14. Slachting

Puc gebaarde.

Magnus volgde Gulamendis' instructies op, en plotseling stonden ze in een enorme zaal. Het Orakel van Aal rees boven hen uit, haar schitterende drakengestalte nog indrukwekkender door de geslepen edelstenen die haar lichaam tooiden, het resultaat van een magische fusie die meer dan een eeuw geleden plaatsvond tijdens een strijd tegen een opperdrocht. 'Je verschijnt onuitgenodigd, Puc,' zei het Orakel, hoewel haar toon neutraal was; het was een constatering, geen beschuldiging.

'Ik heb te maken met het onbekende, Vrouwe,' antwoordde Puc. 'Er nadert een groot gevaar, en ik wil weten wat u me erover kunt vertellen.'

Het Orakel zweeg een tijdje om zijn vraag te overpeinzen. 'Er zijn te veel toekomsten, de meeste afschrikwekkend, en in sommige eindigt het leven zoals wij dat kennen. Te veel kluwens van mogelijkheden.'

'Is er iets wat u me kunt vertellen om onze kans te vergroten de ernstigste consequenties af te wenden?'

Twee golven: de golf die je ziet, en die daarachter. Je weet het nog wel, uit je jeugd.'

Puc schrok daarvan. Niemand wist van dat moment; hij was er bijna zeker van dat hij er nooit over had gesproken. Het was gebeurd op de dag dat hij kennis had gemaakt met zijn oude leermeester, Kulgan. Hij was omver gekegeld door een golf op het strand en toen hij wilde opstaan had een tweede golf hem onderuit gehaald. 'Ik weet het nog,' zei hij. 'Het was een lesje dat ik mijn hele leven heb onthouden.'

'Je moet op zoek naar de verborgen golf. De golf vlak voor je neus is bedoeld om je af te leiden, je middelen uit te putten en je aandacht te spreiden.'

'Kunt u me nog meer vertellen?'

'Schaduwen verbergen diepere schaduwen. Er is een leegte waar geen licht uit komt, en waarin niemand kan kijken. Degenen die alles willen vernietigen waar je van houdt, verbergen zich daarbinnen. Zoek meer kennis voordat je handelt, want eenmaal begonnen kan dit conflict alleen maar eindigen in een volkomen overwinning of een volslagen nederlaag.'

'Het is niet de eerste keer dat we met die mogelijkheid te maken hebben,' zei Magnus.

Het Orakel vervolgde: 'Golf na golf, jonge magiër, dat moet je beseffen. Deze strijd is al begonnen voordat jij werd geboren, voordat je vader werd geboren, zelfs voordat ik was geboren. Het is nog niet zichtbaar, maar alles is met elkaar verbonden. Wees voorzichtig, wees verstandig, zoek meer informatie; dat is mijn advies.'

De enorme kop van de draak zakte langzaam naar de vloer en de mannen en vrouwen die in de schaduwen hadden gestaan - de metgezellen van het Orakel — kwamen naar voren om haar indien nodig bij te staan.

Puc knikte naar zijn zoon, en plotseling waren ze weer terug in zijn werkkamer.

'Had je daar iets aan, vader?' vroeg Magnus.

'Een beetje,' antwoordde Puc. 'Voordat we ons naar Kesh reppen om Sandrina's krater te bekijken, denk ik dat we de route van de elfenbroers terug moeten volgen en op zoek moeten naar dat verlaten fort.'

Wat zoeken we daar?'

'Kennis, zoals altijd. Er zitten daar dwergen, mensen en elfen gevangen, dus die moeten we bevrijden. En dan is er nog een kamer vol boeken die ik hierheen wil halen.'

'Boeken?' zei Magnus. Wat voor boeken?'

'Dat weten we pas als we ze ophalen.'

Waarom zijn ze zo belangrijk?'

Met een droge grijns zei Puc: 'Omdat dat fort kennelijk weer een werkkamertje van je grootvader was.'

Magnus' schouders zakten omlaag. 'Macros.'

Puc trok een boek van een plank en gaf het zijn zoon aan. 'Kijk maar naar het symbool op de eerste bladzijde.'

Magnus opende het boek. 'Dat is het teken van grootvader.'

Een pijnlijk ogenblik lang leek Puc verloren. 'Ik wou dat ik wist wat je moeder nu zou zeggen.'

'Iets snerpends, ongetwijfeld,' zei Magnus, en hij lachte.

Plotseling lachte Puc ook. 'Vast.' Het was de eerste keer dat ze hadden kunnen lachen sinds Miranda's dood, en ze keken elkaar aan. Ze moesten het verleden achter zich laten, want de komende oorlog naderde snel en dan moesten ze op hun best zijn. Puc zette een toenemende angst van zich af: wanneer zal ik mijn zoon verliezen? Hij had zich nooit neergelegd bij de bittere prijs die de goden hadden verlangd voor zijn terugkeer, maar hij wist dat hij die ooit zou moeten betalen. Dat betekende echter niet dat het nu zou gebeuren, of zelfs maar binnenkort.

