9 In de huid van een hoksnie, en er weer uit

De betoverde wildernis begon de oevers van rivieren te omzomen met bomen met sappige stammen. Mist en nevel steeg op uit tot nieuw leven gebrachte beekjes.

Het grote continent Campannlat was ongeveer veertienduizend mijlen lang en vijfduizend mijlen breed. Het besloeg vrijwel de gehele tropische gordel van het ene halfrond van de planeet Helliconia. Het bood een keur van uitersten, in temperatuur, in hoogte en laagte, in kalmte en storm. En nu was het bezig opnieuw tot leven te komen.

Een eeuwenlang proces was bezig het continent korrel voor korrel, bergrug voor bergrug, omlaag te trekken, de troebele zeeën in die haar kust omzoomden. Een vergelijkbare beweging, even genadeloos en van evenveel invloed, dreef het energieniveau omhoog. De klimaatverandering zette een versnelling van de stofwisseling in gang en het gistingsproces van de twee zonnen bracht oprispingen teweeg in de aderen van de wereld: aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, grondverzakkingen, warme bronnen, gigantische zweren van lava. Het bed van de reus kraakte.

De spanningen onder de aarde hadden hun tegenpool op het planeetoppervlak, waar tapijten van kleur te voorschijn schoten op voormalige ijsvelden, en groene speerpunten naar buiten barstten voor de laatste restjes sneeuw in de grond waren gerot, zo dringend riep Freyr hen naar buiten. Maar de zaden hadden zichzelf goed ingepakt, juist met het oog op dat gunstige moment. De bloem antwoordde de ster.

En na de bloem, weer het zaad. En de zaden voorzagen in de energiebehoeften van de nieuwe dieren die over de nieuwe velden uitzwermden. Ook de dieren hadden ingepakt gelegen, wachtend op dit ogenblik. Waar eerst weinig soorten hadden geleefd, tierden nu vele welig. De kristallijnen staat van verstarring werd weggeroffeld onder dravende hoeven. Ze gingen in de rui en lieten hooimijten vol afgeworpen winterhaar achter, die ogenblikkelijk werden geplunderd door de vogels voor nestmateriaal, terwijl hun mest voedsel leverde voor de insecten. De lange nevels krioelden van de heen en weer schietende vogeltjes. Veeltallig gevleugeld leven vonkte als juwelen boven wat tot een ogenblik geleden nog onvruchtbare ijsvlakten waren geweest. In een kwellende kramp van leven strekten de zoogdieren hun poten in volle galop, op weg naar de zomer.

Al die veelvoudige aardse veranderingen, volgend op een onontkoombare astronomische omwenteling, waren zo ingewikkeld dat niemand ze allemaal zou kunnen bevatten. Maar de menselijke geest reageerde er wel op. Ogen gingen open en zagen iets nieuws. In heel Campannlat droeg de liefdesdaad een nieuwe hartstocht in haar sappen.

Mensen werden gezonder maar ziekten verbreidden zich. Alles ging beter maar alles ging ook slechter. Er gingen meer mensen dood maar er bleven ook meer mensen leven. Er was veel meer te eten maar er leden meer mensen honger. Maar ondanks alle tegenstellingen was de dwingende beweging steeds buitenwaarts gericht. Freyr riep, en zelfs de doven gaven gehoor.

De verduistering die Vry en Oyre hadden voorzien, vond inderdaad plaats. Het feit dat zij als enigen in Embruddock dit verwacht hadden, schonk hen veel voldoening, hoewel de gevolgen van de verduistering verder ontstellend waren. Ze zagen hoe angstaanjagend het gebeuren door de niet ingewijden werd ervaren. Zelfs Shay Tal wierp zich op haar bed en verstopte haar gezicht. Dappere jagers bleven binnen zitten. Oude mannen kregen een hartaanval.

Maar de verduistering was niet volkomen.

De langzame erosie van de schijf van Freyr begon vroeg in de middag. Misschien was het juist het trage tempo van de hele zaak, dat de mensen zo van streek bracht, en de lange tijdsduur. Uur na uur werd de uitholling van Freyr voortgezet. Toen de zonnen ondergingen, waren ze nog steeds verstrengeld. Er was geen enkele waarborg dat ze weer te voorschijn zouden komen, of zelfs ongeschonden zouden verschijnen. Het grootste deel van de bevolking rende de huizen uit om deze zonsondergang zonder weerga gade te slaan. In een asgrauwe stilte gleden de verminkte wachters uit het gezicht.

De wereld gaat dood! riep een koopman. Morgen is het ijs weer terug!

Toen de duisternis viel, braken er relletjes uit. Mensen draafden als dollen met fakkels heen en weer. Een nieuw houten huis werd in brand gestoken.

Alleen ogenblikkelijk ingrijpen van Aoz Roon, Eline Tal en een aantal van hun gespierde vrienden, behoedde het dorp voor grotere waanzin. Een man liet het leven bij de brand en het gebouw ging verloren, maar de rest van de nacht bleef het rustig. De volgende ochtend kwam Batalix als gebruikelijk op, en daarna Freyr, geheel ongeschonden. Alles was weer goed behalve dat de ganzen van Embruddock een week lang van de leg af waren.

Wat zou er volgend jaar gebeuren? vroegen Oyre en Vry elkaar. Onafhankelijk van Shay Tal begonnen ze ernstig aan het vraagstuk te werken.

Op het Aards Waarnemingsstation Avernus vormden de verduisteringen slechts een onderdeel van het patroon dat voorbestemd werd door het snijden van de banen van ster A en ster B, die op elkaar stonden onder een hoek van 10 graden. De omloopbanen sneden elkaar 644 en 1.428 aardse jaren na het apastron of, in Helliconiaanse termen, respectievelijk 453 en 1.005 jaar na het apastron. Aan weerszijden van de snijpunten was een reeks jaarlijkse verduisteringen gerangschikt; tijdens het jaar 453 was dit een indrukwekkende reeks van twintig verduisteringen.

De gedeeltelijke verduistering van 632, die het begin was van de serie van twintig, werd door de geleerden op het waarnemingsstation met gepaste wetenschappelijke onthechting gevolgd. Voor hun sjofele medemensen die door de straten van Embruddock holden, hadden de goden die hoog boven hun hoofden zweefden slechts een meedogende glimlach over.

Na de mist, na de verduistering: overstromingen. Wat was de oorzaak en wat het gevolg? Niemand die door het modderbezinksel waadde, kon er iets van zeggen. Het land ten oosten van Oldorando, tot aan het Vismeer en verder, raakte alle kudden herten kwijt en het voedsel werd schaars. De gezwollen Voral was een hindernis tussen hen en het westen, waar regelmatig overvloedig wild werd gesignaleerd.

Aoz Roon toonde hier zijn gave voor het leiderschap. Hij sloot vrede met Laintal Ay en Dathka en wist met hun hulp de burgers zover te krijgen dat ze een brug bouwden over de rivier.

Een dergelijk project was nog nooit ondernomen voor zover de mensen zich konden heugen. Hout was schaars en er moest een rajabaral worden opgezaagd in planken van de benodigde lengte. Het metaalmakerskorps kwam te voorschijn met twee lange zagen waarmee een geschikte boom werd verzaagd. Er werd een tijdelijke werkplaats opgetrokken tussen het vrouwenhuis en de rivier. De twee boten die ze van de Borlieners hadden gestolen, werden met zorg in stukken gehakt en vertimmerd om deel uit te maken van de bovenbouw. De rajabaral werd omgezet in een woud van blokken, wiggen, planken, balken, latten en palen. Wekenlang leek het dorp wel een houtzagerij; afgeschaafde houtkrullen dreven stroomafwaarts langs de ganzen. Oldorando was een en al zaagsel, en de vingers van de arbeiders waren een en al splinter. Dikke palen werden aangesleept en met de grootste moeite vastgezet in de rivierbedding. Slaven stonden tot aan hun nek in de stroom, aan elkaar gebonden voor de veiligheid; wonder boven wonder liet er niemand het leven bij. Langzaam groeide de brug, en Aoz Roon stond erbij en vuurde hen aan. De eerste rij palen werd weggesleurd tijdens een storm. Het werk begon opnieuw. Hout werd tegen hout aangedreven. De logge koppen van mokerhamers suisden neer uit de lucht om met een klap terecht te komen op grote, houten wiggen, waarvan de bovenkant verpulpte onder de slagen. Een smal platform kroop over het water en bleek stevig genoeg te zijn. De beergehulde gedaante van Aoz Roon domineerde heel het tafereel, zwaaiend met zijn armen, of met een hamer of een zweep, aanmoedigingen of verwensingen schreeuwend, altijd bezig. Ze gedachten hem nog lang bij hun rathelkroezen en zeiden vol bewondering: wat een duivel was dat!

Het werk verliep voorspoedig. De arbeiders kregen goede moed. Een brug van vier planken breed, met aan een kant een leuning, overbrugde de donkere Voral. Veel vrouwen weigerden eroverheen te gaan, want ze hadden een hekel aan het snelle water dat in de kieren tussen de planken zichtbaar was, en het voortdurend geslobber van het water tegen de palen. Maar de toegang tot de westelijke vlakten was bevochten. Daar was wild in overvloed en de honger werd afgewend. Aoz Roon had wel reden om tevreden te zijn.

Met de komst van de zomer gingen Freyr en Batalix uiteen; ze kwamen op verschillende tijdstippen op en gingen niet meer tegelijk onder. De dag was zelden zo licht geweest, de nacht was maar zelden helemaal donker. Door de toename van de lichte uren groeide alles voorspoedig. Een tijdlang groeide ook de academie. Tijdens de heroïsche periode dat de brug werd gebouwd, had iedereen meegewerkt. Het tekort aan vlees had voor het eerst de mensen toenemend besef bijgebracht van het belang van graan. Het handjevol zaden dat Laint Ay Shay Tal had toegestopt, werd een handvol akkers waar gerst, rogge en haver groeide in overvloed, en die tegen overvallen werd bewaakt als een van de kostbare bezittingen van de stam van Den.

Nu verschillende vrouwen konden lezen en schrijven, werd het graan dat geoogst werd gewogen en opgeslagen en eerlijk gerantsoeneerd; wild dat werd binnengebracht, werd geturfd, visvangsten werden opgetekend. Ieder varken en elke gans in het dorpje werd op de balans genoteerd. Landbouw en boekhouden leverden voordeel op. Iedereen was bedrijvig aan de gang.

Vry en Oyre hadden het toezicht op de graanakkers en de slaven die er werkten. Vanaf de dichtst bij het dorp liggende akkers konden ze in de verte de grote toren zien boven de wuivende aren, met de wachtpost die er stond. Ze bestudeerden nog steeds de sterren; hun sterrenkaart was zo volledig als maar kon. Sterren vormden vaak het onderwerp van gesprek als ze rondliepen tussen de halmen.

De sterren zijn voortdurend in beweging, net als vissen in een helder meer, zei Vry. Alle vissen maken op hetzelfde moment een bocht. Maar de sterren zijn geen vissen. Ik vraag me af wat het zijn, en waarin ze zwemmen.

Oyre hield een grashalm omhoog tegen de neus die Laintal Ay zo bewonderde en deed eerst haar ene, dan haar andere oog dicht.

De halm lijkt heen en weer te gaan voor mijn ogen. Toch weet ik dat hij al die tijd stilstaat. Misschien staan de sterren stil en zijn wij het die bewegen…’

Vry hoorde het aan en zweeg. Toen zei ze met een bedeesd stemmetje: Oyre, mijn schoonheid, misschien is het inderdaad zo. Misschien is het al die tijd de aarde die beweegt. Maar dan…’

En de wachters?

Ja, die bewegen ook niet Ja, dat klopt. Wij bewegen, we gaan steeds in de rondte als een kolk in de rivier. En ze zijn heel ver weg, net als de sterren…’

‘… maar ze komen dichterbij, Vry, want het wordt steeds warmer…’ Ze keken elkaar aan met open mond en gefronste wenkbrauwen, hun adem ging snel en oppervlakkig. Schoonheid en intelligentie stroomden door de twee meisjes heen.

De jagers, die door de brug de vrijheid van het westen hadden verworven, schonken weinig aandacht aan de rondwentelende hemel. De vlakten lagen open om door hen te worden leeggeroofd. Groen sproot overal te voorschijn, werd geplet onder hun rennende voeten, hun liggende lijven. Bloemknoppen barstten open. Insecten die op manshoogte hoven de grond vlogen, dartelden log tussen de bleke bloemblaadjes. Wild in overvloed liep voor het grijpen, voor het neersteken en terugslepen naar de stad, waar de nieuwe brug bevlekt raakte met dof bloed.

Met de groei van Aoz Roons reputatie, verduisterde die van Shay Tal. Het feit dat vrouwen werden ingezet voor werk dat verband hield met de landbouw of de brug, deed haar greep op het intellectuele leven in de gemeenschap verslappen. Het scheen Shay Tal nauwelijks iets te kunnen schelen; sinds haar terugkeer uit de benedenwereld schuwde ze andere mensen steeds meer. Ze meed Aoz Roon en haar magere gedaante werd steeds minder vaak in de straten gezien. Alleen haar vriendschap met de oude Meester Datnil floreerde.

