8. Fort
9. Oorlog
Gulamendis sprong.
De hagedis scharrelde weg, maar de demonenmeester greep hem met één beweging en sloeg hem hard tegen de rotsen.
Hij haastte zich terug naar de grot waar zijn broer zat te wachten. Achterin brandde een vuurtje. De bezweerder zat er ineengedoken voor, in een poging warm te blijven in de vroege ochtendkilte.
De nachten op deze wereld waren bitter koud, en de dagen verschrikkelijk warm. De zon was net opgekomen op hun zevende dag op deze buitenaardse planeet. Ze hadden drinkwater gevonden in een kreekje langs de helling, en ze hadden hagedissen en vogels weten te vangen om te eten, en hoewel ze vuil, moe en hongerig waren, leefden ze in ieder geval nog.
Ze hadden nu echter nog meer vragen over de demonen dan toen ze pas waren aangekomen. Nadat ze een dag hadden uitgerust, waren ze er twee keer op uitgegaan om naar het enorme leger te kijken. Beide keren waren ze heel behoedzaam genaderd om niet te worden gezien. Er gebeurde Jets onder in die vallei, maar ze wisten niet zeker wat. Als dit een elfenleger was geweest, zouden ze misschien hun gedrag hebben kunnen begrijpen, maar met demonen die zich op deze manier organiseerden hadden ze geen ervaring.
De broers spraken amper, want ze hadden de eerste paar dagen al alles besproken wat ze over de situatie wisten. Ze konden niet in het demonenrijk zijn terechtgekomen, want dan zouden ze binnen enkele minuten dood zijn geweest. Ze waren niet op de wereld die ze Thuis noemden, maar wel op hetzelfde bestaansniveau. Ondanks de niet bepaald herbergzame omgeving konden ze de lucht ademen, het water drinken en het wild eten, hoewel ze van een van de reptielen die ze hadden gevangen vreselijke maagkrampen en andere onplezierige reacties hadden gekregen.
Gulamendis hield zijn buit op toen hij achter in de grot aankwam waar zijn broer wachtte.
'Hagedis,' zei Laromendis droogjes. Wat een verrassing.'
Zijn broer negeerde de opmerking en begon het karkasje te villen met zijn strijdmes. Het was een onhandig stuk gereedschap, maar na een paar dagen oefenen kreeg hij het nu voor elkaar om hun maaltijd niet helemaal te vernielen voordat ze die braadden. Na het roosteren zou er een paar ons vlees overblijven en slechts een klein beetje vet, maar het zou voldoende zijn om hen weer een dag in leven te houden. Ze hadden langzamerhand voldoende kracht herwonnen om zich korte tijd te verdedigen als ze werden ontdekt, maar ze hadden geen van beiden de energie voor een lange strijd.
Dus hun huidige tactiek was afwachten en zich verstoppen, maar ze wisten allebei dat die optie een beperkte overlevingskans inhield. Ze verorberden snel hun maaltijd.
Wat ik hier op het ogenblik het irritantst aan vind, is dat ik elke keer als ik dorst krijg naar die kreek moet lopen,' morde Gulamendis.
'Krijg dan géén dorst,' antwoordde zijn broer. 'Of zoek een jampot of een emmer of zoiets om water in te halen.'
'Ik had al geopperd om jouw laars te gebruiken...' zei de demonenmeester in een zwakke poging tot humor.
Zijn broer trok een gezicht om aan te geven wat hij van dat idee vond. 'Hoe lang kunnen we hier nog blijven zitten en ons dingen afvragen?' vroeg de bezweerder.
'Weet ik niet,' zei Gulamendis bijna geërgerd. 'Ik snap hier zo weinig van.'
Laromendis had de zorgen van zijn broer al eerder gehoord, vanaf het eerste moment dat ze de demonen aan de andere kant van de helling hadden gezien, maar hij vroeg: 'Misschien moet je het nog één keer samenvatten.'
"Waarvoor?' vroeg Gulamendis, die zijn frustratie liet doorschemeren. 'Alles wat ik over demonen weet moet onjuist zijn, of in ieder geval gebrekkig. Die menselijke magiër Amirantha en ik hebben allebei het vertrouwen in onze bezweringen verloren. Met de komst van de demonenkoning bleek dat elk schepsel dat we opriepen zich tegen ons kon keren of naar zijn eigen rijk kon verdwijnen om melding te maken van wat hij had gezien.