'Ik denk dat we samen met Gulamendis op zoek moeten gaan naar die wereld met de vulkanen.'

*Wie wil je meenemen?'

'Amirantha en Sandrina; we hebben hierbij alle demonenkennis nodig waarover we beschikken. En Brandos, want een goed zwaard kunnen we ook wel gebruiken, en hij heeft vaak tegenover die schepsels gestaan.'

^Wanneer vertrekken we?' vroeg Magnus.

'Zodra je ze allemaal hier hebt. Waarom wachten?'

Magnus knikte en haastte zich de toren uit. Puc ging in zijn stoel zitten peinzen. Angst om het lot van zijn laatste kind dreigde de kop op te steken, maar in plaats van zich eraan over te geven, dwong hij zijn geest tot het bestuderen van het raadsel van het Orakel. De verborgen golf; een vijand die zich schuilhield in een lichdoze leegte. Hij voelde dat hij op het punt stond iets te begrijpen, maar zoals altijd bij het Orakel verwarde de mengeling van simpele feiten en metaforen alles. Hij peinsde over haar voorspellingen terwijl hij op de anderen wachtte.

Het duurde even, maar uiteindelijk ontdekten ze de bron van de laatste scheuring waar de broers doorheen waren gekomen. Puc had bijna een uur rondgewandeld op de open plek op Tovenaarseiland waar ze waren verschenen, en hij had zijn krachten aangewend om te zoeken naar achtergebleven sporen van de magie. Het was een zwak spoor, maar met enkele berekeningen en geduld concludeerde hij uiteindelijk dat hij het oorsprongspunt zou kunnen bereiken.

'Achteruit, allemaal,' droeg hij hun op. 'Magnus, hou je klaar om ons hier weg te halen als het nodig is.' Scheuringen konden erg instabiel en destructief zijn, en hoewel geen enkel levend mens er meer over wist dan Puc, bleef hij voorzichtig als hij een doorgang maakte naar een nieuwe locatie.

Puc sloot zijn ogen even en vormde met een snelle spreuk de scheuring.

Hij werd een stap naar voren getrokken, alsof hij was gegrepen door een onzichtbare reuzenhand, en toen ging hij weer achteruit, alsof diezelfde hand hem wegduwde. Brandos ondersteunde hem en voorkwam dat de tovenaar op zijn achterwerk belandde.

'Dat was onverwacht,' zei Puc.

‘Wat, vader?'

Hij keek Magnus aan. 'Die scheuring is gevormd met een heleboel meer energie dan mijn bedoeling was. Het leek wel alsof iemand me hem hielp maken.' Hij wendde zich tot de anderen. 'Bereid je maar op alles voor voordat we er doorheen gaan.'

Puc ging voorop. Toen de anderen erdoor stapten, zagen ze hem bij de poort staan die door de elfenbroers was gebruikt. Brandos en Sandrina hoestten, want er hing dikke rook in de lucht en zure dampen prikten in hun ogen en neus. 'Er moet pas een uitbarsting zijn geweest,' merkte Gulamendis op. 'Het was minder erg toen wij vertrokken.'

Magnus ging naast zijn vader staan en zag meteen wat diens aandacht had getrokken. 'Ik heb nog nooit zoiets gezien.'

'Ik ook niet. Kijk hier eens.' Hij wees naar de inkepingen waar je je vingers moest plaatsen.

Magnus legde zijn vingers erop, sloot zijn ogen, en toen sperde hij ze open alsof hij verbaasd was. 'Die besturing...'

'Meesterlijk,' zei Puc. 'Als dit een ontwerp van je grootvader is, dan is het veel beter dan alles wat ik ooit heb kunnen bouwen. Als het van iemand anders is...'

Wie dan?' vroeg Magnus zachtjes.

'De wind steekt op!' waarschuwde Amirantha.

Puc keek om zich heen. Het was onmogelijk te bepalen hoe laat het was, want as en rook vormden een dikke deken in de lucht. Er hing een zware stank van zwavel, en alles in het zicht was bedekt met as. 'Ja,' zei hij, 'ik denk dat je gelijk hebt; er is pas een uitbarsting geweest.'

'Die as lag hier niet toen wij vertrokken,' zei Gulamendis. Hij keek om zich heen. 'In ieder geval zal de duisternis ons ook verhullen.'

De grond rommelde alsof die zijn opmerking wilde bevestigen, en een hete zuil van vuur verscheen boven een van de verre kraters. 'Ik vraag me af hoe lang dit al gaande is,' zei Amirantha.

'Eeuwen, ongetwijfeld,' zei Puc. 'Vulkanische gebieden kunnen heel kalme periodes hebben, en dan plotseling weer actief worden.' Hij wees naar de glooiende grond. 'De lavastroom waaiert onderaan uit en vormt die relatief vlakke ondergrond.' Toen wees hij naar de uitbarsting in de verte. 'Maar een grote explosie kan dit optillen en neersmijten...' Hij haalde zijn schouders op. 'Ik wil die poort meenemen, als het kan.' Hij wendde zich tot Gulamendis. 'Maar eerst het fort. Welke kant moeten we op?'

