Amirantha keek met open mond om zich heen. Jim was ook stomverbaasd over de plek waar ze waren aangekomen, maar hij wist zich nog enigszins te beheersen. Puc wenkte hen mee en leidde hen dieper het gewelf in.

'Gewelf' was de enige beschrijving die Jim te binnen schoot voor de zaal waar ze in stonden, want het plafond ervan verdween in de schemering, zodat je met het blote oog niet kon zien hoe hoog het er precies was. Rondom rezen enorme pilaren op om het onzichtbare dak te ondersteunen, en rij na rij van planken was daar netjes tussen aangebracht. De gangpaden die ze vormden, en de kruisingen ertussen, zorgden voor een indeling als die van een reusachtig schaakbord. Op elke kruising was een slanke staander van sierlijk ijzerwerk neergezet, in een zwanenhals gebogen en uitlopend in een haak met een kristal aan een metalen kettinkje eraan vast. Die kristallen gaven net voldoende licht om bezoekers naar de volgende lamp in het gangpad te leiden.

'Onvoorstelbaar,' zei Amirantha terwijl hij naar de vele rijen boeken keek.

Jim klonk al net zo onder de indruk. 'Ik ben in de Koninklijke Archieven in Rillanon geweest, maar die verbleken bij deze bibliotheek. Hoeveel boeken staan hier, Puc?'

'Ik zou het niet weten,' zei de magiër terwijl ze tussen de schappen door liepen; sommige verdwenen in de schemering boven hen, en bij de meeste stonden ladders op rails. 'Misschien kan de bibliothecaris je dat vertellen.'

'Is dit Sarth?' vroeg Amirantha.

'Dat Wat Eens Sarth Was,' corrigeerde Puc.

'Dat kan ik niet volgen,' zei de zwarte magiër.

Puc draaide zich met een wrange glimlach om. 'De Ishapiërs verlieten hun klooster nabij de stad Sarth vlak voor de invasie van het leger van de Smaragden Koningin.'

'Ik snap het nog steeds niet,' zei Amirantha, die Puc door een smalle gang onder de gewelven volgde.

Puc bleef staan. 'De Ishapiërs hebben een profetie, of misschien is hadden een beter woord. Daarin stond dat er grote onrust zou ontstaan in het land, en dat na de vernietiging van het westen alleen Dat Wat Eens Sarth Was zou overblijven.'

Amirantha keek Jim aan, en vervolgens Puc, en vroeg: 'Is Sarth dan verwoest tijdens de invasie van de Smaragden Koningin?'

'In wezen wel,' antwoordde Puc, 'hoewel het oude klooster redelijk intact bleef. Hoe het zou zijn gegaan als de broeders er nog hadden gewoond...?' Hij haalde zijn schouders op.

'Dus hebben ze de voorspelling zelf laten uitkomen,' concludeerde Amirantha terwijl Puc verder liep.

Toen de zwarte magiër en Jim hem hadden ingehaald, zei Puc: 'Misschien. Of misschien komt er nog meer vernietiging op ons af en is alleen deze plek, Dat Wat Eens Sarth Was, voorbestemd om het te doorstaan.'

'Waar zijn we precies?' vroeg Amirantha. 'Ik neem aan dat we ergens onder de grond zijn, want ik heb nergens ramen gezien.'

'We zijn heel diep onder de grond,' antwoordde Puc. Wat het waar betreft: ik heb de monniken beloofd dat ik hun verblijfplaats nooit zal onthullen zonder dat zij daar toestemming voor geven. Jullie zijn hierheen vervoerd met magie die jullie begrip te boven gaat, dus ik kan veilig aannemen dat je hier na ons bezoek niet zelf kunt terugkomen.'

Amirantha grinnikte. 'Inderdaad.'

Ze kwamen bij een grote deur aan, en Puc trok hem open. De kamer erachter was klein, met een tafel die de halve ruimte besloeg, en binnen stond een witharige magiër gekleed in een zwarte mantel.

'Vader,' zei Magnus toen Puc binnenkwam. Toen begroette hij Amirantha en Jim.

Naast Magnus stond een monnik gehuld in het eenvoudige lichtbruine gewaad van een Ishapiër. Hij was een onopvallende man van middelbare leeftijd, met een rond hoofd en warrig bruin haar waar een tonsuur in was geschoren. Hij neigde zijn hoofd begroetend. 'Heb je gasten meegebracht, Puc?'

