haar een duistere blik toe, bitter, maar ook vreemd smekend. Ze stond als aan de grond genageld. Dathka verliet het vertrek zonder verder nog een woord te zeggen. Stilte liet hij achter zich.
Hij was nog maar net weg, toen er wat opschudding klonk, buiten op straat. Laintal Ay holde meteen naar beneden om te zien wat er gebeurde. Hij dacht dat Dathka zich ergens mee bemoeid had, maar zijn vriend was al verdwenen. Er was een man van zijn hoksnie gevallen die om hulp lag te roepen – een vreemdeling, aan zijn kleding te zien. Een menigte mensen had zich rondom verzameld, ook gezichten die Laintal Ay kende, maar niemand stak een hand uit om de reiziger te helpen. ‘Het is de ziekte,’ zei een man tegen Laintal Ay. ‘Iedereen die die kerel helpt, is vanavond voor Freyrondergang zelf ziek.’
Twee slaven werden gehaald en de zieke werd weggedragen naar het gasthuis.
Dit was de eerste openbare verschijning van de botkoorts in Oldorando. Toen Laintal Ay terugkwam in de kamer van Oyre, had ze haar hoksnies uitgedaan en stond zich te wassen aan een kom achter een gordijn, terwijl ze tegen Dol en Vry praatte.
Dols mollige gezichtje vertoonde voor de verandering eens een echte uitdrukking. Ze haalde Rastil Roon van haar borst en gaf hem aan haar moeder, terwijl ze zei: ‘Luister, vriend, je moet iets doen. Roep de mensen bij elkaar en spreek ze toe. Leg alles uit. En laat Dathka maar.’
‘Ja, Laintal Ay, dat moet je doen,’ riep Oyre. ‘Herinner de mensen eraan hoe Aoz Roon Oldorando heeft groot gemaakt, en dat je zijn trouwe luitenant bent geweest. Ga niet mee met dat plan van Dathka. Verzeker de mensen dat Aoz Roon niet dood is en dat hij gauw terug zal komen.’
‘Ja,’ zei Dol, ‘herinner de mensen eraan hoe bang ze voor hem waren, en hoe hij de brug heeft gebouwd. Naar jou luisteren ze wel.’
‘Jullie hebben alles al onder elkaar bedisseld,’ zei Laintal Ay. ‘Maar jullie hebben het mis. Aoz Roon is al veel te lang weg. De helft van de mensen kent zijn naam amper. Het zijn vreemdelingen, kooplieden op doorreis. Ga maar naar de Pauk en vraag de eerste de beste wie Aoz Roon is – hij zal het je niet kunnen zeggen. Daarom ligt de machtskwestie nog open.’ Onbewogen stond hij voor hen.
Dol schudde haar vuist tegen hem. ‘Hoe durf je dat te zeggen! Het is gelogen! Als hij – zodra hij terugkomt, regeert hij weer net als vroeger. Ik zal wel zorgen dat hij Faralin Ferd en Tanth Ein eruit schopt ook. En niet te vergeten dat reptiel van een Raynil Layan.’
‘Tja, Dol, misschien, maar misschien ook niet. Waar het om gaat, is, dat hij er nu niet is. Denk eens aan Shay Tal. Die is al even lang weg. Wie heeft het nog over haar? Misschien dat jij haar nog mist, Vry, maar anderen niet.’
Vry schudde haar hoofd. Ze zei zachtjes: ‘Als je het weten wilt, ik mis noch Shay Tal noch Aoz Roon. Ik geloof dat ze ons leven hebben verpest. Zij het mijne zeker – o, ik weet wel, het was mijn eigen schuld en ik ben haar veel verschuldigd, als dochter van een nietige slavin. Maar ik heb Shay Tal veel te slaafs nagevolgd.’
‘Dat is zo,’ piepte de oude Rol Sakil, terwijl ze het kindje liet dansen. ‘Ze heeft jou een slecht voorbeeld gesteld, Vry – veel te maagdelijk, die Shay Tal. En jij bent al net zo geworden. Je bent nou toch zowat vijftien, bijna van middelbare leeftijd, en je bent nog nooit eens gepakt. Schiet op, voor het te laat is.’
Dol zei: ‘Moe heeft gelijk, Vry. Je zag toch hoe boos Dathka de deur uitliep, omdat je hem tegensprak? Hij is verliefd op je, daarom. Wees wat onderdaniger, dat is immers de taak van de vrouw? Sla je armen om hem heen en dan geeft hij je wel waar je behoefte aan hebt. Ik denk zo, dat hij er best wat van kan.’
‘Je benen moet je om hem heen slaan, niet je armen, dat zeg ik,’ riep Rol Sakil, en lachte kakelend. ‘D’r komen tegenwoordig zat knappe vrouwen door Oldorando – da’s wat anders dan toen ik jong was en vrouwenvlees schaars. Wat ze tegenwoordig in die bazar bekokstoven! Geen wonder dat ze munten willen hebben. Ik weet wel in welke gleuf ze die willen laten verdwijnen…’
‘Zo is het welletjes!’ zei Vry met blozende wangen. ‘Ik regel mijn eigen leven wel, zonder jullie schuine raadgevingen. Ik heb respect voor Dathka, maar ik ben helemaal niet dol op hem. Laten we over wat anders praten.’
Laintal Ay pakte met een troostend gebaar Vry’s arm, op het moment dat Oyre achter het gordijn vandaan kwam, met haar haar opgestoken. Ze had haar hoksnies weggelegd – die werden nu een beetje ouderwets gevonden door de jongere generatie in Oldorando – en droeg nu een groene wollen japon die bijna tot op de grond reikte.
‘Vry krijgt de raad om snel aan de man te gaan – net als jij trouwens,’ zei Laintal Ay.
‘Nou ja, Dathka is tenminste volwassen en hij weet wat hij wil.’ Laintal Ay keek gemelijk. Hij draaide Oyre de rug toe en zei tegen Vry: ‘Leg me dat eens uit van die twintig verduisteringen. Ik begreep niet wat je zei. Hoe is het universum dan als een machine?’
Ze fronste haar voorhoofd en zei toen: ‘Je hebt de elementen al eerder horen verklaren, maar je wou nooit luisteren. Je moet bereid zijn aan te nemen dat de wereld veel vreemder is dan je zou geloven. Ik zal proberen het heel duidelijk uit te leggen.