De elf wees naar het noorden. 'Die kant op. Ongeveer een halve dag lopen.'

Wij komen er wel een stukje sneller.' Puc wenkte de anderen naar zich toe. Sandrina en Brandos schaarden zich bij Magnus, terwijl Amirantha en Gulamendis naast Puc gingen staan. Ze gaven elkaar een hand, en even later stonden ze op een richel een mijl ten noorden van hun vorige positie. 'Niet loslaten,' zei Puc, en een volgende sprong bracht hen naar een plateau. Ze zagen het fort al in de verte. Wat is de beste weg naar binnen?' vroeg Puc.

Weet ik niet. Toen we hier verschenen was dat binnen de muren van het fort,' zei Gulamendis. Wij zijn niet door de hoofdpoort weer naar buiten gekomen, maar door een achterdeurtje dat niet was afgesloten. Er was niemand op het binnenplein; we deden het gewoon open, liepen erdoor en trokken het weer achter ons dicht. Het kan zijn dat het nog steeds niet op slot is.'

Puc knikte. "We proberen eerst de hoofdpoort,' zei hij. 'Daar, denk ik.' Meteen verschenen ze op een helling tegenover de grote poort. Als er iemand op de muur of de toren stond, liepen ze grote kans te worden gezien, hoewel Puc ervan overtuigd was dat Magnus en hij alles aankonden wat eventueel uit het bijna verlaten fort zou komen.

Er werd geen alarm geslagen, en er was ook geen beweging op de muren te zien terwijl ze het open terrein voor de poort overstaken. Puc bleef even staan en knielde neer. Hij voelde aan wat eruitzag als een vezelachtige plant, omgegooid door vallende stenen en as. 'Deze plant was bijna vier voet hoog.' Hij stond op. 'Dit terrein is al een tijdlang niet meer schoongemaakt. Je moet een aanvallende vijand altijd zelfs maar de kleinste beschutting onthouden.'

'Ik vermoed dat dit fort jaren geleden al is verlaten en slechts kortgeleden is ingenomen door de demonen,' vertelde Gulamendis. 'In sommige delen van het fort waar we doorheen zijn gelopen, lag een dikke laag stof op de vloer.'

'Geen sporen gezien?' vroeg Magnus.

'Daar hebben we toen niet naar gekeken,' zei Gulamendis. We hadden het te druk met andere dingen. En als er al iemand kwam om de boel te verkennen...' Hij haalde zijn schouders op. We waren van plan tegen die tijd al ver weg te zijn.'

'Logisch,' vond Puc.

Ze liepen naar een kleinere deur in de enorme poorten en Puc duwde hem open. 'Kennelijk hebben ze geen idee dat jullie hier zijn geweest, anders zouden ze de poort wel hebben afgesloten.'

Ze glipten naar binnen, in de diepe schaduwen bij de muren blijvend. Snel leidde Gulamendis hen naar de plek waar de voorraadschuur zich bevond. Hij keek om zich heen. Er was geen enkel teken van leven te bespeuren.

Hij ging hen voor naar het achterterrein en de trap die naar de kelder leidde, maar de kelderdeur weigerde open te gaan. Hij duwde ertegen, maar ondanks zijn kracht gaf de deur niet mee.

'Laat mij maar even,' fluisterde Magnus.

De jongere magiër ging voor de deur staan en stak zijn hand op. Na een korte beweging en een enkel woord begon de deur met knarsende rukken te bewegen, tot hij ver genoeg open stond om te zien waardoor hij was geblokkeerd.

'Lichamen,' fluisterde Magnus.

De stank van ontbindend vlees steeg op, en zelfs Brandos slikte moeizaam.

Wat is hier gebeurd?' vroeg Sandrina.

'Dat weten we pas als we binnen zijn,' zei Puc. Hij sprak nu op normaal volume, kennelijk zonder bezorgd te zijn dat iemand hem zou horen. 'Ik denk dat de demonen zijn vertrokken en hebben besloten de gevangenen niet mee te nemen.'

Magnus zwaaide weer met zijn hand, en de deur vloog van de scharnieren en duikelde naar binnen. De grote kamer die naar de kerker leidde lag vol met lijken: mensen, elfen en dwergen, allemaal op elkaar gestapeld. Het was duidelijk dat een flink aantal van hen had geprobeerd deze deur te bereiken en dat ze van achteren waren neergesabeld. De wonden varieerden van gladde snijwonden, toegebracht door een zwaard of een mes, tot rafelige scheuren, als van tanden of klauwen.

Zodra ze zich een weg langs de stapel lichamen hadden gebaand, knielde Puc neer en bekeek ze van dichterbij. 'Ik herken sommige kledingstukken,' zei hij zacht. 'Ik denk dat deze dwerg hier uit Dorgin komt. Misschien was hij een vriend van Kendra. Dat patroon in zijn tuniek komt daar veel voor. Maar die elfen...'

