16. Verkenning

Kaspar gebaarde.

Ze waren het eerste pad naar de rand van de vallei op gegaan, waar de lastige afdaling over het pad met haarspeldbochten zou beginnen, behalve als Puc besloot dat hij en Magnus iedereen snel beneden moesten krijgen. Alle magiegebruikers waren gewaarschuwd hun kunsten in geen enkele vorm toe te passen, actief of passief, behalve als ze werden aangevallen, aangezien de verdedigers misschien afweerbezweringen hadden geplaatst om magie te detecteren. Kijkend naar het lange pad omlaag en voorbij de verre richel, wendde Amirantha zich tot Gulamendis. 'We moeten in ieder geval snel weg kunnen komen. Ik zou liever dat pad niet weer op rennen.'

De elf knikte. 'Sommige leden van mijn volk kunnen dagenlang hardlopen, maar helaas hoor ik daar niet bij.'

Ze hadden het plan uitvoerig besproken, maar toen ze aan de rand van de vallei aankwamen, maakte het uitzicht hen allemaal stil. 'Goden,' zei Kaspar. Wat is dat?'

Het bouwwerk leek voltooid. De vier lange, gebogen torens strekten zich uit naar een middelpunt boven het enorme open terrein in het hart van de constructie.

'Het lijkt wel een beetje op de poort die de Dasati gebruikten tijdens hun invasie in Kelewan, hoewel zij niet al die versterkingen eromheen hadden,' zei Puc. 'Ze gebruikten een magisch schild dat heel moeilijk te doorbreken was, en dat uitdijde terwijl ze er steeds meer Doodsridders doorheen stuurden.'

Waar zijn alle arbeiders?' vroeg Sandrina, wijzend met haar vinger. 'Er waren er honderden aan het werk... En de demonenopzichters die op de muren patrouilleerden?'

We moeten dichterbij zien te komen,' zei Puc. 'Ik zie daar beweging, maar het is te ver weg om te zien wie het is.'

'Sandrina, wil jij ons naar die greppel leiden?' verzocht Kaspar.

De groep zocht zich voorzichtig een weg omlaag langs het bochtige pad, tot ze de greppel bereikten die Sandrina had gevolgd om de wachtpost onder aan de helling te omzeilen. In ganzenpas volgden ze haar naar de rand van de droge rivierbedding, en nadat ze de anderen te kennen hadden gegeven dat ze moesten wachten, kropen Kaspar en Sandrina op hun buik naar de rand en keken eroverheen.

'Het is rustig,' fluisterde Kaspar.

'Op de muur,' zei Sandrina.

Er waren schildwachten te zien achter de kantelen, maar tussen de greppel en de muur was alleen verlaten terrein. 'Het zal lastig worden om dichtbij te komen,' concludeerde Kaspar.

We moeten van de achterkant naderen,' zei Sandrina. 'Er is daar een droge rivierbedding die tot heel dicht bij de muur komt.' Ze wees naar links.

Kaspar wenkte Puc, en toen hij bij hen was, vroeg Kaspar: 'Kun je veilig magie gebruiken?'

'Magnus en ik hebben het zo voorzichtig mogelijk uitgeprobeerd,' antwoordde Puc, 'en we voelen geen onverwachte dingen.' Hij keek naar het enorme bouwwerk. 'Iets daarbinnen is heel krachtig, maar voorlopig sluimert het. Er zijn een paar bezweringen aangebracht voor het detecteren van schouwen, maar die zijn basaal, niets wat we niet kunnen ontwijken.' Hij keek naar de vijf gehurkte gestalten om hem heen. 'Ik denk dat we ons aan het oorspronkelijke plan moeten houden.'

Kaspar knikte. Wacht tot wij om dat fort heen zijn en doe dan wat je het beste lijkt. Als we geroep van jullie horen, laten we ons door Magnus terugbrengen naar het plateau. Als jullie van ons noodkreten horen, doe dan wat je het slimst lijkt.'

Puc, Magnus en Amirantha bleken een formidabele magische groep, die misschien het verschil zou maken of de anderen levend zouden terugkeren of niet. Na een lange discussie had Kaspar Puc uiteindelijk toestemming gegeven om hem te hulp te schieten als het nodig was. Kaspar was stiekem opgelucht.