Stel je voor dat de landoctaven zich niet alleen in de grond, maar ook hoog in de lucht uitstrekken. Stel je voor dat deze wereld, die de fagers Hrl-Ichor noemen, gestaag langs zijn eigen octaaf beweegt. Die octaaf loopt in werkelijkheid rondom Batalix. Hrl-Ichor loopt in vierhonderdtachtig dagen Batalix eenmaal in de rondte – vandaar ons jaar, zoals je bekend is. Batalix beweegt niet, het zijn wij die bewegen.’
‘Ja, en het ondergaan van Batalix dan, elke avond?’
‘Batalix hangt bewegingloos in de lucht. Wij zijn het die rondgaan.’ Laintal Ay lachte. ‘En het festival van de Dubbele Zonsondergang dan? Wat beweegt er dan?’
‘Dat is precies hetzelfde. Wij bewegen. Batalix en Freyr blijven op hun plaats. Als je dat niet gelooft, kan ik het je niet verder uitleggen.’ ‘Maar we hebben toch allemaal de wachters zien bewegen, lieve Vry, elke dag van ons leven lang. Maar goed, ik geloof dat ze allebei in ijs zijn veranderd, wat dan?’
Ze aarzelde, en zei: ‘Nou, om eerlijk te zijn, Freyr en Batalix bewegen ook, daardoor wordt Freyr groter.’
‘Toe nou, eerst maak je me wijs dat ze niet bewegen, en nou bewegen ze weer wel. Hou toch op, Vry – ik geloof je verduisteringen pas als ik ze zie.’
Met een kreet van ongeduld hief ze haar magere armen boven haar hoofd. ‘O, stommelingen dat jullie zijn. Laat Embruddock dan vallen voor mijn part, wat maakt het nog uit? Je kan zelfs zoiets eenvoudigs niet begrijpen!’
Ze liep nog bozer het vertrek uit dan Dathka, daareven.
‘D’r is ook wat eenvoudigs dat zij niet begrijpt,’ zei Rol Sakil, en knuffelde het kindje.
Aan Vry’s oude kamer was de verandering af te lezen die zich aan Oldorando voltrokken had. Hij was niet meer zo kaal. Allerlei voorwerpen, hier en daar vandaan gehaald, sierden het vertrek. Ze had een paar bezittingen van Shay Tal – en via haar van Loilanun – geërfd. Ze had dingen geruild in de bazar. Een eigengemaakte sterrenkaart hing vlak bij het raam, met daarop aangegeven de baanvlakken van de twee zonnen.
Aan een van de muren hing een oude kaart, die haar door een nieuwe bewonderaar was geschonken. Hij was met gekleurde inkt getekend op velijn. Dit was haar Ottaassaalkaart van de hele wereld, waarover ze maar niet ophield zich te verbazen. De wereld werd afgebeeld in het rond, de vastelanden omgordeld door de oceaan. Hij rustte op de rots van oorsprong, die groter was dan de wereld, en waaruit de wereld was ontsproten of omhooggestuwd. De in eenvoudige pennenstreken aangegeven vastelanden droegen namen als Sibornal, met daaronder Campannlat, en Hespagorat onderaan, gescheiden van de rest. Sommige eilanden waren schetsmatig aangegeven. De enige stad die erop stond was Ottaassaal, in het midden van de globe.
Ze vroeg zich hoe ver weg je zou moeten zijn om de werkelijke wereld op die manier te kunnen waarnemen. Batalix en Freyr waren ook twee ronde werelden, dat begreep ze heel goed. Maar die werden niet ondersteund door een rots van oorsprong; waarom had de wereld er dan een nodig?
In een nis in de muur stond een beeldje dat Dathka voor haar had meegebracht. Ze pakte het nu en hield het enigszins verstrooid in haar hand. Het was de afbeelding van een man en een vrouw die in gehurkte positie gemeenschap hadden. Ze waren uit één steen gehouwen. Het voorwerpje was door zoveel handen gegaan, dat hun gezichten waren afgeslepen; ze waren anoniem van ouderdom. Het beeldje stelde de opperste daad van samenzijn voor, en Vry keek er verlangend naar, zoals het in haar hand lag. ‘Dat is pas eenheid,’ fluisterde ze heel zachtjes.
Ondanks het zeuren van haar vrienden verlangde ze wanhopig naar hetgeen de steen verbeeldde. Ze erkende ook, net als voor haar Shay Tal, dat het pad dat naar de kennis voerde eenzaam was.
Beeldde het snijwerkje een stel echte gelieven uit, wier namen in het verre verleden verloren waren gegaan? Onmogelijk daar een uitspraak over te doen.
In het verleden lagen antwoorden op veel dat zich nog in de toekomst bevond. Ze keek wanhopig naar de astronomische klok die ze trachtte te maken van hout, op de tafel voor haar smalle venster. Niet alleen had ze weinig ervaring in het werken met hout, ze had nog steeds het principe niet door, dat de wereld, de drie zwerfwerelden en de twee wachters in hun baan hield.
Plotseling zag ze, hoe er eenheid bestond tussen de bollen – ze waren allemaal van hetzelfde materiaal, zoals de gelieven uit één steen waren gehouwen. En een kracht, die even sterk was als seksueel verlangen, bond hen alle op geheimzinnige wijze samen en beheerste hun bewegingen.
Ze ging aan haar tafel zitten en begon de stokjes en ringen los te wrikken en trachtte ze in een andere volgorde te schikken.
Zo was ze bezig toen er op de deur werd geklopt. Raynil Layan kwam naar binnen geglipt, met een snelle blik om zich heen, om zich ervan te vergewissen dat er verder niemand in de kamer was.
Hij zag haar tegen de lichtblauwe rechthoek van het raam; het licht viel somber op haar profiel. Ze had een houten bal in haar ene hand. Toen hij binnenkwam, schoot ze half overeind en hij zag – want hij sloeg anderen altijd nauw gade – dat haar gebruikelijke terughoudendheid ditmaal ontbrak. Ze glimlachte zenuwachtig en streek haar hoksnievel glad over de omtrekken van haar borst. Hij duwde de deur achter zich toe.
De meester van de looiers had zich in deze tijden grandeur aangemeten. De twee punten van zijn gevorkte baard werden getooid door strikken, een gewoonte die hij van de vreemdelingen had overgenomen – en hij droeg een broek van zijde. De laatste tijd had hij veel aandacht aan Vry besteed, had haar mooie dingen geoffreerd, zoals de Ottaassaalkaart, die hij in de Pauk had opgedaan, en luisterde oplettend naar haar theorieën. Ze vond dit alles op een vreemde manier erg opwindend. Hoewel ze zijn gladde manieren niet vertrouwde, voelde ze zich erdoor gevlijd, net als door zijn belangstelling voor al wat ze deed.