'Ik ken ze niet,' zei Gulamendis, 'maar voordat we Thuis... Midkemia vonden, kenden we alleen de taredhel.'

'Ik denk niet dat ze van Midkemia komen,' zei Puc. Hij betastte het gescheurde hemd van een dode elf. 'Ik ken dit materiaal niet. Het is geen zijde of linnen, maar het is heel licht.' Hij stond op. 'Te veel mysteries. Te veel afleiding. Waar is de toren?' vroeg hij.

'Die kant op,' wees Gulamendis.

Sandrina en Brandos hadden al veel slagvelden gezien, maar ze oogden allebei bleek en ontdaan en waren blij om het vertrek te kunnen verlaten. Het licht was schamel en aan het einde van de zaal hief Magnus zijn hand om een heldere blauwwitte gloed te creëren, die hun omgeving efficiënter verlichtte dan een lantaarn. Ze kwamen bij de trap aan en liepen snel naar boven.

De deur in de toren was nog onafgesloten, en toen ze binnen waren zei Puc: 'Ik voel hem.'

'Grootvader?' vroeg Magnus.

'Ja, maar hoe langgeleden...' Hij haalde zijn schouders op. Daarop pakte hij willekeurig een boek van een plank en keek ernaar. 'Ik heb hiervan ook een exemplaar in mijn bibliotheek.'

Magnus kwam naast hem staan. 'Ik zal alles verzamelen wat ik niet herken.' Hij begon met de boeken op tafel, en gooide exemplaren die ze al op Tovenaarseiland hadden op de vloer.

Even later had Puc een klein stapeltje boeken apart gelegd. Hij pakte er net een van een lage plank toen een enorme beving het hele gezelschap op de vloer deed belanden. Er dwarrelde stof van de oude stenen in het plafond, en de muren van de toren trilden. Toen het geraas van de beving

iets afnam, keek Brandos uit het raam. 'Kijk!' riep hij uit.

In de verte was de grootste van de drie vulkanen tot uitbarsting gekomen, een titanische explosie die schokgolven uitzond die het hele fort deden beven. Een enorme geiser van roodgloeiende lava, vergezeld door een zuil van witte stoom, spoot recht de lucht in, alsof de theeketel van de goden overkookte. Stenen, as en vloeibaar gesteente werden met onvoorstelbare snelheid naar alle kanten geslingerd.

'Over ongeveer een minuut komt hier een golf van giftige lucht naartoe, heet genoeg om het vlees van je botten af te koken. Pak die boeken!' riep Puc. Iedereen greep een armvol boeken. 'Kom bij me staan!' droeg hij hun op.

Terwijl het geluid van de wind aanzwol tot een oorverdovend gekrijs, ontstond er plotseling een zachtere pulsering van lucht in de kamer en verscheen er een grijs waas op minder dan zes duim afstand voor Brandos' neus. Zonder een woord te zeggen sprong de oude strijder erin, en de anderen volgden. Puc duwde zijn zoon erdoor, en plotseling waren ze terug op Tovenaarseiland. Hun aftocht was zo haastig en onbesuisd dat ze allemaal onzachtzinnig op de grond belandden. Amirantha, Sandrina en Gulamendis tuimelden over elkaar heen, en de anderen stonden te wankelen. Puc liet de boeken uit zijn armen vallen en draaide zich om. Met een handbeweging sloot hij de scheuring, net toen er een vlaag bloedhete lucht doorheen kwam, en hij trok onmiddellijk een schild op dat de verzengende hittevlaag om hen heen afboog.

Iedereen voelde de hitte ineens afnemen, maar ze voelden zich allemaal een beetje weeïg bij de gedachte dat ze bijna levend waren gekookt.

Puc draaide zich om en zei: 'Ik denk...' Toen knikten zijn knieën. Zijn zoon liet de boeken die hij droeg vallen en greep zijn vader vast. Terwijl Puc langzaam door zijn zoon op het gras werd gelegd, mompelde hij: 'Verdomme. Ik had 20 graag die poort meegenomen.' Toen sloot hij zijn ogen en verloor het bewustzijn.

Puc werd wakker met enorme hoofdpijn. Hij zag zijn zoon aan zijn bed zitten en vroeg: 'Hoe lang?'

'De hele nacht en de halve ochtend.'

Puc ging rechtop zitten en voelde zich licht in zijn hoofd.

'Dat was een mooie prestatie, om in zo korte tijd een scheuring tot stand te brengen tussen de toren en het eiland,' zei Magnus. 'Geen wonder dat je flauwviel.'

'Ik had niet veel keus.'

'Het heeft me aan het denken gezet,' zei Magnus. 'Zelfs als we weten dat een wereld een scheuring heeft die we eerder hebben bezocht, is het misschien een goed idee om er voor de zekerheid eerst een kijkbol doorheen te sturen.'

Puc knikte. 'Dat denk ik ook. Als we erdoor waren gestapt op het moment dat die schokgolf over het plateau raasde in plaats van een halfuur eerder, dan waren we nu allemaal dood geweest.'