Hoewel Meester Datnil haar nooit meer iets van het geheime boek van zijn korps had laten zien, dwaalden zijn gedachten vaak af naar het verleden. Het was haar best om te luisteren, als hij de kluwen van zijn herinnering afwond, bevolkte met verdwenen namen; het was, zo dacht ze, niet zo veel anders dan een bezoek aan de fessops. Wat haar duister leek, was voor hem verlicht.

Naar mijn beste weten was Embruddock vroeger veel ingewikkelder van opzet dan nu. Toen is er een ramp gekomen, moet u weten Er is ooit een metselaarskorps geweest, maar dat is eeuwen geleden teloor gegaan. De meester van dat korps was bijzonder gezien.

Shay Tal had al eerder gemerkt dat hij de charmante gewoonte had om over de gebeurtenissen te praten alsof hij er zelf bij was geweest. Ze vermoedde dat hij zich dan iets herinnerde dat hij in zijn geheime boek had gelezen.

Hoe konden zoveel gebouwen in steen worden opgetrokken? vroeg ze hem. We kennen wel de kunst van het bouwen met hout.

Ze zaten in de schemerige vertrekken van de meester. Shay Tal zat voor hem op de vloer gehurkt. Vanwege zijn hoge leeftijd zat Meester Datnil op een steen die tegen de muur was geplaatst, zodat hij makkelijk overeind kon komen. Zijn oude vrouw en Raynil Layan zijn gezel, een volwassen man met een gevorkte baard en zalvende manieren, liepen gedurig in en uit, en dus was de meester voorzichtig in wat hij zei.

Hij beantwoordde haar vraag als volgt: Laten we een eindje in de zon gaan lopen, Moeder Shay. De warmte is goed voor mijn botten, heb ik gemerkt.

Buiten stak hij zijn arm door de hare en ze liepen een paadje af waar krulharige biggetjes naar eten liepen te wroeten. Er was niemand op straat, want de jagers waren eropuit in het westelijke veld en de meeste vrouwen waren op de akker met de slaven. Schurftige honden lagen te slapen in het licht van Freyr.

De jagers zijn tegenwoordig zoveel weg, zei Meester Datnil, dat de vrouwen zich bij hun afwezigheid misdragen. Onze mannelijke Borliense slaven oogsten nu vrouwen zowel als graan. Ik weet niet waar dat naar toe moet.

Mensen copuleren als dieren. De kou is voor het intellect, de warmte voor sensualiteit. Ze keken omhoog, waar kleine wellustige vogeltjes wegschoten in holletjes tussen de stenen van de torens, met in de snavel insecten voor hun jongen.

Hij klopte haar op de arm en keek haar in het afgetrokken gezicht. Maak u niet zo druk. Uw droom om eens naar Sibornal te gaan, is voor u toch ook een bevrediging. We moeten allemaal wat hebben.

Wat hebben? hoezo? Ze fronste haar voorhoofd.

Iets om je aan vast te klampen. Een visioen, een hoop, een droom. We leven niet bij brood alleen, zelfs de minderwaardigsten onder ons niet. Er is altijd een of andere vorm van innerlijk leven, datgene dat overblijft als wij gessies worden.

O, het innerlijk leven Dat kan ook verhongeren, nietwaar?

Hij bleef bij de kruidentoren staan en ze hield ook stil. Ze keken naar de steenblokken die samen de toren vormden. Ondanks zijn ouderdom stond de toren er nog goed bij. De blokken die zo netjes op elkaar aansloten, riepen onbeantwoorde vragen op. Hoe werden stenen uitgehakt en op maat gemaakt? Hoe werden ze op elkaar gebouwd, zodat er een toren ontstond die negen eeuwen kon blijven staan?

Bijen gonsden rond hun voeten. Een zwerm grotere vogels schoof voor de zon langs en verdween achter een van de torens. Ze voelde in haar oren de dag voorbijgaan, en verlangde vurig te worden opgenomen en meegevoerd in iets groots en alomvattends.

Misschien zouden we een kleine toren kunnen maken van modder. Modder droogt mooi hard op. Eerst een kleine toren van modder. Dan een stenen toren. Aoz Roon zou wallen van modder moeten aanleggen rondom Oldorando. Op het ogenblik is het dorp vrijwel onbewaakt. Iedereen is weg. Wie moet het waarschuwingssignaal geven? We liggen hier open en bloot voor overvallers, mensen en onmensen.

Ik heb een keer gelezen, dat een geleerde man uit mijn korps eens een model heeft gemaakt van de wereld, in de vorm van een bol die kon draaien en dan alle landen liet zien – waar Embruddock ooit lag en Sibornal enzovoort. Het is opgeborgen in de piramide met een heleboel andere zaken.

Koning Deniss was bang voor meer dan alleen de koude. Hij was bang voor overvallers. Meester Datnil, ik heb een hele tijd mijn mond gehouden, voor wat een groot deel van mijn meest heimelijke gedachten aangaat. Maar ik word erdoor gekweld en ik moet spreken Ik heb van mijn fessops gehoord dat Embruddock…’ Ze zweeg, zich bewust van de belasting van hetgeen ze zeggen zou, voor ze haar zin afmaakte. Embruddock werd eens geregeerd door fagers.

Na een ogenblik zei de oude man op luchtige toon: Dat is nu wel genoeg zon. We kunnen wel weer naar binnen gaan.

Op weg naar zijn kamer bleef hij staan op de derde verdieping van de toren. Dit was de vergaderzaal van zijn korps en het rook er sterk naar leer. Hij luisterde. Alles was doodstil.

Ik wilde me ervan vergewissen dat mijn gezel uit was. Kom mee.

Op de overloop kwam een klein kamertje uit. Meester Datnil haalde een sleutel uit zijn zak en deed de deur open, terwijl hij nog eens zorgelijk om zich heen keek. Toen hij Shay Tals blik ontmoette, zei hij: Ik wil niet dat iemand ons komt storen. Op wat ik nu ga doen, de geheimen van ons korps met u delen, daar staat de doodstraf op, zoals u begrijpt. En oud als ik zijn mag, ik wil de laatste jaren van mijn leven ook nog genieten.

Ze keek om zich heen, toen ze het hokje instapte dat aan de vergaderzaal grensde. Maar met al hun voorzorg zagen ze toch geen van beiden Raynil Layan staan die als gezel van het korps op het punt stond Meester Datnils mantel om de schouders te krijgen, zodra de oude man zich terugtrok. Hij stond in de schaduwen, achter een paal die de houten trap stutte. Raynil Layan was een pietepeuterig man, die altijd omzichtig te werk ging; op dit ogenblik stond hij doodstil, ademde niet en was even roerloos als de paal die hem gedeeltelijk aan het oog onttrok.

Toen de meester en Shay Tal het hokje waren binnengegaan en de deur achter zich hadden gesloten, kwam Raynil Layan met enige haast in beweging, met een tred die heel licht was voor een zo forse man. Hij legde zijn oog voor een spleet tussen twee planken, die hij daar zelf een tijdje geleden had aangebracht om de bewegingen van de man die hij zou vervangen beter te kunnen bespieden.

Met een gezicht dat vertrok omdat hij zo hard aan zijn gevorkte baardje rukte een zenuwachtige gewoonte die door zijn vijanden spottend werd nageaapt zag hij hoe Datnil Skar de geheime annalen van het witlooierskorps te voorschijn haalde uit het kistje. De oude legde het open voor de blikken van de vrouw. Als Aoz Roon dat bericht kreeg, betekende dat het einde van de oude meester en het begin van de heerschappij van de nieuwe. Raynil Layan liep tree voor tree de trappen af, weloverwogen en bedaard.

Met een bevende vinger wees Meester Datnil naar een lege plek op de bladzijden van het muffe boek. Dit is een geheim dat me vele jaren zwaar heeft gedrukt, Moeder, en ik hoop dat uw schouders er niet te zwak voor zijn. Op het koudste en donkerste ogenblik van een vroeger tijdperk, is Embruddock overstroomd door de vervloekte fagers. Ja, de naam is zelfs een verbastering van de naam van de tweesnedigen: Hrrm Bhhrd Ydohk Ons korps werd toen de stad uit gedreven naar grotten in de wildernis. Maar er werden hier mensen gehouden. Ons ras was toen in slavernij en de fagers regeerden Is dat geen schande?

Ze dacht aan de fagergod Wutra, die in de tempel was aanbeden.

Een schande die nog niet voorbij is. Ze hebben over ons geheerst, zei ze, en ze worden nog steeds aanbeden. Maakt ons dat dan geen slaven tot op de dag van vandaag?

Een vlieg met kopergroene bepantsering, een soort die pas de laatste tijd in de nederzetting werd gezien, kwam zoemend uit een stoffig hoekje en zette zich op het boek.

Meester Datnil keek in plotselinge angst naar Shay Tal op. Ik had de verleiding moeten weerstaan om u dit te laten zien. Dit mag u helemaal niet weten. Zijn gezicht zag er afgetobd uit. Daar zal Wutra me voor straffen.

Gelooft u nog in Wutra, ondanks alle bewijzen?

De oude man beefde, als hoorde hij buiten een voetstap die hem zijn noodlot aanzei. Hij is overal om ons heen Wij zijn zijn slaven…’ Hij deed een uitval naar de vlieg, maar die ontsnapte hem in een spiraalvlucht naar een ver, eigen doel.

De jagers sloegen de hoksnies gade met beroepsmatige verwondering. Van al het leven dat de westelijke vlakte was binnengedrongen, was de hoksnie, in zijn speelsheid, de beste belichaming van de nieuwe geest. Voorbij de nederzetting lag de brug, en voorbij de brug de hoksnies. Freyr had de glassies uit hun lange winterslaap gewekt. Het signaal was van de zon naar de hormoonklieren overgesprongen; leven vulde hun edder, ze rolden zich uit en begonnen weer te leven, kropen uit hun donkere, aangename holletjes om zich uit te rekken en zich te buiten te gaan aan beweging, om zich te verheugen en hoksnies te zijn. Kudden en nog eens kudden hoksnies, zorgeloos als de wind, gestreept en zonder hoornen zodat ze leken op ezels of kleine kaidaws, die galoppeerden en dartelden en graasden en tot aan hun schoften in het verrukkelijke gras zonken. Die bijna alles wat draafde het nakijken konden geven. Elke hoksnie had tweekleurige strepen, die horizontaal van de neus tot aan de staart liepen. De strepen waren vermiljoen en zwart, of vermiljoen en geel, of zwart en geel, of groen en geel, of groen en hemelsblauw, of hemelsblauw en wit, of wit en kersrood, of kersrood en vermiljoen. Wanneer de kudden zich op de grond wierpen om uit te rusten, als katten, met hun poten nonchalant voor zich uit, werden ze een met het landschap, dat ook nieuwe vertoningen had bedacht voor het nieuwe seizoen. Net zoals de hoksnies uit de glassiestaat waren gebroken had de bloemenvlakte haar gedaanteverwisseling ondergaan; van een regel van een lied terug naar de werkelijkheid.

Eerst waren de hoksnies niet bang voor de jagers.

Ze galoppeerden tussen de mannen door, snuivend van vreugde, met wapperende manen, hun hoofden in hun nek gooiend, terwijl ze brede tanden lieten zien die roodgekleurd waren door het vermalen van ereprijs, reeg en rode hondzang. De jagers stonden versteld, gegrepen door verrukking en jachtlust, en lachten om die speelse dieren, met hun konten die zinderden van vuur als het licht van de wachters erop scheen. Dit waren de dieren die de dageraad over de vlakte trokken. In die eerste betovering, bij die eerste ontmoeting, leek het onmogelijk ze te doden. Dan lieten ze een wind, schoten ervandoor als een zuiderzoeltje, met daverende hoeven tussen de geknotte, bruine torentjes die de mieren overal aan het bouwen waren, zwenkten en keken schalks achterom, schuddend met hun manen, hinnikend, en kwamen vaak teruggedraafd om het spelletje nog eens over te doen. Of als ze daar genoeg van hadden, en ook van het grazen met hun zachte snuiten langs de bodem, besprongen de hengsten de merries en rollebolden uitgelaten met ze door de hoge, witte orlisbloemen. Met een schelle liefdesroep die klonk als gelach, stootten ze hun gestreepte staaf in de willige kunne van de merries en gingen er dan, nog druipnat, trots paraderend vandoor, onder applaus van de jagers.

Hun ontspannen stemming sloeg op de mannen over. Ze waren er niet meer zo op gebrand om terug te keren naar hun stenen kamers. Als ze een dartelend dier hadden neergelegd, schikten ze genietend aan om het vuurtje waarboven het geroosterd werd, praatten over vrouwen, snoefden en zongen en snoven de salie op, de hondzang en de skantioem die om hen heen bloeiden en, fijngedrukt door hun lijven, aangename aromas verspreidden.

Over het algemeen was de stemming harmonieus. Toen Raynil Layan verscheen en het was ongebruikelijk dat iemand van de korpsen de jachtgronden betrad was de stemming een tijdje zoek. Aoz Roon nam Raynil Layan apart en praatte met hem, en keek naar de verre horizon. Toen hij terugkwam, stond zijn gezicht grimmig en hij wilde Laintal Ay en Dathka niet zeggen wat er besproken was.