‘Je werkt te hard, Vry,’ zei hij met een vermanende vinger, terwijl hij zijn wenkbrauw optrok. ‘Als je meer buiten was, zou de kleur weer terugkomen op die mooie wangetjes van je.’
‘Je weet hoe druk ik het nu heb met de academie, nu Amin Lim met Shay Tal is meegegaan; en daarnaast nog mijn eigen werk.’
De academie bloeide als nooit tevoren. Ze bezat een eigen gebouw en werd voornamelijk gedreven door een van Vry’s helpsters. Ze zochten geleerde mensen aan om voordrachten te houden; iedereen die door Oldorando trok, werd ervoor benaderd. Talrijke ideeën werden in de werkplaats onder de gehoorzaal praktisch toegepast. Raynil Layan hield persoonlijk toezicht op alles wat daar gebeurde.
Zijn blik miste nooit iets. Hij zag het stenen beeldje liggen tussen de rommel op haar tafel, en bekeek het nauwlettend. Ze bloosde en begon te draaien op haar stoel.
‘Het is heel oud.’
‘En nog altijd geliefd.’
Ze giechelde. ‘Ik bedoelde het ding zelf.’
‘Ik bedoelde de bezigheid.’ Hij zette het neer, keek haar schalks aan en ging tegen de tafelrand geleund staan, zodat hun benen langs elkaar streken.
Vry beet op haar lip en keek naar de grond. Ze had zo haar erotische fantasieën rondom deze man, die ze niet erg mocht lijden, en nu kwamen ze allemaal tegelijk opzetten.
Maar Raynil Layan was, geheel in stijl, alweer op een andere tactiek overgestapt. Na even gezwegen te hebben, trok hij zijn been terug, schraapte zijn keel en zei op ernstige toon: ‘Vry, onder de pelgrims die net zijn aangekomen uit Pannoval, bevindt zich iemand die niet zo verblind is door religie, als de rest van die bende waar hij bij hoort. Hij maakt klokken, en hij vormt ze heel exact, van metaal. Hout is voor jouw doel niet geschikt. Laat ik die ambachtsman bij je brengen, dan kun je hem opdragen om een model voor je te maken, precies zoals je het hebben wilt.’
‘Ja, maar dat van mij is niet gewoon een klok, Raynil Layan,’ zei ze, terwijl ze naar hem opkeek, op haar stoel gezeten, en zich afvroeg of hij en zij op een af andere manier uit dezelfde steen gevormd zouden kunnen zijn.
‘Dat begrijp ik. Instrueer die man over de machine die je hebben wilt. Ik zal hem in klinkende munt betalen. Binnenkort krijg ik een belangrijke positie met de macht om te bevelen wat ik maar wil.’
Ze stond op, om zijn reactie beter te kunnen peilen.
‘Ik heb gehoord dat je een Munt gaat stichten in Oldorando.’
Hij kneep zijn ogen dicht en bekeek haar, glimlachend, maar ook een beetje nijdig. ‘Wie heeft je dat verteld?’
‘Je weet hoe nieuwtjes als een lopend vuurtje de ronde doen.’ ‘Faralin Ferd heeft natuurlijk weer zijn mond voorbijgekletst.’ ‘Je hebt geen hoge dunk van hem of Tanth Ein, wel?’
Hij gebaarde dat het hem koud liet, en greep haar handen vast. ‘Ik denk heel de tijd aan jou. Ik zal macht bezitten en in tegenstelling tot die andere dwazen – en Aoz Roon – geloof ik dat kennis gepaard kan worden aan macht, en het kan versterken… Word mijn vrouw en je zult alles hebben wat je hartje begeert. Je kunt gerieflijker leven. We zullen alles ontdekken wat er te ontdekken valt. We zullen de piramide openbreken, waar mijn voorganger Datnil Skar nooit in geslaagd is, ondanks al zijn gebabbel.’
Ze wendde haar gezicht af en vroeg zich af, of haar magere lijf, haar verstarde kunne, een man zouden kunnen bekoren en vasthouden.
Ze trok haar polsen los uit zijn greep en deed een paar passen achteruit. Nu haar handen vrij waren, vlogen ze als vogeltjes naar haar gezicht, om de beroering die daar woedde te verbergen.
‘Breng me niet in verleiding, speel niet met me.’
‘Maar ik moet je wel in verleiding brengen, mijn duifje.’
Hij kneep zijn ogen samen en opende de buidel aan zijn riem, waaruit hij een paar munten haalde. Hij stak ze haar toe, als iemand die een wilde hoksnie lokt met eten. Ze kwam behoedzaam dichterbij om ze te bekijken.
‘De nieuwe betaalmiddelen, Vry. Munten. Pak maar. Ze zullen Oldorando een gedaanteverwisseling doen ondergaan.’
De drie munten waren niet volkomen rond, en de opdruk was primitief. Er was een kleine bronzen munt met het opschrift ‘Halve Roon,’ een grote koperen munt met ‘Een Roon’ en een kleine gouden munt met ‘Vijf Roon.’ Midden op elke munt stond als opschrift:
OLD
ORAN
DO
Vry lachte opgewonden, terwijl ze ze bekeek. Op een of andere manier betekende het geld voor haar macht, nieuwe dingen, kennis.
‘Roons!’ riep ze uit. ‘Dat is sterk.’
‘De sterke sleutel tot veel rijkdom.’
Ze legde ze op haar uitgesleten tafel. ‘Ik ga hiermee jouw intelligentie beproeven, Raynil Layan.’
‘Wat een manier om een man het hof te maken!’ Hij lachte, maar zag aan haar smalle gezichtje dat het haar ernst was.
‘Laat de halve roon onze wereld voorstellen, Hrl-Ichor. Dat grote eenroonstuk is Batalix. Deze kleine, gouden munt is Freyr.’ Met haar vinger liet ze de halve roon een cirkel maken rond de hele roon. ‘Zo bewegen wij ons door de bovenlucht. Eén kring is precies een jaar, en gedurende dat jaar draait de halve roon vierhonderdtachtig maal als een bal om zijn as. Zie je? Wanneer wij denken dat we de roon zien bewegen, dan komt het, omdat wij bewegen op de halve roon. Maar de hele roon staat ook niet stil. Het gaat volgens een algemeen geldend principe, net zoiets als de liefde. Zoals het leven van een kind draait om zijn moeder, zo draait de halve roon om de roon, en de roon op zijn beurt weer om de vijf roon, naar ik besloten heb.’
‘Naar je besloten hebt. Je gist ernaar?’
