Na de ontruiming van Dikkebus
Na de ontruiming van ons dorp op 17 april 1918 was de vijand meer en meer vooruitgegaan. Hij was er weldra in geslaagd tot aan de vijver te komen en vooral na het veroveren van de Kemmelberg op 27 april waren er voorposten tot op de dorpsplaats van Dikkebus, De Klijte en zelfs tot over de Scherpenberg geraakt. Doch zij hadden het daar niet kunnen uithouden en waren teruggedreven tot aan de Kemmelbeek. De Fransen zijn er dan in geslaagd enige verloren stellingen te heroveren en geraakten een 500-tal meter voorbij de vijver. Daar werden in mei en juli hevige gevechten geleverd, vooral op 13 juni tussen chasseurs alpins en Duitsers. Een Lotharinger, officier in het Duitse leger en later priester geworden, geeft er de beschrijving van in een brief (waarvan ik het afschrift heb) aan de heer Valois van Menton, wiens zoon in de Kriekbossen gesneuveld is. Intussen werden de overige huizen van het dorp en ook de hoeven die nog recht stonden prooi van de vernieling.
Begin september trokken de Duitsers zich eindelijk op een front van 40 kilometer ten zuiden van Ieper terug. Eind september begon het algemeen offensief van de bondgenoten en half oktober het tweede offensief, en weldra waren de Duitsers teruggeslagen tot Leie en Schelde.
Eind oktober kwam de eerste inwoner, Jules Ooghe, opnieuw zijn huis bewonen. Hij vond er geen levende ziel. Alle soldaten waren verderop naar de vijand toe. En zo gebeurde het, wanneer hij naar Poperinge ging om brood, dat zijn vrouw de enige mens was in het dorp. Gruwzame eenzaamheid te midden van al die verwoesting en onbegraven lijken. Ooghe vertelt wat al Duitse gesneuvelden hij gezien heeft die daar nog lagen zoals zij gevallen waren.
In februari-maart 1919 begon voorgoed de terugkeer. Ik kwam op Dikkebus aan op woensdag 17 mei. Ik vond er zo’n 200 mensen, die woonden voor zover het lukte. Enigen hadden hun huis of stal nog wat bewoonbaar kunnen maken. Zij hadden misschien eerst dagen moeten werken om er de aarde en het hout uit te krijgen, daar er schuilplaatsen in gemaakt waren. Zij hebben daartoe mogelijk nog de hulp gekregen van Chinezen en Duitse krijgsgevangenen. Dan hebben ze wat planken geslagen om de gaten in de muren te dichten en de beste platen uitgezocht om het dak te herstellen. Het merendeel had zelf een barak opgetrokken. Het hout waren zij gaan zoeken in de verlaten kampen, in de schuilkelders en aan de loskaaien. Hout en ijzeren platen lagen immers overal rond. Zij kozen er de beste uit en zo hadden zij in enige dagen een woning getimmerd. Zo woonden de eerste mensen, allerellendigst, maar toch tevreden. Zij hadden hun eigen haard en moe van het ronddolen waren zij toch weer op hun parochie en dat was het voornaamste.
Ik vond slechts 2 fatsoenlijke barakken. Zij waren opgetrokken door het Koning Albertfonds (K.A.F.). De ene was bewoond door burgemeester Engel Heugebaert, bij wie ook de secretaris meneer Thevelin gedeeltelijk zijn huis hield. De andere wachtte op de terugkeer van de veldwachter.
In afwachting dat mijn barak opgetimmerd zou worden, verbleef ik in Poperinge bij Achiel Rouseré-Sohier, aan het Zwijnland. Vandaar zou ik bijna dagelijks naar Dikkebus gaan. Poperinge was dan een stad van belang. De hoofdstad van ‘bachten de kupe’. Daar verbleef ook Z.E.H. kanunnik Delaere, deken van Ieper. Daar waren ook verscheidene bureaus. De arrondissementscommissaris verbleef nog in Watou en de Nationale Bank was in Roesbrugge.
Op zondag 11 mei deed ik er mijn eerste mis in de barak bestemd voor de veldwachter. Ik beschikte over een draagaltaar met al de benodigdheden voor het H. Misoffer. De barak mat 6×6 meter, en toch konden bijna alle parochianen erin. Enkelen die nog de gelegenheid niet gehad hadden, maakten er gebruik van om hun Pasen te houden.
Ik wou nader kennismaken met het front en de gruwel van de verwoesting en deed een uitstapje per fiets naar Wervik dwars door het front. Van Dikkebus tot Kortewilde (Houtem) zag ik geen enkele woning, noch huis noch barak. Het was er vervaarlijk: overal puin en wildernis en op een paar groepjes toeristen na, ontmoette ik enkel Chinezen en Duitse krijgsgevangenen en enige frontschuimers die er niet pluis uitzagen. Ik kwam terug langs Kruiseke, Geluveld, Ieper. In Ieper zag ik een paar barakken aan het zothuis.
Op een andere dag ging ik naar de Kemmelberg langs de Décauville. Ik wilde immers het oorlogsveld zien zoals het daar schier nog onaangeroerd lag en daarom zou ik dwars door de velden gaan en vertrekken van het Vijverhuis en hier en daar een kijkje nemen. Wat een verwoesting! Ik vond er alle soorten oorlogstuig, geweren, bajonetten, granaten, hulzen, zelfs stukgeschoten kanonnen, ook verscheidene lijken van paarden en zelfs 2 lijken van Duitse soldaten, of liever 2 geklede geraamten, want de ratten hadden er kermis mee gehouden en niets overgelaten dan de beenderen. Ik had er genoeg van en heb die wandeling niet meer opnieuw gedaan.
Het Koning Albertfonds (K.A.F.) had me een barak beloofd als woning en ook een als kerk. Maar ik ondervond al vlug dat men er nog niet aan gedacht had. Lopen en schrijven, het was al tevergeefs. Men beloofde genoeg maar het bleef erbij, en na een maand was ik nog even ver.
De veldwachter was terug en ik moest elders een plaats zoeken om mis te doen. De jongensschool was nog tamelijk goed bewaard, doch was veranderd in een grote schuilplaats vol aarde en balken en beton. Ik kreeg een bende Chinezen, die er een halve week werkten en het lokaal ruimden. Dat zou nu mijn tweede kerk zijn, zonder ruiten en met een half dak, en wanneer ik mis deed lagen de Chinezen met hun kop door het venster om te bekijken wat daar gebeurde.
Eindelijk half juni. Het wachten moe, kocht Z.E.H. deken Delaere zelf een oude barak en liet er een deel van naar Dikkebus brengen. Ik vond in Poperinge een klungelaar van een timmerman en na een dag of 10 stond de barak er, zij mat 11×5 meter. Het was niet veel, maar het was toch een begin. Maar het volk kwam voortdurend terug en ik verlangde een grotere barak. Ook verbleef ik niet graag zo ver van mijn volk.
Ik kwam met de kermis bij Emiel Vandenbroucke wonen. Het huis was tamelijk goed bewaard en die brave mensen hielden een kamer tot mijn beschikking.
In juli waren er reeds 350 mensen terug. Zij hadden het lastig: timmeren, grond effenen. Enkelen hadden wat kunnen planten en zaaien, doch meestal te laat, en het beloofde niet veel te worden. Daarbij was de streek onveilig door alle soorten eigenaardig volk: frontschuimers en vooral de Chinezen. De Engelse officieren, die maar gering in aantal waren, hadden geen gezag meer op dat volk. Zij ontvluchtten hun kampen en gewapend met geweren en granaten, die zij gemakkelijk vonden, gingen zij op ronde. Zo werd begin juni Jules Bailleul, wonend aan de Canada, ’s nachts overvallen in zijn huis en terwijl hij vluchtte werd hij neergeschoten. Hij stierf een paar weken later. Ook de frontschuimers waren te vrezen. Zo kwamen op een vroege morgen half mei 3 mannen met wagen en paarden bij de kerk aan en laadden er op hun gemak het lood op van de goten. Een man uit de buurt die hun een opmerking maakte, moest zich vlug uit de voeten maken. Die wagen was van Sint-Eloois-Winkel. Het slechte volk had het ten andere gemakkelijk want politie was er volstrekt niet te vinden. Waar was nu de gendarmerie van tijdens de oorlog? Te allen kant riep men om politie. Eindelijk zou men er een middel op vinden. In Roeselare werd een gendarmeriepost opgericht speciaal voor het front. En waarin bestond die politie? Elke dag zagen wij hier een groep van 6, 7 gendarmes aankomen, eens stilhouden bij de burgemeester of de veldwachter en dan weer vertrekken. En wij waren nog een keer beveiligd voor 24 uren. Wij voeren er wel mee, met die vliegende brigade.
Ik verlangde meer en meer naar de beloofde barakken van het K.A.F. Eindelijk kwam op zekere dag iemand naar mijn tuin gelopen: ‘Vlug, meneer pastoor, zij zijn bezig met de kerkbarak te lossen.’ Ik ernaartoe. 2 grote vrachtauto’s vol… vensters! Men was bezig met lossen. Ik maakte de opmerking dat ik reeds vensters genoeg had en vroeg naar het ander hout. ‘Wij hebben geen hout’, antwoordden zij en losten maar voort. Dat was de beloofde barak. En daarmee was ik gepaaid tot begin augustus toen eindelijk de barak aankwam. Het was een proper gebouw van 7×28 meter.
Begin september kwam dan eindelijk de barak aan, die moest dienen als mijn woning: 10×6 meter voor 6 plaatsen. Zij was goed, uitgenomen het bovenste: een dunne plankenvloer uit hout dat niet droog was en nog voortdurend kromp, waarboven een plat dak met niet gevolzette pannen, zodat ik op verscheidene plaatsen door zoldering en dak kon kijken. Wij hebben er soms veel koude geleden. Het zoldertje, waar niemand op kon, lag zelfs eens vol drijfsneeuw, die een paar dagen lang dooide en ons lelijke parten heeft gespeeld.
In 1915 had ik enige kerkmeubelen en van iedere kleur een kazuifel en dalmatiek ondergebracht in de pastorie van Proven. Een brave boer reed erom met zijn wagen en zo had ik enig gerief. Maar op ver na niet genoeg. Ik zocht nog naar ander. En ik werd hierin buitengewoon gezegend. Ik ging aankloppen in Brussel bij de Dames der Gedurige Aanbidding en kreeg verscheidene kazuifels, alben, roketten, lijnwaad enz., tot zelfs een klein harmonium. De dag waarop ik in Brussel was, was de dag waarop de vrede getekend werd en ik moet bekennen dat ik in de hoofdstad weinig geestdrift gezien heb.
Jules Pelgrim was zich reeds in Dikkebus als timmerman komen vestigen en hij was het die de barak arrangeerde en ook enige voorlopige kerkmeubelen maakte.
Hoe was nu de gesteltenis van ons volk? In godsdienstig opzicht hadden zij klaarblijkelijk veel geleden door de oorlog. Meer dan 150 waren soldaat geweest, en bijna alle anderen waren gevlucht naar het goddeloze Frankrijk en het was zichtbaar dat zij nog onder de invloed waren van het milieu waarin zij geleefd hadden. Velen timmerden op zondag evenveel als in de week, er waren er zelfs die meenden dat zij daardoor ontslagen waren van de H. Mis. Biecht en communie stelden zij zeer gemakkelijk uit.
