17. Oproep

Er deed zich een enorme ontploffing voor. Puc en de anderen werden tegen de grond gesmeten toen een zuil van groene energie vanuit de kuil de lucht in schoot. De felle energie schoot naar buiten als een kwade bliksem, zo luid knetterend en sissend dat Pucs groep de handen tegen de oren drukten.

'Goden!' riep Brandos uit. 'Wat was dat?'

Puc voelde de haartjes op zijn armen en in zijn nek overeind komen toen een maar al te bekende en kwaadaardige kracht zich begon samen te ballen. 'O goden, inderdaad,' zei Puc toen een krachtige beving door de grond onder hen trok en een diep dreunend geluid zijn kiezen deed trillen. 'Het is een oproep!'

Wat?' vroeg Gulamendis. 'Ik heb nog nooit zoiets meegemaakt.'

'Ik ook niet,' zei Laromendis. De taredhel had zijn broer, Amirantha en Brandos gevonden terwijl Puc zijn ontmoeting had met Jim. Puc had net uitgelegd wat hij wilde doen toen de energieschicht uitbarstte.

Puc wendde zich tot Brandos. 'Hier, neem dit.' Hij gaf hem een Tsuranibol aan. 'Druk op die knop, dan kom je in het kasteel op Tovenaarseiland. Een magiër genaamd Pascal zal je opwachten. Zeg dat hij alles meeneemt. Dan weet hij wel wat hij moet doen.'

'Ik ga niet weg,' zei Brandos, kijkend naar Amirantha. 'Hij overleeft het niet als ik hier niet ben om hem rugdekking te geven.'

Amirantha pakte de bol van Puc aan en drukte die Brandos in de handen. 'Ik hield mezelf al in leven toen jij nog geboren moest worden, jongen.' Als de anderen het al vreemd vonden dat de jonger uitziende zwarte magiër de grijsharige strijder 'jongen' noemde, dan had niemand behoefte er iets van te zeggen. 'Doe wat je gezegd wordt en kom dan hier terug als je kunt; wacht anders in het kasteel, bij je vrouw. Begrepen?'

Brandos keek de anderen om beurten aan en besefte dat hij hier als enige gemist kon worden, dus pakte hij de bol beet en was plotseling verdwenen. 'En nu?' vroeg Gulamendis.

'Er kan straks best iets door die poort komen wat wij ons niet eens kunnen voorstellen.' Puc zag dat de wachters in het gebied zich snel terug haastten binnen de muren, met uitdrukkingen van paniek op hun onmenselijke gezichten. 'Als je iets naar het kleine gebouwtje tegen de achterste muur ziet gaan, dood het dan,' riep hij, en hij holde weg.

Amirantha en de twee elfen aarzelden niet en volgden Puc, die langs de houten barrière en door de verlaten poort rende. Enkele demonen van uiteenlopende grootte renden over het binnenterrein, tegen elkaar schreeuwend, zoekend naar iets om hun woede en doodsangst op af te reageren. 'Puc, rechts van je!' riep Amirantha.

Zowel de zwarte magiër als Gulamendis begon met wegzendrituelen, maar voordat ze halverwege waren, stak Puc zijn hand uit en liet een verzengende straal van zilveren energie los, die de demon die op hem afkwam in tweeën scheurde. De stukken vielen walmend op de grond en vlogen vervolgens in brand, terwijl de twee demonenmeesters en de bezweerder vol ontzag toekeken. 'Help me herinneren dat ik hem nooit boos maak,' zei Laromendis.

Gulamendis knikte en zei toen: 'Dat heeft hun aandacht getrokken.'

Zeker tien demonen hadden het tafereel gezien, en Puc had hun een mooi doelwit voor hun angst en woede verschaft. Ze stormden brullend en krijsend op hem en de anderen af. Puc maakte een vegend gebaar met zijn hand, waarop een gordijn van vlammen aan de grond voor de demonen ontsprong. Ze werden overspoeld door het vuur en brulden van woede en pijn.

Gulamendis ging naast de zwarte tovenaar staan. 'Het zijn demonen. Vuur is alleen maar een irritatie voor ze.'

'Het heeft ons even wat tijd opgeleverd,' zei Amirantha.

Ze kwamen in het gebouw aan, en Puc nam snel een besluit. Amirantha, ga de trap af en zoek Jim Dasher op. Wees voorzichtig.' Tegen Laromendis en Gulamendis zei hij: We moeten die schepsels hier weghouden.'