'Broeder Victor, dit zijn onze vrienden. Mag ik je voorstellen: James, baron van het koninklijk hof in Rillanon en de achterkleinzoon van heer James van Krondor, die ook wel bekendstond als "Robbie de Hand".'

De monnik glimlachte. We hebben een schitterend verhaal over uw voorouder dat u mogelijk nog niet kent.'

'En dit is Amirantha, zwarte magiër van de Satumbria, een volk van over de grote oceaan. Hij is een expert in demonen en ik vertrouw op zijn inzichten.'

'Het feit dat jij voor hem instaat, maakt mij verdraagzaam,' zei de monnik. 'Maar de vader-overste is wellicht minder mild.'

'Daarom ben ik ook rechtstreeks hierheen gekomen,' zei Puc knikkend.

De monnik glimlachte. 'Dus wanneer moet ik vertellen dat je ons een bezoekje hebt gebracht? Een uurtje nadat je weg bent?'

'Dat zou meer dan genoeg moeten zijn,' zei Puc. We zijn niet van plan lang te blijven, behalve als het toch nodig mocht blijken.'

TSIou,' zei de monnik met een droge gezichtsuitdrukking, 'wat zoek je deze keer?'

Magnus wendde zich tot Amirantha en Jim. We hebben broeder Victors uitgebreide kennis over alle mogelijke onderwerpen al aangeboord.'

De monnik stak zijn handen op, met de handpalmen naar buiten, en protesteerde: 'Dat valt wel mee.'

'Hij is de levende index voor waar alles in deze enorme bibliotheek te vinden is,' vertelde Puc aan de anderen.

'Dat is verbazingwekkend, maar hebt u hier dan geen schriftelijke registers?' vroeg Amirantha.

'Natuurlijk,' antwoordde de monnik, 'en twaalf van onze broeders werken er onophoudelijk aan om die registers bij te werken terwijl er nieuw materiaal wordt verzameld. Maar totdat ze klaar zijn met hun taak, doen wij het met in elkaar geflanste aantekeningen en met dit.' Hij tikte met zijn wijsvinger tegen zijn slaap.

Wat weet je over de Demonenbroeders?' vroeg Puc.

Het gezicht van de monnik verstarde. Bijna een minuut lang sloot hij zijn ogen. 'Ik geloof dat daar iets over stond...' Zijn ogen werden groot. Wacht! Ik ben zo terug.' En broeder Victor haastte zich de kamer uit.

De vier andere mannen keken elkaar vragend aan, en hun gezichten plooiden zich in een frons die dieper werd naarmate ze langer wachtten. Een halfuur verstreek voordat de monnik eindelijk terugkeerde met een stoffig, oud, in leer gebonden boek in zijn handen.

'Hier zou het in moeten staan,' zei hij, alsof hij net de kamer uit was gestapt en nu alweer terug was.

Wat is dit?' vroeg Puc toen de monnik het boek op tafel legde en het voorzichtig opende.

'Dit is een kroniek van ene Varis Logondis, een Quegse koopman die ongeveer vierhonderd jaar geleden leefde. Hij was dwangmatig in het bijhouden van zijn dagboeken en vond dat elk detail van zijn leven moest worden opgetekend. In feite was het grootste deel van zijn leven onopmerkelijk, behalve als je toevallig belangstelling hebt voor reisverhalen, lange verhandelingen over markttendensen of de toestand van Varis' spijsvertering op een willekeurige dag van zijn leven. Maar hij maakt zijdelings notitie van vele contemporaine kwesties, die nuttig zijn voor het bevestigen of weerleggen van andere historiën en verslagen uit diezelfde periode.

Een van zijn opmerkingen is me altijd bijgebleven.' Hij las vluchtig een bladzijde. 'Ah, hier staat het. Ik zal het hardop voorlezen, want zijn dialect is nogal gedateerd en zijn spelling is verschrikkelijk. '°s Avonds kwamen we aan bij een dorp genaamd Hamtas aan Jaguard, waar we werden verwelkomd in herberg Een Vredig Verpozen. Daar troffen we soldaten van het Keizerrijk aan, die zich ontspanden na een veldslag.