Tot we hier kwamen, had onze ervaring met demonen ons geleerd dat ze onbeheersbaar waren als ze niet werden beteugeld met magie. Op elke andere wereld hebben we bij de aanvallen op ons volk geleerd dat ze niets anders zijn dan een horde monsters. Onstuitbaar, genadeloos en zonder enige strategie behalve aanvallen, aanvallen, aanvallen.'
"Wat te denken van die kapiteins op Andcardia?' bracht zijn broer hem in herinnering. 'Die gaven bevelen.'
'Ze gaven de indruk dat ze vee hoedden, of richting gaven aan een op hol geslagen kudde, niet alsof ze een gecoördineerde aanval leidden.' Hij zuchtte. 'Maar dat kamp...' Hij haalde gelaten zijn schouders op. 'Ik kan het niet verklaren. Ik heb geen idee wie het bevel over hen voert, maar ze gedragen zich anders dan elke andere groep demonen waar ik ooit van heb gehoord, laat staan mee in contact ben gekomen.'
'Ik snap het,' zei zijn broer. 'Je hebt het gevoel dat iemand de basisregels van je kunst heeft veranderd zonder jou daarvan op de hoogte te stellen.' Hij maakte aanstalten om op te staan. 'Laten we iets te drinken gaan halen, en dan besluiten of we vanavond weer willen gaan kijken bij de demonen die niks doen.'
Terwijl hij overeind kwam, bokte de grond onder hen plotseling en klonk er buiten een luide ontploffing.
Laromendis belandde weer op zijn achterwerk, en zijn broer riep uit: "Wat was dat?'
Ze keken allebei op toen er gruis van het dak van de lage grot viel, amper zichtbaar in het weinige licht dat door de ingang vijftig voet verderop naar binnen kwam. 'Naar buiten!' riep Gulamendis. 'De grot stort in!'
Terwijl de grond onder hun voeten beefde, wankelden ze te midden van een regen van stof en gruis naar de uitgang. Eenmaal buiten keken ze om zich heen, en Laromendis vroeg: 'Aardbeving?'
Nog een dreun in de verte, gevolgd door een nieuwe schokgolf. 'Ik denk van niet,' antwoordde Gulamendis.
Ze beseften al snel dat het lawaai van de andere kant van de richel kwam. Gulamendis wenkte zijn broer mee en ging half klauterend, half kruipend tegen de bevende helling omhoog. Toen ze de top naderden, hoorden ze het lawaai van gevechten in de verte, onderbroken door nog meer enorme explosies. Een voorzichtige blik over de richel onthulde niets dan chaos.
Rook en stof vulden de lucht, terwijl duizenden demonen uit hun kampementen stormden om een aanval af te slaan van nog meer demonen.
Wat is dit?' vroeg Laromendis, die geen moeite deed om te fluisteren. Overal waar ze keken waren demonen met elkaar in gevecht. Het vreemdste aan het bizarre tafereel was dat de demonen uit het kamp pantsers droegen die min of meer eenvormig waren: mat zilverkleurige borstplaten en helmen, sommige met arm- en schouderstukken, andere zonder verdere bescherming. Sommige demonen hadden beenkappen of laarzen aan, terwijl andere — met enorme poten en klauwen - geen schoeisel droegen. Maar het was duidelijk dat ze onder dezelfde banier vochten. Die banier hing hoog aan een lange paal midden in het kamp, een enorm zwart doek met een rood teken erop, dat van deze afstand onmogelijk te lezen was.
De aanvallers waren ook min of meer uniform uitgerust, maar hun pantser was donker blauwgrijs van kleur en ze droegen geen banier bij zich. Ze hadden echter overduidelijk het voordeel van de verrassing en hun felheid.
Zelfs zonder wapens waren demonen dodelijk effectieve strijders, maar met wapens waren ze nog angstaanjagender. De slachtpartij ging onophoudelijk door: aan alle kanten gingen demonen met kreten van pijn en in fonteinen van dampend bloed neer, en lichaamsdelen zeilden door de lucht. Het was een slachting, in elke betekenis van het woord.
