7. Paniek

Edwin is snel weer terug bij de anderen en laat de vuilniszakken zien.

‘Zo hé, waar heb je die zo snel vandaan?’ vraagt Peter.

‘Kwestie van een slimme moeder’, antwoordt Edwin terwijl hij ieder een zak geeft. Hij klautert vlug weer omhoog.

Even later roetsjen ze alle drie om de beurt weer naar beneden.

Tim en Tor liggen weer op het pad onder aan de sneeuwhelling.

‘Het gaat nog beter met die vuilniszakken’, roept Peter en zoeft weer omlaag.

Edwin probeert met een aanloopje vooraf nog meer snelheid te maken. ‘Joehoe …’ klinkt het. Hij kan nog net op tijd remmen onderaan.

Er komen een man en een vrouw met ieder een grote rugtas over het pad naar beneden lopen.

‘Pas op! Even stoppen’, roept Vera … net iets te laat.

Peter heeft de mensen niet gezien. De twee mensen Peter wel. Ze staan net op tijd stil. Peter ligt op z'n rug vlak voor hun voeten op het pad. Hij kijkt omhoog en wordt helemaal rood.

Snel staat hij weer op. Hoe zeg je dat ook al weer, vraagt Peter zich af. ‘Eh … sorry.’

‘Entschuldigung!’ verbetert Vera hem.

De man en de vrouw glimlachen. ‘Grüß Gott’, klinkt het. Dan lopen ze verder.

Tor draait zijn kop om. Aan de andere kant van het dalletje ziet hij twee jongens op een draf richting het Luitpold Haus lopen. Maar de drie vrienden, die een beetje beschaamd de helling weer opklauteren, hebben daar geen erg in.

Tim gaat even staan. Zijn staartje staat weer rechtop.

Even later zijn de twee jongens aan de andere kant van de berghut verdwenen. Tor knippert met z'n ogen en Tim gaat er weer bij liggen.

Roetsj … Vera komt vlak naast de honden terecht. Maar die beginnen gewend te raken aan dat gekke gedoe van hun baasjes en komen er niet meer voor overeind.

Edwin is weer aan de beurt en komt met een gigantische snelheid naar beneden. Te hard! Onderaan kan hij niet hard genoeg remmen en buitelt over het pad aan de andere zijde naar beneden. Hij gilt.

De andere twee klauteren snel naar beneden en staan in een mum van tijd naast Edwin, die de sneeuw van z'n kleren klopt. Het valt gelukkig mee. Aan z'n rechterhand heeft hij een piepklein wondje. Ze zijn alle drie wel flink geschrokken. Toch maar wat voorzichtiger doen.

Als ze nog een paar keer naar beneden zijn gegleden, vinden ze het welletjes. Ze lopen terug naar de berghut.

Peter kijkt op zijn horloge. ‘Het is al drie uur. Later dan ik dacht.’

‘Zo hé. Ik dacht inderdaad ook dat het vroeger was’, zegt Vera.

Aan de achterkant van het Luitpold Haus is een trap met betonnen treden. De drie vrienden en de honden lopen omhoog.

Aan de zijkant is de ingang van de berghut. Vanaf het terras aan de voorzijde komt een man de hoek om gestormd met een jongetje aan zijn arm. Het is de vader van de Nederlandse familie met een van de jongens. Ze rennen de drie vrienden voorbij. Het lijkt wel of ze hen niet eens zien. Met een paar stappen zijn ze de trap af en verdwijnen om de hoek van het huis.

‘Die hebben haast’, merkt Edwin op.

‘Hij keek volgens mij ook niet zo blij’, zegt Vera.

Dan lopen ze het terras op. Tot hun verbazing zitten vader en moeder niet meer op hun plaats, maar bij de moeder van de twee plaaggeesten. Een van hen zit er wat beteuterd bij. Zijn moeder lijkt hem van alles te vragen en met gebogen hoofd geeft de jongen antwoord.

Langzaam komen de drie vrienden iets dichterbij, maar blijven dan op enige afstand wachten. Vader De Jongh merkt hen als eerste op en wenkt hen om erbij te komen.

Tor, die achter z'n baasje aansjokt, merkt de jongen op. Hij gromt zachtjes. Edwin pakt Tor bij de halsband. Het staartje van Tim schiet recht overeind en trilt.

‘Misschien hebben jullie iets gezien …’ begint vader.

‘Het dochtertje van onze buren is zoek’, vervolgt moeder. ‘Ze was met haar broers hierachter een stukje de helling opgelopen. Daar zijn ze haar kwijtgeraakt. Ze hebben gezocht, maar konden haar nergens vinden. Toen zijn ze snel naar hier gekomen. Hun vader is eh … Hoe heet ze ook alweer?’ Moeder De Jongh kijkt de vrouw tegenover haar vragend aan.

‘Bettine’, klinkt het zacht.

‘Hun vader is Bettine zoeken.’

Bettine? denkt Peter. Meteen steekt hij zijn hand in z'n broekzak. Hij voelt iets hards in zijn zakdoek. Da's waar ook. Die ketting! Was-ie helemaal vergeten. Hij durft hem niet tevoorschijn te halen. Niet op dit moment.

‘Ik denk dat ik hier binnen maar eens even ga vragen wat we kunnen doen’, stelt vader voor. Hij staat op.

De moeder van Bettine kijkt hem aan. Nu pas zien de drie vrienden dat haar ogen rood zijn.

Edwin voelt zich een beetje ongemakkelijk. ‘Mogen we even meelopen, pap?’ vraagt hij.

Vader kijkt hem even aan en zegt dan: ‘Kom maar. Moeder blijft wel even bij mevrouw eh …’

De moeder van Bettine kijkt vader aan. ‘Van der Kruit.’

‘Oké jongens, moeder blijft bij mevrouw Van der Kruit. Komen jullie maar mee’, zegt vader dan.

Met z'n vieren lopen ze via de hoofdingang naar binnen, gevolgd door de twee honden. Het ziet er binnen netjes uit. Bij de ingang staan wat bergschoenen op een rij. Ze lopen een gang door en komen in de eetzaal. Ook hier is het eenvoudig, maar door het vele hout aan de wanden en het plafond oogt het erg gezellig. Het ruikt er naar warm eten. Even later ontdekken ze de keuken die achter de eetzaal ligt. Er komt iemand uit de keuken. Het is een slanke, blonde man van half dertig. Hij vraagt of hij hen ergens mee van dienst kan zijn.

Vader legt hem de situatie uit.

De man luistert aandachtig en krabbelt een paar keer op zijn achterhoofd. Dan zegt hij dat hij actie zal ondernemen als de kleine meid niet snel gevonden wordt.

Vader zegt dat hij eerst nog even gaat zoeken met de vader van het kind. Hij vraagt of de man soms de ‘Hüttewirt’ is.

De drie vrienden kijken elkaar aan.

‘Volgens mij betekent dat zoiets als beheerder van dit huis’, zegt Peter.

De man knikt en stelt zich voor als Andreas Berktold. ‘Wenn Sie suchen gehen O.K. Aber nicht zu lange, bitte’, zegt hij. ‘Kommen Sie schnell zurück. Ich rufe dann an für Hilfe.’

Vader knikt en draait zich om. ‘Kom jongens, gaan jullie mee zoeken?’