1918

1 januari, dinsdag. Nieuwjaardag. Nogmaals: wat een verschil met de nieuwjaarsdagen van de zoete vredestijd. Wat zal het nieuwe jaar ons brengen? Zullen wij eindelijk de vrede bekomen? Wij hopen het, maar vinden het ver van zeker. Ik zing mis ter ere van het H. Hart van Jezus en stel dit jaar onder zijn bescherming. 20 communies. Het is gevroren en zeer koud. De hele dag nog veel geschut. ’s Avonds speelt meneer de kapelaan van Reningelst een soloslim zonder blad. Is dat geen voorteken van gelukkig jaar?

2 januari, woensdag. ’s Ochtends veel geschut. Met meneer de kapelaan van Reningelst en mijn broer ga ik nieuwjaren naar de burgemeester van Dikkebus. Het is 2 jaar geleden dat meneer de kapelaan in Dikkebus geweest was. Hoe jammert hij over ons verwoeste dorp, zijn hoeven en velden!

3 januari, donderdag. Justin Thevelin gaat vandaag naar zijn magazijn kijken in Ieper, waar nog meer dan 100.000 kilo superfosfaat ligt. Het magazijn is helemaal vernield doch aan de vetten is er weinig schade.

’s Avonds om 17.30 uur komen Duitse vliegtuigen boven en zij werpen bommen op verscheidene plaatsen. De vliegtuigkanonnen op het land van Cyriel Maeyaert hebben een vliegtuig in hun zoeklichten gevangen waarnaar zij voortdurend vuren, doch tezelfdertijd komt een ander machine die zij niet zien boven hen gevlogen, en die laat 2 bommen vallen op enkele meter van de kanonnen. 1 sergeant wordt gedood en 8 mannen gewond.

Vooral boven Vlamertinge is het bombardement van de vliegtuigen verschrikkelijk. De vluchteling Omer Delie van Ten Brielen was met een kameraad flessen aan het zoeken rond de hoeve van Jules Desmytere in Vlamertinge. Hij verbergt zich voor het bombardement in de loopgraven, maar een bom valt naast hem. Delie, 18 jaar oud, wordt gedood, en zijn gezel bewusteloos geslagen maar niet gewond.

’s Nachts om 1 uur weer Duitse vliegtuigen. Ook veel Engelse vliegtuigen zijn de lijn overgetrokken.

4 januari, vrijdag. Eerste vrijdag, 12 communies.

5 januari, zaterdag. Dooi en betrokken weer. Jozef vertrekt. Veel burgers, metselaars en timmerlieden werken aan het huis van meneer Peirsegaele aan het Hemelrijk. Zij herstellen het prachtig.

In Reningelst vermoordt een meisje, vluchtelinge uit Ploegsteert, haar pasgeboren kind. Zij is in nachtgewaad haar slaapkamer ontvlucht en de derde dag vindt men haar eindelijk onder een hoop hommelranken op de hoeve van August Verdonck. Meer dan 50 uren heeft zij daar in die ijselijke koude en in zo’n staat gelegen. In het begin hebben de dokters weinig hoop haar te redden. Zij is naar Couthove gebracht en er toch genezen. Nog een van de miseries van de oorlog.

6 januari, zondag, dertiendag. In de mis zijn veel Australiërs aanwezig. Het communiqué meldt dat de Duitsers voorbij Zonnebeke een Engelse post veroverd hebben.

Hoe iets kan passen! Enige dagen geleden ontving hier de familie Durein een brief van hun broer Florent, missionaris in China. Een Chinees was juist in de winkel, bekeek de enveloppe en ging het blijgezind vertellen aan zijn gezellen. Een half uur later komt een andere Chinees binnen die beweert enige weken gewoond te hebben in dat dorp vanwaar de brief verzonden was, en er menigmaal de katholieke priester gezien te hebben. Daarop begint hij de priester te beschrijven, en waarlijk het is de beschrijving van Florent. Omdat ze het heel zeker willen zijn, halen de Dureins een hoop portretten uit van missionarissen in China en waarlijk in minder dan een minuut toont de Chinees het portret van Florent. Hoe is het mogelijk!

7 januari, maandag. Dooi en zeer vuil. Begrafenis van de verongelukte Delie en van Emiel Bekaert, soldaat van Vlamertinge die hier op nieuwjaarsdag zijn ouders nog een nieuwjaar was komen wensen en ’s anderendaags doodgeschoten werd.

’s Nachts komen verscheidene malen Engelse vliegtuigen boven.

8 januari, dinsdag. Sneeuw. Om 5 uur veel geschut. Enige winkeliers beginnen Chinees te leren om die mannen naar hun winkels te lokken.

Lloyd George meldt zijn vredescondities.

9 januari, woensdag. Tamelijk veel geschut de hele nacht. Het heeft geweldig gevroren. De Engelsen hebben een buitengewoon groot kanon geplaatst aan de Hertog van Brabant tussen Poperinge en Westouter op ongeveer 4 uur van de vuurlijn. De gebroeders Arthur en Gustave Desmarets, landbouwers van Dikkebus, vertrekken naar Frankrijk.

10 januari, donderdag. Dooi. ’s Nachts veel geschut en ’s avonds weer veel geschut.

President Wilson stelt zijn 14 vredescondities voor. Het moreel van de troepen en van de bevolking is tegenwoordig een weinig verbeterd. De zwarten van West-Indië zijn hier sedert enige dagen weg.

11januari, vrijdag. Niets bijzonders. Alle Franse kranten, ook de XXe Siècle, worden nu verkocht voor 15 centiemen. Veel mensen zitten zonder kolen.

12 januari, zaterdag. Kalme dag.

13 januari, zondag. Wij vernemen van E.H. Van Eecke, verbannen naar Duitsland en nu in Frankrijk, dat zuster Placide van Dikkebus school houdt in Veldegem. Deze week is het kasteel van Elverdinge afgebrand.

14 januari, maandag. Kalme dag.

15 januari, dinsdag. ’s Avonds geweldige stortregens. Overstroming op veel plaatsen. Des te erger daar de grond nog bevroren is en veel grachten langs de wegen gevuld zijn. Voor de onderpastorie staat het water een halve meter hoog. In sommige kelders in Reningelst waarin de mensen slapen, kunnen zij niet rap genoeg met hun bedden naar boven vluchten. Aan het huis van bakker Moreau stroomt de duiker gedeeltelijk in. Aan het Hemelrijk zijn rails van de spoorweg weggespoeld.

16 januari, woensdag. In Engeland heerst er nu grote schaarste van levensmiddelen. De soldaten die weerkeren uit congé vertellen er enige staaltjes van. Maar wie had dat toch verwacht van de Engelsen, die zo lang roemden en opschepten dat er in Engeland altijd overvloed zou blijven en er de bewijzen van wilden leveren gedurende de eerste 2 jaren door eten en kleren misprijzend weg te smijten en op alle manieren te verspillen. Waar is de tijd dat zij wegen aanlegden met volle vleesdozen en gehele vrachten mooie schoenen uit Ieper verbrandden.

17 januari, donderdag. Slecht weer.

18 januari, vrijdag. Mooi weer. Bij Lampaert verneemt Jozef dat Van Canneyt en de notaris van Pittem dood zijn.

19 januari, zaterdag. Mooi weer. Weer hangen de ballonnen uit. De 37ste divisie gaat weg. De 20ste komt aan. Deze week is de kalmste die wij hier sedert een jaar beleefd hebben.

De gepantserde trein van de Brabant heeft deze namiddag geschoten. Hoe daverden de ruiten in Reningelst!

20 januari, zondag. Naar de gemeenten naast het front worden tolken rondgezonden om te zien welke boeren nog thuis zijn, en wie er kan terugkeren, welke velden nog bebouwd zijn, welke velden bebouwd kunnen worden en wat er gedaan moet worden om ze vruchtbaar te maken. Onze boeren antwoorden daarop dat men eerst en vooral moet beloven niets meer nutteloos te vernielen en zo men iets moet vernielen, dat men moet beloven de boeren schadeloos te stellen. Dan alleen zullen zij moed hebben om te boeren. Aan de weduwe Van Cayseele van Reningelst biedt men 250 fr. voor al de schade op haar eigendommen, veroorzaakt door verscheidene spoorwegen, terwijl die schade ten minste 2000 fr. bedraagt.

150 tolken, meestal de jongste mannen, worden teruggeroepen naar hun regiment. Dat komt natuurlijk slecht aan bij die mannen, daar zij hier een mooi leventje hadden. Toch is het een klein verlies voor de legerdienst hier op onze dorpen.

21 januari, maandag en 22 januari, dinsdag. Kalme dagen. Mijn broer Modest heeft hier 3 dagen verbleven.

23 januari, woensdag. De geëvacueerde inwoners van Kemmel-dorp mogen terugkeren.

24 januari, donderdag. De kinderen van Hector Dalle komen thuis uit Wulveringem.

25 januari, vrijdag. Obussen vallen achter de kerk van Dikkebus, alsook op de loskaai tussen het Paradijs en de hoeve van Dalle. Schrapnels aan Petrus Storme.

26 januari, zaterdag. Mistig.

27 januari, zondag. Mistig. In de eerste mis zijn er reeds 60 mensen en in de hoogmis 90.

Von Hertling en Czernin spreken voor de Duitse en Oostenrijkse kamers. Ik geloof dat wij nog ver van de vrede zijn.

28 januari, maandag. Mooi weer.

29 januari, dinsdag. Mooi weer. ’s Namiddags obussen op Dikkebus rond de hoeve van de burgemeester. Ik ontvang een gift van het Amerikaanse Rode Kruis voor enige noodlijdende oude mensen van Dikkebus.

30 januari, woensdag. De grond is reeds sterk opgedroogd. Mogelijk krijgen wij weldra de grote Duitse aanval. ’s Nachts en ’s ochtends veel geschut. ’s Namiddags vallen er obussen nabij de dorpsplaats van Reningelst naast de hoeve van Edmond Derycke, dan verder veel rond Neergraaf en Hooggraaf. De Duitsers hebben het voorzeker gemunt op het kanon van de Hertog van Brabant. ’s Namiddags ook 2 schrapnels tussen de dorpsplaats en Ouderdom. De bolletjes vliegen rond de kerk. Ook obussen op de plaats van Dikkebus. Aan het huis van weduwe Francis Goethals worden 2 officieren en 5 soldaten gedood.

31 januari, donderdag. Mist en weinig geweld.

1 februari, vrijdag. Vandaag ga ik met landbouwer Remi Depuydt mee naar Vierstraat, doch zonder papieren. Halfweg de grintweg in de hoogte rechts zie ik veel sterke bunkers die vroeger gediend hebben voor eerstehulppost, en daarachter op de velden van landbouwer Van Haecke zie ik een groot Engels kerkhof. Op en rond Vierstraat staan veel soldatententen, doch van het gehucht blijft niets meer over. Molen, brouwerij en huizen zijn tot op de grond afgebroken. Remi Depuydt kan zijn hoeve herkennen aan de arduinen koeslieten die nog rechtop staan. Als gereedschap vindt hij enkel nog zijn rol. Al wat men nog rechtop ziet, zijn enige stukgeschoten, deerlijk verhakkelde fruitbomen. Er is zelfs geen puin meer te zien. Wanneer men daar rondwandelt moet men goed opletten om nergens in pompputten of aalputten te vallen. Ik ben zeer spijtig dat het weer zo mistig is. Graag had ik daar vanop de hoogte eens de oude gevechtslijn van Hollandse Schuur bekeken, doch dat was onmogelijk.

Ongelooflijk hoe sommige kleine jongens door hun voortdurende omgang met de soldaten reeds Engels spreken. Vandaag kreeg ik er nogmaals een staaltje van te zien. Het was de jongen van Gustaaf Cnockaert, geboren in het begin van de oorlog. Ik zei aan een Engelse soldaat dat hij moest vragen waar zijn vader was en de jongen antwoordde rap: ‘In Holland’. Dan vroeg de soldaat nog: ‘When he comes back?’ ‘After the war’, zei de jongen even rap.

2 februari, zaterdag, O.L. Vrouw-Lichtmis. ’s Nachts veel geschut. Elie Spenninck, 15 en een half jaar, komt thuis uit de schoolkolonie van Grandes-Dalles.

3 februari, zondag. ’s Nachts komen Duitse vliegtuigen boven. Op Dikkebus zijn nu 142 huizen helemaal weg. 86 zijn erg beschadigd. Voor de oorlog waren er 304 huizen. Wij ontvangen nieuws dat E.H. De Waele van Reningelst geëvacueerd werd uit Kortemark en nu in Tessenderlo verblijft.

4 februari, maandag. Voortdurend mooi weer. Het communiqué meldt Duitse raids op Passendale en Geluveld.

5 februari, dinsdag. Weer mooi weer. De grond is reeds sterk gedroogd. Daarom vrezen wij weldra het Duitse offensief.

Nieuws dat E.H. Ollivier, pastoor van Vlamertinge, in Frankrijk overleden is. Mgr. De Brouwer vertelt hier dat Z.E.H. Camerlynck, deken van Oostende, tot hulpbisschop benoemd is. Hij heeft het gehoord van E.H. Legrand, directeur van het seminarie, die het vernomen heeft van een heer die het weet van minister Berryer. Wij hechten er geloof aan, doch ondervinden nadien dat het nieuws niet gegrond is.

Vandaag vertrekt Maurits Spenninck, uitgestelde van klas ’18, naar het leger.

6 februari, woensdag. Biddag in Reningelst waar E.H. Vinck van Vlamertinge komt preken en biecht horen.

7 februari, donderdag. Regen en wind. Ik lees in De Stem uit België dat 2 Pittemnaars, Karel Loontjens, mijn kozijn, 80 jaar, en Felix De Meulenaere, 64 jaar, overleden zijn in Geel. Dat doet mij veronderstellen dat enige Pittemnaars geëvacueerd zijn naar Geel.

8 februari, vrijdag. Tamelijk veel geschut.

9 februari, zaterdag. De boeren die hun door het geschut of door kampen of krijgswerken vernielde velden willen bebouwen, hebben soldaten gevraagd om ze te effenen. Vandaag komt het antwoord dat het leger daarvoor geen soldaten kan missen. Bijgevolg moeten de boeren het zelf doen. Toch wil men hen vergoeden voor hun werk. 12 dagen voor zij een partij land willen bewerken, moeten zij de aanvraag doen om ze te mogen gebruiken en daarbij de onkosten van dagloon bepalen. Gedurende die 12 dagen mag de Engelse overheid het verzoek komen onderzoeken. Komen zij niet, dan mag de landbouwer zijn land beginnen te bewerken en het leger moet het verzoek aanvaarden. Er komt ook een bevel dat geen loopgraven meer gevuld mogen worden tenzij ze dienden voor de oefeningen. De soldaten vertellen dat zij voorbij Ieper veel versterkingen moeten maken.

10 februari, zondag. Niets bijzonders.

11 februari, maandag. Vandaag vieren de Chinezen Nieuwjaar en hebben zij verlof. Men ziet hen properder gekleed in de straten rondslenteren.

12 februari, dinsdag. In Reningelst is er betaling voor de boeren die hun cichoreien geleverd hebben. Grote misnoegdheid omdat de boeren minder bakken betaald krijgen dan zij geleverd hebben. Vrede tussen Duitsland en Oekraïne.

In een herberg in Loker, bij een tabakkerver, wordt 30.000 fr. gestolen. Enige soldaten twistten in de herberg en gebaarden te vechten. Baas en bazin waren bezig met de vechters en intussen trokken andere soldaten naar de zolder om het ponkje te roven.

13 februari, aswoensdag. Ik verneem van een aalmoezenier dat Engelse en Portugese soldaten slecht overeenkomen. In Merville werden 9 Engelsen door Portugezen met dolken bewerkt. Veel burgers worden voorwaardelijk gestraft omdat er ’s avonds licht gezien is in hun huizen. Ik lees in De Stem uit België dat Edward Vandaele van Pittem overleden is in Geel.

14 februari, donderdag. Niets bijzonders.

15 februari, vrijdag. In de namiddag veel geschut langs Mesen. Gevroren en klaar weer.

16 februari, zaterdag. ’s Nachts weer veel geschut, en tijdens de dag ook meer dan gewoonlijk.

17 februari, zondag. Vandaag algemeen aanbidding in al de kerken. Op aanvraag van E.H. proost preek ik de vasten in De Klijte-kapel. Vandaag eerste sermoen. In die sermoenen zijn ruim 100 grote mensen aanwezig. In Dranouter preekt men ’s voormiddags, in Westouter preekt men in het geheel niet.

Gevroren. De hele dag veel geschut. Een Duitse aanval langs Passendale wordt afgeslagen. ’s Avonds komen Duitse vliegtuigen boven en werpen een buitengewoon grote torpedo in de weide voor de hoeve van Remi Verdonck, Schaapstal. ’s Anderdaags ben ik de put gaan bekijken en ik heb hem afgestapt: 57 stappen rondom. Van herberg Het Hoppeland, op 4 minuten daarvandaan, vlogen bijna alle pannen af. Er waren huizen van de dorpsplaats, 20 minuten daarvandaan, waar de ruiten uitvlogen. 4 Engelse soldaten werden er gedood.

Sedert enige dagen hebben wij de Ierse aalmoezenier Father MacGuiness aan tafel. Hij is de werkzaamste aalmoezenier die ik ooit tegengekomen ben en heeft buitengewoon veel orde. Ook een zeer goed en aangenaam karakter.

Gedurende 6 weken heeft de wettige man van madame Caillaux gelogeerd bij de juffrouwen Camerlynck. Hij leefde zeer afgezonderd en dronk veel. Hij was tolk bij het Engelse leger. De Franse landverrader Bolo wordt ter dood veroordeeld.

18 februari, maandag. Om 5 uur zeer geweldig geschut. De Duitse vliegtuigen gooien kranten uit van 23 januari, waarin zij hun beklag doen over de slechte behandeling van de Duitse krijgsgevangenen in Frankrijk. Ik zou willen weten of dat waar is. In elk geval worden zij door de Engelsen goed behandeld.

19 februari, dinsdag. Kalme dag. Terwijl wij aan het kaarten zijn in De Klijte, komt Mgr. De Brouwer hier aan met zijn auto. Hij geeft ons een almanak van het bisdom, opgesteld door E.H. Van Suydt en gedrukt in Boulogne. Daarna doet hij mee met het kaarten en verliest. Men zou zeggen dat hij veel liever wint.

De Engelsen denken dat de vijand hier zijn offensief niet zal doen, omdat de grond veel te slecht is. Bij de weduwe Forceville heeft een Australische soldaat ’s nachts het paard losgemaakt en terwijl de bewoners buiten waren om het paard naar de stal te brengen, is hij binnengedrongen. Maar hij werd betrapt, en kreeg een ferme rammeling. Zulke trucs om te kunnen stelen.

20 februari, woensdag. Dooi.

21 februari, donderdag. ’s Nachts nogal veel geschut. ’s Namiddags schiet het kanon van de Hertog van Brabant 12 schoten, waarvan de obussen boven ons hoofd passeren.

De vrede is getekend tussen Duitsland en Rusland.

22 februari, vrijdag. Vader MacGuiness gaat met zijn volk naar Zonnebeke. Niets bijzonders.

23 februari, zaterdag. ’s Ochtends om 5 uur zeer geweldig geschut, het meest ten noorden van Ieper.

24 februari, zondag. Aan de hoeve van Comyn stapt een heel regiment Nieuw-Zeelanders op 2 lange treinen, ieder van 45 wagons met 40 mannen per wagon. Een weinig later komen zij door de hoeve van Lamerant gereden en vertrekken waarschijnlijk naar een ander front. Nu zijn er in Reningelst bijna geen soldaten meer en in Dikkebus ook zeer weinig.

’s Namiddags passeren 10 Duitse krijgsgevangenen door Reningelst. Zij komen van Broodseinde, waar de vijand gisteren een aanval deed, die mislukte.

25 februari, maandag. In de namiddag zeer veel geschut.

26 februari, dinsdag. Met de pastoors van Kemmel en De Klijte en de kapelaan van Reningelst doe ik een wandeling naar Kemmel. Het weer is prachtig. De plaats van Kemmel is er ongeveer aan toe zoals die van Dikkebus, maar de kerk is nog in betere staat. Wij schatten dat zij met 50.000 fr. onkosten hersteld zou kunnen worden. Veel meubels zijn er nog. 7 of 8 families zijn enige weken geleden op de dorpsplaats teruggekeerd. Wij riskeren het om de Kemmelberg te beklimmen, dat alles zonder papieren, want die zouden wij onmogelijk bekomen. Op de berg zijn er buitengewone sterke bunkers. De toren blijft nog tot op een hoogte van 4 of 5 meter. ‘Les restes d’une chapelle,’ schreef enige weken geleden de XXe Siècle, die er in veel dingen naast slaat als men onze streek beschrijft. Boven op de berg is het de ene granaattrechter naast de andere, maar langs de kant van Dranouter is de grond ongeveer zoals in vredestijd. Het hotel is tamelijk goed bewaard en de dreef en het sparrenbos zijn schier ongeschonden. Wij hebben er een prachtig vergezicht over heel de gevechtslijn. Maar het is er kalm, waarlijk het land van de dood. Nergens een huis of gebouw meer te zien. Slechts enkele verhakkelde bomen. Niemand heeft ons papieren gevraagd of enige opmerking gemaakt. En op de helling is de Kemmelse boer reeds bezig de grond te effenen, en zijn eerste haver te zaaien. Aan de mogelijkheid van een vooruitgang van de vijand wil hij niet denken en moedig en gelaten ziet hij de toekomst tegemoet. De hutspot van de E.H. pastoor van Kemmel in zijn villa van het Lokergesticht is welkom voor onze hongerige magen.

27 februari, woensdag. ’s Nachts veel geschut.

28 februari, donderdag. Aalmoezenier Father Bull vertelt ons dat de Engelsen deze nacht een grote aanval verwachten voorbij Ieper en nu nog verwachten zij hem. Voortdurend moet men langs alle kanten observeren. Alle troepen zijn nader gekomen en alle munitie is aangebracht en waarlijk, langs Reningelst vindt men geen mannen en geen munitie meer. Hij zegt dat de Engelsen daar geenszins op hun gemak zijn.

Een Duits vliegtuig wil een Engelse ballon aanvallen, maar wordt op zijn beurt door een Engelsman achtervolgd en boven Dikkebus neergeschoten. ’s Avonds om 20 uur Duitse aanval. Gedurende een uur is het geschut allergeweldigst. Ik doe hier een bezoek aan het Engels kerkhof. Sedert november zijn er nog maar 15 Engelsen begraven. Er ligt ook een Chinees begraven onder een ronde hoop aarde.

1 maart, eerste vrijdag van de maand. 15 communies. ’s Ochtends om 4 uur zeer geweldig geschut, en ’s avonds en de volgende nacht ook buitengewoon geweldig. Soms een ware razernij van kanongeschut! Wat mag het zijn?

Remi Onraet van Dikkebus vertrekt naar Frankrijk. Von Hertling, de Duitse rijkskanselier, stelt voor de zaak van België te bespreken.

2 maart, zaterdag. Zeer koud. Wij zien veel wagens van het Rode Kruis passeren. Herbergiers en winkeliers verkopen bijna niets meer en kunnen er maar moeilijk over zwijgen dat de tijden verslechterd zijn.

3 maart, zondag. Vandaag vieren wij onze biddag. Uitstelling van het H. Sacrament van 6 uur tot na de hoogmis. Het altaar is lieflijk versierd en de bevolking geeft veel kaarsen. De plechtigheid is waarlijk aandoenlijk. Ongelukkiglijk is het weer buitengewoon koud en men bevriest bijna in onze schuur. Nochtans komt er tamelijk veel volk. Ik deel 56 communies uit en veel andere zullen de volgende dagen komen.

In de onderpastorie van Reningelst logeert nu de luitenant-tolk baron de Coninck de Merckhem. Dat is een man die een extra duw doet aan de oorlog. Hij slaapt de wijzers rond, speelt alleen met de kaarten, maar heeft geen tijd om een keer een goedendag te komen zeggen of om naar de mis te gaan. Ik ben benieuwd of hij ook gedecoreerd zal worden.

4 maart, maandag. Om 23 uur zeer geweldig kanongeschut langs Mesen en Wijtschate. Wij vernemen dat de Australiërs dezer dagen verscheidene raids gedaan hebben. Enige krijgsgevangenen passeren langs De Klijte.

5 maart, dinsdag. ’s Nachts om 1 uur gedurende 2 uren zeer geweldig kanongeschut.

6 maart, woensdag. Mooi weer, kalme nacht. Wij lezen in De Stem uit België dat er in september of november een 400-tal inwoners van Pittem naar Geel gevoerd werden. Men weet niet waarom. Waarschijnlijk om plaats te maken voor Duitse troepen.

Met de pastoor van De Klijte doe ik een wandeling naar Dikkebus. Wij ontmoeten Jerome Decroos, die weergekeerd is op zijn hoeve en zijn land bewerkt. De zonen van Cyriel Claeys zijn ook weergekeerd, het is wonderlijk hoe de mensen werken om het land te effenen en te bezaaien, hun moed is waarlijk te bewonderen. Velen pachten land rondom. En nochtans, wat is de toestand onzeker! Wij gaan een kop koffie drinken rechtover herberg America bij Marcel Gruwier, die daar altijd in het gevaar gebleven is. De man pacht al het land dat hij kan. Wij zien dat de villa Verbrugghe goed bewaard is. Dat is het laatste huis van de kasseiweg dat nog overblijft. Verder vindt men nog de helft van een huis van Krommenelst. Het huis van Peirsegaele is prachtig hersteld. Voor de doening van Marcel Gruwier is er een grote loskaai.

Daarna doen wij een wandeling langs de vijverdam. Wij zien dat de hele vijver met prikkeldraad omheind is. De vijver staat niet hoog in water, daar er zeer veel water naar Ieper geleid wordt. Wij komen op het kerkhof Belgische gendarmes tegen, die een eindweegs met ons meegaan maar niet naar onze papieren vragen. Sedert enige tijd zijn zij veel minder streng geworden. Ook hebben ons geen Engelsen aangesproken.

7 maart, donderdag. ’s Ochtends om 4 uur zeer veel geschut. Ik heb nagenoeg heel de dag rondgelopen op Dikkebus met Robert Peirsegaele om van de kampcommandant te bekomen dat de familie Peirsegaele in hun prachtig huis, dat nu tot restaurant en vergaderzaal voor officieren ingericht zal worden, de dienst van de restauratie zou mogen doen, liever dan dit aan vreemdelingen over te laten zoals er sprake van was. Wij hebben grote tegenslag omdat meneer Brifaut, de tolk van de kampcommandant, juist op ronde is. Pas na de middag kunnen wij beide heren spreken. De kolonel-kampcommandant is zeer vriendelijk en zijn tolk meneer Brifaut munt uit door zijn gedienstigheid, evenals door zijn rechtschapenheid en diepe godsvrucht.

8 maart, vrijdag. De hele nacht veel geschut. Bij Henri Lamerant ontploft een vliegschrapnel in de varkensstal en een Belgische soldaat met verlof wordt licht gewond.

De vrede wordt getekend tussen Duitsland en Roemenië. De papieren van de bondgenoten worden van langsom slechter. De kranten weten niet meer wat uitgezocht om moed te geven.

9 maart, zaterdag. Weer een geweldige nacht. De hele week zomerweer. ’s Nachts gevroren, overdag warm. De boeren werken overal naarstig op het land. Het Belgische communiqué meldt dat de Duitsers rond Stuivekenskerke een aanval deden tegen de Belgische cavalerie. De gevechten waren verschrikkelijk. Veel Belgen werden krijgsgevangen genomen. Nochtans hebben de Belgen hun toestand hersteld en maakten ze 100 krijgsgevangenen, waarvan 4 officieren, en veroverden ze 7 mitrailleurs. Het waren ruiters en cyclisten, die het meest in het gevecht waren. 3 Westouterse soldaten sneuvelden in de slag.

10 maart, zondag. In de vroege morgen weer veel geschut. Nog veel mensen houden hun biddag. Ik reken uit dat op de verscheidene dagen alles samen 105 mensen hun biddag gehouden hebben. Deze nacht had de uurverandering plaats. Weer een uur vervroegd. Ik heb het maar vernomen tussen de 2 missen. Het is toch wonderlijk in deze tijden waarin het bevelen en schikkingen regent, veel te veel, dat men ons ten minste daarover niet vooraf kan verwittigen. Volgens de goesting van het volk komt die uurverandering veel te vroeg, want men moet nu ’s ochtends weer licht gebruiken. Maar voor de langslapende Engelsen is het wel gepast.

11 maart, maandag. Om 5 uur zeer geweldig geschut gedurende bijna 2 uren. Het communiqué meldt Engelse raids naar Polderhoekbos en Houthulstbos. Landbouwer Remi Lamerant van Dikkebus koopt de grote brouwerij van Onraet in Poperinge. Voorzeker voor niet minder dan 100.000 fr. Daarvoor moet hij vlug geld verdiend hebben.

