Deze voorstelling van Achiel Van Walleghem en zijn dagboek put voor een groot deel uit de inleidende woorden die Jozef Geldhof in 1963 publiceerde bij de uitgave van het eerste volume van de dagboeken.1 Maar net zoals Geldhof – terecht – heel wat kritiek had op de wijze waarop Lodewijk De Wolf tussen 1922 en 1929 uittreksels uit het dagboek had gepubliceerd in zijn tijdschrift Biekorf, dient een historicus van de huidige generatie de heruitgave uit de jaren 1960 én Geldhofs biografie en appreciatie voor Van Walleghem en zijn geschriften kritisch tegen het licht te houden. Ruim vijftig jaar na de vorige uitgave is de context waarin dit dagboek gelezen wordt helemaal veranderd. Niet alleen zijn de laatste rechtstreekse getuigen van de Eerste Wereldoorlog allemaal verdwenen, ook is de maatschappij zo veranderd dat een nieuwe duiding van de auteur en zijn werk absoluut noodzakelijk is voor een goed begrip. Zowel Van Walleghem als de bezorgers van zijn dagboek, De Wolf en Geldhof, waren West-Vlaamse priesters in een tijd dat het katholicisme zeker in het landelijke West-Vlaanderen de allesbepalende machtsfactor was. Dat wil niet zeggen dat er geen openheid of nieuwsgierigheid voor anderen was, maar het bijna natuurlijke gezag, de oprechtheid en de rechtschapenheid van de clerus stonden buiten kijf. De woorden van een pastoor werden niet in twijfel getrokken noch kritisch benaderd. Veel meningen maar ook handelingen die wij nu op zijn minst als merkwaardig zouden beschouwen, waren toen de normaalste zaak van de wereld. Ook Jozef Geldhof benaderde het dagboek van Achiel Van Walleghem vrij kritiekloos: voor hem waren zijn woorden louter de getuigenis van een wijze herder die in bijzonder moeilijke omstandigheden zijn schaapjes bijstond. Zijn voornaamste punt van kritiek gold de taal en sommige passages die hij als minder relevant beschouwde. Dat Van Walleghem een toegewijd parochiepriester was, daar zullen weinigen na lezing van het dagboek aan twijfelen. Het is echter voor de hedendaagse lezer van belang hem en zijn werk te duiden als een kind van zijn tijd.
Achiel Van Walleghem werd op 18 december 1879 geboren in Pittem, een landelijke gemeente in het oosten van de provincie West-Vlaanderen. Pittem wordt gedomineerd door de romaanse toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en op de markt staat sinds 1913 het standbeeld van de jezu-iet Ferdinand Verbiest (1623-1688), missionaris en sterrenkundige, stichter van het observatorium van Peking en hervormer van de Chinese kalender. Er is het bloeiende moederklooster van de Zusters van Maria van Pittem en tot op heden wordt de gemeente bestuurd door de katholieke en later de christendemocratische partij. Met andere woorden, de gemeente was doordrongen van het katholicisme, zo ook het gezin van landbouwer August Van Walleghem (1843-1920) en Sylvia Lauwers (1851-1925). Vader August zetelde in de kerkfabriek, vele jaren als voorzitter. Vanaf 1884 maakte hij ook deel uit van de gemeenteraad, vanaf 1901 tot aan zijn dood zelfs als schepen. Als stichter van de nog steeds bestaande Pittemse Brandverzekering en deken van de Sint-Elooisgilde mocht hij zeker als een van de notabelen van het dorp beschouwd worden. Voor de ouderlijke hoeve in het dorpscentrum, aan de steenweg naar Tielt, stonden een kapel en een kruisbeeld, die door de dorpelingen en de hoevebewoners in ere gehouden werden.2 Het gezin Van Walleghem-Lauwers werd gezegend met acht kinderen, van wie Achiel de oudste was. Vader en moeder moeten zich echt gezegend gevoeld hebben want geen van de kinderen stierf op zeer jonge leeftijd, wat in die tijd eerder uitzondering dan regel was. Broer Modest (1881-1948) zou ongehuwd blijven en zijn hele leven lang op de boerderij blijven wonen. Ook hij was kerkmeester in Pittem. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleef Modest in onbezet België of Frankrijk, hij wordt zodoende af en toe in het dagboek van zijn oudere broer vermeld. De oudste zus, Marie (1883-1959), werd ook religieuze als Moeder Angélique van de Zusters van Maria in Pittem. Hélène (1884-1960) huwde evenmin en wijdde het grootste deel van haar leven aan haar oudere broer Achiel, bij wie ze huishoudster was. Haar rol in zijn leven moet groter geweest zijn dan de dagboeken doen uitschijnen. Ze wordt af en toe vermeld maar toch minder dan men zou verwachten van een inwonend en nabijzijnd familielid met wie lief en leed gedeeld wordt. Ook daaruit blijkt haar dienende rol in de schaduw van haar oudere broer-pastoor. Broer Jules (1886-1905) is de enige uit het gezin die de