Voorzichtigheid loont,' zei Magnus knikkend. Wat nu?'

'Bekijken wat we hebben gevonden om te zien of er iets tussen zit dat betrekking heeft op onze situatie. Daarna gaan jij en ik met de demonenexperts naar Kesh.'

'Ik zal je wat te eten laten brengen.'

Puc stapte uit bed. 'Laat maar. Ik heb trek en verga van de dorst. Ik ga wel naar de keuken. Heb je de boeken van je grootvader al bekeken?'

'Natuurlijk,' zei Magnus. 'Ik heb er een paar voor je opzij gelegd, maar ik denk dat hij kopieën heeft gemaakt van onze bibliotheek en die mee daar naartoe heeft genomen toen hij dit eiland verliet, voordat jij hem redeloos ronddolend tegenkwam.'

Puc bleef staan. 'Dat zou een deel van zijn afwezigheid verklaren. Maar wat deed hij op die wereld, en wie diende hij? En heeft het iets te maken met het naderende demonenleger? Ik kan moeilijk geloven dat Macros bij toeval naar een wereld ging die werd bevolkt door demonen, en dat hij zijn bibliotheek hier heeft achtergelaten zodat wij die toevallig konden vinden op het moment dat we zelf te maken kregen met een demonenleger.'

'Bij grootvader was alles mogelijk.' Magnus had zijn grootvader nooit ontmoet, maar hij was op een Dasati gestuit die zich de Tuinier noemde en die de herinneringen had bezeten van Macros de Zwarte. Het was een list geweest van Kalkin, de Bedrieger, maar het had Puc en zijn zoon informatie opgeleverd die Midkemia had gered van een verschrikkelijke invasie, zij het dan tegen een hoge prijs: de volkomen vernietiging van de wereld Kelewan. Ook al waren de herinneringen van de Dasati niet van hemzelf geweest, ze hadden Magnus in staat gesteld zijn grootvader enigszins te leren kennen.

Magnus ging met zijn vader mee naar de keuken, en ze troffen Amirantha en Brandos aan tafel aan, net klaar met hun maaltijd. Waar zijn de anderen?' vroeg Puc.

Brandos antwoordde: 'Gulamendis zit te lezen in dat demonenboek dat jullie in Queg hebben gevonden, en Sandrina is druk met ergens anders zijn.' Dat laatste werd gezegd met een blik op Amirantha, die bijna grimaste maar zijn reactie op de opmerking tot een minimum wist te beperken.

'Stond er nog wat interessants in de boeken die we hebben opgehaald?' vroeg Puc.

'Niet echt,' zei Magnus. 'Er zijn een paar dingen bij die waarschijnlijk wat onderzoek waard zijn, maar ik denk dat het grootvaders werk van lang geleden is. Ik weet nog dat je me vertelde over toen je hier kwam na afloop van de Oorlog van de Grote Scheuring en een brief van hem vond, waarin hij je zijn bibliotheek schonk. Wat hij naar Telesan heeft meegenomen, waren kopieën. Exacte kopieën, dus ik denk dat het magische duplicaten zijn, niet overgeschreven door klerken.' Magnus ging zitten. 'Misschien zouden we, als we alles hadden kunnen redden, enig idee hebben kunnen krijgen waarom hij daarheen ging toen hij Midkemia verliet, en wat hij hoopte te bereiken.'

'Jij hebt een uitstekend geheugen, Magnus,' zei Puc, 'en ik kan me nog zeker tien titels herinneren die ik aan de kant heb gegooid. Laten we snel een lijstje opstellen en die vergelijken met de boeken die we hebben meegebracht. Misschien begrijpen we dan iets meer van dat uitstapje van je grootvader.'

Magnus blies langzaam zijn adem uit en zei: Weer een reden om moeder te missen.'

Puc pakte de hand van zijn zoon, kneep er zachtjes in en liet toen weer los. 'Ik weet het.' Vader en zoon rouwden allebei om Miranda en haar inzicht in wat haar vader misschien op die andere wereld had gedaan. 'Er is één ding,' zei Puc. 'Macros heeft enige tijd op Telesan gewoond en had daar een of andere belangrijke positie, en dat wijst duidelijk op een verband tussen onze wereld en Telesan. Het lijkt me wat al te toevallig dat toen de elfenbroers hun Doorgangswereld ontvluchtten, zij uitkwamen bij het voormalige huis van Macros de Zwarte.'

'Kalkin?'

'Wie weet wat de goden allemaal bekokstoven?' antwoordde Puc. 'Ik heb allang geaccepteerd dat ik deze strijd, en ons aandeel erin, nooit geheel zal begrijpen.'

'Ik zou zeggen dat jullie al heel wat hebben bereikt, ook al is het dan niet bewust,' merkte Amirantha op.

'Waarom denk je dat?' vroeg Puc.

'Je vriend Kaspar doet opmerkelijke dingen in Muboya.