'Een demonische opstand, zo te zien,' zei Gulamendis. 'Daar,' zei de bezweerder, wijzend naar de andere kant van de vallei, naar de richel tegenover die waarachter zij zich verstopten.
Laromendis zag wat de aandacht van zijn broer had getrokken. Boven op de richel stond een reusachtige gestalte, waarbij vergeleken de andere om hem heen wel dwergen leken. Ze konden van deze afstand geen details zien, maar het was duidelijk dat de groep boven op de verre richel de
aanval op het kamp van de demonenhorde in de vallei leidde.
Vliegers stegen op naar de beesten die al rondvlogen, en de twee elfen begrepen ineens waar de enorme bevingen en explosies vandaan waren gekomen. De vliegende demonen droegen grote voorwerpen mee, die ze boven de grondtroepen lieten vallen; als die de grond raakten, kwam er een gigantische hoeveelheid energie vrij die een zuil van aarde, rook, vuur en stukken van verwoeste demonen de lucht in smeet. De eerste aanval moest hebben bestaan uit uitvallen naar posities dichter bij de plek waar de broers zich verstopten, want deze inslagen leken minder zwaar.
Vanuit drie greppels verderop, net buiten de vallei, stroomde een vloed van aanvallende monsters de mêlee in. Ze bestormden het kamperende leger, dat al in chaos verkeerde, en de slachting werd nog heviger.
Wat gebeurt hier toch?' vroeg Laromendis.
'Kun je genoeg dekking voor ons oproepen om ongezien te blijven als het nodig is?' vroeg zijn broer.
'Niet lang.'
'Als hier inderdaad gaande is wat ik vermoed, dan hebben we het niet lang nodig. Kom, we moeten opschieten.'
De demonenmeester vertrok in looppas, net onder de rand van de richel blijvend en die langs de buitenrand van de vallei volgend. De grond beefde nog regelmatig, maar de luchtaanval werd langzamerhand gestaakt terwijl de tegenstanders elkaar op de grond bevochten. Af en toe gluurde Gulamendis over de rand en wenkte dan zijn broer weer mee.
Ze kwamen bij een verzameling rotsen, waar ze beter uitzicht hadden op wat er gaande was, en Laromendis vroeg: 'Herken jij er een paar van?' Hij knikte naar de demonen die op de rand van de vallei stonden. Nu waren ze zo dichtbij dat Gulamendis wat bijzonderheden kon zien. De demon midden in de groep was enorm, misschien wel twintig of vijfentwintig voet lang, met gigantische vleugels op zijn rug gevouwen. Hij was mogelijk ooit een vlieger geweest, of misschien had hij die vleugels alleen om meer indruk te maken als hij ze uitvouwde, maar de demonenmeester betwijfelde of het schepsel zonder magie nog zou kunnen vliegen. Aan weerskanten ervan stonden demonen van een type dat Gulamendis nooit eerder had gezien: monsters met een zwarte huid, die van het middel omhoog min of meer half menselijk waren en van onderen een soort hagedissen. Ze hadden lange staarten en keken doorlopend om zich heen.
'Ik denk dat die twee,' zei hij zachtjes, wijzend naar de hagedisachtige demonen, 'wachters of assistenten of zo zijn.' Hij maakte een draaiende beweging met zijn vinger terwijl hij wees. 'De overige zijn strijddemonen, maar die heb ik nog nooit stil zien staan, en ik heb ze ook nog nooit met pantsers en wapens gezien.' Hij knielde neer. We zien hier iets heel nieuws.'
Wat dan?'
'Dat vertel ik je wel als we wat meer tijd hebben,' zei Gulamendis. 'Die grote is ofwel de demonenkoning, Maarg, of een demon die veel overeenkomst vertoont met het signalement dat Puc me heeft gegeven.'
'Zei Puc niet ook dat Maarg dood was gevonden op een andere wereld?'