12 maart, dinsdag. Nacht tamelijk kalm. Het communiqué meldt 2 Belgische raids langs Nieuwpoort, waar Jozef zit. De Belgen nemen 15 krijgsgevangenen. Ook gevechten rond Merkem. Duitse aanval afgeslagen aan de Polderhoek. In de voormiddag 5 obussen op Bailleul, terwijl er markt is. Het is 4 maanden geleden dat daar beschietingen waren. Om 5 uur raakt een Duitse ballon los. Hij wordt neergeschoten in Kemmel. De hele dag nogal veel geschut.

De fotograaf van Westouter krijgt uiterst veel werk door de Chinezen, die zich gehele dagen willen laten portretteren. Zij vragen een schoolmeisje om naast hen te staan aan wie zij dan een ‘folank’ drinkgeld geven, maar zij zijn niet tevreden omdat zij er donker op staan.

13 maart, woensdag. De hele dag veel geschut. Vooral ’s ochtends.

14 maart, donderdag. ’s Nachts weer veel geschut. Wij ontvingen het bezoek van vader MacGuiness. Hij vertelt ons dat zijn mannen van de 49ste divisie gisterenochtend een prachtige raid gedaan hebben. 31 mannen brachten 51 krijgsgevangenen binnen. Slechts 1 man werd gedood en 7 gewond. 7 Duitsers kwamen zich verleden week vanzelf overgeven. 4 dagen geleden hadden de Duitsers tanks bijeengebracht bij Passendale. Een Engels vliegtuig dat zeer laag vloog, had ze gefotografeerd. ’s Anderendaags schoten ze alle tanks, op een na, in stukken. MacGuiness vertelt dat men tegenwoordig niet zozeer de grote Duitse aanval langs Ieper vreest als wel die langs Cambrai.

Het gat onder de Hallen van Ieper dient nu als katholieke kerk. 5 Belgische geniemannen zijn bezig met wat nog rechtstaat van de Hallen te ondersteunen. Voorbij Ieper wordt er nu niet zoveel meer geschoten als in het begin van de winter.

In de kerk van Reningelst wordt een protestants soldaat gedoopt die ’s anderdaags in de kerk van Abele met een meisje van Beselare zal trouwen. Nu zullen wij maar 100 kilo kolen per maand meer krijgen.

15 maart, vrijdag. ’s Nachts om 1 uur zwarte schrapnels op De Klijte, het meest op de loskaai op het land van Ryckewaert. Het is 9 maanden geleden dat De Klijte beschoten werd.

Tegenwoordig leest men op alle hoeken van de straten de Engelse opschriften: ‘Waste prolongs the war’, ‘Save shipping’, ‘What have you saved to day?’ Allemaal om de Engelse soldaten indachtig te maken dat zij zuinig moeten zijn en niets nutteloos verkwisten. Hadden zij daar maar 3 jaar geleden aan gedacht! Het is nu het moment om zich dat te herinneren, nu de helft van het goed verkwist is.

16 maart, zaterdag. ’s Nachts horen wij weer de schrapnels fluiten en ontploffen. Wij vernemen dat 4 grote bommen in Poperinge op het Zwijnland gevallen zijn. Wegenwerkers vertellen dat er op het kerkhof van Voormezele nog 4 kruisen rechtop staan. De brouwerij van Bartier, die dienstdoet als hulppost, is ook nog goed bewaard.

17 maart, zondag. Schrapnels en granaten rond Rozenhil. Bommen op Sint-Jan-ter-Biezen. De Duitsers zenden veel schrapnels naar de Engelse ballonnen.

Ik ontvang een brief van mijn broer Jozef uit de sector van Nieuwpoort. Hij vertelt mij dat hij onlangs een raid meegedaan heeft in de Duitse loopgraven. Alles lukte goed. Na een half uur kwamen zij terug met 19 Duitse krijgsgevangenen, die de mooiste woorden van de wereld spraken om niet gedood te worden. Zij hadden maar 1 gewonde. 2 dagen later kwamen zich nog 5 Elzassers overgeven, die van de avond voordien al gereed lagen nabij de Belgische posten maar niet eerder durfden te verroeren uit vrees beschoten te worden. En dezelfde dag kwam er nog 1 geheel alleen. Deze vertelde dat de Duitsers de volgende nacht gingen aanvallen. En daarop moest een 2de raid gedaan worden, maar ditmaal door een ander bataljon. De Belgen kwamen in de Duitse loopgraven op het ogenblik dat de Duitsers zelf ten aanval gereed stonden en er begon een verwoed gevecht met aan weerskanten verschrikkelijke verliezen.

18 maart, maandag. In onze oorlogskerk doe ik mijn 2de trouw: van Alida Ooghe met de Gentse soldaat Charles Richet. Deze nacht veel granaten op Poperinge. De vijand schiet overal rond, er zijn zelfs granaten gevallen op Krombeke en tussen Proven en Roesbrugge.

De hele dag granaten rond de loskaai van Marcel Gruwier aan het Hemelrijk. 2 kasseileggers worden er gewond. Ook granaten rond Millekruis, daarna in de richting van De Klijte. Langs de kasseiweg van De Klijte naar Reningelst valt een obus naast een kotje van Kemmelnaars, man en vrouw worden licht gewond. Ook granaten op Zevekote en op de dorpsplaats van Reningelst. Een obus boort onder het huis van Charles Delanghe, doch ontploft gelukkig niet, anders had E.H. Delanghe zijn moeder verloren. Op Zevekote wordt een katholieke officier gedood die gisteren nog te biecht en te communie geweest was. Nog verscheidene soldaten gedood.

19 maart, St.-Jozefsdag. Slecht weer. De beschietingen worden van langsom talrijker en geweldiger. Eerst bij de hofstee van Dalle, dan op Millekruis, waar het paard van Jules Lamote doodgeslagen wordt. De paardenknecht was juist gaan kakken en het is dat werk dat hem gered heeft. Is kakken niet gezond? Ook granaten tussen de Rodeberg en de Molenberg. ’s Namiddags op Ouderdom en daarna op de plaats van Reningelst. 1 obus valt te midden van het prachtige cinemagebouw, dat deerlijk vernield wordt. Verscheidene granaten zijn niet ontploft. De schrik van de bevolking wordt weer groot. Wat mag het doel zijn van die beschietingen? Is het de voorbode van een offensief? Of is het om te gebaren dat zij hier een offensief zullen ondernemen? Of is het om nadelig te werken op het moreel van het volk en de soldaten? Ik denk dat dit laatste het doel is.

In Zillebeke wordt een tunnel stukgeschoten en 60 soldaten worden erin begraven. Marguerite Desmarets komt thuis uit de schoolkolonie van Saint-Paër. Zij is hier bijna 3 jaar weg geweest.

20 maart, woensdag. De hele nacht veel geschut en obussen op verscheidene plaatsen. 2 vallen op de schuur van Victor Delporte. Ook tijdens de dag is er bijna aanhoudend geschut en beschieting, het ergst langs de hoeve van Cafmeyer en Theophiel Huyghe. 14 dagen geleden heeft landbouwer Menu van Zillebeke de hoeve gepacht van Honoré Indevuyst. Alles was hersteld en helaas, alle ruiten zijn weer uitgesmeten. Achiel Adam van Zillebeke, vroeger paardenknecht bij Marcel Coene, komt naar hier gelopen met de mare dat Henri Opsomer, soldaat van hier, van klas ’13, 2de jagers te voet, in een Duitse aanval rond Dikkebus gesneuveld is. De jongen werd op slag gedood door een torpedo. Arthur Heugebaert, de zoon van de burgemeester, die bij hem was, werd gewond en kon enkel aan de Duitsers ontsnappen door zich te verbergen onder het lijk van Opsomer. Beernaert van Ouderdom werd krijgsgevangen genomen. Het gevecht was verschrikkelijk, verscheidene jongens van het Ieperse namen eraan deel. Henri Opsomer, lid van de jonge Vijverwacht, was een moedige jongen, altijd vlijtig en goedgezind. Hij gebruikte zijn vrije uren om de varkenscommercie te doen in de streek. In de gevechten rond Antwerpen had hij een kogel door zijn arm gekregen en later werd hij ziek door de tyfus. Hij is begraven in Alveringem. Arthur Heugebaert had wonden in de arm, en zijn kaken werden doorboord. Na een verblijf van een paar maanden in het hospitaal van Villiers-Ie-Sec gaat hij in herstelverlof.

21 maart, donderdag. Nogmaals duurt de beschieting de hele dag, uiterst geweldig en te allen kant: op Millekruis, Brikkenoven, ’t Stukje, ook zelfs tussen de Rodeberg en de Molenberg. Wanneer ik terugkeer van Dikkebus, weet ik bijna niet langs waar gegaan. Ik dacht dat het best was langs het Prinsenhof en was er juist aangekomen, toen Fritz mij daar ook op de hielen zat. Er vallen granaten nabij de plaats van Reningelst. Wij horen dat Roesbrugge en Proven en Krombeke ook gebombardeerd zijn en dat het er op het Belgisch front even schuw aan toegaat. In Dranouter wordt landbouwer Hoorelbeke doodgeslagen. Een kruitwagen wordt in brand geschoten aan de Melkerij, ontploft en steekt het vuur aan de tweewoonst van Hector Dalle.

Helaas, nog een van onze Dikkebusse jongens is deze week gesneuveld, Gaston Leeuwerck, een brave jongen van de klas van ’16 en van het 2de regiment lanciers. Hij zat in een post rond Kaaskerke en werd met 4 van zijn kameraden door een torpedo op slag gedood. Hij was een van de beste leden van onze jonge Vijverwacht. Hij is begraven in Proven, waar zijn ouders een tent bewonen. Zijn broer Maurits kwam mij daags nadien bezoeken en vertelde mij dat maandag laatstleden een verschrikkelijke dag was voor het Belgisch leger, dat er die dag meer dan 30 officieren en 500 soldaten door de beschietingen gedood werden.

22 maart, vrijdag. Veel geschut. Veel granaten op Ouderdom. In de ochtend rond de hoeve van Edmond Derycke en wat later voorbij Achiel Lagache. Doch vooral geweldig op en rond Poperinge, overal rond de stad. Toch moet ik naar Poperinge om speciën voor de paastijd. Ik zie veel granaten vallen, maar gelukkig niet bij mij.

Wij vernemen het bericht dat de Duitsers gisterenochtend hun offensief begonnen zijn rond Cambrai. Bijzonderheden weten wij nog niet, doch wij zien dat het er schuw moet gaan, vermits verscheidene troepen van hier, waaronder de Nieuw-Zeelanders, dadelijk moeten vertrekken.

23 maart, zaterdag. De nacht is zeer geweldig, voortdurend geschut en granaten op verscheidene plaatsen, ook op Ouderdom en nabij de dorpsplaats van Reningelst. In Poperinge valt er een obus op het restaurant van meneer Vermeulen-Tanghe van Ieper. Meneer en mevrouw Vermeulen en 4 meiden worden onder het puin begraven. Zij hadden een mooi fortuin vergaard en zouden in de eerste dagen vertrekken naar Frankrijk. Bijna de hele dag wordt er geschoten op en rond Poperinge. Weerom schiet de gepantserde trein van de Brabant. ’s Avonds Duitse vliegtuigen boven ons. Wij horen veel bommen vallen.

De kranten melden nog geen nieuws van het offensief. Nochtans vermoeden wij van langs om meer dat het er schuw aan toegaat. ’s Avonds zien wij veel zware artillerie vertrekken.

Deze week was voor de frontdorpen de verschrikkelijkste van heel de oorlog. Nog nooit waren de beschietingen zo geweldig.

24 maart, zondag. Het is hier vandaag tamelijk kalm, waarlijk een groot verschil met de vorige dagen. De kranten melden dat de Duitsers het offensief ingezet hebben tussen Croisilles en La Fère, maar ze geven nog geen uitslagen. Het Duitse communiqué uit de Engelse kranten meldt nochtans 16.000 gevangenen. De laatste berichten zeggen dat de Engelsen wat hebben moeten wijken, maar nu kunnen standhouden. En zoals gewoonlijk wordt er verteld dat de Duitsers schromelijke verliezen hebben.

Er wordt ook vals nieuws verteld over Nieuwpoort. De stad zou door de Duitsers ingenomen zijn, en Engelsen en Fransen snellen ter hulp. Gelukkiglijk vals nieuws. Een groot gedeelte van de burgers moet Bailleul verlaten. Wat betekent dat? Het is waarlijk eigenaardig nieuws van alle kanten. Vandaag preek ik mijn laatste vastensermoen in De Klijte.

25 maart, maandag. De kolonel die in de pastorie logeert, vertelt dat de Duitsers Arras en Bapaume ingenomen hebben en dat Parijs door de kanonnen beschoten wordt. Ja, men vertelt zelfs dat Amiens reeds bedreigd is. Wij weten niet wat te geloven en zien in alle geval dat de slechte berichten overdreven zijn. Toch doet alles vermoeden dat de toestand zeer slecht is.

Het is avond eer wij kranten krijgen, men moet ze 3 uren ver voorbij Hazebrouck halen. Helaas, het nieuws over Parijs dat ons ongelooflijk scheen, is toch waar. Een monsterkanon dat 120 kilometer ver draagt! Nog veel artillerie trekt hier weg. Wat zal er gebeuren? Soldaten en burgers zijn door de slechte berichten teneergeslagen.

26 maart, dinsdag. De berichten die men hoort over de toestand verbeteren wat, doch wij krijgen geen kranten. Voortdurend vertrekken soldaten naar de Somme. Ik verneem dat Abele deze laatste dagen reeds verscheidene malen beschoten werd. Dat maakt mij ongerust over de heilige vaten van onze kerk, die toevertrouwd zijn aan de zusters van Voormezele. Ik vrees dat de zusters misschien uit hun huis zullen moeten vluchten en de heilige vaten achterlaten. Daarom heb ik er in die omstandigheden liever zelf voor te zorgen en rijd ik erom. Ik kom er aan juist na een beschieting en zie er veel putten. De zusters hebben reeds de kist naar een hofstee verhuisd. Naar daar gereden. Terwijl wij daar zijn, begint men de hele voormiddag Abele en de Poperingse kasseiweg verschrikkelijk te beschieten. ’s Namiddags passeer ik daar weer en zie dat er 3 obussen op de huizen gevallen zijn. Ik verneem dat ’t Hoge in Poperinge verschrikkelijk beschoten wordt. Ik vraag aan Jules Maerten, schatbewaarder van de kerk, dat hij weer voor de heilige voorwerpen zou zorgen. Hij kan dat beter dan ik, daar hij paard en wagen heeft en er desnoods mee kan vluchten. Die brave mens zal dat gaarne doen.

Helaas, in Dikkebus gebeurt er nog een pijnlijk ongeluk. Emiel Deraedt, jonkman, 44 jaar oud, gevlucht uit Sint-Jan bij Ieper bij zijn broer Arthur in Millekruis, rijdt met paard en kar naar het veld, als plotseling een obus ontploft op enige stappen van hem. Het paard wordt op slag gedood en de arme man wordt verschrikkelijk gewond op verscheidene plaatsen. Hij gaat nog naar het huis van zijn broer, ontvangt daar de eerste zorgen van een Engelse dokter, wordt naar Couthove vervoerd en sterft er ’s anderdaags. Hij is de 22ste burger die op Dikkebus gedood wordt. Zo werd die man gedood door een enkele granaat, want behalve die zijn er langs die kant geen gevallen.

Hier komen Australiërs logeren voor een enkele nacht maar zij drinken voor een gehele week. Het is vollemaan en de Duitse moordvogels ronken akelig boven ons hoofd.

27 maart, woensdag. Het nieuws dat de kranten ons geven is maar slecht. De bondgenoten hebben zich teruggetrokken op hun oude lijn van mei 1916 en het Duitse communiqué geeft 45.000 krijgsgevangenen op en 600 kanonnen. Veel mannen van de hulpdiensten, zoals van de cinema, moeten ook weer de wapens opnemen, wat zij zonder geestdrift doen.

28 maart, donderdag. De Duitsers zijn reeds aan de stad Albert en melden 965 kanonnen buitgemaakt te hebben. Zoals altijd in zulke gevallen, worden er plotseling buitengewoon goede berichten verspreid en de Engelse soldaten lopen hier nu opgeruimd rond en vertellen dat de Engelsen de tegenaanval gedaan hebben en de helft van de verloren grond en vele duizenden krijgsgevangenen genomen hebben. Het is te mooi om waar te zijn! Toch laten de Engelse soldaten zich dat gemakkelijk wijsmaken. De gendarmerie brengt plotseling ander nieuws, het is dat de toestand nog verslechterd is en dat al wie nog wil vertrekken naar Frankrijk binnen de 24 uren gereed moet zijn. Dat zijn andere papieren! In Frankrijk worden de klassen ’20, ’21 en ’22 binnengevraagd. Dat doet ook niets goeds vermoeden. Men vreest ook een Duits offensief langs Nieuwpoort, veel troepen worden ernaartoe gestuurd.

Het is vandaag Witte Donderdag, en in mijn oorlogskerk houden 35 personen hun Pasen.

29 maart, Goede Vrijdag. Obussen op Abele en Poperinge, 1 op de O.L. Vrouwkerk.

30 maart, zaterdag. In Dikkebus doen wij geheel deftig de ceremoniën van de paasavond dankzij de goede medewerking van de tolk meneer Brifaut van Brussel.

De kranten melden dat Albert en Montdidier gevallen zijn. Weer obussen op Poperinge en Abele.

31 maart, zondag, Pasen. Waarlijk plechtige mis, 75 mensen houden hun Pasen. Na mijn mis obussen aan de hoeve van Delporte, en ’s avonds weer. De schuur van Logie wordt ingeslagen. In Ouderdom valt er een obus op de schuur van Gontier. Gelukkig ontploft hij niet.

1 april, maandag. 40 paascommunies. ’s Nachts bommen op Loker. De kranten melden dat de Duitsers nog wat genaderd zijn van Amiens. Nog voortdurend vertrekken er troepen vanhier naar de Somme. Het is buitengewoon helder weer. In de voormiddag komt een Duits vliegtuig zeer laag boven het dorp zweven, doch de piloot moet het met zijn leven bekopen. Hij wordt in Vlamertinge neergeschoten.

’s Namiddags gaan de gendarmes naar alle huizen de mensen verwittigen: indien het nodig is te vluchten, moeten zij de rechterkant nemen van de Abelestraat en voorzien zijn van hun gasmasker. Sommige gendarmen kondigen dat aan met fatsoen, anderen integendeel doen het met alle mogelijke wreedheid. Men zou zeggen dat zij er genoegen in scheppen wrede bevelen te mogen rondbrengen. Veel mensen zijn door dat bericht verschrikkelijk geschrokken en vragen nader bescheid aan commandant Delporte en aan de arrondissementscommissaris. Zij zeggen dat zij geen zulke bevelen gegeven hebben. Zou het wel een droevige aprilvis zijn? Men zegt dat de chef van de gendarmerie van Loker op eigen gezag dat bevel rondgestuurd heeft, waarvoor hij een berisping gekregen heeft. De Belgische soldatenverloven zijn afgesloten. God weet wanneer ik nu mijn broers weerzie.

2 april, dinsdag. Weinig verandering rond Amiens. Men hoopt nu de vijand te kunnen tegenhouden.

In Reningelst is er wapenschouw voor de Australiërs. Daarna vertrekt een deel van hen. Er is veel troepenverandering en alles schijnt haastig te gaan. Voortdurend trekken lorries vol soldaten Kemmelwaarts en wij vragen ons af of men daar misschien iets van plan is. Het communiqué meldt dat de Belgen een raid gedaan hebben aan het Vrijbos en 20 krijgsgevangenen hebben genomen.

3 april, woensdag. Nog veel troepen komen aan. ’s Avonds wordt op Ouderdom de schuur van Delporte ingeslagen door een obus. De Belgen hebben hun front moeten verbreden en zitten nu tot aan Poelkapelle.

4 april, donderdag. Nog voortdurend verandering van troepen. Zij trekken bijna allen Kemmelwaarts. ’s Avonds obussen rond de hoeve van Delporte. Het is nogmaals een nieuw soort geschut, men zou zeggen, een gepantserde trein die schiet op enige minuten van ons.

Mijn broer Jozef ontvangt een brief van de gebroeders Claerhout, Pittemnaars, die zeggen dat zij bericht ontvangen hebben van thuis, waarbij er hun gezegd wordt dat het station uitgebreid is tot aan hun hoeve en dat er op de hoeve een groot kamp is van Franse en Italiaanse krijgsgevangenen. Hij meldt ook dat onze nicht Lia Migneau getrouwd is.

5 april, vrijdag. Eerste vrijdag. Sedert een paar dagen stilstand van de gevechten aan de Somme. Slecht weer. In de onderpastorie logeert aalmoezenier Fitzgibbon S.J. van de 6de divisie.

6 april, zaterdag. Het communiqué meldt een nieuwe Duitse aanval op Hamel, die echter maar half geslaagd is. Hier is het kalm.

7 april, maandag. Het communiqué meldt nog een weinig vooruitgang ten zuidoosten van Amiens. Het is vandaag de laatste dag van de paastijd. Ik ben zeer tevreden over het aantal paascommunies. Behalve een gezin vluchtelingen ken ik niemand die hem niet gehouden heeft. Dit jaar zijn ook de gendarmes goed opgekomen, hetgeen de vorige jaren veel te wensen overliet.

8 april, maandag. Mistig. Tamelijk veel geschut. Mijn broer Remi schrijft dat hij, na een nacht in de sector van Lo verbleven te hebben, vertrokken is naar Woesten. Ik ontvang ook nieuws dat E.H. Dassonville, pastoor van Dikkebus, uit vrees voor het bombardement de parochie van Arnouville verlaten heeft en hulpdeken is in Houdan-lez-Dreux (Seine et Oise).

9 april, dinsdag. Van in de vroege morgen horen wij een buitengewoon geweldig geschut van langs de kanten van Armentières en nog meer zuidwaarts. En het duurt de hele dag. Toch zijn wij maar weinig op ons ongemak, en denken aan niets buitengewoons. Poperinge wordt de hele dag beschoten. Een obus valt op een herberg en 3 vrouwen en 5 kinderen worden er gedood. Ook Bailleul wordt verschrikkelijk beschoten. ’s Avonds Duitse vliegtuigen en het geschut langs Armentières wordt nog geweldiger.

10 april, woensdag. Zeer woelige nacht, voortdurend angstige troepenbeweging en vervoer. Nieuwe officieren zijn hier komen logeren, en na een half uur mochten zij weg. Wij vermoeden dat er gewichtige gebeurtenissen aan de gang moeten zijn. ’s Nachts van 23 tot 1 uur is het geschut wat kalmer, maar daarna herneemt het met een ware razernij, nu komt het meer vanuit het noorden.

Helaas, ’s ochtends vernemen wij dat de Duitsers gisterenochtend een aanval hebben ingezet op een front van 30 kilometer ten zuiden van Armentières. De Portugezen in Laventie gingen op de vlucht en ijlden naar Merville. Een deel Engelsen bood ook weinig weerstand, anderen integendeel verweerden zich dapper en konden de vijand tegenhouden. Niettemin was het front doorboord, wat voor ons jammerlijke gevolgen zou hebben. Toch slagen de Engelsen erin deze ochtend het een en het ander terug te nemen.

De hele dag houdt het geschut aan. Nog veel soldaten trekken zuidwaarts. Het volk is zeer ongerust.

11 april, donderdag. ’s Nachts is het geschut wat gestild, doch ’s ochtends om 4 uur begint het met nieuwe hevigheid en in de namiddag weer met nieuw geweld. Ik ga naar Dikkebus, en merk onderweg angst en gejaagdheid onder mensen en soldaten. Inderdaad, veel slecht nieuws wordt verteld. Een Canadees officier vertelt mij dat Steenwerck door de vijand ingenomen is en ook Armentières. De trein die sedert maanden aan de hoeve van Lamerant staat, vertrekt. In de zagerij van Rozenhil worden de zagen losgemaakt en de benzine en petroleum aangebracht om, bij het naderen van de vijand, de hele boel in brand te steken. In de straten zien wij voortdurend lorries over en weer rijden om materiaal te verhuizen. Weldra zien wij weer de droevige stoet van vluchtelingen, het zijn meestal mensen uit Nieuwkerke en Romarin. Zij zijn weggevlucht tussen de kogels. Zij vertellen dat de burgemeester van Nieuwkerke nog gebleven is. Helaas, dat alles voorspelt niets goeds, en wij vragen ons af of het binnen enige dagen ook niet onze beurt zal zijn om de weg van de ballingschap in te slaan. Wij willen toch onze voorzorgen nemen, en voor de 2de maal van de oorlog maken wij onze pakken. Wij vernemen dat er vandaag grote gevechten plaatshadden in Wijtschate, dat veroverd en teruggenomen werd. ’s Avonds zeer veel geschut.

12 april, vrijdag. ’s Nachts tamelijk veel geschut en ’s ochtends kalm. De angst onder de bevolking is wat verminderd. In de voormiddag schrapnels rondom. Wij zien verscheidene kabelballonnen op het Belgische front, maar het verwondert ons en schijnt voor ons onverstaanbaar dat wij geen enkele Engelse observatieballon zien op het hele front van Ieper tot La Bassée. Hoe is het mogelijk dat men de vijand niet beter observeert? Wij zien integendeel veel Duitse ballonnen, die ongelukkiglijk erg genaderd zijn, zodat wij hen eerst voor Engelsen aanzien.

’s Namiddags gaan wij naar De Klijte om eens te zien of wij geen verder nieuws vernemen over de gevechten. Ik ontmoet er de baas uit De Patrijs van de Rodeberg, die op weg is naar Millekruis, naar de hofstee van Jules Lamote. Hij heeft die 5 dagen geleden overgenomen voor de som van 18.000 fr., slechts 15 hectaren, zonder paard, flauw gereedschap en 4 of 5 koebeesten. Bijna al het land vernield en in zulke omstandigheden. Veel soortgelijke dwaasheden werden er begaan.

Het geschut is de hele namiddag geweldig. Ik wil de gevechten eens zien in de verte, en daarom trek ik naar de Rodeberg. Daar zijn veel toeschouwers. Ik zie meteen hoezeer de vijand genaderd is. Ik zie menigvuldige kanonnen schieten op Nieuwkerke, ja reeds op Dranouter en Kemmel, en wat verder een reeks branden, 30 en nog meer, op de hele frontlijn van Nieuwkerke tot wel 2 uren voorbij Bailleul. Het is een wreed en droevig schouwspel. Nog voortdurend zie ik nieuwe vluchtelingen afkomen van Nieuwkerke. Geen twijfel aan, de vijand nadert nog voortdurend. Toch worden de dorpen achter het front weinig beschoten.

’s Nachts horen wij Duitse vliegtuigen die bommen gooien.

13 april, zaterdag. Het eerste nieuws dat wij vernemen, is maar eigenaardig: verplichte evacuatie voor Dranouter, en aangeraden voor Loker, Westouter en Reningelst. Grote angst onder de bevolking. Zou het gevaar waarlijk zo dichtbij zijn? Deze middag zal een vluchtelingentrein vertrekken uit Abele naar Frankrijk. Iedereen heeft de gelegenheid om mee te gaan. Veel mensen schikken er zich in om de weg van de ballingschap in te slaan en het is een droevige stoet langs de weg van Abele: sukkelaars te voet met pakken, anderen met kruiwagens, anderen met kar en wagen. Men zei: ‘slechts 30 kilo bagage meenemen’ en zo werden de matrassen van de juffrouwen Camerlynck geweigerd in het station van Abele. Veel mensen vertrekken van Dranouter, Loker, Westouter en ook enige van Reningelst.

Wij vernemen dat Merris gevallen is. Wij vernemen ook dat deze nacht een bom gegooid werd in het Chinese kamp op de hoeve van de kinderen Verhaeghe. 10 mannen werden gedood, en wel 30 gewond. De andere gingen op de vlucht, en het schijnt dat er zijn die wel 2 uren ver liepen, en men heeft veel moeite gehad om die mannen te verzamelen. Dit kamp werd dan verlaten, en het schijnt dat men daar een en ander van vuil en ongedierte gevonden heeft.

De Engelse artillerie gaat voortdurend achteruit en in de voormiddag komt men 4 grote kanonnen plaatsen op de hoeve van Cyriel Lamerant en 6 nog grotere op de hoeve van Henri Desmarets. Zo zit Dikkebus weer ten volle in het vuur.