De zwarte magiër haastte zich de wenteltrap af, terwijl Pucs rechterhand naar voren schoot, met de handpalm op de deuropening gericht. Een rimpeling in de lucht, groen gekleurd door het licht van het oproeptoestel, onthulde een muur van kracht die een tiental demonen raakte en hen achterover sloeg. Enkele bleven verdoofd en roerloos liggen, maar de overige leken alleen maar kwader te worden.

Gulamendis pakte een talisman uit zijn riembuidel en wees ermee naar een bijzonder akelig uitziende demon, een monster met schubben en krokodillentanden, vleermuisvleugels en een bloedrood pantser. Hij sprak een snelle frase uit, en plotseling knipperde de demon met zijn gele ogen en rukte hij de strot van de demon naast hem eruit. Laromendis sloot zijn ogen en mompelde: 'Iets groots.'

Even later beefde de grond door het woedende gebrul van een enorme gouden draak die ineens boven de circa dertig demonen rondom de hut verscheen.

'Dit levert ons maar een paar minuten tijd op, Puc,' zei Gulamendis. 'Hoe groter en kwader de illusie, hoe sneller Laro moe wordt.'

De draak was prachtig en leek veel op de draak waarop de broers samen met Tomas hadden gereden. Hij opende zijn muil, en een verzengende vlaag vuur rolde over de demonen en dreef hen uiteen. Puc voelde de hitte over hem heen komen en zag dat de demonen krijsend wegrenden en op de vlammen sloegen, terwijl er blaren op hun huid verschenen. En toch was er geen vuur of rook en blakerde de grond niet zwart. Zodra Puc dat besefte, verdween de hitte. Hij zag de draak nog steeds, maar die was nu onstoffelijk en overduidelijk een illusie.

Wetend dat de demonen snel tot datzelfde inzicht zouden komen, stuurde hij nog een uitbarsting van vuur op ze af, die ontplofte in een zuil van oranje en geel en de demonen werkelijke brandwonden toebracht. 'Dat houdt ze nog wat langer in verwarring,' zei Puc.

'Verwarring zal maar tijdelijk werken,' zei Gulamendis. 'Hun reserves van buiten de muren komen er nu ook aan.'

'Ze hebben waarschijnlijk bevel gekregen om terug te keren zodra de oproep begon,' speculeerde Puc. 'Ik vraag me af door welk toeval deze nog leven, terwijl hun kameraden onder in die kuil liggen.'

'De veldslag die we op Telesan zagen was geen illusie, Puc,' zei Gulamendis. 'Er is een demonenoorlog aan de gang, en het is een meevaller voor ons dat de demonen nu tegen elkaar strijden. Ik heb gezien hoe twee werelden door hen verwoest werden. Een derde zou er een te veel zijn. Kijk uit!'

Puc zag vliegers die de drakenillusie aanvielen en hij reageerde met een lans van purperen licht, waardoor een demon die zich boven de draak bevond in brand vloog. Toen het karkas omlaag viel, ging hij dwars door de draak heen, en daardoor kregen enkele andere demonen in de gaten dat er iets niet klopte.

'Ze zijn stom,' zei Gulamendis, 'maar ook weer niet zó stom. Zo meteen komen ze op ons af.'

Puc vuurde nog een energieschicht af. 'Als we het nog tien, vijftien minuten kunnen uithouden, zouden de mariniers uit Roldem hier als eerste moeten aankomen.'

Terwijl er nog meer demonen in zicht kwamen, zei Gulamendis: 'Ik denk dat ze geen stand zullen kunnen houden als wij niet helpen.'

'We helpen ook,' bevestigde Puc.

Gulamendis gebruikte zijn kunsten om controle te krijgen over de grootste demon die hij zag, die hij vervolgens zijn buurman liet aanvallen. Er was niet veel provocatie nodig om dat conflict te laten escaleren, en er raakten nog enkele andere demonen bij betrokken. 'Iets in hun conditionering valt weg, Puc. De demonen keren terug naar hun oude gewoonten en beginnen te vechten om dominantie.'

'Waarom?'

'Geen idee, maar wat er ook macht uitoefende op die schepsels, het verliest de controle.'