Die streek is in heel mijn leven nog niet zo vreedzaam geweest als nu, en dat is een periode van meer dan honderd jaar. Jullie hebben mensen uit verschillende landen over de hele wereld zover gekregen dat ze de veiligheid van deze planeet boven hun persoonlijke en nationale belangen stellen. Ik ben bepaald niet wat men een eerbaar man zou noemen, Puc, en toch lever ook ik hier mijn aandeel aan het grotere goed.' Hij glimlachte flauwtjes. 'Dat is geen geringe prestatie.'

'Misschien,' zei Puc. 'Ik wou dat ik het gevoel had dat het de prijs waard was.'

Niemand aan tafel zei iets. Amirantha en Brandos waren er allebei getuige van geweest dat Miranda was gedood door een demon.

Uiteindelijk vroeg Brandos: 'Dus wat nu, als ik vragen mag?'

'We gaan naar Kesh en inspecteren dat ding dat in de Vallei der Verlorenen wordt gebouwd,' zei Puc. 'Uit Sandrina's beschrijving kan ik niet afleiden wat ze daar in vredesnaam aan het doen zijn.'

'Ik ook niet,' zei Amirantha. 'Gulamendis en ik hebben tot in de vroege uurtjes zitten praten over demonenoverlevering, en wat we allemaal ontdekken...' Hij schudde verwonderd zijn hoofd. 'Ik durf best te zeggen dat ik een lesje in nederigheid heb gekregen, want ik heb ontdekt hoe weinig ik er eigenlijk van begreep.'

Brandos grijnsde en sloeg zijn oude vriend op de schouder. 'Dat is een goed begin.' Hij stond op. 'Nou, als we weer weggaan, moet ik maar even wat tijd doorbrengen met mijn vrouw. Ze begint zich verwaarloosd te voelen, en dat is nooit best.'

Puc knikte met een wat droeve uitdrukking op zijn gezicht.

Een jonge magiër kwam de keuken binnen en meldde: 'Puc, we hebben net bericht ontvangen dat heer Kaspar over een uur hier is.'

Puc stond op. 'Mooi. Dat betekent dat we na zonsondergang kunnen vertrekken. Ik wilde gebruik maken van zijn militaire expertise.'

'Nou,' zei Amirantha, 'ik denk dat ik Brandos en Samantha maar even met rust laat en op zoek ga naar Gulamendis om te kijken of hij al inmiddels tot nieuwe inzichten is gekomen. En een beetje slaap voordat we gaan zou ook fijn zijn.'

Magnus en zijn vader bleven alleen aan tafel achter. Het personeel in de keuken probeerde hen zo veel mogelijk te negeren. Uiteindelijk zei Magnus: 'Ik vraag me af hoe het Laromendis vergaat in Elvandar.'

Puc knikte verstrooid. 'Ik ook.'

Laromendis stond voor Tomas. Hoewel hij begreep wat hem was verteld over de mens die door oeroude magie was veranderd in een Valheru, of Drakenheerser, moest hij toch strijden tegen zijn neiging om te knielen of in doodsangst weg te vluchten. Hij vroeg zich af of hij dat gevoel ooit zou kwijtraken, hoe vaak ze elkaar ook ontmoetten.

'Laromendis,' zei Tomas, die de bezweerder van de taredhel beduidde plaats te nemen aan de kleine tafel in de kamer van de koningin. 'Je wilde me onder vier ogen spreken?'

'Ja, heer...' Tomas stak zijn hand op. 'Eh, ja, Tomas.' Laromendis lachte beverig. 'Daar zal ik nooit aan wennen.'

Tomas glimlachte en onthulde een jongensachtige humor achter zijn krachtige strijdersgelaat. 'Het heeft de meeste mensen hier ook een hele tijd gekost om eraan te wennen, Laro. Vind je het erg als ik je zo noem? Ik hoorde je broer het zeggen.'

Laromendis was verbaasd, maar de glimlach die op hem gericht was, was aanstekelijk en zelfs innemend, en hij zei: 'Nou, nee. Ik zou me gevleid voelen. Hij is de enige die me ooit zo noemt, maar ga uw gang.'

'En waarom wilde je me onder vier ogen spreken?'

'Niet per se onder vier ogen, want ik ben ervan overtuigd dat u de koningin zult willen raadplegen. Ik ben hier op verzoek van Puc.'

Bij het horen van de naam van zijn jeugdvriend trok Tomas een ongerust gezicht. 'Hoe gaat het met hem?'

'Goed, denk ik. Miranda's dood kwam heel hard aan. Ik weet niet hoe die dingen zitten bij mensen, maar ik voelde zijn diepe droefheid. De laatste tijd echter denk ik dat hij uit de put begint te klauteren.'

'Dat is fijn om te horen,' zei Tomas, die de witte tuniek gladstreek die hij droeg als hij geen pantser aan had. Zelfs zonder zijn helm en gouden pantser bood hij een indrukwekkende aanblik. Hoewel Laromendis een van de weinige wezens was die langer waren dan Tomas, was de Sterrenelf toch vol ontzag voor de imposante Krijgsleider van Elvandar.