14 april, zondag. Buitengewoon geweldige nacht. De kanonnen van Dikkebus schieten de hele nacht. Ik ga naar Dikkebus mis doen. Daar is men minder bang dan in Reningelst en ik kan hen moeilijk wijs maken dat er groot gevaar is. Uit voorzichtigheid besluit ik enkel één mis te doen. 30 personen zijn aanwezig. Dan ga ik rond naar de oude of zieke mensen om hen te overtuigen zich met de reddingsauto’s te laten wegvoeren naar de bejaardentehuizen. Doch neen, daarvan willen zij niet weten: ‘Ik ga maar als ik volstrekt niet anders kan.’ De arrondissementscommissaris meneer Biebuyck is voortdurend in de weer om maatregelen te nemen voor het redden van oude mensen en kinderen en vreest geen gevaar. Ik zie reeds de kanonnen op de Rodeberg en in Westouter. Men plaatst kanonnen bij Zevekote.

’s Namiddags van 16 tot 17.30 uur wordt de dorpsplaats van Reningelst uitermate beschoten, een van de geweldigste beschietingen waarin ik ooit gezeten heb. Niet minder dan 65 obussen ontploffen rond ons, de dichtste gelukkiglijk niet dichter dan 15 meter van ons vandaan maar ook geen enkele die 100 meter ver was. Waarlijk, wij hebben in de keuken van meneer de kapelaan een verschrikkelijk uur beleefd. Bijna voortdurend horen wij gerammel op de pannen en zien wij de brokken aarde rond ons vliegen. Als wij na de vlaag naar buiten gaan, is de dorpsplaats verschrikkelijk om te zien. Op het kerkhof zijn 6 grote putten. 1 obus die niet ontploft is, heeft zich vanop de hofstee van August Verdonck, onder de kerkwegel tot op het kerkhof een gang geboord, wel 7 meter ver. Een dikke iep van de hoeve van Verdonck ligt gebroken als een lucifer over de kerkweg. Wij zien dat een obus ontploft is naast de voordeur van Charles-Louis Kestelyn, die juist uit zijn huis weggegaan was. In de Poperingestraat zijn verscheidene gebouwen geraakt. Helaas, wij vernemen weldra dat er ongelukken gebeurd zijn. De timmerman Charles-Louis Capoen van Reningelst is in zijn huis gedood, ook een jongen van 10 jaar van Wijtschate die bij hem gevlucht was. Gaston Capoen, zijn zoon, is gewond, en moet in Couthove een voet afgezet worden. Nog 2 meisjes van Wijtschate zijn gewond.

De angst van de bevolking na die verschrikkelijke gebeurtenissen is groot. Weinig mensen zullen nog op de dorpsplaats de nacht durven doorbrengen. Ook wij besluiten onze voorzorgen te nemen. Mijn zuster en de nicht van meneer Dermaut gaan slapen op de hoeve van Cyriel Maeyaert. Meneer kapelaan en ik gaan ons neerleggen in de versterkte kelder van dienstdoend burgemeester meneer Achiel Camerlynck. De E.H. pastoor van Reningelst is deze ochtend vertrokken naar Abele en vandaar met de vluchtelingentrein naar Rouen. De zusters van Reningelst worden deze avond door een reddingslorrie naar Abele gevoerd. De veldwachter van Reningelst is reeds gisteren vertrokken.

15 april, maandag. De nacht is geweldig maar toch geen beschietingen in onze nabijheid. Wij doen voor de laatste maal mis in de kerk van Reningelst. Er zijn nog geen obussen op gevallen, maar veel scherven zijn op muren en vensters terechtgekomen, en nagenoeg alle ruiten zijn uit. Na de mis nemen wij de nodige voorwerpen uit kerk en sacristie en verhuizen ze naar de hoeve van Cyriel Maeyaert, waar wij voortaan mis zullen doen. Wij brengen er ook de andere gewijde vaten die nog in de sacristie gebleven zijn.

In de voormiddag doen wij nog een droevige begrafenis. 3 vluchtelingen van Kemmel, die een kotje bewoonden langs de kasseiweg Reningelst-De Klijte, op 7 minuten van de kapel, werden gisterennacht in hun kotje door een obus op slag gedood. Nog 2 werden gewond. Wanneer wij in de onderpastorie aankomen zien wij dat zij ’s nachts reeds het bezoek van de soldaten gehad heeft. De enkele flessen wijn die wij nog overhadden, zijn omgekeerd. De plunderaars hebben het hele huis doorzocht, alles wat hun dienen kon, hebben ze meegenomen en wat hun niet dienen kon op de grond gesmeten. Naar ik die dag verneem is het bijna in alle huizen hetzelfde geweest.

Wij besluiten te gaan wonen op de hoeve van Cyriel Maeyaert want de dorpsplaats schijnt ons zeer gevaarlijk. Bijna geen burgers die nog durven blijven en te allen kant ziet men hen haastig kleren, beddengoed en sommige meubelen meevoeren, allen even angstig en opgejaagd. Veel mensen van te lande durven volstrekt niet meer naar de dorpsplaats komen. Het is ook met grote moeite dat wij paard, kar en mannen krijgen om wat gerief te halen uit de onderpastorie en het klooster en het naar de hoeve van Maeyaert te brengen. Dat kost veel drinkgeld.

Bij Maeyaert moeten wij ons tevredenstellen met minder dan het noodzakelijke. Meneer Dermaut en ik hebben een klein kamertje. Mijn zuster en Eudolie hebben de voutekamer. Wij kunnen er ons roeren noch keren. In het huis zijn ook nog vluchtelingen van Dranouter, en daar is ook de gendarmerie zich komen vestigen. Wij eten met de gendarmes en moeten er allen bij elkaar wonen. Cyriel Maeyaert is vertrokken naar Beveren. De postmeester heeft zijn bureau verplaatst naar de hoeve van de weduwe Leeuwerck. ’s Anderdaags komt de gemeentesecretaris daar ook zijn zaken doen. Zo zijn kerk, gendarmerie, post en gemeentehuis tezamen.

In de ochtend vernemen wij dat Loker verplicht geëvacueerd wordt. Wij horen ook dat de gendarmes van Dikkebus verhuisd zijn, die van de Canada naar Schaapstal en die van de Hert naar het Boerenhol. In de namiddag zien wij hoe De Klijte, Millekruis en Hallebast geweldig beschoten worden. In de namiddag ga ik met meneer Dermaut naar Westouter om te weten of er geen middel is om mijn meubelen te redden, en die van de kerk die nog bij madame Brigou en in de pastorie zijn. Het gevecht is in volle woeling voorbij de bergen. Langs de kasseiweg van Poperinge naar Westouter is het een angst en een gewoel ongehoord. Veel Franse soldaten zijn daar aangekomen. Franse en Engelse soldaten en vluchtende burgers met karren en kruiwagens, het loopt daar al door elkaar. Wanneer wij nabij de dorpsplaats zijn, begint de vijand geweldig te schieten tussen de bergen en de dorpsplaats en dan is het gewoel in de straten nog veel angstiger. Veel burgers van de dorpsplaats vluchten weg. Wij vinden madame Brigou nog thuis, en ’s anderendaags zal ik de meubelen laten ophalen. Wij brengen ook nog een bezoek aan E.H. Van Houver. De brave man kan nog niet geloven dat er groot gevaar is. In deze beschieting wordt het kind van René Haezebrouck van Dikkebus gewond.

Bij onze terugkeer zien wij veel obussen ontploffen rond de Kasteelmolen en Zevekote. Wij vernemen dat er in Reningelst ook Fransen aangekomen zijn en de hele dorpsplaats staat vol artillerie, het is meer dan 3 jaar geleden dat wij op Reningelst nog Fransen gezien hebben. Men plaatst een groot kanon aan de hoeve van Lagache langs de Poperingse kasseiweg. De avond is zeer geweldig.

16 april, dinsdag. De hommelkeet van Maeyaert hebben wij wat opgesmukt om er voortaan mis in te kunnen doen. Het is dat arme kotje dat nu zal moeten dienstdoen als parochiekerk. Een Franse priester-soldaat komt er ook mis lezen. Hij is van Savoye. Wij vernemen dat de evacuatie van Dikkebus aangekondigd is. Tegen morgenmiddag moeten alle burgers de gemeente verlaten hebben. In de voormiddag wordt Ouderdom beschoten, buitengewoon hevig rond Millekruis. Wij vernemen dat de Duitsers Bailleul, Wijtschate en Mesen ingenomen hebben. Ik zend al de gewijde vaten die ik nog bij mij heb naar Jules Maerten. Met zijn paard en wagen zal hij ze gemakkelijk kunnen meenemen op de vlucht. De registers van dopen, sterfgevallen en huwelijken voeg ik bij die van de gemeente van Reningelst. Zij zullen desnoods samen naar Watou gebracht worden. Deze nacht weer plundering van de huizen.

Landbouwer Achiel Lamerant van Reningelst aanvaardt om deze namiddag mijn meubels en de kerkgewaden met zijn wagen naar Westouter te gaan halen. Maar als het ogenblik gekomen is, durft hij het niet wagen, en zo zie ik mij genoodzaakt een andere gelegenheid af te wachten.

Op de gemeente Reningelst is er nu geen enkel gemeenteraadslid meer. 2/3 van de burgers zijn reeds gevlucht. Hoe pijnlijk het ook is om zijn huis en doening te verlaten, de mensen zijn moedig en gelaten. Te allen kant ziet men koeien die naar Poperinge en Abele gedreven worden. De mensen weten niet wat ermee aan te vangen. Dieren die 3 weken geleden nog voor 1000 fr. verkocht werden, worden nu afgezet voor 350 fr. Hoe jammer dat ons landbestuur geen maatregelen neemt betreffende de dieren. Eindelijk worden zij alle in enige weiden gedreven en daar genummerd. De boer krijgt een bewijs dat hij dat nummer geleverd heeft en zonder dat zijn beesten zelfs maar geschat worden, mag hij vertrekken. 14 dagen later zal de minister van Landbouw laten informeren wat er bij de vlucht met beesten en landbouwgereedschap gedaan werd, alsof het de eerste maal is dat hij aan die zaken gedacht heeft. Waarlijk, onze boeren werden tijdens de oorlog helemaal in de steek gelaten.

In de streek waar er zolang schaarste van koper- en zilvergeld geweest is, is er plotseling overvloed. Sommigen komen betalingen doen van verscheidene honderden franken, alles in klinkende munt. Anderen willen het voorzichtig laten wisselen, maar dat gaat niet zo gemakkelijk en velen mogen met hun zware spaarpotten op de vlucht gaan. Wel besteed!

In de namiddag komen Franse cavaleristen aan op de hofstee van Maeyaert. Daar is gisteren reeds een Engelse batterij met staf aangekomen. Het is het 14de Franse korps dat hier aangekomen is. Wij merken dat zij veel netter zijn dan diegenen die wij hier 3 jaar geleden hadden.

Om 21 uur komt meneer Callewaert, pastoor van De Klijte, hier gevlucht met de 2 kloosterzusters en zijn meid. De beschietingen die zij er de laatste uren beleefd hebben, waren gruwelijk, en eindelijk, wat het hun ook kostte, hebben zij met de laatste burgers het gehucht moeten verlaten. Nu zal ik in de kamer die dienstdoet als gendarmerie op de tafel slapen.

17 april, woensdag. Verschrikkelijke nacht. Voortdurend kanongedonder. In de voormiddag wordt Reningelst geweldig beschoten, veel granaten vallen voorbij de dorpsplaats, en zelfs verscheidene langs de kasseiweg van Poperinge, ook nabij de hoeve van Maeyaert. Maar veel verschrikkelijker nog is de beschieting van Westouter-dorpsplaats en de bergen. Ten minste 300 obussen in een uur tijd. Helaas, niet minder dan 10 burgers worden gedood, waaronder boerin Vandenberghe van Kemmel met haar 2 kinderen. Wat een angst onder de bevolking! Na de beschieting vlucht iedereen. De pastoor blijft nog en doet ’s anderendaags de begrafenis van de 10 verongelukten. Meneer de kapelaan wordt ’s namiddags in Watou gezien met 2 hoeden aan. Nu zie ik geen middel meer om nog iemand te vinden die mijn bezittingen en de toebehoorten van de kerk nog uit Westouter kan halen.

Nu zijn de noorderhellingen van de bergen helemaal bezet met Engelse en Franse kanonnen. In de voormiddag doen de Fransen en de Engelsen een tegenaanval. En waarlijk, wat prachtig wreed schouwspel ze te allen kant te zien vuren. Wij onderscheiden weer goed de Franse 75 kanonnen. Men zegt dat de tegenaanval geslaagd is en de vijand wat achteruitgedreven werd. Deze middag zijn de laatste burgers van Dikkebus vertrokken. Gedurende deze week laat men nog nu en dan iemand teruggaan om het een of het ander te halen.

Deze middag komt meneer Biebuyck, arrondissementscommissaris, mij voorstellen mee te gaan als aalmoezenier met een vluchtelingentrein naar Rouen. Daar ik nu geen parochianen meer heb en bijgevolg geen reden meer om nog langer in het gevaar te blijven en daar ik van de andere kant toch in bediening moet blijven om mijn uitstel van legerdienst te behouden, besluit ik aan zijn verzoek te voldoen en het vaderland te verlaten.

De hele week is de lucht betrokken, en wij zien bijna geen vliegtuigen.

18 april, donderdag. De nacht is tamelijk kalm. In de voormiddag wordt Reningelst weer beschoten, en Westouter wordt even erg beschoten als gisteren en nogmaals worden verscheidene burgers gedood. Onze pakken zijn gereed om op onze beurt de weg van de ballingschap in te slaan. Het is slecht weer. Wij nemen afscheid van onze twee vrienden E.H. Dermaut en E.H. Callewaert. Wij verkrijgen van de kolonel van de hofstee dat een Engelse soldaat ons met zijn koets naar Abele zal brengen. En daar zijn wij op weg.

Is mij dat een geweld langs de route naar Abele. Wij zijn meer dan 2 uur onderweg om tot aan het station te geraken. Engelse soldaten met machtig veel vervoer, Franse artillerie en cavalerie en ook 3 batterijen Belgische artillerie en daartussenin groepen vluchtelingen die evenals wij naar de trein van Abele trekken. En wat een sukkelaars onder hen! Sommigen met een klein gespan, anderen met kruiwagens met enige pakken en kinderen of oude mensen erop, en ook oude, kranke dutsen die reeds uren onderweg zijn om tot daar te sukkelen. Het is droevig om te zien. En dat alles in de regen en de modder.

Als wij bij het station komen, plotseling een akelig gehuil, een verschrikkelijke ontploffing en een obus knettert open achter het magazijn waar wij juist voorbijtrekken. Het is een vluchten rondom. Weldra een 2de obus en nog verscheidene andere. Wij vluchten op een hoeve, het is ons geluk. Waren wij doorgereden, dan was een obus ontploft waar wij waren. We geven de Engelse voerman wat drinkgeld en dragen dan onze pakken naar het station. Daar staan reeds verscheidene honderden vluchtelingen te wachten voor het vertrek. In het bureau moeten wij ons dagpas inleveren en wij krijgen ons vrijgeleide naar Rouen of Louviers, sans retour. Een lange trein met meer dan 40 beestenwagens komt weldra het station binnengereden. Het is het konvooi voor de vluchtelingen. Wij nemen er plaats naast enige Dikkebusnaren en Lokernaars en laden er onze pakken af. Pas dan beklagen wij het ons dat wij niet meer goederen meegenomen hebben. Door het geval met de juffrouwen Camerlynck de zaterdag voordien hadden wij besloten niet meer dan 30 kilo mee te nemen, en nu zagen wij matrassen, koffers en wat weet ik al opladen en niemand die de minste opmerking maakte. Met 1200 ongelukkigen zaten wij weldra in de trein opgetast. 2 Belgische tolken gingen mee als conducteurs. Meneer Biebuyck kwam ons ook nog vaarwel zeggen en gaf mij een aanbevelingsbrief voor volksvertegenwoordiger Ramaekers in Rouen.

Wij slaan een kruis en zijn op weg naar het Franse. Het is de eerste trein die niet meer langs Godewaersvelde en Hazebrouck rijdt omdat de weg daar te veel beschoten wordt. Wij rijden langs Poperinge, Proven, Hondschoote, Bergues, Cassel, dan naast Hazebrouck naar Saint-Omer. Daar staan wij 5 uren stil. Om middernacht vertrekken wij naar Calais en komen ’s ochtends om 4 uur aan in Boulogne. Daar worden wij goed bevoorraad met brood, vlees, vis en jamdozen, koffie en melk voor de kinderen. Niettegenstaande de droevige omstandigheden zijn de vluchtelingen in het algemeen goed ingesteld en zij dragen moedig hun lot. Ik bewonder het zelfs hoe grappig zij nog kunnen zijn en zelfs een liedje zingen. ‘God leeft die het al geeft’, zeggen sommigen en wij danken Hem omdat wij gaaf en gezond uit de bommen en granaten weggeraakt zijn. Voor de kinderen is het bijna een pleziertocht, maar ik zie toch veel moeders hun zakdoek bovenhalen en een traan wegvegen. Zoals wij daar zaten, kon ik de hele nacht niet slapen en ik bad paternosters en rookte grote pijpen. De kinderen sliepen zoals in hun bed.

19 april, vrijdag. Het wordt klaar en ik ben verwonderd dat wij langs de zeekust reizen. Dat is toch niet de weg naar Rouen. Ik zie het weldra, wij zijn op weg naar Montreuil, waar wij om 8 uur aankomen. Ja, er zijn stokken in de wielen gestoken. In Saint-Omer heeft men getelefoneerd dat Rouen overvol zit met vluchtelingen en er nergens nog plaats is. Daarom zal onze trein in afwachting naar Montreuil gestuurd worden en tijdelijk zullen wij in de Chartreuse geherbergd worden. Doch de Chartreuse, ver van een hele trein te kunnen herbergen, kan slechts 2 mensen aanvaarden omdat er ’s nachts 2 gestorven zijn.

Ik ben blij eens naar dat grote Belgische gasthuis te kunnen gaan, waar ik zovelen van onze bejaarden naartoe heb gezonden. Ik vind Katrientje Vuylsteke aan de ingang, zij is nog altijd even rap. Ik zie er ook zoveel anderen, netjes en in goede gezondheid. Wat zijn die mensen blij hun oude kapelaan terug te zien! En wat een groot mooi gesticht is het! Het wordt geestelijk bestuurd door de E.Heren Plouvier en Baelden van Diksmuide. ’s Namiddags komen veel van die oudjes hun kennissen groeten aan het station van Montreuil.

In Rouen geen plaats, in de Chartreuse ook niet, waar ons dan naartoe gevoerd? Men weet het niet en wij zullen de nacht in Montreuil moeten doorbrengen. Men brengt stro in de magazijnen, daar zullen de mannen slapen. De vrouwen en de kinderen worden naar de scholen gebracht en enige worden aanvaard in bijzondere huizen. Ik en mijn zuster vinden gelukkig een plaats in het hotel voor het station.

In Montreuil is de bevolking en het stadsbestuur medelijdend. Veel eetwaren worden door de stad uitgedeeld. Ook de Belgische missie, met generaal Orth aan het hoofd, komt meermaals de vluchtelingen bezoeken en voorziet in hun behoeften. Vooral graaf de Renesse is zeer gedienstig. De maire komt mij vragen of er mensen in ware nood zijn. Ik duid er enige aan en zij krijgen tot 60 fr.

20 april, zaterdag. Op zaterdag geen sprake van vertrekken. De mensen worden ongeduldig. Zij die weten waarnaartoe buiten de legerzone mogen vertrekken en zo vermindert onze bende van een paar honderd. Op zaterdagnacht logeren allen in scholen en openbare gebouwen. ’s Anderdaags om 8 uur zal ik de zondagsmis doen voor de vluchtelingen in de hoofdkerk en ook een kort sermoen geven. Doch bij het opstaan vernemen wij dat het bericht binnengekomen is dat wij om 9 uur naar Rouen zullen vertrekken. Onmogelijk dus de vluchtelingenmis te doen.

21 april, zondag. Ik deed dus aanstonds mis en wij maakten ons klaar voor de verdere reis. In plaats van om 9 uur vertrekt de trein pas om 12.30 uur. Ditmaal krijgen wij wagons van 3de klas. Doch wat een ongelukkig traag kruipen en opnieuw kruipen. Wij reizen langs Saint-Pol-sur-Ternoise en daar zien wij in de verte reeds de oorlogssaucissen hangen. Wij naderen immers het front van Arras. In Frévent wordt onze trein nog verlengd met enige wagons Franse vluchtelingen van de omstreken van Béthune. Wij geraken bij valavond in Doullens en vandaar staan wij op het punt om langs Amiens te rijden. Om 10.30 uur zijn wij maar enige kilometers meer van die stad. Doch plotseling zien wij de zoeklichten rond en boven ons. Geen twijfel, er zijn Duitse vliegtuigen in onze nabijheid. De trein houdt stil en het duurt niet lang of de vliegtuigkanonnen gaan aan de gang. Enige verschrikkelijke ontploffingen op een paar minuten bij ons vandaan. Waarlijk, wij zijn daar in een akelige toestand. Als de Duitsers het vuur van de machine merken, zullen zij er wel enige krakers naartoe zenden.

Het duurt meer dan een uur eer wij de zoeklichten zien verdwijnen en het is een algemene opluchting als ons konvooi dan weer vertrekt. Plotseling nieuwe ontploffingen voor ons. Nog een keer stilstand en dan nog verscheidene zoeven en slagen. Ditmaal zijn het de kanonnen die het op ons gemunt hebben. Wat gedaan? De trein gaat nu weer aan de gang, doch in een andere richting. Voortdurend, voortdurend rijden. Ik zie een paar uren later dat wij weer voorbij het station van Doullens rijden.

22 april, maandag. We slaan een kleine spoorweg in onderweg naar Abbeville. Om 4.30 uur houden wij stil in het station van Martainneville en wij blijven er staan. Als het middag is, staan wij er nog. Eindelijk zetten wij aan en wij rijden weer naar Doullens en dan dezelfde weg naar Amiens. De mensen zijn ongerust omdat wij nogmaals langs de gebombardeerde stad voorbijrijden. Wij zien hoe de saucissen dicht bij ons hangen en toch gaat alles goed. Aan het station van Amiens staat een grote fabriek in brand, zij kan pas een uur of 4 in brand geschoten zijn. Wij zien dat er nogal wat huizen vernield zijn, toch zijn hele kwartieren bijna ongeschonden. Bijna alle huizen zijn afgesloten. Wij zien zeer weinig burgers in de straten, en ook niet veel soldaten. Het is een algemene opluchting als wij de gevaarlijke stad voorbij zijn en wij ons weer van het front verwijderen. Wij hebben nadien vernomen dat onze trein de laatste vluchtelingentrein is die langs Amiens gereden heeft.

Nu rijdt de trein tamelijk vlug langs Abancourt, Forges-les-Eaux, enz. Daar merken wij dat de streek vruchtbaarder wordt want tot nu toe hebben wij maar weinig mooie vruchten en weiden gezien. Eindelijk zien wij dat wij de hoofdstad van Normandië naderen en om 23.30 uur komen wij aan in het Noordstation van Rouen.

Wat zijn wij tevreden eindelijk te mogen afstappen na een reis van vier en een halve dag. Doch wat zal er met ons gebeuren? Waar gaan wij de nacht doorbrengen? Silence! Een heer gebiedt stilte en zegt dat men ons met onze pakken naar de Gare d’Orléans zal brengen. Inderdaad, ze worden op enige lorries geladen. Wij zijn gelukkiglijk bij hen die het minste geduld moeten hebben en 45 minuten later lossen zij ons reeds af. Maar is mij dat een gedoe in de Gare d’Orléans. Zij leiden ons daar in een overgroot magazijn, waar er deze nacht meer dan 1000 mensen zullen slapen. Men heeft het helemaal belegd met stro en gelukkig is het nog vers. Wij leggen met 3 gezinnen onze pakken bijeen om ons te beveiligen tegen diefstal en rond de pakken zullen wij dan ons persoontje leggen. Doch is me dat een spel en een lawaai van alle duivels in die zaal! Volk van alle slag en elke soort, doch het meest van de kanten van Béthune. Vloekende mannen, kakelende vrouwen erger dan mitrailleurs, en schreeuwende en huilende kinderen. Een lawaai van honderden stemmen allemaal door elkaar, het is om er zot van te worden. Wat zal ik als priester daar doen de hele nacht in dat boeltje? Ik heb geen 2 minuten nodig om mij te overpeinzen. Geen middel een ander logement te vinden. Ik ben op van de vaak en ik leg mij maar in het stro en, komt het door de overgrote vermoeidheid of omdat de mengeling van honderden geluiden voor mij een slaapliedje zijn, of is het het een en het ander, in elk geval, het duurt geen 10 minuten of ik ben weg en ’k slaap 4 uren aan een stuk.

23 april, dinsdag. Als ik bij de eerste morgenschemering wakker word van de kou, zie ik dat ongeveer geheel de zaal in sluimering ligt. Ik sta recht, strek mijn stijve leden, veeg het stro wat van mijn kleren en verlaat de zaal op zoek naar een kerk om ergens mis te lezen. Ja, ik ben in Rouen, ik wandel langs de Seine recht naar de hoge ijzeren kerktoren die ik daar voor mij zie. Het is 5.30 uur als ik in de kathedraal kom. Ik bid mijn morgengebed en ga naar de sacristie vragen om er mis te mogen lezen. Ik krijg als antwoord dat die toelating gevraagd moet worden aan meneer pastoor en dat hij pas om 7 uur naar de kerk komt. Ik ga dan naar St.-Maclou, het is daar hetzelfde: meneer pastoor komt om 7 uur. ‘Maar,’ voegt men erbij, ‘meneer pastoor is voorzeker reeds op. Wilt gij het naar zijn huis gaan vragen? Hij woont langs de kerk naast de Belgische pastoor.’ De Belgische pastoor, dat is een goed idee. Ik zal de brave heer Declercq van Zonnebeke aanspreken. En zie, ik ben nauwelijks buiten de kerk, of ik loop hem tegen het lijf. Gauw mijn gelegenheid uiteengedaan en ik trek met hem mee naar de Belgische kerk. Ik lees er mis en dan ga ik met meneer Declercq naar zijn huis. Eerst en vooral mij ferm gewassen en gespoeld, want ik moet er schabouwelijk hebben uitgezien, en dan een hartelijk ontbijt. Ik ben weer fris man en ik herleef nog veel meer als de gulhartige priester mij met mijn zuster zijn gastvrijheid aanbiedt. Hij zal ons elk een kamer geven in zijn huis. Hij zal ons zijn stoof en gerief lenen en wij zullen er ons eigen potje koken en ons huishouden hebben. Intussen zal ik een bezigheid zoeken. Wat is dat voorstel mij welkom. Ik weet immers niet waarnaartoe en zie, ineens is de moeilijkheid opgelost! Wat is mijn zuster ook verheugd als zij verneemt dat wij een nieuw verblijf hebben. Gauw de pakken ernaartoe gebracht en wij zijn geïnstalleerd bij meneer Declercq, pastoor van de Belgische vluchtelingen in Rouen.

Mijn verblijf in Rouen

Mijn eerste werk in Rouen was een bediening te zoeken. Voor mij was er immers haast bij, ik moest mijn uitstel van krijgsdienst behouden. Men gaf mij de raad, als ik ergens wilde slagen, aan verscheidene deuren tegelijk aan te kloppen. Misschien zou het dan nog lang genoeg duren eer ik ergens binnengelaten werd! Zo deed ik het: ik schreef naar de heer kanunnik Kempeneer, hoofdaalmoezenier van de vluchtelingen, en ook naar de bisschoppen van Bayeux en Evreux en ik ging zelf tot bij de volksvertegenwoordiger meneer Ramaekers, afgevaardigde van het landsbestuur in Rouen en algemeen toezichter van de schoolkolonies. Kanunnik Kempeneer antwoordde mij dat ik het best een bediening zou zoeken in de bisdommen Evreux en Bayeux en dat hij mij tot aalmoezenier van de vluchtelingen zou benoemen en dat ik zo mijn uitstel zou behouden. De bisschop van Evreux antwoordde dat hij hoopte mij een bediening te kunnen geven, doch dat hij eerst mijn toestand wenste te kennen: huishouding enz. Monseigneur van Bayeux antwoordde dat hij geen bediening kon aanbieden maar dat ik samen met meneer Mostaert, aalmoezenier van Lisieux, moest zoeken en een akkoord sluiten met de dienstdoende pastoor en de dekens. En meneer Ramaekers gaf mij als antwoord dat er misschien wel posten van aalmoezenier van de schoolkolonies zouden openkomen en dat hij mijn aanvraag indachtig zou zijn maar dat er nog andere priesters waren die ook een aanvraag gedaan hadden en met wie hij om hun nood veel medelijden had, zoals met meneer Duquesnoy, pastoor van Reningelst. Hij mocht niet toelaten dat die priester verder door de liefdadigheid onderhouden moest worden! In het aartsbisdom van Rouen heb ik mij niet aangeboden. Vooreerst omdat op dat ogenblik de oorlogstoestand maar slecht was en dat de Seine-Inférieure ook zou moeten vluchten en ik was geen liefhebber van een tweede vlucht. En ten tweede, alhoewel er grote schaarste van priesters was, was dat bisdom er weinig toe geneigd de Belgen te gebruiken zoals het zijn moest: een Vlaamse priester die de aanvraag gedaan had, kreeg enkel een post van mislezer. De bisschoppen van Frankrijk zijn zeer bang hun priesters te mishagen en daarom is de eerste voorwaarde voor aanvaarding dat gij niemand van hen misnoegd maakt.