Sandrina rende samen met Kaspar, Laromendis, Magnus en Jim door de droge rivierbedding, terwijl Puc zich weer aansloot bij Brandos, Amirantha en Gulamendis. Ze wachtten een tijdje, en toen zei Puc: 'Laromendis, hou je klaar om ons te laten lijken op een stapel puin.'

De elf glimlachte flauwtjes. 'Dat zou geen probleem moeten zijn, aangenomen dat niemand heel goed naar die stapel puin kijkt en we niet te lang puin hoeven te blijven.'

Brandos grinnikte, en toen draaide hij zich om om te luisteren. 'Er komt iemand aan,' fluisterde hij. De groep liep snel naar de rand van de bedding en keek omhoog.

Een demonische bewaker liep langs hen heen, en hij keek turend omlaag. Hij had een runderkop met enorme rode ogen en een indrukwekkend stel hoorns die in een bocht omhoog liepen. Hij gromde, knipperde met zijn ogen en liep door. Toen hij weg was, wendde Puc zich tot de elf. 'Puin?'

'Puin,' antwoordde Laromendis. 'Probeer me de volgende keer wat eerder te waarschuwen.'

'Die koeiekoppen zijn meestal vrij stom,' meldde Amirantha.

'Het helpt ook dat ze bijziend zijn,' zei Brandos. 'Alleen al dat feit heeft mijn huid meer dan eens gered.'

Puc schudde zijn hoofd. 'Een bijziende schildwacht?'

'Dat maakt ze nerveus,' fluisterde Brandos. 'Ze duiken op elke beweging af die ze waarnemen. Als we in het donker blijven stilstaan, zien ze ons waarschijnlijk niet eens, ook zonder de illusie die onze vriend de elf net heeft gecreëerd.'

'Laten we die kant op gaan,' opperde Puc, wijzend in de richting waar de schildwacht heen was gegaan. Ze doken ineen en liepen door de greppel, dicht langs de wand. Ze kwamen bij de weg die naar het kronkelpad heuvelopwaarts leidde, en zagen dat het wachthuisje dat Sandrina had beschreven er niet meer stond. Puc nam aan dat ze alles in het buitengebied hadden weggehaald zodra de poorten en de muur klaar waren, om het gebied rondom de muren te ontdoen van alle mogelijke schuilplaatsen.

Ze slopen in de duisternis naar de overkant en vonden daar een volgende holte om zich in te verschuilen. Langzaam verwijderden ze zich van Kaspars groep.

Sandrina stak een gebalde vuist op om aan te geven dat ze moesten halt houden.

Kaspar legde zijn hand op haar schouder, zodat ze zou weten dat hij achter haar stond. Ze gebaarde dat er wachtposten verderop waren en stak toen twee vingers op. Hij kwam langzaam overeind om over de rand van de droge rivierbedding te gluren en zag twee demonen voor een kleine poort patrouilleren.

De kleine groep was om de helft van de omtrek van het bouwwerk gelopen, maar ze hadden nog geen veilige manier ontdekt om dichterbij te komen. Het fort zag eruit alsof het was gebouwd om slechts een korte belegering te weerstaan. Er waren geen grote gebouwen achter de muren, dus eventuele bergplaatsen en slaapverblijven bevonden zich in smalle gebouwtjes binnen de muren of bestonden helemaal niet.

Kaspar gebaarde dat ze achteruit moesten, en toen ze op veilige afstand van de poort waren fluisterde hij: 'Ik weet niet wat dat is; ik heb nog nooit zoiets gezien. Het is met honderd soldaten eenvoudig te verdedigen en bijna onneembaar, zelfs al zou je met tweehonderd soldaten komen, maar verdomd als ik er verder de logica van snap.'

'Mijn inschatting,' zei Sandrina, 'is dat ze het hebben gebouwd als tijdelijk bolwerk, voor het geval iemand stuitte op wat ze deden en probeerde er een eind aan te maken. Ik zie geen waterput, geen fatsoenlijke aanvoerweg voor proviand en geen barakken voor een garnizoen. Het lijkt wel alsof ze hier weer weg willen zodra ze hebben voltooid wat ze hier dan ook aan het doen zijn.'