'Nou,' zei Gulamendis, 'je hebt dood, en je hebt dood. Ik stuur al jaren demonen terug naar hun eigen rijk, en ik heb er zelfs een paar weten te vernietigen, maar ik weet niet echt of ze dood waren of gewoon wat gehavend terugkeerden naar waar ze vandaan kwamen.' Hij keek weer over de rand van de richel. 'Als ik gelijk heb, dan zouden we daar achter die monsters ergens een uitweg moeten vinden.'
'Dan kunnen we beter gaan, want die strijd is straks afgelopen, en ik wil hier weg zijn als de overwinnaars op zoek gaan naar nog meer dingen om aan te knagen.'
De demonenmeester knikte. 'Zorg dat je klaar bent om ons op rotsen te laten lijken als het nodig is.'
'Ik zal het proberen,' antwoordde zijn broer.
Ze liepen langzaam, keken elke tien passen even over de richel, en plotseling liet Gulamendis zijn broer halt houden. 'Er klopt iets niet.'
'Hoe bedoel je?' vroeg de bezweerder.
'Ik voel overal in deze vallei demonen. Het voelt als een menigte die tegen me schreeuwt, maar verderop... niks.'
'Niks?'
'Als ik mijn ogen sluit, dan staan er geen demonen op die richel.'
Laromendis gluurde over de rand en bestudeerde het tafereel een tijdje. 'Dat is vreemd.'
Wat zie je?'
'Stil even; kijk een tijdje en vertel me dan wat je ziet.'
De twee broers waagden nog een blik op de demonen op de richel, nu minder dan tweehonderd meter verderop. De demonenkoning stond met zijn armen over zijn obsceen dikke buik gevouwen, zijn gezicht een masker van uitgelaten boosaardigheid, en hij bezag de strijd beneden met gloeiende rode ogen. Ineens schoot zijn hand de lucht in en gebaarde hij om zijn volgelingen aan te sporen, maar er kwamen geen nieuwe versterkingen meer bij.
Waarom geeft hij het teken voor de aanval als de strijd al bijna gestreden is?' vroeg Laromendis.
'Omdat hij geen teken voor de aanval gééft. Kom mee,' zei Gulamendis terwijl hij ineendook en zich verder haastte langs de bocht van rotsen die hen aan het zicht onttrok.
Terwijl ze zich zo veel mogelijk verborgen hielden, kwamen ze dichterbij dan Laromendis lief was.
Toen zei Gulamendis op gedempte toon: 'Kijk, broertje!'
Ze gluurden naar de verzamelde demonen en zagen dat de demonenkoning alweer het teken voor de aanval gaf. 'Hè?' Laromendis sloot zijn ogen. 'Ik ben een idioot. Het is allemaal een bezwering.'
'Een heel effectieve illusie, voor zover ik kan bepalen. Hij zou iedereen bedotten die geen demonen kan aanvoelen, zelfs jou, broertje; en niemand anders komt dicht genoeg in de buurt om te zien dat dit allemaal een truc is van lichtjes en magie.'
'Maar waarom...'
'Daar kunnen we later wel over nadenken,' zei Gulamendis. "We moeten de weg naar huis vinden, of in ieder geval naar een andere plek dan hier. Waarom die demonen hierheen zijn gelokt om door hun eigen soort te worden afgeslacht, is iets voor een ander moment. Nu moeten we kijken of er een soort poort is aan deze kant van de berg.'
Hij haastte zich verder, zonder zich zorgen te maken dat hij zou worden gezien door de illusies vlakbij, en Laromendis ging achter hem aan. De vermoeidheid van dagen van ontberingen maakte plaats voor opwinding omdat ze nu misschien een manier zouden vinden om van deze woestijnplaneet af te komen, en ze liepen snel.
Toen ze langs de illusies waren, stuitten ze op een breed pad en zagen ze dat het onlangs was betreden door duizenden voeten. 'Nou, nu weten we dat het aanvallende leger wél echt is,' concludeerde Laromendis.
'Demonen zijn niet zo lang te bedotten,' zei zijn broer. 'Ik dacht dat je dat al wel doorhad toen ze je betoveringen begonnen te negeren en ons gingen aanvallen.'
