6. Overlevenden

De demonen vielen aan.

Gulamendis bracht zijn hand naar achteren. Zijn voorhoofd droeg een frons van concentratie terwijl hij vanuit zijn ooghoek naar zijn broer keek. Laromendis had de illusie van een strijddemon opgeroepen, een en al klauwen en tanden, met spieren als ijzer onder een huid zo hard als drakenschubben. De drie demonen negeerden de minder bedreigende taredhelmagiërs en richtten zich op het meest overduidelijke gevaar. De logica van demonen was simpel: schakel eerst de gevaarlijkste vijand uit, en richt je aandacht dan op de minder gevaarlijke. Een scherp verstand was geen vereiste voor de aanvallende demonen, die als taak hadden om verborgen prooi op te sporen en naar de plek te drijven waar de demonische kapiteins wachtten. Alles wat zij zagen was een solitaire demon, een buitenstaander, en het kwam geen moment bij hen op hoe onwaarschijnlijk die situatie was.

Zolang de demonen in Laromendis' betovering geloofden, waren ze gevoelig voor de schade die de verschijning hun toebracht, en het schepsel viel hen met woeste razernij aan, scheurend en bijtend, krabbend en beukend. Uit bittere ervaring wist Gulamendis dat de illusie nog maar heel even zou standhouden voordat de echte demonen zouden inzien wat het was. Laromendis had nog nooit een demon geroken of het magische aura ervan ervaren, dus die onderdelen ontbraken in de zinsbegoocheling, en zodra de demonen in de gaten kregen dat ze werden misleid, zouden ze de twee magiërs aanvallen.

Gulamendis hield zijn staf klaar. Het was een kostbare schat, verkregen dankzij sluwheid en misleiding, een deel van de buit die de elfen van Andcardia hadden meegenomen naar E'bar, de stad die ze hadden gebouwd op de oude planeet die de Sterrenelfen Thuis' noemden.

Die staf was het enige geweest dat de twee broers de afgelopen paar dagen had gered, maar ze hielden al veel langer stand dan de regent en de leden van zijn raad hadden verwacht, die ongetwijfeld hadden gehoopt dat de twee broers eerder het leven zouden laten. Alleen Tandarae, de nieuwe sagenmeester van de taredhel, stond welwillend tegenover de demonenmeester en de bezweerder, maar hij had niet voldoende gezag om te voorkomen dat ze naar de Doorgangswereld waren gestuurd.

Ze zaten op een vrij goed verdedigbare positie: een doodlopende straat in de stad, met verlaten huisjes. Ze maakten ten volle gebruik van het feit dat er maar één toegangsweg was en hadden er een reeks van struikeldraden en alarmen geïnstalleerd, zodat ze af en toe konden rusten. De twee hadden het bevel gekregen om daar te blijven totdat ze naar Midkemia werden teruggeroepen, maar ze wisten allebei dat die oproep onwaarschijnlijk was, dus hadden ze een veilige plek gezocht en vochten ze alleen als de demonen op hen stuitten.

De drie die nu tegen Laromendis' illusie streden waren lagere demonen, die de broers als het nodig was afzonderlijk wel hadden kunnen verslaan, maar de elfen wilden het liever niet rechtstreeks tegen hen alle drie tegelijk opnemen.

Dit was de derde keer dat ze deze truc hadden toegepast, en bij de vorige twee keer hadden ze geleerd hoe ze de illusie konden verfijnen en zich konden voorbereiden op het moment dat ze werkelijk de strijd met de demonen moesten aangaan.

Gulamendis keek even weg van het gevecht; zijn broer moest zich concentreren op de illusie, dus was het aan de demonenmeester om alert te blijven op onverwachte indringers, die hen boven op de helling naar het hoogste huisje aan de smalle straat zouden kunnen zien.

Voorbij de gevechten zag hij in de verte, vlak bij de ingang naar de poorten, iets flikkeren. Hij hoopte dat het de andere elfen waren, met de boodschap dat ze mochten terugkeren naar Midkemia.

