19. Bevrijde demon
Puc stortte een bezwering uit.
Een golf van pulserende energie rees boven de hoofden van de strijders uit en veegde de weinige nog overgebleven gevleugelde demonen uit de lucht. Ergens te midden van de mêlee schiep Kaspar orde, en de verschillende Midkemiaanse eenheden begonnen hun inspanningen te coördineren. Er kropen nog altijd demonen uit de kuil, maar ze kwamen nog slechts druppelsgewijs, en Puc voelde aan dat ze op het punt stonden de horde te verslaan.
Een twaalftal magiërs was met de soldaten meegegaan, en zij gebruikten hun kunsten om de onhandelbaardere schepsels te beheersen of de magiegebruikende demonen uit te schakelen. Puc wendde zich tot Magnus. 'Ik denk dat het bijna gedaan is.'
Voordat Magnus kon antwoorden, klonk er een luid gedreun en schoot er een enorme puls van verblindend groen licht omhoog naar elk van de vier torens, om boven aan de pilaren tot uitbarsting te komen.
De effecten volgden bijna ogenblikkelijk: de grond bochelde omhoog onder hun voeten en smeet de meeste strijders tegen de vlakte. Puc herstelde zich snel en wees naar de torens, die pulseerden terwijl er golven van groene energie naar de toppen liepen en daar een groeiende, helwitte bol van energie voedden.
'O, goden, ik weet wat dat is,' zei Magnus. 'Het is een soort oproeptoestel, zoals je al zei.'
'Maar het is ook het verband tussen doodsbezwering en demonenoverlevering!' riep Puc. 'Daarom vonden die doodsrituelen plaats waar Jim melding van maakte, en daarom lagen er lijken in de kuil, en daarom kan het Dahun niet schelen hoeveel demonen we doden.' Hij wees naar de energie die met toenemende frequentie en snelheid tegen de torens omhoog golfde. 'Als de poort helemaal open is, komt hij erdoor.'
'Maar hij is hier al,' zei Magnus. 'Hij zit in het lichaam van Belasco!'
'Dat is misleiding!' zei Puc. 'Hij rekt tijd.' Hij greep Magnus bij de arm. 'Ga weer naar beneden. Vertel Amirantha en Gulamendis wat er gebeurt.' Hij keek naar het strijdgewoel en riep: 'Ik moet iets verzinnen om een einde te maken aan het doden!'
De menselijke troepen hadden zich verzameld rondom Kaspar, die een drijfjacht op touw zette om van alle kanten op te rukken naar de resterende demonen. Die tactiek dwong de demonen op een kluitje, zodat alleen die aan de buitenkant nog tegen de menselijke soldaten konden vechten.
Toen kwam er een volgende golf demonen de kuil uit stormen. 'O, verdomme!' vloekte Puc.
Magnus haastte zich de kamer in. 'Ze gebruiken doodsmagie om de demonenpoort te activeren!'
Amirantha keek Gulamendis aan. 'Ik vraag me af wie daar opgekomen is?'
Dahuns minachting sneed als een mes door de lucht. 'Je broer dacht me te kunnen gebruiken, mens! Hij wilde mijn kracht voor zijn eigen doeleinden gebruiken! Hij had visioenen van een demonenleger hier, dat hem zou dienen terwijl hij deze wereld veroverde! De stommeling!'
Amirantha fronste zijn voorhoofd. 'Zo ambitieus is hij in mijn ervaring nooit geweest.'
'Mensen veranderen,' zei Gulamendis.
Wat zijn motieven ook waren, heb ik het goed als ik concludeer dat deze versmelting van doodsmagie en een demonenoproep nu zorgt voor een onverwacht probleem?' vroeg Laromendis.
'Elk leven dat daarboven wordt genomen voedt het toestel, en het lijkt erop dat er een demonenpoort wordt geopend. Er komen nog steeds lagere demonen uit,' antwoordde Magnus.
'Kun jij Dahun zijn kop laten houden?' vroeg Sandrina.
Gulamendis sloot zijn ogen even. 'Nee. Maar ik denk dat ik een truc ken.' Hij prevelde iets, en abrupt vervaagde Dahuns stem naar de verte.
Wat was dat?' vroeg Magnus.