In stoffelijk opzicht was het allerellendigst. Arme krotten van woningen, kleding en voedsel armetierig, men durfde daar immers niet veel geld aan besteden. Ofwel had men het niet, ofwel vreesde men dat men het later nog meer nodig zou hebben, de toekomst was immers onzeker. Velen waren te laat teruggekeerd om nog te kunnen zaaien of planten, en bijgevolg zou alles een jaar lang gekocht moeten worden. Anderen hadden nog kunnen zaaien en planten (van 60 tot 70 hectaren werden in 1919 bebouwd). Maar sommige vruchten waren in de droge voorzomer niet opgekomen in die te weinig bewerkte gronden. Tot overmaat van ramp kwamen hele legers aardmuizen de vruchten aanvallen en vernielen. De graangewassen werden afgeknaagd aan de voet, en de neergevallen halmen werden dan een gemakkelijke prooi. Ook de aardappelen werden opgevreten. Enkel paardenbonen en tabak werden gespaard. En er was niet alleen de muizenplaag maar ook de rattenplaag, want de ratten hadden zich een jaar lang te goed gedaan aan lijken en allerlei afval, en ze hadden zich verschrikkelijk vermenigvuldigd. ’s Avonds bijvoorbeeld kon men zeer zelden naar buiten gaan zonder die klanten te zien rondzwerven.
Dat alles was niet om onze boeren moed te geven. Zij hadden om te beginnen alles moeten kopen voor zichzelf en voor hun dieren en zij zouden het dus nogmaals voor een jaar mogen doen. Daarbij was er de onzekerheid voor de toekomst. Als het volgend jaar zo zou voortduren met dat ongedierte, dan zouden zij op straat staan en dan zou al hun werk voor niets zijn. Want de meesten waren op hun hoeve gegaan zonder vast contract, en wie zou hun vergoeden? Velen waren inderdaad moedeloos en beklaagden het zich teruggekeerd te zijn.
Doch men prijst een stuur begin. En inderdaad redding zou er komen en wel door verscheidene middelen, waarvan hier de voornaamste:
1. Veel barakken werden toegestaan door het K.A.F. Het sleepte doorgaans wel wat aan, doch het kwam er toch van. Op Dikkebus waren er rond de 40.
2. Veel hulp werd ook gebracht door het Amerikaanse Rode Kruis. Ondergoed, schoenen, wolgaren, dekens, kolen en andere artikelen werden tegen goedkope prijs aan de bevolking verkocht. Het Werk van Kinderwelzijn bracht hulp aan de moeders en de kleine kinderen.
3. Bijzondere premies werden door het ministerie van Landbouw toegestaan aan hen die zelf hun gronden geëffend hadden en later ook aan hen die zelf barakken getimmerd hadden. Daarbij kwam de verzekering dat men door de dienst voor oorlogsschade vergoeding zou bekomen voor het effenen van de gronden.
4. In september 1919 werd ook de Spaar- en Leengilde gesticht en voorschotten op oorlogsschade werden toegestaan tegen voordelige voorwaarden. De boeren konden dus aan geld geraken om hun hoeve te begaan.
5. Weldra werd ook door de staat Duits vee, paarden, gereedschap enz. toegestaan als voorschot op oorlogsschade.
6. Gratis werden er ook dieren verloot. Koeien aan de boeren, en aan de kleingebruiker: geiten, schapen, kippen, ook werktuigen en zaden.
7. Er werd in november ook een bijzondere soort muizenvergif uitgedeeld. November en december waren ook de maanden van buitengewone regens. En wat was er de oorzaak van, waren het de overvloedige regens ofwel het vergif? Een ding is zeker: na nieuwjaar zag men geen muizen en geen ratten meer. Bovendien was het jaar 1920 een buitengewoon vruchtbaar jaar met mooie prijzen. Onze boertjes waren gered!
De hele zomer van 1919 was er grote passage van toeristen die het front kwamen bezichtigen. Zo waren er op Sinksen in mijn mis bijna evenveel toeristen aanwezig als parochianen.
Ook was er veel bezoek van Fransen die de graven kwamen zoeken of bezoeken van gesneuvelde familieleden. Ook soortgelijke bezoeken van Engelsen. Deze zaak vroeg mij ook een grote briefwisseling, die toch min of meer vergoed werd door giften aan mijn kerk.
In september vertrokken de Chinezen en zij werden vervangen door Hindoes. Die waren wel wat nieuwsgierig en gingen graag overal kijken, doch zij waren niet lastig.
Een eerste bekommernis van pastoor, gemeenteraad en ouders was het onderwijs van de kinderen. Het merendeel immers was terug uit de schoolkolonie en liep op straat.
De hoge commissaris was komen kijken naar de jongensschool en had besloten het gebouw te laten herstellen. Metselaars en timmerlieden (Jules Pelgrim en de gebroeders Vanderhaeghe) werden daartoe aangesteld. Het hoge commissariaat zou het geld voorschieten. Wij voorzagen hoelang dat werk zou aanslepen, en hadden reeds vanaf het begin een barak aangevraagd als schoollokaal maar het was vruchteloos.
De zusters die in Heist verbleven, kwamen terug op 6 oktober 1919: moeder Victoria en de 2 zusters Placide en Hedwige, die hier ook waren voor de oorlog. Zij kwamen meewonen in de pastorie.
Bij gebrek aan een schoollokaal waren zij gedwongen school te houden waar zij plaats vonden. Te weten zuster Placide in de vroegere kerkbarak, die diende als sacristie, en zuster Hedwige in de dienstdoende kerkbarak. Het ging er zo primitief aan toe als in Congo. Om te beginnen hadden de kinderen voor alle gerief slechts een catechismus, een leesboek en een lei met griffel. Lessenaars of borden waren er niet. En wilden zij schrijven, dan moesten zij de lei op hun knie houden.
Met Allerheiligen kregen wij eindelijk van het Amerikaanse Rode Kruis een mooie en gerieflijke barak voor 2 klassen. De gemeente had ook bij meneer Mahieu van Ieper 40 schoolbanken laten maken tegen 70 fr. per stuk en 3 lessenaars voor meesteressen tegen 175 fr. De zusters hadden intussen ook een mooie gift gekregen van schoolboeken en zo waren wij tamelijk goed geïnstalleerd. Die school, begonnen met 70 leerlingen, was een gemengde school en in dat opzicht hebben wij nooit te klagen gehad.
Tot oktober 1919 werden in onze voorlopige kerk enkel gelezen missen gedaan. Met oktober kreeg ik een harmonium en de juffrouwen Esther en Simonne Peirsegaele, die teruggekeerd waren uit Frankrijk, waren zo goed de goddelijke diensten te willen begeleiden en zusters en schoolkinderen zouden hen willen bijstaan voor het gezang.
Meer en meer inwoners uit Frankrijk en jonge mannen uit het leger waren teruggekeerd en wij begonnen het jaar 1920 met rond de 600 inwoners.
Wat mij vooral de eerste jaren veel werk zou vragen was de oorlogsschade. Ik had niet enkel te zorgen voor mijn persoonlijke oorlogsschade en die van kerk en pastorie, klooster en scholen, maar ook veel parochianen kwamen aanbellen aan de barak om daarvoor mijn hulp te vragen en het eindigde dikwijls ermee dat ik alles zelf moest doen.
Zeer veel mensen overdreven ferm en dikwijls ging het niet gemakkelijk om hun dat duidelijk te maken. Aan anderen daarentegen moest ik de opmerking maken dat hun schatting te laag was. Want van iedereen werd er verondersteld dat zij te veel vroegen, en men trok af. Het beste was dus het maximum van de waarde te vragen. Vooral voor het herstellen van gebouwen betaalde men te weinig, terwijl er voor nieuwe gebouwen doorgaans te veel betaald werd.
Tweemaal kregen wij een ministerieel bezoek, de eerste keer in 1919 van minister Jaspar en in 1920 met Pasen van minister Renkin. Deze zette zijn plan van heropbouw door de staat uiteen: nieuw voor oud. Velen deden dadelijk de aanvraag. Ook werd voor iedere gemeente een bijzondere architect aangeduid. Zo werd een groot deel van onze hoeven heropgebouwd. Dat heeft de staat ontzaglijke sommen gekost: de nieuwe gebouwen waren doorgaans veel meer waard dan de oude. Bijvoorbeeld, de hoeve destijds bewoond door Henri Vermeulen (Sint-Hubertushoek) was beslist tien maal meer waard dan voor de oorlog en dat alles zonder een cent toeleg. Toch waren veel gebouwen slecht gebouwd, wat men weldra zou ondervinden.
De staat richtte ook een dienst in voor opruimingen. Grote bazen hadden er de regie van voor een mooi procent. Daar werkte men maar tegen de vaak. Nogmaals grote geldverspilling. Zo werd onze kerk opgeruimd door aannemer Lootens van Oostende.
Wat nu het effenen van de gronden aanging, zij die reeds geëffend hadden mochten een rekening indienen. Zij die nog moesten effenen hadden de keuze. Ofwel zelf effenen en dan werd een schatter aangesteld door het ministerie van Landbouw en ontving men een contract. Ofwel laten effenen door de staat en dan was men van alle last ontslagen en de staat liet dan de werken uitvoeren door aannemers, vooral door de Boerenbond. Kleine boeren en werkvolk deden doorgaans het effenen zelf, grote boeren lieten het doorgaans over aan de staat. Toch liet deze laatste manier van effenen veel te wensen over en de boer was er het schaap van en mocht dan het overige zonder vergoeding doen.
Voor het effenen van gronden, de schade aan bossen en bomen en de draineringen was een aparte dienst ingericht. De bureaus van deze ‘dienst voor motocultuur’ waren gevestigd in Ieper langs de kasseiweg naar Vlamertinge. Aan het hoofd van de dienst stond meneer Deboeckx. Deze dienst hing af van de hoofddienst van Brugge, waar nu Boereboom het hoofd van was.
In Poperinge was er nog een bijzondere dienst waar E.H. De Jaegher aan het hoofd van stond. Die was ingesteld voor de herinrichting van de landbouw. Deze dienst heeft veel goed gedaan, vooral door het toekennen van premies aan landbouwers en kleingebruikers die in 1919 en 1920 zelf hun gronden geëffend hadden.
Men moest daarvoor bijzondere formulieren invullen en aangifte doen van al het werk dat men daarvoor had moeten verrichten en de bijzondere uitgaven die men daarvoor had moeten doen.
Zo werd op Dikkebus voor 1919 betaald:
- aan 42 boeren voor het effenen van 208 hectaren: 41.814 fr.
- aan 32 kleingebruikers voor het effenen van 10 hectaren: 2225 fr.
Werden beschouwd als boeren: al diegenen die ten minste 1 hectare land gebruikten.
Voor 1920 werd betaald:
- aan 53 boeren voor het effenen van 189 hectaren: 69.402 fr.
- aan 64 kleingebruikers voor het effenen van 16 hectaren: 5782 fr.