De Doorgangswereld was de plek waar de poorten — door de mensen scheuringen tussen de werelden genoemd - zich bevonden. In vroeger tijden, om redenen die achteraf verstandig waren gebleken, had een regent bepaald dat slechts één poort vanaf elke wereld toegang mocht bieden tot deze verder onopvallende planeet. Hier hadden amper duizend elfen gewoond, net voldoende om ervoor te zorgen dat de poorten naar behoren functioneerden.

De poort naar Andcardia was langgeleden doorgebroken en vervolgens uitgeschakeld. Er was er slechts één aangehouden vanaf de Doorgangswereld, naar de wereld Locre-Amar, en van daaraf terug naar E'bar. Zodra die poort was gesloten, zouden de demonen geen toegang meer hebben tot Midkemia; voor zover de taredhel wisten, althans. Als de broers de demonen die nog op deze wereld rondzwierven niet konden weghouden bij de laatste scheuring — en het niet redden om er eerder dan hen te arriveren - zouden de twee magiegebruikers hier voor eeuwig vastzitten, samen met de hongerige demonische schipbreukelingen.

En Gulamendis' kennis van demonen vertelde hem dat het er te veel waren om de broers veel hoop op overleven te bieden.

Op dat ogenblik vervaagde de illusie en stak Gulamendis de staf uit. Een bol van zilverkleurig licht, met fonkelende roze en blauwe tinten over het oppervlak, breidde zich om hem heen uit. Zodra het licht de demonen raakte, huiverden ze, verstijfden en vielen aan Laromendis' voeten op de grond. Ze bleven stuiptrekkend liggen, en de broers wisten dat ze snel moesten handelen.

Aanvankelijk hadden ze simpelweg meteen de staf tegen de demonen gebruikt, maar een aantal demonen had zich daar snel van hersteld, en dat had de magiegebruikers geleerd dat ze de schepsels eerst moesten verzwakken om ze langer verdoofd te houden.

De broers trokken hun grote strijddolken en sneden zo snel mogelijk de demonen de keel af. Hoewel deze methode niet zo theatraal was of zo snel ging als het gebruik van Gulamendis' magische vaardigheden, voldeed hij onder deze omstandigheden best. De levensenergie van de demonen keerde terug naar hun eigen rijk, maar voor zover hij wist was de poort naar het demonenrijk verzegeld. Tegen de tijd dat deze drie werden herboren, zou het probleem van ontsnappen van deze plek allang niet meer bestaan.

Het was snel voorbij. De twee lange elfen waren besmeurd met donker demonenbloed, en hun ogen traanden van de stank van bloed en zwavel. 'Dat heeft ons een paar minuten speling opgeleverd,' zei Laromendis.

Zijn broer knikte. 'Ik bespeur er nog meer in het zuiden, maar ze komen nog niet dichterbij. We kunnen beter nu meteen vluchten.'

'Waarheen?' vroeg Laromendis.

Ze waren allebei bijna zeven voet lang, maar ze waren gelijksoortig geproportioneerd als de mindere elfen. Ze hadden sterke heupen en benen, en een slank middel dat uitliep in brede schouders. Ze waren geen van beiden strijders van beroep of aard, maar ze waren allebei gedwongen geweest te leren doden en er vaardig in geworden. Het hielp dat Gulamendis wist waar de zwakke plekken van de demonen zaten en dat hij zijn broer daarin altijd zo veel mogelijk onderwees.

'Die kant op.' Gulamendis wees naar het noordoosten. 'Er zou een steeg moeten zijn naar de brede straat; als het goed is, is daar de laatste poort.'

'Ik dacht dat hij de andere kant op was,' zei Laromendis, wijzend naar het noordwesten.

Zijn broer glimlachte. 'Dat denkt iedereen.'

'Heb je een plan?'

'Altijd,' zei zijn broer, die in de richting draafde waarin hij had gewezen.