Voor hun ogen begonnen de demonen zich tegen elkaar te keren, maar er bleven er nog genoeg op het gebouwtje afstormen om Puc te dwingen al zijn kunde aan te wenden om ze met een volgende schicht energie achteruit te werpen. 'Ik kan dit niet de hele dag volhouden,' zei hij, overduidelijk vermoeid. 'Het zijn er zoveel.'

'Als ze zich allemaal tegen elkaar keren, hoeven we alleen die deur te barricaderen.' De demonenmeester koos een andere demon in het gedrang uit en liet die zijn buurman aanvallen. Toen verdween de illusie van de draak.

'Dat was het,' zei Laromendis, die uit zijn trance kwam. 'Verder heb ik weinig te bieden.' Hij pakte de staf die hij had gekoesterd sinds ze aan de slag op de Doorgangswereld waren ontkomen en wees ermee naar een bijzonder akelig beest dat op de deur afstormde. Het ging stuiptrekkend neer toen het werd verteerd door de energie.

'Ik wou dat ik wist wat er beneden gebeurde,' zei Puc. Toen zette hij de gedachten aan zijn zoon en de anderen van zich af en richtte zijn aandacht weer op de strijd.

Amirantha wachtte in de schaduwen, niet zeker van waar hij nu eigenlijk getuige van was. Hij zag Jim Dasher tegen de muur bij de deur staan; de enige aanwijzing dat de edele die spion was geworden daar stond, was een vreemd breken van het licht, dat slechts een heel klein beetje bewoog. Als Amirantha naar de plek staarde, kon hij tussen de deur en de ruimte erachter net de vage omtrekken van een man ontwaren.

Hij bekeek het tafereel binnen even, en zijn ogen werden groot. Zijn broer Belasco lag roerloos op een offeraltaar, en Sandrina, Kaspar en Magnus knielden voor hem.

Amirantha nam aan dat de twee magiegebruikers door hun boeien niet in staat waren hun vaardigheden te gebruiken, anders zou deze situatie al zijn opgelost voordat Jim en hij waren aangekomen.

Een vreemd uitziende man, mager, met warrig haar en indrukwekkende puntige tanden, stond zo te zien meelijkwekkend te huilen bij Belasco en smeekte de roerloze gestalte om instructies. Nog onthutsender was de dialoog tussen twee onzichtbare entiteiten die hij hoorde. Amirantha bleef staan om na te gaan of hij niet gek werd, want hoewel zijn broer stil op het altaar lag, hoorde hij toch diens stem, en toen nog een tweede, en beide eisten een of andere actie van de magere man.

Amirantha liep naar Jim toe, en toen de ommantelde gestalte zich spande, zei hij: 'Ik ben het maar. Wat gebeurt er?'

Jim greep de zwarte magiër bij zijn arm en trok hem achteruit de tunnel in. 'Geen idee. Die gestoorde kannibaal praat al vijf minuten tegen je bewusteloze broer. Ik weet niet van wie die andere stem is.'

'Ik zal je een keer de bijzonderheden van demonische bezetenheid moeten uitleggen, maar dit is daar niet het moment voor,' zei Amirantha. 'Kun je die man doden voordat hij tijd heeft om iemand anders iets aan te doen?'

'Met gemak, maar waarom?'

'Als hij iets verkeerds doet, gaan we er allemaal aan.'

'Dat is voor mij reden genoeg,' zei Jim, en Amirantha zag hem bliksemsnel zijn dolk tevoorschijn halen.

'Wacht,' zei de zwarte magiër.

'Waarom?' vroeg Jim. 'Ofwel we willen hem dood hebben, of niet. Wat moet het worden? Onze vrienden zijn machteloos en onze vijand kan niets uitrichten. Voor zover ik het zie, kunnen we onze problemen oplossen door snel twee mensen te doden.'

'Ach, was het maar zo simpel,' fluisterde Amirantha. Hij wees naar de verwarde kannibaal. Waarom is hij zo onthutst?'

'Omdat zijn meester is uitgeschakeld en hij geen idee heeft wat hij moet doen,' antwoordde Jim. 'Ik weet niet veel over magie, maar ik weet dat de prijs die je ervoor betaalt soms onverwacht hoog is. Als die kwaadaardige klootzak op het altaar een fout heeft gemaakt, waarom zouden we daar dan niet ons voordeel mee doen en hier een einde aan maken?'

We kunnen er niet zo een einde aan maken,' zei Amirantha. 'Nog niet. Die magere man is verward omdat er twee schepsels in Belasco's lichaam zitten!'