‘Nee. Eenvoudig een kwestie van waarnemen. Maar hoe eenvoudig ook, je kunt niets waarnemen als je er niet op ingesteld bent iets waar te nemen. In de tijd tussen het solstitium van de winter en dat van de lente, komt de halve roon op het verst mogelijke punt van de roon vandaan.’ Ze gaf de doorsnede van de omloopbaan aan. ‘Stel je nu voor, dat achter het vijfroonstuk een reeks hele kleine stokjes staat; die vertegenwoordigen de vaste sterren. Stel je vervolgens voor, dat je op de halve roon staat. Kun je je dat indenken?’
‘Wat meer is, ik kan me indenken dat jij daar naast me staat.’
Wat was hij toch snel, bedacht ze, en haar stem trilde toen ze zei: ‘Daar staan we dus, en de halve roon komt eerst aan deze kant van de roon, en dan aan de andere kant… Wat zien we nu? Dat het vijfroonstuk lijkt te bewegen tegen de achtergrond van de vaste sterren.’
‘Lijkt?’
‘In dat opzicht wel, ja. De beweging toont aan dat Freyr veel dichterbij staat, vergeleken met de sterren, en tevens dat wij degenen zijn die bewegen, en niet de wachters.’
Raynil Layan keek nadenkend naar de munten.
‘Maar je zei dat de twee kleine munten rond het vijfroonstuk bewegen?’ ‘Je weet dat we allebei iets verborgen houden. Die keer dat je voorganger Shay Tal illegaal informatie gaf uit het boek van jullie korps… Volgens de jaartelling van Koning Deniss weten we, dat dit het jaar 446 is, 446 na ene… ene Nadir.’
‘Ik heb meer gelegenheid gehad dan jij om dat uit te zoeken, mijn duifje, en ik heb er andere data naast kunnen leggen, Het jaar Nul was een jaar van opperste koude en duisternis, volgens de Deniss-kalender.’ ‘Precies wat ik ook denk. Het is nu 446 jaar geleden dat Freyr op zijn zwakst was. Van Batalix verandert de lichtsterkte nooit. Van Freyr wel – om een of andere reden. Vroeger geloofde ik dat Freyr naar willekeur helderder of doffer werd. Maar op dit ogenblik geloof ik, dat het universum zich niet willekeuriger gedraagt dan water. Voor alles is er een oorzaak; het universum is een machine, net als die astronomische klok, waarmee ik het tracht na te bootsen. Freyr wordt helderder omdat hij naderbij komt – nee, andersom – omdat wij Freyr naderen. Het is zo moeilijk de oude gedachtegang af te leggen, hij is zo ingebed in de taal. Volgens de nieuwe spraak, dus, naderen de roon en de halve roon het vijfroonstuk…’
Hij speelde met de lintjes in zijn baard. Vry keek hoe hij haar uitspraak stond te overdenken.
‘Waarom is de theorie van het naderen van Freyr te verkiezen boven de theorie van het helderder worden?’
Ze klapte in haar handen. ‘Wat een slimme vraag! Als de helderheid van Batalix niet verandert, waarom die van Freyr dan wel? De halve roon nadert voortdurend de roon, maar de roon draait steeds weer weg. Ik denk dus dat de roon het vijfroonstuk op dezelfde manier nadert, en de halve roon meeneemt. Hetgeen ons brengt op de verduisteringen.’ Ze liet de twee lage muntstukken weer om elkaar en Freyr heen draaien. ‘Zie je, hoe de halve roon elk jaar een punt bereikt waar de waarnemer – jij en ik – het vijfroonstuk niet kunnen zien, omdat de hele roon in de weg staat? Dat is een verduistering.’
‘Waarom is er dan niet elk jaar een zonsverduistering? Het ontkracht je theorie als er een onderdeel niet van klopt, net zoals een hoksnie niet kan lopen op drie poten.’
Je bent slim, dacht ze, veel slimmer dan Dathka of Laintal Ay, en ik houd van slimme mannen, ook al hebben ze geen scrupules.
‘O, daar is ook een reden voor, maar dat kan ik nu niet goed laten zien. Daarom probeer ik dit model te bouwen. Ik zal het je binnenkort aantonen.’ Hij glimlachte en nam haar slanke hand weer vast. Ze beefde, net als toen in de brassimipboom.
‘Morgen komt die ambachtsman hier en hij zal alles in goud voor je maken, volgens jouw aanwijzingen, als je erin toestemt de mijne te worden, en ik het overal mag aankondigen. Ik wil je heel dicht bij me hebben – in mijn bed.’
‘O, maar wacht… wacht, alsjeblieft…’ Ze viel bevend in zijn armen en hij drukte haar tegen zich aan. Zijn handen gleden over haar lichaam en betastten haar tengere welvingen. Hij wil me, dacht ze duizelend, hij verlangt naar me op een manier, dat durft Dathka niet. Hij is veel volwassener, veel intelligenter. Hij is half zo kwaad niet als ze zeggen. Shay Tal heeft zich in hem vergist. Ze vergiste zich in zoveel dingen. Bovendien, de zeden zijn nu zo anders in Oldorando, en als hij me hebben wil dan zal hij me krijgen…
‘Het bed…’ hijgde ze en rukte aan zijn kleren. ‘Gauw, voor ik me bedenk. Ik ben zo verdeeld… Gauw, ik ben er voor klaar, maak los.’ ‘Hé, mijn broek, pas toch op…’ Maar haar haast stond hem wel aan. Ze voelde, ze zág zijn stijgende opwinding toen hij zijn grote lijf op haar liet zakken. Ze kreunde en hij lachte. Ze had een visioen van hen beiden, als één vlees, wentelend tussen de sterren, in de greep van een grootse universele kracht, zonder naam en eeuwig…
Het gasthuis was nieuw en nog niet eens klaar. Het stond aan de rand van de stad, een uitbouw van wat vroeger de Toren van Prast had geheten. Hier kwamen reizigers die onderweg ziek geworden waren. Aan de overkant van de straat lag de praktijk van een dierenchirurgijn, die zieke beesten opnam.
Het gasthuis en de chirurgijn stonden in een kwade reuk – men beweerde dat ze dezelfde instrumenten op hun patiënten gebruikten, maar het gasthuis werd doelmatig gedreven door het eerste vrouwelijke lid van het apothekerskorps, de vroedvrouw en onderwijzeres aan de academie die bij iedereen bekend stond als Moe Skantioem, naar de bloemen waarmee ze de ziekenzaaltjes onder haar beheer met alle geweld wilde volzetten.