'Dat denk ik ook,' reageerde Kaspar. Hij draaide zich om en wenkte Magnus naar hen toe. Nog steeds op fluistertoon vroeg hij: 'Heb jij een vermoeden waar dat bouwwerk voor zou kunnen dienen?'

Magnus' gezicht stond ernstig. 'Er is heel duistere magie gaande binnen die muren. Het is... latent, wachtend tot er iets wordt vrijgegeven, maar het is aanwezig.'

Plotseling verscheen er een fijn zilveren net vanuit de duisternis, dat boven op de witharige magiër belandde. Magnus verstarde, en toen rolden zijn ogen weg in hun kassen, alsof hij een klap op zijn achterhoofd had gekregen. Kaspar en Sandrina doken ineen en trokken hun wapens toen er gestalten uit de aarde van het plateau oprezen. Sandrina draaide zich om naar Laromendis en Jim Dasher, maar ze zag hen niet, dus tilde ze haar knuppel op terwijl Kaspar zijn zwaard trok, maar een tel later belandden er twee fijn geweven netten over hen heen.

Sandrina voelde een schok door haar lichaam gaan, en haar geest werd een tuimelende cascade van gedachten en beelden. Een deel van haar wist dat ze werd aangevallen, maar jaren van training, zowel in de strijdkunst als de magie, verwelkten onder het effect van dat zilveren net. Haar verdedigingsbezweringen weigerden vorm aan te nemen in haar hoofd; bewegingen zo eenvoudig als het optillen van haar schild of het uithalen met haar knots, evenzeer in haar lichaam geprogrammeerd als in haar geest, werden rukkerige pogingen om zichzelf onder controle te houden.

Kaspar was evenzeer overstelpt; hij schokte en draaide terwijl hij probeerde zijn lichaam op te dragen iets tegen de aanval uit te richten. Maar net als Sandrina en Magnus viel hij al snel op de grond.

Toen ze opkeken, zagen ze drie gestalten die van top tot teen in pakken van een fijne textielsoort waren gehuld, alleen voorzien van smalle sleuven voor de ogen. De stof had dezelfde kleur als de aarde die hen had verborgen, en ze moesten al enige tijd in hinderlaag hebben gelegen, misschien wel uren, wachtend tot de indringers zo dichtbij kwamen dat ze hen konden overmeesteren.

Even later verscheen er een andere gestalte, een grijnzende man met een baard, die naar de drie lichamen op de grond keek en beval: 'Neem ze mee!'

Terwijl hij zich afwendde, wist Sandrina fluisterend uit te brengen: 'Belasco!' Ze wist niet of Magnus en Kaspar haar konden horen.

Pijn schoot door haar lichaam als ze zich probeerde te bewegen, maar als ze stil bleef liggen, ebde hij weer weg.

Haar gedachten waren nog altijd chaotisch, maar ze had genoeg gezien en onthouden om enig besef vast te houden van het verstrijken van de tijd toen ze werden opgetild en naar een kleine poort in de achterste muur werden gedragen.

Toen ontvluchtten haar gedachten haar en zonk ze weg in duisternis.

Jim zat roerloos ineengedoken achter een klein rotsblok, met zijn mantel over zich heen. Hij verwachtte ieder moment te worden ontdekt, maar hij vertrouwde erop dat zijn intuïtie hem zou ingeven of hij moest vluchten of stil moest blijven zitten. Op dit moment vertelde zijn narigheidsknobbel hem dat hij zich zo veel mogelijk tegen de grond moest drukken. Op zo'n tien meter afstand hoorde hij gedempte stemmen en bespeurde hij beweging.