'Ik dacht dat ze in het strijdgewoel, met bloed en schreeuwende demonen aan alle kanten, misschien niet in staat zouden zijn te beoordelen of er wel genoeg demonenstank in de lucht hing,' zei de bezweerder terwijl ze bijna op een holletje het pad afgingen.
'Daar zeg je wat,' gaf zijn broer toe. 'Maar toch, jij bent de bezweerder. Zou jij de illusie kunnen creëren van een leger op die schaal?'
'Nee,' zei Laromendis, die begon te hijgen. 'Dat kan niemand. Je zou er minstens twaalf bezweerders met mijn vaardigheid voor nodig hebben. En dan zouden ze de illusie nog niet lang in stand kunnen houden. Hier wordt een heleboel magie gebruikt. Om dat te bereiken en zo lang vol te houden, op dit niveau, zou je honderd bezweerders nodig hebben die beter zijn dan ik.'
'Nou, laten we hopen dat degene die achter dit monsterlijke verraad zit, te druk bezig is om te merken dat wij wegglippen.'
Plotseling gingen de haartjes op hun armen rechtop staan en kwamen ze allebei schuivend in een stofwolk tot stilstand.
Wat is er?' vroeg Gulamendis.
'Een barrière...' Laromendis stak zijn hand uit en trok hem snel weer terug. 'Het doet geen pijn, maar het voelt ook niet bepaald aangenaam.'
Wat is het dan?'
Duwend met zijn vingers zei Laromendis: 'Ik denk...' Hij stapte naar voren en verdween.
'Laro!' riep de demonenmeester.
Plotseling verscheen er een hand in de lucht, die hem bij de arm greep en naar voren en door de barrière trok.
Waar zijn we?' vroeg Gulamendis.
Waar het ook was, het was niet de woestijnwereld waar ze zonet nog waren. Ze stonden op het lege verzamelterrein van een enorm fort van zwarte steen. Muren van dertig voet hoog rezen aan alle kanten op rondom een plein van tweehonderd meter lang en honderd meter breed. Ze bevonden zich in een fort zoals ze nog nooit hadden gezien. Als het kasteel van de Zwarte Tovenaar was gebouwd om passerende schepen af te schrikken, dan zou de aanblik van dit fort ervoor zorgen dat de zeelieden zich dood schrokken.
De hemel boven hen ging schuil achter een zwarte wolkendeken, zo dik dat onmogelijk te bepalen viel hoe laat het was of zelfs maar of het dag of nacht was. De wolken werden van onderen verlicht door de kwade rode gloed van een reeks vulkanen rondom het fort. In de verte schoten bliksems door de hemel, even later gevolgd door donderslagen die de twee elfen duidelijk voelden.
'Waar zijn we?' herhaalde Gulamendis.
Zijn broer greep hem bij de arm en trok hem naar de betrekkelijke beschutting van de schaduw van een hoektoren. In de verte kwam een grote gestalte het reusachtige fort uit en stak het plein over; en hoewel hij driehonderd voet bij hen vandaan was, zagen ze dat het een enorme strijddemon was, van misschien wel twaalf voet lang. Hij liep doelgericht, maar hij viel hen niet aan en liep schuin van hen weg, geconcentreerd op iets anders. Net als de schepsels die ze op de andere wereld hadden gezien, droeg hij een pantser en een lang tweehands zwaard op zijn rug.
'Is dit het demonenrijk?' vroeg Laromendis.
'Dat kan niet,' antwoordde zijn broer.
'Hoezo niet?'
'Alles wat we over de Vijfde Cirkel weten, wijst erop dat we er binnen enkele minuten dood zouden gaan als we niet beschermd werden door krachtige magie.'
'Kosridi,' zei Laromendis, verwijzend naar de verhalen die ze hadden gehoord over de menselijke magiër Puc en zijn bondgenoten, die naar de Tweede Cirkel waren gereisd.
'Ja,' beaamde zijn broer.
'Aan de andere kant,' zei Laromendis, 'wie zegt dat de wetten binnen de Vijfde Cirkel gelijk zijn aan die in de Tweede?'
'Die theorie leg ik later wel uit,' zei Gulamendis. 'Desondanks voel ik geen demonen.'
'Weer een illusie?'