Intussen was de oorlogstoestand voortdurend verslechterd. In de sector Ieper-Armentières was de vijand nog voortdurend vooruitgekomen en elke dag brachten de kranten slechter nieuws. Het was vooral ontmoedigend toen wij vernamen dat de Kemmelberg door de Duitsers was ingenomen. Wij waren ook spijtig toen wij hoorden dat de Engelsen en de Belgen ten oosten van Ieper verscheidene dorpen die hun verleden jaar zoveel bloed hadden gekost, moesten evacueren. Ja, dan vreesden wij waarlijk dat de Duitsers er zouden in slagen naar Calais op te rukken en het te veroveren. Het schijnt dat de krijgsoverheid van de bondgenoten ook bang was. Zelfs de kranten, die nochtans hun best deden om het moreel op te krikken, trachtten er het volk op voor te bereiden. Zo zei Marcel Hutin in de Echo de Paris, dat Ieper van geen belang meer was en dat de bondgenoten het zouden overgeven. En toch neen, men zal standhouden zolang men kan, gebood de krijgsoverheid en gebood vooral koning Albert. En plotseling moesten de Belgen die op het punt stonden zich terug te trekken, naar de vijand terugkeren en de tegenaanval inzetten. En die lukte prachtig. Langs Sint-Juliaan en Langemark namen zij meer dan 1500 krijgsgevangenen. De Belgen hielden stand en de Fransen en Engelsen langs Ieper en de kasseiweg naar Bailleul en verder in het woud van Nieppe hielden ook stand. Nochtans waren er dagen geweest dat de Duitsers Loker overmeesterd hadden en tot voorbij de Volksvriend gekomen waren. Zij waren tot aan de kapel van De Klijte genaderd, waren ook voorbij Millekruis gekomen, tot aan Hallebast en op 29 april waren zij meester van de dorpsplaats van Dikkebus. Een patrouille Duitsers werd zelfs gevangengenomen nabij het station van Vlamertinge. Maar uit al die plaatsen werden zij verjaagd en de lijn vormde zich: ten oosten van Ieper, ten westen van Voormezele, Kruisstraat, Kriekbossen, ten oosten van de vijver, Kemmelbeek, langs de hoeve van Wildemeersch, Bruloze, het gesticht van Loker, ten zuiden van Lokerdorp, ten zuiden van de bergen.

Maar ondertussen waren er zoveel verjaagde burgers, zoveel branden en zoveel verwoesting! Op zondag 21 april was de molen van de Scherpenberg in brand geschoten. ‘Wat een akelig schouwspel!’ vertelden mij personen die het gezien hadden. ‘Een ware vuurmolen!’ Dezelfde zondag deden meneer de kapelaan van Reningelst en meneer pastoor van De Klijte mis op de hoeve van Maeyaert en een 300-tal personen kwamen ernaartoe. Het was voor die priesters een vreemd leven zonder behoorlijke plaats te midden van dat soldatengewoel. De volgende week verergerde de beschieting nog en zoveel Reningelstnaars en Poperingenaars die gehoopt hadden te kunnen blijven, moesten het eindelijk opgeven. Meneer Callewaert vertrok op 23 april naar de vluchtelingentrein van Proven. Meneer Dermaut zou nog even blijven. Maar in de nacht van woensdag op donderdag waren de beschietingen zo buitengewoon geweldig dat er volstrekt geen mogelijkheid meer was. Hij nam ook zijn pakken en vertrok naar Proven. Er bleven nog maar weinig inwoners over. Emiel Van Houte bleef nog tot 30 april en bij het begin van de meimaand hadden alle Reningelstnaars het dorp verlaten. De dag voor zijn vertrek had meneer kapelaan nog twee droevige begrafenissen gedaan, twee kinderen die doodgeslagen waren bij Storme van ’t Stukje. Niemand was er om ze te dragen en meneer kapelaan en een Belgische tolk hebben ze zelf naar het kerkhof moeten dragen. Dezelfde dag gebeurde er nog een wreed ongeluk in de tent van de Voormezelenaar Belpaire, langs de weg van Loker: zijn zoon van 13 jaar en zijn meid, een dochter Lesage, werden er gedood. De soldaten hebben ze ter plaatse begraven. Vlamertinge werd deze dagen ook erg beschoten en in de Galgebossen ontplofte een overgroot munitiedepot, de luchtverplaatsing was zo groot dat 10 minuten rondom bijna alle pannen afvlogen. Op Brandhoek viel er een brandbom op een herberg en het hele huisgezin van 7 personen werd onder het puin begraven. Meneer kapelaan Vinck heeft ook de parochie verlaten en werd aalmoezenier van de vluchtelingen in Lot et Garonne. De anderen van Vlamertinge werden weldra ook geëvacueerd. Poperinge werd voortdurend verschrikkelijk beschoten, het ergst juist buiten de stad en langs de kant van Abele. De stad werd ook geëvacueerd doch de mensen te lande langs de kant van Watou, Roesbrugge en Krombeke bleven thuis. De priesters van St.-Jan en meneer De Jaegher van St.-Bertinus zijn naar Frankrijk gekomen. Meneer de deken en Hellyn gingen in ’t Vogeltje wonen. De eerwaarde heren Storme en Depuydt, dienstdoende pastoors van Elverdinge en Watou, zijn met enkele parochianen gebleven. Die dorpen werden nooit geëvacueerd. Later werd meneer Storme ook dienstdoende pastoor van St.-Jan van Poperinge en kreeg hij hulp van meneer Lelieur, onderpastoor van Abele. Ook Proven werd in die dagen ferm beschoten. In het Veurnse was het wat kalmer.

E.H. Dermaut was dus op de vluchtelingentrein gestapt in Proven op 27 april en op 29 april ’s nachts kwam hij aan in Rouen. ’s Ochtends gaat hij op zoek om mis te lezen, komt in twee kerken veel te vroeg en vraagt eindelijk naar de Belgische kerk. Daar botst hij op de Belgische pastoor meneer Declercq, zijn klasgenoot. Hij verneemt dat ik bij hem gelogeerd ben en in één-twee-drie is het geklonken. Men zal wel iets vinden voor meneer Dermaut in de nabijheid van de Belgische pastorie en intussen trekt hij maar mee. Wat waren wij tevreden elkaar zo gauw en zo onverwacht terug te zien! En wij herhaalden het steeds weer: ‘Het is wonderlijk hoe wij zonder afspraak en ongeveer op dezelfde manier weer bij elkaar geraakt zijn.’ Meneer Dermaut en Eudolie gingen logeren in de onderpastorie van rechtover – de onderpastoor was soldaat – en voor de maaltijden kwamen zij naar het huis van meneer Declercq en daar zorgden wij zoals in Reningelst samen voor de huishouding. Wij waren gelukkig in onze droevige staat.

Intussen zouden wij zo goed mogelijk de tijd trachten door te brengen. Enige aangename wandelingen doen, een beetje stad en streek en volk en gebruiken leren kennen en ook, als wij het konden, nog wat dienst bewijzen aan landgenoten.

Ja, wij kregen kansen genoeg om dienst te bewijzen. Want de miseries, kommernissen en het verdriet beschrijven van de duizenden vluchtelingen die elke dag in Rouen aankwamen, is mij onmogelijk. Wekenlang kwamen elke dag lange treinen aan van ongelukkige bannelingen. In het begin slaagde men er nog in om ze op tijd te evacueren maar er kwam een tijd dat de streek vol zat en men geen materieel genoeg meer had om allen aanstonds verder te vervoeren. En daarom moesten de mensen in Rouen wachten tot men in de gelegenheid was om ze vandaar weg te brengen.

Nu kwam er een bevel dat niemand zich nog mocht vestigen in de Seine-Inférieure, Eure, Calvados, Seine et Loire, tenzij met bijzondere papieren die zelden gegeven werden. Wat een droevig schouwspel, de zalen waarin de vluchtelingen verbleven in afwachting dat ze verder gebracht zouden worden. Zulke zalen vond men in 4 of 5 plaatsen van de stad. In de Rue Poisson vind ik het gesticht van Loker, benevens duizenden vluchtelingen uit de streek van Béthune. Aan het Noordstation zaten de uitgestrekte tenten van de Amerikanen ook vol vluchtelingen. Aan het station van Orléans ook verscheidene tenten en dan niet ver van de Seine, in de Rue St.-Eloi, een groot klooster, waar er meestal zieken en oude mensen waren. Ik was ervan aangedaan die moeders te zien met hun kleine kinderen, velen van deftige afkomst, gemengd tussen allerlei soorten volk. Men las op hun gezichten wat er in hun ziel omging. Maar het was nog hartverscheurender daar die oude, zieke mensen te zien, gezeten op hun pakje, als verstomd door de zielensmarten, plotseling uit hun gewoon, rustig leven gerukt en in die zee van miserie gesmeten. Zij waren moe van het schreien en zij konden niet meer schreien en zij vroegen zich af waar men hen naartoe zou brengen en of zij nog ooit hun streek en familie zouden terugzien.

O, ik heb er gekend uit mijn parochie… Edward Lauwyck en zijn vrouw Amelie, zij waren meer dan 50 jaar getrouwd. Hun zonen waren soldaat en de dochters in Duits bezet gebied. Zij hadden een hele dag gesukkeld met hun pakken om van Reningelst tot in Abele te geraken. Zij waren toch op de trein geraakt. Warden was ziek, waarschijnlijk kanker in de buik en hij moest voortdurend naar het vertrek. Wat moet de zieke man afgezien hebben in de trein! Telkens als die stilhield, moest Warden uitstappen, onzeker of de trein intussen niet zou vertrekken. Zo kwamen zij aan in Rouen. En nu zou Warden kost wat kost zijn zoon Jules, soldaat, gaan opzoeken. Hij lag gewond in het hospitaal van Bonsecours, een uur daarvandaan. Amelie zou in het station blijven. Drie dagen later vond ik Amelie alleen in het station, zij had zich bijna doodgeschreid. Warden was nog niet teruggekeerd. Ik liet haar overbrengen naar het ouderlingengesticht van St.-Eloi. En de 4de dag brengt men Warden daar ook binnen. Hij had zijn zoon Jules gezien maar was dan verdwaald. Hij had buiten geslapen en wist niet hoe hij hiernaartoe was gebracht. En spijtig genoeg, hij werd nog ferm berispt door Amelie, die nochtans bijna gek was van vreugde. Ik ging ze daar nog bezoeken, zij kwijnden van langsom meer weg. En op zekere dag waren zij vertrokken. Niemand kon mij daar zeggen waar zij naartoe waren gebracht. En sedertdien heb ik niets meer van hen gehoord en misschien zal er nooit iemand vernemen waar zij hun leven beëindigd hebben.

En dan nog een brave vrouw uit Dikkebus: Julie Ployaert. Zij ook stond geheel alleen en zij was 75 jaar. Haar zoon was soldaat, haar dochter kloosterzuster. In het begin van de reis was zij moedig en wilde de miserie van de vlucht trotseren, doch die was groter dan haar krachten. Hoe het kwam, weet ik niet maar zij werd achtergelaten in Montreuil en ik vond haar 14 dagen later in het bejaardentehuis in Rouen, doodmager en waanzinnig van dolen en zwerven. Zij had moeite om mij nog te herkennen. Zij stierf daar enige weken later. Arme slachtoffers van de oorlog en die waren er bij honderden, alleen al in Rouen.

Er moet nochtans hulde gebracht worden aan de vluchtelingencomités, die al deden wat zij konden om het lijden van die ongelukkigen te verzachten. Men gaf hun weliswaar eten en drank maar er was te weinig personeel. Men was overbelast en hoe men ook zorgde voor de gezondheid, die vluchtelingenzalen waren echte pestholen. Daar heb ik miserie gezien en, al waren er mensen die gelaten en geduldig hun kruis droegen, er waren er ook die vloekten als ketters. O, wat waren die mensen toch allen tevreden een Belgische priester te zien! Ik heb velen getroost en ik heb ook velen geholpen om hun de nodige papieren te helpen bezorgen om zich bij het een of ander familielid of kennis te gaan vestigen. Elke dag kwamen er vluchtelingentreinen aan tot 4 mei, dan begon het aantal te verminderen en eindelijk hield het helemaal op.

Maar het was niet alleen per trein dat de vluchtelingen aankwamen. Het merendeel van de boeren vluchtte met paarden en wagens. Ja, elke dag zagen wij karavanen passeren over de markt van Rouen. En de Fransen bewonderden hun schone Vlaamse paarden en hun talrijke en gezonde jongens die op de wagens zaten of er in de stad naast liepen en zij konden zich voorzeker niet indenken dat die arme dolaards gisteren nog weelderige boeren waren. O ik bewonderde de moed van onze Vlaamse boeren. Nee, men kon geen verdriet op hun gezicht lezen. Zij zouden de tegenslagen trotseren en er waren er die 14 dagen nadien reeds een hoeve gepacht hadden in de Eure, Orne of Calvados en met nieuwe moed aan het werk waren.

Rouen, de hoofdstad van de Seine-Inférieure, is een zeer belangrijke stad. Zij is prachtig gelegen langs de Seine, die daar een grote bocht maakt. Rondom zijn er bergen, sommige van 300 meter hoog, die aan de streek een schilderachtig uitzicht geven, met prachtige afwisseling van groentetuinen, boomgaarden en bossen en daartussen lachende villa’s en lusthoven. Hoe mooi was die streek in de prachtige meimaand die wij daar doorbrachten! Aan de rechteroever was het oude Rouen, veruit het grootste gedeelte van die stad, en ook het prachtigste. Wij bewonderden er de prachtige kathedraal van O.L. Vrouw met haar kunstrijke tapijten, die toen tentoongesteld waren, en haar ijzeren toren van 130 meter hoog, de kerk van St.-Maclou met haar prachtgevel, en de reusachtige gotische kerk van St.-Ouen. Rouen heeft veel kunstgebouwen en monumenten, helaas ook enige schandalige standbeelden. De straten zijn in het algemeen mooi, met prachtige winkels en gebouwen. Altijd is er veel beweging en de elektrische trams, die talrijk zijn, zitten bijna altijd propvol. Waarlijk een stad van mensen die leven!

Er zijn zeer veel soldaten. Het grootste deel zijn Engelsen, ook veel Australiërs, Fransen en Belgen. Onder de Fransen en de Belgen ziet men zeer veel gewonden en verminkten. Het zijn bijna allen mannen uit de hospitalen, behalve de gewone verlofgangers en de bedienden van de bevoorrading. De Engelsen hebben veel kampen buiten de stad. Bij hen is ook een heel leger van meisjes in kaki, allen van 17 tot 25 jaar oud, er zijn er meer dan 1000. Wat die meisjes daar moeten doen, weet ik niet. Ik heb horen verzekeren dat het is om de Engelse soldaten af te houden van het Franse vrouwvolk. Hun kleding is zedig, het schijnt dat hun manieren dat minder zijn. Er is nog een ander soort volk in de straten, dat is het slechte vrouwvolk, vooral ’s middags en ’s avonds komen zij tevoorschijn. Met korte rokjes, op hoge hakken, geblanket, met bonten sjaals boven het decolleté, en zeer dikwijls met een prachthond aan de leiband. Men beweert dat zij buitengewoon talrijk zijn en dat zij zoveel kwaad doen aan onze soldaten. Wat een zonde in zulke verschrikkelijke tijden!

Aan de linkeroever van de Seine is het uitzicht geheel anders, daar is men in een moderne nijverheidsstad. Allemaal fabrieken en nieuwe gebouwen. Weinig aantrekkelijk. Langs de Seine, die hier zeer breed is en waarover 3 bruggen liggen, is er zeer veel bedrijvigheid. Want er komt daar buitengewoon veel bevoorrading aan. Men ziet er vooral veel Duitse krijgsgevangenen aan het werk. In de Seine liggen verscheidene eilandjes en het uitzicht op de stroom is prachtig.

Rouen telde in vredestijd 150.000 inwoners doch nu zijn er, met de vluchtelingen erbij, wel 200.000. Men schat het aantal Belgische vluchtelingen die verblijven in Rouen en in de voorsteden, op ruim 10.000. 4/5 zijn Vlamingen en onder hen is meer dan 1/3 uit de omstreken van Antwerpen en Mechelen. Het merendeel is van de werkende klasse, toch ook nog al veel van de burgerbevolking, waaronder sommigen die handeldrijven. Voor hen zijn er 3 aalmoezeniers: E.H. Declercq, onderpastoor van Zonnebeke, hoofdaalmoezenier; en E.H. D’hondt en E.H. Ghyselen, hulpaalmoezeniers. E.H. Declercq en E.H. D’hondt wonen samen in Martainville. E.H. Ghyselen woont in Sotteville. Alle 3 doen ze zeer goed werk. In de Rue Bourg l’Abbé is er een Belgische kerk. Elke dag wordt daar mis gedaan door een Belgische priester en kan men er te biecht gaan. ’s Zondags zijn er 3 missen. In de hoogmis van 10 uur is er zeer veel volk. Soms wel 600 Belgen. Alles gaat er op zijn Vlaams. Na de mis wordt er op straat een Vlaams babbeltje geslagen. Men zou zich daar waarlijk in een Belgische stad wanen. In de namiddag is er lof en dikwijls congregatie of andere vergaderingen.

De Belgische scholen, onder het bestuur van meneer D’hondt, zijn heel bloeiend. Er zijn 12 klassen, alle gehouden door meesters en juffrouwen. Meneer D’hondt zorgt ook voor de verstrooiing en het verzet van de jeugd en heeft elke dag zijn vergadering voor het aanleren van zang en concert. Nu en dan geven zij een vertoning die door alle Belgen druk bijgewoond wordt. In de meimaand was er eerste communie, meer dan 100 Belgische kinderen namen eraan deel. Zijne Eminentie aartsbisschop Dubois gaf de communie.

De aalmoezeniers trachten zoveel mogelijk een Belgische geest te onderhouden bij hun landgenoten en ze dikwijls bijeen te brengen. Zo gaan zij samen op bedevaart naar Bonsecours. Dat is een vermaarde bedevaartplaats ter ere van O.L. Vrouw op 4 km ten oosten van Rouen langs de Seine. De ligging ervan is prachtig. De kerk, die lijkt op die van Oostakker maar overladen is met schilderijen, is gebouwd op een berg van meer dan 300 meter hoog. Men heeft er het schilderachtigste uitzicht dat men dromen kan op de Seine, op de stad en op de omliggende bergen. Het hele jaar door, maar vooral in de meimaand, is er daar een grote toeloop.

Daarnaast ligt het grote Belgische hospitaal met meer dan 2000 bedden. Wij zien daar zoveel ongelukkige landgenoten, meestal met roemrijke wonden doch helaas ook enigen met schandelijke ziekten. Dit hospitaal bestaat uit een groot aantal prachtige houten barakken. Op de Belgische bedevaart zat bijna geheel de kerk vol Belgen en het was er al Vlaams dat de klok sloeg. In het algemeen hebben de Belgen veel contact met elkaar, toch zoekt men het meest het volk van zijn streek op. De aalmoezeniers zijn in het algemeen tevreden over de Belgen doch stellen toch hier en daar droevige veranderingen vast, het meest bij de meisjes die aan zichzelf overgelaten worden en voor wie de ouders niet zorgen. Ik verneem ook dat nogal wat Belgische soldaten zich in die zin lieten verleiden.

De meeste Belgen werken in het hout, aan de loskaaien of in de fabrieken. Zij verdienen veel geld. Sommigen tot 15 fr. per dag. Doch het leven is ook zeer duur, veel duurder dan wij het gewoon waren op het front en dan te lande en in de naburige departementen van Eure en Calvados. De grote reden daarvoor, zegt men, is de aanwezigheid van de Engelsen, die veel kopen en weinig op de prijs letten. In die omstandigheden zal een Normandiër al vragen wat hij kan krijgen. De melk werd in de meimaand verkocht voor 80 centimes per liter, de boter 11 fr., aardappelen 80 centimes per kilo en de groenten zeer duur, alles bijna 1/3 duurder dan elders. Gelukkig dat de meeste vluchtelingen hun uitkering hadden, anders weet ik niet hoe zij hadden kunnen overleven. De uitkering bedraagt 1,50 fr. per persoon boven de 16 jaar en 1 fr. voor de anderen.

Hier waren de broodkaarten reeds in gebruik. Een mens van 13 tot 60 jaar kreeg 300 gram per dag en indien hij lastige arbeid deed 400 gram. De personen boven de 60 jaar en de kinderen beneden de 13 jaar kregen slechts 200 gram. De kleine kinderen 100 gram. De vluchtelingen die daar maar voor korte tijd waren, kregen ook maar 200 gram. En zo hebben wij daar met 4 volwassenen menage gehouden met 800 gram per dag. Ja, het was de eerste maal in ons leven dat wij te kort hadden aan brood maar het was een ferm tekort. Slechts ’s ochtends aten wij onze goesting aan boterhammen en bij de overige maaltijden een sneetje.

De betrekkingen tussen de Belgische aalmoezeniers en de Franse priesters waren tamelijk goed. Maar deze laatsten wilden gekend zijn. Men moest tonen dat men hen nodig had en hun de eer laten van het werk en dan was het nogal gemakkelijk om zich met hen te verstaan. Toch was het moeilijk voor één zaak: voor de communie buiten de mis. Zij deden verschrikkelijk laatdunkend over de Belgen die dat durfden te doen en vielen hen aan in sermoenen en godsdienstige bladen. Zoals kanunnik Jouen, leraar in het seminarie, tegenover wie kanunnik Le Picard, ook leraar, de Belgische manier verdedigde. Sommige aalmoezeniers werden lelijk tegengewerkt. Ik heb zo verscheidene feiten horen vertellen over Franse pastoors aangaande de H. Communie. Een juffrouw die op zekere morgen in een dorp aankwam, ging er biechten en vroeg de communie voor de mis omdat zij dadelijk de trein moest nemen. Het werd geweigerd. Een dame ging naar een parochie op een uur dat de mis er gewoonlijk begon, met de bedoeling te communie te gaan. Zij vond de pastoor in de kerk maar die zei dat hij die morgen een uur later mis moest lezen in een andere kerk en dat zij bijgevolg niet kon communiceren. De dame sprak mooie woorden opdat de pastoor haar toch de communie zou uitreiken en zij zei: ‘Ik heb nu het offer gebracht drie kwartier ver en nuchter te komen om te communiceren en nu kan dat niet.’ Daarop antwoordde haar de eerwaarde: ‘Madame, gij kunt nu ofwel een tweede offer brengen door u van de communie te onthouden ofwel meegaan naar die andere parochie.’ Hoe jammer!

Men kan niet zeggen dat de priesters van het bisdom Rouen niet werken maar ze zijn niet georganiseerd. Ze hebben niet de goede manier van werken en ze schikken zich niet genoeg naar de behoeften van het volk. Nog liever geen communie en geen geestelijk leven dan dat zij hun oude gebruiken zouden laten varen. En daarbij altijd die heethoofdigheid dat het katholicisme van de Franse kerk veel meer waard is dan dat van andere landen. Mgr. Dubois is niet kwalijk maar in Frankrijk zijn de bisschoppen veel banger van hun priesters dan bij ons.

De vertegenwoordiger van de Belgische regering in Rouen was meneer Ramaekers, volksvertegenwoordiger uit Hasselt. Hij was een zeer verdienstelijk man, werkzaam, goed katholiek en welsprekend. Hij was ook algemeen toezichter van de schoolkolonies en werkte er veel voor. Maar in al zijn werk wilde hij het eerste woord hebben, zelfs in de gevallen dat het hem niet toekwam. En wie hem in de weg stond, was zijn vriend niet. Zijn zoon, E.H. Lucien, was professor in de normaalschool. Er waren in Rouen sedert 1 jaar 2 normaalscholen, 1 voor jongens en 1 voor meisjes, die daar gesticht waren door de staat. Er waren geestelijke en wereldlijke leraars. Het was een grote gunst er aanvaard te worden. Het aantal aanvragen was immers groter dan het aantal plaatsen.

Tweemaal hebben wij samen een wandeling gedaan naar de schoolkolonie van Saint-Paër, in het kasteel Les Vieux op 14 km ten westen van Rouen, waar E.H. Van Themsche, gewezen onderpastoor van Voormezele, onze goede vriend en buurman, aalmoezenier was. De wandeling in de lieve meizon was waarlijk prachtig. Het was een effen weg op een heuvelketen, tussen lieflijke boomgaarden in volle lentebloei. De huizen en de hoeven waren waarlijk romantisch. Het is te zeggen: het waren gebouwen die uit vele staken bestonden, regelmatig aan elkaar getimmerd met daartussen latten en plakwerk, meestal met een verdieping. (Lijntekening: zie illustra-tie p. 574) Wij gaan langs Barentin, een nijverheidsstadje van 5000 inwoners, waaronder meer dan 300 Belgische vluchtelingen en waar 2 Belgische kloosters zijn. Bijna de helft van de huizen hoort toe aan dezelfde fabrikant die ze enkel verhuurt aan zijn werkvolk en dat alleen maar aan families van wie ongeveer iedereen voor hem kan werken.

Wij hebben de schoolkolonie bezocht en waren er zeer tevreden over. Er waren daar 140 meisjes, waarvan meer dan 30 uit Dikkebus. Wat waren ze content hun gewezen onderpastoor te zien! De kinderen zagen er gezond en netjes uit, ze waren zeer gemanierd en zagen er waarlijk tevreden uit. De kolonie werd bestuurd door de zusters van Houthulst en men zag dat de zusters hun werk goed deden.

Wij hebben ook de schoolkolonie van Malaise bezocht, bediend door de zusters van Westrozebeke en waar E.H. Arsène Meuleman aalmoezenier was. Ook een goede kolonie.

Dan gingen wij naar de kolonie van Campeaux, bediend door de zusters Paulienen van Poperinge en waar pater Degryse, scheutist, aalmoezenier was. Deze kolonie liet veel te wensen over.

Naar wij vernamen had de kolonie van Saint-Paër tot nu toe weinig gekost aan de Belgische regering. Men had ongeveer kunnen leven met de allocatie en de geschenken van liefdadige personen en inrichtingen. Men ontving talrijke geschenken uit Engeland en Amerika.

image

Zo konden wij aangenaam onze tijd doorbrengen in Rouen. Wij leerden de stad en de omgeving kennen en de gebruiken en de handelwijze van het Franse volk en van de vluchtelingen. Ondertussen was meneer Duquesnoy, pastoor van Reningelst, als mislezer naar Saint-Pierre-de-Varengeville gegaan. Meneer Delameilleure, pastoor van Wulvergem, was zwakzinnig geworden in Rouen en werd in een gesticht opgesloten.

Meneer Dermaut en ik zochten verder naar een benoeming. Daarom deden wij samen een reis naar Yvetot, 8 uur ten noorden van Rouen, om er meneer Albrechts te gaan spreken, die bestuurder van de schoolkolonies was. De heer nam nota van onze vraag doch kon ons niets beloven. In de schoolkolonie van Yvetot, waar we goed onthaald werden, vonden wij meester Astaes en meester Abel Nollet, mijn parochiaan. Ook die kolonie werkte goed, maar het was een soort duiventil, waar alle nieuw aangekomenen passeerden en er bleven tot men beslist had naar welke kolonie zij zouden gaan.

Yvetot was een lief stadje van 7000 inwoners met een zeer christelijke bevolking. Iedere avond in het avondgebed was de helft van de kerk vol. Dat is een geestelijke oefening die hier in veel Franse parochies bestaat. RondYvetot is de grond veel vruchtbaarder dan rond Rouen. Waar de grond bergachtig is, is hij doorgaans weinig vruchtbaar. Boven op de heuvels is het ook redelijk maar de hellingen zijn onvruchtbaar. De ondergrond is helemaal rotsachtig: steen en arduin.

Rond Rouen vindt men veel bossen en nogal wat wilde dieren. De vossen zijn talrijk en het deugt er niet om kippen en ander pluimvee te houden. De wilde zwijnen zijn er ook niet zeldzaam en ze verrichten veel schade aan de aardappelvelden. Het gebeurt zelfs dat men wolven tegenkomt.

In geheel de Seine Inférieure vindt men veel appelaars, nagenoeg allemaal ciderappelaars. Het fruit is zuur van smaak en dient om cider te maken, de drank van de streek. Er is een groot verschil tussen de soorten cider. De cidre bouché, zuiver appelsap in flessen, is een lekkere drank en wordt door iedereen gegeerd. De gewone cider, appelsap met water, verschilt daar erg van. Nochtans verkies ik ons Belgische bier. Met de spiritus van de cider maakt men een korte drank, calvados genoemd, die zeer sterk is en waaraan de Normandiërs dikwijls zeer verslaafd zijn. Iedere boer maakt zelf zijn cider en calvados.

