Beste lezer,
Voor u ligt een bijzondere heruitgave, het belangrijkste burgerlijke dagboek uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek. Het is geen relaas van iemand die op relatief veilige afstand aan deze of gene zijde van het verre front verslag doet van de gebeurtenissen en er zijn of haar reflecties over neerschrijft. Hij neemt niet deel aan de oorlog als lid van een van de legers, en plaatst zodoende het eigen handelen ook niet voortdurend in een moreel perspectief. Achiel Van Walleghem is een dorpspriester, van boerenafkomst zoals de meeste leden van zijn dorpsgemeenschap. In een dagelijkse kroniek doet hij zorgvuldig verslag van hoe de oorlog op zijn kleine, rustige gemeenschap neerdaalt en er alles voorgoed overhoophaalt, verandert, vernietigt. Voor hem, zoals voor de anderen. Het dagboek gaat over de mensen die de oorlog meemaakten, burgers maar ook soldaten. Ook al heeft hij als katholieke priester een eenzijdige ideologische kijk op het leven, het relaas van de gebeurtenissen is feitelijk, zakelijk, bijzonder precies en relatief volledig. In mijn jeugd – ik ben van Reningelst, het buurdorp van Dikkebus, waar Van Walleghem onderpastoor was en waar hij zelf naartoe vluchtte in juni 1916 – was het boek een rijke bron aan informatie. Als mijn vader geen antwoord had op een van mijn vele vragen over de oorlog, of geen tijd, verwees hij mij naar het dagboek. Ik las het voor het eerst, stukjes en zelfs langere passages ervan, toen ik nog op de lagere school zat. En af en aan ben ik het blijven lezen. Van het boek kon je veel leren: dat er ook Franse soldaten waren en Indiërs, West-Indiërs, Chinezen… Dat oorlog niet ophoudt bij de militaire verrichtingen, dat bondgenoten niet alleen maar goed doen. Of dat vijanden niet alleen moordende bruten zijn, maar vaak even grote sukkelaars als alle andere betrokkenen. Van de dagboeken van Achiel Van Walleghem leerde ik dat oorlog een monster met een onstilbare vraatzucht is. Eigenlijk heeft Van Walleghem, die schreef zoals de oude mensen uit het dorp vertelden, mijn visie op oorlog bepaald. Ik denk niet dat ik die sindsdien fundamenteel heb bijgesteld. U weze bij deze dus ook gewaarschuwd.
Het was geen epifanie, maar een geleidelijk proces. Meestal ook heel concreet. Zoals toen op 14 november 1917 in Reningelst een Britse soldaat gefusilleerd werd tegen de muur van het klooster. Het klooster, dat was toch mijn school? En Van Walleghem, die toen een huis of vier daarvandaan woonde, had geschreven: ‘Het zijn de eigene maten die daartoe aangesteld worden. Vele soldaten hebben reeds verklaard hoe pijnlijk hen dat valt. Er zijn er die krijschen van spijt.’ In mijn verbeelding zag ik hoe de soldaten na het fatale salvo wenend langskwamen en de priester hen staande hield om hun verhaal te horen. Jaren later vernam ik van André Verdonck, die als kind in de kasteelhoeve achter de school had gewoond, dat het de muur aan de achterkant van de school was geweest, achteraan in hun weide dus. En dat hij de executie had gezien. Er werd misschien maar één soldaat doodgeschoten, zei André, maar er stonden er wel twee of drie aan karrenwielen vastgebonden. Nog eens meer dan tien jaar later besprak ik met mijn Londense vriend Julian Putkowski de processtukken van de executie die bewaard worden in de National Archives. Pte William Smith van het 3rd/5th Lancashire Fusiliers was de geëxecuteerde en hij werd begraven in Reninghelst New Military Cemetery (vak IV, rij B, graf 28). Hij werd ter dood veroordeeld omdat hij op 8 oktober 1917 niet mee was opgetrokken naar de frontlijn bij Passendale. Twee anderen die met hem mee waren teruggelopen naar achteren, werden niet ter dood veroordeeld. Misschien hebben zij gewoon de lichtere straf van Field Punishment No.1 gekregen, de zogenaamde crucifixion waarnaar André Verdonck had verwezen.