Ook werden in 1921 plantaardappelen gegeven, berekend op 1400 kilo per hectare. Zij die er zelf wensten te kopen, werden vergoed in geld, berekend tegen 300 fr. per hectare. Zo werd 19.811 kilo aardappelen uitgedeeld. Ruim de helft had liever geld.
Ook fruitbomen werden gegeven: 10 aan de boeren en 5 aan de kleingebruikers.
Dat alles was aangenamer voor wie de premie mocht ontvangen dan voor wie zich met het onderzoek en het toekennen van de premies moest bemoeien. Want hoe gewetensvol men ook te werk ging, toch werd men beschuldigd van partijdigheid en zelfs van baatzucht.
Ook werden tegen voordelige voorwaarden samenaankopen gedaan van zemelen, zaaitarwe, bietenzaad, lijnzaad enz.
In Dikkebus was in 1913 een varkensbond opgericht. In 1919 ontving deze bond 2 premies van 1000 fr. elk voor aankoop van 2 zeugen. Vele voorwaarden waren daaraan verbonden maar toch was die gift zeer voordelig. Toen de toelagen ophielden, begon die bond te kwijnen, hij werd in 1927 ontbonden.
In 1920 werden door de spaar-en-leengilde een twintigtal voorschotten op oorlogsschade toegestaan. Zij die voorschotten ontvingen, hadden nog het grote voordeel dat door de werking van de Boerenbond hun oorlogsschade het eerst vereffend werd. Zo werden reeds in 1921 verscheidene vergoedingen volledig betaald.
Ook in 1920 werd een premie van 3000 fr. toegestaan aan hen die een voorlopige woning bouwden: metselwerk tussen stijlen. De woning moest aan verscheidene voorwaarden voldoen. Een van de voorwaarden was dat zij geplaatst moest worden op grond die eigendom of cijnspacht was.
Twee pachters van de kerkfabriek, Louis Willemet uit Loker en Jozef Decrock uit Wijtschate, vroegen ook zulk een cijnspacht, die wij hebben toegestaan. Doch die cijnspacht werd niet aanvaard door de Bestendige Deputatie. Opdat zij toch van de voordelen zouden kunnen genieten, heb ik hun een gewoon bewijs van cijnspacht voor 29 jaar gegeven, enkel door mij ondertekend. Dat was helemaal ongeldig maar de ongeldigheid werd door de dienst niet gemerkt. Zo kregen zij dan toch die premie.
In het jaar 1920 kamen de bewoners nog voortdurend aan. Boeren die nog in Frankrijk waren, vernamen hoe de toestand sterk aan het verbeteren was en haastten zich terug naar hun hoeve, zodat in 1920 al de hoeven zo niet bewoond dan toch verpacht waren.
Voor werkvolk en ambachtslieden was er werk in overvloed en wie niet wilde werken, kon en mooi sommetje verdienen met ijzer en koper te rapen.
Er moesten ook nieuw schikkingen getroffen worden voor de scholen. Die waren immers vlug overbevolkt. Met Pasen 1920 was zuster Placide ziek gevallen en zij werd vervangen door zuster Constance.
De grote zaak was nu een onderwijzer te vinden. Die waren schaars en vooral moeilijk te vinden voor het front. Van de inspecteur, meneer Hullaert, vernam ik dat meester Herreman, voor de oorlog hulponderwijzer in Sint-Juliaan, nog in Frankrijk was en dacht terug te keren. Ik deed hem het voorstel en hij aanvaardde het. Hij zou tezelfdertijd het kosterswerk doen in afwachting van de terugkeer van koster Sinnaeve, die nog met zijn familie in Brussel verbleef. Ik zocht ook een hulponderwijzer en verkreeg van het K.A.F. twee barakken die zouden dienen als woning. Zij werden geplaatst aan de ingang van de dreef van Marcel Coene. Meester Herreman kwam hier aan in augustus 1920. Buiten alle verwachting kreeg ik ook een hulponderwijzer, meester Albert Plateau, die pas zijn examen had afgelegd.
De jongensschool en het huis waren afgewerkt in augustus 1920. De zusters die hier het eerst waren aangekomen en eigenlijk gemeenteonderwijzeressen waren, zouden beide gebouwen gebruiken in afwachting dat hun klooster heropgebouwd was. De meesters bewoonden hun barak en hielden klas in de schoolbarak.
Die barak die toebehoorde aan het A.R.K. werd in juli 1920 bij de liquidatie van hun werken in de frontstreek gegeven aan E.H. pastoor, die er bijgevolg het volle meesterschap over had.
Bij het heropenen van de jongensschool werd ook het katholiek schoolcomité gesticht. Voorzitter: E.H. pastoor; leden: Arthur Deraedt en Cyriel Gontier. De aanvaarding door de gemeente werd op 6 november 1920 gedaan voor een periode van 10 jaar.
De gemeente kocht ook, als voorschot op oorlogsschade, 30 lessenaars en 4 stoelen. Later kochten de zusters nog als voorschot een 20-tal banken voor hun rekening.
In oktober 1920 kwam ook een derde zuster aan voor de bewaarschool, die gehouden werd in een barak van het K.A.F.
In 1920 had ook de eerste gemeenteraadsverkiezing plaats.
De kandidaten van de eerste lijst waren de volgende: Lamerant Henri, Saelen Henri, Cuvelier Jules, Cafmeyer Arthur, Onraet Cyriel, Ghesquiere Oscar, Gontier Cyriel, Timperman Achiel, Heugebaert Engel.
De kandidaten van de tweede lijst waren: Pauwels Henri, Ooghe Jules.
Werden gekozen: geheel de eerste lijst behalve Cyriel Gontier. Van de tweede lijst: Pauwels Henri.
Ik achtte het niet voordelig mij openlijk met de kiesstrijd te moeien. Ik heb enkel aan lijst 1 wat goede raad gegeven, waarnaar men ongelukkiglijk niet genoeg heeft geluisterd.
Dat deze verkiezing niet naar verwachting slaagde, is de oorzaak geweest van de twist tussen Engel Heugebaert en Henri Lamerant en meteen het begin van de politieke twist in het dorp en dat alles door de verraderlijke rol van Henri Lamerant, die na de verkiezing tegen Engel Heugebaert een beschuldiging uitgebracht heeft, waarvan hij, beter dan wie ook, wist dat die vals was.
Wat betreft het zedelijke en godsdienstige leven van het volk in het jaar 1920, gaf het grootste deel van de bevolking mij voldoening. De oude Dikkebusnaren die voor de oorlog goed waren, waren het gebleven. Maar bij enige frontsoldaten waren de godsdienstige gevoelens zichtbaar verzwakt: vroeger naderden zij maandelijks naar de sacramenten en nu hielden zij met moeite hun Pasen. Wat de oude Dikkebusnaren aanging: zij, die voor de oorlog minder goed waren, lieten nu nog meer te wensen over en verzuimden nu gemakkelijk de mis, terwijl zij dat vroeger maar zelden deden. Maar ook veel vreemdelingen waren hier komen wonen, waaronder nogal wat van gemene soort, vooral gasten die in Frankrijk of in de grote steden gewoond hadden. Zij waren doorgaans de slechtsten.
Nochtans, als ik mijn parochie vergeleek met wat ik zag en hoorde in andere parochies, dan mocht ik niet klagen. En dat het godsdienstige leven wat verzwakte, was niet te verwonderen als men bedenkt dat ons volk 5 jaar lang uit zijn gewone leven was gegooid en niets anders had gezien dan slechte voorbeelden.
De eerste waarlijk troostende dag die ik in dat opzicht mocht beleven, was met kerstdag 1920. Pater Oswald van de kapucijnen van Izegem preekte er het triduum ter ere van het H. Sacrament, met buitengewone bijval. Bijna alle parochianen, waaronder verscheidene oud-soldaten die ik nog niet aan de communiebank gezien had, naderden tot de sacramenten.
Met de H. Sacramentsdag 1920 had ook voor de eerste maal de plechtige communie plaats. Er waren kinderen bij van meer dan 14 jaar.
Met Pasen 1920 werd ook de Congregatie van de jongedochters heringericht.
Op 31 mei 1921 kwam Z. Hoogw. Mgr. Waffelaert het Heilig Vormsel toedienen. De vormelingen van Dikkebus moesten zich daarvoor naar Kemmel begeven. Er waren verscheidene vormelingen van bijna 20 jaar oud.
Reeds sedert Sinksen 1920 was onze kerkbarak te klein geworden en er moest alsmaar meer volk buiten staan. Langs alle kanten werd er gewerkt om een grotere kerkbarak te krijgen. Eindelijk, met november, slaagde ik erin. In Elverdinge stond een kerkbarak zoals de mijne. Daar zij daar een grotere barak gekregen hadden, kreeg ik de delen van de oude barak die ik nodig had om de mijne te vergroten. Mijn barak werd eenvoudigweg opengeschoven en die van Elverdinge ertussen geplaatst op pilaren. Daarbij werd boven het portaal een torentje geplaatst. Zo had ik een ruim en lieflijk gebouw van 28×12 meter. De onkosten bedroegen in het geheel 8054 fr. en werden gedragen door het K.A.F.
Ik kocht ook aan Michaux van Leuven een klok van rond de 200 kilo die 2200 fr. kostte. Zij werd op kerstdag 1920 na de vespers met bemachtiging van Z. Hoogw. door E.H. pastoor gewijd.
Begin 1921 bestond de bevolking uit 950 zielen. Ik had reeds veel nagedacht over de heropbouw van de kerk, de pastorie, het klooster en de scholen, doch nog geen beslissing genomen. Ik had de heropbouw gezien door de staat, de domme plannen van de architecten aangesteld door de staat, de geringe controle over de uitvoering van de werken. Ik had vooral de kemel gezien van de pastorie van Kemmel en andere dergelijke. En mijn besluit was genomen. Noch pastorie (eigendom van de kerkfabriek), noch scholen zal ik met staatssteun herbouwen. Wat de kerk aangaat kan ik niet anders, doch ik zal trachten zelf een architect te kiezen.
Ik besluit liever een référé of tegemoetkoming bij kortgeding te vragen: men doet zijn aanvraag, de rechtbank komt de schatting doen en stelt ongeveer de vergoeding vast, en daarop wordt meteen een som toegestaan van ruim 80%. Zo weet men ongeveer wat er te verwachten is. Daarop moet men zijn plan maken en de werken kunnen beginnen.
Het klooster (de oude pastorie) met 3 klassen was eigendom van de pastoor en stond op naam van meneer Henri Iweins d’Eeckhoutte. Daarbij kwamen nog: een gebouwtje bestaande uit 2 klassen en gelegen langs de grote kasseiweg, de vroegere katholieke school, ook eigendom van de pastoor, die op naam stond van meneer Camiel Legein-Vanneste, neef van E.H. pastoor Legein. Dat alles, een klas uitgezonderd, was maar van geringe waarde, en met de vergoeding zou men onmogelijk de heropbouw kunnen doen. Bovendien mocht het niet meer dat de scholen gescheiden werden van het klooster.