Een slaaf bracht Laintal Ay naar haar toe. Ze was een lange, forse vrouw van middelbare leeftijd, met een ruime boezem en een vriendelijk gezicht. Een van haar tantes was de vrouw van Nahkri geweest. Laintal Ay en zij waren al jaren goede maatjes.
‘Ik heb twee patiënten geïsoleerd liggen en die wilde ik je laten zien,’ zei ze, terwijl ze een sleutel zocht in de bos die aan haar riem hing. Ze had haar hoksnies afgelegd en droeg nu een lang saffraangeel jasschort, dat bijna tot op de grond hing.
Moe Skantioem ontsloot een stevige deur achterin haar kantoortje.
Ze liepen door naar de oude toren en klommen de ladders op tot ze helemaal boven waren.
Ergens beneden hen klonk het geluid van een klow, waar een herstellende zieke op zat te spelen. Laintal Ay herkende het deuntje: ‘Voral, Voral, blijf stillestaan’. Het ritme was snel, maar had iets melancholieks, dat paste bij de zinloze smeekbede van het refrein. De rivier stroomde verder en kon niet stillestaan, zelfs niet omwille van de liefde of het leven zelf…
Elke verdieping in de toren was verdeeld in kleine ziekenzalen of cellen, elk met een deur waarin een rooster zat. Zonder iets te zeggen, schoof Moe Skantioem het deurtje voor het rooster weg, en beduidde Laintal Ay dat hij erdoor moest kijken.
Er stonden twee bedden in de cel, met in elk een man. De mannen waren vrijwel naakt. Ze lagen in een verkrampte houding, bijna verstard, maar nooit helemaal stil. De man die het dichtst bij de deur lag, en een dikke bos zwart haar droeg, had zijn rug helemaal hol getrokken, zijn handen samengebald boven zijn hoofd. Hij schuurde met zijn knokkels tegen de stenen muur zodat het bloed eruit droop en langs het blauw dooraderde gedeelte van zijn armen liep. Zijn hoofd rolde stijf heen en weer in onmogelijke standen. Hij kreeg Laintal Ay in het oog, voor het rooster, en probeerde zijn blik op hem te richten, maar het hoofd bleef doorgaan met het trage heen en weer bewegen. De aderen in zijn hals waren opgezwollen als touwen.
De tweede patiënt, die onder het raam lag, had zijn armen stijf voor zijn borst gevouwen. Hij rolde zich voorturend op in een bal en strekte zich dan weer, waarbij hij zijn voeten naar voren en naar achteren trok, zodat de middenvoetbeentjes ervan kraakten. Laintal Ay herkende hem; het was de man die op straat in elkaar was gezakt.
Beide mannen waren doodsbleek en glinsterden van het zweet, waarvan de doordringende geur uit de cel sloeg. Ze zetten hun worsteling met een onzichtbare vijand voort, terwijl Laintal Ay het deurtje weer voor het rooster schoof.
‘De botkoorts,’ zei hij. Hij stond vlak naast Moe Skantioem en trachtte in de zware schemering te zien hoe haar gezicht stond.
Ze knikte alleen maar. Hij volgde haar langs de ladders omlaag. De klow speelde nog steeds, vermoeid.
Waarom snel je zo voort?
Laat mijn verlangen me
brengen naar haar
maar laat me anders gaan…
Moe Skantioem zei over haar schouder: ‘De eerste is een paar dagen geleden aangekomen – ik had je gisteren al moeten laten roepen. Ze verhongeren, ik kan ze nauwelijks zover krijgen dat ze wat water drinken. Het lijkt een soort langdurige spierverkramping. Hun geest is ook aangetast.’
‘Gaan ze er dood aan?’
‘Ongeveer de helft komt een aanval van botkoorts te boven. Soms komen ze opeens weer bij als ze ongeveer een derde van hun lichaamsgewicht zijn kwijtgeraakt. Dan blijven ze leven op hun nieuwe gewicht. Anderen worden gek en gaan dood alsof de koorts in hun harnies is geslagen.’
Laintal Ay slikte, zijn keel was droog. In haar spreekkamer teruggekomen, nam hij een diepe teug geur van het boeket skantioem en reeg, dat op de vensterbank stond om de stank uit zijn neus te verjagen. De kamer was witgeschilderd.
‘Wie zijn dat? Kooplieden?’
‘Ze zijn allebei afkomstig uit het oosten, en ze kwamen met verschillende groepen Madi’s. De een is koopman, de ander bard. Ze hadden allebei fagerslaven, die op het ogenblik in het asiel van de chirurgijn staan. Je weet waarschijnlijk dat de botkoorts zich heel snel verbreiden kan, en dat het een grote epidemie kan worden. Ik wil die twee patiënten kwijt uit mijn gasthuis. We hebben een plaats nodig, ergens buiten de stad, waar we ze kunnen afzonderen. Het zullen de enige gevallen niet blijven.’
‘Hebt u er met Faralin Ferd over gesproken?’
Ze fronste haar voorhoofd. ‘Daar had ik helemaal niets aan. Eerst zeiden Tanth Ein en hij dat de zieken helemaal niet verhuisd mochten worden, en toen stelden ze voor om ze maar te vermoorden en in de Voral te gooien.’
‘Ik zal wel kijken wat ik kan doen. Ik weet een vervallen toren, vijf mijl hiervandaan. Misschien dat die geschikt is.’
‘Ik wist wel dat je me helpen zou.’ Ze legde glimlachend haar hand op zijn arm. ‘Er is iets dat die ziekte verspreidt. Als de omstandigheden gunstig zijn, verbreidt hij zich als een uitslaande brand. De helft van de bevolking zou eraan sterven – we kennen er geen geneesmiddel tegen. Volgens mij zijn het die smerige fagers die de ziekte overbrengen. Misschien komt het door de geur van hun vacht. Vannacht is het twee uur Freyrdonker; dan laat ik de fagers in het asiel doden en begraven. Ik wilde het aan een gezaghebbend iemand zeggen, daarom zeg ik het tegen jou. Ik wist dat je aan mijn kant zou staan.’
‘Denkt u dat ze de botkoorts verder zullen verspreiden?’
‘Ik weet het niet. Ik wil alleen geen risico nemen. Misschien is er een heel andere oorzaak – misschien komt het van de blindheid. Misschien heeft Wutra de ziekte gezonden.’
Ze zoog haar onderlip naar binnen. Hij las bezorgdheid op haar alledaagse gezicht.