Hij had de hinderlaag meer gevoeld dan gezien, en zijn eerste reactie was geweest om achteruit te springen, weg bij het gevecht. Dat was geen lafheid, maar voorzichtigheid; hij wilde er zeker van zijn dat niemand hem van achteren kon naderen. Toen hun aanvallers van de kant van de droge rivierbedding waren gesprongen, hadden die drie stappen achteruit hem gered. Er was iets met Laromendis gebeurd, maar hij wist niet zeker wat. Het ene moment had de elfenmagiër er nog gestaan, en het volgende niet meer.

Jim had zijn dolk in zijn hand, maar hij bleef stilzitten. Hij wachtte tot hij niets meer hoorde en gluurde toen onder zijn mantel uit. De rivierbedding was verlaten.

Hij had de korte worsteling gehoord en wist al dat de anderen overmeesterd waren zodra Magnus zonder een kik te geven neerviel.

Wie hen ook had opgewacht, ze waren voorbereid geweest op een machtige magiër. Jim nam aan dat dezelfde magische valstrik voorkwam dat Sandrina haar vaardigheden benutte, en de netten hadden zowel haar als Kaspar snel buiten bewustzijn gebracht.

Puc en Kaspar waren duidelijk geweest in hun instructies. Als alles misging was Jim de laatste verbinding met de buitenwereld. Gezien het niveau van kracht en talent in dit verkenningsteam bezag hij zichzelf als een wanhopige keus.

Hij dook ineen en durfde nog niet het risico te nemen om in beweging te komen. Waar was die elf gebleven?

Toen stond Laromendis plotseling voor hem. Hij draaide zich om, keek Jim aan en fluisterde: 'Ze zijn weg.'

Jim stond op en Laromendis raakte zijn mantel aan.

'Dat is indrukwekkend.'

'Ik ben goed,' fluisterde Jim, 'maar zo goed ben ik nu ook weer niet. Dit ding was niet goedkoop. De ambachtsman die hem heeft geweven, noemde het zijn "mantel van eenwording", en ik vermoed dat hij net zulke magie gebruikt als die van jou.' Hij keek om zich heen op zoek naar enig spoor van resterend gevaar. Wat is er gebeurd?'

'Ik weet net zo weinig als jij,' fluisterde de elf. 'Ze wachtten ons op. Ze wisten dat we magiegebruikers bij ons hadden en waren er klaar voor.'

'Ze wisten dat we kwamen.'

'Kennelijk. Wat mij verontrust, is hoe de hinderlaag is uitgevoerd.'

Jims voorhoofd fronste. 'Hoezo?'

We gingen niet snel, want we waren heel voorzichtig. De drie aanvallers moesten zich voordat wij aankwamen op deze plek verstoppen, en dus moeten ze een hele tijd in die ondiepe kuilen hebben gelegen, misschien wel een uur of langer.'

'Hoe konden ze dan ademen?'

Laromendis knikte nadrukkelijk. 'Ik denk niet dat ze ademen.'

Jim keek bezorgd. 'Doodsbezwering?'

'Puc had het erover dat een van zijn zorgen was om te begrijpen hoe doodsmagie en demonenmagie verbonden waren.' De elf zweeg even en keek Jim aan. 'Er is misschien een prozaïscher verklaring, maar als dat nou eens... tot leven gewekte doden waren?'

Voor het eerst in jaren wist Jim niet zeker wat hij moest doen. We moeten het nieuws aan Puc vertellen, en we moeten onze mensen volgen.'

'Ik ga wel naar Puc,' besloot Laromendis. 'Ik kan me beter verstoppen dan jij, maar ik kan niet spoorzoeken of sluipen, en die mantel geeft jou meer flexibiliteit dan mijn magie.' Toen vroeg hij: Wat moet ik tegen Puc zeggen?'

'Vertel hem wat je hebt gezien, en verder niets. Speculeer niet, behalve als hij daarnaar vraagt, en zeg hem dat als ik niet binnen het uur terug ben, hij ervan uit moet gaan dat ik ook gevangen ben genomen.'Jim keek over de rand en zei: 'Succes,' waarna hij zijn mantel om zich heen wikkelde en bijna geheel verdween.

