11 Toen Shay Tal wegging
In zonneschijn en regen breidde Oldorando zich uit. Voor de nijvere bewoners het beseften, was de stad al de rivier overgestoken, was over de moerassige zijriviertjes in het noorden heengewipt, had zich uitgestrekt tot de omheinde weide op het veld, en de brassimiplandjes tussen de lage heuvels.
Er werden meer bruggen gebouwd. Geen ervan was zo heroïsch als de eerste. Het korps had weer de kunst geleerd van dik hout planken te zagen; timmerlieden dienden zich aan – onder de vrijen en de slaven – voor wie bogen en houtverbindingen en bruggenhoofden weinig problemen opleverden.
Over de brug werden akkers aangelegd en omheind, werden stallen opgetrokken voor varkens en ganzen. De voedselproductie moest drastisch worden opgevoerd om de toenemende aantallen tamme hoksnies te voeden, en alle slaven die nodig waren om de nieuwe akkers te bewerken. Voorbij en tussen de nieuwe akkers werden nieuwe torens gebouwd volgens oud Embruddocks patroon, om de slaven en hun opzichters te huisvesten. De torens werden opgetrokken naar aanleiding van een demonstratie door de academie, van blokken modder in plaats van steen, en maar twee verdiepingen hoog in plaats van vijf. De regen die soms fel neerplensde spoelde de muren weg. De Oldorandoniërs gaven daar weinig om, want in de nieuwe torens woonden alleen maar slaven. Maar de slaven zelf gaven er wel om en lieten zien hoe stro, dat op de akkers werd vergaard na de oogst, kon worden gebruikt voor een overhangend dak dat de gebouwtjes van moddersteen intact hield, zelfs tijdens de zwaarste regenbui.
Voorbij de akkers en de nieuwe torens liepen ruiterpaden, waar gepatrouilleerd werd door Aoz Roons cavalerie. Oldorando was niet zomaar een stad, het was een legerkamp. Niemand kon er zonder toestemming in- of uitgaan, behalve in de koopliedenwijk die aan de zuidkant tot ontwikkeling was gekomen en spottend de Pauk werd genoemd.
Voor elke trotse krijger op zijn ros moesten zes ruggen zich kromwerken op de akker. Maar de oogst was goed. De grond schonk in overvloed na haar lange rustperiode. De toren van Prast was in de koude tijd eerst gebruikt om zout op te slaan, en daarna rathel; nu werd het graan. Buiten, waar de grond was platgestampt, waren vrouwen en slaven aan het werk om een reusachtige hoop graan te dorsen. De mannen keerden het graan met houten peddels, de vrouwen wapperden met een houten geraamte waartussen een vel gespannen was, om het kaf weg te waaien. Het was warm werk. De schaamte moest het afleggen tegen de hitte. De vrouwen, en zeker de jongere, trokken hun fraaie jasjes uit en werkten met blote borsten.
Fijne stofdeeltjes stoven op. De stof kleefde aan de vochtige huid van de vrouwen en gaf hun vlees het aanzien van een vachtje. Het stof dwarrelde omhoog en vormde een soort piramide boven het tafereel, die goud glansde in de zon, voor ze uit elkaar viel en wegwoei naar elders, waar het voetstappen dempte op de trappen en de beplanting grijs kleurde.
Tanth Ein en Faralin Ferd kwamen aangereden, op de voet gevolgd door Aoz Roon en Eline Tal, terwijl Dathka en de jongere jagers achter hen aan reden. Ze waren terug van de jacht en hadden een paar herten meegebracht.
Een ogenblikje zaten ze in het zadel tevreden te kijken naar de werkende vrouwen. Onder die vrouwen bevonden zich ook de echtgenotes van de drie luitenants; ze besteedden geen aandacht aan de jolige opmerkingen van hun heren en meesters. De wanraampjes wapperden, de mannen leunden goedmoedig naar voren in het zadel, kaf en stof stoven hoog op en bespikkelden het zonlicht.
Daar verscheen Dol, langzaam lopend omdat ze hoogzwanger was, met Myk de oude fager die haar ganzen dreef, naast zich. Shay Tal was bij haar, en haar magerte werd nog onderstreept door de mollige gedaante van Dol. Toen ze de Heer van Embruddock zagen met zijn mannen, bleven de beide vrouwen staan en keken elkaar aan.
‘Zeg maar niets tegen Aoz Roon,’ maande Shay Tal haar.
‘Hij is nou heel toeschietelijk,’ zei Dol. ‘Hij hoopt op een jongen.’
Ze kwam naar hen toe en ging naast Grijs staan. Aoz Roon keek haar aan, maar zei niets.
Ze gaf hem een klap op zijn knie. ‘Er waren hier ooit priesters die de oogst zegenden uit naam van Wutra. Priesters die pasgeboren kinderen zegenden. Priesters die voor iedereen zorgden, mannen en vrouwen, van hoog tot laag. We hebben ze nodig. Kun je niet een paar priesters voor ons vangen?’
‘Wutra!’ riep Aoz Roon uit. Hij spoog in het stof.
‘Dat is geen antwoord.’
Zijn donkere wenkbrauwen waren bepoederd met de gouden deeltjes die in de lucht zweefden, toen hij zijn donkere blik van Dol naar Shay Tal liet glijden, wier donkere, smalle gezicht even leeg was als een slop tussen twee huizen.
‘Zij heeft je natuurlijk bepraat, Dol, is het niet? Wat weet jij van Wutra, wat kan die jou schelen? De Grote Yuli heeft hem eruit gegooid, en onze voorouders hebben de priesters eruit gesmeten. Het zijn enkel luie monden die gevoed moeten worden. Waarom zijn wij sterk, terwijl Borlien zwak is? Omdat wij geen priesters hebben. Zet die onzin uit je hoofd en val mij er niet meer mee lastig.’
Dol zei pruilend: ‘Shay Tal zegt dat de gessies boos zijn omdat we geen priesters hebben, nietwaar, Shay Tal?’ Ze keek smekend over haar schouder naar de oude vrouw, die nog steeds geen beweging had gemaakt.
‘Gessies zijn altijd kwaad,’ zei Aoz Roon en wendde zich af.
‘Nou, ze liggen anders daarbeneden te tollen als een bed vol vlooien,’ beaamde Eline Tal, terwijl hij omlaag wees en lachte. Hij was een forse man met rode wangen, en die wangen trilden als hij lachte. Hij was steeds meer de meest vertrouwde metgezel geworden van Aoz Roon, terwijl de andere luitenants een meer ondergeschikte rol speelden.
Shay Tal deed een stap vaar voren en zei: ‘Aoz Roon, ondanks onze voorspoed blijven de Oldorandoniërs verdeeld. De Grote Yuli zou dat nooit hebben gewild. Priesters zouden ons kunnen helpen om weer één grote gemeenschap te worden.’
Hij keek op haar neer, klom toen traag van zijn hoksnie en ging vlak voor haar staan. Dol werd opzij geduwd.
‘Als ik jou het zwijgen opleg, leg ik ook Dol het zwijgen op. Niemand wil de priesters terug. Jij wilt ze alleen maar terug, omdat ze je zullen helpen je verlangen naar kennis sterker te maken. Kennis is een luxe. Daar komen uitvreters van. Je weet dat wel, maar je bent zo verdomd koppig dat je het niet kunt opgeven. Honger jezelf maar uit als je wilt, maar de rest van Oldorando wordt dik en rond, ga zelf maar kijken. We worden dik en rond zonder priesters en zonder jouw kennis.’
Shay Tals gezicht vertrok. Ze zei heel kleintjes: ‘Ik wil geen ruzie met je, Aoz Roon. Ik ben dat zat. Maar wat je zegt, is niet waar. Het gaat ons voor de wind, ten dele door kennis die wordt toegepast. De bruggen, de huizen, dat waren ideeën die de academie aan de gemeenschap heeft bijgedragen.’
‘Maak me niet kwaad, vrouw.’
Ze keek naar de grond en zei: ‘Ik weet dat je me haat. Ik weet dat daarom Meester Datnil werd gedood.’
‘Wat ik haat dat is verdeeldheid, verdeeldheid die maar niet ophoudt,’ bulderde Aoz Roon. ‘We overleven door gezamenlijke inspanning en dat is altijd al zo geweest.’
‘Maar we kunnen alleen maar groeien dankzij het individu,’ zei Shay Tal. Haar gezicht werd steeds bleker naarmate het bloed hem naar het hoofd steeg.