Toen de valse avond over Oldorando viel, en een van de wachters zijn as uitstrooide over de westelijke hemel, roken de hoksniekudden een bekend gevaar. Ze hieven hun neuzen op in de blozende lucht en keken uit naar sabeltongen.

Ook hun vijanden waren vrolijk gekleurd. Sabeltongen waren gestreept, net als hun prooi, maar altijd in zwart met één andere kleur, een bloedkleur, meestal scharlakenrood of roodbruin. Sabeltongen leken sterk op hoksnies, hoewel hun poten korter en dikker waren en hun koppen ronder, hetgeen nog onderstreept werd door het ontbreken van zichtbare oren. De kop, die op een stevige nek was geplaatst, huisvestte het voornaamste wapen van de sabeltong; op de korte afstand was het dier tot een snelle achtervolging in staat en kon dan razendsnel een zwaardscherpe tong uit zijn muil laten schieten, om een vluchtende hoksnie een poot af te snijden.

Toen ze het roofdier eenmaal in actie hadden gezien, behandelden de jagers de sabeltong met behoedzaam ontzag. Van zijn kant toonde de sabeltong geen angst of agressie jegens de mensen; mens had nog nooit op zijn menu gestaan en hij stond voor zover hij wist, niet op dat van de mens.

Vuur scheen het beest aan de trekken. Sabeltanden kregen de gewoonte om twee aan twee, mannetje met wijfje, naar het kampvuur toe te sluipen er daar te gaan zitten of liggen. Ze likten elkaar met hun grote, witte zwaardtongen en verslonden stukken vlees die de mannen hen toewierpen. Maar ze lieten zich niet aanraken en deinsden grauwend achteruit als er voorzichtig een hand naar ze werd uitgestrekt. Die grauw was de jagers genoeg; ze hadden gezien wat een schade die verschrikkelijke tong kon toebrengen als het beest kwaad werd.

Bosjes doornboom en hondzang stonden in bloei. Onder hun zware takken sliepen de mannen. Ze huisden tussen bloesems en zoete geuren, tussen bloemen die nooit tevoren waren gezien of geroken, behalve door de lang verdwenen fessops. In de hondzangbosjes vonden ze nesten van wilde bijen waarvan sommige al overliepen van honing. De honing gistte heel gemakkelijk tot beethel. Van de stroperige beethel werden de mannen goed dronken, en zaten dan elkaar na door het gras, lachend, schreeuwend en worstelend, tot de nieuwsgierige hoksnies kwamen kijken wat dat voor pret was. Ook de hoksnies lieten niet toe dat de mensen ze aanraakten, hoewel menige jager die was meegevoerd door de beethel het wel probeerde, en over het veld achter de dansende spelende dieren aanholde, tot hij omviel en ter plekke in slaap gleed. In vroeger dagen was de thuiskomst altijd het hoogtepunt geweest van de jacht; de uitdaging van de kille sneeuwvelden werd verruild voor warmte en slaap. Dat was nu anders. De jacht was een spel geworden. Hun spieren werden niet meer overbelast en het was warm op het veld. Ook was Oldorando minder aantrekkelijk geworden voor de jagers. Het dorpje werd overvol, want steeds meer kinderen overleefden de gevaren van het eerste levensjaar. De mannen verkozen gezellige beethel slemppartijen op de vlakte boven de klachten die ze vaak te horen kregen als ze thuiskwamen.

Ze kwamen dus niet langer snoevend naar huis in een hechte groep, maar trokken zoetjes aan alleen of getweeën naar huis toe, heel onopvallend.

Aan de nieuwe manier van thuiskomen was echter één opwindend element verbonden dat er vroeger niet geweest was althans voor wat betreft de vrouwen; want waar de mannen hun zorgeloosheid hadden, bezaten de vrouwen hun ijdelheid.

Laat kijken wat je voor me hebt meegebracht!

Dat was in vele toonaarden op ieders lip als de vrouwen hun kinderen naar buiten sleepten om de mannen te begroeten. Ze liepen helemaal tot aan de nieuwe brug en wachtten daar op de oostelijke oever van de Voral, terwijl de kinderen stenen gooiden naar de eenden en de ganzen; ze wachtten ongeduldig tot de mannen terug zouden komen met vlees en huiden.

Op het vlees hadden ze recht, dat hadden ze nodig, en het was geen goed jager die terugkwam zonder vlees.

Maar wat fervente verrukking teweegbracht in de harten van de vrouwen, waren de huiden, de schitterende hoksnievellen. Nooit eerder in hun armoedig bestaan hadden ze over nieuwe kleren gedacht. Nog nooit waren de leerlooiers zo gezocht geweest als nu. Nog nooit waren mannen erop uitgestuurd om iets te doden om niet. Elke vrouw wilde een hoksnievel bezitten en bij voorkeur meer dan één en haar kroost erin kleden.

Ze wedijverden met elkaar, wie de mooiste vellen had. Blauw, paars-rood, aquamarijn en kersrood. Ze zetten de mannen onder druk op een manier die de mannen wel aanstond. Ze maakten zich mooi, verfden hun lippen. Ze liepen pronkend heen en weer. Ze maakten hun haar op. Ze begonnen zich zelfs te wassen.

Als de vellen op de juiste manier werden gedragen, met de lichtgevende strepen verticaal, zag zelfs een klein dik vrouwtje er elegant in uit. De huiden moesten wel juist gesneden worden. Een nieuw ambacht kwam tot bloei in Oldorando, dat van kleermaker. Zoals de bloemen klokjes, sprieten en gezichtjes voortbrachten langs de steegjes tussen de oude verweerde torens, en bloeiende klimop de torens zelf bekroop, zo begonnen de vrouwen meer op bloemen te lijken. Ze kleedden zich in vrolijke kleuren die hun moeders nooit onder ogen hadden gehad.

Het duurde niet lang of de mannen sneden, uit zelfverdediging, ook hun oude, zware bontkleren los en begonnen hoksnievel te dragen.

Het weer werd stil en dreigend en de rajabarals stootten stoom uit van onder hun vlakke deksels.

Oldorando lag stil onder een torenhoge stapelwolk. De jagers waren weg. Shay Tal zat alleen in haar kamer te schrijven. Ze gaf allang niet meer om haar uiterlijk en liep nog steeds rond in haar slecht passende bontvellen. In haar hoofd hoorde ze nog altijd de krakende stemmen van de fessops en de gessies van haar ouders. Ze droomde nog altijd van volmaaktheid en van op reis gaan.

Toen Vry en Amin Lim uit de kamer boven omlaag klommen, keek Shay Tal met een scherpe blik open vroeg: Vry, wat zou jij denken van een bol als model van de wereld?

Vry zei: Dat zou logisch zijn. Een bol draait het soepelst van alle figuren en de andere zwerfsterren zijn ook rond. Dus wij ook.

Een schijf misschien, of een rad? Er is ons altijd verteld dat de rots van oorsprong rust op een schijf.

Veel van wat ons geleerd is, is niet juist gebleken. Dat heeft u ons zelf geleerd, Moeder, zei Vry. Ik geloof dat onze wereld rond de wachters draait.

Shay Tal bleef zitten en keek hen aan, en onder haar onderzoekend oog begonnen ze te draaien. De beide jonge vrouwen hadden hun oude bontpelzen afgelegd en droegen nu kleurige hoksniepakjes. Kersrode en grijze strepen liepen langs het lichaam van Vry omhoog. De oren van het dode dier tooiden haar schouders. Ondanks alle dreigementen en beperkingen van Aoz Roon tegenover de academie, had Dathka haar de vellen ten geschenke gegeven. Ze liep nu veel zelfverzekerder rond. Ze was bekoorlijk geworden.

Plotseling kwam Shay Tals drift boven. Stomme wijven, achterlijke grieten dat jullie zijn, jullie hebben maling aan me. Doe maar niet net alsof. Ik weet best wat er achter die nederige gezichtjes schuilgaat. Kijk eens hoe jullie je kleden tegenwoordig! En we komen niet verder met ons begrip, helemaal niets verder. Alles lijkt alleen maar tot nog meer ingewikkeldheden te leiden. Ik zal naar Sibornal moeten om dat grote rad te vinden waar de gessies het over hadden. Misschien dat daar de ware vrijheid, de zuivere waarheid huist. Hier heerst alleen de vloek van onwetendheid Waar gaan jullie trouwens heen?

Amin Lim breidde haar handen uit, als teken van onschuld. Nergens heen, mevrouw. Alleen maar naar de akker om te kijken of we die schimmel op de haver hebben kunnen genezen.

Ze was een fors meisje, en zeker in deze tijd, met het zaad dat haar man in haar geplant had. Ze stond smekend te kijken, werd dan verlost door een vonkje toestemming in Shay Tals oog, waarop zij en Vry het drukkende vertrek bijna uitvluchtten.

Toen ze langs de vuile stenen treden de aftocht bliezen, zei Vry gelaten: Daar gaat ze weer. Ze barst even geregeld uit haar vel als de Uurfluiter blaast. Arm mens, er moet haar iets echt dwars zitten.

Waar is die poel waar je het over had? Ik heb geen zin om zo ver te lopen in mijn toestand.

Je zult het zalig vinden, Amin Lim. Het is maar een klein eindje voorbij de noordelijke akker, en we kunnen toch langzaam lopen. Oyre is er vast al.

De lucht had zich zo verdicht, dat hij niet langer bloemengeuren meevoerde, maar een eigen metalige geur afgaf. De kleuren leken verblindend in het scherpe zonlicht, de ganzen zagen bovennatuurlijk wit.

Ze liepen tussen de zuilen van de grote rajabarals door. De naakte kegels met hun bolle welving pasten beter bij de strakke lijnen van een winterlandschap; met de wassende weelde vormden ze een dreigend contrast.

Zelfs de rajabarals veranderen, zei Amin Lim. Hoe lang komt er nu al stoom uit de bovenkant?

Vry wist het niet en was ook niet bijzonder geïnteresseerd. Oyre en zij hadden een warme poel ontdekt, waarvan ze de ligging tot nog toe voor zichzelf hadden gehouden. In een nauw dal dat met de monding van Oldorando af lag, waren nieuwe bronnen uit de grond opgekomen, sommige met een temperatuur van tegen het kookpunt, en andere die omlaag gutsten naar de Voral in een wolk van stoom. Een bronnetje, dat door rotsen werd ingedamd, liep de andere kant op, en vormde een besloten poel, omzoomd door groen, maar onder de open hemel. Naar deze poel bracht Vry Amin Lim.

Toen ze de struiken opzij bogen en de gestalte zagen staan aan het poeltje, gaf Amin Lim een schreeuw en sloeg haar hand voor haar mond. Oyre stond op de oever. Ze was naakt. Haar huid glansde van het vocht en water droop van haar volle borsten. Zonder enig teken van schuwheid draaide ze zich om en wuifde opgewonden naar haar vriendinnen. Achter haar lagen de hoksnievellen die ze had uitgetrokken. Kom nou, waar bleven jullie? Het water is heerlijk vandaag.

Amin Lim bleef staan waar ze stond, blozend, en met haar hand nog voor haar mond. Ze had nog nooit iemand naakt gezien.

Dat geeft toch niks, zei Vry die moest lachen om het gezicht van haar vriendin. Het is heerlijk in het water. Ik ga mijn kleren uitdoen en ik ga erin. Kijk maar als je durft.

Ze holde naar Oyre toe en begon de veters los te maken van het kersrood met grijze pakje. Hoksnies werden zo gemaakt dat je ze aan- en uit kon trekken. Het volgende ogenblik werd het pakje op de grond gegooid en stond Vry eveneens naakt, haar slankere welvingen contrasterend met de stevige schoonheid van Oyre. Ze lachte van verrukking.

Toe nou, Amin Lim, doe niet zo duf. Zwemmen is goed voor je kind. Oyre en zij sprongen tegelijk het water in. Toen het hen opslokte, krijsten ze van verrukking.

Amin Lim bleef staan waar ze stond en krijste van afgrijzen.

Ze hadden zich volgevreten aan een enorm feestmaal, met bittere vruchten als toetje na de hompen vlees. Hun gezichten glommen nog van het vet.

De jagers waren dikker dan het vorige seizoen. Het eten was ook zo overvloedig. De hoksnies konden worden neergelegd zonder dat er iemand voor behoefde te draven. De dieren bleven bij hen in de buurt komen, dolden tussen de jagers door en rolden met hun tweekleurige bast tegen de huiden van hun dode kameraden.

Nog steeds in zijn oude, zwarte berenbont gehuld, had Aoz Roon een apartje gehad met Goija Hin, de slavenmeester, wiens brede rug nog zichtbaar was op de terugweg naar de verre torens van Oldorando. Aoz Roon kwam bij het gezelschap terug. Hij graaide een ribstuk naar zich toe dat nog op een steen lag te sissen en rolde ermee door het gras. Curd, zijn grote hond, sprong speels grommend om hem heen, tot Aoz Roon een tak geurige hondzang omlaag trok om het beest van zijn vlees weg te houden.