'Succes,' antwoordde Laromendis, gefascineerd door Jims subtiele magie. Hij zag hem langs de rand van de rivierbedding lopen, maar alleen als hij heel goed keek. Hij wist dat als hij zijn blik van hem zou afwenden, Jim uit het zicht zou verdwijnen. De mantel maakte hem niet onzichtbaar, maar deed hem één worden met het omringende terrein.

Laromendis nam zich voor nog wat vragen te stellen over die mantel als ze hier ooit wegkwamen. Hij keek om zich heen om zich ervan te vergewissen dat hij niet in de gaten werd gehouden en liep toen terug, in de hoop Puc in te halen voordat zijn groep in moeilijkheden kwam.

Puc gebaarde dat de anderen halt moesten houden. Ze waren slechts heel langzaam vooruitgekomen, gefrustreerd door de noodzaak om een ruime bocht naar het noordwesten te maken en dan geleidelijk terug te lopen naar de muur. Er was gewoon geen dekking tot aan een plek verder naar het westen, en van daaraf konden ze bijna niets zien. Knielend achter een rotsrichel die hen voor alle ogen behalve de allerscherpste zou afschermen, fluisterde hij: 'Hier bereiken we niets mee.'

Gulamendis sprak op gedempte toon: 'Amirantha en ik voelen de aanwezigheid van demonen, maar er zijn er niet zoveel, en ze zitten verspreid.'

Waar?' vroeg Puc.

'Overal,' antwoordde Amirantha. 'Er is een dichte concentratie vlak bij die grote poort waar we voor het eerst de weg overstaken, maar daarna...' Hij haalde zijn schouders op.

'En hier?' vroeg Brandos.

'Een paar,' antwoordde de elf. Kijkend naar Puc opperde hij: 'Misschien de rechtstreekse aanpak?'

Wat stel je voor?' vroeg de magiër.

Brandos keek naar de nachthemel en het schimmige landschap. 'Als ze geen nachtzicht hebben, zoals onze elfenvriend hier, kan ik dichterbij gaan en een kijkje nemen. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik op mijn buik naar een vijandelijke stelling kruip om te verkennen.'

Puc dacht er even over na. 'Ik ben bang om magie te gebruiken die misschien wordt gedetecteerd voordat we weten waar we mee te maken hebben. Ga zo dichtbij mogelijk, en kom dan hier terug, maar verborgen blijven is het belangrijkste.'

'Begrepen.'

Brandos kroop met verbazingwekkende snelheid over de rand het vlakke terrein op. 'Vijandelijke stelling?' zei Amirantha, en hij grinnikte zachtjes. 'Hij bedoelt spioneren bij de plaatselijke drost of stadswacht die ons opwachtte.'

'Zolang het maar werkt,' fluisterde Puc.

De tijd verstreek tergend langzaam voordat ze Brandos hoorden terugkomen. Hij kroop op zijn buik naar hun plek, rolde zich om en ging zitten. 'Er is een kleine poort ongeveer honderd meter naar het zuidwesten. Het lijkt erop dat dat het enige deel van de muur is dat nog niet helemaal af is. Ze moeten een houten scherm verplaatsen om wagens in en uit te laten rijden, en er staat maar één wachter. Een demon,' zei hij grijnzend tegen Amirantha.

Wat voor demon?' vroeg de zwarte magiër.

'Grote strijddemon, ramskop, bekleed met zwarte pantserplaten en voorzien van een enorme tweebladige bijl.'

'Een ramskop?' vroeg Amirantha, kijkend naar Gulamendis.

'Die zijn meestal wel handelbaar als je ze kunt onderwerpen,' zei de elf.

'Als je al ze kunt onderwerpen,' corrigeerde Amirantha.

'Wat heb je in gedachten?' vroeg Puc.

'Als we die demon kunnen beheersen, al is het maar een paar minuten,' zei Amirantha, 'dan kunnen we zo misschien binnenkomen. Als jullie de middelen hebben om ongezien binnen te komen en rond te kijken...'

'Dat kan ik wel,' zei Puc. 'Ik kan mezelf korte tijd onzichtbaar maken.'

'Dat is mooi,' zei Gulamendis met een flauwe glimlach, 'want ik denk dat wij die demon slechts korte tijd in toom kunnen houden.'