Sinds lang hadden wij onze zinnen gezet op het eigendom van Charles en Julie Van Eecke, dat voor de kerk lag en een blok vormde met het klooster. Dat eigendom bestond uit 2 huizen met bijgebouwen. De vergoeding die zou worden toegestaan, zou toelaten een prachtige school en een prachtig klooster te bouwen. Charles en Julie Van Eecke waren twee oude mensen. Zij waren gevlucht naar Krombeke en hadden er alle belang bij hun eigendom te verkopen maar zij waren eigenzinnig en waren ervoor gekend niet te kunnen scheiden van enig familiegoed. Mijn voorstel werd vierkant afgewezen. Doch ik zette andere personen aan het werk, die ter plaatse de zaak bepleitten. Toch heeft het maanden geduurd om ze tot de verkoop te overreden. Eindelijk kreeg ik het bericht dat zij bereid waren de verkoop te doen voor 12.000 fr.
Men zou het ijzer smeden terwijl het heet was want wij vreesden dat broer en zus Van Eecke misschien hun woord zouden intrekken en de datum voor de verkoop werd dan maar meteen gesteld op 16 september 1920 bij notaris Emiel Thevelin in Poperinge.
Het klooster van Heist was bereid de aankoop te doen, op voorwaarde dat alles nu zou toebehoren aan het klooster. Ik vroeg niet beter dan dat alles eigendom zou worden. De heren Iweins d’Eeckhoutte en Legein verlangden ook afstand te doen van hun fictieve eigenaarschap. En vermits alles toch zou blijven dienen voor het onderwijs van de kinderen van Dikkebus, was het mij feitelijk om het even wie eigenaar was. Ik stond dus het eigendom af aan het klooster van Heist op voorwaarde dat ik over de nodige grond van de voortuin gratis zou mogen beschikken voor het bouwen van een patronage, indien mij dat later zou believen. De heren Iweins d’Eeckhoutte en Legein werden ook opgeroepen voor diezelfde 16 september in Poperinge. Het gehele eigendom werd geplaatst op naam van de 4 zusters van Heist.
Aanstonds werd bij de rechtbank voor oorlogsschade de aanvraag gedaan voor référé. Ik handelde als mandataris van de zusters. Meneer Bouquey, staatscommissaris, kwam de schatting doen en op 4 juni 1921 werd een voorschot toegestaan van 164.000 fr. en kort daarna kwam een titel van 100.000 fr. met interest vanaf 1 januari 1920.
Het was bouwmeester François Van Welden van Poperinge die met het opmaken van het plan belast werd, alles volgens de schikkingen genomen tussen E.H. Maenhaut van Heist en E.H. pastoor. Er werd een akkoord gesloten voor de heropbouw met meneer Podevain van Brussel en onder de verantwoordelijkheid van de architect, en dat mits de som toegestaan door de rechtbank. Zo waren wij zeker niet te kort te schieten. Het effenen van de grond en het leggen van de fundamenten gebeurde in de winter van 1921-22 en in februari begon men aan het optrekken van het gebouw.
Aangaande de vergoeding van oorlogsschade hadden wij een eerste tegenslag. Door verstrooidheid had de staatscommissaris op het vonnis een getal verkeerd geschreven. Hij had geschreven dat het volle bedrag van de oorlogsschade waarschijnlijk rond de 164.000 fr. zou bedragen in plaats van rond de 190.000 fr. zoals hijzelf geschat had. En daarop had hij een voorschot toegestaan van 164.000 fr., dus het volle bedrag. Niet te verwonderen dat de staat beroep aantekende. Ik moest dus naar Gent. Daar hield men geen rekening met de verstrooidheid van de staatscommissaris en het voorschot werd verminderd tot 150.000 fr. Dat maakte mij feitelijk weinig uit want het was toch maar een voorschot. Maar het slechtste was dat men er gebruik van maakte om de intrest af te trekken van de bijkomende vergoeding, daar de wet intussen veranderd was. Dat maakte dat 8000 fr. intrest moest worden terugbetaald.
Het eindvonnis werd uitgesproken op 27 maart 1923 en alles tezamen werd de som van 197.297,17 fr. toegestaan
Acht dagen later nieuwe teleurstelling. Ik ontving een brief waarbij beroep werd aangetekend tegen het vonnis. Ik vroeg uitleg bij de rechtbank en men antwoordde mij dat de reden van die beslissing was dat er hier een aangekochte oorlogsschade in het spel was en er een algemeen order was gegeven van nu af aan tegen alle soortgelijke oorlogsschades beroep aan te tekenen. De heer advocaat Vandermeersch, bij wie ik om raad ging, raadde mij aan te schrijven naar de minister van economische zaken, meneer Van de Vyvere, hem het geval uiteen te zetten en hem te vragen het beroep op te heffen. Ik deed dit en kreeg antwoord, ondertekend door de hoofdcommissaris, dat het beroep opgeheven was.
Ik dacht dat alles in orde was. Doch mijn geld geraakte op en aannemer vroeg nieuwe voorschotten. Ik vroeg dus een nieuwe uitbetaling aan. Doch men antwoordde mij dat het dossier nog berustte bij het beroepshof. Ik vroeg het op te zenden. Geen antwoord. Ik schreef nog eens. Eindelijk antwoordde men mij begin december 1923 dat het dossier daar moest blijven omdat de voorzitter van het beroepshof de geldigheid van de opheffing van het beroep niet wilde erkennen. Ik vernam dan ook wie die voorzitter was: het was meneer D’Asseler, socialistische schepen van Gent, uit principe gekant tegen elke aankoop van oorlogsschades en ongetwijfeld nog slechter ingesteld tegenover aankoop voor kloosters en vrij onderwijs. Meneer de advocaat Vandermeersch raadde mij aan een akte van opheffing te vragen, eigenhandig door de minister ondertekend. Door bemiddeling van zijn schoonzoon, meneer Loontjens van Tielt, bekwam ik die akte. Doch zelfs die akte wilde D’Asseler niet erkennen en ik werd gedagvaard om te verschijnen voor het beroepshof op 18 januari 1924.
Mjn advocaat zat er zelf mee verlegen want er waren de laatste dagen door D’Asseler vonnissen uitgesproken waarbij hij volstrekt geen rekening hield met ministerieel schrijven, en zeer nadelig het eerste vonnis veranderde. Zonder twijfel zou dat ook hier het geval zijn. Men kon natuurlijk de uitspraak van Gent doen verbreken door het Verbrekingshof van Brussel en waarschijnlijk zou er daar beslist worden in ons voordeel. Maar dat alles zou maanden duren. En intussen vroeg de aannemer die de werken beëindigd had, voortdurend om geld en bedreigde mij met hoge intresten.
De zusters hadden veel gebeden voor een goed resultaat en hun gebed werd, God zij gedankt, verhoord. Op 18 januari stond ik gereed om te vertrekken naar Gent toen advocaat Vandermeersch me aan de telefoon riep. ‘Ga niet naar Gent en vraag 14 dagen uitstel; daartoe hebt gij recht. Ik kom net uit goede bron te vernemen dat D’Asseler intussen in een andere bediening benoemd zal worden. Dan is er een nieuwe voorzitter en zijt gij gered. Deze namiddag ga ik zelf naar Gent en ik zal in uw plaats dat uitstel vragen.’
Het ging zoals het voorzegd was. 14 dagen later was er een nieuwe voorzitter en de geldigheid van de opheffing van het beroep werd erkend. Toch duurde het nog tot april voor het dossier teruggezonden werd en ik opnieuw de uitbetaling kon aanvragen. Dat beroep bracht dus een vol jaar vertraging van de uitbetaling, doch einde goed, alles goed.
Meneer de advocaat Vandermeersch heeft als loon niets anders gevraagd dan gebeden. Hetgeen wij hem ruimschoots gegeven hebben, met onze innigste dank.
Veel minder werk vroeg mij de vereffening van de oorlogsschade van kerk en pastorie. Net als voor het klooster vroeg ik voor de heropbouw van de pastorie een vonnis bij kortgeding. De schatting werd gedaan en mij werd een voorschot van 100.000 fr. toegestaan.
Samen met de pastoors van de conferentie bespraken wij de schikkingen aangaande een gerieflijke pastorie. Ik maakte zelf een grondplan en gaf het in de handen van bouwmeester Van Welden. De werken werden aanvaard door de aannemer meneer Podevain tegen dezelfde voorwaarden als het klooster en ze werden ingezet bij het begin van 1922.
De heropbouw en de effening van de gronden vorderde snel in 1921 en 1922. Ook de bevolking groeide voortdurend aan: 1100 zielen in het begin van 1922 en 1250 in het begin van 1923. In 1924 werd het maximum bereikt van 1270.
Hier verbleven ook veel vreemde werklieden en enkele woonden hier zelfs. Zij strekten in het algemeen niet tot voorbeeld voor onze bevolking. Sommige waren zeer verslaafd aan de korte drank.
Het was een tijd waarin door iedereen veel geld werd verdiend: goede boerenjaren en mooie prijzen en voor het werkvolk hoge lonen. Maar werd er veel verdiend door het werkvolk, er werd bijna evenveel verteerd.
Voorbij de vijver en in Wijtschate was het nog een halve wildernis en vooral daar was het exploitatieveld voor koper- en ijzerzoekers en er gingen schier geen weken voorbij dat er niet een van die mannen de lucht invloog door koppen van obussen te willen afdraaien of afkappen. De obussen werden naar de bossen van Wijtschate gebracht, waar men iedere middag het aangebrachte moordtuig liet springen. Nog jarenlang zal men obussen in de velden vinden.
In 1922 hebben E.H. pastoor van Vlamertinge en ik aan monseigneur de bisschop samen een aanvraag gedaan, door beiden ondertekend, voor gelijkvormigheid van de grenzen van de parochie met die van de gemeente opdat de thans bestaande onregelmatigheid van 3 huizen gemeente Dikkebus en parochie Vlamertinge, en 2 huizen omgekeerd, zou ophouden. Wij meenden verhoord te worden. Monseigneur vroeg immers dat wij een schets zouden opmaken met aanduiding van die huizen. Wij hebben het gedaan doch nooit een antwoord ontvangen.
In 1922 werden de lijken van de Franse soldaten, begraven op en naast ons kerkhof, opgegraven, overgebracht naar Frankrijk en begraven in het groot militaire kerkhof van Notre-Dame de Lorette. 14 dagen daarvoor kwam een Franse officier mij met veel complimenten een akte overhandigen vanwege de Franse minister van Pensioenen waarbij ‘en récompense de services rendus’ de pastoor van Dikkebus aangesteld werd ‘comme délégué des familles pour représenter celles-ci aux restitutions des corps des militaires morts pour la France inhumés dans le cimetière de Dikkebus.’
De Engelsen zouden hun doden in de kerkhoven laten waar zij het eerst begraven werden, behalve enkele die afzonderlijk begraven lagen en die naar de kerkhoven gebracht werden. De Engelsen deden buitengewone onkosten voor omheining en opschik van hun kerkhoven.
Ook de lijken van de burgers die tijdens de oorlog begraven waren aan de Canada in het hoekje van de weide van Désiré Lamerant werden opgegraven en naar het parochiale kerkhof gebracht.