Gulamendis sloeg tegen de stenen achter hem en voelde zijn handpalm prikken. Wat denk jij?'
Laromendis sloot zijn ogen even, raakte de muur aan en zei: 'Als dit een illusionair fort is, dan heeft degene die het gemaakt heeft de macht van een god.'
'Laten we kijken of we een betere schuilplaats kunnen vinden, om te besluiten wat we moeten doen,' stelde Gulamendis voor.
Lopend langs de muur, zo veel mogelijk in de schaduwen, probeerden de twee zeven voet lange elfen zich zo klein en onopvallend mogelijk te maken.
'Dit is misschien niet het demonenrijk,' zei Laromendis, 'maar de lucht hier benauwt me.'
'Dat komt door de rook en de as van de vulkanen,' fluisterde zijn broer.
Wie bouwt er nu zo'n fort op een plek als deze?'
'Geen idee,' antwoordde Gulamendis. 'Daarheen.' Hij wees naar een gebouwtje tegen de buitenmuur. Het was een simpel houten gebouwtje, een schuur of opslagruimte.
Ze slopen verder. Er was geen gevaar meer geweest sinds ze de ene demon over het plein hadden zien lopen, maar ze hadden geen idee of ze misschien werden bespied vanuit een van de wel honderd ramen in het fort zelf. Het rees twaalf verdiepingen boven hen op, als een enorme, kwaadaardige aanwezigheid tegen de vurige, rood-met-grijze hemel.
Vliegers!' siste Gulamendis, wijzend naar de top van het fort.
Een twaalftal zwarte stippen verscheen kortstondig in de rode gloed, om even later weer op te duiken en groter te worden.
'Ze komen deze kant op,' waarschuwde de bezweerder.
'Laten we maar kijken wat hierbinnen is,' zei Gulamendis, die de deur opende.
In de hut stonden zakken en kisten min of meer netjes geordend. Toen de deur dicht was, werden ze in duisternis gedompeld.
Het gebouwtje was slordig opgetrokken, en er zaten spleten tussen de planken. De broers gluurden ertussendoor en plotseling verschenen er grote, gevleugelde demonen, die afdaalden naar het plein en zich ruwweg in formatie opstelden: twee rijen van zes.
'Ze wachten ergens op,' zei Gulamendis.
"Waarop?'
'Dat weet ik toch niet?'
Wat doen we nu?' vroeg Laromendis.
'Nou, aangezien we toch nergens heen kunnen, stel ik voor dat we voorlopig maar gewoon rustig blijven zitten en toekijken.'
Omdat hij verder niets kon bedenken, zweeg Laromendis.
Uren verstreken, en er gebeurde niets belangwekkends op het plein. Na een tijdje kwam de zon hoog genoeg om zichtbaar te zijn en de binnenkant van de hut enigszins te verlichten.
'Wat hebben we hier?' zei Laromendis bijna afwezig terwijl hij een zak van een brede plank tegen de achterste muur pakte. De zak viel open en rood, rond fruit rolde eruit. 'Appels!' riep hij.
Gulamendis aarzelde niet, maar pakte een appel en beet erin. Het was niet de meest verse die hij ooit had gegeten, maar de koele, droge opslagruimte had het meeste fruit goed gehouden.
Wat zit er in die andere zakken?' vroeg zijn broer terwijl hij aan zijn tweede appel begon. Hij begon lukraak te kijken, opende zakken en gebruikte zijn grote mes om de deksels van kisten te wrikken, en de broers verwonderden zich steeds meer.
De kisten en zakken bevatten proviand en kleding. De kleding had een menselijke maat, te groot voor dwergen, te klein voor de taredhel, en zeker niet in een snit van de andere elfenstammen.
Wat is dit?' vroeg Gulamendis zich hardop af.
'Ik weet het niet, maar neem hier wat van,' zei zijn broer, die hem een homp gedroogd vlees toegooide.
Gulamendis beet gretig in het droge vlees en begon te kauwen. Wat is dit voor een plek?'
'Jij weet meer over demonen dan wie ook; wat denk jij?'
'Demonen eten alles. Ze zuigen het leven uit de levenden, en dan verslinden ze wat er over is.' Hij maakte een weids gebaar en voegde eraan toe: 'Ze slaan geen fruit of gedroogd vlees op. Dit is geen demonenvoedsel.'