De kleine stad, waar de elfen hadden gewoond die hier waren gebleven om voor de poorten te zorgen, was onder normale omstandigheden gemakkelijk te doorkruisen; maar een invasie van het demonenleger was niet bepaald normaal.

Ze zochten zich omzichtig een weg tussen de gebouwen door en stopten bij elke hoek om zich ervan te vergewissen dat ze niet werden gezien. Er was een klein aantal demonen dat zich goed kon verstoppen en bijna onzichtbaar kon worden, maar Gulamendis' gevoeligheid voor eventuele demonische aanwezigheid waarschuwde hen meestal voor de nabijheid daarvan.

Toen ze het laatste open terrein bereikten voor het gebouw waarin de poort zich bevond, vloekte Laromendis. 'Vliegers!'

Boven hen, rondcirkelend als gieren, vlogen zeker zes demonen.

'Kun je iets doen?' vroeg Gulamendis.

'Ik ben moe,' antwoordde zijn broer, 'maar ik denk dat ik wel een kleine afleidingsmanoeuvre op touw kan zetten. Ik heb even tijd nodig om te herstellen.'

De bezweerder sloot zijn ogen en verzamelde zijn laatste restje kracht, en ineens zag Gulamendis de illusie. Het stelde op zich niet veel voor: een vage, scharrelende aanwezigheid tussen twee huizen nabij een van de vliegende demonen, maar het was voldoende. Het schepsel krijste en dook op de denkbeeldige prooi af. De anderen gingen er snel achteraan, en ze vlogen allemaal de zijstraat in. 'Nu!' riep Laromendis.

De twee elfen renden naar de ingang van het gebouw dat Gulamendis had aangewezen en wisten veilig binnen te komen. Ze moesten wachten tot hun ogen aan de schemer in de onverlichte gang gewend waren voordat ze konden zien of er grondtroepen binnen waren.

'Zo,' zei Laromendis zacht toen de kust vrij bleek, 'waar zijn we?'

Zijn broer hurkte met zijn rug tegen de muur, en Laromendis volgde zijn voorbeeld. 'Hoewel het geen gewoonte van me is om af te luisteren, was ik toevallig vlakbij en hoorde ik twee wachters de vorige aftocht bespreken. In dit gebouw is een poort, bedoeld voor de laatste ontsnappingen. Als we inderdaad net de terugroep hebben gehoord, dan is elke elf die nog op deze wereld was die kant opgegaan.' Hij wees naar een deur.

Ze waren uitgeput, vermoeid tot op het bot, maar de omstandigheden noopten hen overeind te komen. Gulamendis sloot zijn ogen even en zei toen: 'Niets.'

Zijn broer wist dat hij bedoelde dat hij geen demonen achter de deur bespeurde, en ze liepen ernaartoe.

Gulamendis opende de deur; ze liepen langzaam, want de verlichting die normaal rondom een poort brandde, ontbrak. In de verte zagen ze een vaag licht, dat een streep over de vloer werd toen ze een gang door liepen en bij een volgende gesloten deur aankwamen.

De demonenmeester bleef nogmaals staan en probeerde te bepalen of hij demonen bespeurde, maar toen hij niets voelde, greep hij de klink en gaf een duw tegen het zware hout.

Het was een puinhoop binnen. De vloer lag bezaaid met lijken, en het platform met daarop de twee van magie doordrenkte houten steunen die de poort omkransten was zo met bloed besmeurd dat het wel rood geschilderd leek. De stank was bijna overstelpend, ondanks het feit dat de broers al dagen blootgesteld waren aan demonenkarkassen.

De poort was uitgeschakeld.

'Nou, is dat geen verrassing?' merkte Gulamendis op.

Zijn broer slaakte een diepe, geërgerde zucht. 'Nee, dat is het niet. Die arrogante rotzakken in de Raad van de Regent denken zeker dat ze alles onder controle hebben en dat wij niet langer van nut zijn.'