Tijdens mijn verblijf in Rouen ben ik ook naar Le Havre geweest om er de hoofdaalmoezenier kanunnik Kempeneer te spreken. Ik heb de vruchtbaarheid van de streek tussen Yvetot en Le Havre bewonderd: niet veel weiden maar prachtige velden, effen en plat en doorgaans goed bebouwd. De koeien staan aan staken gebonden in de klaverstukken. Ik werd er goed onthaald door kanunnik Kempeneer, die mij voorstelde aalmoezenier van de vluchtelingen te worden in de Eure of in Calvados. In een hotel betaalde ik 7 fr. voor mijn logies. ’s Anderendaags deed ik een wandeling langs de zee, die ik al 5 jaar niet meer gezien had. Die was zeer onstuimig en daags voordien waren daar nog 2 juffrouwen verdronken. Ook ging ik in Sainte-Adresse een wandeling maken langs de verscheidene ministeries. Deze bevonden zich gedeeltelijk in hotels en gedeeltelijk in barakken. Ik kon moeilijk geloven dat daar de zetel was van onze regering. In Le Havre zag ik veel Belgische soldaten en officieren en nooit ben ik op het front zoveel gedecoreerde officieren tegengekomen als hier. Men zou waarlijk denken dat het hier is dat er gevochten wordt. In deze stad is er veel bedrijvigheid doch zeer mooi is zij niet.

Nooit toen wij ergens te voet naartoe gingen, is ons naar een vrijgeleide gevraagd geweest. Doch toen wij met de trein uitgingen, konden wij het niet missen en moesten wij het tonen bij het in- en uitstappen. Wij moesten het halen naar het Franse hoofdkwartier en daar was men zeer kieskeurig om het te geven.

Nu kregen wij bericht van de bisschop van Evreux dat hij ons persoonlijk wenste te spreken en op 20 mei trokken wij er ’s morgens met de trein van 4 uur naartoe. Wij reden eerst langs de Seine, waar het uitzicht prachtig was, dan werd de streek vlakker en vruchtbaarder. Wij wachtten een uur in Serquigny, een groot kruisstation, waar wij tevergeefs een fatsoenlijke herberg zochten maar slechts twee vuile, slordige kotjes vonden. Hoe is het mogelijk! Nu weer langs een kronkelende rivier met talrijke watermolens en om 10.30 uur kwamen wij in Evreux aan. In de hoofdkerk had net de begrafenis plaats van de deken van het kapittel. Wij wisten dus al van een plaats die open was en benoemden elkaar tot opvolgers. In de sacristie werden wij ontvangen door de twee vicarissen, die uiterst vriendelijk voor ons waren. Zij vroegen ons het een en het ander en zeiden dat zij hoopten meneer Dermaut te kunnen benoemen in Saint-Sébastien, waar de pastoor soldaat was. Daar zou hij een huis vinden dat helemaal in orde en vrij was. Mij zouden ze kunnen benoemen in Rougemontiers niet ver van Bourgtheroulde langs de Seine. Daar was geen pastoor en men zou trachten wat meubels te vinden. Ik antwoordde dat ik mij nog niet kon verbinden. Zij zouden in de eerste dagen trachten alles te schikken en mij dan bericht sturen.

Wij waren zeer tevreden over ons onthaal, gingen smakelijk eten, deden een wandeling in dat stille lieflijke stadje en namen dan de trein naar Lisieux om een keer te vernemen wat meneer Mostaert wist over posten en bedieningen. Het was stikheet en wij bewonderden nogmaals de mooie streken waar wij doorreden. In Lisieux werden wij onthaald met een verschrikkelijke dondervlaag zoals ik maar zelden in mijn leven gezien heb.

Lisieux is nu misschien wel de meest Vlaamse stad van geheel Frankrijk. Het is drie en een half jaar geleden dat meneer Mostaert, onderpastoor van Staden, er aankwam en vond dat er daar werk was en een mooi bestaan voor onze Belgen. Hij had afgesproken met fabrikanten en werkgevers en dadelijk ging hij aan het werk om zijn parochianen en veel ongelukkigen die nu in de Midi of in Bretagne zaten, waar zij niets verdienden, hiernaartoe te trekken. De Belgen kwamen er toegestroomd en vonden er een mooi bestaan. Hij zorgde zo voor hun stoffelijk geluk maar nog meer voor hun geestelijk welzijn en voortdurend was hij bezig om voor hen te werken. Eerst had hij 3 departementen bediend: Eure, Orne en Calvados, vervolgens Calvados alleen en daar het aantal Belgen voortdurend toenam, had hij zich verplicht gezien verscheidene priesters aan te nemen als zijn helpers. In de Calvados is de laatste weken het aantal Belgische vluchtelingen verdubbeld. De enen werden aangetrokken door de anderen: de werklieden weten dat men er mooi geld kan verdienen, de boeren gaan ernaartoe omdat het een vruchtbare streek is en omdat zij hopen er misschien een hoeve te kunnen pachten. Nog anderen gaan ernaartoe omdat het niet al te ver is en omdat zij zeker zijn er nog veel Belgen te zullen vinden en zo de tegenheden van de ballingschap minder te voelen. Bijna allen trekken eerst naar Lisieux en vandaar gaan zij op zoek om, hetzij daar hetzij in het omliggende, werk en woning te vinden. Er zijn dagen geweest dat er in Lisieux 400 Belgen aankwamen en 30 wagens. Ook in Lisieux is het al Vlaams wat wij horen en wij komen voortdurend kennissen tegen, mensen van Dikkebus, Reningelst en omliggende. Wij begeven ons naar het huis van meneer Mostaert. Hij stelt mij voor een pastorie te zoeken in de omgeving van Cagny, op 9 km van Caen. Ofwel in Giberville, Démouville, Frénouville de dienst te doen voor de Fransen van die parochie en mij tezelfdertijd de Belgen aan te trekken uit de omgeving.

Terwijl wij in Lisieux zijn, maken wij er gebruik van om onze goede vrienden Hector Dalle en Cyriel Lamerant te bezoeken, die gevlucht zijn in Prêtreville en Auquainville op 2 uren ten zuiden van Lisieux. Wat waren die brave mensen, met wie ik in de oorlog zoveel uren en dagen gesleten heb, tevreden mij te zien! Niettegenstaande al hun droevige ervaringen waren zij tevreden en achtten zij zich gelukkig dat zij, zo niet hun goederen, dan toch hun leven behouden hadden.

Op Sinksendag, om 9.30 uur, stapten wij uit in het station van Cagny en vroegen de weg naar de familie Vervisch. Wij zagen dadelijk dat wij daar welkom waren. Het was waarlijk de Vlaamse gastvrijheid en hun voldoening steeg ten top toen ik hun zei dat ik hier kwam voor de Belgen. O, dat was goed! Zij zouden helpen zoeken naar een bediening. Wij middagmaalden er met nog verscheidene andere Belgen, waaronder de veeartsen Caenepeel en Camerlynck, en het was er Vlaamse leute. Wat deed het deugd! In de namiddag reed ik naar Giberville en Démouville. Ik vond de zusters van Voormezele in de pastorie van Giberville. Zij zouden een Belgische school kopen in Démouville. Daar kon ik geen priesterlijk werk verrichten omdat de pastoor van Démouville, alhoewel hij soldaat was, toch de zondagsdienst deed en weldra voorgoed naar huis zou komen.

’s Anderendaags ’s ochtends reden wij naar Soliers. Ik ging er aanbellen bij E.H. pastoor, die sedert 3 jaar dienstdoende was in Frénouville. Hij had nu 7 parochies te bedienen en gaarne zou hij mij Frénouville afstaan. De grote kwestie was nu een huis te vinden: de pastorie was daar verhuurd en de dame die erin woonde, zou mij een deel ervan afstaan maar ’s anderendaags veranderde zij van mening. De familie Vervisch zei dat ik mij daar niet om moest bekommeren, zij zouden zorgen voor een huis.

Wij vertrokken ’s avonds naar Caen, waar wij overnachtten bij de familie Camerlynck. Bij hen werden wij zeer goed ontvangen en wij waren gelukkig samen wat te kunnen praten over onze oude streek, vrienden en kennissen. ’s Middags stapten wij op de trein en om 20.30 uur waren wij in Rouen.

Mijn besluit was genomen. Ik zou dus naar Frénouville gaan en Rougemontiers laten varen omdat ik meer goed kon doen voor de Belgen in de streek van Frénouville dan in die van Rougemontiers. Meneer Mostaert zou meteen de bisschop van Beaune inlichten over mijn overeenkomst met de pastoor van Soliers en zijn toestemming vragen. Intussen zou ik in Rouen mijn pakken gereedmaken en binnenkort voorgoed naar de Calvados komen.

Tijdens ons verblijf in Rouen was de oorlogstoestand nog verslechterd. In het noorden was de vijand nog maar weinig vooruitgekomen doch het was slechter in de Oise en de Aisne. Het was met tegenzin dat wij de kranten lazen: het was allemaal slecht nieuws. Nochtans moest ik vaststellen dat het Franse volk de moed niet verloren had. Zij stelden hun hoop op de komst van de Amerikanen. In de verte hoorden wij soms het kanongeschut en het volk van Rouen stelde met schrik vast dat zij het van langsom beter hoorden. Iedere nacht vreesden wij de komst van de Duitse vliegtuigen, die de stad en de haven zouden bombarderen en nochtans, hoewel sommige plaatsen op enkele uren daarvandaan gebombardeerd werden, bleef Rouen met rust gelaten. Dat zou pas gebeuren na mijn vertrek uit Rouen.

Ik kreeg weldra bericht van meneer Mostaert. Hij vroeg me niet lang te wachten om naar Frénouville te gaan. Ik besloot nochtans te wachten tot meneer Dermaut naar Saint-Sébastien geroepen zou worden om samen een deel van de reis te doen. Doch de brief voor meneer Dermaut bleef uit en daarom besloot ik alleen op te trekken.

We maakten onze pakken klaar, dankten van harte de aalmoezeniers van Rouen voor hun gastvrijheid, zegden vaarwel aan meneer Dermaut en Eudolie en trokken op maandag 27 mei naar de trein van 5 uur. Ik herinner mij hoe wij op onze weg naar het station in de verte voortdurend het kanongerommel hoorden. Nog nooit had ik het daar zo geweldig gehoord. Geen twijfel aan: de nieuwe Duitse aanval, die wij sedert verscheidene dagen verwachtten, was begonnen. Weldra verlieten wij voorgoed de Seine-Inférieure en om 8.30 uur kwamen wij aan in het station van Lisieux. We droegen dadelijk onze pakken naar de woning van mijn vriend Hector Wullepit uit Langemark, die daar tijdelijk gevlucht was in afwachting dat hij een bediening zou krijgen in een kaasmakerij in Livarot.

Ik ging dan meteen meneer Mostaert vinden om hem te spreken over mijn nieuwe bediening, doch hij was voor een paar dagen afwezig. Daarom besloten wij intussen een bezoek te brengen aan onze vriend Hector Dalle in Auquainville. Ik trok er dus met mijn zuster naartoe. Wat was die goede familie Dalle blij ons te zien en de familie Hubaux niet minder. Wij vergaten voor een tijdje onze ballingschap en meenden dat wij weer rond ‘den Vlaamsen heerd’ zaten en het was bijna middernacht toen wij ons laatste pijpje uitklopten. ’s Anderendaags deed ik mis in Fervaques en ging koffie drinken bij Henri Vandecasteele, een brave Dikkebusse landbouwer. Ik ging er ook eens de Belgische school bezoeken, die jammer genoeg geleid werd door Vlaams-onkundige zusters. Nog een bezoek aan Cyriel Lamerant, waar het kleine Jeanneke, mijn dopeling in zijn vaders schuur, erg ziek was. Morgen zouden die brave mensen een dokter op bezoek krijgen maar Onze-Lieve-Heer heeft het kind behandeld en goed genezen. Cyriel bracht ons met zijn koets weer naar Lisieux.

Nu vond ik meneer Mostaert thuis. Hij had pas een brief ontvangen van monseigneur van Bayeux, die mij jurisdictie gaf voor alle Belgen van de Calvados doch aangaande de parochie van Frénouville zei hij dat er een misverstand was tussen mij en de pastoor van Soliers. Daarom legde hij mij op die heer eerst te gaan spreken.

Wij logeerden in het gasthuis La Providence, waar wij zeer goed ontvangen werden, en op woensdagochtend namen wij de trein naar Cagny. Door de familie Vervisch werden wij met open armen ontvangen. Zij hadden reeds een huisje voor ons gehuurd en zouden het bemeubelen. Daar zou ik mijn intrek nemen in afwachting dat zij een groter en fatsoenlijker huis zouden vinden.

Nog dezelfde ochtend trok ik naar de pastorie van Soliers. Daar vertelde meneer pastoor me dat hij mij de parochie van Frénouville niet kon afstaan omdat monseigneur niet wilde dat er in Frénouville een pastoor benoemd werd: Frénouville gaf nog geen 100 fr. per jaar voor de ‘denier du culte’ en om die reden verdiende het geen pastoor. Wat nu gedaan? Ik had eerlijk gezegd weinig op met de Fransen van Frénouville maar ik wilde graag dienst doen voor de Belgen van daar en het omliggende en daarom vroeg ik de heer pastoor om zijn kerk te mogen gebruiken voor de Belgen. Hij wilde me liever het kerkje van Le Poirier, gelegen aan het station en even dicht bij Cagny, laten gebruiken. Wat ik meteen aanvaard heb. Daar zou ik helemaal meester zijn en al mijn diensten mogen schikken naar beliefte. Het was al wat ik begeerde. Die schikkingen werden zeer goed onthaald door de familie Vervisch en ze werden goedgekeurd door hoofdaalmoezenier kanunnik Kempeneer en door Mgr. Lemonnier, bisschop van Bayeux.

Nog dezelfde avond trokken wij naar Lisieux en ’s anderendaags waren wij met onze pakken voorgoed in Cagny. Het was 30 mei 1918. Wij vernamen die week dat de nieuwe aanval van de Duitsers gedeeltelijk geslaagd was en dat de Fransen de beroemde Chemin des Dames hadden moeten verlaten. Hoe jammer! Elke dag verminderde onze hoop.

De dag na mijn vertrek uit Rouen had meneer Dermaut een brief ontvangen van monseigneur van Rouen en hij vertrok dadelijk naar Saint-Sébastien.

Mijn bezoek aan België

Bij de beroemde aanval van het Engels-Belgische leger in Vlaanderen op 28 september onder het opperbevel van koning Albert, hadden de Duitsers zich op de hele lijn van Armentières naar Diksmuide op een diepte van gemiddeld 15 kilometer moeten terugtrekken en zo was Dikkebus bomvrij geworden. Op 14 oktober hernieuwden zij hun aanval met de hulp van de Fransen en op 17 oktober om 8 uur kwamen de eerste Franse troepen aan in Pittem, mijn geboortedorp. Hoe waren wij tijdens die angstvolle dagen bekommerd om onze geliefden. Wij vreesden dat zij hadden moeten vluchten en God weet waar zij nu misschien ronddoolden. Hoe waren wij verheugd toen wij op 24 oktober het blijde nieuws ontvingen dat zij gaaf en gezond thuis hadden kunnen blijven. Zij waren weliswaar ferm bestolen, hadden veel angst en kommer geleden, maar nu waren zij toch van de barbaren verlost. Vader en moeder waren dus nog in leven! Hoe dikwijls hadden wij gevreesd ze nooit meer weer te zien. Vader was weliswaar sedert Lichtmis 1917 halflam door een beroerte, doch gezond van hart en geest.

Op 19 oktober om 23 uur klopte Jozef aan de deur. Het was het eerste blijde weerzien, het was 4 jaar en 5 dagen geleden dat zij hem het afscheidskruisje gegeven hadden. Hij kwam van de culture van Lampernisse en had de hele weg te voet afgelegd. ’s Anderdaags ’s avonds kregen zij bericht dat Remi met zijn compagnie door Wingene gepasseerd was. Hij was dus ook gespaard gebleven in de laatste gevechten en inderdaad op maandag 21 oktober was hij ook reeds bij vader en moeder. De broers konden slechts enige uren blijven, doch deze korte stonden waren dubbel zoet. Eindelijk op 4 november kreeg Modest de nodige papieren en kwam ook hij naar huis en hij zou thuis blijven. Wat een blijde verandering voor ouders en zuster!

Hoe vurig verlangden wij ernaar om ook eens onze geliefden te mogen zien! Nochtans zouden wij wachten tot de omstandigheden geschikter waren. Het was op 11 november dat de wapenstilstand getekend werd. Dezelfde week doen reeds verscheidene Belgen hun aanvragen aan generaal Orth, Chef de la Mission Belge attachée au G.Q.G.B. (Grand Quartier Général Belge), om eens naar België te mogen gaan kijken. Bijna allen die ernstige redenen aangeven, krijgen na enige dagen de nodige toelating. Weldra zijn er ook vluchtelingen die vragen om voorgoed te mogen terugkeren. Deze moeten zich wenden tot het Bureau de Repatriement Belge, Rue d’Amsterdam, 76 bis Paris. Enigen van de streek van Poperinge krijgen de toelating. Anderen krijgen een vragenlijst, die zij vol goede hoop invullen. Zij wanen zich reeds op weg naar huis. Doch 14 dagen later krijgen zij nog zulk een lijst. En riskeren zij het dan te protesteren, dan krijgen zij een derde en zelfs een vierde. Zo gaat het in dat Bureau ‘de Retardement’.

In het begin van december doe ik mijn aanvraag aan generaal Orth om een vrijgeleide voor mij en mijn zuster naar Pittem en Dikkebus en geef als redenen op vaders erge ziekte en ook parochiezaken. 11 dagen later krijgen wij de gewenste papieren, vroeger dan wij verwacht hadden. Onze ouders vertelden ons nadien dat een gendarme naar vaders toestand was komen informeren. Toch zou ik pas vertrekken op het einde van de maand, daar ik nog te veel werk had. Nog andere mensen deden de aanvraag en ik bezorgde hun papieren uit de Rue de Berry 20 Parijs, Bureau de la Sûreté Militaire Belge attachée à la Légation de Belgique.

Wij vertrokken uit het station van Cagny op maandag 30 december met de trein van 6 uur. Wij waren met 8 Belgen. Van 5 waren de papieren in orde. De anderen hadden enkel een vrijgeleide getekend door de burgemeester van Cagny en dat was onvoldoende voor de reis naar België. Zij zouden het riskeren. Onze reis ging zonder haperen tot Parijs, waar wij aankwamen om 13 uur. Het was slecht weer en de landstreek waardoor wij reisden was die droeve winterdag weinig aantrekkelijk. Wij reisden door de grasstreek van Lisieux, dan verder door de magere vlakten van de Eure en door de groentevelden en de omstreken van Parijs. In Saint-Sébastien kwam meneer Dermaut, die van onze reis op de hoogte was gebracht, ons groeten. Hij reisde mee tot aan Evreux en vertelde vlug het meeste nieuws.

In Parijs reisden wij met de metropolitain. Het was de eerste maal dat mijn gezellen van zulk vervoer gebruikmaakten en zij waren in het geheel niet op hun gemak. Na een korte wandeling in de regen en een goed pintje bier trokken wij naar het Noordstation om onze reiskaart te nemen. Het was nu de kwestie of mijn gezellen zonder papieren zouden doorgelaten worden. Ik vond het loket waar men de kaarten gaf voor Calais-Dunkerque en ik zou eerst zelf proberen om een coupon te krijgen zonder mijn papieren te tonen. Maar niets aan te doen, ik moest mijn vrijgeleide tonen en de juffrouw maakte nog de opmerking dat het niet in orde was omdat ik het eerst had moeten laten reviseren door het militaire bureau dat in het station was. Dat was slecht nieuws voor mijn gezellen en zij zeiden: ‘Nu geraken wij alleszins niet door.’ Wij trokken dus allen samen naar het bureau. Het goede vrijgeleide werd zonder nader onderzoek gestempeld, doch de andere 3 gezellen werden beleefd verwezen naar de Rue d’Amsterdam. Zij waren er zeker van geen vrijgeleide te zullen krijgen. Wat nu gedaan? Wij stonden nog wat rond te draaien en ik ging dan nog eens kijken naar het loket en merkte dat er nog 2 andere loketten waren waar men reiskaarten afleverde voor Calais. Ik begon die te bespieden en merkte dat de juffrouw die een ervan bediende, weinig acht sloeg op de papieren. Ik besloot het hier eens te proberen en kreeg een kaart zonder mijn vrijgeleide te tonen. Ik vertelde het meteen aan mijn gezellen en na 5 minuten waren allen geriefd. Nu trokken wij naar onze trein. Maar voor het poortje stond daar een lelijke gendarme die iedereen aansprak.

Hoe zou het hier gaan? ‘Vous avez votre sauf-conduit?’ vroeg hij mij. ‘Oui, monsieur.’ ‘Et vous? Et vous? Er vous?’ vroeg hij aan de anderen. Ik antwoordde hem voor de anderen. ‘Nous sommes tous des réfugiés qui retournons en Belgique.’ Het was in orde. Drie lange treinen stonden gereed voor Calais en ze zaten bijna vol, toch vonden wij een compartiment waar wij alleen konden zitten. Het was 21 uur toen de trein vertrok en nu maar een pijpje gestopt op de goede afloop. Ik heb maar een half uurtje geslapen. Wij reisden de hele nacht langs Creil, Beauvais, Amiens, Montreuil, Boulogne en om 8 uur kwamen wij in Calais aan, waar wij van trein veranderden. Nu zaten wij geperst als haringen in een ton. Om 9.30 uur waren wij in Dunkerque en nu moesten wij in Duitse wagons 4de klas met gebroken ruiten en om 11 uur waren wij op vaderlandse grond en kwamen wij aan in Adinkerke. Wij hadden geprofiteerd met een reiskaart van Dunkerque naar Adinkerke. Het Franse bestuur van de spoorwegen heeft hier groot vertrouwen in zijn reizigers, want nooit komt een controleur u storen. De Belgen hebben het gauw door en er zijn er die de kunst kennen om kosteloos te reizen.

Nu komen de douaniers op en wij staan daar met veel nieuwe kleren. ‘Niets aan te geven?’ ‘Wij zijn vluchtelingen die naar huis terugkeren en wij hebben nieuwe kleren gekocht.’ ‘Ga naar de bureau!’ Mijn zuster trok ernaartoe en betaalde een kleinigheid. Maar het ging er nu van: ‘Hebt gij uw reiskaart, niemand mag reizen zonder kaart.’ Ik ging kaarten halen en na een uur kreeg elk er een. Een man die de kaarten nog stuk per stuk moest schrijven, was alleen om een paar honderd mensen te bedienen. Niet de minste organisatie!

Om 13.30 uur vertrok de trein en nu zouden wij door het vermaarde IJzerfront reizen. In Adinkerke en Veurne reeds veel stukgeschoten huizen, veel soldatenkampen en magazijnen. Ja, men was er volop in de oorlogsstreek. Ook waren er enige soldatenkerkhoven. We kwamen in Avekapelle, ten minste de helft van de woningen lag er in puin. Nu nog verder, en nu nergens nog hofsteden die niet beschoten waren. Zij stonden daar midden in de verlaten velden eenzaam en treurig, half ingestort, half rechtop doch met bloedige gaten in hun witte muren en met gapende daken en rondom te allen kant akelige kuilen. En toch zag men hier en daar reeds leven. De teruggekeerde boer had een hoek grond droog gemaakt en reeds de ploeg in zijn effenste land gezet. Wij naderden Oostkerke en het werd nu volop wildernis. Wij zagen de oude kanonnenstellingen, de afsluitingen in nettendraad om het uitzicht af te schermen, de kleine tramlijnen, de houten wegen en stapweggetjes, de verschansingen in prikkeldraad en daartussen afgeschoten bomen en van langsom talrijker obusputten tussen lis en riet. En nu de reserveloopgraven en nog meer verwoestingen… de tweede en eerste lijn met hun versterkte bunkers… de voorposten… De IJzer, de heilige stroom! Ja, men is ervan aangedaan als men die wereldvermaarde stroom overgaat waar ons volk zich aan vastklampte als aan een laatste redplank en overwon; die stroom, getuige van zoveel heldenmoed en die het bloed gedronken had van zovelen van onze dapperen.

Wij waren nu traag over een voorlopige brug over de IJzer gereden en wij waren in Diksmuide. De grond was er nog erger doorschoten dan elders. Bestaat er wel een middel om de eigendommen terug te vinden? Het was hier dat de Franse fusiliers marins zo dapper vochten in ’14, hier dat er zoveel Belgen weggemaaid werden door de mitrailleurs van de Bloemmolen telkens als zij een aanval durfden te wagen. Van het stadje blijven er nog wat puinresten over. Ik zie nog een grote muur van het recollettenklooster en de kerk, ook een deel van een muur van de parochiekerk. Aan het station staat een villa die misschien hersteld zal kunnen worden. Waarlijk mooi puin, het bezien waard.

Voorbij Diksmuide begon de verwoesting wat te verminderen. Wij reisden langs Esen, waar misschien nog huizen hersteld zullen kunnen worden. De kerk stond akelig doorschoten. Zarren was beter, hier zouden verscheidene huizen hersteld kunnen worden. Wij vernamen dat er reeds burgers wonen. Om 4 uur kwamen wij aan in Kortemark.

Daar stapten wij uit de trein, die verder reed naar Brugge, en wij zouden er moeten wachten tot 8.30 uur om er de trein te nemen van de Franse verlofgangers, die vanuit Adinkerke langs Krombeke en Boezinge kwam en naar Deinze reed. Wij gingen binnen in een herberg aan het station en dronken er een pint slecht bier. Ik vernam dat E.H. pastoor en Goethals reeds thuis waren en ik ging ze bezoeken en we vertelden van weerskanten onze belevenissen. In Kortemark kan maar 1/3 van de huizen nog hersteld worden.

In de herberg teruggekeerd vond ik er mijn broer Jozef, die ook naar moeders ging nieuwjaren. Hoe blij waren wij hem te zien! Eindelijk kwam de trein aan. Traag, traag, na herhaalde malen te hebben stilgestaan, kroop hij naar Pittem. Het was er pikdonker en we bibberden van de kou. Het was 23 uur toen wij uitstapten, ons hart klopte geweldiger toen wij het ouderlijke huis naderden. 10 minuten later waren wij bij vader en moeder, en wensten hun een zalig nieuwjaar.

Onze reis naar Dikkebus

Op zaterdag 11 januari gingen mijn zuster en ik naar onze verwoeste parochie kijken. Wij namen de trein van de Franse verlofgangers, die om 7.30 uur in het station van Pittem stilhield. Wij namen er een briefje tot Lichtervelde (gewone kaarten had men niet). Lichtervelde was tamelijk gebombardeerd rond het station, doch veel minder dan men ons tijdens de bezetting verteld had.

In Kortemark stapten wij over op de lijn van Ieper. Eerst zagen wij Sint-Jozef (de Geite). Veel huizen zullen er nog hersteld kunnen worden. Wij zagen van ver de toren van Hooglede. Hier en daar waren reeds gronden bewerkt. Dichter bij Staden, nergens nog beboerd land. Van langsom meer verwoesting. In Staden stond nog het geraamte van de kerk, doch er zijn weinig huizen die nog hersteld zullen kunnen worden. En toch waren er al burgers die het puin bewoonden. Langs de spoorweg, vooral aan het station, buitengewoon sterke bunkers door de Duitsers gebouwd in gewapend beton en met veel hout erboven. Mijn jongste broer Remi was ook mee met ons, op doorreis naar Vinkem. Hij was een paar dagen voordien in verlof gekomen voor 26 dagen. Reeds 3 maanden waren er geen kleren meer uitgedeeld en, wilde hij deftig voor de dag komen, dan moest hij een nieuwe broek gaan halen, die hij in Vinkem in rijkere dagen weggelegd had. Nu was hij uit Duitsland gekomen en was hij blij de streek weer te zien waar hij zo lang gevochten had. ‘Wat een verschil,’ zei hij, ‘3 maanden geleden in de razernij van het gevecht, in het gedonder van het kanon, een hel van rook en vuur, in voortdurende hinderlagen en doodsgevaar, en nu heerst er een akelige stilte in deze woestijn van de dood, eenzaam en verlaten en uren breed.’ Hij kon bijna niet geloven hoe men daar op zijn gemak kon zijn en geen moordtuigen meer hoefde te vrezen. Hij had geholpen aan de inname van Kortemark. Zij hadden het dorp omsingeld, hij was langs de noordkant gegaan. Hij toonde ons de plaats waar de Duitse batterij tot op 15 meter schoot.