'Wat doen we als hij aan jullie beheersing ontsnapt en hij alarm slaat?' vroeg Brandos.

'Ik verwacht dat hij dan al dood zal zijn,' zei Amirantha nadrukkelijk.

Brandos sloeg zijn ogen ten hemel. 'Ze werken meestal niet meer zo mee als je begint ze te vermoorden.'

'Doe het dan snel,' zei hij tegen Brandos en Gulamendis.

^Wikkel jij hem in draden,' besloot Brandos, 'dan zorgen wij voor het uitbenen en braden.'

Gulamendis knikte. 'Ik heb een wegzendbezwering die heel snel is, maar wel nogal rommelig.'

'Rommelig vind ik niet erg,' zei Puc. 'Als snelheid geboden is luistert het allemaal niet zo nauw.'

'En Magnus en zijn groep?' vroeg Brandos.

'Als ze horen dat we problemen hebben, weten ze wat ze moeten doen,' antwoordde Puc.

'Ik hoop het,' zei Brandos, 'want ik weet het namelijk helemaal niet.'

Puc gebaarde naar Amirantha. 'Ga maar voorop.'

Amirantha knikte, maar in plaats van naar voren te kruipen zoals Brandos had gedaan, stond hij op, wenkte de anderen mee en liep recht op de poort af.

De schildwacht keek de andere kant op toen Amirantha uit de duisternis opdook, en toen hij zijn ramskop in de richting van de zwarte magiër draaide, uitte hij een merkwaardig geluid: 'Uh?'

Voordat het schepsel nog een kik kon geven, gebruikte Amirantha een bezwering van één woord waarmee hij de demon verdoofde, zodat de enorme bijl uit zijn slappe vingers viel. Amirantha wendde zich tot Puc. 'Je hebt vijf tot tien minuten, maar eerder vijf dan tien.'

'Ik ben over vier minuten terug,' zei Puc. Hij wierp een snelle blik op Amirantha, die met uitgestoken handen stond en met zijn magie de demon onder controle hield. Brandos stond klaar om indien nodig een doodsklap uit te delen, terwijl Gulamendis voorbereid was om het schepsel weg te zenden.

Puc haalde diep adem en liep naar de nu onbewaakte ingang. Toen hij om de provisorische houten barrière heen glipte, gebruikte hij een bezwering die hij nooit eerder had toegepast. Het was een lastige spreuk, maar die had het effect dat iedereen hem zou negeren. Hij was niet werkelijk onzichtbaar, maar als iemand naar hem keek, ving hij diens aandacht niet, alsof hij niet belangrijk genoeg was. Het was een spreuk die hij de week ervoor van Laromendis had geleerd, en hoewel de elf had verklaard dat Puc hem voldoende onder de knie had, had Puc nog steeds twijfels.

Hij liep door de opening en bleef staan om alle kanten op te kijken.

De vier torens verhieven zich boven hem, in een boog naar het open midden. Van zo dichtbij voelde Puc de kracht die ervan afstraalde; die was zwak, of misschien was sluimerend een beter woord, maar hij was er wel. Af en toe danste er een flikkering van licht over de bovenkant, maar verder gebeurde er niets.

Puc had geen tijd voor nader onderzoek, hoe graag hij het ook zou willen. Hij liep naar de enorme afgraving in het midden van de ring, om zich heen kijkend om zich ervan te vergewissen dat niemand hem observeerde. Een schildwacht op de muur keek even recht zijn kant op, maar toen draaide hij zich om en keek weer naar het donkere, smalle pad buiten de muur. Ofwel de spreuk werkte, of de wachter keek niet op van mensen in donkere mantels die 's nachts door het bouwwerk slopen.

Puc kwam bij de rand van de kuil en keek erin. Zijn maag verkrampte. De kuil was nog geen dertig voet diep, maar hij zag de stapel lichamen. De stank wees erop dat ze al dagen dood waren. Er lagen dode elfen, mensen, dwergen en zelfs enkele demonen.

Hij stapte achteruit en voelde een fris windje dat de smerige stank wegblies. Als het windstil was geweest, dan zou hij de geur bij de poort al hebben geroken.