Amirantha glimlachte. 'Een leuke truc die hij me beslist eens moet leren als we deze dag overleven.' Kijkend naar het roerloze gezicht van zijn broer riep hij: 'Belasco! Hoor je me?'
Een ver gefluister antwoordde: 'Ja.'
Ze moesten zich inspannen om hem boven het getier van de demon uit te kunnen verstaan.
'Heb jij die poort van doodsmagie gemaakt?' vroeg Amirantha.
'Ja,' zei Belasco. 'Ik heb Sidi een keer bijna vermoord in Kesh, en hem gedwongen zijn schuilhol te verlaten. Ik vond daar diverse interessante boeken en schriftrollen.'
'Je hebt ons altijd al willen overtroeven,' zei Amirantha.
'Omdat ik beter ben!'
'Nou, zo meteen zul je zien dat je niet zo slim bent als je dacht, als iedereen hier en waarschijnlijk de halve wereldbevolking wordt uitgemoord,' snauwde Sandrina. Ze was overduidelijk moe en vond niet dat dit goed ging.
Jim kneep zijn ogen samen en waarschuwde haar zwijgend dat ze haar mond moest houden.
De onstoffelijke stem van de roerloze magiër nam een dringende klank aan. 'Ik voel iets trekken! De poort gaat open! Onze overeenkomst? Als ik je vertel hoe je dit monster moet verslaan, krijg ik dan mijn dag voorsprong?'
Jim stond op het punt nee te zeggen, maar Amirantha's ogen waarschuwden hem dat ze een kritiek punt naderden. Uiteindelijk knikte Jim.
'Eén dag,' zei Amirantha. 'Je krijgt verder niets; geen voedsel, water, paard of wapen.'
Belasco's gelach overstemde de razernij van de demon. 'Afgesproken! Dit is wat je moet doen: je moet ervoor zorgen dat ik binnen tien minuten bewusteloos ben.'
Sandrina tilde haar knots op, hield die voor de ogen van de liggende gestalte en zwaaide er dreigend mee. 'Dat is geen punt.'
Belasco lachte om dat dreigement. 'Ik mag haar wel!' Met een zwakke stem die steeds verder weg klonk, vervolgde hij: 'Nee. Broertje, jij weet wat je moet doen.'
Amirantha knikte en keek Gulamendis aan. 'Zijn lichaam is het probleem niet; het gaat om zijn geest. Jij moet blijven letten op wat Dahun doet, terwijl ik Belasco's bewustzijn uitschakel.'
'Uitstekend,' zei de liggende magiegebruiker. 'Zodra je dat doet, zal ik mijn greep op hem tussen de rijken kwijtraken en komt hij door de poort.'
'Is dat je plan?' vroeg Sandrina. 'Ik dacht dat we hem juist buiten dit rijk wilden houden!'
'Je moet de poort vernietigen terwijl hij er nog in zit. Zodra hij begint zich te manifesteren, heb je minder dan een minuut de tijd, maar hij zal in die periode heel kwetsbaar zijn. Dan moet je toeslaan. En dan breng je mij bij en vertrek ik, broertje.'
Amirantha wendde zich tot Magnus. 'Je moet je vader waarschuwen. Het wordt daarboven over een poosje heel akelig.'
Magnus sloot zijn ogen. 'Ik ben hier niet zo heel goed in, maar het scheelt me de tijd van naar boven rennen.'
Vader, hoorde Puc in zijn hoofd.
'Magnus?' fluisterde hij.
Ja. Luister goed, want ik weet niet hoe lang ik de verbinding in stand kan houden. Over minder dan tien minuten zal Dahun zicb manifesteren binnen de demonenpoort. Hij zal een minuut of misschien twee kwetsbaar zijn. Als je die poort meteen vernietigt, vernietig je ook hem voordat hij zijn gehele kracht heeft verzameld.
Puc blies langzaam zijn adem uit. 'Begrepen.'
Hij keek om zich heen en zag Kaspar op korte afstand, maar zeker zes demonen versperden hem de weg. Een bijzonder akelige, die wel wat leek op een neushoorn met twee lange, gekromde hoorns die aan zijn schouderbladen ontsproten, liet zijn kop zakken, tilde een enorm zwaard op en viel aan.
Puc schreeuwde: 'Achteruit!' tegen de soldaten in de buurt en stuurde een energiepuls op het schepsel af.