volwassenheid niet bereikte. Joseph (1888-1965) en Remi (1891-1963) spelen ook een rol in het dagboek: zij dienden tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Belgische leger, respectievelijk bij de Grenadiers en het 13de Linieregiment, en waren dus in staat het contact met broer Achiel en zus Hélène te onderhouden en elkaar op uitzonderlijke gelegenheden zelfs te ontmoeten. Beiden werden later landbouwer: Joseph op de ouderlijke hoeve in Pittem en Remi in Ingelmunster. Joseph werd volgens de familietraditie voorzitter van de kerkfabriek. Vanwege de oorlog huwde hij op latere leeftijd, maar hij werd alsnog vader van zeven kinderen, onder wie Achilles, die op zijn beurt priester werd. De jongste in het gezin van vader August en moeder Sylvia was Rachel (1893-1966). Als enige die thuis was gebleven, nam zij tijdens de Eerste Wereldoorlog de zorg voor de ouder wordende vader en moeder op zich. Immers, zus Marie was in het klooster en alle broers én zus Hélène bevonden zich aan de andere kant van de frontlijn. Over het gezin Van Walleghem kunnen we dus zeggen dat het bij uitstek een landbouwersgezin was dat bovendien erg ingebed was in het verenigingsleven van Pittem. Vader August en verschillende van zijn kinderen kunnen als notabelen van het dorp geduid worden. Dat het gezin verschillende religieuzen telde zal nog bijgedragen hebben aan het prestige dat de Van Walleghems in Pittem genoten. De verknochtheid aan het geloof is nog een belangrijk kenmerk van het gezin Van Walleghem-Lauwers en hun afstammelingen: het onderhoud van een kapel en een wegkruis, verschillende familieleden in de kerkfabriek en in twee generaties één kloosterzuster en twee priesters, met name Achiel en zijn neef en petekind Achilles. Ook niet zonder belang is de impact die de Eerste Wereldoorlog uiteindelijk op dit Pittemse gezin heeft gehad: vijf van de gezinsleden verbleven gedurende de hele oorlog aan de andere kant van de frontlijn en hadden nauwelijks contact met vader en moeder. Die waren aan de zorg toevertrouwd van hun jongste dochter Rachel. Zij offerde haar jeugd op en bleef uiteindelijk ongehuwd. De oorlogsjaren zorgden er ook voor dat Jozef, die in het Belgische leger diende, pas op latere leeftijd kon huwen.3
Achiel Van Walleghem had een voor die tijd voortreffelijke opleiding: lagere school in Pittem, humaniora aan het Sint-Jozefscollege in het nabijgelegen Tielt, om vanaf 1899 aan het bisschoppelijke seminarie in Brugge te studeren. Op 28 mei 1904 werd hij tot priester gewijd en enkele dagen later mocht hij in een volledig bevlagd Pittem een eremis opdragen waarbij jongste zus Rachel de eerste communie ontving. De eerste tien jaar van zijn priesterschap werden een aaneenschakeling van tijdelijke opdrachten als hulppriester: in Geluveld, Dikkebus, Keiem, Oostnieuwkerke, Reningelst en Menen, onderbroken door een lange periode van ziekte (aandoeningen aan de luchtwegen en het spijsverteringsstelsel) tussen 1908 en 1911. Die zware ziekte zou hij opgelopen hebben door het bijstaan van een tuberculosepatiënt. Volgens de familieoverlevering is hij in die lange ziekteperiode door het oog van een naald gekropen en kwam hij er onder meer bovenop door telkens als het weer het toeliet warm ingeduffeld in de zon te zitten.4 In 1913 werd hij tot onderpastoor van Oudenburg aangeduid, maar dat zou slechts een korte betrekking blijken. Op 17 september 1913 overleed Alfons Lefebvre, de onderpastoor van Dikkebus, die hij in het begin van zijn loopbaan al eens twintig maanden vervangen had. Volgens de overle-vering5 ontmoette hij onderweg naar de begrafenis enkele inwoners van Dikkebus die terugkwamen van de markt in Ieper en die hardop te kennen gaven dat zij zijn terugkeer naar hun dorp zouden toejuichen. Een kanunnik die dezelfde tram nam, hoorde dat gesprek, waardoor nauwelijks enkele dagen later, op 23 september 1913, Van Walleghem tot onderpastoor in Dikkebus benoemd werd. Hij was dus minder dan een jaar aangesteld in Dikkebus toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en hij de pen ter hand nam om de uitzonderlijke gebeurtenissen in zijn parochie vast te leggen. Hoewel hij slechts weinig over zichzelf schreef – Van Walleghem is meer kroniekschrijver dan dagboekschrijver – had de oorlog ook een impact op hem als persoon. De foto’s van het einde van de oorlog spreken boekdelen: de amper veertigjarige priester ziet er vele jaren ouder uit. De oorlog heeft hem duidelijk getekend. Naast de misère die hij dagelijks bij zijn ‘kudde’ aantrof, lieten de oorlogsomstandigheden ook hem niet onberoerd. Zo werd