Hij maakte een onbeheerst gebaar. ‘Kijk dan om je heen, in Yuli’s naam. Denk eens in hoe het er hier uitzag toen jij jong was. Probeer te begrijpen dat hetgeen wij ervan gemaakt hebben, bereikt is door gezamenlijke inspanning. Sta daar niet voor mijn neus iets anders te beweren. Kijk naar de vrouwen van mijn luitenants, die gewoon met de anderen opwerken met zwalpende tieten. Waarom ben jij daar nooit bij?
Altijd sta je aan de kant te bokken en te klagen.’
‘Geen tieten d’r voor, zou ik zeggen,’ zei Eline Tal grinnikend.
De opmerking was bedoeld voor zijn vrienden Tanth Ein en Faralin Ferd. Maar hij werd ook opgevangen door de gespitste oren van de jonge jagers, die in een honend gelach uitbarstten, op Dathka na, die stil en in elkaar gedrongen in het zadel zat en waakzaam de spelers in het korte drama in ogenschouw nam.
Shay Tal had de opmerking van Eline Tal ook verstaan. Aangezien hij in de verte familie van haar was, stak het haar des te erger. Haar ogen glinsterden van tranen en van woede.
‘Nu is het genoeg. Ik neem geen beledigingen van jou en je drinkebroers meer, Aoz Roon. Ik zal jou nooit meer tegenspreken. Je ziet mij niet meer, stijfhoofdige, tekortschietende, onbetrouwbare baasspeler die je bent. Jij en die zwangere koe in je bed! Morgenochtend als Freyr opgaat, verlaat ik Oldorando voorgoed. Ik zal alleen gaan op mijn merrie Trouw en niemand zal me hier ooit nog zien.’
Aoz Roon maaide met zijn arm. ‘Niemand verlaat Oldorando zonder mijn toestemming. Jij gaat hier niet vandaan voor je voor mijn voeten hebt gekropen en me gesmeekt hebt om te mogen weggaan.’
‘Dat zien we morgen dan wel,’ beet Shay Tal hem toe. Ze draaide zich op haar hielen om, trok haar losse, donkere pelzen om haar lijf en ging ervandoor naar de noorderpoort.
Dol zag rood. ‘Laat haar maar, Aoz Roon, stuur haar de stad maar uit. Mooi dat we van haar af zijn. Een zwangere koe, nou ja, dat uitgedroogde mens!’
‘Hou jij je erbuiten. Ik regel dat op mijn manier.’
‘Je gaat haar zeker laten vermoorden, net als de anderen.’
Hij gaf haar een klap in haar gezicht, zachtjes en minachtend, en keek de verdwijnende gestalte van Shay Tal na.
Het was nacht en iedereen sliep, hoewel Batalix nog laag aan de hemel stond. Hoewel de slaven woelden onder de dromen van de dimdagslaap, waren sommigen in de grote toren bij deze gelegenheid nog op de been. In het vertrek bovenin de grote toren, was de gehele raad in zitting, bestaande uit de meesters van de zeven oude korpsen, plus twee nieuwe meesters – jongere mannen – van nieuw gestichte korpsen, de tuig- en zadelmakers, en de kleermakers. Ook waren de drie luitenants van Aoz Roon aanwezig en een van zijn Heren van het Westelijke Veld, Dathka. De Heer van Embruddock zat de bijeenkomst voor en dienstertjes hielden de houten kommen steeds gevuld met rathel, beethel of bier.
Na veel heen en weer gepraat zei Aoz Roon: ‘Ingsan Atray, geef ons uw oordeel over deze zaak.’
Hij richtte zich hiermee tot de oudste meester, een grijsbaard die regeerde over het metaalmakerskorps en die tot nog toe niets had gezegd. De jaren hadden Ingsan Atray’s rug krom getrokken en zijn dunne haar wit gekleurd, zodat de opvallende breedte van zijn schedeldak werd benadrukt; hierom werd hij voor heel wijs gehouden. Hij had de gewoonte om veel te glimlachen, hoewel zijn ogen, die zich schuilhielden achter gerimpelde oogleden, altijd achterdochtig keken. Nu glimlachte hij ook weer, op de stapel huiden gezeten die men voor zijn gerief op de vloer gelegd had, en zei: ‘Mijn Heer, Embruddocks korpsen hebben altijd de vrouwen in bescherming genomen. Vrouwen zijn per slot van rekening onze bron van arbeidskracht wanneer de jagers het veld in zijn, en zo. Natuurlijk zijn de tijden veranderd, dat geef ik u toe. Het ging anders toe in de dagen van Heer Wall Ein. Maar vrouwen doen ook dienst als kanalen van veel wijsheid. Wij bezitten geen boeken, maar vrouwen leren de legenden van de stam uit het hoofd en geven die door, zoals we zien wanneer het Groot Verhaal wordt verteld bij feestelijke gelegenheden…’
‘Maar wat wilde u zeggen, Ingsan Atray?’
‘Aha, daar ben ik zo aan toe. Ja, ja. Shay Tal is misschien wat moeilijk in de omgang enzovoort, maar ze is een tovenares en een geleerde vrouw, die wijd en zijd bekend is. Ze doet geen kwaad. Als zij weggaat, zal ze andere vrouwen meenemen, enzovoort, en dat zou een verlies zijn. Wij meesters wagen de mening uit te spreken dat u er goed aan gedaan hebt haar te verbieden weg te gaan.’
‘Oldorando is geen gevangenis!’ riep Faralin Ferd.
Aoz Roon knikte kortaf en keek om zich heen. ‘Deze vergadering is bijeengeroepen omdat mijn luitenants het niet met mij eens waren. Wie is het met mijn luitenants eens?’
Hij keek Raynil Layan aan, die zenuwachtig over zijn gevorkte baard zat te strijken.
‘Meester van het looierskorps, u laat altijd graag uw mening horen – wat hebt u te zeggen?’
‘Ja, wat dat betreft…’ Raynil Layan maakte een kleinerend gebaar, ‘blijft natuurlijk altijd de moeilijkheid om Shay Tal te verhinderen weg te gaan. Ze kan zo makkelijk wegglippen als ze dat wil. En dan het algemene principe.. Andere vrouwen zal het aan het denken zetten…. Tja, nou, ontevreden vrouwen willen we niet. Maar neem Vry nu, ook een geleerde vrouw die nadenkt, maar toch aantrekkelijk en zij maakt geen moeilijkheden. Als u nog eens terug kon komen op die uitspraak, dan zouden veel mensen u dankbaar zijn…’
‘Zeg dan wat je bedoelt en draai er niet zo omheen,’ zei Aoz Roon. ‘Nou ben je meester zoals je zo graag wilde, en je hoeft niet onderdanig te doen.’
Niemand zei verder iets. Aoz Roon keek woedend om zich heen. Ze ontweken zijn blik, begroeven hun gezichten in hun kommen.
Eline Tal zei: ‘Waar maken we ons druk over? Wat maakt het uit? Laat haar gaan.’
‘Dathka,’ zei de Heer kortaf. ‘Wenste jij ons nog met een enkel woord te vereren, aangezien je vriend Laintal Ay zich niet laat zien?’
Dathka zette zijn beker neer en keek Aoz Roon recht aan.
‘Al dat gedebatteer, gepraat over principes… onzin. We weten allemaal dat jij en Shay Tal een enorme privéoorlog aan het uitvechten zijn. Besluit jij dus maar wat er gedaan moet worden en niet wij. Trap haar d’r uit nu je de kans krijgt. Waarom heb je ons daarbij nodig?’
‘Omdat het ons allemaal aangaat, daarom!’ Aoz Roon bonsde met zijn vuist op de vloer. ‘Bij de rots van oorsprong, waarom moet die vrouw toch altijd zo’n wrok koesteren jegens mij, jegens iedereen? Ik begrijp het niet. Wat voor rotte maden knagen er aan haar harnies? Ze gaat toch door met die academie, of niet soms? Ze ziet zich als opvolgster in een lang geslacht van vrouwelijke lastpakken – Loilanun, Loil Bry die de vrouw werd van Kleine Yuli… Maar waar zou ze heen moeten? Wat zal er van haar worden?’
Zijn uitspraken leken verward en onsamenhangend.
Niemand gaf er antwoord op. Dathka had gezegd wat ze allemaal dachten, en allemaal waren ze in hun hart ontzet geweest toen hij het deed. Aoz Roon had verder niets meer te zeggen. De vergadering ging uiteen. Toen Dathka wegglipte, greep Raynil Layan hem bij de arm en zei zachtjes: ‘Dat was een slimme uitspraak die je daar deed. Als Shay Tal uit de weg is, dan komt degene waar jij een oogje op hebt aan het hoofd van de academie te staan, niet? Dan zal ze jouw steun nodig hebben…’ ‘De slimmigheid laat ik aan jou over, Raynil Layan,’ zei Dathka, terwijl hij zich bevrijdde. ‘Als jij me maar uit de weg blijft.’