In december 1921 hadden wij een spijtige tegenslag in onze scholen. Meester Plateau ging over naar de middelbare school van Ieper en meteen stonden 46 kinderen op straat. Onmogelijk een opvolger te vinden noch onderwijzer noch onderwijzeres. Hoe jammer! Wij zochten een middel om deze kinderen toch niet geheel en helemaal zonder onderwijs te laten. Met toestemming van de schoolopzichters hebben wij dan het halftijdstelsel ingevoerd. De zuster van de bewaarschool zou haar jongste kinderen doorzenden en van de 3 studiejaren van de meester zou zij beurtelings het eerste en het tweede nemen, terwijl het derde naar de klas van meester Herreman zou gaan. Het was een lapmddel dat toch enige vrucht afwierp.
Het grote probleem was een onderwijzer te vinden onder hen die in juli hun eindexamen zouden doen. Ik ging zelf naar Torhout en deed het voorstel aan Jozef Deconinck. Hij aanvaardde en trad in dienst op 30 juli 1922. Onze school was weer in orde doch ongelukkiglijk moest de onderwijzer in oktober 1923 zijn soldatendienst doen en dus voor een heel jaar de school verlaten. Gedurende die hele tijd was het volstrekt onmogelijk om een plaatsvervanger te vinden. Er werden ook geen middelen gespaard om vrijstelling te bekomen, doch vruchteloos. De schoolopzichter wilde niet meer van het halftijdstelsel weten en besliste dat de best geavanceerde kinderen bij meester Herreman zouden gaan en de andere bij de zuster van de bewaarschool. De zuster van de bewaarschool moest nogmaals alle kinderen beneden de 5 jaar weigeren en daarover was er gejammer bij de ouders.
In oktober 1922 waren klooster en scholen opgebouwd en zusters en kinderen waren overgelukkig hun nieuw huis en klassen te mogen betrekken. Meester Herreman ging het schoolhuis bewonen en ging met zijn kinderen in de gemeenteschool. Zo was alles zoals voor de oorlog.
De barak van de jongensschool bleef daar nog enige tijd staan en diende voor vergaderingen. Dan verkocht ik een deel ervan aan Theophiel Huyghe en hield het andere deel om hier en daar te gebruiken waar het te pas zou komen.
Het vonnis voor de oorlogsschade van de kerkfabriek werd uitgesproken voor de rechtbank voor oorlogsschade van het arrondissement Ieper, derde kamer, zetelend in Poperinge, op 1 maart 1922.
Hiervan het afschrift:
‘Aangezien de eisers regelmatig een aanvraag hebben ingediend ter vergoeding voor schade geleden aan kerkmeubelen en ornamenten, aan de pastorie van Dikkebus, Sectie B, 595 6 en aan gebouwen te Loker, Sectie B 167 door hen geschat op 137.847,50 fr.;
Aangezien de eisers zich verbinden tot herbeleg voor de goederen te Dikkebus alleen;
Aangezien de geleden schade mag aangenomen worden als volgt:
|
A) Roerende goederen |
92.088,85 |
|
|
B) Onroerende goederen: |
nieuwe waarde |
werkelijke waarde |
|
pastorie Dikkebus |
21.206,00 |
19.085,10 |
|
Loker hofstede |
4620,00 |
2243,00 |
Aangezien de vragers voor de schade aan de landen en bossen zich gemakkelijk kunnen wenden tot het Ministerie van Landbouw;
Aangezien aan vragers bij vonnis van 3 mei 1921 een voorschot van 100.000 fr. toegestaan is geweest voor de heropbouw van de pastorie, en dat de wederbelegging in augustus-oktober 1921 gedaan is geweest;
Om deze redenen:
De Rechtbank, gehoord het eensluidend advies van de heer Staatscommissaris Jan Roeykens, verleent aan de verzoekers de volgende vergoedingen.
A) Als vergoeding van herstel zonder herbeleg: hofstede van Loker: 2245,00
B) Als vergoeding van herstel met herbeleg:
1) roerende goederen: 92.088,85 – 400 fr.
Betaald door het Engels leger: 91.688,85
2) pastorie van Dikkebus: 19.085,10
C) Als vergoeding van herbeleg:
1) roerende goederen: 91.688,85 × 2 = 183.377,70
2) pastorie: 21.206 × 4,79 = 100.728,50
D) Als ereloon voor bouwmeester: 3180,90
E) Voor schattingskosten: 74,00
___________
400.378,05
380
Zegt dat die som zal betaald worden als volgt
A) Voor de roerende goederen
1) de vergoeding van herstel met herbeleg op 15 april 1922 met de intresten van 1920.
2) een som van 100.000 fr. als eerste deel der bijkomende vergoeding van herbeleg de dag van herbelegsbewijs van het voorgaande deel, met de intresten sedert laatste date.
3) een som van 83.377,70 fr. als tweede deel der bijkomende vergoeding de dag van het herbelegsbewijs van het voorgaande deel, met de intresten sedert de laatste date.
B) Voor de onroerende goederen
1) de vergoeding van herstel zonder herbeleg in het termijn door de wet voorzien.
2) de vergoeding van herstel met herbeleg (19.085,10 fr.) + 77.660 fr. der vergoeding van herbeleg + ereloon van bouwmeester (3180,90 fr.) + schattingskosten (74 fr.) of 100.000 fr. het bedrag uitmakende der toegestane tegemoetkoming bij voorraad.
3) het overige der herbelegsvergoeding (23.068,50 fr.) de dag van het herbelegsbewijs van het voorgaande deel met de intresten sedert de laatste date.
Zegt dat de rechten betrekkelijk schade aan landen en bossen voorbehouden blijven.
Bepaalt de tijd voor herbeleg als volgt:
A) voor de roerende goederen op 2 jaar.
B) voor de onroerende goederen op 1 jaar telkens na de eerste betaling.
Als dan gevonnist op 1 maart 1922.’
Deze vergoeding werd later met 5000 fr. verminderd door het terugvinden van de grote klok.
Op mijn herhaald aandringen had de aannemer meneer Podevain de werken aan kerk en school verhaast, daar wij voor oktober bij het begin van het nieuwe schooljaar volstrekt gereed moesten zijn. Maar de werken aan de pastorie bleven aanslepen. Wij wilden de zaak forceren en gingen de pastorie bewonen op kerstavond 1922, alhoewel ze niet gereed was. Wij hebben er in het begin waarlijk arme dagen beleefd: voortdurend werkvolk in huis en alles in wanorde. Maar van dan af vorderden de werken toch snel en na een maand was zij opgedaan. Hetgeen het meest te duchten was, was het voortdurend over en weer gaan naar de kerkbarak, niet zozeer om de afstand maar om de slechte staat van de Kerkstraat, die nog niet gekasseid was en in de winter een echte modderpoel. Zo is het gebleven tot 1925.
Op 31 januari 1925 had in het gemeentehuis in Dikkebus de openbare aanbesteding plaats voor de heropbouw van de kerk met bouwmeester meneer Van Welden van Poperinge.
Hier volgt de uitslag:
|
West-Vlaamse heropbouwmaatschappij, Roeselare: |
797.000 |
|
Liebaert, Brugge |
763.000 |
|
Caron, Ardooie |
693.000 |
|
Daveloose, Heist aan Zee |
704.564 |
|
Deslate Justin, Brussel (niet in orde) |
626.532 |
|
Arcq, Waterloo |
844.000 |
|
Lootens, Oostende |
799.000 |
|
Tant Albert en De Pussenier |
736.367 |
|
Podevain, Brussel |
821.000 |
|
Somerville |
828.000 |
|
Smis, Oostende |
858.000 |
|
Deroo, Vlamertinge |
765.000 |
De uitvoering werd toegewezen aan meneer Caron van Ardooie, die ook de aannemer was van de kerken van Westouter, Loker, De Klijte en Geluveld, het zothuis in Ieper, het gesticht in Loker en het herstel van de St.-Janskerk en de O.L. Vrouwkerk van Poperinge.
Begin maart begon de uitvoering van de werken en op 12 juni 1923, ter gelegenheid van het kerkbezoek van Z.E.H. deken van Ieper, werd de plechtige steen gewijd en binnen in de steen, in de opening daartoe voorzien, werd het volgende op perkament geschreven gedenkschrift geplaatst:
‘Deze plechtige steen der nieuwe parochie van den H. Joannes Baptista te Dikkebus wierd op 12 juni 1923 gewijd door den zeer eerwaarden heer kanunnik Camiel Delaere, deken der christenheid van Yper, in de tegenwoordigheid van den Heer doktoor Henri Brutsaert, toegevoegde Koninklijke Hoog Commissaris te Poperinge, den eerwaarden Heer Achiel Van Walleghem dd. pastoor, de Heeren Désiré Lamerant, voorzitter van den kerkraad, Justin Thevelin, schrijver van den kerkraad, Jules Maerten, schatbewaarder van den kerkraad, Emiel Vandenbroucke, lid van den kerkraad, Cyriel Onraet, lid van den kerkraad, Engel Heugebaert, burgemeester, Henri Lamerant, schepen, Oscar Ghesquiere, schepen, François Van Welden, bouwmeester, Victor Caron, aannemer, Petrus Sinnaeve, koster, Henri Herreman, hoofdonderwijzer.
Dickebusch, den 12 Juni 1923
Handteekens’
De voorlopige kerk was reeds tamelijk goed voorzien van gerief. Ik had 150 kerkstoelen gekocht bij Vanhaverbeke in Izegem en ook 150 bij Cuvelier tegen 12 fr. per stuk.
De schilderijen, gered uit de oorlog en in 1919 naar Dikkebus teruggebracht, werden naar meneer Bouchery van Brugge gestuurd om hersteld te worden. Ook de kunstig gesneden panelen van de zitbanken en de niet minder kunstig gesneden biechtstoel van E.H. pastoor werden voor herstel naar meneer Van Robays van Sint-Kruis gezonden. De andere biechtstoel zou volgen zodra wij hem konden missen. Ook het kunstige St.-Donatusbeeld was hersteld door Van Speybroek.
In 1923, nadat ik de pastorie bewoonde en bijgevolg de paters logies kon geven, dacht ik dat de tijd gekomen was om een grote zending te houden. Zij had plaats van 26 februari tot 8 maart en werd gepreekt door de E.P. redemptoristen Vansevenant en De Nolf en lukte prachtig.
Intussen vorderde onze kerk goed en wij zagen met vreugde de dag tegemoet dat wij de verhuizing uit de kerkbarak zouden mogen doen. Toen was er plotseling een verschrikkelijke beproeving. Want in de nacht van 21 januari 1924 brandde onze voorlopige kerk af met al wat erin was. Omstreeks 24.30 uur werd de dichtste buur Jules Derycke, die de pastoriebarak bewoonde, gewekt door het geknetter van vlammen. Toen hij buitenkwam, zag hij dat de voorkant van de kerk in brand stond. Aanstonds de klok geluid. De buren kwamen vlug toegelopen doch van blussen of iets redden kon er geen sprake meer zijn. In minder dan 5 minuten stond de hele barak in lichterlaaie. Men kwam mij roepen, ik snelde ernaartoe maar alles lag reeds plat. De brand was zo hevig dat de barak van schoenmaker Versavel, die op 6 meter daarvandaan stond, ook vuur vatte en afbrandde. Ook de pastoriebarak begon te branden, doch men slaagde erin ze te blussen. Het vuur was zo hevig dat men het koperen tabernakel gedeeltelijk gesmolten terugvond. Het waren droevige stonden voor een pastoor: plots alles verliezen, ook hetgeen ik had kunnen redden uit de oorlog. Ook de heilige vaten en helaas, zelfs het H. Sacrament, werden de prooi van de vlammen. Maar Gods wil geschiede en eens te meer hebben wij ons betrouwen gesteld op zijn Alwijze en Algoede Voorzienigheid.