Hij gaf Dathka een kameraadschappelijke schop.

Dat is pas het goeie leven, hè vriend. Neem het ervan, eet zoveel je kunt voor het ijs weer terugkomt. Bij de rots van oorsprong, ik zal dit seizoen nooit vergeten, zo lang als ik leef.

Heerlijk. Meer zei Dathka niet. Hij was klaar met eten en zat met zijn armen om zijn knieën geslagen naar de hoksnies te kijken, een kudde, die op nog geen kwartmijl afstand in het hoge gras kringetjes draaide. Verdomme, jij zegt ook nooit wat, riep Aoz Roon goedgehumeurd uit, terwijl hij aan het vlees rukte met zijn sterke tanden. Praat nou eens tegen me.

Dathka wendde zijn hoofd opzij, zodat zijn wang op zijn knie rustte en keek Aoz Roon berekenend aan. Wat had je net met Goija Hin, dan? Aoz Roons mond verstrakte. Dat blijft tussen ons tweeën.

Dus jij wilt ook niet praten. Dathka wendde zich weer af en keek weer naar de kleurige hoksnies, ronddravend onder de hoge stapelwolk die zich optastte aan de westelijke horizon. De lucht was vol groenig licht, hetgeen de hoksnies van hun schitterende tinten beroofde.

Uiteindelijk zei hij, als voelde hij de donkere blik van Aoz Roon door zijn schouderbladen priemen, zonder zijn blik af te wenden: Ik zat na te denken.

Aoz Roon smeet zijn afgeknaagde bot aan Curd toe en ging plat op zijn rug liggen onder de bloeiende takken, Goed dan, kom er mee voor de dag. Waar heb je je hele leven over lopen broeden?

Hoe ik een levende hoksnie moet vangen.

Hm. Waar is dat nou goed voor?

Ik zat niet te denken waar het goed voor was, net zo min als jij, toen je Nahkri naar het dak van de toren liet roepen.

Een zware stilte volgde; Aoz Roon zei geen woord. Na een tijdje kwam Eline Tal beethel rondbrengen, terwijl in de verte onweer rommelde. Aoz Roon vroeg, heel in het algemeen: Waar is Laintal Ay? Zeker weer aan het wandelen. Waarom is hij niet bij ons? Jullie worden allemaal veel te lui en te ongehoorzaam. Nou, dr zal sommigen van jullie nog wel een verrassing te wachten staan.

Hij stond op en liep met zware tred weg, op eerbiedige afstand gevolgd door zijn hond.

Laintal Ay was geen hoksnies aan het bestuderen, zoals zijn zwijgzame vriend. Hij was op ander wild uit.

Sinds die nacht, vier lange jaren geleden, dat hij getuige was van de moord op zijn oom Nahkri, had het voorval hem geplaagd. Hij gaf Aoz Roon nu niet meer zo hard de schuld van de moord, want hij begreep nu beter dat de Heer van Embruddock een gekweld mens was.

Ik ben ervan overtuigd dat hij denkt dat er een vloek op hem rust, had Oyre Laintal Ay een keer verteld.

Er mag hem veel vergeven worden vanwege de brug, had Laintal Ay geantwoord, heel praktisch. Maar hij had het gevoel dat hij bedorven was door zijn betrokkenheid bij de moord, en hield steeds meer zijn gedachten voor zich.

De band tussen hem en de mooie Oyre werd tegelijk versterkt en verwrongen door die nacht, toen er te veel rathel was gedronken. Hij was zelfs tegenover haar op zijn hoede.

Hij had de moeilijkheden voor zichzelf op een rijtje gezet. Als ik in Oldorando wil regeren, zoals mijn afstamming beveelt, dan zal ik de vader moeten doden van het meisje dat ik de mijne wil maken. Dat is onmogelijk.

Ongetwijfeld begreep Oyre ook waar het dilemma lag. Maar ze was uitverkoren als de zijne, en ze was voor niemand anders. Hij zou ten dode toe hebben gevochten met elke man die maar in haar buurt kwam. Zijn jachtinstinct, zijn gevoel voor wat een geslepen val zou kunnen zijn, voor het onbedachtzame ogenblik dat rampen kon afroepen, deed hem even duidelijk als Shay Tal inzien, dat Oldorando op dit ogenblik met grote regelmaat onbeschermd bleef tegen aanvallen. Met het huidige warme weer was er niemand waakzaam. De wachtposten stonden te dommelen.

Hij had de kwestie van de verdediging een keer opgeworpen bij Aoz Roon, die een heel aannemelijk antwoord had.

Aoz Roon zei dat niemand, vriend of vijand, tegenwoordig nog ver van huis trok. Het sneeuwdek had het de mensen makkelijk gemaakt om te gaan waar ze wilden; maar nu was alles overwoekerd door groen, en de bosjes werden met de dag dichter begroeid. De tijd voor overvallen was voorbij.

Bovendien, voegde hij eraan toe, waren er geen overvallen van de fagers meer geweest sinds de dag dat Moeder Shay Tal haar wonder had verricht aan het Vismeer. Ze waren veiliger dan ooit. En hij reikte Laintal Ay een beker beethel aan.

Laintal Ay was niet tevreden met dat antwoord. Oom Nahkri had ook gedacht dat hij volkomen veilig was, die nacht toen hij de trap van de grote toren opklom. En een paar minuten later lag hij in het straatje beneden met een gebroken nek.

Toen de jagers dus vandaag uittrokken, was Laintal Ay niet verder meegegaan dan tot aan de brug. Daar keerde hij stilletjes op zijn schreden terug, met het vaste plan het hele dorp in ogenschouw te nemen, om te zien hoe het hen vergaan zou bij een plotselinge overval.

Toen hij zijn omtrekkende beweging rond de uitlopers van het stadje begon, was het eerste wat hij opmerkte een lichte pluim van stoom hoven de Voral. De pluim voer op een bepaalde lijn, midden in de stroom, en week daar niet vanaf. Ze leek rap vooruit te komen op het donkere snelle glijden van het water, maar bleef in werkelijkheid aldoor op dezelfde plaats hangen. Dunne haaltjes stoom rafelden aan de achterkant los en losten op aan de boezem van de rivier. Wat dat beduidde, kon hij nog niet bepalen. Hij liep verder met een gevoel van onbehagen. De atmosfeer werd zwaarder. Jonge bomen waren opgeschoten op heuveltjes die resten van gebouwen in zich borgen. Hij keek door hun slanke tralies naar de overgebleven torens. Aoz Roon had in één opzicht wel gelijk: het was heel moeilijk geworden om om Oldorando heen te lopen.

Maar waarschuwende beelden vormden zich in zijn geest. Hij zag fagers aan komen rijden op kaidaws, over obstakels springen en in het hart van de nederzetting belanden. Hij zag de jagers naar huis komen op hun dooie akkertje, beladen met schitterende vellen, hun koppen zwaar van de beethel. Ze kregen nog de kans om te zien hoe hun huizen in brand werden gestoken en hun vrouwen en kinderen werden gedood, voor ook zij onder de zware hoeven werden vertrappeld.

Hij baande zich een weg door stekelige struiken.

Wat konden de fagers rijden! Wat was er eigenlijk mooier dan op zon kaidaw te klimmen en hem te berijden, hem de baas te zijn, deel te hebben aan zijn kracht, één te zijn met zijn beweging? De woeste beesten verdroegen niemand op hun rug dan fagers, althans dat zeiden de legenden, en hij had nog nooit gehoord van een mens die op een kaidaw reed. Het duizelde hem bij het idee. Mensen gingen te voet Maar een mens op een kaidaw zou meer dan de gelijke zijn van een fager op een kaidaw.

Verdekt achter de bosjes gezeten, kon hij tot aan de noorderpoort kijken die niet bewaakt werd en wijd open stond. Twee vogels zaten op de bovenkant van de poort te kwetteren. Hij vroeg zich af of er die ochtend wel een wacht was uitgezet, of dat de man gewoon zijn post in de steek had gelaten. De stilte kreeg in de zware lucht iets schallends.

Een logge gedaante kwam zijn gezichtsveld binnenlopen. Hij was ogenblikkelijk herkenbaar als de slavenmeester Goija Hin. Achter hem kwam Myk, aan een touw.

Zo, dat werkje van vanmiddag zal jou best bevallen, hoorde Laintal Ay de slavenmeester zeggen. Hij bleef even buiten de poort staan en bond de fager aan een boompje vast. De benen van het beest waren al gekluisterd. Hij klopte Myk bijna hartelijk op zijn pels.

Myk keek enigszins angstig naar Goija Hin. Myk mag hier tijdje in de zon zitten?

‘Niet zitten, staan. Je moet staan, Myk, je moet doen wat je gezegd wordt anders weet je wel wat je krijgt. We doen precies wat Aoz Roon heeft gezegd, anders krijgen we allebei narigheid.’

De oude fager slaakte een grommend geluid. ‘Narigheid is altijd rondom in de luchtoctaven. Wat zijn jullie anders dan narigheid, Zonen van Freyr.’

‘Zeg, nog eens zoiets en ik scheur je je stinkende vacht van je lijf,’ zei Goija Hin, zonder boosheid. ‘Blijf hier staan en doe wat ons is opgedragen, en dan mag je zo je gram halen op een Zoon van Freyr.’

Hij liet het monster staan waar het verscholen stond, en ging er weer vandoor op zijn platvoeten, terug naar de torens. Myk ging prompt op de grond liggen en Laintal Ay zag hem niet meer.

Net als het stoompluimpje dat op de Voral voer, kreeg Laintal Ay een onbehagelijk gevoel door wat hij zojuist had gadegeslagen. Hij stond te wachten, te luisteren, te gissen. De kwetterende stilte zou hij, nog maar een paar jaar geleden, als uiterst onnatuurlijk hebben ervaren. Hij haalde zijn schouders op en liep verder.

Oldorando was niet bewaakt. Er moest iets gebeuren om de jagers wakker te schudden en hen het gevaar onder ogen te brengen. Hij zag dat er stoom uit de koppen van de naakte rajabarals kwam. Weer een voorteken dat hij niet wist te interpreteren. Donder rommelde; ver in het noorden, maar toch met een dreiging die doel trof.

Hij stak een beekje over dat schuimde en waar stoom afsloeg; de damp verstrikte zich in de tanden van de varens die op de oever groeiden. Toen hij zich bukte om zijn hand in het water te steken, merkte hij dat het lekker warm was. Een dode vis kwam langs gedreven, zijn staart boven, vlak onder de oppervlakte. Hij bleef een tijdje op zijn hurken zitten en keek naar de wirwar van nieuw groen, waardoor hij de daken van de torens net kon zien. Hier was eerst geen hete bron geweest.

De grond beefde. Riet slierde in het water in een onophoudelijk ontrollen, salamandertjes flitsten er tussendoor, waren dan weer verdwenen. Vogels vlogen krijsend op boven de torens en daalden weer.

Toen hij zat te wachten of de beving herhaald zou worden, ging vlakbij de Uurfluiter, het geluid van Oldorando dat hij zich al uit zijn vroegste jeugd kon herinneren. Het geluid duurde een fractie langer dan gewoonlijk. Hij wist precies hoe lang het anders duurde; dit keer werd de toon een tel langer aangehouden.

Hij stond op en zette zijn verkenning van de grenzen voort. Toen hij zich moeizaam een weg baande door reegstruiken die tot dijhoogte reikten, hoorde hij stemmen. De ogenblikkelijke reactie van de jager deed Laintal Ay stokstijf stilstaan, waarna hij heel behoedzaam verder ging in gebukte houding. Voor hem helde de bodem vrij scherp om hoog; tijmstruiken bezaaiden de helling. Hij ging op handen en voeten tussen de geurige blaadjes zitten om behoedzaam over de rand te kijken. Hij voelde zijn buik heen en weer zwabberen – zijn eens mager lijf was nu bolgegeten door het goede leven van de laatste tijd.

Opnieuw stemmen – vrouwenstemmen. Hij hief zijn hoofd op en keek over de rand van het heuveltje.

Wat hij ook verwacht had te zien, de werkelijkheid was altijd nog heerlijker. Hij zag voor zich een del, in het midden waarvan een diepe poel lag, omgeven door groen. Stoomkringels stegen op van het water en slierden door de bosjes rondom de poel, die hun vocht weer terug lieten druppelen in het water. Aan de overkant van het poeltje waren twee vrouwen bezig hun hoksniekleren aan te trekken; de een was hoogzwanger. Hij had ze snel thuisgebracht: Amin Lim, en haar metgezel was Vry. Vlakbij, aan de rand van de poel en met haar prachtige rug naar hem toe, stond zijn aanbeden eigenzinnige Oyre, moedernaakt. Toen hij besefte wie het was, stokte zijn adem van plezier. Hij bleef stil liggen kijken naar die schouders, die gewelfde rug, die gloeiende billen en benen, met een verrukking die hem de adem benam.