hij gedwongen verschillende malen te verhuizen: rond 19 juli 1915 ging hij een kamer bewonen op de hoeve van Hector Dalle in de huidige Melkerijstraat en elf maanden later, op 14 juni 1916, vestigde hij zich na een week verbleven te hebben bij zijn vriend Alfons Callewaert, de pastoor van De Klijte, bij E.H. Dermaut in de onderpastorie van Reningelst, waar zijn zuster al ingetrokken was. Vanuit Reningelst bleef hij echter dagelijks zijn parochianen in Dikkebus bezoeken. Na de vlucht van de angstige pastoor Camiel Dassonville, eerst naar Poperinge op 3 november 1914 en daarna naar Frankrijk, droeg hij alleen de verantwoordelijkheid voor zijn parochianen en voor de in Dikkebus verblijvende vluchtelingen. Als dienstdoend pastoor in een belegerd en bezet dorp fungeerde hij niet zelden als tussenpersoon tussen de diverse militaire en burgerlijke overheden en de plaatselijke bevolking, wier raadsman hij was. Uiteindelijk dwong de oorlog hem op 18 april 1918 in ballingschap te vertrekken. Uiteindelijk beleefde hij het einde van de oorlog in Normandië als aalmoezenier van de Belgische vluchtelingen in Cagny (bij Caen). Na een reis naar zijn familie in Pittem en naar het totaal verwoeste Dikkebus in januari 1919 zou hij nog tot mei van dat jaar in Frankrijk blijven om zich na een tijd in Poperinge opnieuw in Dikkebus te vestigen. Hij was duidelijk een van de voortrekkers van de wederopbouw in Dikkebus. Van Walleghem trachtte van de vernietiging gebruik te maken om in 1920 de parochiegrens aan te passen ten voordele van Dikkebus en ten nadele van Vlamertinge.6 Hij stond in voor de heropbouw van de scholen, het bijbehorende klooster, de pastorie en vanzelfsprekend de kerk. Een pijnlijke gebeurtenis trof hem toen op 21 januari 1924 de houten noodkerk in vlammen opging en daarmee de tijdens de oorlog zo moeizaam geredde kerkschatten alsnog verloren gingen. Net als tijdens de oorlog bemiddelde hij in de periode van de wederopbouw tussen zijn parochianen en de overheid, zoals de rechtbanken voor oorlogsschade of de Dienst der Verwoeste Gewesten. En net als tijdens de oorlog bleef hij een dagboek bijhouden. Uit alles blijkt dat Achiel Van Walleghem een in Dikkebus erg gerespecteerd persoon was toen hij in de zomer van 1928 benoemd werd tot pastoor van Wulveringem. Zijn actieve carrière beëindigde hij ten slotte in Aalbeke, waar hij van 1935 tot 1947 pastoor was. Na de Tweede Wereldoorlog ging niet alleen zijn gehoor maar vooral ook zijn geheugen sterk achteruit, waardoor hij niet langer in staat was de mis naar behoren op te dragen. Na zijn opruststelling werd hij door de familie in Pittem opgevangen. In een huis in de schaduw van de kerk dat tot op heden de familie Van Walleghem toebehoort, leefde ‘peter paster’ samen met zijn ongehuwde zussen Rachel en Hélène en broer Modest. Toen hij op 21 november 1955 overleed, was hij nagenoeg volledig dement, een droevig lot voor een dagboekschrijver die blijk gaf van een buitengewoon opmerkingsvermogen. Hij ligt begraven in Pittem in een graf dat nog steeds door zijn familieleden wordt onderhouden.
Uit zijn dagboek leren we Achiel Van Walleghem inderdaad kennen als iemand met een grote gave voor detail, gepaard gaand met een sterk onderzoekend karakter. Hij deinsde er niet voor terug om koloniale troepen zoals de Indiase soldaten in hun kampen te gaan opzoeken en zelfs hun eten te proeven. Ondanks het feit dat hij daardoor bewees zelf behoorlijk nieuwsgierig te zijn, verwijt hij in zijn dagboek de Indiërs hun grote nieuwsgierigheid. Die dubbele standaard komt wel meer naar voren uit zijn geschriften: hij beoordeelt vooral andersdenkenden (protestanten, vrijzinnigen) zonder veel onderscheid ronduit negatief. Op dat domein heeft hij als katholieke priester als vanzelfsprekend de waarheid in pacht. De inherente vooroordelen, ja zelfs xenofobische trekken waarvan hij bijwijlen blijk geeft in zijn beschrijvingen en beoordelingen van Fransen, maar vooral van Britten en van koloniale (hulp)troepen, vallen voor een groot stuk te verklaren door onwetendheid. Wie in het landelijke West-Vlaanderen van 1914 had al Fransen uit het zuiden of Schotten ontmoet, laat staan Afrikanen, Indiërs of Chinezen? De rustige streek waarin hij zijn officie uitoefende, werd plotseling overspoeld door duizenden mensen met een andere taal en een andere culturele achtergrond. De eigen bevolking werd een minderheid, klein en onderdrukt in eigen land, een situatie die het mentaal terugvallen op zichzelf alleen maar verder in de hand kon werken. Toch merken we tegelijk een zekere openheid, allicht