Het kostte hem geen moeite Laintal Ay te vinden. Ondanks het late uur wist Dathka precies waar hij zijn moest. In haar vervallen toren was Shay Tal bezig haar bullen te pakken, en vele vrienden waren gekomen om afscheid van haar te nemen. Amin Lim was er met haar kind, en Vry en Laintal Ay en Oyre, en nog een aantal vrouwen.
‘Wat was de uiteindelijke beslissing?’ vroeg Laintal Ay aan Dathka, meteen toen hij binnenkwam.
‘Het is open gelaten.’
‘Zal hij haar dus niet tegenhouden als ze per se weg wil?’
‘Hangt er vanaf hoeveel hij vannacht drinkt; hij en Eline Tal en die hele bende, en die misselijke meeloper Raynil Layan.’
‘Ze wordt oud, Dathka; mogen we haar wel laten gaan?’
Hij haalde zijn schouders op, een van zijn geliefde gebaren, en keek naar Vry en Oyre die vlakbij stonden te luisteren. ‘Laten we gelijk met Shay Tal vertrekken, voor Aoz Roon ons laat vermoorden – ik ben er voor in, als deze twee dames ook meegaan. Dan gaan we met de hele groep naar Sibornal.’
Oyre zei: ‘Mijn vader zou jou en Laintal Ay nooit vermoorden. Dat is maar wild gepraat wat er ook in het verleden gebeurd mag zijn.’
Weer haalde Dathka zijn schouders op. ‘Kun jij instaan voor wat hij doet als Shay Tal verdwenen is? Kunnen we van hem op aan?’
‘Dat is allemaal al zo lang geleden,’ zei Oyre. ‘Vader heeft het nou goed met Dol, en ze maken lang zo vaak niet meer ruzie, nu er een kind onderweg is.’
Laintal Ay zei: ‘Oyre, de wereld is zo groot. Laten we meegaan met Shay Tal zoals Dathka net heeft geopperd, en ergens anders opnieuw beginnen. Vry, we nemen jou ook graag mee – je loopt hier echt gevaar zonder de steun van Shay Tal.’
Vry had niets gezegd. Op de onopvallende manier die haar eigen was, had ze slechts deel uitgemaakt van het groepje, en meer niet; maar nu zei ze vastbesloten: ‘Ik kan hier niet weg. Dathka, ik voel me gestreeld door je vriendelijke voorstel, maar ik moet blijven, wat Shay Tal ook doet. Mijn werk begint eindelijk resultaat op te leveren, zoals ik binnenkort hoop te kunnen aankondigen.’
‘Je kan mijn aanwezigheid nog steeds niet verdragen, wel?’ zei hij met een verbeten gezicht.
‘O, daar was ik bijna iets vergeten,’ zei ze vriendelijk.
Ze draaide zich om, Dathka’s sombere blik ontwijkend, en drong zich door de vrouwen heen naar Shay Tal.
‘Je moet alle afstanden opmeten, Shay Tal. Vergeet dat niet. Laat een slaaf elke dag het aantal passen tellen dat je hoksnie aflegt. Kijk hoever het is en in welke richting. Schrijf elke avond alles op. Kijk hoever het is naar dat land Sibornal. Wees zo exact als je kunt.’
Shay Tal stond vorstelijk te midden van het geween en gekakel dat haar kamer vulde. Haar haviksgezicht droeg een gesloten trek als iemand haar aansprak, alsof haar geest al ver van hier was. Ze zei weinig, en dat weinige werd op niet geëmotioneerde toon geuit.
Dathka staarde eerst een tijdje niets ziend naar de muren met hun kronkelpatronen van korstmos, en keek toen Laintal Ay aan met zijn hoofd schuin, terwijl hij naar de deur gebaarde. Toen Laintal Ay zijn hoofd schudde, trok Dathka op een voor hem karakteristieke manier misprijzend met zijn mond en glipte en deur uit. ‘Jammer dat je vrouwen niet kan temmen als hoksnies,’ zei hij, terwijl hij verdween.
‘Hij is tenminste altijd even walgelijk,’ zei Oyre minachtend. Vry en zij namen Laintal Ay apart in een hoekje en begonnen tegen hem te fluisteren. Het was van essentieel belang dat Shay Tal de volgende dag niet zou vertrekken; hij moest hen helpen haar te overreden om te wachten tot de dag daarop.
‘Dat is onzin. Als ze wil gaan dan moet ze dat doen. Dat hebben we toch allemaal al doorgepraat. Eerst willen jullie niet weg, nou willen jullie niet dat zij weggaat. Er ligt een hele wereld buiten de barricaden waar jullie geen weet van hebben.’
Koeltjes plukte ze een sprietje stro uit zijn hoksnies. ‘Ja de wereld van de veroveringen. Ik weet het – ik hoor er genoeg over van vader. Het punt is, dat er morgen een verduistering zal plaatsvinden.’
‘Dat is algemeen bekend. Het is een jaar geleden dat de laatste was.’ ‘Morgen zal het even anders gaan, Laintal Ay.’ zei Vry die op haar praatstoel kwam. ‘We willen alleen maar dat Shay Tal haar vertrek uitstelt. Als ze hier weggaat op de dag van de verduistering zullen de mensen verband gaan leggen tussen die twee dingen. Terwijl wij weten dat er geen verband is.’
Laintal Ay fronste zijn voorhoofd. ‘Nou, en?’
De twee vrouwen keken elkaar onbehaaglijk aan.
‘Wij denken dat er hele kwalijke dingen kunnen gebeuren als ze morgen weggaat.’
‘Aha! Dus jullie denken ook dat er een verband tussen is… Hoe vrouwelijke harnies in elkaar zitten, ik snap het niet! Als er wel een verband bestaat dan kunnen we er toch niet aan ontkomen, nee toch?’
Oyre greep in gespeelde wanhoop haar gezicht vast. ‘De mannelijke harnies… Ieder smoesje is goed om iets niet te doen, wel?’
‘Jullie heksen bemoeien je met wat je niet aangaat.’
Ze lieten hem verachtelijk staan waar hij stond en drongen zich weer in de drukte rond Shay Tal.
De oude vrouwen stonden nog steeds te kakelen over het wonder van het Vismeer in slinkse bewoordingen, onderwijl steeds om zich heen kijkend of de herinneringen wel doordrongen tot Shay Tal, die met haar gedachten ergens anders zat. Maar Shay Tal verried niet dat ze hen hoorde of zag.
‘Je ziet eruit alsof je het leven goed zat bent,’ merkte Rol Sakil op. ‘Misschien dat je, als je ooit in dat Sibornal komt, nog eens trouwt en gelukkig wordt – als de mannen daar net zo gemaakt zijn als de mannen hier.’
‘Misschien zijn ze daar beter van snit,’ antwoordde een andere vrouw onder veel gelach. Diverse mogelijkheden om mannen te verbeteren werden vrolijk geopperd, links en rechts.
Shay Tal ging door met haar spullen pakken, zonder een glimlach. Haar bezittingen waren maar schaars. Toen ze ze uiteindelijk bij elkaar had in twee tassen van geitenvel, wendde ze zich tot de menigte in haar kamer en verzocht iedereen weg te gaan, omdat ze wilde rusten voor ze op reis ging. Ze bedankte ze allemaal dat ze gekomen waren, gaf ze haar zegen, en zei dat ze ze nooit zou vergeten. Ze kuste Vry op haar voorhoofd. Toen riep ze Oyre en Laintal Ay bij zich.
Ze klemde een van Laintal Ay’s handen in de hare, die zo mager waren, en keek hem in zijn ogen met ongewone tederheid. Ze begon pas te spreken toen iedereen de kamer verlaten had, op Oyre na.
‘Wees voorzichtig in al wat je doet, want je bent niet zelfzuchtig genoeg, je zorgt niet genoeg voor jezelf. Begrijp je dat, Laintal Ay? Ik ben blij dat je geen greep hebt gedaan naar de macht die je misschien ziet als je erfdeel, want dat zou je alleen maar zorg en ellende hebben gebracht.’ Ze wendde zich tot Oyre, haar gezicht doorgroefd met ernst.
‘Jij bent me erg lief omdat ik weet hoe lief Laintal Ay je heeft. Mijn advies aan jou, nu we afscheid nemen, is het volgende: word zijn vrouw zo snel als je kunt. Zet geen prijs op je hart, zoals ik eens gedaan heb, en je vader ook– het leidt alleen maar tot grote ellende zoals ik nu, veel te laat, begrijp. Ik was te trots toen ik jong was.’
Oyre zei: ‘Maar u bent niet ellendig, u bent nog trots.’