'Nou, als ik geneigd zou zijn ze het voordeel van de twij fel te geven, zou ik aannemen dat ze gewoon niet genoeg hun best hebben gedaan om te zorgen dat wij de boodschap om terug te keren op tijd hoorden. Zoals het er hier uitziet, was het een snel en smerig gevecht,' zei Gulamendis.

Bij een geluid achter hen draaiden ze zich allebei met een ruk om en hieven hun dolken en zwaarden; maar in plaats van een demon zagen ze een andere elf, gekleed in het uniform van een schildwacht. 'Ik ben gewond,' hijgde hij. Hij hield zijn linkerhand tegen zijn zij gedrukt en leunde tegen de deurpost.

Laromendis beduidde zijn broer dat hij de schildwacht moest bijstaan en zei: 'Ik ga kijken of hij is gevolgd.' Hij haastte zich door de gang.

'Laat zien,' zei Gulamendis tegen de schildwacht. Dankzij hun jeugd langs de grens hadden beide broers veel ervaring opgedaan met de verzorging van gewonden in het veld. De wond was lang en diep en de schildwacht had al een heleboel bloed verloren. 'Ik zal hem verbinden,' zei de demonenmeester.

Hij maakte een snee in de onderkant van de tuniek van de schildwacht en scheurde er een lange reep af om een provisorisch windsel te maken. De elf had overduidelijk veel pijn, maar hij leek zich enigszins beter te voelen toen het verband op zijn plek zat.

Laromendis keerde terug. 'Er is niets achter hem aan gekomen.' Hij keek de schildwacht aan. 'Ze hebben jou ook niet teruggeroepen, zie ik.'

'Er was geen oproep om terug te keren,' antwoordde de schildwacht. 'De demonen overspoelden de Doorgangswereld, en een paar van ons vielen hen aan om ze op afstand te houden terwijl de rest probeerde ze weg te lokken, zodat de galasmanciërs de poorten konden sluiten.' Hij wees naar het vele bloed dat tegen de muren gespetterd zat. We probeerden allemaal deze plek te bereiken, maar ik en twee anderen werden daarin belemmerd. De andere schildwachten en een galasmanciër gingen hierheen om deze poort te gebruiken. Mijn twee metgezellen zijn onderweg gesneuveld, maar ik ben doorgegaan.' Hij zweeg even. 'Ik had niet echt verwacht dat de poort nog open zou zijn, maar...'

'Je wilde het met eigen ogen zien,' voltooide Laromendis.

'Ik wilde het met eigen ogen zien,' beaamde de elf.

'Het lijkt erop dat degenen die hier wel zijn gekomen er niet in zijn geslaagd erdoorheen te gaan. Dit is alles wat er van hen over is,' zei Gulamendis.

'Maar ze hebben de klus geklaard.' De schildwacht was weer een beetje op adem gekomen. 'Ik ben Arosha.'

Gulamendis stelde zichzelf en zijn broer voor en zei: 'Het spijt ons te horen van die plotselinge evacuatie. Maar het is fijn te weten dat de poort hier al vóór de terugroep was afgesloten en dat het niets persoonlijks was.'

De strijder keek verward na die uitspraak, maar Laromendis zei: 'Laat maar.' Hij wierp een blik op de deur naar de enorme ruimte. We moeten snel iets bedenken, want uiteindelijk...'

Hij keek zijn broer aan, die meldde: 'De vliegers en de meeste kleinere demonen zullen ons niet lastigvallen, behalve als we bij ze in de buurt komen, maar de sterkere demonen zullen uiteindelijk in de gaten krijgen dat wij hier zijn.'

De schildwacht keek hem vragend aan. 'Heb je verstand van demonen?'

'Meer dan ik wil toegeven,' antwoordde Gulamendis, 'maar ik denk dat ik weet hoe we ze nog een tijdje kunnen ondopen.'

"Wisten we maar hoe we die verrekte poort moesten openen,' mopperde Laromendis.