Twee schepsels?' fluisterde Jim. Wat betekent dat?'

'Het betekent dat mijn idiote broer een demon heeft opgeroepen, die heeft geprobeerd zijn lichaam over te nemen. Nu vechten ze om de macht.'

'Ligt hij er daarom zo roerloos bij?'

'Blijkbaar. Ze hebben geen van beiden genoeg controle over het lichaam om de overhand te krijgen en de ander te verdrijven.'

Wat moet ik doen?'

Wat Belasco aangaat, voorlopig niets,' zei Amirantha. 'Kun je die kerel met die scherpe tanden doden zonder onze vrienden schade te berokkenen?'

Wanneer je maar wilt.'

'Doe dat dan nu, en maak dan de anderen los. Ik zal waarschijnlijk hulp van Magnus en Sandrina nodig hebben bij wat er met Belasco aan de hand is.'

Jim vervaagde in de schaduwen, en even had Amirantha het gevoel dat hij alleen was in de tunnel. Toen zag hij een wazige beweging bij de muur aan de linkerkant, en een tel later verstijfde de jammerende Shaskahan en viel op de grond. Jim trok de kap van zijn mantel naar beneden en ging bij Belasco staan, en toen wenkte hij Amirantha naar binnen. De Koninkrijkse spion maakte vervolgens hun vrienden los.

Magnus en Sandrina waren allebei vastgebonden met de zilveren netten, terwijl Kaspar op conventionelere wijze was geboeid en van een prop in zijn mond was voorzien.

Kaspar hapte naar adem toen Jim hem van de prop bevrijdde. 'Goden! Ik dacht dat ik zou stikken toen ze dat ding zo ver naar binnen duwden.' Hij schraapte zijn keel. 'Help me overeind. Mijn knieën zijn niet meer wat ze geweest zijn, en ik heb te lang in één houding gezeten.'

Jim hielp hem opstaan en vroeg: Wat hebben ze met Magnus en Sandrina gedaan?'

Beide magiegebruikers bleven stil en staarden met grote ogen voor zich uit. 'Zo werden ze toen die netten over ons heen werden gegooid. Ze hebben die van mij afgehaald, maar zij hebben er de hele tijd onder gezeten,' legde Kaspar uit.

Jim knikte. 'Slavennetten. Die gebruiken ze in Durbin als ze een magiegebruiker willen grijpen. De echt fijne netten zijn duur en dempen niet alleen de magie, maar maken de magiër ook volgzaam.'

'Help me ze eruit te halen,' zei Jim.

Kaspar strekte zijn stramme benen en richtte zich toen op het verwijderen van Sandrina's boeien, terwijl Jim het net van Magnus afsneed. Toen ze vrij waren, zakten ze allebei ineen; Kaspar ving Sandrina op en liet haar zachtjes op de grond zakken, terwijl Jim hetzelfde deed voor Magnus. 'Nu wachten we tot ze herstellen,' zei Jim.

'Hoe lang zal dat duren?' vroeg Kaspar.

Amirantha stond over de liggende gestalte van zijn broer gebogen, die zijn ogen op hem richtte. 'De effecten zouden snel moeten slijten,' zei hij.

De lippen van het lichaam op het altaar bewogen niet, maar er klonk een stem in de lucht. 'Ben jij dat, broertje?'

'Ja, grote broer,' zei Amirantha.

'Je treft me niet op mijn best,' kwam het holle antwoord.

'Nooit gedaan ook.' Hij trok een dolk en vroeg: 'Is er een dwingende reden dat ik hier niet nu meteen een eind aan zou moeten maken?'

'Op mijn weerzin tegen sterven na, bedoel je?'

'Je hebt je zo weinig attent betoond richting mijn wensen op dat gebied, dat ik niet bepaald geneigd ben dat bij jou wel te doen.'

'Eerlijk is eerlijk,' zei de zwevende stem van Belasco.

Plotseling beval een andere stem, luid, raspend en streng: 'Dood hem, dan geef ik je meer macht dan in je stoutste dromen, zwarte magiër!'

'Er is nog een reden,' zei Belasco. 'Als je mij doodt, bevrijd je Dahun. Ik ben het enige dat voorkomt dat hij deze wereld betreed.'