‘Je kunt je ellendig voelen en toch trots zijn. Luister dus naar wat ik zeg, ik, die jullie moeilijkheden begrijp. Laintal Ay is voor mij min of meer de zoon die ik nooit zal krijgen. Hij houdt van je. Hou van hem – niet alleen met je gevoel, ook met je lichaam. Lichamen zijn er om te braden, niet om uit te roken.’
Ze keek naar haar eigen uitgedroogde vlees, en knikte vaarwel. Batalix ging onder, de echte nacht viel.
Handelaars kwamen in steeds groter aantal naar Oldorando, en uit alle windstreken. De belangrijke aanvoer van zout kwam uit het noorden en zuiden, vanwaar het vaak in geitenkaravanen arriveerde. Er was ook een geregeld pad van Oldorando naar het westen, over het veld, dat gebruikt werd door handelaars uit Kace, die sierdingen bij zich hadden zoals juwelen, gekleurd glas, speelgoed, zilverkleurige muziekinstrumenten en ook suikerriet en zeldzame vruchten; ze hadden het liefst geld, maar omdat Oldorando geen muntstelsel bezat, accepteerden ze ook kruiden, huiden en graan. Soms maakten de mensen uit Kace gebruik van stinkelzakken als lastdier, maar de beesten werden zeldzamer naarmate het warmer werd.
Handelaars en priesters uit Borlien kwamen ook nog steeds aan, hoewel ze al lang geleden geleerd hadden hun verraderlijke noorderbuur te vrezen. Ze verkochten pamfletten en vellen met schuine verhalen op rijm, en mooie metalen potten en pannen.
Uit het oosten kwamen langs verschillende wegen vele kooplieden en soms ook karavanen. Donkere, kleine lieden met groepen Madi- of fagerslaven reisden geregelde routes af waarop Oldorando maar een halteplaats was. Ze brachten fijn gesmede ornamenten en versierselen mee, waar de vrouwen van Oldorando dol op waren. Ja, het gerucht ging dat sommige vrouwen later meetrokken met de donkere kerels; wel was zeker, dat de oosterlingen handelden in jonge Madivrouwen die er heel wild en lieflijk uitzagen, maar wegkwijnden als ze in een toren werden opgesloten. Hoe kwalijk hun reputatie ook was, de kooplieden werden geduld om de waren die ze brachten – niet alleen versierselen, maar ook geweven tapijten, kleden, wandkleden, en sjaals zoals Oldorando nog nooit had gezien.
Al deze reizigers hadden onderdak nodig. Hun kampementen begonnen een sta-in-de-weg te worden. De slaven van Oldorando gingen dus aan het werk om een apart stadje op te trekken, even ten zuiden van de torens, dat ironisch bekend stond als de Pauk. Hier werd handel gedreven; in smalle steegjes dreven huidenkooplieden en andere venters hun nering, met onder handbereik stallen en eethuizen, en een tijdlang was het de handelaren verboden Oldorando zelf te betreden. Maar ze namen toe in aantal, en sommigen vestigden zich in de stad en brachten hun kunst en hun ondeugden mee.
De Oldorandoniërs leerden ook de kunstjes van het handeldrijven. Nieuwe kooplieden benaderden Aoz Roon en verzochten hem om speciale concessies, waaronder het recht om munten te slaan. Die vraag plaagde hun gedachten veel meer, dan de problemen rond de academie, die ze beschouwden als tijdverspilling.
Een groepje Oldorandonische kooplieden, zes in getal, kwam geriefelijk op hoksnies gezeten naar Oldorando terug na een geslaagde expeditie. Bij Freyropkomst hielden ze stil op een heuvel in het noorden, vlak bij het brassimipveldje, vanwaar ze de buitenwijken van de stad konden zien liggen, kil onder het grijze licht. De lucht was zo stil, dat het geluid van verre stemmen tot hen doordrong.
‘Kijk,’ riep een van de jongere kooplieden, terwijl hij zijn hand boven zijn ogen hield. ‘Er is wat gaande bij de poort. We kunnen beter langs de andere weg gaan.’
‘Geen fokkies, toch?’
Ze keken allemaal aandachtig. In de verte zagen ze een groepje mannen en vrouwen de stad uitdrommen. Even later was een aantal besluiteloos blijven staan, zodat de groep in tweeën werd gedeeld. De anderen gingen voort.
‘Niks bijzonders,’ zei de jonge koopman en spoorde zijn hoksnie aan. Hij had een vrouw in Embruddock die hij graag wilde terugzien, en in zijn zak had hij een nieuw sierdingetje voor haar. Het vertrek van Shay Tal zei hem niets.
Al gauw kwam ook Batalix op, en haalde zijn metgezel in daarboven in de lucht.
De kilte, de bleke ochtend met dreigende regen, het avontuur, gaven haar het gevoel dat ze buiten haar lichaam was. Ze voelde geen emotie toen ze Vry tegen zich aandrukte in een zwijgend vaarwel. Haar bediende, Maysa Latra, een willige slavin, hielp haar de trap af met haar weinige bagage. Naast de toren stond Amin Lim, die haar eigen hoksnie en die van Shay Tal bij de teugel hield, en onder tranen afscheid nam van haar man en haar kindje; dat is nu, dacht Shay Tal, een offer dat veel groter is dan het mijne. Ik wil immers graag gaan. Waarom Amin Lim met me meegaat, zal ik wel nooit weten. Maar ze voelde genegenheid voor haar vriendin, zij het vermengd met een tikje minachting.
Vier vrouwen vertrokken met haar: Maysa Latra, Amin Lim en twee jongere volgelingen, toegewijde leerlingen van de academie. Ze waren alle vier bereden en werden vergezeld door een gecastreerde slaaf, Hamadranabail, die te voet ging en twee pakhoksnies bij de teugel voerde, en een koppel woeste jachthonden, met halsbanden die met punten waren bezet.
Nog meer mensen, vrouwen en een paar oudere mannen, volgden de optocht, woorden van afscheid roepend en soms goede raad, ernstig of ook grappig, naar hun stemming was.
Laintal Ay en Oyre stonden te wachten bij de poort om Shay Tal nog een keer te zien, maar ze vermeden het elkaar aan te kijken.
Buiten de poort stond Aoz Roon zelf, in zijn zwarte bontpak, de armen over elkaar, zijn kin op zijn borst. Achter hem stond Grijs onder de hoede van Eline Tal die voor een keer eens net zo weinig opgewekt keek als zijn Heer. Een aantal mannen stond op een kluitje achter hun zwijgende heerser, met sobere gezichten, de armen gekruist.
Toen Shay Tal verscheen, zette Aoz Roon zich met een zwaai in het zadel, en begon langzaam te rijden, niet naar haar toe, maar op een koers die bijna parallel aan de hare liep, zodat ze, als ze zo door zouden gaan, tegen elkaar moesten opbotsen, een eind verder op het pad waar bomen begonnen.
Voor hij dat punt bereikte, ging Aoz Roon van het pad af, en zocht zich een weg tussen de bomen door, parallel aan het pad. De groep vrouwen, met Amin Lim voorop, stilletjes wenend, trok gezapig voort langs het pad. Noch Aoz Roon noch Shay Tal deden een poging met elkaar te spreken, of zelfs naar elkaar te kijken.
Freyr ging nog schuil achter ochtendwolken zodat de wereld kleurloos bleef.
Het pad voerde omhoog, werd smaller, de bomen groeiden dichter opeen. Ze bereikten een daling in de bodem waar de bomen ophielden en de grond sompig was. Kikkers stelden zich plonzend in veiligheid toen de groep naderde. De hoksnies zochten zich langzaam een weg door het nat, met hun poten schuddend van afkeer, en gele modder omhoog stampend die onder het wateroppervlak krullen draaide.
Bomen aan de overzijde van het moeras dwongen de ruiters dichter bij elkaar te rijden. Alsof ze Aoz Roon nu voor het eerst pas opmerkte, riep Shay Tal met haar heldere stem: ‘U behoeft me niet te volgen.’
‘Ik ga u voor, mevrouw, ik volg u niet. Ik zal zorgen dat u veilig het gebied van Oldorando uitkomt. Die eer ben ik u verschuldigd.’
Verder werd er niets gezegd. Ze trokken verder en bereikten tenslotte een helling met veel heesters. Op de top konden ze een duidelijk aangegeven handelspad vinden dat naar het noordoosten voerde, naar Chalce en het verre Sibornal – hoe ver, dat wist niemand. Op de helling die omlaag voerde begonnen de bomen weer. Aoz Roon bereikte de top het eerst en stelde zich daar op, met somber gelaat. Hij zette Grijs met zijn neus naar het pad en liet de vrouwen langs zich gaan.