'Er schiet me iets te binnen,' zei Gulamendis.

Wat dan?' vroeg zijn broer.

Gulamendis keek naar de lijken op de vloer en wees naar een lichaam gehuld in een mantel. 'Arosha, is dat de galasmanciër?'

De knieën van de schildwacht knikten, en Laromendis hielp hem te gaan zitten. 'Ja, en de anderen waren leden van mijn compagnie van schildwachten.'

'Dan hadden ze geen tijd om te ontsnappen.'

'Dat is duidelijk,' zei Laromendis tegen zijn broer. Wat wil je daarmee zeggen?'

Gulamendis liep naar de gesneuvelde poortenbouwer en trok een dode demon van hem af, waarna hij het met bloed besmeurde lichaam omkeerde. De dode elf had een gele steen in zijn hand, zo stevig dat Gulamendis zijn vingers ervan los moest peuteren.

Hij hield de zachtjes pulserende steen omhoog en zei: 'Hij heeft de poort niet vernietigd! Hij heeft alleen het krachtkristal eruit getrokken.' Hij wees naar de holte waar het kristal moest worden geplaatst. 'De poort zou open moeten gaan als we het kristal terugzetten, en dan kunnen we naar huis!'

Hij bukte zich, trok een buideltje van de riem van de galasmanciër en bond het snel aan zijn eigen riem.

'Het heeft geen zin,' zei Arosha. 'Voorlopig zal alles wat door een poort van deze wereld stapt meteen worden gedood als het naar buiten komt.'

'Geweldig,' mompelde Laromendis. Wat nu?'

Gulamendis zweeg even peinzend. *We gaan ergens anders naartoe.'

Waar dan?' vroeg zijn broer.

Tovenaarseiland,' antwoordde de demonenmeester.

'Hoe moeten we dat voor elkaar krijgen?'

'Toen ik op het eiland was, hebben ze me een van hun scheuringspoorten laten zien,' zei Gulamendis. 'De afweerbezweringen daar functioneren als bakens.' Hij besefte dat hij de uiterste grens van zijn kennis naderde. Hij vroeg de schildwacht: 'Hoeveel weet jij over poorten?'

De gewonde elf glimlachte flauw. 'Ik heb lang genoeg toegekeken als galasmanciërs met die dingen speelden om een vrij aardig idee te hebben van hoe ze werken. Maar ik weet niet of ik een poort zou kunnen vinden die niet door ons is gebouwd.'

'Ik zal je zeggen wat ik ervan weet,' zei Gulamendis. Volgens de mens, Puc, hebben hun scheuringen affiniteit met elkaar; als daar al een scheuring bestaat en je een tweede scheuring maakt, dan heeft die de neiging de eerste te volgen.'

'De neiging?' vroeg zijn broer sceptisch.

'Als jij een beter idee hebt, hoor ik het graag,' zei de demonenmeester. 'Kun jij deze poort activeren?' vroeg Gulamendis aan de schildwacht.

'Ja,' antwoordde Arosha. 'Dat is geen kunst. Het wordt moeilijker als je een andere bestemming wilt kiezen dan die al is ingesteld. Ik denk dat ik het vaak genoeg heb gezien om min of meer te weten hoe het moet, maar alleen om andere bekende poorten te bereiken, die nu allemaal gesloten zijn. Als ik die vanaf deze kant open... Ze worden ongetwijfeld bewaakt, of erger.'

Wat kan er nog erger zijn?'

'De poort kan begraven liggen onder rotsen, of verzonken op de bodem van een meer.' De schildwacht haalde zijn schouders op, hoewel hij daarbij een grimas van pijn trok. 'Ik kan me niet eens voorstellen wat er gebeurt als je rechtstreeks een massieve rots in stapt.'

Weet je de weg naar E'bar?' vroeg Gulamendis.