Ik merk dit hier op vanwege twee gronden," — ik ben ervan overtuigd dat hij twee redenen bedoelt - "ten eerste omdat ze geen militieleden waren, maar legionairs uit Queg die haastig in deze streek waren ingezet, en ten tweede omdat ze verschrikkelijk hadden gestreden tegen de Demonenbroeders en hun levende doden.'"

'Vierhonderd jaar geleden stond het grootste deel van de Bitterzee nog onder bestuur van het Keizerrijk Groot Kesh,' merkte Puc op.

Wat werkelijk belangwekkend is in deze passage, Puc, is dat de tijdweergave ervan twee andere bronnen die wij kennen ondersteunt, een daarvan in ons bezit.' Met een tevreden glimlach keek hij de magiër en zijn twee metgezellen aan. Varis schreef in zijn leven vijfenzestig boeken vol, dus ik moest er een paar doorbladeren voordat ik deze passage had gevonden.' Hij wees naar de bladzijde en vervolgde: 'De andere bron die we hebben over die strijd is een vrij standaard telling van veroverde goederen, die naar Queg zijn gebracht door de expeditie die Varis tegenkwam. We weten dat hij verbaasd was keizerlijke legionairs in plaats van lokale soldaten in dat stadje aan te treffen, en beide verslagen duiden erop dat er iets belangrijks gaande was. Legionairs waren destijds in slechts drie garnizoenen rondom de Bitterzee gelegerd: Durbin, Queg-Stad en Natal Haven. Ze werden nergens anders ingezet, behalve als er een opstand of een andere, even grote dreiging was.

Als we kijken naar wat die expeditie meebracht, zien we een ongebruikelijke lijst: naast een vrij korte inventaris van kostbare metalen, vee en slaven, is er ook een heel lange opsomming van afgodsbeeldjes, boeken en schriftrollen.'

Puc keek belangstellend toe, al wist hij niet zeker waar broeder Victor op doelde. 'Dat klinkt alsof ze een bibliotheek hadden geplunderd.'

De monnik glimlachte. 'Er waren geen keizerlijke bibliotheken in de buurt, en ook geen vestigingen van de religieuze ordes die we uit die tijd kennen; er bestonden geen bibliotheken ten westen van Malachskruis of ten noorden van Queg! O, er waren misschien hier en daar wel een paar kamers vol boeken, maar niets op een zo grote schaal dat het een gedetailleerde inventarisatie vereiste, waar het Keizerrijk destijds zo beroemd om was.' Er verscheen een vrolijke twinkeling in broeder Victors ogen toen zijn glimlach breder werd.

Wat is er?' vroeg Puc, die naar de man teruglachte.

'Het zijn jullie Demonenbroeders! Volgens deze inventaris kwamen meer dan twintig van de in beslag genomen boeken van de "frateri demonicus", een heel slechte Quegse spelling voor Demonenbroeders.'

'De doodsbezweerders?' vroeg Puc.

'Dat is een zeer ongebruikelijke naam,' zei broeder Victor. 'En er is meer.'

'Meer?' vroeg Magnus even voordat Jim hetzelfde vroeg.

'De titel van een van de boeken... Destijds waren legionairs niet veel beter opgeleid dan de gewone Keshische hondsoldaten van tegenwoordig. Hun officiers konden lezen en schrijven - dat was noodzakelijk voor het geven en ontvangen van bevelen — maar de gewone soldaten niet. Deze lijst moet zijn opgesteld door een betrekkelijk laag opgeleide officier, of mogelijk is de taak gegeven aan een lagere soldaat die amper onderwijs had genoten. Hoe dan ook, de titel die ze hebben opgetekend is Libri Demonicus Amplus Tantus en vertaald als "Groot en omvangrijk demonenboek.'"

Amirantha lachte. 'Ik spreek Quegs, maar dat is een frase die ik niet herken.'

'Hij is vierhonderd jaar oud. Oorspronkelijk nam ik aan dat de klerk niet begreep dat amplus en tantus een gelijksoortige betekenis hebben - omvangrijk en groot — maar nu schiet me te binnen dat onze bepaald niet geleerde klerk gewoon probeerde twee aspecten van het boek te beschrijven: dat het een groot boek is, maar ook dat het belangrijk is. 'Tantus" kan 'Van groot formaat" betekenen, maar "amplus" kan naast "omvangrijk" ook worden opgevat als 'Van groot belang". Dus wat je misschien hierna moet gaan bekijken is dit heel grote, heel belangrijke boek over demonen, dat vierhonderd jaar geleden is geschreven door een doodsbezweerder.'