Shay Tal wendde de kop van Trouw en reed naar hem toe; de trekken van haar gezicht waren krachtig en beheerst.
‘Het is goed van u om zover mee te gaan.’
‘Een behouden reis,’ wenste hij haar op formele toon, terwijl hij zich heel recht hield, met ingetrokken buik. ‘U ziet dat er geen poging wordt ondernomen om u te beletten ons te verlaten.’
Haar stem werd zachter. ‘We zullen elkaar nooit meer zien; vanaf deze dag bestaan we niet meer voor elkaar. Hebben we elkaars leven verknoeid, Aoz Roon’?’
‘Ik begrijp niet waar u het over hebt.’
‘O, jawel. Sinds we kinderen waren hebben we het met elkaar aan de stok gehad. Geef me een woord mee, vriend, nu ik wegga. Wees niet trots; ik ben het ook geweest – maar nu niet.’
Hij kneep zijn mond samen en keek haar aan, zonder iets te zeggen. ‘Alsjeblieft Aoz Roon, één gemeend woord ten afscheid. Ik besef maar al te goed dat ik eens te vaak Nee tegen je heb gezegd.’
Hij knikte. ‘Dat is je ware gemeende woord.’
Ze keek bezorgd om zich heen, dreef toen Trouw met een schop een stap dichterbij, zodat de twee hoksnies elkaar raakten.
‘Zeg me, nu ik voorgoed wegga, of je in je hart nog net zo voor me voelt als eens, toen we jong waren.’
Hij lachte snuivend. ‘Jij bent gek. Je hebt nooit begrepen wat de werkelijkheid was. Je gaat teveel op in jezelf. Ik voel nu niets meer voor je – en jij ook niet voor mij, al weet je dat zelf niet.’
Ze wilde hem vastpakken, maar hij deinsde achteruit en liet zijn tanden zien, als een hond. ‘Gelogen, Aoz Roon, allemaal gelogen! Geef me dan een gebaar nu ik wegga– geef me een afscheidskus, verdomme! Ik, die door jou zo heeft moeten lijden. Een gebaar zegt meer dan woorden.’
‘Daar denken velen anders over. Wat gezegd is, blijft altijd.’
Tranen sprongen in haar ogen, en verdwenen schuins langs haar magere wangen.
‘Dat de fessops je ziel mogen vreten!’
Ze rukte de kop van haar merrie opzij en galoppeerde weg, de bomen in, om haar kleine optocht in te halen.
Hij bleef een ogenblik zitten waar hij was, star in het zadel voor zich uit starend, terwijl zijn knokkels zich witknepen om de teugels. Langzaam wendde hij de kop van Grijs en stuurde haar het bos in, schuin weg van Oldorando, zonder aandacht te besteden aan Eline Tal, die discreet een eindje was achtergebleven.
Grijs meerderde vaart toen ze heuvelafwaarts ging, aangemoedigd door haar meester. Al gauw ging het voort in vliegende galop, terwijl de grond onder hen doorvloog en mensen uit het oog werden verloren. Aoz Roon hief zijn gebalde vuisten ten hemel.
‘Blij dat je weg bent, heksenteef,’ riep hij. Een woest gelach werd uit zijn keel gescheurd, terwijl hij voort daverde.
Het Aards Waarnemingsstation Avernus zag alles op haar tocht langs de hemel. Iedere verandering werd geregistreerd en alle gegevens werden teruggeseind naar de Aarde. Op de Avernus waren de leden van acht geleerde families aan het werk de nieuwe kennis uit te werken.
Ze brachten niet alleen de beweging van de menselijke bevolking in kaart, maar ook van de fagerbevolking, zwarte zowel als witte. Ieder optrekken en terugtrekken werd omgezet in een impuls, die uiteindelijk haar weg zou zoeken door de lichtjaren heen naar de wereldbol en de computers in het Helliconiaans Centronica Instituut op Aarde.
Vanuit de vensters op het station kon het team de planeet beneden gadeslaan, en ook de voortgang van de zonsverduistering, die zich als een grijs koudvuur over de oceanen en de tropische continenten uitbreidde. Op een batterij monitorschermen werd een andere voortgang gevolgd– het optrekken van de kzahhn en zijn kruisleger naar Oldorando. Rekening houdend met het geheel eigen tempo waarin de kruistocht vorderde, bevond ze zich nu nog precies één jaar van het vermoede doel, de vernietiging van de oude stad.
In code werden deze signalen teruggeseind naar de Aarde. Daar zouden vele eeuwen later Helliconia-waarnemers bijeenkomen om de laatste doodsstrijd van het drama te aanschouwen.
De sombere Mordriat, de galmende canyons, de verbrijzelde rotsmuren, de kale vlakten met hun onverwachte beslotenheid, de saaie, hoge valleien waar altijd wolken smeulden, alsof vuur in plaats van ijs de genadeloze onwrikbare omtrekken van deze woestenij had gevormd, lagen achter hen.
Het trage leger, in vele aparte groepen uiteengevallen, was nu op weg naar lager gelegen land dat leeg was, op de Madi’s na met hun kudden, en dichte zwermen vogels. Onverschillig voor hun omgeving, vervolgden de fagers hun weg naar het zuiden.
De kzahhn van Hrastyprt, Hrr-Brahl Yprt, voerde hen aan. Wraak huisde nog krachtig in hun harnies, terwijl ze zich een weg baanden door overstroomd land, ten oosten van de vlakte van Oldorando. Toch waren er al velen gestorven. Ziekte en aanvallen van de genadeloze Zonen van Freyr hadden hun aantallen doen slinken.
Ook waren ze niet best ontvangen door de kleine pelotons fagers door wier land ze trokken. Deze pelotons, die geen kaidaws bezaten, leidden een rustig, gevestigd bestaan, vaak met grote troepen Madi- en mensenslaven, en verzetten zich fel tegen een invasie van hun grondgebied. Hrr-Brahl Yprt had steeds gezegevierd. Alleen ziekten vielen buiten zijn macht. Berichten over zijn optrekkende leger gingen hem vooruit, en de levende wezens op zijn weg zochten een goed heenkomen, zodat de rimpelingen van zijn doortocht zich uitstrekten over een half continent.
Nu stonden de aanvoerders met Hrr-Brahl Yprt voor een breedstromende rivier. Het water was ijskoud; het kwam, al wist het fagerheir dat niet, uit dezelfde hooglanden van de Nktryhk, als waarvan de kruistocht tegen de Zonen van Freyr vertrokken was, duizend mijl daarvandaan. ‘Aan deze stroom zullen wij blijven, terwijl Batalix tweemaal zijn baan langs de hemel aflegt,’ zei Hrr-Brahl Yprt tegen zijn aanvoerders. ‘Hoofdverkenners trekken naar beide kanten de rivier langs om een droge oversteekplaats te vinden; de luchtoctaven zullen hen de weg wijzen.’
Hij floot zijn troepiaal omlaag, die meteen zijn vacht begon door te pluizen op teken. Het was een verstrooid gebaar geweest, want de kzahhn had andere dingen aan zijn harnies, maar hij vond de diertjes opeens lastig worden. Misschien kwam het door de warmte van de omringende vallei. Groene rotswanden stonden aan alle kanten om hen heen en hielden de onwelkome warmte vast, zoals twee holle handen water vangen. De derde blindheid zou spoedig over hen komen. Daarna zou de terugtocht naar een kouder kwartier beginnen.
Maar eerst de wraak.
Hij gebaarde de sierlijke Zzhrrk weg te gaan en beende ervandoor om overzicht te krijgen van de situatie; de vogel bleef boven hem zweven met zo nu en dan een krachtige, neerwaartse vleugelbeweging.
Ze konden hier wachten, terwijl de rest van de legermacht, die een aantal mijlen achter hen aanslierde hen had ingehaald. Banieren werden gehesen, de kaidaws werden losgelaten om te grazen. Hulpjes trokken tenten op voor de leiders. Maaltijden en rituelen werden in gang gezet. Terwijl Batalix en de verraderlijke Freyr boven het kampement zweefden, marcheerde de kzahhn van Hrastyprt zijn tent binnen en gespte zijn aangezichtskroon los. Zijn lange kop stak vooruit tussen zijn stevige schouders, en zijn tonvormig lijf, dat door de ontberingen van de reis magerder geworden was, stak ook vooruit van gretigheid.
De lange wimpers werden geloken en nepen zijn kersrode ogen tot spleetjes, terwijl hij langs zijn gewelfde neus zijn vier volen in ogenschouw nam. Ze stonden in het binnenste van de tent elkaar te duwen en te krabben in afwachting van zijn komst.