Puc deed zijn best om de demonen te verdoven of uit te schakelen zonder ze te doden, maar dat ging niet zo goed. Enkele monsters waren zo vastberaden dat ze zich door niets minder dan een dodelijke aanval lieten tegenhouden.
Toen Puc bij Kaspar aankwam, liet hij hem weten: We moeten ons terugtrekken.'
Waarom?' vroeg de generaal, terwijl zijn zwaard walmde van het zwarte demonenbloed dat erop zat. Hij had een nare schram op zijn rechterwang, maar daar trok hij zich niets van aan. We hebben net het slagveld onder controle, en de demonen omsingeld en op een kluitje gedreven. We kunnen ze nu van de buitenzijde aanvallen, en binnen een halfuur zijn ze allemaal dood!'
'Over een minuut of tien zal elk sterfgeval hier zorgen dat dat ding' — Puc wees naar de groene zuil - 'een demonenkoning hierheen haalt, en hij zal moeten worden verslagen met genoeg magie om dit hele bouwwerk met de grond gelijk te maken. Binnen een kwart mijl van hier zal waarschijnlijk niets het overleven.'
Terugtrekken!' brulde Kaspar, die de rest van de uitleg niet afwachtte. Hij kende Puc al lang genoeg om nooit aan hem te twijfelen waar het op magische zaken aankwam. Zane, een van zijn belangrijkste kapiteins en een geadopteerde kleinzoon van Puc, haastte zich naar hen toe met een gezicht alsof hij het bevel wilde tegenspreken. Net als Kaspar wist hij dat de menselijke troepen inmiddels de overhand hadden op het slagveld.
'Leid ze naar het zuiden! We moeten niet vast komen te zitten in die verrekte haarspeldbochten! Ik wil dat iedereen hier binnen zes minuten minstens een kwart mijl vandaan is!'
Zane wist wel beter dan zo'n bevel naast zich neer te leggen, en hij begon het door te geven. Het bevel werd snel verspreid, en de soldaten die tegenover de demonen stonden verhevigden gedurende een halve minuut hun aanval terwijl er achter hen een haastige aftocht begon.
'Hier zou ik normaal gesproken boogschutters inzetten, maar aangezien ik die niet bij me heb...' zei Kaspar.
'Ik begrijp het.' Puc hief zijn hand en lanceerde een rode lichtbol. Het was een teken waar alle magiërs in het veld op voorbereid waren, maar niet terwijl de strijd zo goed leek te gaan. Het was een bevel om de soldaten op hun aftocht te dekken. De magiërs die konden vliegen of zweven, gingen de lucht in en smeten verzengende dekens van vlammen en sidderende bliksems omlaag. Anderen klommen tegen de muren op en gebruikten staf of roede om allerlei soorten vernietiging over de demonen te laten neerdalen. Puc vervloekte de noodzaak om zich terug te trekken. Ze hadden het demonenlegioen bijna verslagen, en als hij tijd had gehad om de poort te bestuderen, dan was hij ervan overtuigd dat hij die kon uitschakelen zonder het hele bouwwerk te vernietigen.
Maar je krijgt niet altijd wat je wenst, dacht de magiër. Hij stuurde zijn gedachten naar Magnus: Benje veilig daarbeneden?
Ik kom naar boven. Deze kamer is diep genoeg en de anderen zijn hier veilig, maar jij hebt misschien hulp nodig met Dahun.
Puc protesteerde niet. Zijn zoon had waarschijnlijk gelijk. Even zette hij een toenemende angst van zich af, want hij wist dat het zijn lot was om ook Magnus te zien sterven, en hij vroeg zich af of dit het moment zou zijn. Hij bad dat het niet zo was terwijl hij de lucht in zweefde en demonen begon terug te werpen in de kuil.
Kaspars soldaten behoorden tot de best getrainde en gedisciplineerde troepen die Puc ooit had gezien, ondanks het feit dat de meesten niet samen waren opgeleid. Ze trokken zich snel en ordelijk terug en lieten het aan de magiërs over om de demonen op afstand te houden. Het voordeel van de menselijke troepen was zo groot dat zelfs tijdens de aftocht van de soldaten de demonen hen niet konden achtervolgen dankzij de geselende magie die van alle kanten op hen neerdaalde.