‘Begraaf ze goed diep, waar de honden ze niet op kunnen graven. Ik maak dat met die vervallen toren wel in orde. Verwacht u…’ hij aarzelde. ‘Verwacht u binnenkort nog meer gevallen?’
Zonder van uitdrukking te veranderen, zei ze: ‘Vanzelfsprekend.’ Toen hij wegging, speelde de klow nog steeds zijn klaaglijk deuntje, ergens in het gebouw.
Laintal dacht er niet over tegen Moe Skantioem te klagen, maar hij had heel andere plannen gehad met de twee uren Freyrduisternis.
Dathka’s betoog, die ochtend toen Oyre bijkwam uit haar pauktoestand na het voorouderspreken, had hem hevig in beroering gebracht. Hij zag de kracht van het argument, dat hij en Oyre samen onoverwinnelijke pretendenten vormden voor het leiderschap van Oldorando. Over het algemeen wilde hij ook wel hebben waar hij recht op had, net als iedereen. En Oyre wilde hij zeker. Maar wilde hij Oldorando regeren?
Het leek erop dat het betoog van Dathka de situatie op heel subtiele wijze veranderd had. Misschien kon hij Oyre nu alleen voor zich winnen door de macht te grijpen.
Die gedachtegang nam zijn hersens in beslag, terwijl hij zich inspande voor het belang van Moe Skantioem, hetgeen het belang was van hen allemaal. Botkoorts was slechts een legende, maar het feit dat niemand ervaring had met de werkelijkheid, maakte de legende er alleen maar zwarter op. Mensen gingen altijd dood. Een epidemie was een krankzinnig opschroeven van het natuurlijke proces.
Hij ging dus aan het werk zonder te klagen, en riep de hulp in van Goija Hin. Samen haalden Laintal Ay en de slavenmeester de twee fagers op die aan de slachtoffers van de botkoorts toebehoorden en stuurden ze de isoleerzaal op. Daar moesten de fagers hun zieke meesters in rieten matten rollen en ze dan het gasthuis uit dragen. De onschuldig uitziende rieten rollen zouden geen paniek veroorzaken.
Het groepje trok met zijn last de stad uit, in de richting van de vervallen toren die Laintal Ay kende. Achter hen kwam schuifelend de oude fagerslaaf Myk, die zo nu en dan de zieke mannen moest overnemen. Dit was gedaan om goed te kunnen opschieten, maar Myk was ondertussen al zo oud geworden, dat ze niet snel vooruitkwamen.
Goija Hin, die ook krom liep van ouderdom, en wiens haar zo lang en stijf over zijn schouders groeide, dat hij zelf op een van zijn ellendige slaven leek, ranselde verwoed op Myk los. Maar slagen noch verwensingen konden de oude beladen slaaf tot spoed manen. Hij wankelde verder zonder protest, hoewel zijn kuiten boven zijn voetboeien rauw waren van de slaag.
‘Mijn probleem is, dat ik de zweep niet wil hanteren en ook niet ondergaan,’ zei Laintal Ay bij zichzelf. Een tweede laag gedachten kwam in zijn geest omhoog, als mist op een stille ochtend. Hij overwoog dat hij zekere eigenschappen miste. Hij verlangde maar weinig. Hij was tevreden met de dagen die voorbijgleden.
Misschien ben ik wel te gauw tevreden geweest. Het was me genoeg te weten dat Oyre van me hield, het was voldoende om in haar armen te liggen. Het was genoeg, dat Aoz Roon ooit als een vader voor me was. Het was genoeg dat het klimaat veranderde, dat Wutra zijn wachters beval aan de hemel te staan.
Nu heeft Wutra zijn wachters losgelaten. Aoz Roon is verdwenen. En wat zei Oyre ook weer voor gemeens vanmorgen – dat Dathka zo volwassen was. Waarmee ze zeker bedoelt dat ik het niet ben. O, zwijgzame vriend van me, is dat dan volwassenheid, als je van binnen een ziedende massa gekonkel hebt? Was tevredenheid dan niet volwassen genoeg?
Er school teveel in hem van zijn grootvader, Kleine Yuli, en te weinig van Yuli de Priester. En voor het eerst in lange tijd herinnerde hij zich weer, hoe zijn milde grootvader betoverd was door Loil Bry, en hoe ze samen gelukkig hadden geleefd in de kamer met het porseleinen raam. Dat was een andere tijd. Toen was alles zoveel eenvoudiger geweest. Ze waren toen zo tevreden geweest, met zo weinig.
Maar die tevredenheid hield niet in dat hij nu wilde sterven. Vermoord wilde worden door de luitenants, als ze meenden dat hij betrokken was bij de complotten van Dathka. En ook niet dat hij nu wilde sterven aan de botkoorts die hij kon oplopen van de twee stakkers die ze de stad uitdroegen. Het was nog drie mijl tot aan de oude toren die hij op het oog had.
Hij bleef staan. De fagers en Goija Hin liepen blindelings verder met hun vuige last. Daar was hij nu alweer bezig gedwee iets te doen, omdat het hem gevraagd was. Er was geen enkele reden voor. Die stomme gewoonte van volgzaamheid moest nu maar eens doorbroken worden.
Hij riep de fagers aan. Ze bleven staan waar ze stonden, en verroerden zich verder niet. Alleen de last op hun rug kraakte zachtjes.
Het groepje stond op een smal pad met aan weerszijden bosjes hondzang. Een paar dagen geleden was hier een kind verslonden; alles wees erop dat een sabeltand de moordenaar was geweest – de roofdieren kwamen dichter bij de nederzetting nu de wilde hoksnies schaars waren geworden. Er kwamen hier dus weinig mensen.
Laintal Ay ging de bosjes in. Hij liet de fagers hun zieke meesters het kreupelhout indragen en op de grond leggen. De monsters deden het zo onverschillig, dat de mannen uit de matten op de grond rolden, nog steeds in hun kramphouding.
Hun lippen zagen blauw en onthulden gele tanden en tandvlees. Hun ledematen waren verwrongen, hun botten kraakten. Op een of andere manier schenen ze zich hun positie te beseffen, maar ze waren niet in staat de voortdurende beweging tot staan te brengen, die hun oogbollen afschuwelijk heen en weer deed rollen achter hun strakgespannen gezichtshuid.
‘Je weet wat er met deze mensen aan de hand is?’ vroeg Laintal Ay. Goija Hin knikte en glimlachte vuil, om zijn beheersing van de menselijke kennis te tonen. ‘Ze zijn ziek,’ zei hij.
Ook vergat Laintal Ay niet de ziekte, die hij eens van een fagerhuid had opgelopen.