Zzhrrk kwam door de opening van de tent naar binnen gezeild, maar Hrr-Brahl Yprt maaide hem weg met zijn arm. Het beest fladderde wild, verloor zijn evenwicht en kwam onelegant op de grond terecht waarna hij de tent uitwaggelde. Hrr-Brahl Yprt trok het kleed achter hem omlaag en sloot de tent. Hij begon zich te ontdoen van zijn wapenrusting, zijn mouwloze jasje, zijn gordel en schaamlap, terwijl hij steeds zijn vier bruiden in het oog hield. Zijn vorstelijke blik gleed van de een naar de ander. Hij besnuffelde ze en snoof hun geur op.
De volen waren ongedurig, ze krabden hun teken en kamden hun lange, witte pels, zodat hun mollige memmen zichtbaar heen en weer zwabberden. Ze snoven en lieten hun bleke lerp handig in hun neusspleten verdwijnen.
‘Jij!’ zei hij, en wees naar het wijfje dat het meest loops was. Terwijl haar metgezellen bonkend wegliepen en achterin de tent op de grond gingen zitten, keerde de uitverkorene de jonge kzahhn haar rug toe en bukte zich. Hij kwam op haar toe en boorde zijn drie vingers diep in het aangeboden vlees, veegde ze dan af aan de vacht van zijn snuit. Zonder veel omhaal hees hij zich bovenop haar, zodat ze doorzakte onder zijn gewicht, tot ze op handen en voeten stond. Langzaam zakte ze nog verder door onder zijn stoten, tot ze met haar brede voorhoofd op het tapijt rustte.
Toen de indracht voorbij was en de andere volen aan kwamen draven om hun zuster te likken, trok Hrr-Brahl Yprt zijn wapenrusting weer aan en marcheerde de tent uit. Het zou drie weken duren voor zijn seksuele belangstelling weer werd gewekt.
De aanvoerder van zijn leger, Yohl-Gharr Wyrrijk, stond onbewogen op hem te wachten. Vlak tegenover elkaar stonden ze, zodat ze elkaar in de ogen konden zien. Yohl-Gharr Wyrrijk wees naar de hemel.
‘De dag komt,’ zei hij. ‘De octaven trekken strak.’
Zijn kzahhn draaide zijn hoofd om en schudde zijn vuist om de lucht boven zich te ontdoen van troepialen. Hij staarde naar Freyr, de plaatsverdringer, en zag hoe deze elke dag dichter naar Batalix toe sloop, als een spin in haar web. Binnenkort, heel binnenkort, zou Freyr zich verschuilen in de buik van zijn vijand. Dan zou het heir op zijn bestemming zijn aangekomen. Dan zouden ze toeslaan en al het kroost van Freyr uitmoorden, dat leefde op de plaats waar Hrr-Brahl Yprts nobele groothest gestorven was; en dan zouden ze de stad brandschatten en uit de herinnering wegvagen. Pas dan zou hem en zijn volgelingen een eerbare staat van kluister geworden. Deze gedachten kropen door zijn harnies als het trage druppelen van ijspegels, die smeltwater omlaag laten spatteren en hun vorm verliezen en de grond doorweken.
‘De twee kiemen naderen elkaar,’ gromde hij.
Later liet hij een mensenslaaf op de stinkelzakhoorn blazen en de verhoornde figuurtjes van zijn vader en overgroothest werden voor hem gebracht. De jonge kzahhn zag dat de beide figuurtjes beschadigd waren geraakt op de lange tocht, ondanks de zorg waarmee ze omgeven waren. Nederig, terwijl grote delen van zijn peloton zich verzamelden aan de zwarte rivier, ging Hrr-Brahl Yprt in trance. Iedereen hield zich volstrekt bewegingloos, naar hun aard, alsof ze bevroren stonden in een zee van lucht.
Niet veel groter dan een ijskonijn, verscheen hem het beeld van zijn overgroothest, op handen en voeten dravend, zoals ooit de trant van de fagers geweest was, heel lang geleden, toen Batalix nog in het web van Freyr gevangen moest worden.
‘Hou de horens hoog,’ zei het ijskonijn. ‘Denk aan de vijandschap, wijs de komst van het groen af, besprenkel het met het rode vocht van de Zonen van Freyr, die het groen heeft gebracht en het wit dat was heeft verjaagd.’
Ook de verhoornde vader verscheen, nauwelijks groter van formaat, en hij boog voor zijn zoon en riep reeksen beelden op in diens bleke harnies.
De wereld ontvouwde zich achter de gesloten oogleden, de drie onderdelen pulseerden. Uit de stroom van zijn wezen blies de wereld de gele draden voort van de luchtoctaven, die als lange linten rond de gebalde vuisten kronkelden en rond de vuisten van de naburige werelden, ook de geliefde Batalix en de spinnengedaante van Freyr omarmend. Wezens die luizen geleken, snelden langs de linten, jammerend op schelle toon. Hrr-Brahl Yprt bedankte zijn vader voor de beelden die door zijn harnies flikkerden. Hij had ze al heel vaak gezien. Alle aanwezigen waren ermee vertrouwd. Ze moesten steeds worden herhaald. Ze vormden het kompas van het kruisheir. Als ze niet werden herhaald, zouden de lichten uitdoven en zou de met harnies volgestopte schedel zijn als een verlaten grot waar de lijken van dode slangen waren opgetast.
Door de herhaling begreep iedereen duidelijk dat de behoefte van een fager de behoeften waren van de gehele wereld, die degenen die naar de andere wereld waren vertrokken Hrl-Ichor Yhar noemden, en dat de behoeften van Hrl-Ichor Yhar de behoeften waren van de enkele fager. Nu kwamen er beelden van de Zonen van Freyr; wanneer de kleuren van de luchtoctaven helderder werden, zouden de Zonen op de grond vallen, ziek worden, en sterven of kleiner worden van formaat. Die tijd was al eerder geweest. Die tijd zou spoedig aanbreken. Verleden en toekomst waren het heden. En ook zouden ze ziek worden als Freyr zich geheel in Batalix verschool. En dan zou het de tijd zijn om hun slag te slaan – tegen alle Zonen van Freyr, maar vooral diegenen wier voorouders de Grote Kzahhn Hrr-Trykh Hrast hadden vermoord.
Gedenk. Wees dapper, genadeloos. Wijk geen duimbreed af van het plan, dat door vele voorouders is doorgegeven.
Er was een geur van vroeger tijd, iets van veraf, ranzig, en vol waarheid. Even zag hij een engelenheir van voorouders, die de oerijsvelden verslonden. De luchtwendingen trokken langs in miljoenen, en waren nimmer stil.
Gedenk. Bereid je voor op het volgende stadium. houd de horens hoog. De jonge kzahhn kwam langzaam uit zijn trance. Zijn witte troepiaal was op zijn linkerschouder neergestreken. Hij liet zijn kromsnavel geruststellend tussen de vachtharen en plooien van de schouder door glijden en begon de luizen op te pikken die daar krioelden. De hoorn werd opnieuw gestoken, en de droevige klank schalde tot ver over de ijskoude rivier.
De melancholieke tonen konden enige mijlen verderop nog worden gehoord, waar een groep fagers van hun peloton was afgesneden. Ze waren acht in getal, zes guilen en twee hesten. Ze hadden een oude, rode kaidaw bij zich, te oud om op te rijden en op wiens rug wapens en mondvoorraad was vastgesnoerd. Een paar dagen tevoren, toen Batalix gunstig en onbetwist aan de hemel stond, hadden ze zes Madi’s gevangen, mannen en vrouwen met hun dieren, die een eind achter een nomadenkaravaan aan trokken die naar het schiereiland Chalce op weg was.
De dieren waren ogenblikkelijk gekookt en opgegeten, nadat hun keel was doorgebeten naar aloude trant.
De ongelukkige Madi’s waren vastgebonden en moesten achter hen aan lopen. Maar de moeilijkheden die ze hadden om de Madi’s mee te krijgen, en het oponthoud voor het feestmaal, hadden de groep achter doen raken bij de hoofdmacht van het leger. Ze waren terechtgekomen aan de verkeerde kant van een beekje dat aanzwol tot een snelle stroom. Regenbuien ontlaadden zich boven de hellingen, het beekje overstroomde, en ze waren afgesneden.
Die Batalixnacht sloegen de krijgers hun kamp op, op een sombere open plek, onder hoge rajabarals; ze bonden de Madi’s vast aan een dun boompje, waar de protognosti zo goed en zo kwaad als ze konden mochten slapen, dicht opeengepakt. De fagers wierpen zich een eindje verderop op de grond, plat op hun rug, terwijl hun troepialen neerstreken op hun borst, met kop en snavel in het warme holletje van de fagerhals. De fagers vielen ogenblikkelijk in hun droomloze, roerloze slaap, als bereidden ze zich voor op kluister.