'U hebt dat boek zeker niet toevallig hier?' vroeg Amirantha.

'Nee,' antwoordde broeder Victor met een spijtig gezicht. Was het maar waar. Het klinkt fascinerend.'

'Maar u weet waar we het zouden kunnen vinden?' gokte Magnus.

De monnik knikte. 'Inderdaad, als het nog bestaat.'

'De Keizerlijke Bibliotheek in Queg, misschien?' vroeg Magnus.

'Als het boek in de inventaris is gebleven die in beslag is genomen door de legionairs, en als ze de bibliotheek niet hebben geplunderd toen ze werden teruggeroepen naar Kesh bij de aftocht uit het noorden...' zei Puc. Hij tikte peinzend tegen zijn kin. 'Het is mogelijk. Ze hebben misschien het goud en de andere waardevolle spullen meegenomen naar het zuiden, maar boeken en schriftrollen? Minder waarschijnlijk.'

'Ik moet jullie nu verlaten, want het is bijna tijd voor het avondgebed,' kondigde broeder Victor aan. 'Ik neem aan dat jullie zelf de weg naar buiten wel kunnen vinden?' Zijn vrolijke gezicht gaf aan dat hij het antwoord al kende.

'Ja,' zei Puc. 'Dank je, oude vriend.'

'Nee, jij bedankt voor alles wat je ons hebt gegeven. Te weinig mensen beseffen hoeveel ze je verschuldigd zijn, Puc. Tot de volgende keer,' voltooide hij. Toen draaide hij zich om en liet de vier bezoekers alleen achter in de werkkamer.

We hebben een nieuw probleem, vader,' zei Magnus.

'Ik weet het,' antwoordde Puc. Hij wendde zich tot Jim. 'Queg is het enige hof waar we geen vrienden hebben.'

Jim zuchtte toen hij al zag aankomen wat Puc zou gaan zeggen. 'Ik dacht dat jullie overal agenten hadden, of in ieder geval vrienden.'

Puc glimlachte benepen. 'Queg is strategisch onbelangrijk. We hebben tijdens de invasie van de Smaragden Koningin wat informatie gemanipuleerd, om ze te laten denken dat ze een buitenlandse schatvloot aanvielen; in plaats daarvan stuitten ze op haar armada, de halve Keizerlijke Keshische Vloot en de Koninkrijkse Marine. Omdat ze geen landen wilden aanvallen waar ze een vredige relatie mee hadden, deden ze hun best om een paar schepen te plunderen, die in plaats van schatten kwade soldaten bleken te bevatten. Daardoor zijn ze argwanend geworden over alle informatie die niet van betrouwbare bronnen komt. Meer ter zake, ze hebben alle pogingen om hun inlichtingendienst te infiltreren weerstaan.'

Jim glimlachte spijtig. 'Ik weet het. Ik heb datzelfde probleem gehad.'

'En Kesh?' vroeg Magnus. 'Hebben zij niemand aan het Quegse hof geplaatst die van nut zou kunnen zijn?'

Jim schudde langzaam zijn hoofd. TSIee, die zijn net zo gefrustreerd over hun kleine buurland als het Koninkrijk. Als Queg niet zo'n formidabele marine had, zou het al een eeuw geleden zijn ingelijfd door het Keizerrijk of veroverd door het Koninkrijk. Er zijn niet veel plekken op het eiland die het veroveren waard zijn, maar ze zijn een grote ergernis. Hoewel ze voor jou misschien niet van strategisch belang zijn, Puc, zou het bestuur over Queg een groot voordeel bieden aan Kesh of het Koninkrijk.'

'En daarom wil geen van beide partijen dat de andere invloed krijgt,' voltooide Magnus.

Terug naar de onderhavige zaak,' zei Amirantha. 'Als je niemand aan het hof hebt die je kan helpen zoeken, hoe moeten we dan achterhalen of dat boek daar nog is?' Hij glimlachte droogjes. Wil je er gewoon opduiken en vragen of je in de bibliotheek mag rondneuzen?'