gedreven door zijn nieuwsgierigheid. Van Walleghem tracht meer te weten te komen over wie zich in het achtergebied van de Ieperboog vertoonde. Hij differentieert tussen de verschillende etnische groepen en legereenheden en probeert hen te duiden. Hoewel hij het slechts zelden expliciet vermeldt, moet hij talloze gesprekken met vooral officieren gevoerd hebben. Vergeten we niet dat hij zowel in Dikkebus als in Reningelst in de pastorie of in een grote hoeve verbleef en dat daar ongetwijfeld ook officieren ingekwartierd lagen. Het verklaart waarom Achiel Van Walleghem zo goed op de hoogte was van het militaire reilen en zeilen. Daarnaast was het natuurlijk ook zijn taak om zijn parochie en in toenemende mate een steeds groter aanpalend gebied (waaronder Ieper Kruisstraat en Voormezele) te doorkruisen om de aldaar nog verblijvende inwoners geestelijk te ondersteunen. Die opdracht heeft hij overigens plichtsgetrouw en met veel zin voor verantwoordelijkheid volbracht: hij is zo lang hij kon actief gebleven in Dikkebus en Reningelst en is pas naar Frankrijk vertrokken toen hij daartoe verplicht werd. Ook uit de dagboekfragmenten die zich afspelen tijdens het gedwongen verblijf in Normandië en tijdens de wederopbouw van Dikkebus spreken zijn verantwoordelijkheidszin en plichtsbesef ten opzichte van de mensen die onder zijn hoede geplaatst waren. Zonder kritiekloos te zijn – integendeel: hij blijft uiteindelijk als priester een geestelijke leidsman – heeft hij steeds weer partij voor ‘zijn volk’ gekozen. Ondanks een meestal nuchtere, zelfs zakelijke verteltrant, blijkt telkens weer zijn oprechte medeleven met de bevolking van de frontstreek. Hij confronteerde het West-Vlaamse ‘gezonde boerenverstand’, dat hij uiteindelijk ook van thuis had meegekregen en deelde met zijn parochianen, met de voor hem soms absurde militaire logica, die hij niet zelden in harde bewoordingen veroordeelde. Tot slot mag worden benadrukt dat het de priester-dagboekschrijver niet aan humor en levenslust ontbrak. Zijn bewoordingen getuigen dikwijls van een al dan niet milde ironie en soms steekt hij ronduit de draak met iets of iemand. Eten en drinken was voor hem een grote bron van genot. Uit zijn woorden kunnen we opmaken dat hij zelfs een wijnkenner was. Toen hij zich op 19 juli 1915 gedwongen zag met duidelijke pijn in het hart zijn collectie wijnen te verkopen, schrijft hij letterlijk: ‘waaronder beste wijn van de verleden eeuw’. Ook lang na de oorlog werd zijn wijnkelder geroemd bij de familieleden in Pittem.
Al bij al is pastoor Van Walleghem een kind van zijn tijd en een product van zijn milieu: sterk verbonden met de boerenbevolking van het landelijke West-Vlaanderen en op-en-top een echte katholieke pastoor, geestelijke raadsman van zijn parochianen, bezorgd om hun (zielen)heil en bewust van zijn leidinggevende positie in het dorp.
Dikkebus
Dikkebus ligt zowat drie kilometer in zuidwestelijke richting van het centrum van Ieper verwijderd. Het was en is vooral een straatdorp gekenmerkt door lintbebouwing langs de steenweg van Ieper naar Belle (Bailleul). Alleen rondom de kerk, op de zogenaamde Neerplaats, was er een dorpscentrum met compactere bebouwing. Dikkebus was een uitgesproken landbouwgemeente. Er waren twee molens. Bij de dorpskern langs de steenweg op Ieper stond de Dikkebusmolen, ook wel naar de molenaar Cyriel Bailleuls molen genoemd. Langs de andere hoofdas, de steenweg die vanaf het kruispunt Hallebast noordwaarts over het gehucht Ouderdom naar Poperinge liep, stond de Wittebroodsmolen, naar de laatste uitbater ook wel Van Eeckes molen genoemd.7 Achiel Van Walleghem schrijft ook een enkele keer ‘Canada Molen’ naar een nabijgelegen toponiem. Beide molens zouden de oorlog niet overleven en nooit heropgebouwd worden. In oppervlakte noch in bewonersaantal was Dikkebus een grote gemeente: in 1914 telde het 1373 inwoners8 en overal werd de gemeentegrens al na maximaal een halfuur gaans bereikt. Merkwaardig was dat het grondgebied van de naburige gemeente Vlamertinge tot bijna tegen de dorpskern van Dikkebus reikte. Dat was trouwens een doorn in het oog van Achiel Van Walleghem – en allicht ook van andere Dikkebussenaren – die na de oorlog ervoor zou pleiten om de parochiegrens van Dikkebus uit te breiden, zodat verschillende woningen en hoeves die zich veel verder van de kerk van Vlamertinge dan die van Dikkebus bevonden naar deze laatste zouden worden verwezen. Vooral de Vlamertingse wijk Krommenelst, tegen de noordelijke oever van Dikkebusvijver aan, met onder meer de brouwerij Peirsegaele en de aanpalende