Gekras van de vogels en gegil van de Madi’s deed hen ontwaken. De Madi’s waren in hun angst losgebroken van het boompje en hadden zich op hun bewakers geworpen, niet uit woede, maar om bescherming te zoeken; ze verlieten zich op hun vijanden om hen te behoeden voor een nog grotere dreiging.
Een van de rajabarals was bezig in tweeën te splijten. De lucht weergalmde van het knappend geraas van vernietiging.
Verticale spleten vormden zich en een bruin sap, dik als pus, spoot eruit. De stoom die van de boom afsloeg omhulde het kronkelende ding, dat bezig was eruit te breken.
‘Wutraworm! Wutraworm!’ gilden de protognosti, terwijl de fagers overeind krabbelden. De aanvoerster liep naar de vastgebonden kaidaw en begon zakelijk wapens uit te delen.
De grote, krakende stronk van de rajabaral was dertig voet hoog. Plotseling vloog de bovenkant eraf, de stukken vielen in het rond als potscherven en in de opening verhief zich Wutra’s worm. De open plek werd overstroomd door de karakteristieke wormenstank, een geur van skak, rotte vis en stinkkaas dooreen.
De kop stak op de soepele nek omhoog als de kop van een slang, glinsterend in het zonlicht, klaar om toe te slaan. Het beest draaide zich om en de rajabaral spleet helemaal open en onthulde nog meer slijmerig wormlijf, dat bezig was zich te ontvouwen, en een afgeworpen huid. Ondergronds zijn gangen borend, was het schepsel via de wortels de rajabaral binnengedrongen en had de boom als schuilplaats gebruikt. De toenemende warmte had hem aan het vervellen gezet, een eerste gedaanteverandering. Nu had hij behoefte aan voedsel, aangezien het volgende stadium van zijn ontwikkeling hem onontkoombaar verder drong in zijn levenscyclus.
Intussen waren de fagers bewapend. De aanvoerster, een dikke guil met zwarte haren in haar vacht, gaf het bevel. Haar twee beste speerwerpers slingerden hun speren op de Wutraworm af.
Het beest kronkelde zich en de speren vlogen erlangs zonder iets te raken. Het merkte de gedaanten beneden op, en dook onmiddellijk als een slang met de kop naar beneden, in de aanvalshouding. De wezens op de grond beseften opeens hoe groot het beest wel was, toen het zo plotseling voor hen zweefde – vier ogen op een rij die hen aanblikkerden boven dikke, vlezige voelhorens, die rondom de mond groeiden. De voelhorens wriemelden als vingers, terwijl de worm zich opmaakte om toe te happen. De mond, vol naar achteren gerichte tanden, hing in plooien, zowel aan de zijkant als in het midden dichtgeknepen.
De kop werd schuin gehouden en kwispelde, toen hij op hen afkwam, als de staart van een asokin. Het ene ogenblik torende hij nog boven de boomtoppen uit, het volgende moment sloeg hij tussen de opgestelde fagers neer. Ze wierpen hun speren en de troepialen stoven op.
De vreemde, kaakloze, beweeglijke mond leek oneindig veel te kunnen behappen. De muil griste een van de fagers mee tussen zijn tanden en tilde haar van de grond. De guil was te zwaar voor de spieren van de soepele nek. Ze werd kermend over de drassige grond gesleept, terwijl ze met haar ene arm naar de geurzakken van het dier sloeg.
‘Dood hem!’ schreeuwde de guil die de leiding had, en stormde naar voren met getrokken mes.
Maar in het schemerige slijm van zijn harnies had de worm een besluit gevormd. Hij beet het stuk vlees in zijn bek verwoed door en liet de rest toen vallen. De kop schoot omhoog, terwijl geel bloed langs de voelsnorren droop, en was buiten gevaar. Het overgebleven deel van de guil beukte met haar vuist op de grond en bleef onbeweeglijk liggen. Terwijl de worm nog bezig was zijn hapje naar binnen te schrokken, begon hij te veranderen en stortte kronkelend neer tussen de jonge boompjes. Hoewel ze niet schrikachtig waren aangelegd, vielen de zeven overblijvende fagers in doodsangst op de grond. De worm was bezig in tweeën te splijten. Hij sleepte zijn bebloede kop over het gras tot hij een eind bij hen vandaan was. Membranen scheurden met een langgerekt geluid. Een membraan als een soort masker rimpelde van de kop af, die zich grotesk ontpopte als twéé koppen. Zolang de koppen bovenop elkaar bleven liggen, leken ze nog op de oorspronkelijke kop. Toen hief de bovenste nieuwe kop zich op, en verdween de gelijkenis. Aan de kaken van de nieuwe koppen ontsproten vlezige voelhorens, die snel uitgroeiden en verstarden in een kring van stekels, met daarachter een kraakbenige mond die wijd open stond en niet dicht kon. Achter deze onbeschaamde opening volgde pas de rest van de kop, met twee horizontaal ingeplante ogen. Een laag slijm, die door de gescheurde membranen was onthuld, droogde snel op en zorgde voor een licht kleurverschil. De ene kop werd blauwgroen, de andere gevlekt blauw. De koppen hieven zich op en deinsden vijandig achteruit, onder luid gebrul.
Hierdoor scheurden er nog meer membranen langs heel het oude lichaam, dat nu twee lichamen bleek te zijn, het ene groen, het andere blauw, slank allebei, en voorzien van vleugels. Een sidderende beweging, die op een doodskramp leek, deed het oude lichaam opschokken. De twee nieuwe messcherpe lijven schoten eruit en sloegen hun papieren vleugels uit. De koppen verhieven zich boven de versplinterde rajabaral en de vleugels gingen verwoed open neer. Acht troepialen vlogen eromheen en krijsten met wijd open snavels.
De twee tegenstrevende schepsels werden rustiger. Het volgende ogenblik hadden ook hun lange, harige staarten de grond verlaten. Ze vlogen, en het licht van Freyr fonkelde op hun schubben en hun generfde vleugels. Het ene monster, het groene, was mannelijk met een dubbele reeks tentakels die halverwege zijn lijf bungelden, het andere, het blauwe, was een wijfje en haar schubben waren minder schitterend. Nu hun vleugels een soepel ritme hadden verkregen, verhieven ze zich boven de boomtoppen. De voorste opening, de mond, slokte lucht naar binnen die door sleuven aan de achterzijde werd uitgestoten. De vreemde wezens vlogen in tegenovergestelde richting de open plek rond, hulpeloos gadegeslagen door het groepje fagers. Toen gingen ze ervandoor op hun eerste echte vlucht.
Weg schoten ze, als vliegende slangen, de een naar het verre noorden, de ander naar het verre zuiden, gehoorzamend aan hun eigen geheimzinnige muzikale luchtoctaven, en plotseling in al hun kracht mooi om aan te zien. Hun lange, slanke lijven golfden door de lucht. Ze wonnen aan hoogte, verhieven zich boven de kom van het dal. Toen waren ze verdwenen, om zich een levensgezel te zoeken in de verst van elkaar gelegen verten.
De volwassen insecten waren hun vorige bestaan, hun eeuwenlange gevangenschap in de winteraarde, vergeten.
Grommend wijdden de fagers zich aan dringender zaken. Ze zochten met hun blik de open plek af. De gekluisterde kaidaw was er nog, en stond gezapig te grazen. De Madi’s waren verdwenen. Ze hadden van de gelegenheid gebruik gemaakt en hadden de benen genomen, het bos in.
Madi’s vormden vrijwel altijd een paar voor het leven, en het was een zeldzaamheid als een weduwe of weduwnaar opnieuw huwde, ja, een soort diepvretende somberheid droeg de overlevende van het paar meestal snel ten grave. De vluchtelingen bestonden uit drie mannen en hun partners. Het paar dat het oudste was – met een paar jaar verschil – heette Cathkaarnit, een samensmelting van hun namen, vanaf hun samengaan. Ze werden van elkaar onderscheiden als Cathkaarnit-hem en Cathkaarnit-haar.
Ze waren alle zes slank en tenger van postuur. Ze waren allemaal donker van huid. De transmenselijke protognosti, waarvan de Madi’s een van de stammen vormden, verschilden in uiterlijk weinig van echte mensen. Hun getuite lippen, veroorzaakt door de vorm van hun schedelbeenderen en de inplant van hun tanden, schonken hen een nogal droevig uiterlijk. Ze bezaten aan elke hand acht vingers, waarvan er vier opponeerbaar waren, zodat ze een verbazend stevige greep hadden. Aan hun voeten zaten ook vier tenen die naar voren gericht waren en vier tenen aan de achterkant, achter de hiel.