Hij haastte zich naar het enige binnen de ring dat er uitnodigend uitzag: een klein gebouwtje met één deur en zonder ramen. Terwijl hij ernaartoe onderweg was, siste een stem hem van vlakbij toe: 'Psst! Puc!'

Het scheelde niet veel of Puc had Jim Dasher verdampt waar hij stond. 'Je hebt geen idee hoe link dat was,' fluisterde Puc. 'Waar zijn de anderen?'

'Daarbinnen.'Jim wees naar de deur. 'Er is daarachter een trap naar een ondergrondse ruimte.'

'Ik heb één minuut voordat ik terug moet naar waar Amirantha en de anderen staan te wachten.' Puc wees naar de onbewaakte ingang.

'Magnus, Sandrina en Kaspar zijn gevangengenomen.' 'Wat?'

Jim beduidde dat hij stil moest zijn. 'Een valstrik. Ik denk dat ze wisten dat we kwamen.' Voordat Puc kon vragen hoe, ging hij door: 'Ik heb mijn mantel gebruikt, en Laromendis heeft zijn bezweringskunst aangewend om verborgen te blijven. Hij is achter jullie aan gegaan, en als hij zijn broer en de anderen inmiddels niet heeft ingehaald, dan zal hij er wel zijn als jij teruggaat.'

'Ik ga niet terug,' zei Puc. 'Mijn zoon is daar beneden!'

'Ik kan beter in en uit glippen dan jij. Je bezwering is goed, want ik moest een hele tijd strak naar je kijken voordat ik je kon zien, maar uiteindelijk herkende ik je. Onder aan die trap is een ruimte die zo klein is dat ze je daar niet zullen kunnen negeren, dus laat mij maar gaan. Ik zie je over vijf minuten bij de poort.'

'Als je dan niet terug bent, kom ik achter je aan,' waarschuwde Puc.

'En het plan dan?' snauwde Jim.

'Iedereen weet wat hij moet doen, en ik stuur Brandos wel met instructies als het moet. Ik ben al te veel kwijtgeraakt om niet achter Magnus aan te gaan als jij niet terugkeert.'

'Begrepen,' zei Jim. 'Ik ga nu naar beneden, en daarna kom ik naar je toe.'

Puc aarzelde, omdat hij het vreselijk vond om dit aan een ander over te laten, maar hij had zelf altijd geklaagd dat Miranda schijnbaar niet in staat was om belangrijke taken aan anderen te delegeren. Er kwam een bitter gevoel in hem boven bij de gedachte aan zijn vrouw, en hij knikte en draaide zich om.

Jim Dasher wist dat het Puc moeite had gekost om hem te laten gaan. Het recente verlies van zijn vrouw en jongste zoon maakte hem nog veel bezorgder ten opzichte van Magnus. Toch wist Jim uit ervaring dat dit nu juist het soort situatie was waarin emoties je het leven konden kosten.

Ze hadden een plan gemaakt, met een optie waarvan alleen hij, Puc, Kaspar en Magnus op de hoogte waren. Drie compagnieën soldaten stonden klaar om op ieder gewenst moment in de aanval te gaan.

Elke compagnie stond onder bevel van mannen die Puc volledig vertrouwde: zijn geadopteerde kleinzoons Tad, Zane en Jommy. Jommy wachtte op een mooi, rustig landgoed op het eiland Roldem, met driehonderd leden van de Koninklijke Marine onder zijn bevel.

Zane was in Kesh met een half legioen van de beste grenswachten van Kesh, de hondsoldaten, bijna duizend man.

En Tad was in Krondor met vijfhonderd soldaten van de prins, terwijl Kaspar nog eens vijfhonderd persoonlijk geselecteerde schoktroepen van het leger van de Maharadja van Muboya had verzameld aan de andere kant van de planeet, waar de jonge magiër Jason klaar stond om hen hierheen te halen.

Ze konden hier per compagnie of allemaal tegelijk binnen enkele minuten zijn. Het enige kritieke punt was de ene persoon die een Tsuranibol moest gebruiken om naar Tovenaarseiland te komen, waar een eenvoudig bevel een grootscheepse aanval op dit fort in gang zou zetten. Als die ene persoon niet weg kon komen, mislukte alles.