Amirantha keek naar Magnus en Sandrina, die met hun ogen knipperden alsof ze langzaam bijkwamen uit een trance. Wetend dat hij nog wat tijd moest rekken, vroeg Amirantha: 'Als Dahun in jou zit, waar is dat bouwwerk boven dan voor?'

'Ach, dat zou klikken zijn,' antwoordde Belasco met een kwaadaardig grijnslachje.

Wat voor waanzin heb je nu weer ontketend, broertje?' vroeg Amirantha, die met de punt van zijn dolk in Belasco's schouder prikte.

'Dat doet pijn!' klaagde Belasco kinderachtig.

'Verwond me op eigen risico!' schreeuwde Dahuns stem. 'Ik aanvaard een snelle steek om me te bevrijden, maar foltering zal je alleen maar duizendvoudige terugbetaling opleveren.'

'Hij is niet bepaald geruststellend, vind je wel?' merkte Kaspar op.

'Ze zijn geen van beiden het redden waard,' zei Amirantha. Zijn ogen schoten heen en weer tussen Kaspar en de anderen, en met een ruk van zijn hand gaf hij aan dat de generaal met hem mee moest spelen. 'Maar toch, ze weten misschien een paar dingen die interessant zouden kunnen zijn. Belasco, ik ga ervan uit dat je dat monster in je om twee redenen onder controle houdt, namelijk je gebruikelijke wrok en eigenbelang, en omdat je denkt dat je een uitweg uit deze impasse weet?'

'Je kent me goed, broertje. Maar totdat het onthullen van die dingen me voordeel oplevert, denk ik dat ik mijn kennis maar voor mezelf hou.'

'Ach, je hield altijd al alles voor jezelf.'

'Dat is Sidi's schuld. Hij sloeg me altijd in elkaar en pakte mijn spullen af.'

'Dat is waar, en allebei behandelden jullie mij hetzelfde, tot ik hulp begon in te roepen.'

'Dat was een onfortuinlijke dag,' zei Belasco.

'Zwarte magiër!' klonk de stem van de demon. 'Laat me vrij en ik maak je een prins onder mensen, mijn hoogste dienaar op deze wereld.'

Amirantha zuchtte en haalde zijn schouders op naar Kaspar. 'Sorry, Dahun, maar de ervaring heeft me geleerd dat jouw beloften niet veel voorstellen.'

'Feitelijk zal hij zich daar waarschijnlijk wel aan houden,' weersprak Belasco. 'Hij is niet van plan om iedereen op te eten die hij tegenkomt. Hij wil zich vestigen en de boel bestieren. Dat was onze oorspronkelijke afspraak, en hij heeft woord gehouden.'

Amirantha sloot zijn ogen alsof hij zijn oren niet kon geloven. Hij zuchtte. Totdat je hem verraadde,' zei hij vlak.

'Natuurlijk.'

Amirantha zweeg een tijdje, maar toen zei hij: 'Dus als ik jou dood, wordt de demonenprins binnen in je bevrijd, maar als ik je laat leven... Nou, in deze toestand zul je vroeg of laat toch verhongeren, behalve als je me je plan vertelt.'

'Nog niet.'

Amirantha zag dat Magnus en Sandrina weer tot zichzelf kwamen. 'Over Sidi gesproken...'

'Ja?' vroeg Belasco.

'Hij is dood.'

'Jammer,' reageerde Belasco.

'Hoezo? Je haatte hem.'

'Jammer omdat ik degene wilde zijn die hem vermoordde. Moeder was dan misschien een boze heks, maar ze was toch onze moeder.'

'Nu ik jullie alle drie heb ontmoet, kan ik me wel ongeveer voorstellen hoe zij moet zijn geweest,' merkte Kaspar op.

Wie spreekt daar?' vroeg Belasco. 'Ik zag hem eerder al, maar hij blijft maar bewegen.'

'Kaspar, voorheen hertog van Olasko, nu generaal van het leger van Muboya.'

'Ik zou u welkom heten, generaal, maar ik vermoed dat u niet hier bent om me geluk te wensen.'

'Precies,' zei Kaspar. We zijn hier om je te doden.'

'Ah, iedereen heeft altijd maar moord in de zin.' Dat werd gevolgd door kwaadaardig gegrinnik.

'En nu?' vroeg Kaspar aan Amirantha.

Maar Belasco antwoordde: We wachten tot ik besluit welke aanpak het meest in mijn belang is.'