En de oorzaak? ’s Avonds om 16.30 uur was er lof geweest. Kaarsen waren er in alle geval niet blijven branden. Was er een vonkje vuur uit het wierookvat gevlogen dat na uren smeulen de brand heeft gesticht? Wij denken het niet, doch het is mogelijk. Kwaadwilligheid? Wij hebben ook geen gegronde reden om dat te veronderstellen. Deze brand mag vergeleken worden met de brand van de kerkbarak van Vlamertinge in 1922, ook ’s nachts en de oorzaak was eveneens onbekend.
De verslagenheid en de deernis van de parochianen was algemeen. ’s Nachts waren maar weinig mensen bij de brand geweest. Er waren mensen die ’s morgens als naar gewoonte naar de kerk kwamen en het droevige nieuws pas vernamen als ze ter plaatse waren. Ik ging die morgen mis doen naar De Klijte. Vandaar voerde de aannemer meneer Caron mij met zijn auto naar Z.E.H. deken van Ieper. Die gaf mij een draagaltaar en een kazuifel van iedere kleur. Vandaar ging het naar de hoog commissaris van Poperinge, meneer Brutsaert, om een nieuwe kerkbarak te vragen, daar het nog verscheidende maanden zou duren voor de nieuwe kerk gereed zou zijn. Gemiddagmaald in het college en daar een professor gevraagd om de volgende zondag mis te komen doen, om al ons volk te gerieven.
In afwachting van de nieuwe kerkbarak zal ik tijdens de week mis lezen in een klas van de meisjesschool en ’s zondags 4 missen in de jongensschool, waar de 2 klassen samengebracht werden. E.H. Versavel, leraar in het college van Poperinge, deed net als ik 2 missen.
Barak en meubelen waren verzekerd doch helaas de meubelen voor een onbeduidende som. Ik had immers de verzekering afgesloten met de Boerenbond in 1920, toen er nog maar weinig meubelen in de kerk waren en alles nog tamelijk goedkoop was. Sindsdien had ik veel meubelen bijgekocht en alles was ook veel duurder geworden. Ik dacht toch dat het de moeite niet waard was om nog een nieuw contract aan te gaan daar wij toch weldra in de nieuwe kerk zouden gaan en dan alles naar waarde verzekerd zou worden.
De waarde van de vernielde kerkmeubelen werd door mij geschat op 55.150 fr. De vergoeding, alhoewel het maximum werd toegestaan, bedroeg slechts 7000 fr. Daarbij ontving ik nog 2000 fr. voor 2 barakken die mij toebehoorden, de ene dienend voor magazijn en de andere voor sacristie.
Dat verlies werd, God zij gedankt, grotendeels gedekt door allerhande giften zowel van vreemden als van parochianen. Een omhaling, die ik zelf ten huize deed bij de parochianen, bracht 10.296,50 fr. op. Van vreemden ontving ik in geld 6112,50 fr. Bijzonder weldadig waren de leerlingen van de kostschool van Heist, die mij een som zonden van 2100 fr.
Als nieuwe voorlopige kerk werd mij een oud schoolbarak, die in Mesen stond, toegestaan op voorwaarde dat ik zelf zou zorgen voor het afbreken, het vervoer en het opslaan. Maar die onkosten zouden mij vergoed worden. Bij die gelegenheid hebben onze boeren nogmaals hun bijzondere gedienstigheid en liefde voor Gods huis getoond. Ze zijn met 29 wagens die barak naar Mesen gaan halen langs zeer slechte wegen en zonder andere vergoeding dan wat drinkgeld voor de paardenknechten. De mij toegestane vergoeding lieten zij ten bate van de kerk. Deze kerk was helaas maar een schamele barak vergeleken met de afgebrande kerk en ze was ook wat te klein. Maar wij troostten ons, daar wij zagen hoe de opbouw van de stenen kerk gestaag vorderde. Het zou maar voor enkele maanden zijn. De eerste mis werd er gedaan op 11 februari 1922.
Ook ontving ik veel giften in natura en hier was nogmaals onze voornaamste weldoener het Werk der Arme Kerken van Gent. Zo ontving ik in maart en april de volgende giften:
2 witte kazuifels, 1 witte dalmatiek, 2 rode kazuifels, 1 rode dalmatiek, 2 groene kazuifels, 2 zwarte kazuifels, 1 zwarte dalmatiek, 1 zwarte koorkap, 1 witte koorkap, 2 witte stolen, 1 rode stool, 1 groene stool, 1 purperen stool, 1 zwarte stool, 2 biechtstolen, 2 berechtingsstolen, 4 beurzen, 2 stoolkraagjes, 10 korporalen, 18 kelkdoekjes, 8 amicten, 24 vingerdoeken, 3 alben, 5 rokketten, 3 koorden, 5 palla’s, 6 soutanes voor misdienaars (3 rode en 3 zwarte), 4 bovenaltaardwalen, 4 onderaltaardwalen, 1 altaardeksel, 1 communiedwaal; 1 ciborie, 1 monstrans, 1 humerale, 1 H. Olievaatje voor doopsel, 1 H. Olievaatje voor berechting, 1 beurs, 1 misboek, 1 stel canons, 1 stel kannetjes, 1 wierookvat, 4 altaarkandelaars, 2 kandelaars voor misdienaars, 1 altaarkruis, 1 berechtingslantaarn, 1 wijwaterketel met kwispel, 1 godslamp, 1 pelder, 4 handdoeken, 4 kussens, 1 boekstander, 1 gordijntje en bekleding voor tabernakel.
Later, mits een zekere vergoeding voor de aankoop van stof, heb ik nog een volledig zwart ornament gekregen voor drie priesters.
Van het Werk der Arme Kerken van Wevelgem ontving ik, door bemiddeling van E.H. Delodder, een groene koorkap en 2 kandelaars, benevens enige kleinigheden.
Juffrouw Rotsart de Hertaing, Engelse straat, Gent, bezorgde mij een witte koorkap.
Van meneer Floris Bonnave, Moeskroen, kregen wij een beeld van de H. Jozef en de H. Antonius.
De heren Louis en Paul Gildemyn, Boulevard Lamberge, Gent, schonken ons, als aandenken aan hun verblijf op Dikkebus in 1916–1917 bij de kanonnen aan de vijver, de beelden van het H. Hart en O.L. Vrouw met piedestal en kandelaars.
Ik ontving een kelk van het Werk der Arme Kerken van Bergen.
Van het bisdom ontving ik 5 kazuifels in verschillende kleuren met toebehoorten, ook een albe en een surplis.
De E.H. Opsomer en Boone, seminaristen, ijverden ook voor onze kerk en konden ook nog het een en het ander verkrijgen.
Met de heropbouw van de kerk ging het net als met de heropbouw van de pastorie. In het begin goede vooruitgang, voor de voltooiing uiterst traag. Met kerstdag 1924 zou E.H. Opsomer, parochiaan, de heilige priesterwijding ontvangen en op 31 december zou hij zijn eremis doen. Door mijn herhaald aandringen konden wij de verhuizing doen op 28 december en op 29 had de inzegening plaats door Z.E.H. kanunnik Delaere, deken van Ieper. Namen deel aan de ceremonie: de E.H. pastoors van Kemmel, Voormezele en De Klijte. Werden ook in het bijzonder uitgenodigd: de heren Verwilghen en Brutsaert, koninklijke hoog commissarissen, Van Welden, bouwmeester, Caron aannemer, de leden van kerkraad en gemeenteraad. Na de ceremonie werden de heren voor een middagmaal uitgenodigd in de pastorie.
Op 30 december had de plechtige eremis plaats van E.H. Opsomer. Voor die gelegenheid werd het mooie, volledig gotische ornament gebruikt dat aangekocht was voor de som van 5000 fr. aan het huis English in Brugge. Deze beide ceremonies werden bijzonder goed bijgewoond door de parochianen.
Alhoewel opgebouwd, was de kerk nog ver van opgedaan. Dat zou nog verscheidene maanden aanslepen. In juni 1925 werd de voorlopige overname gedaan mits tal van opmerkingen. Enige tijd nadien vroeg meneer Caron de eindovername. Deze werd geweigerd daar ik vastgesteld had dat verscheidene zaken nog niet in orde waren, vooral aan dak en toren, daar waar het het moeilijkst was om erbij te geraken. Eindelijk werd de eindovername gedaan in april 1926.
1923 en 1924 waren de jaren van de heropbouw van de kerk. 1925 en 1926 zouden vooral de jaren van de bemeubeling zijn.
Aan Camiel Derboven werden in 1925 500 kerkstoelen gekocht. Ze kwamen van de fabriek Pype van Menen en ze kostten 14,50 fr. per stuk. Later werden er nog 100 bijgekocht.
Een harmonium ten dienste van de kerk werd in 1925 gekocht bij meneer Anneessens in Menen voor 2200 fr. Voor de oorlog waren alle vensters brandvensters, behalve de drie gevelvensters. Ik had bij de rechtbank de vergoeding ervoor gevraagd als meubilair, hetgeen toegestaan werd. Doch in de nieuwe kerk waren opvallend meer vensters dan in de oude, waar geen enkel koorvenster was. Zo werd door de rechtbank besloten dat de kerkfabriek de brandvensters moest bekostigen en ook een deel van de overige vensters. Het gewone glas werd geplaatst door meneer Van Hullebusch, Wantestraat, Assebroek. De kerkfabiek betaalde 8402,90fr., de aannemer 3679 fr.
In de keuze en de schikkingen voor bemeubeling en versiering werd ik bijzonder bijgestaan door de kunstkenner E.H. English uit Brugge. Hij gaf mij vooral kostbare raad voor het ontwerp en de uitvoering van de brandvensters. Deze werden geschikt als volgt: in het middenkoor boven het altaar 3 taferelen over St.-Jan Baptist, eerste patroon van de kerk; aan de zijkanten de 4 evangelisten en de 4 grote westerse kerkleraars, de heiligen Augustinus, Ambrosius, Hieronymus en Gregorius; boven het altaar van O.L. Vrouw 3 taferelen van O.L. Vrouw; boven het altaar van de heilige Donatus 6 beelden van heiligen die allen betrekking hebben op onze parochie: de gelukzalige Johannes van Waasten, bisschop van Terenburg, die de abdij van Voormezele stichtte, waarvan de kerk van Dikkebus gedurende verscheidene eeuwen afhankelijk was; de heilige Audomarus, patroon van het bisdom van Terenburg, waarvan Dikkebus gedurende verscheidene eeuwen deel heeft uitgemaakt; de heilige Martinus, patroon van het oud bisdom Ieper, waaronder Dikkebus gedurende 2 eeuwen was; de heilige Donatianus, patroon van het bisdom Brugge; de heilige Donatus, tweede patroon van de parochie; de heilige Sebastianus, aan wie voor de oorlog dat altaar was toegewijd.
Deze brandvensters werden vervaardigd door meneer Coppejans van Gent en ze hebben 21.450 fr. gekost. Coppejans heeft mij nogal voldoening gegeven.