Jim liep langzaam naar het gebouw en ging de wenteltrap af, die begon als een gat in de vloer. Hij hield één hand tegen de muur links van hem, en met de andere hield hij zijn mantel stevig om zich heen. De aard van dit schitterende kledingstuk paste zich aan naargelang zijn bewegingen, maar de trap was amper breed genoeg om iemand te laten passeren, dus moest hij zo snel mogelijk beneden zien te komen.

Hij maakte vijf volledige cirkels en wist dat hij zich nu ongeveer dertig voet onder de grond moest bevinden, terwijl de bodem nog niet in zicht was. Nog tien en hij zag licht, en toen hij onderaan was aangekomen, schatte hij dat hij zeker honderdvijftig voet ondergronds was. Het zou een fijne klim terug naar boven worden, dacht hij, vooral als hij op de hielen werd gezeten.

Beneden zag Jim een grote ruimte met oude stenen muren. Weer zo'n verrekt oud Keshisch fort, dacht hij. Zijn avontuur was begonnen op een gelijksoortige locatie op het plateau, de ruïne die de Tombe der Hopelozen werd genoemd, en nu bevond hij zich op een nog afgelegener en gevaarlijker plek.

Om zich heen kijkend, zag hij dat in slechts één van de vier tunnels in de verte licht te zien was, dus koos hij die richting.

De tunnel was ook gemaakt van oude steen, droog en stoffig, maar op de vloer waren de sporen van vele voeten te zien. Hij had nog altijd geen idee wat dit voor een gebouw was en waarom de waanzinnige tovenaar Belasco en zijn demonische onderdanen hadden besloten het te bezetten, maar hij vermoedde dat hij niet blij zou zijn met het antwoord op die vraag.

Aan het eind van de tunnel aarzelde hij, klemde zijn mantel om zich heen en keek verbaasd de kamer in.

Een enorm altaar, oud en zwartgevlekt van eeuwenoude offers, was nu besmeurd met vers bloed. Ervoor zaten drie gestalten, in ketenen gebonden en gedwongen te knielen: Kaspar, Sandrina en Magnus.

Nou, in ieder geval leven ze nog, dacht Jim.

Boven op het altaar lag de roerloze gestalte van Belasco, met zijn ogen dicht. Dood, bewusteloos of in slaap, dat was lastig te bepalen.

En aan de andere kant van het altaar stond een slanke man, pezig en tot aan zijn middel ontbloot. Zijn bovenlichaam was bedekt met clantatoeages, en zijn tanden waren tot punten gevijld. Hij zong zachtjes. Jim had er nog nooit een gezien, maar toch herkende hij wat die man was: een kannibaal van de Shaskahan, een volk dat een bijzonder duister soort magie beoefende. Alleen leek de magie er deze keer niet op gericht om het lichaam op het altaar te vernietigen, maar scheen hij te proberen het weer tot leven te wekken. Toen het gezang ophield, schudde de Shaskahan zachtjes aan Belasco. 'Meester?' fluisterde hij, zo luid dat Jim het kon verstaan.

Vanuit de lucht kwam een stem. 'Ja, mijn dienaar?'

'Bent u weer onder ons?' vroeg de man. Hij leek echt bang.

'Nog niet,' kwam het antwoord.

Wat moet ik doen? We hebben degenen die zijn gekomen gevangengenomen, zoals u ons had opgedragen. We hebben ze hier, gebonden in ketenen die hun magie belemmeren.' Hij wierp een blik op Sandrina en Magnus, en toen op Kaspar. We kunnen bloed vergieten, als dat zal helpen?'

Droogjes zei de stem in de lucht: 'Niets zal helpen.'

Toen schalde er een andere stem door de ruimte, en hij klonk als een vlaag wind uit de hel zelf. 'Laat me eruit!' beval die stem. Het lichaam op het altaar trilde en de Shaskahan stapte doodsbang achteruit.

Jim bleef in de schaduwen en twijfelde over wat hij moest doen.