Magnus verscheen in de lucht naast zijn vader. 'Je wordt goed in zweven, vader!'
Dat zweven was iets geweest wat Miranda gemakkelijk afging, maar Puc had altijd moeite gehad het onder de knie te krijgen. Het was een punt van trots voor hem dat hij hard had gewerkt om zich de vaardigheden eigen te maken waar hij niet begaafd in was, en hij glimlachte. 'Ik kan je toch niet overal beter in laten zijn dan ik?'
Magnus probeerde te grinniken, maar hij wist dat zijn vader bijna gek was van bezorgdheid. 'Ik red me wel, vader,' zei hij in een poging hem gerust te stellen.
Beide magiërs lieten zo veel mogelijk destructieve energie gaan om een gordijn des doods op te trekken tussen de demonen en de terugtrekkende mensen. 'Nu wordt het gevaarlijk,' zei Puc, terwijl de laatste menselijke soldaten zich omdraaiden en wegrenden.
Alleen de magische muur van vuur en knetterende energie hield de demonen nu nog tegen, en Puc droeg Magnus op: 'Zeg Amirantha dat hij moet doen wat hij wilde doen.'
Magnus stuurde zijn gedachteboodschap naar de zwarte magiër.
Amirantha's ogen werden groot toen hij Magnus' stem in zijn hoofd hoorde. Vader zegt dat de omgeving binnen twee minuten vrij is.
Twee minuten,' meldde Amirantha aan de anderen.
'Mooi,' zei Belasco's stem. 'Ik word er heel moe van om dat beest in bedwang te houden.' Er werd duister gegrinnikt, met een humor die zijn oorsprong had in pijn en woede. 'Ik neem aan dat we allebei moeten concluderen dat ik deze keer te hoog gegrepen heb, broertje.'
Amirantha keek om zich heen en zag Jim die klaarstond om Belasco's keel af te snijden, Sandrina die klaarstond om hem de schedel in te slaan met haar knots, en twee elfen die klaarstonden om alles te doen wat nodig was om hem uit te schakelen. 'Aangezien hier vijf personen staan die je graag dood zouden zien en jij vastzit in een mentale worsteling met een demonenkoning, waarbij duizenden levens gevaar lopen... Ja, ik kan wel zeggen dat je te hoog gegrepen hebt.'
'Nou, ik zou kunnen beweren dat het me spijt, maar we weten allebei dat ik dan zou liegen,' zei hij, met iets wat klonk als een spoortje kwaadaardige pret. 'Je hebt misschien wel gelijk, weet je.'
'Waarover?' vroeg de zwarte magiër.
'Over dat ik krankzinnig ben; ik weet het niet zeker, want ik heb me altijd zo gevoeld. Ik weet dat Sidi gek was, maar dat zag iedereen. Ik besef nu echter dat veel van wat ik heb gedaan... Begrijp me niet verkeerd, broertje, het kan me nog altijd niet schelen, maar ik besef dat je wel een beetje gek moet zijn om te proberen wat ik heb geprobeerd. Ik dacht gewoon dat ik te slim was...' Er klonk een hol gelach. Toen veranderde Belasco's toon ineens: 'Het begint! Je moet het nu doen!'
Amirantha knikte, en Gulamendis zei: 'Ik zal de demon binnen in hem een paar minuten ophouden.'
'Ik kan je broer rustig houden, Amirantha,' zei Sandrina.
'Begin maar,' zei Amirantha.
'Succes, broertje,' klonk Belasco's stem. Amirantha's ogen werden een beetje groter, want heel zijn leven had zijn broer hem nog niet de minste voorspoed toegewenst. Alsof hij dat ook inzag, voegde Belasco eraan toe: 'Als jij namelijk geen succes hebt, dan ga ik er zeker aan.'
Ze begonnen met hun bezweringen.
Demonen verschrompelden onder de verzengende aanval van de magiërs om hen heen. Het was meer een gevoel van
Puc dan dat hij daadwerkelijk iets zag, maar de magiërs op de muren begonnen af te haken, uitgeput omdat ze binnen zo korte tijd zoveel magie hadden gebruikt. Alleen Magnus scheen geen last te hebben van de eisen die aan hem werden gesteld.