De geklede O.L. Vrouw werd gemaakt door een beeldhouwer uit Brugge, de kleren en mantels werden geleverd door het huis English uit Brugge. Alles is gekocht voor 1969 fr. De kast werd gemaakt door Camiel Derboven.
Ook verscheidene altaargordijnen werden gekocht bij het huis English.
Meneer Walter Van Robays van Sint-Kruis heeft mij de volgende meubels geleverd: 1 biechtstoel: 4200 fr.; preekstoel, zonder kap: 6800 fr. (de kap werd gemaakt door Camiel Derboven); doopvont: 2500 fr.; lutrin: 200 fr.; boekstander: 90 fr.; 2 kandelaars: 150 fr.; 2 bidbanken: 700 fr.; 2 zitbanken: 5000 fr. (dit zonder de gesculpteerde panelen die nog bewaard waren gebleven.); sacristietoog, kasten en toebehoorten, lavabo, zetel, koorstoelen: 6960 fr.; 4 bankjes voor misdienaars: 300 fr.; hoogaltaar, marmer en koperwerk, tabernakel, kruis, 6 kandelaars, uitstellingtroon, roeden, ringen: 26.050 fr.; 2 kaders ante et post missam, 2 kaders voor patroon en naam van bisschop, 2 kaders voor kerkdiensten, calendarium: 150 fr. Alles samen 58.800 fr.
Ook de andere biechtstoel werd hersteld door Van Robays. Hij heeft mij volstrekt geen voldoening gegeven en heeft bewezen dat hij niet rechtzinnig was en het vertrouwen dat ik in hem gesteld heb niet verdiende. Bij meneer Demeere uit Ieper werden het baldakijn en het vaandel van O.L. Vrouw en nog verscheidene artikelen voor kerk en processie gekocht. Wij waren hoegenaamd niet tevreden over hem en hebben in 1927 alle betrekkingen met hem verbroken.
Het stalletje van Bethlehem werd gekocht bij Parentani in Brussel en kostte 600 fr. De tapijten, groot 79 meter 60, werden geleverd door het huis Vanderborght uit Brussel en kostten 4010,10 fr. De schilderijen werden hersteld en de kruisweg werd geschilderd door meneer Bouchery uit Brugge. Ook hij heeft me geen voldoening gegeven bij het vereffenen van onze zaken. De kruisweg heeft 8400 fr. gekost en is een kopie van de kruisweg van Hendrix in de St.-Jacobskerk in Antwerpen.
Het beeld van St.-Jan Baptist werd gekocht bij Billaux-Grossé in Brussel. Ook verscheidene processiekleren werden daar gekocht.
3 koperen processielantaarns werden hersteld en ene vierde werd nieuw gemaakt door Van Haverbeke uit Oostkamp. Het heeft meer dan 4 jaar geduurd voor die vierde gereed was.
De brandkast werd aangekocht bij meneer Albert Denys uit Poperinge voor 2500 fr.
Het zilveren wierookvat werd vervaardigd door goudsmid Verstraete uit Brugge uit zilverstukken die wij hem daarvoor gegeven hadden.
In 1923 sloot ik een akkoord met Michaux uit Leuven over het leveren van de nieuw klokken en het herstellen van de grote, teruggevonden klok bij de opruimingswerken van de kerk; het oor was afgebroken. Het metaal werd berekend tegen 14,75 fr. per kilo.
Ik heb uitzonderlijk veel last gehad om mijn klokken te krijgen. Altijd vond Michaux redenen om voorschotten te vragen en om de levering uit te stellen. Ik hoorde voortdurend dat hij maar in slechte papieren zat en daarom heb ik bijna voortdurend moeten aandringen. Eindelijk werden de klokken geplaatst op 15 december 1925 en dat alles heeft tezamen gekost: 16.575,10 fr.
De kleine klok, die 297 kilo weegt, heeft als opschrift: bovenaan een beeltenis van O.L. Vrouw en onderaan: ‘Ad honorem Beatae Mariae Virginis et ad usum Ecclesiae de Dickebusch. Vernield door Duitsch geweld. Na zegenpraal hersteld’.
De middenklok, die 469 kilo weegt, heeft als opschrift: bovenaan een beeltenis van St.-Jan Baptist waaronder: ‘St.-Jan Baptist ter ere en Dickebusch ten dienste werd ik uit brons gegoten ten jare 1924. Toen was dienstdoende pastoor Achiel Van Walleghem, voorzitter van de kerkraad H. Désiré Lamerant, schatbewaarder H. Jules Maerten, schrijver H. Justin Thevelin, Leden Engel Heugebaert (burgemeester), Emiel Vandenbroucke, Cyriel Onraet.’
Bij het herstel hebben wij op de grote klok het volgende opschrift gezien: ‘Mijn naem is Pelagia Josepha. Hebbe voor peter Meester J. Lenoir, pastor en de eerste kerkmeester dezer parochie van Dickebusch en voor meter Jufvr. Pelagia Josepha Herbaux, huysvrouw van mijnheer C.E.B. Van Eecke en de oude onderpastor E.H. Boussen van Veurne – 1808.’
Deze klokken werden gewijd op 28 januari 1926 door Z.E.H. deken Delaere van Ieper. Waren peter en meter van de klok Jan Baptist: meneer Engel Heugebaert, burgemeester, en mevrouw Flour Crabbe, echtgenote van meneer Justin Thevelin. Van de klok Maria was de peter meneer Jules Maerten en de meter Florence Delanotte, echtgenote van meneer Henri Lamerant.
In 1926 verkocht ik onze eerste klok aan E.H. pastoor van De Klijte voor 2200 fr.
Op 28 november 1923 maakte ik met meneer Anneessens akkoord voor het nieuwe kerkorgel. Alhoewel hij het vroeger wenste, liet ik het orgel pas plaatsen in januari 1926, daar ik vreesde dat de kerk nog niet droog genoeg was en het orgel beschadigd zou worden door de vochtigheid. Dat orgel bestaat volgens akkoord uit een handklavier, 56 noten, en een voetklavier, 27 noten – 10 spelen, alle volledig. De soubasse met transmissie op B16 en de 12 bassen van de Flûte Harmonique op B8.
Samenstelling van het orgel
1) Bourdon 16
2) Bourdon 8
3) Montre 8
4) Flûte harmonique 8
5) Solicional 8
6) Voix céleste 8
7) Prestant 4
8) Doublette 2
9) Trompette 8
Pedaal
10) Soubasse 16
Combinaties
Klavier op pedal
Expression
Tremolo
Het orgel werd gewijd op 19 februari 1926 door E.H. pastoor onmiddellijk voor de hoogmis en tijdens de hoogmis bespeeld door Louis Van Houtte, leraar aan de normaalschool van Torhout.
Het orgel heeft 25.000 fr. gekost en is tien jaar gewaarborgd.
Meneer Fonteyne van Brugge heeft aan onze kerk in 1926 geleverd: 1) St.-Donatiusaltaar met borstbeeld en nis en 4 kandelaars van een bijzonder model betrekking hebbende op St.-Donatius; 2) O.L. Vrouwaltaar, kruis, kandelaars; 3) kleine expositietroon; 4) kruisbeeld voor preekstoel. Meneer Fonteyne is van mijn leveranciers diegene die mij het meeste voldoening heeft gegeven. Mooi werk en niet duur.
In 1927 werd de Calvarieberg geplaatst. Metselwerk van Louis Vandelanotte en kruis en beelden van Devisschere uit Gent. Hij werd gewijd op de laatste zondag van oktober. Voor deze Calvarieberg heeft Charles Van Eecke, vroeger molenaar op Sint-Hubertushoek, een gift geschonken van 2000 fr.
Na de heropbouw van de kerk was de oorlogsschade voor het kerkgebouw nog niet uitgeput en volgens de schatting van de bouwmeester zou er nog een som overblijven van ruim 30.000 fr. Daar de kerk beschouwd werd als gemeentegebouw zou die vergoeding toekomen aan de gemeente doch gebruikt moeten worden voor de kerk.
Er bleef in de kerk een werk over dat in het plan van de bouwmeester niet was opgenomen: de tribune van het oksaal (hij had er niet aan gedacht dat er onder de tribune geen plaats genoeg was). Dat was dus een bijkomend werk, waarvoor het grootste deel van die som gebruikt zou worden. Doch volgens de schatting van de bouwmeester zou er nog genoeg overblijven voor een kerkhofmuur langs de voorkant van de kerk. Ik deed het voorstel aan de gemeenteraadsleden doch zij waren wantrouwig aangaande de vergoeding. Zij hebben pas toegestemd na verscheidene weken, en nadat ik zelf in de vergadering van de gemeenteraad de zaak uiteengezet had. Het bouwen van die muur werd bij openbare aanbesteding toegekend aan Louis Vandelanotte voor de som van 8945 fr.
Ook het kerkhof stond op naam van de gemeente en bijgevolg was de vereffening van de oorlogsschade voor het gemeentebestuur. Doch ik wist bij ondervinding hoelang de zaak dan zou aanslepen, en de staat van het kerkhof was te ellendig om nog langer zo te laten. Ik vroeg de gemeenteraad mij aan te stellen als gevolmachtigde om zelf die zaak te mogen regelen. Die volmacht werd vrij gemakkelijk toegestaan. Meneer Van Welden deed de schatting van de schade, te weten 3375 fr. Daarvoor werd bij vonnis van juni 1927 een vergoeding toegestaan van 12.704 fr. Ik vroeg mijzelf te mogen belasten met de uitvoering van de dringendste werken: hagen planten langs beide kanten van de kerkhofweg, waterleiding, kerkhof en kerkhofweg effenen, stenen verwijderen, wegen aanleggen, kasseien voor de kerkdeur enz. Het werd toegestaan. Zo was met Pasen 1928 het kerkhof in goede staat.
In 1926 werd de pastorie geschilderd en behangen, wat ik gemakkelijk kon doen met de op de vergoeding toegestane intresten.
Voor wat het effenen van de grond betreft, waterleidingen en beplantingen van de pastorietuin en andere eigendommen van de kerkfabriek, heb ik mij moeten wenden tot de bijzondere dienst van motocultuur, daartoe ingericht in Ieper en afhangend van het ministerie van Landbouw. Zo kon ik de tuin van de pastorie in orde brengen en herbeplantingen doen van fruitbomen en hagen. Er werd ook een vergoeding toegestaan van 1117 fr. voor bomen en houtgewas van de kerkbossen en de hoeve van Loker.
De vergoeding voor minderwaarde kwam terecht bij de eigenaar, die voor het effenen werd toegestaan aan de pachter.
Bij de onderhandelingen aangaande de vergoeding van gronden werd op het kadaster een fout ontdekt aangaande het eigendom van de kerk, sectie B 587, groot 38 aren 50 centiaren, gelegen nabij de grintweg van Kemmel en gebruikt door Leon Boudry. Ik had naar Brugge geschreven om de kadastrale legger te bekomen van die partij land, die toebehoorde aan de kerkfabriek van Dikkebus. Tot mijn verwondering antwoordde men mij dat die partij land niet het eigendom was van de kerkfabriek maar van het armenbestuur. Zo stond het klaar en duidelijk op het kadaster en zo was het reeds van bij het bestaan van het kadaster.