Batalix had zich bevrijd uit een van de reusachtige, paarse wolkenkastelen en overstroomde het land met goud. De stralen van de wachter stortten zich schuins uit over Oyre’s kaneelkleurige huid, die op haar schouders en haar borsten bepareld was met waterdruppeltjes. Beekjes zaten elkaar achterna over de mazen van haar huid, om tenslotte uit te lopen over de rotsen aan haar voeten, als om haar als een najade te verbinden met het element dat zij deelden. Haar houding was ontspannen, haar voeten stonden een eindje uit elkaar. Ze had een hand omhoog om het water uit haar ogen te vegen, terwijl ze keek hoe haar vriendinnen zich opmaakten om te vertrekken. Oyre bezat de zorgeloosheid van een dier – zich op het ogenblik niet bewust van de begerige blik van de jager, maar klaar om te vluchten zodra het nodig was.

Haar donkere haar lag kletsnat tegen haar hoofd en natte staartjes krulden zich rond haar schouders en hals en deden haar op een otter lijken.

Laintal Ay kon maar zo nu en dan iets van haar gezicht zien vanaf de plaats waar hij zat. Hij had nog nooit een naakt lichaam gezien, van geen man en van geen vrouw; de zede had, geholpen door de kou, naaktheid verbannen uit Oldorando. Overweldigd door hetgeen hij zag, liet hij zijn gezicht zakken in een pluk tijm. Het bloed klopte heftig in zijn slapen.

Toen hij zijn hoofd weer kon opheffen en weer durfde te kijken, riep de beweging van haar billen toen ze haar vriendinnen uitzwaaide en zich omdraaide, een sterke betovering in hem wakker. Hij ademde een andere lucht. Oyre stond bijna dromerig naar de poel te kijken, omlaagturend in de zuivere diepten, en haar wimpers glansden op haar wangen. Toen ze zich weer bewoog, kon hij haar schaamte zien, bedekt met kleine natte staartjes, haar prachtige buik en de geraffineerde draaikolk van haar navel. Een ogenblik werd het allemaal onthuld toen ze haar armen ophief en in de poel sprong.

Hij was alleen met het zware zonlicht en de stoom die door de bosjes rolde, tot ze weer lachend boven water kwam.

Ze klom vlak bij hem weer op de oever en haar borsten zwaaiden door de beweging voor haar lichaam uit, zachtjes tegen elkaar drillend. ‘Oyre, gouden Oyre!’ riep hij in extase.

Hij kwam overeind.

Ze stond ineengedoken voor hem, en in het holletje in haar hals klopte een adertje. Haar blik op hem was zwaar, haar donkere ogen schitterden, maar met een soort sensuele matheid die door de rijpe warmte alom werd opgeroepen. Hij zag opnieuw de schoonheid in het korte ovaal van haar gezicht, gevat in otterhaartjes, en de zoete lijn van haar wenkbrauwen en oogplooien. De wenkbrauwen waren opgetrokken, maar na haar aanvankelijke verrassing toonde ze geen angst, keek hem alleen maar aan met haar lippen vaneen, wachtend op wat hij nu zou doen, alsof ze echt niet wist wat dat zou zijn. Toen gleed, of het haar nu pas te binnen schoot, haar gekromde hand omlaag en bedekte haar kunne. Het gebaar was eerder provocerend dan beschermend. Ze was zich van haar schoonheid goed bewust en bezat een natuurlijke waardigheid. Vier wellustige vogeltjes fladderden bij hen omlaag, overweldigd door de zwaarte van de namiddag.

Laintal Ay liep met grote stappen door de strook gras en greep haar beet. Hij keek haar fel in de ogen, voelde haar lichaam tegen zijn bontpelzen. Hij greep haar hals en kuste haar hartstochtelijk op haar mond.

Oyre deed een stap achteruit en likte haar lippen af, terwijl ze een beetje glimlachte en haar ogen samenkneep.

‘Kleed je eens uit. Laat Batalix maar zien hoe je gebouwd bent,’ zei ze. De woorden waren een uitnodiging en ook een uitdaging. Hij maakte zijn halsveters los, greep dan de halsopening van zijn tuniek en trok, zodat de naad barstte. Met een luid scheurend geluid ging zijn tuniek open en hij smeet hem op de grond. Zijn broek onderging hetzelfde lot, en hij trapte ze uit. Hij was zich hevig bewust dat zijn paal stijf uitstond voor zijn lichaam, toen hij op haar af liep.

Oyre greep zijn vooruitgestoken arm, trok, gaf hem een trap tegen zijn schenen en deed snel een stap achteruit, waardoor hij in zijn volle lengte in het water belandde.

De vochtige lippen van de poel sloten zich boven het hoofd van Laintal Ay. Het voelde verbazend heet. Hij kwam snakkend naar adem weer boven.

Ze leunde lachend over het water, haar handen op haar fraaie knieën gesteund. ‘Was jij je eerst maar, ouwe vlooienbaal, anders krijg je me niet!’

Hij spatte haar nat, sloeg met zijn hand op het wateroppervlak, half lachend, half kwaad.

Toen ze hem er weer uithielp, was ze veel tederder. Ze voelde glibberig onder zijn handen. Toen ze in het gras knielden, stak hij zijn hand tussen haar benen en betastte de fijne zachte omtrekken. Meteen spoot zijn zaad te voorschijn, en viel op het gras.

‘O, stommeling, stommeling die je bent!’ riep ze en gaf hem een klap tegen zijn borst. Haar gezicht was vertrokken van teleurstelling.

‘Nee, nee, Oyre, het is toch niks. Geef me een minuutje de tijd, alsjeblieft. Ik hou van je, Oyre, met heel mijn edder. Ik heb altijd naar je verlangd, altijd. Kom bij me, maak me weer verlangend.’

Maar Oyre stond op, een en al ergernis en onervarenheid. Ondanks zijn vleiende woorden voelde hij zich woedend worden, op haar, op zichzelf. Hij sprong overeind.

‘Skak nog toe, je moet ook niet zo mooi zijn, kreng dat je bent!’

Hij greep haar bij haar arm, trok haar onzacht mee en duwde haar naar de dampende poel. Ze greep zijn haren beet, grauwend en krijsend. Samen tuimelden ze het water in.

Hij sloeg zijn arm om haar rug, greep haar onder water beet, kuste haar toen ze weer boven kwamen en greep met zijn linkerhand haar borst. Lachend klommen ze tegen de modderige oever op en rolden op hun rug. Hij haakte zijn been over het hare en klom op haar. Ze kuste hem hartstochtelijk en stak haar tong in zijn mond op het moment dat hij haar kunne binnenging.

Daar lagen ze in een geheime plaats, sereen, extatisch, en bedreven de liefde. De modder, die aan hun lijf plakte, slaakte sussende geluidjes, alsof ze vol microben zat die allemaal gemeenschap bedreven om uitdrukking te geven aan hun levensvreugde.

Ze was loom bezig haar hoksniepak weer aan te trekken. De zachte vellen droegen een opmerkelijk patroon van donkerblauwe en lichtblauwe strepen die van breedte veranderden in neergaande lijn langs Oyre’s mooie lichaam. De middag was drukkend geworden en de donder rommelde vlakbij, zo nu en dan uitbarstend in scherpe slagen, als kreten van protest.

Laintal Ay lag naast Oyre op de grond en keek naar haar bewegingen, zijn ogen half gesloten.

‘Ik heb altijd naar je verlangd,’ zei hij, ‘jarenlang. Je vlees is als een hete bron. Jij wordt mijn vrouw. We gaan hier elke middag naar toe.’ Ze zei niets. Zachtjes voor zich heen begon ze te zingen.

De rivier verglijdt
Net als onze tijd..

‘Ik verlang zo naar je, Oyre, elke dag. Jij wil mij toch ook, hè?’

Ze keek hem aan en zei: ‘Ja, ja, Laintal Ay, ik wilde jou ook. Maar ik kan niet je vrouw zijn.’

Hij voelde de grond onder zich beven.

‘Wat bedoel je?’

Ze leek te aarzelen, boog zich toen naar hem toe. Toen hij automatisch zijn hand uitstak om haar vast te pakken, ging ze achteruit en stopte haar borsten in haar tuniek. Ze zei: ‘Ik hou van je, Laintal Ay, maar ik word niet je vrouw.

Ik heb altijd gedacht dat de academie gewoon een soort afleiding was, een zoethoudertje voor domme vrouwen als Amin Lim. Nu het weer zo mooi is, valt de hele zaak uit elkaar. Om eerlijk te zijn, alleen Vry en Shay Tal geven er eigenlijk om, en misschien oude Meester Datnil. Desondanks hecht ik grote waarde aan het voorbeeld van onafhankelijkheid dat Shay Tal ons stelt, en ik volg het na. Shay Tal wil het hoofd niet buigen voor mijn vader – hoewel ik vermoed dat ze krankzinnig naar hem verlangt, zoals iedereen trouwens – en ik volg haar voorbeeld; als ik jouw bezit word, ben ik niets meer.’

Hij krabbelde overeind, ging op zijn knieën zitten met een wanhopig gezicht. ‘Dat is niet zo, dat is niet zo. Jij zal… jij zal alles voor me zijn, Oyre, alles. We zijn toch niets zonder elkaar?’

‘Ja, een paar weken lang.’

‘Wat verwacht je dan?’

‘Wat ik verwacht…’ Ze rolde met haar ogen en zuchtte. Ze streek haar nog vochtige haar achterover en keek om zich heen naar de jonge struiken, de hemel, de vogels. ‘Het is niet dat ik mezelf zo hoog stel. Ik kan zo weinig. Als ik onafhankelijk blijf zoals Shay Tal, misschien dat ik dan iets bereik.’

‘Zo moet je niet praten. Je hebt toch iemand nodig om je te beschermen. Shay Tal en Vry, die zijn toch niet gelukkig? Shay Tal lacht nooit, of wel soms? Ze is trouwens al oud. Ik wil voor je zorgen en je gelukkig maken. Meer wil ik niet.’

Ze stond haar tuniek dicht te knopen en hield haar blik gevestigd op het houtje-touwtje systeem dat ze zelf had ontworpen (tot verbazing van de kleermaker), om de huiden zonder veel moeite aan en uit te kunnen trekken.

‘O, Laintal Ay, ik ben zo moeilijk. Ik heb moeite met mezelf. Ik weet niet echt wat ik wil. Ik zou zo willen oplossen en wegvloeien met dat verrukkelijke water. Wie weet waar het vandaan komt, waar het heen gaat? Misschien wel uit de edder van de aarde zelf… Ik hou echt van je, heus; op mijn afschuwelijke manier. Moet je luisteren, we zullen een afspraak maken.’

Ze hield op met haar sluiting te spelen en kwam voor hem staan, haar handen in haar zij en keek op hem neer.

‘Doe iets heel groots en verbazingwekkends, één ding maar, één geweldige daad, dan ben ik voor altijd je vrouw. Begrijp je wat ik zeg? Een grote daad, Laintal Ay – één grote daad en ik ben van jou. Dan doe ik alles wat je maar wilt.’

Hij stond open deed een paar passen bij haar vandaan, bekeek haar eens goed. ‘Een grote daad? Wat voor grote daden bedoel je? Bij de rots van oorsprong, je bent een vreemd meisje, Oyre.’

Ze schudde haar vochtige haren. ‘Ja, als ik het je voorkauwde zou het geen grote daad meer zijn. Begrijp je dat? Trouwens ik weet ook niet goed wat ik bedoel. Doe je best, doe je best… je begint trouwens aardig dik te worden, net of je zwanger bent…’

Hij bleef roerloos staan en zijn gezicht was hard. ‘Hoe komt dat toch; als ik tegen jou zeg dat ik van je houd, word ik als dank beledigd.’

‘Jij zegt me de waarheid – hoop ik. Ik zeg jou ook de waarheid. Maar ik wil je niet kwetsen. Heus, ik ben heel zacht in feite. Maar jij maakt dingen in me los, dingen die ik nog nooit tegen iemand heb gezegd. Ik verlang naar… nee, ik weet niet waar ik naar verlang… glorie misschien. Doe iets groots, Laintal Ay, dat smeek ik je, iets geweldigs, voor we te oud zijn.’

‘Fagers doden of zo?’

Opeens moest ze lachen, het klonk nogal rauw en ze kneep haar ogen erbij dicht. Even leek ze heel sterk op Aoz Roon. ‘Als dat het enige is dat je bedenken kunt. Maar dan zou je er wel een miljoen moeten doden.’

Hij keek beduusd.

‘Jij denkt dus dat je een miljoen fagers waard bent?’

Oyre maakte een gebaar als sloeg ze zich hard tegen haar voorhoofd, alsof haar harnies los waren geschoten. ‘Het gaat niet om mij, snap je dat dan niet? Het gaat om jezelf. Probeer een keer iets groots te doen, omwille van jezelf. We zitten gevangen in wat volgens Shay Tal een achterlijk gat is. Laten we er dan tenminste een legendarisch gat van maken.’

De grond beefde opnieuw. ‘Skak!’ zei hij. ‘De aarde is echt in beweging.’

Wakker geschud uit hun ruzie, keken ze om zich heen, elkaar vergetend. Een bronskleurig wolkendek werd uitgeworpen door de luchtkastelen, die nu in het hart purper werden, met gelige randen. De hitte werd intens; ze stonden te midden van een drukkende stilte, met de rug naar elkaar toe.