woningen, lag bijzonder dicht bij de kerk. De brede, 36 hectare grote Dikkebusvijver, ooit aangelegd om de middeleeuwse wereldstad Ieper van drinkwater te voorzien, was dé bezienswaardigheid. Al voor de oorlog begonnen de werken om de vijver uit te baggeren, te vergroten en de oevers opnieuw aan te leggen. Die werken zouden echter pas in de jaren 1920 voortgezet en voleindigd worden. Op de oever stond de versterkte 17de-eeuwse Vaubantoren, die de oorlog vrij goed zou overleven, en het toen reeds populaire restaurant Het Vijverhuis. Tegen de vijver aan en enigszins erdoor omsloten lag de oude walhoeve, het Vijverhof, dat in 1914 uitgebaat werd door Engel Heughebaert, burgemeester sinds 1902. In tegenstelling tot het nabijgelegen Vlamertinge had het bescheiden Dikkebus geen eigen dokter, geen notaris en – uitzonderlijk in het Ieperse – zelfs geen kasteel. Wel waren er verschillende herbergen, zowel in het dorp als ‘te lande’. Zoals gebruikelijk dienden de herbergnamen niet zelden als toponiem. In 1914 waren de belangrijkste personen in het dorp naast burgemeester Heughebaert, pastoor Dassonville en onderpastoor en algauw dienstdoend pastoor Van Walleghem. Meststoffenhandelaar Justin Thevelin is een van de weinigen die door Achiel Van Walleghem steeds het predikaat ‘Mr’ voor zijn naam krijgt, wat op zijn hoge status binnen de dorpsgemeenschap wijst.
Indien we veronderstellen dat de scholingsgraad van de Dikkebusse bevolking ongeveer gelijkliep met die van Vlaanderen, houdt dat in dat in 1910 zowat 29 procent van hen niet kon lezen of schrijven. Veel kinderen, zeker in een landbouwgemeenschap, gingen alleen in de winter naar school en vergaten in hun lettervreemde omgeving snel wat ze geleerd hadden. Gezien de aard van de bevolking – met zeer weinig notabelen – waren er in tegenstelling tot bijvoorbeeld in de stad Ieper, weinig of geen inwoners die het Frans als voertaal hanteerden. Integendeel, ook bij Achiel Van Walleghem merken we een zekere gevoeligheid voor de status van het Nederlands, of beter van het Vlaams.
Zoals voor alle dorpen in de Westhoek betekende de oorlog voor Dikkebus een radicale cesuur. Niet alleen duizenden militairen uit verschillende legers overspoelden de streek. De oorlogsgruwel bracht ook vluchtelingen met zich mee, die onder meer in Dikkebus een onderkomen zochten. Halfweg 1915 schatte Van Walleghem dat het dorp nu vijfmaal zoveel inwoners telde als voor de oorlog. Hoewel de boeren trachtten hun traditionele leven voort te zetten en de gronden te bewerken, was dat van langsom minder mogelijk: er werden militairen ingekwartierd in schuren en aanhankelijkheden, er ontstonden veel kampen, er werden batterijen opgesteld en tal van andere militaire installaties ingericht. Het leven van de burgers werd totaal ondergeschikt aan de vereisten van de oorlogsvoering. Door de geringe afstand naar het front – het was amper drieënhalve kilometer van de Dikkebusse Neerplaats tot aan de loopgraven van Sint-Elooi of Wijtschate – en door de talrijke militaire voorzieningen was Dikkebus algauw en gedurende de hele oorlog een doelwit voor de Duitse artillerie. Na de evacuatie van Voormezele was Dikkebus het dichtst bij het front liggende dorp dat nog bewoond was. Tijdens de Duitse lenteoffensieven in het voorjaar van 1918 – de laatste bewoners waren dan al verdwenen – lag het front op nauwelijks een kilometer van de kerk. Zoals zoveel andere gemeenten werd ook Dikkebus bijna volledig met de grond gelijkgemaakt.
De verlaten dorpen en steden tussen Nieuwpoort en Ploegsteert, die de frontstreek uitmaakten, werden na 1919 ‘de verwoeste gewesten’ genoemd. De eerste bewoners die terugkeerden, herkenden hun geboortestreek niet: geen steen stond nog op de andere, overal kraters, loopgraven en bunkers, overal prikkeldraad, vernielde kanonnen en vastgelopen tanks. Er waren geen bomen meer, alleen onkruid. Het landschap was compleet veranderd. Wie terugkeerde, woonde in betonnen schuilplaatsen of bouwde een hutje met gevonden legermateriaal. Overal werd opgeruimd en geëffend, drooggelegd en ontmijnd. De hulp van de overheid kwam maar traag op gang. Het Koning Albertfonds bouwde noodwoningen, barakken. De wederopbouw kwam pas goed op gang vanaf 1922-1923. Ook Dikkebus diende uiteindelijk vanuit het niets helemaal heropgebouwd te worden en pastoor Van Walleghem maakte zich ook op dat vlak bijzonder verdienstelijk. Toen de wederopbouw zogoed als voltooid was, in 1928, werd hij overgeplaatst. Achiel Van Walleghem is dus de chroniqueur zowel van de vernietiging als van de heropbouw van Dikkebus geweest.