Nu Stadenberg: langs beide oevers van de spoorweg stond het vol bunkers. Van nu af aan was de grond zodanig door de beschietingen doorwoeld dat men noch hagen, noch beken, noch grachten meer kon ontwaren. Nu was er het station van Westrozebeke, nu Poelkapelle. Maar welk een streek! Wel 4 maal meer obusputten dan in het slechtste van Diksmuide. En nu, zo ver als onze ogen dragen konden, langs alle kanten hetzelfde eentonige akelige uitzicht: putten, putten vol water en hopen en bermen aarde, onregelmatig door elkaar, erger dan de duinen van de zee. Nergens nog gebouwen, zelfs nergens nog puin. Slechts hier en daar een afgeschoten boom als een stomme toeschouwer van die levenloze streek. Enkel langs het noorden wat meer verhakkelde staken, dat was wat er overbleef van het vermaarde bos van Houthulst. Ook te allen kant gebroken of achtergelaten oorlogstuig, geweren, kanonnen, wagens en zelfs veel tanks rond het station van Westrozebeke, verder tenten, loopplanken, doch hier waren nergens loopgraven te zien, zij waren alle stukgeschoten. Wij naderen Langemark en ten noorden van de spoorweg toont Remi ons de plaats waar zij zaten bij de Duitse aanval op 17 april 1918. Zij zaten op de hoogte en zagen de Duitsers in de laagte in dichte drommen op hen afkomen. De Belgische kanonnen, mitrailleurs en geweren vuurden verschrikkelijk. De mannen bleven op hun post en de vijand werd teruggeslagen.

Eindelijk stond de trein stil, het was het station van Langemark. Maar wie kon het geloven? Was hier het station, dan moest daarvoorbij de dorpplaats zijn. Niet het minste spoor meer ervan! Waarlijk, de grond was hier misschien wel 7 of 8 maal doorwoeld. Men zou veeleer geloven dat het altijd land of weide was geweest dan dat er hier 4 jaar geleden een mooi groot dorp stond. De dorpsplaats van Boezinge was al even onvindbaar. Mijn broer wees ons een grote bunker aan op een 150-tal meter van de spoorweg. ‘Dat zijn de overblijfsels van de kerktoren’, zei hij. ‘Het is alles wat er overblijft van Boezinge.’

Hier stapten wij uit. Het was 10.45 uur. Wij hadden in de trein wat gesmuld, want wij hadden nu een verre reis te doen. En nu door die woestijn te voet op weg naar Ieper. Een eenzame baan, nog geen enkele woning. Wij bemerkten aaneenhoudend de schuilplaatsen in de linkeroever van de Ieperlee. Enkele Engelse soldaten die op de kerkhoven werkten, waren de enige mensen die wij tegenkwamen. Ieper, hoe verschrikkelijk ook gesteld, vond ik er toch nog minder slecht aan toe dan ik verwacht had. Er was meer puin overgebleven dan ik verwacht had. Ik zag rond het station nog een paar huizen die zouden kunnen worden hersteld. Toch was het pijnlijk om aan te zien hoe die mooie monumenten daar nu vergruisd lagen. De Halletoren stond er nog tot op een hoogte van 25 meter. Ook nog enige stukken van de St.-Maartenskerk. Van St.-Pieterskerk was nog het meest overgebleven. Men zei dat er in Ieper reeds 2 huisgezinnen woonden langs de kant van het zothuis. Ik ontmoette er geen andere burgers dan 2 fietsers, geladen met fietsbanden, die zij uit Frankrijk gesmokkeld hadden. Zij schenen niet erg op hun gemak en vroegen mij de weg naar Kortrijk.

Van Ieper naar Dikkebus gingen wij samen met Julia en Flavie Opsomer, die ook de streek kwamen bekijken. Overal dezelfde wildernis. Op de dorpsplaats zag ik enkel 3 of 4 huizen die hersteld konden worden. De Chinezen waren bezig met de vensterkozijnen van het huis van Alouis Borry uit te breken om ze te verbranden. Zij hadden een groot kamp op en voor de weide van Remi Onraet. Het schijnt dat zij dan geen ander werk deden dan alles afbreken wat er nog recht stond om het dan in barbaarse leute in brand te steken. Van de kerk staken enkel nog 2 of 3 stukken uit, al het overige lag plat. Het kerkhof was de meest vernielde plaats van de gemeente. Ik zag maar 2 of 3 kruisen meer en dan nog langs de noordkant. Ik vernam dat er 3 huisgezinnen op Dikkebus terug waren. Jules Ooghe en Henri Saelen terug in oktober, Jules Maerten terug in december.

Van Dikkebus naar De Klijte. Hetzelfde droevige toneel. In de stal van de Tivoli vonden wij burgers thuis, het waren de eersten. Wij verwarmden er onze koffie en aten onze boterhammen op. Ik ging binnen in de pastorie van De Klijte, die zwaar beschoten was, maar toch nog herstelbaar. Wat overbleef van de meubels lag overal rondgesmeten, ongeveer alles was gebroken. Ik vond er 2 Chinezen die op de gebroken piano speelden.

Vandaar langs de Hoekjes naar Westouter. Aan de Scherpenberg zag ik in de gracht 2 dode paarden liggen met het harnas aan. Westouter, alhoewel ook zeer toegetakeld, was toch merkbaar beter dan Dikkebus en De Klijte. De kerk stond er te allen kant doorschoten, maar naar mijn oordeel was ze herstelbaar. Hetgeen waarin wij meest belang stelden, was het huis van madame Brigou, waar een deel van onze meubels en van de kerkmeubels ondergebracht waren. Daar het huis van madame Brigou gescheurd stond, durfden wij niet naar boven te gaan en konden toch raden dat al onze kerkornamenten op de zolder verrot lagen. Mijn boeken, linnen enz., hetzelfde. Onze kerkbeelden lagen gebroken in het puin van de pastorie. Beneden vonden wij nog onze kerselaren keukenkast. Wij vroegen een buurman om ze binnen te nemen en bij hem te plaatsen. De man beloofde het maar zei enige maanden later dat hij het niet had kunnen doen bij gebrek aan plaats. De kast was verdwenen en ik heb gegronde redenen om te denken dat zij door zijn huis gepasseerd is. Zo werden de verlaten huizen geplunderd door veel van de eerste frontbewoners en sommige van hen waren veel rijker aan gereedschap en meubels dan voor de oorlog.

In Westouter waren een 400 tot 500 inwoners, meest allen op de Brabant.

Vandaar gingen wij naar Reningelst. Enige bewoners waren reeds thuis. Ik ging de heren Six groeten, alsook E.H. pastoor en de kloosterzusters die juist thuisgekomen waren. Reningelst was nog beter dan Westouter en gedeeltelijk herstelbaar. Om 18 uur kwamen wij bij de weduwe Van Cayseele langs de Poperingse kasseiweg, waar wij uiterst welkom waren. Wij moesten na die lange reis niet in slaap gewiegd worden.

Op zondag las ik mis in Poperinge bij de zusters benedictinessen. Wij trokken met de tram naar Proven. Ik ging er de pastoor groeten en eens informeren naar de kerkmeubels, die er ten dele nog waren en ten dele verder waren gebracht.

Vandaar gingen wij naar de E.H. pastoor van Haringe. Mijn meubels waren daar nog. Het was het enige wat ik nog had.

In de namiddag gingen wij naar Krombeke de heer burgemeester troosten voor het verlies van zijn zoon Arthur, die gesneuveld was in de oorlog. We besloten daar de enige dagelijkse trein te nemen om 16.20 uur, die ons naar huis zou brengen. Helaas, aan het station gekomen, zagen wij hem voor onze neus vertrekken. Wat anders te doen dan nog een volle dag te wachten in Krombeke, spijtig omdat wij van plan waren geweest nog 3 dagen bij onze geliefde ouders door te brengen. Nu moesten wij ons tevredenstellen met 2 dagen. Nooit van mijn leven ben ik spijtiger geweest na het missen van de trein. Op maandag hebben wij de trein niet gemist en wij kwamen thuis om 11 uur. Wij reden langs Westvleteren, Elverdinge, Brielen, Boezinge.

Terugreis naar Cagny

Wij vertrokken uit Pittem, ik en mijn zuster. Mijn broer Remi, die uit het Rijnland met 14 dagen verlof naar huis was gekomen, zou eens over en weer mee gaan naar Parijs om enige dingen te kopen die in België nog niet te vinden waren, vooral fietsbanden. Ook een juffrouw uit Aarsele, Joséphine Dalle, die haar nonkel zou bezoeken in de Calvados. Ik was tevreden met hun gezelschap, vooral om beter tabak te kunnen smokkelen, een zeldzaam kruid in Frankrijk. Ik had er 10 kilo mee. Wij verborgen die overal waar wij maar konden. Het was 7 uur toen wij op de trein van de Franse verlofgangers stapten. Nogmaals de reis langs Boezinge, dan verder langs Westvleteren, Waaienburg, Leisele en Adinkerke. In Adinkerke moesten wij van trein veranderen. Die zat stampvol Belgische soldaten. Nu kwamen wij aan de grens. Wij waren niet op ons gemak met al onze tabak, en Joséphine Dalle, die zonder papieren reisde, nog veel minder. Aan het eerste Franse station waren de douaniers op ronde. Een kwam bij ons compartiment maar hij kreeg de deur niet open en niemand van ons die hem een handje toestak. De brave man gaf het weldra op en wij waren gered. Wij reden tot Calais. Daar moesten wij afstappen en de trein tot Parijs nemen in een ander station, een half uur daarvandaan. Wij hadden niet veel tijd en met onze zware pakken deden wij haastig een lastige wandeling. Wij waren blij toen wij weer op de trein zaten maar nogmaals: erger dan haringen in een ton. Het was rond 10.30 uur toen de trein vertrok. Meer dan de helft van de nacht moesten wij rechtstaan. Onderweg rond 1 uur kwam een Pittemnaar, soldaat Cyriel Van Canneyt, getrouwd in de Oise, in ons compartiment. Toen het klaar werd, zagen wij dat wij Parijs naderden. Wij stapten er uit rond 8.30 uur.

Ik ging mis lezen in een kerk nabij het Noordstation. Dan aten wij wat en wandelden enige uren rond in Parijs. Het heeft meer dan 3 uren geduurd voor wij een winkel van fietsbanden vonden.

Wij namen afscheid van Remi rond 16 uur. Hij keerde terug naar huis, waar hij ’s anderendaags ’s avonds aankwam en wij trokken naar Cagny, waar wij rond 22 uur aankwamen.

Mijn verblijf in de Calvados

De landstreken in de Calvados zijn zeer verschillend. Men onderscheidt er voornamelijk twee streken: de Pays d’Auge rond Lisieux, de oostkant van het departement, en de Plaine de Caen, rond Caen en verder naar Bayeux toe.

De Pays d’Auge is de grasstreek, zeer heuvelachtig met kronkelende, kleine rivieren. Men vindt er om zo te zeggen niets anders dan gras. Het is immers grond die zeer goed gras geeft en voor zaailand schier onmogelijk is daar hij zeer steenachtig is. Ik heb er onder andere in Prêtreville de hoeve bezocht waarop Joseph Hubaux van Moeskroen verbleef. Zij bestond uit 85 hectaren gras en een moestuin van ten hoogste 19 aren. De streek is er zeer schilderachtig. De valleien zijn uitermate vruchtbaar en de hellingen en de hoogvlakten gewoonlijk ook. Hier en daar is de grond toch wat kleiachtig en daar is hij minder vruchtbaar. Het gras is er zeer kloek en de dieren van onze streken kunnen er niet aan wennen. Ik heb een weide geweten waarin gevluchte koeien van het noorden van Frankrijk gestoken werden, en de ene na de andere ging teloor.

De Plaine de Caen bestaat integendeel bijna uitsluitend uit zaailand. Zij is effen, bijna zo effen als in Vlaanderen. Er zijn geen weiden genoeg voor de dieren die er gehouden worden en zo ziet men de dieren, paarden en koeien, aan piketpaaltjes gebonden staan op de klavervelden en tweemaal daags gaat met het piket verplaatsten. De Plaine de Caen is weinig vruchtbaar daar waar de scheiding begint met de Pays d’Auge, maar hoe dichter bij Caen hoe vruchtbaarder en ze wordt uitermate vruchtbaar tussen Caen en Bayeux en wat wonderlijk is, zelfs waar veel stenen in de grond zitten, is de grond nog vruchtbaar. De grond bestaat bijna helemaal uit stenen, zo behoudt hij moeilijk het water. Het mag een dag lang water gieten, ’s morgens kan men toch het land bewerken.

De eigenaardigheid van Normandië en vooral van de Calvados en nog het meest van de Pays d’Auge zijn de appelbomen. Sommige hoeven tellen er vele honderden. Zij staan meestal rond de hoeve, maar ook soms in verre weiden en in de Plaine de Caen rondom in de velden. Het is uit de appels dat de Normandiërs hun cider trekken. Zij schudden of slaan de appels af, laden ze op de kar en leggen ze manshoog in een hok. Als ze halfrot zijn werpen zij ze in de ciderpers (iedere hoeve heeft er een). Zij persen er al het sap uit, laten dat sap wat gisten en doen het dan pas in de ton. Er zijn uitermate grote tonnen, sommige van wel 1500 liter. Het gebeurt dat men het sap zuiver in de ton of in de flessen doet, dat is dan de cider van eerste klas. De cidre bouché, zuivere cider op flessen, is door iedereen gegeerd, een parelende drank en zeer lekker. Nochtans wordt de meeste cider gemengd met water, soms wel 2/3 water. In het begin is hij gewoonlijk ook nog tamelijk goed, doch na enige tijd wordt hij zuur en na meer dan een jaar is hij niet meer te drinken. Eens het sap uitgeperst wordt het moes weer in de bak gedaan, men giet er water op, doorroert het en laat het enige dagen staan en doet het weer in de persen. Zo bekomt men een tweede brouwte van cider. Na een nieuwe cideroogst gebruikt men de oude cider om eau-de-vie te maken. Iedere boer maakt zijn eau-de-vie zelf. Dat alles is natuurlijk onder toezicht van het landbestuur maar de boer mag er toch een zekere hoeveelheid voor eigen gebruik behouden.

In de Calvados zijn bijna alle dorpen klein, meer beneden de 350 inwoners dan erboven. In de Plaine de Caen zijn de huizen doorgaans gegroepeerd. In de Pays d’Auge zijn zij uitgezaaid. Rond Caen vindt men veel plompe torens. De kerk is niet zo groot doch nog merkelijk te groot. Veel torens en soms een deel van de kerk zijn begroeid met klimop. De huizen zijn gebouwd met veldsteen, die men overal overvloedig in de ondergrond vindt. Slechts hier en daar staat een woning in baksteen. Deze bestaan doorgaans uit verdiepingen. De verdiepingen zijn dikwijls totaal afgesneden van het gelijkvloers. Men klimt naar boven langs een stenen trap. Dikwijls worden beneden en boven bewoond door verschillende gezinnen. Doorgaans zijn er maar twee plaatsen voor een familie en bijna overal in de keuken vindt men een bed verborgen achter een gordijn. Het doet vreemd aan als gij daar ’s ochtends binnengaat en daar nog iemand in zijn bed ligt. De lucht is in de woningen doorgaans bedorven: te weinig vensters, te weinig verlucht en daarbij een overdaad aan meubelen. In de herenhuizen waar ik gelogeerd heb, heb ik me ook die opmerking moeten maken: veel te veel meubels, kasten, buffetten, canapés, kaders. In sommige kamers kan men schier roeren noch keren. Het staat allemaal vol. Maar er zijn veel mooie meubels, vooral in notelaar en acajou.

Veel herbergen vindt men niet, doorgaans maar een op 25 huizen. De voornaamste herberg is doorgaans het tabaksbureau. Het recht van verkoop van tabak wordt in Frankrijk verhuurd.

In de Plaine de Caen zijn de hoeven doorgaans vierkant gebouwd, uitgenomen de kleine. De gebouwen zijn groot en hoog. Men vindt hoeven die bijna zo groot zijn als een hele parochie zoals in Emiéville bij de gebroeders Maesen. Dit is een hoeve van 120 hectaren en zij zouden geen moeite hebben om 12 hectaren mooie oogst weg te bergen. Men heeft er ook zeer veel lange muren, ook in hetzelfde gesteente en gemetseld met kleiaarde. Men vindt weiden van verscheidene hectaren die ermee omsloten zijn en het is niet zeldzaam dat gij zo 10 minuten lang moet wandelen tussen zulke muren. Maar veel van die muren zijn bouwvallig en liggen af te brokkelen. Op veel plaatsen zijn zij helemaal verborgen door de klimop. Men zegt dat die muren gebouwd werden in de tijd dat de streek nog goed bevolkt was en de lonen zeer laag: een brood en een sou per dag.

Wat waarlijk bedroevend is: veel huizen vallen in puin, kunnen niet meer hersteld worden en verdwijnen ten slotte. Het is de ontvolking. In sommige dorpen is de bevolking in 70 jaar tot de helft gedaald. Als men dit puin ziet, zou men zich meer dan eens op het front wanen. En wij Belgen herhaalden het dikwijls: ‘Was er hier oorlog geweest, het zou maar een kleine ramp zijn geweest.’

In de Pays d’Auge zijn de kerkjes doorgaans veel lichter. Dikwijls staan die kerkjes helemaal alleen te midden van de weiden. De huizen zijn er gebouwd zoals in de Seine-Inférieure, grotendeels uit hout en meestal met verdiepingen. Kloeke staken met planken of plak ertussen. Soms zeer eigenaardig en lief. Op de hoeven zijn er veel minder gebouwen dan in de Plaine de Caen en die gebouwen zijn zeer verspreid. Soms wel op 10 plaatsen. Het merendeel zijn stallen, ook hooidilten en overal het ciderhok. Muren vindt men er niet doch grote en wilde hagen. Ook, net als in de Plaine de Caen: veel huizen in puin, dezelfde ontvolking.

In de Calvados vindt men bijna nergens kelders en ook bijna geen vertrekken. Zelfs in de rijke huizen bedient men zich van een ketel en waar er een vertrek te vinden is, staat het in een afgelegen hoek van de tuin.

Wat goed onderhouden wordt in de Calvados, dat zijn de kerkhoven. Bijna iedere familie, zelfs de armste, heeft haar grafzerk. Op een begrafenis zijn rouw en kransen het voornaamste. Met Palmzondag en Allerzielen worden de graven mooi versierd en wie nooit naar de kerk gaat, gaat op Palmzondag om dan samen met de priester naar het kerkhof te gaan.

Alles getuigt ervan dat deze streek vroeger zeer godsdienstig was want vroeger waren er te allen kant kerken. Cagny alleen al, een dorp van 300 inwoners, telt er 3: de parochiekerk, Le Mesnil, waar nog eens per jaar mis gedaan wordt en dan ook een kerk die nu in een schuur veranderd is. Le Poirier, waar ik mis doe, was voor de Franse Revolutie een parochietje van 80 inwoners. De pastorie bestaat nog. Het kerkhof ook en het wordt nog gebruikt. Het is een klein kerkje van 15 op 6 meter, bevloerd met rode tichels zoals bijna alle gebouwen hier, maar sedert vele jaren is het gebouw niet meer onderhouden.

Beelden of kapelletjes langs de straten komt men niet vaak tegen maar bijna iedere parochie heeft zijn Calvarieberg: een hoog, arduinen kruis waarop een Christus met opgeheven armen.

Schellen: aardkluiten

De streek is vruchtbaar maar doorgaans slecht bebouwd. De Franse boeren willen geen geld uitgeven noch voor lonen noch voor meststoffen. Een Franse boer heeft geen ander werkvolk dan paardenknechten, maar nog niet genoeg, waardoor hij veel te weinig labeur heeft. Hij is zeer achterop in gereedschap en gebruikt nog altijd dezelfde aloude ploeg met wielen en brede rister, 3 of 4 paarden en een man voor de paarden en een voor de ploeg. Men maakt schellen die bijna niet gebroken kunnen worden. Slechts hier en daar begint men een jumelle te zien, Brabant noemen de Fransen haar. Zaaien en pikken worden met de machine gedaan. Men kweekt veel klaverhooi (sainfoin), dat men opbindt en houdt voor wintervoeder, of dat men verkoopt. Verder veel tarwe, gerst en veel haver. Veel haver wordt gezaaid voor de winter en ze is doorgaans goed gelukt. Verder veel suikerbieten, wat koebieten en weinig aardappelen. Wieden is hier nergens bekend. In de velden ziet men overal veel mosterdzaad. Sommige partijen land zijn er waarlijk door vergeven. Doorgaans bekomen de boeren niet het vierde van wat ze zouden moeten bekomen. Hoe staan zij te kijken naar onze Belgische boertjes, die daar rijke vruchten kweken. Hen beknibbelen zullen zij doen, maar navolgen niet, daartoe achten zij zich te groot. Ik ken een hoeve van 76 hectaren, bewoond door een Belgische boer, daarnaast een van 60 hectaren, bewoond door een Franse boer. De Belg doet zeker 7 maal meer op dan de Fransman. De Franse boeren laten doorgaans 1/4 van hun gronden braak liggen en zo komt het dat zij nadien op een braakliggend land soms nog mooie vruchten hebben.

Nochtans zijn er uitzonderingen, zoals de burgemeester van Démouville. Zelfs bij onze Belgische boeren heb ik nergens vruchten noch dieren gezien zoals bij hem. Zijn hoeve is 225 ha groot. Maandenlang moet hij dorsen met de machine. Bij hem heb ik een partij koren gezien van meer dan 40 ha, wondersterke vruchten, ook 50 ha suikerbieten in een blok. De paardenkweek is hier groot: geen echte werkpaarden, eerder een soort raspaarden die vooral door het leger worden gekocht. Evenals de koeien staan zij aan piketten gebonden. Ik heb er nog 27 zien staan op een partij sainfoin.

De melk van de Normandische koeien is zeer vet. Een kleine plas maar veel room. De kaasmakerijen zijn zeer talrijk. Vooral de camembert en de livarot zijn vermaard. Nochtans vind ik ze te sterk en ze lijken te veel op onze stinkerskaas.

De Franse boer houdt veel van zijn hoenderhof. Hij kweekt vooral eenden en ganzen. Als gij bij hem gaat eten en hij onthaalt u op een gans, dan moogt gij er zeker van zijn dat gij welkom zijt.

De Franse boer houdt doorgaans ook veel duiven. Er zijn hoeven waar een duiventoren staat: een toren van 6 meter diameter en 8 meter hoogte en waar meer dan 1000 duiven in kunnen nestelen.

De varkenskweek is maar onbeduidend. Er wordt weinig varkensvlees gebruikt en het is ook zeer duur.

Er wordt maar weinig waar thuis verkocht. Iedere boer gaat naar de markt. Ook zijn de markten zeer bloeiend. Een markt duurt ongeveer de hele dag, doch begint niet vroeg. In Lisieux heeft de botermarkt plaats in de namiddag en in het heetste van de dag wordt de boter vervoerd. De boter is zeer fijn.

Vooraleer de gebroeders Vervisch in de Calvados kwamen, werd er daar nog maar zeer weinig vlas gezaaid en enkel voor het lijnzaad. Als het rijp was, werd het gemaaid. Maar zij zijn begonnen land te pachten van de Franse boeren om vlas te zaaien: in 1917 en 1918 reeds meer dan 150 ha en in 1920 meer dan 250 ha. De landbouwer geeft land en meststoffen en eten aan de slijters, de koper zorgt voor de rest. Dat vlas is tamelijk goed, alhoewel doorgaans van mindere kwaliteit dan in de Seine-Inférieure en in België. Wieden wordt er niet veel gedaan.

Aardappelen worden er maar weinig geplant. Bijna alle Franse boeren mislukken. Slecht plantzaad en te weinig meststof. Doch de Belgische boeren slagen doorgaans wel: goede soort en goed bemest. In 1918 hebben de gebroeders Vervisch 13 ha aardappelen, goed gelukt en verkocht tegen minstens 50 fr. per 100 kilo. De grond is daar zo gemakkelijk te bewerken dat 2 mannen ze alle hebben uitgedaan met de riek. Voor iedere man waren er 5 rapers nodig.

Rogge wordt er bijna niet gezaaid, enkel om bindstro te hebben en ze wordt gepikt wanneer ze nog groen is.

Driewielkarren of wagens vindt men niet, enkel zware tramkarren, lastig voor de paarden. Onze Vlaamse wagens worden door de Fransen zeer vreemd bekeken. Die tramkarren zijn niet kwalijk voor de bergachtige streken maar ze hebben geen zin in de Plaine de Caen. De opening van de paardengarelen kan noch verminderd noch vergroot worden. Dezelfde kraag voor alle halzen. Ieder boer heeft zijn Normandische koets (char Normand) met twee banken waarnaast nog plaats is voor de marktwaar. Zeer gerieflijk maar hoog en zwaar en lastig voor het paard.

De grootste hoeve die ik gezien heb, ligt in de nabijheid van Courseulles. Zij is 280 ha groot en men houdt het vooral op de dierenkweek. Men heeft er niet minder dan 75 paarden. Bijna alle kasteelheren zijn ook landbouwers en zij bebouwen een hoeve in de nabijheid van hun kasteel en verdienen er doorgaans veel geld.

Tijdens mijn verblijf in Cagny werden veel van de grootste hoeven in de omgeving verpacht aan de gebroeders Bouchons, die grote suikerfabrieken hebben. Al het werk wordt er gedaan met ossen en het land is bezaaid met slechts 3 vruchten: tarwe, haver en bieten.

In Normandië is er veel wild. Waar ik ben: veel hazen en patrijzen. In de Pays d’Auge ook wilde zwijnen, soms herten. Ook de slangen zijn niet zeldzaam. Bijna alle boeren en vrij veel anderen hebben het recht op wapendracht.

Nergens vindt men beerputten. Men vindt steenputten maar geen pompen. Men haalt het water op met een katrol. Ieder gemeente heeft ook zijn wasput. De vrouwen komen ernaartoe met hun wasplank, borstel en zeep bij de vleet en strijken maar op en hangen het daar maar te drogen. Bleken kennen zij niet. Waar een rivier voorbijloopt, dient die voor wasplaats.

Windmolens vindt men niet, wel vuurmolens en veel watermolens.

Tatsen: schoenspijkers

In de Calvados zijn de wegen zeer goed onderhouden, bijna alle met grint. Cagny ligt langs de grote weg van Parijs naar Cherbourg, een weg die wel 20 meter breed is. Het is er zo aangenaam om met de fiets te rijden. Jammer dat er zoveel tatsen liggen, daar iedereen schoenen draagt met tatsen.

Voor wat het voedsel betreft, verschilt het volk van de Calvados erg van de Belgen. Hun voornaamste eten is brood en vlees, hun drank is cider.

’s Ochtends eten zij doorgaans niet veel. Weinig personen eten hetzelfde. Men vindt er die brood brokkelen in een grote kom en daarop gieten zij hun koffie, anderen hun melk of hun koffie-met-melk, nog anderen cacao. Dat is dan een soort pap en die eten ze uit met een lepel. Velen drinken op hun nuchtere maag koude cider, daarbij brood, hetzij droog, hetzij geboterd. En wanneer zij boteren, dan is het zeer vet. Van elk de helft. Boterhammen kennen zij niet. Nog anderen bruinen een ui, gieten daar melk op, verwarmen die en gieten dan de heleboel in een kom waarin zij brood gebrokkeld hebben en dat eten ze dan uit met een lepel. Daarna een grote druppel calvados. Nog anderen koken groenten en eten het sap met brood.

’s Middags eten zij doorgaans geen soep. Maar als men soep eet, dan kookt men groenten: een wortel, een raap, een kool, een preisteel, en vlees als men er heeft. Alles in zijn geheel. Men laat het maar korte tijd koken. Dan neemt men het eruit. En men giet het sap in een kom waarin men brood gebrokkeld heeft. Men laat het enkele minuten trekken en dat is de soep. Dan eet men vlees met brood. Daarna alleen groenten. Aardappelen alleen. Sla alleen. En iedere schotel vlees, al heeft men er 5, is met brood en niets anders dan brood, en veel brood. Zo at ik op een diner rosbief, kip, allemaal met brood. Volgens hen kan soep zonder veel brood ook niet goed zijn. Zo was ik op een vormingsdiner bij de deken van Troarn (het was een tijd waarin er broodschaarste was) en de deken zei tot monseigneur dat hij gelukkig nog brood gekregen had voor de soep.

Aan tafel wordt er zeer veel cider gedronken, weinig wijn, maar bij het nagerecht veel likeuren: rum, calvados, cognac, bénédictine enz. Soms wel 4 of 5 soorten – waarlijk het land van de alcohol.

Na het eten de koffie, met een druppel calvados erin. En iedereen moet die hebben. De armste duivel zal ’s middags niet naar zijn werk gaan zonder zijn koffie.

Om 4 uur cider met brood.

’s Avonds overal soep, vlees, brood en groenten.