Van wie is het dan?'
'Laten we eten, een beetje rusten en dan proberen erachter te komen,' opperde Gulamendis.
'Ik zou het anders ook niet weten,' reageerde Laromendis. 'Als niemand onze rust verstoort, gaan we na het donker naar buiten om te kijken wat we kunnen ontdekken.'
'Ik heb ook geen beter idee.'
Ze gingen zitten en aten hun buik rond.
De dag verstreek traag. Twee maal bereidden ze zich voor op een gevecht toen er een compagnie demonen langs marcheerde, maar geen ervan scheen veel belangstelling te hebben voor de proviandschuur. De twee conclusies die de elfen trokken, ter verklaring van de onverwachte schuur, waren dat de oorspronkelijke bouwers van dit fort stervelingen waren geweest die waren verslagen door het demonenleger, of dat de demonen het om nog onduidelijke redenen hadden gebouwd. Gezien de afmetingen en het aanzien van het gebouw leek dat laatste een redelijker conclusie.
Terwijl de hemel weer verduisterde, werd het rustig in het enorme fort, en uiteindelijk zei Gulamendis: We moeten gaan verkennen.'
Waarom?' vroeg zijn broer, al wist hij al wat het antwoord zou zijn. 'Goed dan,' gaf hij toe voordat Gulamendis kon protesteren. 'Ik weet dat we hier niet eeuwig kunnen blijven, ook al ligt er voedsel voor maanden.'
Zijn broer glimlachte en knikte, wijzend over zijn schouder in de richting van het fort. 'Als er nog een andere weg van deze wereld af is, die ons naar Thuis kan leiden, dan is hij vast daarbinnen.'
'Dit zijn de momenten waarop ik wou dat we minder magie hadden geleerd en meer methoden om ongezien rond te sluipen, zoals onze bosneven.'
'Het is een lastige keus,' zei Gulamendis. We kunnen in onze eigen gedaante rondsluipen, of jij kunt ons betoveren zodat we op iets anders lijken, maar dan zouden we voor iemand die daar gevoelig voor is stinken naar magie.'
Wat is jouw beste inschatting, demonenmeester?'
'Geen idee,' gaf Gulamendis toe. 'Ze gedragen zich niet zoals de demonen die ik eerder heb ontmoet.' Hij zweeg een tijdje, en toen zei hij: 'Noch die in de vallei, noch de demonen die ze aanvielen, lijken ook maar in de verste verte op de monsters die wij op Andcardia tegenover ons hadden. Het üjkt wel een heel nieuw ras van demonen.'
'En hun uiterlijk?' vroeg Laromendis.
Gulamendis haalde zijn schouders op. 'Vóór dit alles plaatsvond dacht ik dat ik aardig wat wist over demonen, maar in de afgelopen paar dagen heb ik meer schepsels gezien die nieuw voor me waren dan in mijn hele voorgaande leven. Demonen behoren meestal tot een bepaald type: strijddemonen zijn groot en sterk en kunnen eruitzien als stieren of hagedissen, of leeuwen of...' Hij haalde zijn schouders op. "Vliegers zijn meestal klein, maar we hebben ook een paar heel grote, heel akelige exemplaren gezien op de Doorgangswereld. En ik heb demonen gezien in de mantels van magiërs.' Hij zuchtte. 'Ik wou dat we die menselijke zwarte magiër bij ons hadden; hij wist een heleboel, net als zijn vrienden Puc en Magnus.'
'Als we naar Thuis kunnen komen, moeten we bij ze langsgaan,' opperde zijn broer droogjes, 'maar tot die tijd moeten we onze aandacht richten op de huidige toestand. Dus wat wordt het? Illusies of sluipen?'
'Sluipen,' besloot Gulamendis. 'Spaar je krachten voor andere betoveringen.'
'Sluipen, dus,' zei Laromendis, die voorzichtig de deur opende.
Het plein links van hen was verlaten, en de kortste afstand naar de zijkant van het reusachtige fort lag recht tegenover hen. 'Als er iemand vanuit die vensters boven kijkt, ziet hij ons,' zei Laromendis zacht.