Een herhaald smakkend geluid deed hen omkijken naar de poel. Het oppervlak werd ontsierd door gele bellen die omhoogkwamen en steeds groter werden, om dan uiteen te spatten en een smerige troep te verspreiden door het water, dat tot nog toe zo zuiver was geweest. De bellen kwamen omhoog uit de diepten en gaven een stank af van rotte eieren, steeds sneller en steeds zwarter. Dikke mist vulde de del.

Een modderstroom spoot opeens uit de poel en schoot schuimend de lucht in. Spetters kokend hete smurrie vlogen her en der en bespikkelden het omringende gebladerte. De twee mensen holden er angstig vandoor, zij in haar kleedje dat de kleur had van een zomerhemel. Ze waren nog geen minuut weg of de poel was één grote massa ziedende zwarte blubber.

Voor ze Oldorando konden bereiken, openden de sluizen van de hemel zich en kwam de regen omlaag, grauw en verkillend.

Toen ze de grote toren in klommen, hoorden ze boven stemmen. Die van Aoz Roon klonk boven alles uit. Hij was net teruggekomen met makkers van zijn eigen generatie – Tanth Ein, Faralin Ferd en Eline Tal, stoere krijgers en goede jagers; hun vrouwen stonden erbij, opgewonden roepend over de nieuwe hoksnievellen, en ook Dol Sakil die gemelijk in haar eentje op de vensterbank zat en zich niets aantrok van de neerplenzende regen. Aanwezig was ook Raynil Layan en zijn pelzen waren volkomen droog; hij betastte zijn gevorkte baardje en keek bezorgd heen en weer, zonder iets te zeggen, zonder dat er tegen hem gesproken werd.

Aoz Roon schonk zijn natuurlijke dochter niet meer dan een korte blik, voor hij op hoge toon tegen Laintal Ay zei: ‘Je was dus weer eens zoek.’ ‘Ja, een tijdje. Het spijt me. Ik was onze staat van verdediging aan het inspecteren. Ik… ‘

Aoz Roon lachte kortaf en zei, terwijl hij zijn makkers aankeek: ‘Als je in zo’n toestand binnenkomt, samen met Oyre, met alle veters van d’r chique pak los, dan weet ik wel dat je heel wat anders aan het inspecteren bent geweest dan onze staat van verdediging. Je moet niet tegen me liegen, jong kemphaantje dat je d’r bent!’

De andere mannen lachten. Laintal Ay werd vuurrood.

‘Ik ben geen leugenaar. Ik heb inderdaad onze staat van verdediging geïnspecteerd – maar we hébben helemaal geen verdediging. Er zijn geen uitkijkposten, terwijl jullie lagen te slempen in de wildernis.

Oldorando kan op het ogenblik worden veroverd door één gewapende Borliener. We leven veel te makkelijk op het ogenblik, en we geven een heel slecht voorbeeld.’

Hij voelde hoe Oyre kalmerend haar hand op zijn arm legde.

‘Hij is anders maar heel weinig hier,’ zei Dol op plagende toon, maar niemand besteedde daar aandacht aan, want Aoz Roon had zich tot zijn andere makkers gewend en zei: ‘Zien jullie nou wat ik te verduren heb van mijn zogenaamde luitenants? Altijd maar brutaal. Oldorando ligt nu verborgen en beschut door groen dat met de week hoger wordt. Wanneer het strijdbaarder weer terugkomt, en dat zal het wis en zeker, dan is het vroeg genoeg voor oorlog. Je probeert moeilijkheden op te roepen, Laintal Ay.’

‘Dat is niet zo. Ik probeer juist moeilijkheden te voorkomen.’

Aoz Roon liep op hem toe en ging vlak voor hem staan; zijn immense zwarte gestalte torende hoog boven de jongen uit.

‘Hou dan je mond en probeer me niet de les te lezen.’

Boven het gedruis van de stortbui konden ze kreten horen, buiten. Dol draaide zich om, om uit het raam te kijken en riep dat er iemand moeilijkheden had. Oyre holde naar haar toe.

‘Weg daar,’ riep Aoz Roon, maar de drie oudere vrouwen verdrongen zich nu ook om bij het raam te komen. Het werd nog donkerder in het vertrek.

‘We gaan wel kijken wat er aan de hand is,’ zei Tanth Ein. Hij ging de trap af en zijn brede schouders versperden bijna het hele trapluik; Faralin Ferd en Eline Tal kwamen achter hem aan. Raynil Layan bleef achter in de schaduwen en keek hen na. Aoz Roon maakte een gebaar als wilde hij hen tegenhouden, bleef dan besluiteloos midden in de schemerige kamer staan, alleen gadegeslagen door Laintal Ay.

Deze kwam naar hem toe en zei: ‘Ik liet me meeslepen door mijn woede, maar je had me geen leugenaar moeten noemen. Laat dat niet betekenen dat je geen acht slaat op mijn waarschuwing. Het is onze verantwoordelijkheid de stad net zo goed te bewaken als vroeger.’

Aoz Roon beet op zijn lip en zei niets, luisterde niet.

‘Je hebt je ideeën natuurlijk van die vervloekte vrouw, die Shay Tal.’ Hij zei het op afwezige toon, zijn oren gespitst op de geluiden van buiten. Mannengeschreeuw versterkte het gegil dat ze eerder hadden gehoord. De vrouwen aan het raam zetten nu ook een keel op en liepen heen en weer en klampten zich vast aan Dol en aan elkaar.

‘Weg toch, daar!’ riep Aoz Roon, en greep Dol nijdig beet. Curd, de gele hond, begon te huilen.

De wereld danste op het getrommel van het water. De gedaanten aan de voet van de toren zagen grauw onder de neerplenzende regen. Twee van de drie gespierde jagers waren bezig iemand uit de modder te tillen, terwijl de derde, Faralin Ferd, pogingen deed zijn armen om twee vrouwen in doordrenkte bontpelzen heen te slaan en ze naar binnen te krijgen. De oude vrouwen hadden geen oog voor hun gerief en hieven vol verdriet hun gezichten ten hemel, zodat het water in hun open monden liep. Men herkende ze nu: de vrouw van Datnil Skar en een oude weduwe, de tante van Faralin Ferd.

De vrouwen hadden het lichaam samen hierheen gesleept vanaf de noorderpoort waarbij het lijk en zijzelf onder de modder waren komen te zitten. Toen de jagers met hun last overeind gingen staan werd het lichaam pas goed zichtbaar. Het gezicht was vertrokken en ging schuil onder een masker van bloed, dat zo dik was aangekorst, dat de regen het niet kon wegspoelen. Het hoofd viel slap achterover toen de jagers het lichaam optilden. Er stroomde nog steeds bloed over het gezicht en langs de kleding. De keel was weggebeten, alsof iemand een grote hap uit een appel genomen had.

Dol begon te krijsen. Aoz Roon drong langs haar heen, stak zijn brede schouders door de vensteropening en riep naar de mensen beneden: ‘Je kan dat niet hierbinnen brengen.’

De mannen wensten niet naar hem te luisteren. Ze zochten zo snel mogelijk een schuilplaats tegen de regen. Stromen regenwater gutsten omlaag van de borstwering boven. Ze ploegden door de modder met hun bemodderde last.

Aoz Roon vloekte en holde de kamer uit, de trap af. Curd ging hem achterna. Aangestoken door de dramatiek van de gebeurtenissen, volgde Laintal Ay hem, met Oyre en Dol en de andere vrouwen achter zich aan, zich verdringend op de smalle trap. Raynil Layan volgde ook, veel langzamer dan de rest.

De jagers en de oude vrouwen sjouwden en vergezelden het lichaam naar de lage stal en lieten het daar vallen op wat los stro. De mannen deden een stap achteruit en veegden hun gezichten af met hun handen, terwijl een plas water, waarin spiralen bloed rondliepen, langzaam uit het lichaam lekte, en strootjes van wal deed steken die onzeker op de stroom heen en weer draaiden, als boten die een riviermonding zoeken. De oude vrouwen, groteske bundels bont, stonden indrukwekkend te wenen op elkaars schouders. Hoewel het gezicht van de dode vol bloed en haren zat, was er aan zijn identiteit geen twijfel mogelijk. Meester Datnil Skar lag voor hen en Curd snuffelde aan zijn dode oren.

Tanth Eins vrouw was een aantrekkelijk persoontje, Farayl Musk geheten. Ze barstte uit in een reeks jammerende lange uithalen die ze niet verbijten kon.

Niemand kon de dodelijke nekwond voor iets anders aanzien dan voor de beet van een fager. De wijze van terechtstelling die in Pannoval in gebruik was, was hen nagelaten door Yuli de Priester, voor als het eens nodig mocht zijn, wat zelden het geval was. Ergens daarbuiten in de stromende regen schuilde Wutra, en wachtte. Wutra, die eeuwig in oorlog was. Laintal Ay dacht aan de angstaanjagende bewering dat Wutra een fager was. Misschien bestond er werkelijk een god, misschien was hij dan werkelijk een fager. Zijn gedachten gingen terug naar eerder op de dag, vóór hij Oyre naakt had zien staan, toen hij Goija Hin Myk naar de noorderpoort had zien brengen. Hij twijfelde er niet aan wie voor de moord verantwoordelijk was en hij bedacht dat Shay Tal weer redenen zou hebben voor verdriet.

Hij keek naar de verslagen gezichten om zich heen – en het zich verlustigende gezicht van Raynil Layan – en vatte moed. Met luider stem zei hij: ‘Aoz Roon, ik heet jou schuldig aan de moord op deze brave, oude man.’ Hij wees naar Aoz Roon, als meende hij dat er mensen aanwezig waren die niet zouden weten wie hij bedoelde.

Aller ogen richtten zich op de Heer van Embruddock, die met zijn hoofd tegen de zolderingbalken stond, met een bleek gezicht. Op rauwe toon zei hij: ‘Waag het niet me te beschuldigen. Nog één woord, Laintal Ay, en ik sla je tegen de grond.’

Maar Laintal Ay was niet meer te stuiten. Vol woede riep hij spottend: ‘Is dit weer een van je wrede overwinningen op de kennis – op Shay Tal?’

De anderen begonnen te mompelen en werden rusteloos in de benauwde ruimte. Aoz Roon zei: ‘Dit is een kwestie van gerechtigheid. Ik beschik over aanwijzingen dat Datnil Skar buitenstaanders heeft toegestaan het geheime boek van zijn korps in te zien. Dat is verboden. En de gerechte straf daarop is, vroeger en nu nog, de dood.’

‘Gerechtigheid! Ziet dit er soms uit als gerechtigheid? Deze daad is even steels gepleegd als een moord. Jullie zien het allemaal – het is net als de moord op…’

De aanval van Aoz Roon kwam nauwelijks onverwacht, maar was zo verwoed, dat hij zich niet verweren kon. Hij haalde uit naar het gezicht dat zwart van woede voor hem op en neer danste. Hij hoorde Oyre schreeuwen. Toen belandde de vuist van Aoz Roon midden op zijn kaak.

Als van een afstand zag hij zichzelf achteruit wankelen, struikelen over het doorweekte lijk en machteloos op de vloer van de stal belanden.

Hij was zich bewust van geschreeuw, van gekrijs, van laarzen die om hem heen bonkten. Hij voelde trappen tegen zijn ribben. Verwarring, en ze tilden hem op als het lijk dat ze hadden laten vallen – hij deed een poging om te zorgen dat zijn kop niet tegen de muur sloeg – en toen droegen ze hem naar buiten, de stromende regen in. Hij hoorde het onweer rommelen als een reusachtige hartenklop.

Vanaf de stoep smeten ze hem in zijn volle lengte de modder in. De regen striemde zijn gezicht. En liggend in de regen besefte hij dat hij nu niet langer Aoz Roons luitenant was. Van nu af aan was hun vijandschap openlijk, en iedereen kon het zien.

De regen bleef vallen. Dikke wolkengordels rolden aan over het centrale continent. Een sfeer van uitzichtloosheid beheerste de aangelegenheden van Oldorando.

Het verre leger van de jonge kzahhn Hrr-Brahl Yprt werd gedwongen zijn opmars te staken en beschutting te zoeken tussen de ver uiteenleggende heuvels van het westen. De pelotons gingen liever in een soort kluistertoestand dan het hoofd te bieden aan zulk een regen.

De fagers kregen ook aardbevingen te verduren, afkomstig uit dezelfde bron als de trillingen die Oldorando teisterden. Ver in het noorden ondergingen oude slenkgebieden in de streek rond Chalce een hevige seismische verandering. De last van het ijs verdween en de aarde schudde zich en kwam omhoog.

Inmiddels werd in deze periode de oceaan die Helliconia omgordde vrij van ijs, zelfs tot buiten de brede tropische zone, die zich uitstrekte van de evenaar tot 35° noorder– en zuiderbreedte. De westelijke stromingen van het oceaanwater stuwden een reeks vloedgolven op, die vernietiging zaaide in kuststreken over de gehele wereldbol. De vloedgolven deden, vaak samen met de vulkanische activiteit, het aanzien van het land veranderen.