Het vlees dat het meest gegeten wordt, is rundvlees, pluimgedierte en konijn. Een eigenaardigheid in de streek van Caen zijn de ‘tripes de Caen’: de ingewanden van koeien die een bijzondere bereiding ondergaan en zo een lekkere schotel uitmaken. In de streek van Caen hebben wij ook grote keuze van verse vis, die nochtans duurder is dan in België.

Ik vind de Normandiërs baatzuchtiger dan de andere Fransen. Zij verdienen graag veel geld maar willen het gemakkelijk verdienen, zonder veel moeite en zonder veel te riskeren en als zij het op die manier niet kunnen, hebben zij liever niets te verdienen. Een landbouwer wil geen geld uitgeven noch voor meststoffen noch voor werkvolk en als hij het op die manier niet kan, dan heeft hij liever aan de winst te verzaken. Een eigenaar verhuurt zijn huis duur en als hij die prijs niet krijgt, dan heeft hij het liever onbewoond te laten. Iedereen leeft daar op zichzelf en elkaar dienst bewijzen kennen zijn niet. Ook vertrouwen zij elkaar niet erg. Er zijn zeker uitzonderingen, doch talrijk zijn zij niet.

Zij breken gemakkelijk hun woord. Zo heb ik er gekend die hun huis verhuurden aan een Belg voor een bepaalde som. ’s Anderendaags moest het meer zijn.

Zij zijn beleefd en verdraagzaam en nooit, alhoewel ik bij allerlei soorten volk geweest ben, heb ik onaangenaamheden ontmoet. Wat een verschil hier met onze ruwe, vloekende Vlamingen. Zij zijn minder voor snoeverij dan de andere Fransen.

Wat de kleren aangaat, is er niet meer praal en pracht dan in Vlaanderen. Op de buiten hebben veel vrouwen een sjaal op hun hoofden, de bejaarde vrouwen dragen de witte pijpmuts. Niemand noemt men bij zijn naam, altijd monsieur un tel, madame, mademoiselle. Soms maître un tel. Veel mannen, zelfs van deftige stand, dragen de blauwe kiel.

In hun huizen zijn zij doorgaans niet zeer netjes. Op het eerste gezicht is het nog tamelijk, doch men mag naar de hoeken of kanten niet kijken. De vloer schuren, dat kennen zij niet en zij kunnen niet verdragen dat de Belgen het wel doen.

De Calvados is wat betreft godsdienst veel slechter af dan ons Vlaanderen en Bretagne maar toch beter dan het departement van de Eure en veel andere departementen. Weinigen zijn de godsdienst echt vijandig, alhoewel men er toch vindt in elke parochie, zoals in Cagny de brievendrager en een timmerman die geen enkele van zijn kinderen wilde laten dopen. Maar velen zijn onverschillig: zij zijn er gerust in en laten een ander ook met rust. In Cagny gaat de helft van de vrouwen naar de mis en misschien het 10de deel van de mannen. Het naburige Frénouville was slechter, daar ging geen 10de deel van de bevolking naar de mis. Onder de mannen die naar de mis gaan, zijn er nog veel die hun Pasen niet houden. De maire van Giberville is voorzanger in de kerk. Iedere zondag staat hij in de hoogmis met de koorkap aan. Nochtans heeft hij in geen 20 jaar zijn Pasen gehouden. En wat is de reden? Bij sommigen menselijk opzicht, bij anderen onverschilligheid, bij nog anderen, zei mij een Franse priester, omdat zij voelen dat zij niet in staat zijn om het goed te doen.

Wij Belgen vinden nochtans een andere reden waarom het volk niet godsdienstiger is en waarom er vooral minder naar de mis gegaan wordt. Het komt doordat de geestelijke overheid er niet genoeg voor doet. Vooreerst hebben de gelovigen niet genoeg gelegenheid om mis te horen. In veel gevallen kan dat niet verholpen worden. Er zijn veel priesters te kort en op veel parochies wordt er op zondag niet regelmatig mis gedaan. Het gebeurt immers dat een priester te zorgen heeft voor 3 of 4 parochies, tijdens de oorlog soms voor 6 of 7 en het is onmogelijk allen te voldoen. Daarbij worden de zaken niet goed aangepakt en het volk weet vooraf niet of er mis zal zijn of niet. En nog een reden is dat een Normandische pastoor dikwijls niet weet wanneer hij begint en wanneer hij eindigt. De hoogmis duurt er gewoonlijk meer dan anderhalf uur. Zij begint met een processie waarin mannen met baarden (zangers) figureren met de koorkap aan, daarbij een dozijn en half misdienaars, een ceremoniemeester met de ratel, daarna ‘asperges me’, de mis, graduale, gezangen, jaargebed, gebeden op de preekstoel, soms sermoen enz. De zang verschilt veel met onze ‘plain chant’ en is eigen aan Normandië, hij is ook meer werelds. Al het volk zingt mee. Nochtans is die zang niet kwalijk en men hoort direct dat het volk daarin meer is geoefend dan wij en dat men graag zingt.

Toch zou men in veel parochies meer gelegenheid kunnen geven zodat alle gelovigen naar de mis zouden kunnen gaan, namelijk door de binage toe te laten. In Cagny bijv. moet de pastoor maar op een parochie mis doen. Indien hij bineerde, zou iedereen mis kunnen horen. Maar neen, enkel de hoogmis om 10 uur wordt toegelaten en zo moet noodzakelijk een deel van de bevolking thuis blijven. En men besluit er natuurlijk uit dat de zaak van gering belang is, daar men anders wel zou zorgen voor een tweede mis.

Ten andere, de verplichting van de zondagsmis wordt door de priesters niet genoeg aangeleerd. De priesters spreken evenveel over de vespers als over de mis. Ook worden de vespers evenveel bijgewoond als de mis. En zo komt het dat de verplichting voor het ene verward wordt met de behoorlijkheid van het andere en het volk daar geen juist inzicht meer in heeft. Zo heb ik mensen gehoord die zich in de biecht ervan beschuldigden zoveel maal de mis of de vespers verzuimd te hebben.

Wat de communie betreft: ik heb kunnen merken dat in steden zoals Lisieux en Caen nogal veel volk te communie gaat, wel niet evenveel als in Vlaanderen maar het was toch niet om over te klagen. Het volk gaat te communie bij de communie van de mis. In Lisieux zag ik nochtans op een zondag dat de communie alleen uitgedeeld werd na de mis, maar het volk was dan rap de kerk uit. Op de buitenparochies zag ik echter dat er weinig communies waren. Veel pastoors waren dat niet gewoon en waren veeleer tegen de regelmatige communie. In Cagny waren er Belgen die elke maand te communie wensten te gaan, en de pastoor toonde dat hij daar niet mee gediend was. Op Sinksen van 1918 kwam de pastoor alleen maar naar de kerk om 9.30 uur. Op O.L.Heer-Hemelvaart hoorde hij biecht en gaf de communie om 8 uur. Veel pastoors willen nooit de communie geven buiten de mis en de mensen moeten maar wachten. Om het even op welk uur de mis begint, nog liever geen communie dan buiten de mis. Dat was dikwijls oorzaak van onenigheid met de Belgische aalmoezeniers.

In Normandië is het het tegenovergestelde als in België, waar de buitenparochies doorgaans de beste zijn en de steden de slechtste. In Frankrijk is het andersom en de reden is vooreerst dat de katholieken in de steden meer gegroepeerd zijn en zo gemakkelijker door de priester bewerkt kunnen worden. Van de andere kant bestaan er daar bijna overal vrije katholieke scholen. Die bestaan op die kleine parochies niet en kunnen ook niet bestaan omdat de onkosten te groot zijn.

Er zijn 2 omstandigheden tijdens het jaar waarop veel volk naar de kerk komt. Vooreest op kerstdag: iedereen houdt eraan om naar de middernachtmis te gaan en dan zijn er nogal veel communies. En ten tweede: op Palmzondag om samen met de priester het kerkhof te bezoeken.

Hoe verloopt doorgaans het leven van een Normandiër? Bij zijn geboorte wordt het kind niet meteen gedoopt. Men wacht doorgaans tot de moeder kan meegaan naar de kerk. En als dat wat lang duurt, geeft men het kind de nooddoop. Alleen de besten laten hun kinderen zo vroeg dopen. Velen wachten verscheidene maanden en er zijn er zelfs die wachten tot de kinderen 3 of 4 jaar oud zijn en dan trekken zij soms op met 2 of 3 kinderen tezamen. Bij de doop gaat de hele familie mee en is getuige van de ceremonie. Geld krijgt de priester gewoonlijk niet maar wel een prachtig doosje met suikergebak, pralines, chocolade. Zo doopte ik een Belgisch kind en een Franse juffrouw, grote weldoenster van de Belgen, was meter. Ik kreeg ook zulk een doos. En toen ik ze opende, stelde ik met genoegen vast dat er ook nog een biljet van 20 fr. in zat.

Slechts sommige grote parochies hebben het geluk een vrije katholieke school te bezitten, meestal gegeven door geseculariseerde nonnen of andere brave juffrouwen of een toegewijde onderwijzer. Die scholen worden niet gesteund door de staat en moeten het stellen met de aalmoezen van de brave mensen. Natuurlijk kunnen die scholen niet talrijk zijn. Bijna overal dus moet het kind naar de officiële gemeenteschool. De onderwijzer, die ook bijna overal gemeentesecretaris is, is doorgaans tegen de godsdienst. De besten zijn vrij onverschillig en een onderwijzer die zijn godsdienstige plichten kwijt, is een grote uitzondering. Nooit wordt er gebeden, nooit wordt de godsdienst genoemd, tenzij in sommige scholen om ermee te spotten. Zo viel de onderwijzer van Frénouville uit tegen de heer pastoor van Cagny omdat deze een overwinning tijdens de oorlog toegeschreven had aan het H. Hart. Dat was de verdiensten van de soldaten kleineren! In veel van die scholen zijn de studies maar flauw. In die kleine dorpen bestaat er immers doorgaans maar één klas, voor groot en klein, voor jongens en meisjes en is het niet te verwonderen dat zulks nadelig is voor het leren. Ook bekommeren veel onderwijzers zich maar weinig om hun werk en in de kleinste dorpen is het dikwijls een vrouw die school houdt. Tijdens de oorlog waren veel onderwijzers in het leger en het was dan hun vrouw die hen verving en dat was dan zo goed en zo kwaad als het ging.

Al het onderwijs in de godsdienst moet daar van de pastoor komen. Die heeft soms een brave dame of juffrouw of een geseculariseerde kloosterzuster om hem te helpen, maar in het merendeel van de dorpen staat hij er alleen voor. En zo verschilt dat onderricht in de godsdienst zeer sterk van parochie tot parochie naargelang de pastoor toegewijd is, naargelang hij invloed heeft, naargelang hij hulp krijgt of op de parochie verblijft. Zo heb ik Franse kinderen gekend die waarlijk goed hun godsdienst kenden. Ik heb er ook gekend die tot de plechtige communie toegelaten werden en volstrekt niets kenden, zelfs niet genoeg om hun eerste communie te doen. De pastoor houdt soms 2 tot 3 maal in de week lering, overal ook op zondag.

De private communie voor de kinderen is daar zeer weinig gekend. Ik heb alleen de pastoor van Mondeville gekend die de communie toeliet. De Fransen aanzien dat voorschrift van de paus als iets dat hun niet aangaat en dat hun niet van pas kan komen. ‘L’ Eglise de France staat daarboven!’ De kinderen doen dus gemakkelijk hun eerste en ook plechtige communie aan 11 of 12 jaar, de beste aan 10 jaar.

De eerste communie heeft ten vroegste plaats om 9 uur, in veel parochies om 10 uur in de hoogmis. De kinderen worden ingehuldigd en de vader gaat naast de jongen of het meisje en draagt de kaars. En veel vaders die anders nooit naar de kerk gaan, trekken trots op met de kaars. Ik heb gehoord dat men dat aan de Belgische vaders moeilijk kon opleggen, zelfs niet aan hen die nog godsdienstig zijn en in sommige plaatsen was het een oudere broer die meeging. Die dag duurt de hoogmis nog aanzienlijk langer dan gewoonlijk en het is middag als de kinderen iets kunnen eten. Maar de Fransen vinden dat heel natuurlijk en niemand doet zijn beklag over dat lange nuchter blijven. ’s Middags is het kermis, zelfs waar men niet godsdienstig is. ’s Namiddags de vespers en daarna de ene ceremonie na de andere, een dienst die wel 3 tot 4 uur duurt.

De plechtigheid is gedaan en het kind heeft zijn brevet. En van nu af aan is hij gerust in alles wat de kerk aangaat en meneer pastoor is dikwijls ook gerust in hem. Is het een meisje, dan zal zij doorgaans nog enige tijd naar de mis gaan, misschien zelfs volharden. Is het een jongen, dan zal hij, als het goed gaat, ook nog korte tijd naar de mis gaan, maar na een paar jaar zal hij doen zoals de anderen. Soms zal hij vanaf de eerste zondag na zijn H. Communie de mis verzuimen.

Het merendeel trouwt nog voor de kerk maar doorgaans zonder biecht en communie. Zo kon een Franse pastoor die een Belgische jongeman getrouwd had het niet genoeg toejuichen dat hij gecommuniceerd had. Na het huwelijk moeten alle personen die aanwezig zijn in de huwelijksmis, naar de sacristie komen om het register te ondertekenen. Zo gingen 24 Belgen in Cagny het register tekenen. Wat eigen is aan de streek: de grote trouwpartijen hebben daar niet plaats op een laat uur in de voormiddag, zoals bij ons, maar ’s nachts om 24 uur.

Als men zinnens is kinderen te krijgen, duurt het gewoonlijk niet lang voor men zijn eerste kind heeft. Maar dan is het ook dikwijls uit en amen. In Normandië, meer dan elders, woedt de plaag van de kinderbeperking. Weinig huisgezinnen met meer dan 2 kinderen. Op heel Cagny is er maar 1 gezin met meer dan 4, er zijn er 7. Het is bij een landbouwer die nochtans niet godsdienstig was. De Normandiërs schijnen geen vruchtbaar volk te zijn en de grote oorzaak ervan is het misbruik van de sterkedranken. Maar bij het merendeel is die onvruchtbaarheid vrijwillig. Men wil geen kinderlast. Liever een gemakkelijk leventje en maar voor een moeten zorgen. Hoe brengen die mensen dat in orde met hun geweten? Want het zijn niet alleen de ongodsdienstige huisgezinnen die zo handelen maar al evenzeer ook zij die als godsdienstig bekendstaan. Ik weet dat er ouders zijn die weten dat zij niet goed handelen maar er zijn er beslist ook, zelfs onder de godsdienstigste, die dat niet weten en die goedgelovig zijn. En de priesters zijn zonder twijfel de schuld van die onwetendheid want bijna nergens wordt daartegen gepredikt. Een pastoor die nochtans doorgaans niet bang was, zei mij dat hij daartegen niet zou durven preken en als ik hem zei dat er onder zijn parochianen waren die goedgelovig waren aangaande dit punt, zei hij dat dat niet waar was. Een andere pastoor legde dat heel natuurlijk uit: ‘Vous savez, les Normands sont budgétaires.’ Belgische priesters die dienstdeden op Franse parochies en daartegen preekten, hebben opdracht gekregen van het bisdom om daar niet meer over te handelen. De oorlog heeft de ogen wat doen opengaan maar daarom toch geen waar plichtsbesef gebracht. De marquise van Cagny, een vrouw die dagelijks naar de kerk ging en, hoewel eigenares van een 100-tal hofsteden, 10 centimes (een dikken) in de schaal legde, had maar 2 kinderen en had er niet meer gewild. Maar nu zou zij haar leven beteren, ‘par amour pour la France’, dat soldaten nodig had voor een volgende oorlog.

Arm Normandië! Met zijn bevolking die voortdurend vermindert en zijn huizen die in puin vallen. De Calvados zou leven en bestaan moeten geven aan een bevolking van 2 miljoen mensen en telt er met moeite 400.000.

En zo leeft de Normandiër, zonder veel te werken, ook zonder grote verkwistingen te doen. Hij drinkt regelmatig zijn eau de vie, meestal thuis, en heeft weinig contact met zijn buren. En zo geraakt hij in zijn levensavond.

Doorgaans wordt hij niet oud. Het drankmisbruik is daar de grote oorzaak van. En hij sterft gewoonlijk zoals hij geleefd heeft. Zonder biecht. Men zal de pastoor daarvoor niet roepen en die zal zich daarvoor ook niet aanbieden. En over de dood spreken tot een zieke die nog bij zijn verstand is, dat mag niet, dat zou hem ontstellen. Maar eens de doodstrijd begint en de stervende niet meer van de wereld weet, dan is het moment gekomen. Nu moet de pastoor komen. Hij geeft het H. Oliesel en dat volstaat om naar de eeuwigheid te gaan.

Is de man dood, dan worden de schikkingen genomen voor de begrafenis. Hij wordt heel zeker kerkelijk begraven. Al heeft hij nooit een voet in de kerk gezet. De pastoors gaan er prat op dat bij hen schier geen burgerlijke begrafenissen plaatshebben. Het lijkt hun alsof die kerkelijke begrafenis het zekerste paspoort is voor de hemel. Dat doet al de rest vergeten.

De begrafenissen worden doorgaans nog druk bijgewoond. En men ziet ze daar komen, de mannen die anders nooit naar de kerk gaan. Hun houding is dikwijls zeer onfatsoenlijk, praten en voortdurend naar binnen komen en naar buiten gaan naar het dichtstbije café. De dienst bestaat uit mis en libera en in de grote begrafenissen de lauden. Maar dat alles is van weinig tel voor hen, het voornaamste: de rouw in kerk en het sterfhuis en de kransen. Nadien nog een mis als het past en dan is het gedaan. In de grote begrafenissen worden de pastoors van de naburige parochies uitgenodigd. Zij mogen blijven eten bij de pastoor maar zij worden niet betaald.

In de Calvados verschilt de ene priester sterk van de andere, veel meer dan in Vlaanderen. En dat in elk opzicht.

Vooreerst in stoffelijk opzicht. Het is een feit dat het ambt in bijna alle parochies weinig opbrengt. In dat opzicht zijn de priesters waarlijk te beklagen. Sedert de scheiding van kerk en staat wordt hun geen jaarwedde meer betaald. Jaarlijks doen zij nu op hun parochie een omhaling voor de ‘denier du culte’. Dat geld wordt naar het bisdom gezonden en met dat geld betaalt het bisdom zijn priesters. Het gewone loon van een pastoor is 800 fr. Nog enige oude pastoors die al een aantal jaren dienst hadden voor het invoeren van die wet, krijgen een klein pensioen van de staat. De opbrengst van de ‘denier du culte’ verschilt sterk van parochie tot parochie. Toch trachten veel pastoors een zo mooi mogelijke som binnen te zenden. Dat is dan een goede nota bij het bisdom.

Wat het casueel betreft: in veel parochies is dat zeer lauw. Gezongen missen zijn nagenoeg onbekend en van de gelezen missen is het tarief niet hoog. De begrafenissen brengen nogal goed op, de huwelijken niet veel, offerande is onbekend. De pastoor gaat zelf met de schaal rond en dat brengt nogal veel op. De banken (stoelen zijn er bijna niet) worden verhuurd en velen die schier nooit naar de kerk gaan, huren toch hun bank. De opbrengst van schaal en banken is nagenoeg het enige inkomen van de kerk. In de steden is het inkomen van de diensten, schalen en banken doorgaans groot maar daar hebben de pastoors de last van de vrije scholen en andere goede inrichtingen en moeten zij alles daaraan besteden.

Die toestand is waarlijk droevig voor de Franse pastoors. Onder hen zijn er enigen die een persoonlijk fortuin hebben en die zo nog kunnen leven volgens hun stand. Ik heb er zelfs gezien die breed leefden, zoals de deken van Troarn en de pastoor van Gouvix, wiens huis een waar museum was: prachtige schilderijen enz. en die ook chique types waren. Maar de meeste priesters zijn jongens uit minder gegoede families, soms zelfs van de werkende klasse, die door brave mensen naar het seminarie gezonden werden. Na 2 of 3 jaar onderpastoor, waar zij meegewoond hebben met de pastoor, worden zij ook pastoor ergens op een klein arm parochietje. Velen hebben de middelen niet om zich behoorlijk te installeren. En zij moeten toch leven. En wat doen zij? De meesten hebben een grote tuin en zij beginnen wat te boeren. Zo heb ik er gezien die veel konijnen kweekten, anderen veel groenten, anderen hielden bijen en nog anderen hadden appelbomen en verdienden wat geld met hun cider. Velen beginnen land te pachten en hebben soms een boerderij van verscheidene hectaren, ze hebben een paard en verscheidene koeien. Zo bezocht ik de pastoor van Bretteville-l’Orgueilleuse die aan het ploegen was. De pastoor van Cresserons vond ik bezig met zaaien. Een andere pastoor was zijn gras aan het maaien. In Lisieux heb ik verscheidene pastoors ontmoet die met paard en koets naar de markt kwamen om hun waren te verkopen. Zo kunnen zij tezelfdertijd verscheidene parochies bezoeken.

Nog andere pastoors oefenen een ambacht uit. De pastoor van Villerville deed zijn ronde om ruiten in te steken, een andere pastoor was kantonnier. En daar handwerk zo gewoon is, vinden sommige pastoors die nochtans een persoonlijk fortuin hebben en goed kunnen leven, het niet vreemd om te werken zoals de anderen. Zoals de pastoor van Cagny, die regelmatig op zaterdagnamiddag met bakwagen en schop het kerkplein in orde komt brengen.

Zo komt het dat de pastoors veel van hun gezag verloren hadden. Zij waren geen heren meer en het gewone volk zag hen als mensen van hun soort. En nog een droevig gevolg van hun toestand: zij waren niet onafhankelijk genoeg en moesten te veel hun weldoeners in de ogen kijken. Een niet minder droevig gevolg was ook dat sommigen daardoor hun geestelijk werk verwaarloosden en ook dat hun gedachten niet meer bij hun priesterwerk waren en zij weldra de hele priesterlijke geest verloren. En die armoede, gepaard met andere oorzaken, bracht sommigen tot hun val. Tijdens mijn verblijf in Rouen had een pastoor zijn parochie verlaten om met een cinema rond te gaan. Kort na mijn vertrek uit de Calvados waren er ook priesters die de rangen verlieten voor een winstgevende betrekking. Toch waren zij uitzonderingen. Velen verdroegen geduldig hun arme bestaan en brachten moedig dat offer. Ik heb pastorieën gezien die waarlijk armtierig waren, zoals in Villerville en Banville. De muren, die ooit wit waren geweest, waren al even zwart gerookt als de schouwen, hun keuken was waarlijk een ovenkot. Bij de een woonde de moeder van 80 jaar, bij de ander een oude meid die ook niet meer uit de voeten kon. Andere pastoors hadden geen meid en deden hun huishouden zelf. Ze hadden slechts nu en dan een werkvrouw.

In de Calvados vindt men zeer weinig stoven, kolen zijn er zeldzaam en duur. Overal de haard en het houtvuur, ook in de priestershuizen. Toch is het moeilijk om de plaats te verwarmen, al is de koude iets minder erg dan in Vlaanderen. In Cagny was sneeuw zeer zeldzaam. De Fransen maken groot gebruik van de chaufferette, een bakje met gloeiende houtskolen om hun voeten te verwarmen. Zij komen zelfs met hun chaufferette naar de hoogmis. Sommige pastoors zijn ook ellendig gekleed. Ik ontmoette eens een pastoortje met een groene soutane, helemaal in vodden. Om zijn hals had hij een rode zakdoek in plaats van een kraag en hij had een mand aan de arm.

In de Calvados is er grote schaarste van priesters: slechts 300 priesters voor zo’n 1900 parochies. 25 jaar geleden was er nog een mooi aantal onderpastorieën en men werd slechts pastoor na zo’n 10 jaar dienst als onderpastoor of soms als professor. Maar nu zijn er geen 40 onderpastorieën meer in geheel de Calvados en men wordt soms pastoor op zijn 28ste of 29ste jaar en dan blijft men doorgaans zijn leven lang alleen op een parochie. Men heeft weinig gemeens met zijn buren-priesters en weinig priesterwerk, men heeft geen leiding meer, geen gezelschap van soortgenoten en dat heeft dikwijls een nadelige invloed op het karakter en soms zelfs op het gedrag van de priesters. Ik heb daar heilige priesters gekend, grote werkers en zeer onthecht, zoals de pastoor van Villers-sur-Mer en van Mondeville, maar ik heb er ook gekend die geen voorbeeld waren en ik heb veel schandalen horen vertellen over vroeger en het verwondert me niet dat het op sommige parochies zo flauw gesteld is met de godsdienst. Ik heb er een gekend die openlijk ergernis gaf en toch in dienst bleef en bij een vrouw. Onze brave Belg, die het me zelf vertelde, spotte met de vermaningen van de bisschop van Bayeux, die hem gevraagd had: ‘Vous n’aimez donc plus le bon Dieu?’

Het gebruik bestaat er niet dat de priesters hun parochianen bezoeken. Zij gaan er als zij zaken te doen hebben, meer niet. Een Belgische priester die een plaats kreeg in een Franse parochie, begon net als in België het volk te bezoeken en ging van huis tot huis. Weldra zag hij dat het volk dat vreemd vond en dat men er weinig mee gediend was.

Als ware Fransmans houden de priesters doorgaans veel van complimenten, snoeverij en glorie en zijn zij nogal afgunstig van elkaar. Zij zijn verzot op eretekens, zelfs al hebben zij er de air niet van. Een pastoor van wie ik het helemaal niet vermoedde, vroeg mij te zorgen dat hij een decoratie bekwam van de Belgische regering voor bewezen diensten aan de vluchtelingen. Nu ja, dat zijn van die kleine kantjes waarop zij misschien weinig acht slaan maar die wij, vreemdelingen, gauw merken.

Maar al heeft een Fransman zijn fouten, hij heeft ook zijn gaven. Vooreerst overtreft hij ons sterk in beleefdheid. Men zegt soms dat hij stinkt van beleefdheid. Dat was bij de Normandiërs minder het geval dan bij de andere Fransen. Een Normandiër laat een ander met rust, welke ook zijn opinie weze. Nooit heb ik in dat opzicht onaangenaamheden meegemaakt. Hij vloekt niet en is gemanierd langs wegen en straten en ook op de trein. Nooit hoort men dat wild gezang en getier zoals hier in onze straten op zondagavond. Maar wat ik tijdens de oorlog vooral bewonderd heb, dat is het moreel van het Franse volk. Ik kwam er aan op het spannendste moment van de hele oorlog. De Duitsers gingen voortdurend vooruit tot bij Amiens. Parijs werd gebombardeerd en in de Calvados hoorde men van langsom duidelijker de kanonnen, het gevaar naderde. Toch gaf niemand van de Fransen de hoop op, niemand twijfelde aan de goede uitkomst. Het aantal gesneuvelde soldaten was op iedere parochie zeer groot. Men vreesde voor het leven van hen die tot nu toe gespaard gebleven waren en toch was niemand partijganger van een onmiddellijke vrede. Nee, men moest eerst de vijand verslaan, eerst Elzas-Lotharingen terugwinnen en dan pas zou men vrede sluiten hoewel men wel besefte dat in die tussentijd het leven van de dierbaren nog op het spel stond. Hoe trots waren zij op de heldendaden en de eretekens van hun soldaten. Als je in gesprek raakte met de ouders of de vrouw van een gesneuvelde, dan begonnen zij niet met de oorlog te verwensen en uit te vallen tegen de overheid maar zij begonnen te spreken over de heldenmoed van hun zoon of man, over zijn eretekens, de getuigenissen van zijn officieren, de vermeldingen op de dagorde.

Ik was dus aalmoezenier van de Belgische vluchtelingen met Cagny als verblijfplaats. In Cagny waren, buiten de familie Vervisch, een 120-tal Belgen, allen werklieden of gevluchte boertjes die nu ook voor een ander werkten. In Frénouville, op 10 minuten afstand, waren er 85, ook allen werklieden. Bijna al die mensen waren daar gekomen om aan het werk te gaan bij Vervisch en velen door bemiddeling van meneer de aalmoezenier Mostaert. Maar nu en dan waren er vandaar weggegaan, hetzij door geschillen, hetzij om te gaan werken aan de haven of in de hoogovens, waar de lonen hoger lagen. Nog ongeveer de helft werkte bij Vervisch. Het waren bijna alle kroostrijke families, wat niet ten volle naar de zin was van de pastoor van Cagny, die meer dan eens gezegd heeft: ‘Mais pourquoi faire venir toujours ces nombreuses familles? Ces gens ne peuvent pas convenablement éduquer leurs enfants.’ Vervisch bebouwde daar een hofstee van 75 hectaren, het huis was een kasteel. In 1919 hadden zij een vlasfabriek gebouwd en zij zwingelden met 13 planken. Enige gereformeerde soldaten waren daar ook aan het werk, waarvan sommigen in ‘congé illimité’ waren. In Démouville, een 40 minuten daarvandaan, woonden ook een 60-tal Belgen. Ook woonden Belgische boeren in Emiéville.