Zo werkt geschiedenis. Het is slechts een van de vele tientallen voorbeelden van hoe dit uitzonderlijk accurate dagboek een goede historische bron is gebleken – een van de redenen om er naast dit boek ook een verklarende website aan te wijden.
Zo moet geschiedenis ook werken, al hoeft het lang niet altijd zo persoonlijk te zijn. Integendeel.
In 1999 werd een begin gemaakt met het objectiveren van deze historische bron. Collega Dominiek Dendooven mocht het manuscript in ontvangst nemen van de familie Van Walleghem uit Pittem, voor deponering in de collectie van het In Flanders Fields Museum. Dat was de basis van alles wat daarna kwam. Het manuscript werd ingescand, vergeleken met de gepubliceerde versie, de niet eerder gepubliceerde delen werden gelezen, de bron werd ingezet bij publicaties, tentoonstellingen en de educatieve werking van het museum. En het plan werd opgevat om een nieuwe, integrale uitgave te bezorgen. Hierna leest u Dominieks historische inleiding op de auteur en zijn dagboek.
Een aantal keer vroegen we de bevolking van Dikkebus en Reningelst naar nog meer sluimerende verhalen die parallel lopen met of een aanvulling zijn op de dagboeken. De kleine vertelconcerten van Kotjesvolk (met veel dank aan Trui en Wim Chielens, Dries Chaerle en Kurt Grillet) over Achiel Van Walleghem in Dikkebus en Reningelst waren memorabele avonden over het terugvinden van verhalen die gedeeld worden in lokale gemeenschappen. We hopen dat de dagelijkse publicatie van het oorspronkelijke manuscript met historische annotatie hier verder aan zal bijdragen. We zijn de inwoners van de betrokken dorpen dankbaar voor hun hulp en enthousiasme, in het bijzonder Danny Suffys in Dikkebus en Paul-Johan Desegher, Albert Delporte en Esther Verhaeghe in Reningelst.
Willy Spillebeen werd bereid gevonden om een hertaling te maken, met respect voor de oorspronkelijke taal en de uitdaging dat de tekst begrijpelijk moest worden buiten West-Vlaanderen. Willy Spillebeen kent en houdt van het West-Vlaams, maar vooral is hij ook een auteur met grote kennis van zaken over de Eerste Wereldoorlog. Hij heeft in zijn vlot leesbare tekst de charme van Van Walleghems stijl weten te behouden en die toch begrijpelijk gemaakt voor iedereen in het Nederlandse taalgebied. Collega Dries Chaerle ondersteunde beide auteurs, Willy én Achiel, om consequent te zijn in hun taalgebruik en in de orthografie van eigennamen, en loste tal van raadsels op door doorgedreven speurwerk in het handschrift, in toponymie en eigennamen. Dries leverde de nieuwe registers van eigennamen en plaatsnamen aan en de lokalisering op de kaarten, en loste zo misverstanden uit de eerste uitgave op. Hij werd voor de stoet van namen bijgestaan door educatieve collega’s Wouter Sinaeve, Ann-Sophie Coene en Femke Soetaert, en voor namen uit de Namenlijst van gesneuvelden door collega Pieter Trogh.
In naam van het In Flanders Fields Museum dank ik Uitgeverij Lannoo en in het bijzonder uitgever Maarten Van Steenbergen voor het vertrouwen in deze onderneming, en voor het maken van dit mooie leesboek. Zeggen dat hiermee een jongensdroom is uitgekomen, is wellicht overdreven maar dat een beetje van die kleine nieuwsgierige jongen in deze bijzondere heruitgave zit, is geen leugen. Ik wens u allen het genoegen én het inzicht dat ik aan dit dagboek heb beleefd en blijf beleven.
Ieper, april 2014