Ter zake dan,' zei Laromendis. 'Puc vraagt of u bereid zou zijn een boodschap over te brengen aan de Regent in E'bar. Het demonenleger komt misschien binnenkort in Midkemia aan. Zou hij bereid zijn een gezamenlijke verdediging te bespreken?'

Tomas zweeg een tijdje, en toen lachte hij. 'Waarom vraagt hij jou om dat aan mij te vragen? Waarom ga je zelf niet?'

'Omdat ik niet in de positie ben om invloed uit te oefenen op de Regent, en eerlijk gezegd bent u de enige andere voor wie hij...'

'Bang is?' zei Tomas glimlachend.

'Ik wilde zeggen: respect heeft, heer.'

Tomas boog zijn hoofd alsof hij zijn volgende vraag overpeinsde. 'Je Regent is een gecompliceerd persoon. Hij toont een zekere onderworpenheid aan mijn Vrouwe en mij, maar ik heb het gevoel dat hij ons ook met wantrouwen beziet.'

'Hij is trots en bijzonder ambitieus, voor ons volk en voor zichzelf,' zei Laromendis. 'Mijn broer en ik hebben hier meer tijd doorgebracht dan elke andere taredhel, dus zijn wij, althans een beetje, gaan begrijpen hoe nauw de eledhel zijn verbonden met deze wereld, dit Thuis.' Hij zweeg even voordat hij verder ging. 'Maar zelfs wij twijfelen er niet aan dat onze tak van deze wijd verspreide familie...'

'Superieur is?' vulde Tomas met een licht samenknijpen van zijn ogen aan.

'Ik wilde geavanceerder zeggen.' Hij keek om zich heen in de kamer, gemaakt uit de levende stam van een majestueuze Ster, zoals Laromendis' volk deze schitterende bomen noemde. 'Ik voel hier een fundamentele sfeer van juistheid, heer Tomas. Degenen die zijn achtergebleven hebben de lijn van hun dienstbaarheid intact en in harmonie gehouden met de belangrijkste aspecten van onze wereld.

Wij die aan de Chaosoorlog zijn ontvlucht, hebben alleen meegenomen wat we konden dragen, verder niets, en vanuit die nederige basis heeft een bijeengeraapte bende van vluchtelingen de sterren veroverd.' Hij keek Tomas recht in de ogen, misschien wel voor het eerst, en zei: 'Als we arrogant zijn, dan hebben we daar recht op.'

'Ik heb het leven van een mens geleid, Laromendis, en ik herinner me de mantel van een Valheru. Ik woon al meer dan een eeuw hier bij het volk van mijn Vrouwe en ik kan je alleen maar dit vertellen: macht is op zichzelf geen respect of angst waard; het Is gewoon wat het is. Het gaat om hoe en voor welke doelen macht wordt aangewend; dat is wat de bezitter van die macht verheft of kleineert. Als ik mijn pantser aantrek, zijn er maar weinig schepsels op deze wereld die mijn vaardigheden kunnen evenaren, en Puc is misschien wel de enige die me zou kunnen verslaan.' Hij glimlachte, waardoor opnieuw iets jongensachtig werd onthuld, en voegde eraan toe: 'Het is maar goed dat hij mijn beste vriend en bondgenoot is.' Zijn glimlach vervaagde. 'Maar in de begindagen van mijn positie deed ik, gevangen in de ban van mijn eigen kracht, dingen waarvan ik nu weet dat ze wreed, laag en volkomen onwaardig waren.

Ik vertel je dit om duidelijk te maken dat hoewel de eledhel in de ogen van jouw volk misschien onbeschaafd of zelfs primitief lijken, ze dat beslist niet zijn. De magie van de Machtswevers is subtiel, maar niet minder krachtig dan die van jouw volk, dat machtige steden kan bouwen door de stenen te laten vloeien en bewegen zoals jullie dat willen. Je neven, de eldar, die bij ons verblijven, hebben min of meer dezelfde overlevering als jullie eigen manciërs. Alleen hebben zij niet geprobeerd Elvandar om te vormen, maar hebben zij zich eraan aangepast.'

Hij sloot één oog en glimlachte. 'En nu de echte reden dat je wilt dat ik met de Regent praat in plaats van zelf Pucs boodschap over te brengen.'

Laromendis moest lachen. 'Zoals ik al zei, de Regent respecteert u. En, iets minder belangrijk, hij minacht mijn broer en mij. Onze vakgebieden worden niet erg gewaardeerd bij ons volk... En ten laatste denkt hij dat Gulamendis en ik dood zijn, gesneuveld in de strijd op de Doorgangswereld.'

'Heb je je volk niet laten weten dat jullie nog leven?' vroeg Tomas.

We zijn er niet geheel van overtuigd dat onze achterlating tijdens de strijd een ongelukje was. In feite was het misschien opzet.'

Tomas zei niets.