Die Belgen kwamen meestal uit Houthulst, Klerken, Geluveld, Langemark, Beselare, Beitem enz. Er waren deftige lieden tussen, maar sommigen, vooral de Houthulstenaars, lieten veel te wensen over. Zij kweten wel al hun godsdienstige plichten maar waren buitengewoon ruw, ze dronken en vloekten en maakten lawaai, erger dan in België. Ook waren zij doorgaans niet geliefd bij de Fransen en de maire van Cagny was hun niet genegen. Daar zij vluchtelingengeld trokken en anderzijds veel verteerden, konden de Fransen moeilijk verdragen dat zij die buitengewone hulp ontvingen. Het gevolg was dat velen hun vluchtelingengeld niet kregen.

Vroeger kwam meneer Mostaert elke drie maanden in de kerk van Cagny preken en biecht horen voor die mensen, hetgeen de pastoor van Cagny nogal ergerde, want hij had niet graag dat een andere priester zich kwam bemoeien met het volk dat op zijn parochie verbleef. Hij heeft zelfs eens meneer Mostaert aangeklaagd bij de bisschop van Bayeux omdat hij, op een zondag dat hij in Cagny verbleef, niet aanwezig was geweest in de vespers. Van de andere kant deed hij zelf niets voor de Belgen.

Niet te verwonderden dat het tegen zijn zin was dat ik naar Cagny kwam. Het werd nog erger toen hij vernam dat ik mis zou doen in het kerkje van Le Poirier: ik zou bijna alle Belgen naar daar trekken, wat een nadeel zou zijn voor zijn schaal en anderzijds zou hij niets op mij te zeggen hebben, daar ik zijn kerk niet nodig zou hebben. In de eerste dagen ging ik hem groeten. Het onthaal was maar koel, zonder dat wij nochtans woorden hadden. Nooit bracht hij een tegenbezoek. Enige weken nadien werd hij uitgenodigd op een diner bij Vervisch. Hij vroeg of de ‘curé belge’ daar ook zou zijn en weigerde: ‘Je ne veux pas rencontrer ce bonhomme belge.’ Als het gebeurde dat ik hem tegenkwam, gaf hij voor alle goeiedag een grol, zonder mij ooit te bezien. Aalmoezeniers die na mij in Cagny kwamen, heeft hij beslist geweigerd mis te laten lezen.

Alle dagen dat ik niet op reis was, deed ik mis in het kerkje van Le Poirier. Op zondag zong ik mijn mis om 8 uur en bijna alle Belgen van Cagny, Frénouville en Emiéville kwamen ernaartoe en ook zo’n 19 of 20 Fransen uit de omgeving. Gewoonlijk deed ik een familiemis voor Belgen en al het volk kwam ten offer. In de mis was er sermoen, alles net zoals in België.

Van de eerste dagen al heb ik gemerkt dat de Belgische kinderen zeer verwilderd waren en zeer onwetend in hun godsdienst. Meneer Mostaert had daar in het begin van 1917 een Belgische school gesticht, de klas was op de hoeve van Vervisch. Een Belgische juffrouw gaf er onderwijs maar het was haar vak niet en de school liet veel te wensen over zodat de Belgische kinderen die er in het begin talrijk naartoe kwamen, vlug achterbleven en naar de Franse school overgingen. Daar werd de godsdienst niet onderwezen. Sommigen gingen wel naar de lering van meneer pastoor maar daar was het waarlijk garenmarkt en zij leerden ongeveer niets. Dan heb ik besloten mij met hen in het bijzonder bezig te houden en tweemaal per week lering te geven op donderdag en zondag voor alle kinderen van 7 tot 13 jaar. Weldra ondervond ik dat zij daar deugd van hadden. Op de eerste vrijdag gingen allen te biecht en te communie, samen met nog enige Belgen. De eerste zondag had ik altijd een mooi aantal communies. Met Pasen waren er 3 Belgen die ik aan de communiebank niet gezien heb en die waarschijnlijk ook nergens elders zijn gegaan. De Belgen gingen daar ongeveer evenveel te biecht en te communie als in België.

Allen waren zeer tevreden een Belgische pastoor te hebben en het duurde niet lang of zij kwamen voor allerlei diensten: om brieven te laten schrijven voor vluchtelingengeld, voor soldatengeld en vele andere zaken.

In dat kerkje heb ik ook 3 huwelijken van Belgen ingezegend.

Maar mijn dienst strekte zich ook uit over de hele streek, van 5 tot 6 uren in de omgeving van Caen, Caen zelf uitgezonderd omdat de dienst voor de Belgische vluchtelingen daar gedaan werd door meneer Quoidbach, legeraalmoezenier van het Belgische militaire hospitaal van die stad. Om beter mijn werk te kunnen doen, kocht ik een fiets, een Belgisch merk, Herstal, zonder ketting, ik betaalde hem 450 fr.

De plaats die ik het meest bezocht, was Argences. Daar waren een 10-tal Belgische families, de meeste uit Loker en Reningelst, boeren en burgers, goed volk. Ik ging er maandelijks naartoe. Daar was ook de E.H. pastoor van Eecke (bij Hazebrouck) naartoe gevlucht, een brave heer, met wie ik later in contact gebleven ben. Daar hij ook Vlaams sprak, hield hij zich ook wat met de Belgische boeren bezig.

Ik ging ook maandelijks naar Troarn, een klein stadje, waar ook een 10-tal Belgische families woonden uit Loker en Houthulst, ook goed volk. De E.H. deken van Troarn was de Belgen zeer genegen en hij heeft hen veel geholpen. Ten overstaan van mij was hij zeer hartelijk en ik ben hem dankbaar voor zijn goed onthaal. Een grote uitzondering in die streek was dat hij mij zelf voorstelde om aan de Belgen de H. Communie te geven buiten de mis. In oktober 1918 ben ik met 24 Belgische kinderen van Cagny en Frénouville naar Troarn gegaan voor de vorming.

Dozulé, een ander klein stadje, lag op 20 kilometer. Daar en in het omliggende waren er een 20-tal Belgische families, enige zeer goede, waaronder landbouwer Jules Lefever van Passendale, maar ook veel van gemene soort. Ik ging daar minder vaak naartoe, hoewel het volk wel naar de vergaderingen en de biecht kwam.

Mijn bezoeken trachtte ik zoveel mogelijk te doen op zondagnamiddag. De Belgen waren dan niet op hun werk. Ik begon met een vergadering waarin ik hun eerst sprak over hun tijdelijke belangen, over de verschillende schikkingen die genomen waren door het landbestuur ten overstaan van de vluchtelingen, over de voordelen waarvan zij konden genieten, vooral zij die zonen in het leger hadden. Bij velen werkte dat immers als de grote aantrekking om ze naar de vergaderingen te krijgen. Vervolgens sprak ik over hun geestelijke belangen en meer dan eens vond ik het nodig hun hard de les te spellen. Daarna was er biecht. ’s Anderendaags kwamen zij ’s morgens in mijn mis te communie.

In de dichtstbije parochies van Cagny en daar waar de vluchtelingen het meest bestonden uit werkvolk, trachtte ik zoveel mogelijk vroeg op zondagochtend te gaan. Ik hoorde hun biecht en gaf hun de H. Communie en trachtte dan tijdig terug te zijn voor mijn hoogmis in Le Poirier.

Voor het gemak van de Belgen, opdat zij niet verplicht zouden zijn een tweede maal naar de kerk te komen (want sommigen moesten van zeer ver komen), en ook opdat die dag tenminste alle leden van het huisgezin mis zouden kunnen horen, vroeg ik de bisschop van Bayeux te mogen bineren, ten minste in de parochies waar er op zondag maar een mis of zelfs geen mis was. Het antwoord was een weigering. Dat verwonderde mij en daar ik dacht dat hij misschien mijn verzoek niet goed had verstaan, schreef ik hem een tweede maal. Nog eens dezelfde weigering. Het speet me voor die Belgen, maar ik had gedaan wat ik kon en ik maakte er mij geen kwaad bloed in.

Tezelfdertijd had ik monseigneur de bisschop gevraagd wanneer ik hem eens kon spreken om hem te groeten en tegelijk nog nadere bepalingen te vernemen nopens mijn jurisdictie. Hij stelde een dag voor in het begin van juli. In Bayeux, in het station, vond ik abbé Jozef Cos uit Turnhout, die ik meer dan 2 jaar gekend heb ik Dikkebus, waar hij brancardier was bij de artillerie die er gelegerd was. De jongen zag er bleek uit en was doodmager. Het was een jaar geleden dat ik hem gezien had. Hij vertelde mij dat hij na zijn vertrek uit Dikkebus overgegaan was naar de infanterie en enige maanden geleden in Boezinge gewond was door een kogel. Hij had zeer veel bloed verloren en was nu in herstelverlof in Bayeux. In 1921 werd hij professor in het college van Mechelen, dezelfde instelling waar meneer Belpaire, vroeger aalmoezenier bij de artillerie in Dikkebus, nu principaal is. Ik herinnerde me dat abbé Cos me eens gezegd had dat hij de zekerheid had levend uit de oorlog te komen om de volgende reden: toen hij een kleine jongen was, was hij zeer zwak van gezondheid. Daarom ging zijn moeder met het jongetje naar het heilige patertje van Hasselt. Toen zij hem om zijn zegen en een gebed verzocht, kreeg zij als antwoord: ‘Moeder, wees gerust over de gezondheid van uw kind. Uw kind zal gezond worden en zelfs priester worden.’ Zo werd die voorspelling vervuld. In 1941 werd hij pastoor.

Bayeux heeft een prachtige kathedraal, die ik zeer bewonderd heb. De bisschop, Mgr. Lemonnier, ontving mij met goedheid en sprak zijn genegenheid uit voor de Belgische vluchtelingen. Hijzelf begon over de binage, die hij onmogelijk kon toestaan en zei mij deze woorden, die mij nogal verbaasd hebben en die een idee geven van een Franse bisschop, een restje van gallicanisme: ‘Je sais bien que dans le diocèse de Bruges et même à Rome on est assez laxe sur ce point, mais ici on est plus sévère.’ Ik ging middagmalen bij dokter Verbeke uit Vlamertinge, nu in Poperinge, die daar zijn ambt uitoefende.

Mgr. Lemonnier, die mij reeds jurisdictie gegeven had voor de Belgen, gaf mij nu ook jurisdictie voor de Fransen die in Le Poirier te biechten zouden komen, ook voor de Fransen in de kerken waar de pastoor mij zou vragen om biecht te horen en ook voor alle Fransen die zich zouden aanbieden in een biechtstoel waar ik bezig was Belgen hun biecht te horen. Mgr. Lemonnier, die de zoon is van een visser, is afkomstig uit de Seine-Inférieure. Hij is zeer welsprekend en minzaam, zeer vertrouwelijk met zijn priesters, doch misschien wat te toegeeflijk.

Een van de voornaamste plaatsen die ik bezocht, was Courseulles langs de zee. Daar waren een 20-tal Belgische families, waaronder de heer notaris Thevelin, ook twee Dikkebusnaren Charles Decommer en Arthur Timperman. Tijdens de zomer, in de tijd van het vlas trekken, had de familie Vervisch er een deel van een huis in pacht en ik ging tweemaal een paar dagen bij hen doorbrengen, mijn werk doen in het omliggende en tezelfdertijd wat de zee bewonderen en er een bad nemen en ’s avonds had ik dan een goed souper van mosselen. Later ging ik bij mijn bezoek overnachten bij de familie Six uit Loker, die voor mij zeer hartelijk was. De vluchtelingen van Courseulles kwamen wel naar de vergaderingen en de biecht.

Nu ging ik de Belgen bezoeken in Mondeville en Hérouvillette, waar de familie Achiel Vandermarliere-Ghesquiere uit Dikkebus was en waar wij eens hartelijk konden praten over Dikkebus. Ook in Saint-Aignan-de-Cramesnil, Saint-Sylvain, Secqueville, waar de gebroeders Van Haecke van Kemmel hun hoeve hadden. Ook in Gouvix, Bretteville, Ifs, Maltot, Feuguerolles.

In Feuguerolles had ik een historietje met de heer pastoor. Ik schreef hem dat ik die dag zou gaan om de biecht te horen van de Belgen en vroeg of hij zo goed zou zijn om hen te verwittigen. Hij antwoordde mij: ‘Vos compatriotes ne sont pas dignes de l’absolution. C’est de la canaille, de la fripouille, enfin ce sont des indésirables, vous ne viendrez pas.’ Ik antwoordde hem met dezelfde beleefdheid en ben toch gegaan om hun biecht te horen. Maar hij heeft de H. Communie niet willen geven.

In Ifs waren er ook enige Belgische families. Op 800 inwoners waren daar geen 25 die naar de kerk gingen. Daar was er een oud pastoortje, met eigenaardige gedachten, de enige krant die hij las was de Petit Parisien. Een oude Belgische vrouw was daarnaartoe gevlucht. Ik hoorde haar biecht en vroeg de pastoor haar ’s anderendaags de communie te geven om 7.30 uur, daar ze niet lang nuchter kon blijven. ‘Neen, mijn mis is om 8.30 uur en vroeger ben ik in de kerk niet’. Zo heeft die vrouw haar Pasen niet kunnen houden. Is het dan te verwonderen dat het geloof in zulke parochies om zeep gaat? Nog Belgen waren er in Vieux, Bretteville-sur-Odon, Carpiquet, Saint-Manvieu-Norrey, Maizet (de brouwer Dejonghe uit Kemmel), Cambes (Cyriel Jacob en Victor Delporte uit Reningelst).

Ongeveer alle Belgen heb ik thuis bezocht en het is ongelooflijk hoezeer zij met dat bezoek van de aalmoezenier gediend waren, zelfs zij die niet al te priestergezind waren, zoals sommige mensen uit Nieuwkerke.

Het was ook tijdens mijn verblijf in de Calvados dat het college van Poperinge en Veurne verplaatst werd naar de Calvados. Ik heb meneer Hondeghem gezien op zoek naar een groot gebouw om er het college te kunnen inrichten. Eindelijk heeft hij een kasteel gevonden in Martragny op een paar uren van Bayeux. Het was daar dat in oktober 1918 beide samengesmolten colleges heringericht werden onder het bestuur van meneer Delbaere, principaal van Veurne, nadat meneer Hondeghem, principaal van Poperinge, al het geloop gedaan had. In december 1918 heb ik dat college bezocht. Ik ben misschien wel de enige Belgische priester die daar een bezoek gebracht heeft. Ik kwam daar op een regendag en waarlijk, dat was me daar een modderpoel. Dat schone kasteel met parketvloeren was erg gesteld. En meneer Hondeghem zei mij: ‘Ik vraag mij af wat de eigenaar zal zeggen als hij de doening komt bezien.’ Ik heb daar een aangename avond doorgebracht met de heren professoren. Ik vond daar als bewaker meneer Alfons Vandenberghe, surveillant van Veurne, ook Elie Delanghe, twee Delbaeres, meneer Permeke, meneer Vander Ghote, ook meneer Boone, wereldlijk professor. Zij hielden zich daar zo goed mogelijk en zeiden: ‘Het is toch beter dan in het leger.’

Om daarnaartoe te gaan ging ik voorbij Villiers-le-Sec, waar de heren Hilaire Boedts en Medard Lambrechts aalmoezenier waren in het Belgische hospitaal. In Bazenville ging ik de familie Leeuwerck van Dikkebus bezoeken.

Op Nieuwjaar 1919 zou meneer Quoidbach, legeraalmoezenier, Caen verlaten om terug te keren naar de handelsschool van Mons, waar hij leraar was. E.H. Kempeneer vroeg mij dat ik mij ook met de vluchtelingen van Caen zou belasten. Ik aanvaardde op voorwaarde dat ik ook de volle wedde van aalmoezenier zou ontvangen, te weten 200 fr. per maand. Tot nu toe had ik mij immers moeten vergenoegen met 50 fr. Ik ontving nog wel mijn inkomen van onderpastoor maar het was niet om breed van te leven. Het werd me toegestaan.

Caen is een oude stad, de hoofdstad van de Calvados, en ze ligt langs de Orne, een kleine stroom, dubbel zo breed als de IJzer. Men vindt er twee bijzonder mooie kerken: Abbaye-aux-Hommes, nu de kerk van St.-Etienne, en Abbaye-aux-Dames, met daarnaast de gebouwen van de abdijen, nu voor andere diensten bestemd. In gewone tijden waren er in Caen zo’n 50.000 inwoners, nu waren er bijna het dubbele. Er waren immers grote militaire hospitalen, ook grote werkplaatsen voor benodigdheden van het leger en buitengewoon veel vluchtelingen, meestal Fransen. Er waren zo’n 1200 Belgen. Een derde ervan waren Walen uit de omstreken van Charleroi. De Vlamingen waren meestal uit Houthulst, ook uit Diksmuide, het was de goede soort niet. Ook waren er enige brave families uit Roeselare. Het merendeel ging ’s zondags niet meer naar de mis en het gedrag van de vrouwen liet nogal te wensen over. De omgang met de Belgische soldaten van het hospitaal deed hun geen goed.

In Caen was er een bloeiende Belgische school, gesticht door meneer Quoidbach, met meester Samyn van Sint-Joris bij Nieuwpoort als bestuurder. Er waren 5 klassen, gegeven door madame D’hondt van het middelbaar onderwijs van Beaumont, meneer Valentin, een Waal, juffrouw Gryson van Poperinge, meneer Samyn en juffrouw Samyn. Die school was goed en telde zo’n 170 kinderen. Ik ging er wekelijks de catechismus geven. Meneer de notaris Camerlynck van Passendale van het schoolcomité, en de aalmoezenier-schrijver meneer Quoidbach hadden alles ingericht doch niet alles vereffend, ook niet de school van Douvres-la-Délivrande. Hij liet mij de hele boel na. Dat heeft mij, toen ik weer in België was, nog veel schrijven en werk gevraagd om alles te vereffenen en het was pas op het einde van 1920 dat ik daarmee gedaan kreeg. Meneer Benoit du Rey stond ons een grote zaal af voor dat onderwijs en daarvoor verdient hij grote dank vanwege de Belgen.

Op zaterdagnamiddag ging ik de biecht horen van de Belgen van Caen, eerst in St.-Etienne en later in St.-Pierre. Gewoonlijk kwamen er een tiental. Met Pasen heb ik er ook biecht gehoord, alsook in de kerk van Vaucelles en ik moet bekennen dat misschien wel de helft van de mannen hun paasplicht verzuimd hebben. Ik had hen nochtans genoeg vermaand. Ik had er veel meer Fransen dan Belgen te biecht.

Ik had nog een Belgische school te besturen in Douvres-la-Délivrande, gegeven door meneer Hondeghem, nu onderwijzer in Reningelst, een school die zeer goed draaide, gemengd, met zo’n 30 leerlingen. Daar woonden ook een 20-tal families. Daar was er een grote toeloop naar O.L. Vrouw van de Délivrande, een kerk in de aard van Dadizele, maar de toeloop was nog groter.

In Caen had ik een kamer bij een brave juffrouw en daar hield ik tweemaal per week zitdag en konden de Belgen mij spreken. En zij kwamen talrijk af, ik heb er veel brieven voor hen geschreven.

Zo had ik werk genoeg en ik ondervond dat een Belgische aalmoezenier er veel goed kon doen. Het was begin maart 1919 dat ik een brief ontving van meneer Delaere, deken van Ieper benoemd, waarin hij mij vroeg zo vlug mogelijk naar Dikkebus terug te keren. Dat verwachtte ik niet omdat ik vond dat ik veel nodiger was in de Calvados dan in Dikkebus, waar nog bijna niemand was teruggekeerd. In zijn brief deed hij ook een voorstel om met verscheidene priesters samen te wonen en van daaruit het omliggende te bedienen en hij vroeg daar mijn mening over. Op de eerste vraag antwoordde ik dat ik bereid was terug te keren maar dat ik toch eerst iedereen de gelegenheid moest geven om zijn Pasen te houden. Op de tweede vraag dat ik om allerlei redenen bezwaar had tegen samenwonen.

Ik liet dat nieuws weten aan de hoofdaalmoezenier en kreeg de toelating om aanstonds mijn ronde voor Pasen te beginnen om die af te werken bij het begin van mei. Elke zondag en soms ook in de week trok ik naar verscheidene plaatsen. Het is nog voorgevallen dat ik op zondag om 11 uur vertrok, in 5 verschillende parochies biecht ging horen en ’s avonds thuiskwam na een tochtje van 60 tot 70 kilometer. De Belgen kwamen nogal talrijk te biechten. De flauwste parochie was Dives-sur-Mer. Daar waren een 40-tal families, het meest van Ieper en Diksmuide, gemeen volk van St.-Pieters en het Zaalhof. Het was datzelfde volkje dat eens op de markt, waar boter en eieren te duur waren volgens hen, in opstand kwam en de manden omverwierp. Ik had ze laten vermanen en slechts 8 oude mensen en een jong meisje kwamen naar de biecht. Ik passeerde voor een danszaal en daar kon ik zien waar ons arme volk zich ophield.

De laatste weken van mijn verblijf hebben wij nog 2 mooie plechtigheden gevierd: de plechtige communie van de Belgische kinderen van Cagny, Frénouville en Emiéville in de kerk van Frénouville. 14 jongens en 1 meisje deden hun plechtige communie en 6 kinderen hun eerste communie. Alle kinderen hadden een mooie kaars en alle Belgen waren aanwezig. Dat gebeurde op Palmzondag. Twee dagen nadien was er plechtige communie voor de kinderen van Caen in de kapel van een klooster. Monseigneur de bisschop van Bayeux was op mijn vraag de H. Communie komen uitdelen en diende daarna het H. Vormsel toe. 26 jongens en 8 meisjes deden hun plechtige communie en 41 kinderen werden er gevormd.

Nog enige andere Vlaamse priesters verbleven ook in de Calvados en hielden zich min of meer met de vluchtelingen bezig. Meneer Mostaert zorgde voor Lisieux en omstreken en was ons hoofd. Meneer Vanden Weghe, onderpastoor van Pervijze, was aalmoezenier van Bayeux en omstreken. Meneer Delacauw, pastoor van Dranouter, deed dienst als pastoor van Crocy, in het zuiden van het departement. Meneer De Wolf Louis, onderpastoor van Beselare, was in Beaumais, op een uur daarvandaan. En meneer Vanderhaeghe, onderpastoor van Westouter, in Manerbe bij Lisieux. Meneer Roose, onderpastoor van Ieper, was in Trouville. Deze priesters deden parochiedienst maar hielden zich tezelfdertijd ook min of meer bezig met de Belgen van het omliggende.

Bij het begin van mei was ik klaar met mijn werk en kon mij gereedmaken om terug te keren naar het vaderland.

In Cagny bewoonden wij een klein huis met 2 plaatsen, een beneden en een boven. Deze laatste plaats moesten wij scheiden met een gordijn om zo 2 slaapplaatsen te hebben. Wij waren er gelukkig want wij hadden toch een eigen haard. Wij konden deftig gezelschap vinden bij de familie Vervisch, waar wij regelmatig de zondagavond gingen doorbrengen en soms ook gedurende de week, en als er kennissen kwamen, werden wij er regelmatig uitgenodigd. Het was daar altijd open deur.

Jozef en Remi, die soldaat waren, kwamen bij ons hun verlof doorbrengen en het was een groot genoegen om met hen eens de streek af te reizen.

Tijdens mijn verblijf in Cagny hebben wij ook de bedevaart gedaan naar Lourdes. Meneer Callewaert van De Klijte, die dienstdeed als onderpastoor in Bourganeuf in de Creuse, en meneer Dermaut van Reningelst, pastoor in Saint-Sébastien, zouden de reis meemaken. In het station van Evreux zag ik meneer Dermaut, maar zonder pakken. Hij had geen doorgangsbewijs gekregen terwijl ik er een bekomen had met alle gemak van de wereld. Wij waren in Parijs op 20 september 1918 en bezochten er Les Invalides en andere monumenten. ’s Avonds stapten wij op de trein naar Toulouse. Om middernacht kwam meneer Callewaert zich bij ons voegen. In Toulouse bezochten wij een zeer oude kerk en bewonderden er in de crypte de schat van die kerk: vele eeuwenoude ornamenten en kerkgerief. Daar vonden wij Felix Philippe, die met ons de reis naar Lourdes meedeed. Wij verbleven 6 dagen in Lourdes. Er waren daar verscheidene honderden Belgische soldaten, die daar zeer goedkoop gelogeerd waren. Wij bezochten er de aalmoezenier E.H. Desmedt, pastoor van Voormezele, en Van Hoenackere, onderpastoor van Ichtegem. Daar vernamen wij meer nieuws over de slag van Houthulst en de vooruitgang van de Belgen. Op onze terugreis bezochten wij in Parijs de kerk van Montmartre. In Limoges kwamen plotseling 2 Dikkebusse families in ons compartiment binnengestapt: Camiel Capoen en Isidoor Deroubaix. Wat een toeval elkaar zo te ontmoeten.

Nog een toeval. In mijn huis in Dikkebus had ik in oktober 1914 de familie Lefere uit Oostnieuwkerke geherbergd. Moeder, zoon en dochter. Na veertien dagen vertrokken zij, eerst naar Loker en vandaar naar Frankrijk. Nooit meer hoorden wij over hen spreken en mijn zuster en ik hadden ons dikwijls afgevraagd: ‘Waar mogen die mensen toch naartoe zijn?’ In mei 1918, bij mijn eerste bezoek in Cagny, ging ik de oude pastorie van Frénouville bekijken met het idee er misschien te komen wonen. Voor de pastorie zag ik een jong meisje staan van zo’n 17 jaar en ik vroeg haar in het Frans een inlichting en zij antwoordde mij in het Vlaams: ‘Wel, meneer de onderpastoor van Dikkebus.’ Ik schrok ervan en vroeg hoe zij mij kende en zij antwoordde mij; ‘Wij zijn bij u gevlucht geweest.’ Het waren dezelfde mensen, zij woonden daar rechtover.

Nu en dan deed ik nog een reisje om Dikkebusse vrienden te bezoeken. Zo bezochten wij op Witte Donderdag de familie Dalle, die een hofstee bebouwde in Fumichon, op de grens van Eure en Calvados. Daar hebben wij een hartelijk babbeltje geslagen met die beste vrienden. In de Eure bezocht ik ook Oscar Ghesquiere en Theophiel Huyghe, die boerden nabij Le Neubourg. Daar zag ik uiterst veel kleine partijen land alhoewel het in die streek voor de hand lag om grote partijen aan te leggen. Dat verwonderde mij. Ik vernam de uitleg. Als een boer daar zijn goed wil verdelen tussen zijn kinderen, maakt hij de verdeling niet op het totaal maar op de verschillende delen en zo wordt iedere partij land verdeeld in evenveel delen als hij kinderen heeft.

In de lente van 1919 keerden veel vluchtelingen terug naar België. Toch duurde het dikwijls nog enige tijd voor zij de toelating kregen, die aangevraagd moest worden in Parijs. Half april vertrok er een grote trein vol Belgen vanuit Caen. Meneer Vanden Weghe was ook mee. Meneer Mostaert vertrok op 5 mei en wij daags nadien met verscheidene pakken, de fiets, en nog 300 kilo bagage (meer werd er niet toegestaan). In Parijs moesten wij de bagage achterlaten. Op 7 mei in de ochtend kwamen wij aan in Hazebrouck, waar ik mis las. Om 11 uur waren wij in Poperinge en ’s middags bij de brave familie Van Cayseele in Reningelst. Van de 8 pakken kwamen er, zo’n 10 dagen later, 6 aan in het station van Poperinge. Ik bekeek ze en vond ze in orde, goed gesloten zoals ik het gedaan had. Hoezeer waren wij verwonderd, een paar dagen nadien, toen wij ze openden en vaststelden dat wij bestolen waren. De stof voor een soutane en een kapotjas voor mij, ook voor een soutane en een kapotjas voor meneer de directeur van Heule, een groot tafellaken, en nog verscheidene andere van onze beste voorwerpen waren verdwenen. En de dieven hadden alles zo mooi weer dichtgedaan dat men nooit de diefstal kon vermoeden. Bezwaar maken hielp niet. Het bestuur van de spoorwegen aanvaardde in die tijd geen verantwoordelijkheid. 14 dagen later kreeg ik nog een pak en 7 weken later kreeg ik een bericht vanuit Roeselare dat er daar een pak stond zonder adres en bij het openmaken hadden zij er een brief in gevonden waarop mijn naam stond. Zo had ik na 2 maanden al mijn pakken terug, behalve het gestolene. Het gebeurde heel zelden dat men alle pakken in orde ontving.

Ik heb Frankrijk zonder veel spijt verlaten, al moet ik bekennen dat ik daar tamelijk gelukkig was, dat ik daar goede vrienden gevonden heb en veel troost heb gesmaakt in mijn leven als balling.