'Het is donker,' zei zijn broer. 'Als we opschieten...'
Zonder nog af te wachten schoot Laromendis de schuur uit, en zijn broer volgde in volle vaart, nadat hij snel de deur dicht had gedaan. Het was geen grote afstand, minder dan vijftig meter, maar voor hun gevoel waren ze veel te lang van alle kanten zichtbaar.
Tegen de muur gedrukt, wachtten ze af of er alarm werd geslagen. Toen dat niet gebeurde, vroeg Gulamendis: 'En nu?'
'Die kant op,' zei zijn broer, wijzend naar de achterkant van het fort.
Waarom daarheen?'
Wil je liever via de hoofdingang naar binnen gaan?'
'Ah,' gaf de demonenmeester toe, en de twee elfen liepen naar de achterkant van het fort.
Toen ze bij een toren aankwamen, liepen ze om de voet ervan heen tot ze uitkeken op een achterplein, half zo groot als het plein aan de voorzijde.
'Ik zie een trap omlaag naar een kelderdeur, en een brede trap die daarachter omhoog leidt,' fluisterde Laromendis.
'Naar beneden,' zei Gulamendis. 'Laten we naar binnen sluipen door de kelder.'
'Heb jij je ook afgevraagd waarom er geen wachters zijn?'
'Ik neem aan dat ze het allemaal te druk hebben met het vernietigen van andere demonen op dat slagveld aan de andere kant van de poort.'
'Daar kunnen we op hopen, maar ik blijf het vreemd vinden dat we alleen maar die ene strijddemon en die twee kleine patrouilles hebben gezien,' merkte Laromendis op.
'Tel je zegeningen en loop door!' beet zijn broer hem toe.
Ze renden naar de trap omlaag en kwamen uit bij twee grote deuren. De grendel was niet van een slot voorzien, en Laromendis trok voorzichtig een van de deuren een stukje open om naar binnen te kunnen gluren. 'Het is een lange, donkere trap,' fluisterde Laromendis.
'Is er iemand?'
'Niet dat ik zie.' De bezweerder glipte de deur door, en zijn broer volgde.
'Dit is het toppunt van waanzin,' zei de demonenmeester.
'Als ik je tegen de muur duw, moet je je niet bewegen. Dan zorg ik ervoor dat we eruitzien als een deel van de stenen.'
Wat strategie betrof was het niet bijzonder briljant, maar
Gulamendis had geen beter idee, en dus deed hij er het zwijgen toe.
Ze gingen een heel lange trap af, die hen diep in de kelder van het fort bracht. Uiteindelijk kwamen ze aan in een grote ruimte, en Gulamendis vermoedde dat ze zeker drie verdiepingen onder de grond waren. De ruimte had drie deuren, naast die waar ze net doorheen waren gekomen: twee open deuren waarachter trappen omhoog leidden, en een afgesloten dikke houten deur tegenover hen.
'Die,' fluisterde Laromendis.
Zijn broer gaf hem een klein zetje van instemming, en ze liepen snel door de open ruimte. In de deur zat een klein venstertje met tralies ervoor, waar ze doorheen tuurden. 'Het is een kerker!' zei Gulamendis.
Door het venstertje zagen ze een lange gang: aan de rechterkant scheidden tralies van de vloer tot het dak cellen af. Op gelijke afstand ertegenover waren drie zware houten deuren zoals die waar ze nu doorheen keken.
In de cellen zagen ze gevangenen: mensen, dwergen en elfen. Die laatsten waren mindere verwanten van de taredhel, wezens met een gelijksoortig postuur maar kleiner dan de twee broers. 'Wat is dit?' fluisterde Laromendis.
'Demonen nemen geen gevangenen,' fluisterde Gulamendis terug.
•Wat nu?'
Weet ik veel.'
In een onverklaarbare kerker, onder een onmogelijk fort, op een wereld die ze de vorige dag nog niet kenden, daarheen gebracht door een poort die was geschapen door schepsels die ze ook niet kenden, bleven de twee elfenbroers roerloos staan, verlamd door de gedachte dat ze geen idee hadden wat ze moesten doen.