Ze draafden in een gestaag tempo weg van de open plek waar de fagers stonden, een tempo dat ze zo nodig urenlang konden volhouden. Ze draafden door boomgroepen en moerassen, twee aan twee, de Cathkaarnits voorop, gevolgd door het paar dat na hen het oudst was en daarachter het laatste. Wild dat op hun weg kwam, voornamelijk herten, ging haastig op de loop. Een keer joegen ze een wild zwijn van zijn plek. Ze snelden voort zonder stil te houden.
Hun vlucht voerde in grote lijnen naar het westen; de gedachte aan hun acht weken lange gevangenschap gaf hen de kracht om door te zetten. Ze trokken om het overstroomde gebied heen en klommen omhoog tegen de rand van de wijde schotel uit het midden waarvan ze gevlucht waren. De hitte nam af. Tegelijkertijd begon het geleidelijke, maar onwrikbaar stijgende terrein hun energie te slopen. De draf ging over in een snel wandeltempo. Hun huid voelde branderig. Ze zetten door, hun hoofden naar beneden, pijnlijk ademend door neus en mond, zo nu en dan struikelend op de ruwe bodem.
Tenslotte slaakte het achterste paar een zucht en viel hijgend op de grond, met hun handen tegen hun maag. Hun vier metgezellen keken omhoog, zagen dat ze bijna de rug van de helling hadden bereikt, waarna het land vast en zeker weer vlak zou zijn. Ze zetten door, voorover gebogen en lieten zich, zodra ze van de helling de vlakte opgeklauterd waren, op de grond vallen. Hun longen zwoegden.
Vanaf de rand konden ze omlaag kijken door de onnatuurlijk heldere lucht.
Beneden lagen hun twee uitgeputte vrienden op de rand van een enorme kom land. De wanden van de kom werden doorsneden door geulen waar water omlaag stroomde. De beekjes stroomden uit in twee indrukwekkende windingen van een rivier, die hier pas gevormd moest zijn, want er stonden nog half verdronken bomen in. Op plaatsen waar takken en ander afval zich verzameld had, waren dammen gevormd. De brede stroom verdween uit het zicht achter een heuvel.
Geluid van water vervulde de lucht. Ze konden de massieve rajabarals zien staan. Ergens tussen die rajabarals bevond zich de groep fagers waaraan ze ontsnapt waren. Voorbij de rajabarals verhieven zich jonge wouden, die de hellingen bekleedden aan de overkant van de wijde kom. De bomen in dit bos waren van een somber donkergroen, rij op rij, hier en daar onderbroken door een boom die schitterend gouden bladeren droeg, en die de Madi’s kenden als de caspiarn; de bittere knoppen waren eetbaar in tijden van erge honger.
Maar het landschap hield niet op bij het woud. Daarachter konden ze rotswanden zien, die hier en daar waren ingevallen en die een gevaarlijk pad omlaag boden voor mens en dier. De rotswanden maakten deel uit van een bergketen die haar afgeronde vormen tentoonspreidde, zo wijd de blik reikte. De zachte rots waaruit de hellingen bestonden, was gebarsten en had ravijnen gevormd waar planten welig tierden. Waar de begroeiing het dichtst was en de afgebrokkelde vormen van de berg het meest spectaculair, glinsterde een zijrivier, die schuimend omlaag kwam door de rotskloven en in de richting snelde van de vallei.
Voorbij het sponsachtig gesteente van de bergen verhieven zich andere, strengere, van meer duurzaam basalt, hun flanken kaalgeschuurd door de recente wintereeuwen. Geen groene mantel lag om hun schouders. Ze bleven onaangetast, hoewel ze hier en daar overdekt werden met het geel en oranje en wit van kleine bergbloempjes, die zelfs op mijlen afstand nog hun zuivere kleur toonden.
Boven de koepels van de basaltbergen stonden weer andere ketens, blauw, grauw en verschrikkelijk. En als om ieder levend wezen te tonen dat de wereld geen einde kende, kon achter deze bergketens nog weer iets worden ontwaard – land dat heel ver was en heel hoog, en dat in rijen rotspieken zijn tanden liet zien. Bastions van steen waren het, die zich verhieven waar de verzengende koude van de troposfeer begon. De scherpe ogen van de Madi’s namen dit alles in zich op, en ontwaarden ook de kleine vlekjes wit tussen de bomen vlakbij, tussen de caspiarns, op de rotswanden, tussen de hogere berghellingen, ja, zelfs heel ver weg aan de blikkerende zijrivier in het ravijn. Die witte vlekjes herkenden de Madi’s terecht als troepialen. Waar troepialen waren, waren fagers. Zo ver als het oog reikte kon de steelse opmars van het heir van Hrr-Brahl Yprt in kaart worden gebracht met behulp van de troepialen. Geen fager was er te bekennen; toch moest het machtige landschap er tienduizenden herbergen.
Terwijl de Madi’s lagen uit te rusten en te kijken, begon nu de een dan de ander zich te krabben. Het krabben begon zachtjes, als een soort kietelen, maar werd heftiger toen ze wat waren afgekoeld. Al gauw lagen ze over de grond te rollen en te krabben en te vloeken, terwijl het zweet op hun lichaam beet en stak in de vlammende kleine wondjes die hun lijf overdekten. Ze rolden zich op en krabden zich ook met hun voeten. Die wanhopige jeuk overviel hen met tussenpozen, en wel sinds ze door de fagers gevangen waren genomen.
Terwijl ze hun kruis schurkten of verwoed onder hun oksels krabden, of met hun nagels door hun warrige haarbos gingen, dachten ze geen ogenblik aan oorzaak en gevolg, en kwam het niet bij hen op hun uitslag toe te schrijven aan een teek, die ze hadden opgedaan uit de vacht van hun meesters.
Die teek was over het algemeen niet gevaarlijk; althans, als ze door mensen of protognosti werd opgedaan, veroorzaakte ze nooit veel meer dan koorts of uitslag, die zelden langer duurde dan een dag of wat. Maar het warmte evenwicht sloeg door nu Helliconia steeds dichter Freyr naderde. De ixoxidae vermenigvuldigden zich; de vrouwelijke teek bewees Grote Freyr eer door het leggen van miljoenen eitjes.
Al gauw zou die nietige teek, die zozeer onderdeel vormde van het leven dat niemand er acht op sloeg, de overbrenger worden van een virus dat de zogenaamde botkoorts veroorzaakte, en door haar zou heel de wereld een ander aanzien krijgen.
Dit virus ging een actief stadium van ontwikkeling in gedurende het voorjaar van het Helliconiaanse Grote Jaar, ten tijde van de verduisteringen. Elk voorjaar werd de menselijke bevolking geteisterd door de botkoorts; ongeveer de helft van de bevolking kon slechts verwachten het te overleven. De ramp was zo veelomvattend, de gevolgen werkten zo ver door, dat gesteld mocht worden, dat de ziekte zichzelf uitwiste uit de povere annalen die werden bijgehouden.
Terwijl de Madi’s krabbend door de bladeren rolden, besteedden ze geen aandacht aan het land achter hen.
Daar groeiden, buiten het bereik van de hitte van het dal, weelderig gras, met hier en daar pollen van een grof wrattengras dat bekend stond als shoatapraxi, dat een holle stengel bezat en keihard werd als het oud was. Luchtig geklede lieden in hoge laarzen met brede omslagen kwamen uit de beschutting van de shoatapraxi met touwen in hun hand. Ze sprongen de Madi’s op de nek.
Het stel Madi’s dat nog op de helling zat, nam hun kans waar en ging ervandoor hoewel dat betekende dat ze weer in de richting van de fagercolonnes gingen. Hun vier vrienden werden, kronkelend en wel, gevangen genomen. Hun korte, uitputtende vrijheid was voorbij. Ditmaal waren ze het bezit geworden van mensen, en zouden een onbeduidend onderdeeltje vormen van een ander cyclisch gebeuren, de invasie vanuit Sibornal naar het zuiden.
Ze hadden zich onvrijwillig ingelijfd bij het kolonisatieleger van de priesterkrijger Festibariyatid. Dat kon de Cathkaarnits en hun twee kameraden weinig schelen, gebogen als ze gingen onder de voorraden die op hun rug gestapeld werden. Hun nieuwe meesters porden ze aan. Wankelend liepen ze in zuidelijke richting, nog steeds krabbend ondanks hun nieuwe ellende.
Terwijl ze langs de rand van de grote kom naar links trokken, kwam Freyr op aan de hemel. Alles kreeg een tweede schaduw die korter werd naarmate de zon zijn zenit bereikte.
Het landschap zinderde. De midderdagtemperatuur steeg. De nietige teken zwermden in duizenden nietige spleetjes.