De dagboeken
Wat vandaag aangeduid wordt als de dagboeken van Achiel Van Walleghem zijn twaalf handgeschreven schriften met als overkoepelende titel De oorlog te Dickebusch en omstreken, met in totaal 1180 bladzijden die gebeurtenissen en toestanden beschrijven van juli 1914 tot 1929. Daarnaast is er een dertiende schrift dat namenlijsten bevat: van de kinderen die vanuit Dikkebus naar een schoolkolonie vertrokken zijn, van de Dikkebussenaren die in het Belgische leger dienden, van de overleden parochianen enzovoort. Het biedt een ware schat aan informatie voor genealogen en heemkundigen. Van Walleghem heeft ook een lijst opgesteld van de militairen die tijdens de oorlog op verschillende begraafplaatsen in Dikkebus begraven werden.
De manuscripten zijn tot op vandaag eigendom van de familie Van Walleghem, maar worden sinds 1999 bewaard in het In Flanders Fields Museum, dat deze belangrijke bron in permanente bruikleen heeft. De dertien bewaarde cahiers zijn eigenlijk een redactie, een nette versie, die door Achiel Van Walleghem tot enkele maanden na de feiten opgesteld werd. De pastoor maakte immers tijdens de gebeurtenissen dag aan dag notities op losse bladen. Niet zelden gebruikte hij daarvoor officieel papier van het Britse leger. Slechts een paar exemplaren van die eerste dagboeknotities zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het archief van het bisdom Brugge.9 Hij controleerde en verbeterde de door hem genoteerde gegevens, vulde die eventueel later aan en maakte er uiteindelijk een vlot leesbare doorlopende tekst van. Deze werkwijze, waarbij de genoteerde feiten op hun juistheid gecheckt worden, verklaart ten dele waarom we de pastoor op relatief weinig fouten kunnen betrappen. Daarbij mogen we ook niet vergeten dat hij niet zelden zijn informatie uit de eerste hand vernam. Immers, zowel in de pastorie van Dikkebus als in die van Reningelst waren ook officieren ingekwartierd. Zij vertelden hun huisgenoot dikwijls meer dan zij officieel mochten. Vergeleken met veel andere egodocumenten uit de Eerste Wereldoorlog bevatten de geschriften van Van Walleghem weinig of geen oorlogsmythes maar integendeel veel concrete informatie.
Dat de definitieve versie van het manuscript pas later tot stand kwam, blijkt ook uit de stukken tekst die in de verleden tijd gesteld zijn, die duidelijk latere commentaar over de verhaalde feiten bevat of die vooruitblikken naar feiten die pas later zullen plaatsvinden. In die zin vormen de bladzijden van De oorlog te Dickebusch en omstreken geen dagboeken in de strikte betekenis van het woord. Misschien is de term ‘oorlogskronieken’ meer op zijn plaats. Immers, naast het hierboven aangehaalde terugblikken op bepaalde feiten, worden sommige episodes niet dag na dag maar in hun geheel over een langere periode verhaald. Van Walleghem heeft het ook bijzonder weinig over zichzelf en zijn naasten. Zo wordt zijn inwonende zuster zelfs geen enkele keer bij naam vermeld! Hij tracht zich vooral te beperken tot het meedelen van de feitelijke gebeurtenissen, wat op zich ook een kenmerk van een kroniek is. Toch kan hij – gelukkig – niet nalaten zijn eigen commentaar en bijzondere opmerkingen toe te voegen. En dat maakt zijn geschriften toch weer wat meer hybride dan een zuivere kroniek. Aan de andere kant is het niet zo dat hij jaren wachtte om zijn dagboeknotities een definitieve vorm te geven. Vermoedelijk gebeurde dat ten hoogste enkele maanden na de feiten. Een aanwijzing daarvoor is schrift 10, dat handelt van 23 maart tot 31 december 1918. Uit een etiket van de papierhandel blijkt dat dit cahier aangekocht werd in Caen, waar Van Walleghem in mei van dat laatste oorlogsjaar verbleef.
Ondanks het ietwat gemengde karakter hebben we uiteindelijk als titel van deze uitgave voor ‘de dagboeken…’ geopteerd. Immers, het zijn dag-aan-dagnotities die aan de basis van het werk liggen. Bovendien zijn de geschriften als dusdanig bekend bij menige geïnteresseerde in de Eerste Wereldoorlog of Westhoekbewoner. Achiel Van Walleghem is voor hen een oude bekende: citaten uit de dagboeken worden vaak aangehaald in musea, documentaires of boeken en velen hebben ooit de eerdere uitgave van De oorlog te Dickebusch en omstreken gelezen. De werken aankopen was de laatste jaren veel moeilijker: de drie volumes die in 1964, 1965 en 1967 werden uitgebracht door het Genootschap voor Geschiedenis uit Brugge waren zelfs bij gerenommeerde antiquaren moeilijk te vinden. Zelfs voor een van de drie delen werden soms astronomische prijzen gevraagd. Het is een van de redenen waarom het hoog tijd was een nieuwe publicatie uit te geven.