‘Dood ze. Laat de fagers een graf voor ze graven met hun handen. Zo snel als je kunt.’
‘Ik begrijp het.’ De slavenmeester trad dreigend naar voren.
Laintal Ay stond erbij, terwijl een tak in zijn rug prikte en keek hoe de oude, dikke man deed wat hem opgedragen werd, zoals Goija Hin altijd had gedaan. Voor elke stap van het gebeuren gaf Laintal Ay het bevel, en het werd uitgevoerd. Hij voelde zich geheel en al betrokken bij wat er gebeurde, en weigerde zijn blik af te wenden. Goija Hin trok zijn korte zwaard en stak de beide mannen twee keer door het hart. De fagers krabden graven in de grond met hun hoornige handen, twee witte fagers en Myk, even zwaarlijvig als zijn meester, bespikkeld met de zwarte haren van zijn ouderdom, die maar heel langzaam werkte.
Alle drie de fagers hadden voetboeien om. Ze rolden de lijkende graven in en trapten er aarde overheen, bleven toen roerloos staan, zoals hun gewoonte was, in afwachting van het volgende bevel. Ze kregen opdracht nog drie graven te maken onder de struiken en dat deden ze, als stomme dieren. Goija Hin stak zijn zwaard tussen de ribben van de twee vreemde fagers en veegde het gele bloed af aan hun vacht om zijn lemmet te reinigen, toen ze voorover op de grond lagen.
Myk moest hen in hun graf duwen en met aarde bedekken.
Toen hij zich oprichtte, stond hij recht tegenover Laintal Ay, met zijn bleke lerp in zijn rechterneusspleet.
‘Niet Myk nu doodmaken, meester. Sla mijn boeien af en laat me weggaan om te sterven.’
‘Wat, jou laten lopen, ouwe skak die je bent, na al die jaren?’ zei Goija Hin nijdig en hief zijn zwaard op.
Laintal Ay hield hem tegen, en keek de oude fager aan. Het beest had hem ritjes up zijn rug laten maken toen hij klein was. Hij was geroerd dat Myk geen poging deed hem daaraan te herinneren. Geen zwak beroep op het gevoel. Hij stond roerloos af te wachten wat er met hem gebeuren zou.
‘Hoe oud ben je, Myk?’ vroeg hij. Overgevoelig, dacht hij. Ik ben overgevoelig. Je kan jezelf er niet toe krijgen het bevel te geven om hem te doden, zo is het toch?
‘Ik gevangen tel geen jaren. Ooit waren wij tweesnedigen heersers van Embruddock en jullie Zonen van Freyr waren slaven. Vraag Moeder Shay Tal – zij weet.’ De sisklanken kwamen traag uit zijn keel, als zwermen bijen.
‘Ze heeft het me verteld. En jullie doodden ons, zoals wij nu jullie doden.’
De vuurrode ogen knipperden even. Het schepsel gromde: ‘Wij hielden jullie in leven in de eeuwen dat Freyr ziek was. Veel dom. Nu zullen alle Zonen sterven. Sla mijn boeien door, laat mij gaan sterven in kluister.’ Laintal Ay gebaarde naar het open graf. ‘Dood hem,’ beval hij Goija Hin.
Myk verzette zich niet. Goija Hin trapte het logge lijf de kuil in en schraapte er zand overheen met zijn laars. Toen bleef hij staan in het kreupelhout tegenover Laintal Ay, terwijl hij zijn lippen bevochtigde met zijn tong en ongerust om zich heen keek.
‘Ik ken u al vanaf dat u klein was, mijnheer. Ik ben altijd aardig voor u geweest. Ik heb zelf altijd gezegd dat uwes Heer van Embruddock had moeten worden – vraag het mijn kameraden maar.’
Hij deed geen poging zich te verweren met zijn zwaard. Het viel uit zijn handen en hij zakte op zijn knieën, luid grienend met gebogen hoofd. ‘Myk had waarschijnlijk gelijk,’ zei Laintal Ay. ‘We dragen de ziekte waarschijnlijk al in ons. We zijn vermoedelijk al te laat.’
Zonder om te kijken, liet hij Goija Hin zitten waar hij zat en beende terug naar de overvolle stad, woedend op zichzelf, dat hij niet in staat was geweest de doodsteek toe te brengen.
Het was laat toen hij op zijn kamer kwam. Hij keek er rond, maar zijn sombere blik verliet hem niet. Horizontale stralen van Freyr verlichtten de hoek tegenover het venster met een heldere gloed, en hulden de rest van het vertrek in een onwaarschijnlijke schaduw.
Hij spoelde zijn gezicht en handen af in het wasbekken, schepte het koele water op en liet het over zijn voorhoofd lopen, zijn oogleden, zijn wangen, liet het druipen langs zijn kaak. Hij deed het nog een paar maal, terwijl hij diep ademhaalde, en voelde hoe de hitte hem verliet en de woede jegens zichzelf bleef. Toen hij langs zijn gezicht streek, voelde hij tot zijn voldoening dat zijn handen niet meer beefden.
Het licht in de hoek gleed over de muur en verbleekte tot een smeulend geel, een vierkant niet groter dan een kistje, waarin het goud van de wereld verteerde. Hij liep de kamer rond, pakte een paar dingen om mee te nemen, terwijl hij er met zijn gedachten nauwelijks bij was.
Er werd op de deur geklopt. Oyre keek om de hoek. Alsof ze dadelijk de spanning in de kamer voelde, bleef ze op de drempel staan
‘Laintal Ay – waar zat je? Ik heb op je gewacht.’
‘Ik moest iets doen.’
Ze bleef staan met haar hand nog op de klink, keek, zuchtte. Het licht kwam vanachter hem en ze kon zijn gezichtsuitdrukking niet lezen door de dichte schemer in de kamer, maar ze had het afgebetene in zijn toon wel gehoord.
‘Is er iets, Laintal Ay?’
Hij stouwde zijn oude jagersdeken in een plunjezak, stompte hem er dieper in.
‘Ik ga weg uit Oldorando.’
‘Weg? Waar ga je heen?’
‘Ach, laten we maar zeggen dat ik naar Aoz Roon op zoek ga.’ Hij zei het bitter. ‘Ik ben mijn belangstelling voor… voor alles hier kwijtgeraakt.’
‘Doe niet zo mal.’ Ze kwam naar hem toe, terwijl ze dat zei, om hem wat beter te kunnen zien, en bedacht hoe groot hij leek in de lage kamer. ‘Hoe wil je hem nu zoeken in de wildernis?’