Pucs blik werd even glazig, en toen glimlachte hij langzaam. 'Dat is misschien wel precies de oplossing.'

Wat?' vroeg Jim. 'Ik was ervan overtuigd dat je me zou vragen er naartoe te zwemmen, de bibliotheek in te sluipen en het boek te stelen.'

'Nee,' zei Puc, die geamuseerd opkeek bij die suggestie. 'Jij gaat je rang gebruiken om de prins van Krondor zover te krijgen dat hij je erheen stuurt, samen met drie adviseurs,' — hij wees naar hen drieën — 'op een wetenschappelijke missie met de bedoeling om verdraaiingen van de waarheid in de Koninkrijkse geschiedenis te herstellen. Het zal de Quegse ijdelheid strelen als je uitlegt dat door dit proces hun roemrijke verleden voor altijd zal worden opgetekend in onze annalen. Dan vraag je of jouw drie geleerden een paar dagen rustig in de Keizerlijke Bibliotheek mogen rondkijken.'

Jims gezicht doorliep een heel spectrum van emoties, via verbazing en twijfel naar instemming en vervolgens opgetogenheid. 'Inspelen op hun ijdelheid!'

'Ja,' beaamde Puc. 'En daarna, als blijkt dat ze het boek hebben, kun jij de bibliotheek in glippen en het stelen.'

Jim sloeg zijn ogen ten hemel. 'Kunnen we het niet gewoon ter plekke doorbladeren?'

'Nee,' antwoordde Amirantha. We zullen het grondig moeten bestuderen, en dat kan weken duren. Als het is geschreven in een oude variant van de Keshische taal, zullen we een taalkundige moeten zoeken die ons kan helpen het te ontcijferen.'

'En de Queganen zouden zich misschien afvragen waarom we ons richten op één oude, vage tekst over demonen terwijl we eigenlijk hun geschiedenis zouden bestuderen,' vulde Magnus aan.

'Het zou handig zijn als je de Sterrenelfen kon overhalen hun demonenmeester te laten terugkeren wanneer we dat boek eenmaal hebben,' opperde Amirantha. Hij schudde zijn hoofd alsof hij niet blij was het te moeten toegeven, maar voegde eraan toe: 'Hij weet veel wat ik niet weet. Ik heb hem een paar trucs geleerd toen hij op het eiland was, maar ik denk dat ik sneller zou kunnen werken als Gulamendis bij ons was.'

Puc keek Magnus aan. 'Hebben we nog iets gehoord van de taredhel?'

Magnus schudde zijn hoofd. 'Alleen via Tomas. Hij en zijn koningin hebben nog steeds contact met de regent, maar je weet dat elfen nogal de tijd nemen.'

'Maar al te goed,' beaamde Puc. 'Laten we ons eerst maar richten op het in handen krijgen van dat boek.' Hij keek Jim aan. 'Kun je het regelen?'

'Natuurlijk. De prins is een landheer die geen verstand heeft van politiek, en er ook niet veel belangstelling voor heeft. Hij stelt zich tevreden met jagen, drinken, achter dienstertjes aan zitten en van mij horen dat alles goed gaat. Dan kan hij op zijn beurt de koning geruststellen dat alles in orde is in het westen. Ik zal mijn klerk de boodschap aan de Keizer van Queg laten opstellen en... zal hem ondertekenen. Als jij denkt dat het zou helpen, kan ik het koninklijke zegel gebruiken om de schijn te wekken dat de documenten van de koning zelf komen.'

'Vervalsing?' vroeg Puc met hernieuwd respect. 'Komt er dan geen einde aan je dievenvaardigheden?'

'Ik heb een paar beperkingen,' zei Jim zonder een spoortje bescheidenheid. 'Het zal een paar weken duren, dus hoe eerder we van start gaan, hoe eerder het klaar is.'

'Goed dan,' zei Puc. 'Magnus, breng jij ons alsjeblieft naar het eiland, en breng Jim dan naar Krondor.'

Terwijl ze zich verzamelden om terug te keren naar Tovenaarseiland, zei Amirantha: 'Ik vraag me af hoe het met dat demonenvriendje van een elf en zijn broer gaat.'