Al deze geologische gebeurtenissen werden gemonitord door de instrumenten van het Aardse Waarnemingsstation dat Vry Kaidaw noemde. De metingen werden teruggeseind naar de verre Aarde. Geen planeet in heel de Melkweg werd zo belangstellend gadegeslagen als Helliconia. Er werd notitie genomen van de afname van de kudden yelk en biyelk, die noordelijk Campannlat bewoonden; hun weidegronden werden bedreigd. Aan de andere kant waren kaidaws bezig zich druk te vermenigvuldigen, waar grensgebieden die tot nog toe onvruchtbaar waren geweest nu weidegrond boden.

Er waren twee soorten gemeenschappen van tweesnedigen op het tropische continent; gevestigde pelotons zonder kaidaws, die van het land leefden, en mobiele nomadengroepen met kaidaws. Niet alleen was de kaidaw van zichzelf al een hoogst mobiele diersoort, zijn voedselbehoefte noopte degenen die hem getemd hadden ertoe, voortdurend in beweging te blijven om nieuwe weidegronden te zoeken. Het leger van de jonge kzahhn bestond bijvoorbeeld uit talrijke kleine pelotons die verplicht waren tot een nomadenbestaan en een vaak oorlogszuchtig leven. Hun kruistocht vormde slechts een aspect van een trek die tientallen jaren zou duren, van het oosten naar het westen van het continent. Een aardbeving die lawines omlaag deed rommelen rond het leger van de kzahhn betekende het einde van een beroering in de aardkorst, die een rivier van smeltwater van de Hryggt-gletsjer een nieuwe loop gaf. Er opende zich een nieuw dal. De nieuwe rivier snelde erdoor, en liep van nu af aan naar het westen in plaats van naar het noorden, zoals vroeger.

Deze rivier baande zich een weg omlaag en werd een zijrivier van de Takissa, die naar het zuiden ging en uitliep in de Arendzee. Het water van de stroom was jarenlang nog zwart; tientallen tonnen bergpuin per dag voerde het met zich mee.

De overstroming die de nieuwe rivier in zijn nieuwe dal veroorzaakte, dwong een nietige groep fagers zich te verstrooien in de richting van Oldorando, in plaats van in oostelijke richting. Het was hun bestemming op een goede dag op Aoz Roon te stoten. Hoewel hun omweg op dat tijdstip van weinig belang leek, zelfs in de ogen van de tweesnedigen zelf, zou deze de hele maatschappelijke geschiedenis van de streek een ander aanzien geven

Op Avernus waren mensen die de maatschappelijke geschiedenis van de Helliconiaanse beschaving bestudeerden, maar het waren de heliografen die hun wetenschap als de hoogste beschouwden. Vóór alles kwam het licht.

Ster B, die de inheemsen Batalix noemden was een bescheiden zon van spectraalklasse G4. In werkelijkheid slechts iets kleiner dan Sol, aangezien de doorsnede 0,94 maal die van Sol bedroeg, was de schijnbare grootte gezien vanaf Helliconia 76% van de grootte van Sol, gezien vanaf de Aarde. Met een fotosfeertemperatuur van 5.600º Kelvin, was de lichtsterkte slechts 0,8 maal die van Sol. De ster was ongeveer vijf miljard jaar oud.

De verderaf staande ster, die plaatselijk de naam Freyr droeg, met daaromheen in een baan ster B, was een veel indrukwekkender object, gezien vanaf Avernus. Ster A was een schitterende, witte superreus van spectraalklasse A, met een doorsnede die 65 x zo groot was als die van Sol, en een helderheid die zestigduizend maal zo groot was. De massa bedroeg 14,8 maal die van Sol, en de oppervlaktetemperatuur bedroeg 11.000° Kelvin, terwijl die van Sol maar 5.780° Kelvin bedroeg.

Hoewel ook ster B voortdurend werd bestudeerd, oefende ster A veel grotere aantrekkingskracht uit, vooral nu Avernus met het hele stelsel van ster B op weg was naar de superreus.

Freyr was tussen de tien en elf miljoen jaar oud. Hij was buiten de hoofdreeks van sterren tot ontwikkeling gekomen, en ging al zijn oude dag in.

Zo intens was de energie die hij uitstootte, dat de schijf van ster A altijd veel helderder was, vanaf Helliconia gezien, dan de schijf van ster B, hoewel hij nooit zo groot leek, hetgeen aan de grotere afstand te wijten was. Het was een object dat de angst der tweesnedigen en de bewondering van Vry ten volle waard was.

Vry stond eenzaam op het dak van de toren met de telescoop naast zich. Ze wachtte. Ze keek. Ze voelde de geschiedenis van menselijke relaties langs zich stromen op weg naar morgen, als een rivier vol slib; wat fris was geweest, werd nu bezwaard door sediment. Onder haar passiviteit lag een ongeformuleerd verlangen om te worden gegrepen door iets wat groter was. en wat haar een breder, zuiverder perspectief kon bieden dan de gebrekkige menselijke natuur tot haar beschikking had.

Als het donker werd, zou ze weer naar de sterren gaan kijken, mits het wolkendek voldoende was opgetrokken.

Oldorando was nu omgeven door palissaden van groen. Elke dag ontvouwden zich nieuwe bladeren die hoger klommen, alsof de natuur van plan was het stadje onder een woud te bedelven. Sommige verderaf staande torens waren al helemaal overwoekerd door plantengroei.

Ze zag een grote, witte vogel zweven boven een van die groene heuvels, maar besteedde er geen bijzondere aandacht aan. Ze keek er alleen naar en bewonderde de moeiteloze manier waarop hij boven de aarde bleef zweven.

Uit de verte klonk het geluid van mannengezang. De jagers waren terug in Oldorando van de hoksniejacht en Aoz Roon hield een feestmaal. Het feest was ter ere van zijn drie nieuwe luitenants, Tanth Ein, Faralin Ferd en Eline Tal. Zijn jeugdvrienden namen de plaats in van Dathka en Laintal Ay die nu gedegradeerd waren tot gewone jagers.

Vry probeerde haar gedachten afstandelijk te houden, maar ze bleven steeds terugkeren naar het meer emotionele onderwerp van hoop die de bodem was ingeslagen. Van haarzelf, van Dathka, tegenover wie ze het nooit zou kunnen opbrengen om tegemoet te komen aan zijn verlangens, en van Laintal Ay. Haar stemming sloot aan bij de lange, lange avond. Batalix was al onder, de andere wachter zou hem over een uur pas volgen. Dit was de tijd dat mens en beest zich voorbereidden op de heerschappij van de nacht. Dit was de tijd om een stompje kaars te voorschijn te halen, voor als er iets gebeurde waar niemand op gerekend had, of ook om te besluiten te slapen tot het ochtendlicht.

Vanuit haar kraaiennest zag Vry de gewone lieden van Oldorando – al dan niet wat opgeschoten met hun hoop – thuiskomen. Ook de gebogen gedaante van Shay Tal.

Shay Tal kwam thuis in gezelschap van Amin Lim, vuil en moe. Sinds de moord op Meester Datnil was ze steeds ingekeerder geworden. De vloek van het zwijgen was ook op haar gevallen. Ze was op dit moment bezig te proberen iets uit te voeren wat de dode meester geopperd had, namelijk te proberen een toegang te graven naar de piramide van Koning Deniss die bij de offerplaats stond. Ondanks de hulp van slaven had ze er geen succes mee. De mensen die gingen kijken naar de zandhopen die werden opgeworpen, lachten, openlijk of in stilte, want de trapsgewijs opgetrokken muren van de piramide zetten zich ononderbroken voort onder de grond, zonder enige opening. Bij elke voet die ze dieper groeven, werd de mond van Shay Tal verbetener.

Bewogen door medelijden en haar eigen eenzaamheid, liep Vry naar beneden om even met Shay Tal te praten. Er was erg weinig magisch te zien aan de oude tovenares: als vrijwel enige vrouw in Oldorando droeg ze nog de onhandige, oude pelzen, die onflatteus rond haar lichaam slierden en haar een ouderwets aanzien gaven. Iedereen liep in hoksnies.

Aangedaan door het treurige gezicht van de oude vrouw, kon Vry zich niet weerhouden haar raad te geven.

‘U maakt uzelf zo ongelukkig, mevrouw. De bodem is vol verleden en duisternis – hou toch op met daarin te graven.’

Met onverwachte geestigheid zei Shay Tal: ‘Wij zien geen van beiden geluk als onze voornaamste plicht.’

‘Maar uw aandacht is zo omlaag gericht.’ Ze wees uit het raam. ‘Kijkt u eens naar die witte vogel, die zo sierlijk in de lucht cirkelt. Wordt u daar dan niet vrolijker van? Ik zou graag zo’n vogel zijn en dan naar de sterren vliegen.’

Enigszins tot Vry’s verbazing liep Shay Tal naar het venster en keek in de richting waarin Vry gewezen had. Toen draaide ze zich om, streek haar haren uit haar gezicht en zei kalm: ‘Je ziet dat het een troepiaal is, die je me aanwees?’

‘Dat kan best. Wat dan?’ Schaduwen liepen al te hoop in het vertrek. ‘Herinner je je het Vismeer niet meer, en andere ontmoetingen? Die vogel is een vaste gezel van de fagers.’

Ze zei het rustig, op de afstandelijke manier waarop ze onderricht gaf. Vry schrok, en bedacht hoezeer ze in zichzelf verdiept was geweest, dat ze een zo elementair feit over het hoofd gezien had. Ze sloeg haar hand voor haar mond en keek van Amin Lim naar Shay Tal.

‘Weer een aanval? Wat moeten we doen?’

‘Aangezien ik niet meer met de Heer van Embruddock spreek en hij niet meer met mij, Vry, moet je erheen gaan en hem inlichten dat de vijand voor zijn poorten kan staan, terwijl hij zit te schransen met zijn makkers. Hij zal wel weten dat hij er niet op kan rekenen dat ik de monsters tegenhoud, zoals ik een keer gedaan heb. Je moet dadelijk gaan.’

Terwijl Vry het pad afsnelde, begon de regen weer. Ze ging op het gezang af. Aoz Roon en zijn kameraden zaten in de benedenste kamer van de toren van het metaalmakerskorps. Hun koppen waren rond van het voedsel en de beethel die voor hen was uitgestald. Een hakbord met een gans, gevuld met reeg en skantioem, vormde het hoofdgerecht; het aroma deed de uitgehongerde Vry watertanden. Onder de aanwezigen bevonden zich de drie nieuwe luitenants en hun vrouwen, de nieuwste meester van de raad, Raynil Layan, en Dol en Oyre. Alleen die twee laatsten keken blij toen Vry binnenkwam. Zoals Vry wist– en Rol Sakil trots had verkondigd – droeg Dol Sakil nu het kind van Aoz Roon in haar schoot.

Er stonden al kaarsen te branden op tafel, honden dromden in de schaduwen onder de tafel. De geuren van gebraden gans en rauwe hondenpies mengden zich dooreen.

Hoewel de mannen rood waren en zweetten, en ondanks de warmte van de waterbuizen, was het koud in de kamer. Het was een klein en smerig vertrek, met in alle hoeken spinnenwebben. Vry nam het allemaal in zich op, terwijl ze zenuwachtig haar nieuws vertelde aan Aoz Roon.

Ze was ooit vertrouwd geweest met elke bijlkras op de zolderbalken. Haar moeder was slavin geweest bij de metaalmakers, en zij had in deze kamer gewoond, althans in een hoek ervan, en had elke avond de vernedering van haar moeder moeten gadeslaan.

Hoewel hij zopas nog behoorlijk aangeschoten had geleken, sprong Aoz Roon ogenblikkelijk overeind. Curd begon verwoed te blaffen en Dol gaf hem zo’n schop dat hij zijn bek hield. De andere feestgangers keken elkaar nogal verdwaasd aan, niet erg genegen het bericht van Vry in zich op te nemen.

Aoz Roon beende om de tafel heen en sloeg hen op de schouders, terwijl hij bevelen uitdeelde.

‘Tanth Ein, ga iedereen waarschuwen en stuur de jagers naar buiten. Bij de edder van God, waarom hebben we ook geen behoorlijke bewaking? Zet uitkijkposten op alle torens en bericht het me zodra het gebeurd is. Faralin Ferd, ga alle vrouwen en kinderen halen. Sluit ze voor de veiligheid op in het vrouwenhuis. Dol en Oyre, jullie blijven hier, en die andere vrouwen ook. Eline Tal, jij hebt de hardste stem – blijf jij hier op het dak van de toren staan en geef berichten door als dat nodig is… Raynil Layan, jij hebt het bevel over alle korpsleden. Haal ze direct hier. Vooruit.’

Na dit spervuur van bevelen, kreeg hij ze met nog meer geschreeuw op de been, terwijl hij ondertussen woest heen en weer ijsbeerde. Toen keerde hij zich om naar Vry. ‘Goed, vrouw, ik wil zelf zien hoe de situatie is. Jullie toren is de meest noordelijke. Ik ga van daaraf kijken. Vooruit jullie, allemaal, en laten we hopen dat het vals alarm is.’