De belangrijkste reden voor een heruitgave – of liever voor een eerste integrale uitgave – is echter de uitzonderlijke kwaliteit van de dagboeken van Achiel Van Walleghem. Zonder twijfel is het niet alleen het uitgebreidste maar ook het belangrijkste dagboek uit de frontstreek in Vlaanderen. Als historische bron kan het de bestaande geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog in sterke mate aanvullen en vervolledigen. Plaatselijke geschriften en archieven worden over het algemeen veronachtzaamd, zeker in de traditionele militaire geschiedenis. Al te vaak wordt een eenheid of militaire operatie beschreven alsof die plaatsvond in een gebied waar niemand woonde. De stemmen van de lokale bevolking die aan of nabij het front woonde, worden zelden of nooit gehoord. En toch zijn ze van groot belang want ze voegen vaak iets nieuws toe aan de geschiedschrijving van veldslagen en oorlogsvoering. Zij gunnen ons een blik op het leven in het hinterland van het front, zowat het meest vergeten gebied want niet het ‘echte front’ en ook niet het ‘thuisfront’. Lokale bronnen kunnen ons feiten leren die nergens anders vermeld worden. Zo is Van Walleghem de enige die vermeldt dat er Portugese troepen werkzaam waren bij Loker. Of hij biedt bijzondere informatie over executies in het Britse leger en de mening die gewone soldaten daarover hebben. Zelfs taboeonderwerpen zoals prostitutie komen ter sprake, zij het vanzelfsprekend in omfloerste termen.
Lokale bronnen kunnen ons vanzelfsprekend heel wat leren over de leefomstandigheden van de plaatselijke bevolking. Als parochiepriester heeft Achiel Van Walleghem daar veel aandacht voor. Hoe bepaalde families lijden, wie vlucht of welke kinderen naar schoolkolonies vertrekken: hij noteerde het zo veel mogelijk. Op 3 juli 1917 maakte hij een staat op van de verwoestingen in Dikkebus: hoeveel huizen volledig vernield zijn, hoeveel er onherstelbaar beschadigd zijn, hoeveel er nog te restaureren zijn en hoeveel er tot dan toe nauwelijks beschadigd werden. Hij verhaalt meer dan één keer over het wantrouwen van vooral de Britse militairen ten opzichte van de Belgische burgers, die voortdurend als spionnen worden aanzien. Ook al dan niet moedwillige vernielingen door geallieerde militairen of de tewerkstelling in dienst van het Britse leger komen aan bod. Lokale bronnen zoals dit dagboek bieden dus eveneens informatie over het samenleven van de Belgische burgers met de vele troepen, niet alleen in negatieve maar ook in eerder positieve zin zoals een huwelijk tussen een Britse soldaat en een meisje van ter plaatse, of wanneer ter voorbereiding van de Derde Slag bij Ieper intelligence officers inlichtingen inzamelen bij de vluchtelingen over de dorpen aan de andere kant van de frontlijn. Zelfs over het samenleven tussen de verschillende troepenmachten onderling heeft Van Walleghem het, wanneer hij bijvoorbeeld de mening vertolkt van Franstalige Canadezen of van Ieren over hun Britse ‘overheersers’. Hij luisterde goed wanneer zijn gesprekspartners bepaalde eenheden of troepenverbanden inschatten: ‘Ik verneem dat de 30ste divisie maar flauwe vechters zijn’ (11 augustus 1917). De pastoor is misschien wel op zijn best wanneer hij de troepen van de dominions en kolonies beschrijft, zoals de Australiërs, de Indiërs, de Caraïben of de Chinese arbeiders. Bijna zoals een hedendaagse antropoloog ging hij hen in hun kampen observeren, zelfs hun brieven lezen of hun voedsel proeven. In zijn beschrijving en mening over hen is hij zelden hard, hoewel een voor die tijd bijna vanzelfsprekende xenofobie hem ook niet vreemd is.