Hij draaide zich om en wierp de zak over zijn schouder. ‘Vind je het gekker om hem te gaan zoeken in de echte wereld, dan in Pauk te gaan bij de gessies om hem terug te vinden? Je had het er toch steeds over dat ik iets groots moest doen. Niets was je goed genoeg… Nou, dan nu nog maar eens geprobeerd; als het niet lukt, ben ik er geweest. Is dat niet groots?’
Ze lachte zwakjes en zei: ‘Ik wil niet dat je weggaat. Ik wil…’
‘Ik weet wat jij wilt. Dathka is volgens jou zo volwassen en ik niet. Nou, dat kan me mijn rug op. Ik heb er genoeg van. Ik ga weg, dat heb ik altijd al gewild. Probeer het maar bij Dathka.’
‘Ik hou van je, Laintal Ay. Nou gedraag je je net als Aoz Roon.’
Hij greep haar beet. ‘Hou eens op met me te vergelijken met andere mensen. Misschien ben je toch niet zo slim als ik dacht, anders wist je het wel wanneer je me kwetste. Ik hou ook van jou, maar toch ga ik weg…
Ze schreeuwde: ‘Waarom ben je zo gemeen?’
‘Omdat ik lang genoeg met gemene lui heb samengeleefd. Hou op met die stomme vragen.’
Hij sloeg zijn armen om haar heen, trok haar dicht tegen zich aan en kuste haar zo hard op haar mond, dat haar lippen werden weggedrukt en hun tanden op elkaar knersten.
‘Ik kom hopelijk terug,’ zei hij. Hij moest hard lachen om het stomme van die opmerking. Met een laatste blik achterom vertrok hij en smeet de deur achter zich dicht, haar in de lege kamer achterlatend. Het goud was gedoofd tot as. Het was bijna donker, hoewel ze buiten op straat puntjes vuur zag.
‘O, skak!’ riep ze. ‘Vervloekt jij… en mezelf erbij.’
Toen herstelde ze zich, holde naar de deur, trok hem open en riep hem na. Laintal Ay draafde de trap af, en gaf geen antwoord. Ze holde hem achterna, greep hem bij zijn mouw.
‘Laintal Ay, idioot, wat doe je nou?’
‘Goudvel zadelen.’
Hij zei het zo verbeten, terwijl hij zijn mond afveegde met de rug van zijn hand, dat ze bleef staan waar ze stond. Toen viel haar in dat ze dadelijk Dathka moest gaan halen. Dathka zou wel weten hoe hij met de waanzin van zijn vriend moest omspringen.
De laatste tijd was Dathka onvindbaar geworden. Hij sliep nu eens in niet afgebouwde huizen aan de overkant van de Voral, dan weer eens in deze of gene toren, en soms in een van de huizen van twijfelachtig allooi, die overal de grond uit werden gestampt. Het enige wat ze kon bedenken, was naar Shay Tals toren gaan om te zien of hij bij Vry was. Gelukkig was hij daar. Vry en hij zaten midden in een ruzie; haar wang gloeide en ze stond er in elkaar gedoken bij, alsof Dathka haar werkelijk had geslagen. Dathka zag wit van woede, maar Oyre onderbrak hen zonder plichtplegingen en gooide haar verhaal eruit, zonder acht te slaan op hun moeilijkheden. Dathka slaakte een geluid alsof hij stikte. ‘We kunnen hem niet laten weggaan, net nu de hele zaak in elkaar dreigt te storten.’
Met een moordende blik op Vry stormde hij de kamer uit.
Hij draafde het hele eind naar de stallen en kwam net op tijd om Laintal Ay op te vangen, toen deze naar buiten kwam met Goudvel aan de teugel. Ze bleven tegenover elkaar staan.
‘Je bent gek geworden, vriend – doe normaal. Niemand wil dat je weggaat. Kom tot bezinning en stel je belangen veilig.’
‘Ik ben het zat om steeds te doen wat anderen van me willen. Jij wil me ook alleen hier houden, omdat je me nodig hebt om een rolletje te spelen in je plannetjes.’
‘We hebben jou nodig om te zorgen dat Tanth Ein en zijn kameraad, en die slijmbal van een Raynil Layan, niet alles wat wij bezitten in handen krijgen.’ Zijn gezicht stond verbitterd.
‘Je maakt geen schijn van kans. Ik ga Aoz Roon zoeken.’
Dathka zei honend: ‘Je bent gek. Niemand weet waar hij is.’ ‘Ik denk dat hij met Shay Tal is meegegaan naar Sibornal.’
‘Halve gare! Vergeet Aoz Roon toch – zijn ster is dalende, hij is oud. Nou zijn wij aan de beurt. Jij gaat ervandoor omdat je bang bent, niet waar? Heel toevallig heb ik nog een paar vrienden die me niet in de steek laten, waaronder een bij het gasthuis.’
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Ik weet evenveel als jij. Jij gaat ervandoor omdat je bang bent voor de ziekte.’
Naderhand zou Laintal Ay de boze woorden die ze wisselden geobsedeerd herhalen, en beseffen dat Dathka niet in zijn normale ongeëmotioneerde doen was geweest. Maar op het moment zelf handelde hij in een reflex. Hij haalde uit naar Dathka met alle kracht, en gaf zijn vriend met gestrekte hand een opwaartse klap onder de neus, met de zijkant van zijn hand. Hij hoorde het bot verbrijzelen.
Dathka wankelde ogenblikkelijk achteruit met zijn handen voor zijn gezicht. Het bloed vloeide uit zijn neus en droop langs zijn handen. Laintal Ay zette zich met een zwaai in het zadel, gaf Goudvel de sporen en drong zich door de toelopende menigte heen. Kakelend van opwinding verdrongen de mensen zich rondom de gewonde man, die heen en weer wankelde, vloekend en dubbelgebogen van de pijn.
Met de woede nog in zijn lijf reed Laintal Ay de stad uit. Hij had maar weinig meegebracht van wat hij had willen meenemen. In de stemming waarin hij nu verkeerde, deed het hem wel genoegen om te vertrekken met niet meer dan zijn zwaard en een deken bij zich.
Onderweg stak hij zijn hand in zijn zak en haalde er een klein gesneden beeldje uit. In de schemering kon hij de omtrekken amper ontwaren, maar hij kende het al vanaf zijn jeugd. Het was een hondje waarvan de kaken bewogen wanneer je zijn staart open neer deed. Hij had het gehad vanaf de dag dat zijn grootvader stierf.
Hij smeet het weg in het dichtstbijzijnde bosje.