Hij liep met grote stappen naar de deur en zijn hond schoot langs hem heen naar buiten. Met een laatste blik op de gevulde gans kwam Vry achter hem aan. Al gauw klonk er geschreeuw tussen de aangevreten oude torens. De regen werd weer minder. Gele bloemen die op de straten groeiden richtten hun kopjes op en stonden weer trots overeind.

Oyre holde Aoz Roon achterna en kwam naast hem lopen, glimlachend, al gromde hij haar toe dat ze weg moest gaan. Ze huppelde voort in haar donkerblauw – lichtblauw hoksniepakje met iets van leedvermaak. ‘Dat gebeurt u niet vaak, vader, dat u onverhoeds wordt overvallen.’ Hij wierp haar een van zijn donkere blikken toe. Ze dacht alleen maar: hij is de laatste tijd wel oud geworden.

Bij de toren van Vry gekomen, beduidde hij zijn dochter dat ze beneden moest blijven, en liep op een drafje de toren in. Terwijl hij de afbrokkelende trap opklom, kwam Shay Tal op haar overloop te voorschijn. Hij keurde haar alleen een knikje waardig en vervolgde zijn weg naar boven. Ze volgde hem en snoof zijn geur op.

Hij stond aan de borstwering en speurde het donker wordende land af. Hij legde zijn handen als een afdakje boven zijn ogen, zijn ellebogen uit elkaar; zijn benen gespreid. Freyr stond al laag, en zijn licht morste door spleten in het westelijk wolkendak omlaag. De troepiaal cirkelde er nog steeds, niet ver van de toren. In de struiken beneden zijn vleugels was geen beweging te bespeuren.

Shay Tal zei, vanachter zijn brede rug: ‘Er is alleen maar die ene vogel.’ Hij gaf geen antwoord.

‘En dus zijn er misschien geen fagers.’

Zonder zich om te draaien of van houding te veranderen, zei hij: ‘Wat is het veranderd, sinds we kinderen waren.’

‘Ja. Soms mis ik al dat wit nog wel.’

Toen hij zich omdraaide, was het met een uitdrukking van bitterheid op zijn gezicht, die hij slechts met moeite leek te kunnen weg krijgen. ‘Nou, er is kennelijk weinig gevaar. Kom maar mee kijken, als je wilt.’ Toen liep hij zonder aarzeling naar beneden alsof hij zijn uitnodiging betreurde. Curd volgde hem zoals gewoonlijk op de voet. Ze liep mee naar waar de anderen wachtten.

Laintal Ay kwam eraan met zijn speer in zijn hand, gealarmeerd door het geschreeuw.

Aoz Roon en hij keken elkaar nijdig aan. Geen van beiden zei iets. Toen trok Aoz Roon zijn zwaard en marcheerde het pad af, in de richting van de troepiaal.

Het pad was dichtbegroeid. De bladeren spetterden water over hen heen. De vrouwen hadden het het ergst te verduren, want de mannen duwden steeds takken opzij, die dan terugspatten in de gezichten van degenen die achter hen liepen.

Ze sloegen een bocht om waar jonge perenboompjes groeiden, stammetjes dunner dan een mansarm. Er stond een vervallen toren, waarvan nog slechts twee verdiepingen over waren, en die overwoekerd werd door planten. Daarnaast, tegen de aangevreten stenen, zat in een tunnel van sombere, groene schaduw een fager op een kaidaw.

De troepiaal konden ze door de takken heen boven hun hoofd zien cirkelen; het dier kraste waarschuwend.

De mensen bleven staan, de vrouwen kropen instinctief dichter bij elkaar. Curd dook in elkaar en grauwde.

Met de hoornige handen samen op de zadelknop, zat de fager op zijn hoge rijdier. Zijn speren sleepten achter hem aan, hij was nergens op voorbereid. Zijn kersrode ogen gingen wijd open en hij trok met zijn ene oor. Verder verroerde hij zich niet.

De regen had de vacht van de fager doordrenkt en nu hing ze om hem heen in zware, grauwe plukken. Een druppel water bengelde fonkelend aan het puntje van een van de naar voren gebogen horens. De kaidaw stond eveneens onbeweeglijk, zijn kop naar voren met kromme horens die kronkelend langs zijn kaken omlaag staken en dan weer omhoog bogen. Je kon zijn ribben zien, hij was besmeurd met modder en zat vol japen waar het gele bloed rondom was aangekorst.

Het onwezenlijke tafereel werd heel onverwacht doorbroken door Shay Tal. Ze drong zich langs Aoz Roon en Laintal Ay heen, en ging in haar eentje op het pad staan, voor hen. Ze hief haar rechterhand boven haar hoofd in een bevelend gebaar. Er kwam geen reactie van de fager; hij veranderde in elk geval niet in ijs.

‘Kom terug, mevrouw,’ riep Vry die wist dat de toverij niet zou werken. Alsof ze niet anders kon, begon Shay Tal verder naar voren te lopen, en richtte al haar aandacht op de vijandige gedaante van ros en rijder. De schemering kroop al dichterbij, het licht was stervende; dat zou in het voordeel zijn van de vijand, wiens ogen goed konden zien in het donker. Steeds verder naar voren lopend, moest ze haar hoofd in haar nek leggen om de fager in het oog te houden en te zien of deze geen onverwachte beweging maakte. De roerloosheid van het schepsel was griezelig. Toen ze nog dichterbij kwam, zag ze dat het een vrouwtje was. Zware bruinachtige memmen staken tussen de drijfnatte pels uit.

‘Shay Tal, kom terug!’ Dat zeggende draafde Aoz Roon naar voren, haar voorbij, met getrokken zwaard.

Eindelijk kwam de guil in beweging. Ze hief een wapen omhoog dat een gekromde snede bezat en spoorde haar rijdier aan.

De kaidaw stormde op hen af met een ongelooflijke snelheid. Het enige ogenblik stond hij nog stil, het volgende ogenblik kwam hij over het smalle pad op de mensen af gestormd, zijn horens vooruitgestoken. Gillend doken de vrouwen in het druipende struikgewas. Zonder een bevel te hoeven krijgen, stoof Curd naar voren en dook onder de strijdlustig vooruitgestoken kin van de kaidaw door en beet hem in de poot.

De guil boog zich opzij in het zadel, trok haar lip op, zodat haar tandvlees en snijtanden bloot kwamen en haalde uit naar Aoz Roon. Hij dook achteruit en voelde het kromzwaard langs zijn neus suizen. Verderop op het pad plantte Laintal Ay de achterkant van zijn speer in de grond, liet zich op zijn ene knie vallen en richtte het wapen op de borst van de kaidaw. Hij dook in elkaar toen hij op hem afkwam.

Maar Aoz Roon graaide naar de leren buiksingel die om het lijf van de kaidaw was gegespt en greep hem stevig beet toen het beest langs hem heen daverde. Voor de fager een tweede slag kon uitdelen, had hij zich, geholpen door de vaart waarmee hij werd meegesleept, op de rug van de kaidaw gehesen, achter de berijdster.

Even leek het alsof hij er aan de andere kant weer af zou vallen. Maar hij sloeg zijn linkerarm om de keel van de guil en bleef overeind met zijn hoofd keurig buiten het bereik van de dodelijke horens.

Ze draaide haar hoofd om. Haar schedel was zo zwaar als een flinke knuppel. Eén klap zou de man achter haar bewusteloos hebben geslagen, maar hij dook onder haar schouder door en verstrakte zijn wurggreep op haar nek.

De kaidaw bleef even plotseling staan als hij vertrokken was, de punt van Laintal Ay’s speer op enkele duimbreedten ontwijkend. Lastig gevallen door Curd als hij werd, draaide hij heen en weer en probeerde de grote hond op zijn horens te nemen. Terwijl hij bokte, bracht Aoz Roon met alle kracht die hij in zich had zijn zwaard omhoog en stootte het de guil tussen haar ribben, in haar kronkelige ingewanden.

Ze ging overeind staan in haar leren stijgbeugels en gaf een schreeuw, een rauw, scheurend geluid. Ze wierp haar armen omhoog en haar kromzwaard vloog uit haar hand, de dichtstbijzijnde takken in. Dodelijk beangst begon de kaidaw op zijn achterste benen te lopen. De fager viel eraf, en Aoz Roon met haar. Hij draaide zich tijdens het vallen, zodat zij de klap opving. Haar linkerschouder sloeg met een smak tegen de grond.

Uit de schemerige hemel kwam krijsend de troepiaal omlaag gedoken om zijn meesteres bij te staan. Hij dook op het gezicht van Aoz Roon. Curd maakte een hoge sprong en greep het beest bij een poot. Het hieuw naar hem met zijn kromme snavel, beukte zijn kop met woedende vleugels, maar Curd beet alleen maar verder door en sleurde de vogel tegen de grond. Een snelle wisseling van beet en hij had de keel te pakken. In minder dan geen tijd was de witte vogel dood, de wieken roerloos uitgespreid dwars over het modderpad.

De guil was ook dood. Aoz Roon stond er hijgend bij.

‘Bij de rots van oorsprong, ik word te dik voor dit soort dingen,’ hijgde hij. Shay Tal stond in haar eentje te huilen. Vry en Oyre gingen kijken naar het dode monster, en inspecteerden de open mond waar een geel vocht uit sijpelde.

Ze hoorden Tanth Ein in de verte roepen en in antwoord daarop kreten die dichterbij kwamen. Aoz Roon gaf een schop tegen het lijk van de fager, zodat ze op haar rug rolde en haar dikke witte lerp tussen de kaken uit flapte. Het gezicht was zwaar gerimpeld, de grijze huid leek op die van een worm, op de plaatsen waar hij door botten werd strakgetrokken. De vacht was aan het uitvallen, er waren hele stukken naakte huid te zien.

‘Misschien had ze wel een of andere smerige ziekte,’ zei Oyre. ‘Daarom was ze zo zwak. Ga mee ervandaan, Laintal Ay. De slaven zullen het lijk wel begraven.’

Maar Laintal Ay was op zijn knieën gevallen en was bezig een koord los te wikkelen dat om het middel van het lijk zat. Hij keek op en zei grimmig: ‘Je wilde dat ik een grote daad zou verrichten. Misschien lukt me dat wel.’

Het koord was heel fijn en zijdezacht, veel fijner dan het touw dat ze in Oldorando draaiden van de vezels van de stinkelzak. Hij wikkelde het in lussen om zijn arm.

Curd had de kaidaw in een hoek gedreven. Het rijdier dat bij de schoften boven een man van gemiddelde lengte uitstak, stond te trillen, met opgeheven kop en rollende ogen, en deed geen poging om te ontkomen. Laintal Ay knoopte een lus in het koord en wierp het om de hals van het dier. Hij trok de lus aan en liep stapje voor stapje op het rillende dier toe, tot hij het op de flank kon kloppen.

Aoz Roon had zijn evenwicht hervonden. Hij veegde zijn zwaard af aan zijn been en stak het in de schede net op het moment dat Tanth Ein op het toneel verscheen.

‘We zullen goed de wacht houden, maar dit was een eenling – een uitgestotene die al bijna dood was. We hebben dus alle aanleiding ons feest voort te zetten, Tanth Ein.’

Terwijl ze elkaar op de schouder sloegen, keek Aoz Roon om zich heen. Hij negeerde Laintal Ay, en richtte zijn blik op Shay Tal en Vry.

‘Er is geen vete tussen ons, wat jullie er ook van mogen denken,’ zei hij tegen de vrouwen. ‘Jullie hebben er goed aan gedaan alarm te staan. Kom mee met Oyre en mij en neem deel aan ons feestmaal – mijn luitenants zullen jullie met open armen ontvangen.’

Shay Tal schudde haar hoofd. ‘Vry en ik hebben wat anders te doen.’ Maar Vry dacht aan de gevulde gans. Ze kon hem nog ruiken. Het zou haar zelfs een verblijf in die gehate kamer waard zijn om een hapje van dat prachtige vlees te proeven. Ze keek gekweld naar Shay Tal, maar haar maag won. Ze gaf toe aan de verleiding. ‘Ik wil wel komen,’ zei ze blozend tegen Aoz Roon.

Laintal Ay had zijn hand op de trillende flank van de kaidaw gelegd. Oyre stond naast hem. Ze keek om naar haar vader en zei met koude stem: ‘Ik kom niet. Ik voel me fijner bij Laintal Ay.’

‘Doe maar waar je lust in hebt, zoals gewoonlijk,’ zei hij en beende ervandoor langs het druipende paadje, met Tanth Ein. De vernederde Vry moest maar zien dat ze hen achterna kwam.

De kaidaw stond op en neer te slaan met zijn grote gehoornde kop, en keek Laintal Ay van terzijde aan.

‘Ik ga jou mijn huisdier maken,’ zei hij. ‘We gaan op jou rijden, Oyre en ik, over de vlakte en over de bergen.’

Ze liepen door de menigte die zich aan het verzamelen was, allemaal belust het lijk van de overwonnen vijand te zien. Samen liepen ze terug naar Embruddock waarvan de torens als rotte tanden in de laatste stralen van Freyr baadden. Ze liepen hand in hand; hun ruzies vergeten op dit beslissende moment, het bevende dier achter zich aan.