Een enorme golf energie kwam omhoog door de vier torens, en plotseling verscheen er een enigszins transparante gestalte, zwevend in de lucht.
Dahun was twintig voet lang, zijn enorme bovenlichaam was verschrikkelijk gespierd, hij had lange benen en een geschubde hagedissenstaart. Zijn zwarte benen en staart liepen over naar rood op zijn buik, en bij zijn borst was hij scharlakenrood. Zijn gezicht was vertrokken van pijn, alsof de overgang vanuit het demonenrijk folterend voor hem was. Hij brulde: een ver, hol geluid. Zijn ogen waren geheel zwarte bollen, wijd open en zoekend. Terwijl zijn hoofd heen en weer bewoog zwaaide zijn haar, waarin menselijke schedels waren gevlochten, om zijn schouders. Het voorhoofd van de demonenkoning was getooid met een massief gouden ring met een donkere steen erin, die pulseerde met een purperen licht. De vingers van zijn linkerhand liepen uit in zwarte klauwen en gingen langzaam open en dicht, alsof hij niet kon wachten om zijn vijanden te verscheuren. In zijn rechterhand hield hij een brandend zwaard. Zijn heupen waren omgord met een kilt met metalen punten, en twee brede leren banden liepen kruislings over zijn borst, met een dik gouden embleem in het midden.
'Nu!' riep Puc naar Magnus, en ze stortten alle destructieve magie die ze tot hun beschikking hadden over hem uit.
Twee golven van sissende lucht schoten uit hun handen en raakten de gestalte recht tegen de borst. Dahun trilde en begon met uitgestoken handen, alsof hij smeekte, achterover te vallen. Een enkel woord kwam over zijn lippen.
'Nee!'
Toen hij tussen de omtrekken van de vier torens vandaan viel, schoten er purperen bliksems uit zijn lichaam, die de pilaren boven hem raakten. De demonenkoning krijste van woede en pijn, en hij maaide met zijn armen in een poging zich aan de dichtstbijzijnde pilaar vast te grijpen, zodat hij niet buiten de grenzen van de kuil zou vallen.
'Vernietig de torens!' droeg Puc Magnus op.
Puc richtte zich op de demon terwijl zijn zoon probeerde de torens te laten omvallen. Zijn schichten van brandende energie veroorzaakten rokende striemen op het lichaam van de demon totdat Dahun tussen twee bogen door viel. Hij jammerde deerniswekkend toen hij de grond raakte.
Magnus zag dat hoewel de meeste andere magiërs om hen heen vluchtten, een paar sterkeren nog op de muren bleven en hun magie op de demon richtten om Puc te helpen. Hij tastte met zijn geest, op zoek naar een sleutelsteen in de fundering dicht bij waar zijn vader en hij zweefden. Met zijn kracht verbrijzelde hij de steen daarna binnen enkele ogenblikken tot stof en stuurde een reusachtige golf van energie naar de ontstane opening in het metselwerk. De hele toren beefde en begon in te storten, en stenen vielen omlaag terwijl de constructie heen en weer zwaaide. Toen hij omviel, schoten er enorme ondadingen van groene magie omhoog, als waanzinnige stofduivels die wegwervelden in de nachthemel.
Dahun krijste van pijn toen de uit hun evenwicht gebrachte energieën in de kuil krachtige explosies als van bliksem en vuurbollen voortbrachten. Puc voelde golven van hitte opstijgen, en hij richtte intuïtief een beschermend schild rondom zichzelf en Magnus op.
Met het schild om hen heen konden ze alleen nog maar toekijken.
Dahun lag te kronkelen op de grond, naar adem happend als een vis op het droge. Zijn lichaam bewoog spastisch terwijl de vlammen om hem heen raasden. Zijn benen en staart hingen nog over de rand van de kuil en begonnen te roken en blaren te vertonen; hij schreeuwde van pijn, maar hij kon zich niet bewegen.
Magnus stuurde zijn vader in gedachten de boodschap: Het is voorbij.
'Nog niet helemaal,' antwoordde Puc.
Een tweede toren begon te beven, en Puc gebruikte zijn magie om de andere magiërs te waarschuwen. 'Wegwezen!'