Naast talrijke feiten biedt een lokale bron zoals de dagboeken van Achiel Van Walleghem een analyse van de gebeurtenissen vanuit het standpunt van een Belgische burger. Van Walleghem leefde tussen de troepen en observeerde aandachtig wat er aan de hand was, zonder echt betrokken partij te zijn. Hij is een omstander, een toeschouwer die de hedendaagse lezer een vaak neutralere kijk op de gebeurtenissen biedt, of eerder gewoon een andere, nieuwe kijk. Zo observeerde hij verschillende groepen die in de oorlog betrokken waren en hij rapporteerde over de moraal en de mentaliteit, zowel van burgers als van militairen. Dat is onder meer duidelijk in zijn verslag van de voorbereiding, het verloop en de afloop van de Derde Slag bij Ieper in de zomer en herfst van 1917. Hij heeft het over de hoop die er in juli 1917 leefde dat het komende offensief het einde van de oorlog naderbij zou brengen. Toen het echter bij het begin van het offensief begon te regenen, noteerde hij een zeldzame persoonlijke noot: ‘Zelden van mijn leven was ik zoo spijtig om ’t slecht weder als nu.’ Na de Slag aan de Meenseweg heeft hij het over de sfeer in de 41st Division: ‘Deze is misnoegd omdat zij hier zoolang op hetYpersch front moet vechten, ’t Is nu bijna een jaar.’ (26 september 1917) Nog een maand later vielen hem de gelatenheid en het defaitisme op na dit zoveelste mislukte offensief, zeker toen het nieuws bekend werd dat de Italiaanse bondgenoot zware verliezen had geleden: ‘De soldaten hier zijn fel onder den indruk van dien tegenslag en zeggen dat het onmogelijk is den vijand te verslaan. Meer en meer verlangt men naar vrede.’ (3 november 1917) Hij besluit na afloop van het offensief, op 13 november 1917: ‘Lloyd George zegt: “’t is 3 jaar dat wij oorlogen, en 3 jaar dat wij dommigheden doen bij gemis aan eenheid van werking.” ’t Is hetgeen de boeren van Dickebusch reeds van ’t begin af gezeid hebben, en nu voegen zij erbij “Te naaste jare zal men zeggen: 4 jaar dommigheden.”’
Bovenstaande korte bloemlezing met alleen nog maar voorbeelden uit de zomer van 1917 maakt duidelijk hoe uitzonderlijk rijk aan rake observaties en opinies de dagboeken van Achiel Van Walleghem zijn. Het belang van zijn werk werd ook erkend door de eerdere ‘bezorgers’ van de geschriften, hoewel hun oordeel toch op andere criteria gebaseerd was dan die van de historici van vandaag. Zowel E.H. Lodewijk De Wolf, die in zijn tijdschrift Biekorf van 1922 tot 1929 zwaar herschreven fragmenten van het dagboek publiceerde, als E.H. Jozef Geldhof, die verantwoordelijk was voor de uitgave uit 1963-1967, benadrukte vooral het belang voor de lokale geschiedschrijving. Beide priesters waren eerder heemkundigen en zeker geen historici van de Eerste Wereldoorlog. Bovendien bezondigde De Wolf zich aan het zwaar herschrijven van de dagboekfragmenten in een bijzonder bloemrijke en zwaar op de hand liggende literaire taal. Jozef Geldhof pakte het in elk geval grondiger en met meer eerbied voor het oorspronkelijke werk aan. Uitgedaagd door de wedstrijd die de provincie West-Vlaanderen in 1959 uitschreef voor monografieën over de Eerste Wereldoorlog (waar hij uiteindelijk de eerste prijs zou wegkapen), verzekerde hij zich eerst van de steun van de familie Van Walleghem. Het feit dat hij een priester was heeft daarbij zeker een rol gespeeld, temeer daar zijn contactpersoon bij de familie een confrater van hem was: priester Achilles Van Walleghem, neef en petekind van de inmiddels overleden Achiel en oudste zoon van diens jongere broer Jozef. Geldhofs eerste taak was de verschillende schriften te ordenen en de bladzijden te pagineren. Op aanraden van Jos. De Smet, rijksarchivaris in Brugge en zelf auteur van een kroniek over Brugge tijdens de Eerste Wereldoorlog, besloot hij ook Van Walleghems relaas over zijn verblijf als vluchteling in Normandië achterwege te laten. Uiteindelijk zou hij ook de delen over de wederopbouw van Dikkebus drastisch inkorten. Allicht oordeelde men toen dat deze onderdelen van het dagboek té licht wogen voor een werk dat vooral over de oorlog moest gaan. Uiteindelijk werd het dagboek in drie delen uitgegeven in respectievelijk 1964, 1965 en 1967. Uitgever van dienst was het Genootschap voor Geschiedenis uit Brugge, dat zich in de jaren 1960 en 1970 onder meer verdienstelijk heeft gemaakt met de uitgave van heel wat dagboeken uit de Eerste Wereldoorlog en op dat vlak zelfs een pioniersrol vervulde in een periode dat er voor de Eerste Wereldoorlog en voor het lot van de gewone man in die oorlog al bij al weinig aandacht was. De uitgave door Jozef Geldhof heeft wel enigszins geleden onder zijn al te beperkte kennis van de streek en van de Eerste Wereldoorlog. Zo was het plannetje van Dikkebus met aanduiding van de hoeves die hij bij zijn publicatie voegde ontoereikend en in sommige gevallen ook foutief. Ook uit de index die bij deel 3 gevoegd werd, blijkt heel sterk zijn mindere vertrouwdheid met de terminologie van de Eerste Wereldoorlog en de toponiemen van het Ieperse. Allicht heeft Geldhof ook – al dan niet terecht – geen raad gezocht in Dikkebus: hij was door de familie Van Walleghem immers gewaarschuwd dat men er daar opuit was om de dagboeken te bemachtigen.10 Toch was Geldhofs werk onontbeerlijk om uiteindelijk voorliggende nieuwe uitgave tot stand te brengen, een uitgave waarin voor de eerste keer de dagboeken van Achiel Van Walleghem in hun volledigheid worden opgenomen.