Het kon niet anders of er was een fout op het kadaster. Weliswaar kende niemand de oorsprong van het eigendom doch de bewijzen waren er dat die partij land altijd door de kerkfabriek verpacht was en ten andere, hoe uit te leggen dat bij het begin van het eigendomsrecht het armenbestuur die partij zou laten verpachten door iemand anders? Zoiets was onmogelijk.
Ik ging om raad bij de vrederechter meneer Castel. Deze antwoordde mij dat ik het beste zou trachten het bestuur van de openbare onderstand ervan te overtuigen mij een akte te geven waarin verklaard werd dat bovengemeld bestuur geen aanspraak maakte op die grond doch integendeel de rechten erkende van de kerkfabriek. Het strekt tot eer van de leden van de openbare onderstand dat zij dat hebben willen verstaan en mij aanstonds de gevraagde akte hebben gegeven. Die akte werd vervolgens opgezonden naar het kadaster om daar de nodige veranderingen aan te brengen.
Ook aan het klooster werd een vergoeding toegestaan voor vereffening van tuin, koer, waterleidingen, beplantingen enz.
In april 1926 werd door Henri Vanderhaeghe een muur gebouwd ten noorden en ten oosten van de voortuin van het klooster. Die muur, die 56,85 meter lang was, heeft 5329,80 fr. gekost.
In 1928 zal op de noordkant van die tuin de patronage gebouwd worden, die halverwege was bij mijn benoeming als pastoor van Wulveringem. De grond werd, volgens overeenkomst met het klooster, gratis afgestaan en bij akte voor notaris Decock in juli 1928 overgeschreven als eigendom van O.L. Vrouw van Thuyne van Ieper, maatschappij zonder winstgevend doel.
Reeds in 1928 heb ik met Henri Donche van Ieper een contract gemaakt voor het maken van het kerkhorloge. Niettegenstaande mijn herhaalde aandringen was het horloge bij mijn vertrek nog niet gemaakt.
Wat nu het godsdienstig en kerkelijk leven aangaat in 1924–1928: in die tijd was de parochie niet verslechterd, integendeel. De vernieuwing van de heilige zending zou plaatshebben in maart 1924. Doch de mens wikt maar God beschikt. De brand van de kerkbarak verhinderde onze schikkingen en het was onmogelijk om dat te doen in de nieuwe barak, die was te klein. Dus werd de zending uitgesteld tot 1925. Zij werd gepreekt door de E. Paters Van Durme en De Nolf. Zij is nogmaals goed geslaagd en heeft veel deugd gedaan.
Naarmate het werk afnam hebben verscheidene minder godsdienstige families het dorp verlaten. Ook zijn drie schavuiten in de lucht gesprongen bij het afkappen van obuskoppen. Onze bevolking werd meer en meer de gezetene christelijk bevolking van voor de oorlog.
In 1925 is Mgr. Waffelaert het Heilig Vormsel komen toedienen aan de kinderen van onze parochie. Peter was meneer Engel Heugebaert, burgemeester; meter mevrouw Justin Thevelin.
Met Pasen en Allerheiligen kwam ieder jaar een vreemde biechtvader en mijn groot verlangen was een zondagse onderpastoor te krijgen, vooral voor de vrijheid van biecht. Onmogelijk te vinden, noch in het college van Ieper noch in dat van Poperinge. In september 1927 werd een onderpastoor benoemd in Houtem en zo werd E.H. Vander Ghote vrij, die daar zondagse onderpastoor was. Ik trok aanstonds naar het bisdom om hem te vragen en werd verhoord.
In januari 1928 gaf onze voorbeeldige koster Petrus Sinnaeve zijn ontslag. Hij werd hier benoemd in 1878, vluchtte in 1915, keerde terug in 1923. In 1927 begon zijn gezondheid te begeven en in 1928 moest hij aan zijn bediening verzaken. Hij ging bij zijn zoon Marcel wonen, die onderwijzer was in Kortemark, en daar is hij in oktober 1929 gestorven. Hij was een doorbrave, godvruchtige en oppassende koster en vol eerbied voor de priester.
In 1922 diende de secretaris meneer Thevelin zijn ontslag in. De heer Jozef Decaestecker werd gekozen als zijn opvolger. Die jonge heer, bezield met goede inzichten maar die het dorp niet kende en van nature wat geweldig was, kwam er tegen de zin van zijn voorganger. En wat te voorzien was, is gebeurd. Hij heeft hier veel botsingen gehad en bittere dagen beleefd. In 1926 werd hij gedwongen het dorp te verlaten.
In oktober 1926 had de gemeenteraadsverkiezing plaats. 3 lijsten werden voorgedragen en de uitslag was als volgt:
Ongeldige stemmen: 52
Geldige stemmen: 616
Bonte: 73

Verkozen: de volledige lijst 2, behalve Saelen en Pelgrim. Van lijst 1: Charles Wyffels en Engel Heugebaert.
Cyriel Lamerant, de eerste van lijst 1, werd niet verkozen daar zijn broer Henri van lijst 2 de tweede plaats bekwam bij het verdelen van de zetels en hij pas de vierde plaats en slechts een van beiden deel kon uitmaken van de gemeenteraad.
Van heel die politieke boel heb ik mij niets aangetrokken, omdat ik dat het beste vond en beide lijsten tenslotte konden doorgaan als katholieke lijsten. Doch ik heb ondervonden hoe moeilijk dat is, vooral als men de toestand kent en ziet waar in de verschillende kwesties het gelijk ligt en het ongelijk.
Daags voor de verkiezingen werd door lijst (…) een gemeen en hatelijk strooibriefje verspreid aangaande lijst 2. Dat briefje gaf een lage dunk over de opstellers.
Op 5 januari 1927 werd meneer Justin Thevelin burgemeester van de gemeente benoemd. Hij wenste geen installatie doch gaf op tweede paasdag een diner voor al wie deel uitmaakte van het een of ander openbaar bestuur, evenals voor de bedienden. Ook E.H. pastoor en E.H. Opsomer werden erop uitgenodigd.
In mei 1928 stierf meneer Engel Heugebaert, die burgemeester van de gemeente was geweest van 1902 tot 1926. Hij was een rechtschapen en gedienstig man met veel praktisch verstand doch wat weinig geleerd, zodat hij te veel afhankelijk was van zijn secretaris. Hij was over het algemeen zeer geliefd en zijn gedachtenis zal gezegend blijven.
Voor de oorlog bestonden hier de pensioenkas en de ziekengilde, die zeer bloeiend waren dankzij vooral de onverpoosde werking van E.H. kapelaan Lefebvre, bijgestaan door meester Julien Deraedt.
Wat de pensioenkas betreft: na de oorlog volhardden de leden tamelijk goed in hun jaarlijkse stortingen, maar er kwamen weinig nieuwe leden bij. Gezien de verouderde wetgeving in dat opzicht en de voortdurende problemen met onze frank, maakte ik geen propaganda. Ik deed nog net als voor de oorlog het werk zelf. Toen in 1927 de nieuwe pensioenwet gestemd werd en het werk van schrijver-schatmeester veel uitgebreider werd, zodat het mij onmogelijk was het nog voort te doen, heb ik het overgelaten aan meester Herreman.
De werking van de ziekengilde werd na de oorlog niet hernomen. Door voortdurende schommelingen van onze frank was het moeilijk het bedrag van storting en vergoeding te bepalen en ten andere, ons volk verdiende veel geld en kende geen voorzienigheid.
Daar waar men het probeerde, mislukte het. In 1927 echter werden wij door het ministerie aangemaand de werking te hernemen. En in maart 1928 kwam er plotseling een bedreiging dat de kas van alle nog niet opnieuw ingerichte gildes zou worden aangeslagen. E.H. Socquet, bestuurder van de sociale werken van het Ieperse, kwam reeds de volgende zondag naar ons dorp en onze gilde, waar 3 families bij toetraden, werd aangesloten bij de ziekengilde van de christelijke werklieden van Ieper. De kas was gered, en het was een inzet.
Mannen van Ieper zijn mij nog komen spreken over het oprichten van een syndicaat voor werklieden. Doch het was onmogelijk om in die tijd daaraan te beginnen. Wij zagen immers hoe in sommige naburige gemeenten die syndicaten slabakten en wat zou het dan zijn bij ons onder de voortdurende en hardnekkige tegenwerking van een Thevelin?
Het veesyndicaat van voor de oorlog, dat buiten de werking van de priesters stond, was reeds ontbonden in 1920. De geitenverzekering en het geitensyndicaat bleven bestaan doch met de oude voorwaarden inzake bijdragen, vergoeding en toelagen. Bloei hebben zij niet gekend. De spaar- en leengilde, gesticht in 1919, maakte het verder goed, maar kende evenmin een grote bloei.
Graag hadden wij een boerengilde gesticht die afhing van de Belgische Boerenbond. Maar het was onmogelijk om daaraan te beginnen: de tegenwerking van Justin Thevelin zou zo geweldig zijn dat die bond het onmogelijk zou kunnen uithouden. En voor de pastoor die erin gemoeid zou zijn, ware het de oorlog.
In 1924 werd hier een boerengilde gesticht door de Brugse Boerenbond ‘De Vrije Eigenaars en Landbouwers’ of liever, zoals men hen dikwijls noemde ‘De Vrije Eigenaars en de Verplichte Landbouwers’. Die bond vond geen tegenwerking van Justin Thevelin, integendeel, dat zou hem helpen in de strijd tegen de Belgische Boerenbond. Hij aanvaardde er ook graag het erevoorzitterschap van. Dat gaf hem recht om aanwezig te zijn op de bestuursvergaderingen. Zo zou hij zeker zijn dat geen enkele beslissing zou worden genomen tegen zijn belangen.
Die bond telde welhaast een groot aantal leden. Immers, bij de stichting had de spreker gezegd dat een van de voormannen van die bond meneer Boereboom was, hoofd van de dienst van wederopbouw, ministerie van Landbouw, in Brugge. Door middel van de bond zouden de leden dus gemakkelijker de hun verschuldigde vergoeding bekomen. Bijna alle landbouwers moesten nog geld ontvangen van die inrichting voor vereffening van gronden en drainage, en daarom namen zij maar aanstonds het middel vast, en werden lid. Bij de inrichting van die Bond zei de spreker dat die boven of buiten alle politiek of partijen stond. Men mag katholiek, liberaal of socialist zijn; daarnaar moest er niet gezien worden.
Een zekere heer Pauwels van Brugge kwam regelmatig in de vergadering het woord voeren, en spaarde zich geen moeite. Maar eenmaal zij de uitbetaling van hun oorlogsschade verkregen hadden, zagen de leden niet langer het belang in nog deel te maken van de bond. Want zaken werden er in de bond niet gedaan, tenzij wat verkoop van kiekenvoeder, een artikel dat in de handel van de erevoorzitter niet kwam. Bovendien werden de leden voortdurend aangegaan om aandelen te nemen in de Vereniging. Maar zover ging hun vertrouwen niet. Gaandeweg begon de werking van de afgevaardigde ook te verflauwen. De bond begon te slabakken en in 1929 stierf hij een zeer natuurlijke dood.