Twee van hen vluchtten, en de ander sprong van de lage muur het fort uit en rende zo hard mogelijk weg. De derde en vierde toren begonnen nu ook te verbrokkelen en naar binnen te tuimelen. Op dat moment schoot er weer een zuil van vuur uit de kuil omhoog. Dahuns hele onderlichaam was nu verteerd, en zijn starende ogen waren weggerold in zijn kassen.
Toen was er plotseling een luid, zuigend geluid te horen, gevolgd door een beving in de aarde. Dahuns resten werden van de grond geplukt en verdwenen binnen een oogwenk in de kuil. Alle brokken steen en lijken in de buurt werden ook in de kuil gezogen, alsof een enorm vacuüm alles inhaleerde. Alles wat niet vastzat binnen de muren verdween, ook gevallen wapens.
Toen was het stil.
'Is het nu voorbij?' vroeg Magnus.
'Ik denk...'
Er volgde een verschrikkelijke ontploffing.
Een zichtbare schokgolf rolde de kuil uit en stuwde aarde, delen van lichamen en puin voor zich uit. Hij schoot met zoveel kracht naar buiten dat het kleine gebouw en de buitenmuren van het fort werden weggeblazen alsof een kinderhand een blokkentoren had omgemaaid. Alleen Pucs schild hield hem en zijn zoon veilig, maar de felheid van de uitbarsting had hem verrast.
De snelheid en kracht van de schokgolf veegde alles binnen enkele tellen schoon, en toen ze omlaag keken was er niets meer te zien van de kuil of van welk bouwwerk dan ook. Elk spoortje van planten in de omtrek was verdwenen, en de grond was glad als gepolijst marmer.
Wat is er gebeurd?' vroeg Magnus.
'De scheuring is gesloten,' zei Puc. We hebben de magie uit zijn evenwicht gebracht, en dat heeft zich nu hersteld.'
'Het lijkt wel alsof daarbeneden niks meer over is.'
‘Nou, onze vrienden zijn daar nog, als ze het hebben overleefd.' Puc liet zichzelf en zijn zoon naar de grond zakken. We kunnen ze maar beter uitgraven.'
'Ik hoop dat Kaspar zijn mannen ver genoeg weg heeft kunnen krijgen om die uitbarsting te overleven,' zei Magnus.
'Ik vermoed van wel,' antwoordde Puc. 'Ik ben alleen niet zo zeker van die arme Timothy. Hij rende weg toen ik hem voor het laatst zag.'
Magnus keek hem aan. 'Hij is snel.'
'Laten we hopen dat hij snel genoeg was.' Ze stonden weer op de grond. Waar stond dat gebouw?'
'Hier ergens,' zei Magnus, en hij sloot zijn ogen en begon te tasten met zijn magie om de ingang te vinden.
Amirantha was de eerste die weer bij kennis kwam. Het was pikkedonker in de ondergrondse kamer. De enorme explosie boven hen had even alle lucht uit de kamer gezogen, waardoor het licht was uitgegaan en iedereen bewusteloos was geraakt.
Zijn longen brandden en hij voelde zijn hoofd bonzen terwijl hij blind om zich heen tastte en de voet van het altaar voelde. Hij trok zich eraan op en kwam overeind. De lucht was snel weer teruggestroomd naar binnen, maar de plotselinge drukverandering had nogal wat schade aangericht.
Hij reikte in zijn riembuidel, haalde er een kristal uit en prevelde een woord. Het kristal begon te gloeien en verspreidde genoeg licht in de kamer om de anderen te kunnen zien. Sandrina kwam kreunend in beweging, en hij knielde bij haar neer, schudde zachtjes aan haar schouder en zei: 'Je leeft nog.'
Ze schudde haar hoofd, stelde haar ogen scherp op hem en vroeg: Wat?'
‘Voor het geval je het je afvroeg; je leeft nog.'
Ze gromde. 'Dat vroeg ik me inderdaad af.'
Hij hielp haar overeind terwijl Jim en de twee elfen bijkwamen en de schade overzagen. Kijkend naar de roerloze gestalte van Belasco vroeg Amirantha: 'Heeft hij het overleefd?'
Alsof hij was gewekt door die vraag, kreunde Belasco en bewoog zich een beetje.
Een bons boven hen en een plotseling stofwolk vanuit de gang werden gevolgd door de stem van Magnus in hun geest: Is iedereen in orde?