'Als ik zo brutaal mag zijn, als u besluit op Pucs verzoek in te gaan, dan zou het heel nuttig zijn als u een discrete boodschap kunt overbrengen aan Tandarae, sagenbewaarder van de Raad van de Regent. Hij zal u laten weten of ik en mijn broer kunnen terugkeren als geëerde overlevenden van een hopeloze strijd, of zullen worden terechtgesteld voor desertie ten overstaan van de vijand.'

'Die informatie zou beslist nuttig zijn voordat jullie je in E'bar laten zien,' beaamde Tomas. 'Wat zijn je plannen tot die tijd?'

'Ik wil graag terug naar mijn broer op Tovenaarseiland. Hij is nogal enthousiast over de kans om te leren van andere culturen. Ik moet toegeven dat ik meer twijfels heb dan hij, maar zijn enthousiasme over de dingen die hij heeft geleerd van een menselijke zwarte magiër genaamd Amirantha is aanstekelijk. En hoewel mijn kunsten niet zo in de diepten van de duistere mysteries duiken als die van hem, probeer ik ook altijd mijn vaardigheid te verbeteren.'

'Een wijs besluit,' zei Tomas. 'Hoewel je zeker welkom bent als je in Elvandar zou willen blijven.'

Op dat ogenblik bewoog het gordijn en kwam Aglaranna, koningin van Elvandar binnen. 'Gegroet, Laromendis.' Komend vanuit het hof droeg ze een eenvoudig maar vorstelijk gewaad van hemelsblauwe stof, afgezet met wit langs de kraag en manchetten. Haar enige sieraad was een eenvoudige gouden band met een robijn erin, die haar kastanjebruine haren uit haar gezicht hield.

Laromendis stond zonder erbij na te denken op, liet zich op een knie voor de koningin zakken en boog zijn hoofd. 'Het is een genoegen u weer te zien, Vrouwe.'

'Sta toch op, alsjeblieft,' verzocht ze hem.

Dat deed hij, maar hij wilde niet gaan zitten in haar aanwezigheid. Hij was nog net zo overstelpt door de koningin als de eerste keer dat hij naar dit hof was gekomen. Ze was een even krachtige aanwezigheid als haar echtgenoot, maar op een volkomen andere manier. Tomas riep een oude angst en een behoefte om te gehoorzamen in hem op, impulsen die je kon bestrijden en overwinnen. Aglaranna daarentegen overweldigde de zintuigen met haar schoonheid en vorstelijke houding. Ze straalde niets uitdagends uit, en dat maakte haar onweerstaanbaar.

Zachtjes zei de bezweerder: 'Als het mogelijk is, Vrouwe, Heer Tomas, zou het van nut kunnen zijn als de Regent kan worden overgehaald om een bezoek te brengen aan Elvandar.'

•We hebben die uitnodiging al verstrekt,' antwoordde Tomas.

'Misschien moet u wat meer aandringen, heer Tomas.' Hij keek naar de koningin, haar smetteloosheid, haar prachtige roodbruine haar en fijne gelaatstrekken. Ze had een soort schoonheid die hij niet aantrekkelijk vond bij vrouwen van zijn eigen ras; hij gaf de voorkeur aan wat robuuster ogende vrouwen, en volgens de normen van de taredhel was de koningin klein en bijna tenger. Maar haar schoonheid was iets wat het fysieke oversteeg, de logica van de aantrekkingskracht weerstond. Het was dezelfde schoonheid die hij vond toen hij de Heilige Gaard had bezocht. Als Thuis een ziel had, dan was het Elvandar, en als Elvandar kon worden belichaamd in één schepsel, dan was het in de koningin.

'Als u me wilt verontschuldigen, mijn koningin, heer Tomas, dan zal ik dit slimme toestelletje gebruiken om terug te keren naar Tovenaarseiland.'

De koningin gaf hem toestemming, en de bezweerder haalde het toestel uit zijn riembuidel, drukte op een schakelaar en verdween met wat gezoem.

Aglaranna keek haar echtgenoot aan en vroeg: Wat had hij voor nieuws van Puc?'

'Een ernstige waarschuwing, en een verzoek of we een handreiking willen doen naar de taredhel.'

Ze gleed uit haar stoel en knielde voor haar man neer, met iets meisjesachtig in haar soepele gratie. Ze legde haar hoofd op zijn knie, zoals een kind bij een ouder zou kunnen doen, en vroeg: Wat moeten we toch aan met onze pas teruggekeerde neven?'

'Dat is het probleem, liefste,' zei Tomas, strelend over haar haren. 'Ze zijn niet teruggekeerd, en ik denk ook niet dat ze dat ooit zullen doen. Net als de ocedhel die aan de overkant van het water blijven, hebben ze geen behoefte om hier te komen. We moeten proberen hun onafhankelijkheid te respecteren en vriendschap met ze te sluiten.'

'Een bondgenootschap? Je klinkt niet hoopvol.'

Tomas zei niets. Hij wist in zijn hart dat de Sterrenelfen de grootste dreiging voor Elvandar waren sinds de komst van de Tsuranese indringers; een dreiging groter dan het leger van de Smaragden Koningin, groter zelfs dan de binnendringende Dasati.