'We leven nog, maar het scheelde niet veel!' riep Amirantha.
Even later kwamen de twee magiërs binnen en meldde Puc: 'Het is voorbij.'
'Is de demon weg?' vroeg Jim, knipperend met zijn ogen om helder te kunnen zien.
'Alles is weg,' zei Magnus. 'De kuil is gevuld, de grond is kaalgeveegd, en de brokstukken liggen over mijlen verspreid. Het lijkt wel alsof dit hier nooit heeft bestaan.'
'Mooi,' zei Jim. 'Dan hoef ik geen verklaringen te geven aan de Keshische regering.'
Belasco kreunde weer en ging overeind zitten. Met knarsende stem vroeg hij: 'Is het voorbij?'
'Ja,' zei Amirantha. 'En je dag voorsprong om een veilig heenkomen te zoeken begint nu.'
Voorzichtig kwam de magiër van de altaarsteen en ging op wankele benen staan. 'Dan ga ik maar eens.' Hij liep met hortende passen weg, bleef staan, haalde diep adem en herhaalde: 'Dan ga ik maar.'
Hij was bijna bij de deur toen Amirantha zei: 'Wacht.'
Belasco draaide zich om. Wat is er?'
'Geef me je woord nog een keer.'
'Dat heb je al,' zei hij met een minachtende sneer.
'Nog eens, zeg het nog eens.'
Wat?'
'De eed.'
Belasco zweeg een hele tijd, maar toen zei hij: Wat je wilt. Bij het bloed van de oude vrouw, de...'
'Dood hem!' schreeuwde Amirantha.
Puc, Magnus, de elfen en zelfs Sandrina aarzelde, kijkend naar de zwarte magiër, en Puc vroeg: Wat...?'
Jim Dasher aarzelde echter niet. De dolk, die zijn hand niet had verlaten sinds hij naar deze ondergrondse ruimte was gekomen, vloog door de kamer en raakte Belasco in de keel. De ogen van de magiër werden groot en hij bracht zijn hand omhoog alsof hij dacht het bloed te kunnen tegenhouden met zijn vingers.
Het rode bloed golfde uit zijn mond en neus terwijl hij probeerde te praten, maar toen liet zijn kracht hem in de steek en belandde hij op zijn knieën. Terwijl het bloed over zijn gezicht, nek en borst stroomde, viel hij op zijn rechterzij.
Waarom?' vroeg Puc.
'Omdat dat mijn broer niet was,' zei Amirantha.
'Hè?' vroeg Sandrina.
'Belasco zou de eed nooit verkeerd opzeggen. Hij begint met "Bij het bloed van de oude vrouw van de manen", maar hij stopte bij "Bij het bloed van de oude vrouw.'" Hij wees naar het lijk op de grond. 'Dat was mijn broer niet meer. Dat was Dahun.'
'De demonenkoning?' vroeg Gulamendis.
'Ja,' zei Amirantha. Terwijl wij zo slim bezig waren, was hij ons toch te slim af. Hij heeft alles gemanipuleerd wat wij deden. Wij dachten dat er een strijd gaande was tussen hem en zijn gastheer, omdat hij dat zo wilde. Belasco herinnerde zich de eed wel, maar toen het moment daar was, smeet Dahun hem naar buiten in het demonische lichaam dat vanuit de Vijfde Cirkel omhoog kwam. Het stond al van tevoren vast dat jullie' — hij wees naar Puc en Magnus - 'Dahuns lichaam zouden vernietigen. Belasco had niet het vermogen om de magie van de demon te gebruiken. Hij was een gemakkelijk doelwit.'
'Er was een hoop magie voor nodig om die constructie te verwoesten,' zei Magnus, 'maar voordien was er eigenlijk geen strijd.'
'Maar waarom?' vroeg Puc. 'Waarom deed hij al die moeite om hierheen te komen alleen om het lichaam van je broer over te nemen?'
'Ik kan alleen maar speculeren,' zei de zwarte magiër.
'Nou, we gaan toch zo terug naar Tovenaarseiland, dus laten we het daar maar bespreken,' zei Jim.
'Akkoord,' bevestigde Puc. 'Laten we deze door de goden verlaten plek nu maar snel ontvluchten en naar huis gaan.'
Geen van de aanwezigen had bezwaar.