'Hij staat al ingesteld op de nieuwe stad.' De schildwacht stond langzaam op. 'Maar zoals ik al zei, als we de poort activeren en erdoor stappen, schieten boogschutters ons al vol met pijlen voordat we een woord kunnen uitbrengen.'

Gulamendis peinsde even. We veranderen iets.'

'Iets?' vroeg zijn broer.

Wat dan?' wilde de schildwacht weten.

'Stel hem net voorbij E'bar in. Als Puc gelijk heeft, zou er zich ergens vlakbij een nieuwe poort moeten vormen.'

'Hoe vlakbij?' vroeg de bezweerder.

Zijn jongere broer wierp Laromendis een geërgerde blik toe. 'Ik neem genoegen met een willekeurige plek op dezelfde planeet.'

'Zolang we maar niet midden in zee eindigen, of onder een berg...'

'Kun je dat?' vroeg Gulamendis.

De schildwacht beduidde dat hij hulp nodig had om bij de poortbesturing te komen, en de bezweerder legde zijn arm om het middel van de gewonde elf. Laromendis wierp zijn broer een ongeruste blik toe en gaf met een kort hoofdschudden aan dat de schildwacht er erger aan toe was dan hij aanvankelijk had gedacht. Hij hielp de wachter bij de besturing te blijven staan en voelde dat zijn arm, om het lichaam van de elf heen, nat werd van het bloed.

Op een groot vlak voor hen waren runen aangebracht, en enkele daarvan gloeiden vaag. 'Er zit magie in het toestel, onafhankelijk van de activiteit van de poort.' Hij wees naar het kristal in Gulamendis' hand. 'Daarmee krijg je de poort open.' Hij keek om zich heen. 'Laat mij dit even bestuderen terwijl jullie zoeken naar een tweede steen. De galasmanciër zou die moeten hebben.'

'Wat voor steen?' vroeg Laromendis.

'Hij kan paars of blauw zijn.'

Laromendis deed wat hem was opgedragen en keerde even later terug met een paars kristal half zo groot als het gele dat zijn broer vasthield. "Wat is dit?'

'Hiermee sluit je de poort als je erdoor bent. De poort is dan nutteloos, en de demonen zullen een andere weg naar E'bar moeten vinden.'

'Hoe werkt het?' vroeg Laromendis.

De bleke schildwacht glimlachte flauwtjes. 'Ik trek het gele kristal eruit, vervang het door dit kristal hier, druk op een willekeurig teken op de poortbesturing...'

'En dan?' vroeg Gulamendis.

'Dan ontploft hij.'

Beide broers zwegen.

*We weten alle drie dat ik toch al zo goed als dood ben,' zei de schildwacht. 'Ik kan amper op mijn benen staan. Jullie kunnen beter nu meteen gaan, anders zal ik de poort niet meer achter jullie kunnen sluiten. Veel geluk.'

Laromendis wilde iets zeggen, maar hij kon geen woorden vinden, dus knikte hij enkel.

De schildwacht zette het gele kristal in een holte in het besturingspaneel, waarna de steen sterker begon te pulseren. Hij sloeg op alle runen behalve één, en toen stak hij zijn hand op. 'Ik heb de nodige runen geactiveerd.' Hij begon te wankelen, maar greep zich stevig vast aan de rand van het paneel. 'Kies maar een willekeurige rune, behalve die.'

Gulamendis aarzelde niet, stak zijn hand uit en drukte op een symbool. Een licht gezoem werd gevolgd door een plotselinge toename van de luchtdruk in de ruimte, alsof er een enorme windvlaag doorheen raasde, en toen hoorden ze een vaag gedreun. Tussen de bogen van het poorttoestel verscheen een grijs waas, waarin kleuren over het oppervlak trilden als olie op water.

'Ga nu maar snel,' zei de schildwacht, en de broers aarzelden slechts een tel voordat ze door de poort stapten. Een zekere dood zou hun beloning zijn als ze hier bleven, dus maakte het weinig uit als de dood hen ook aan de andere kant van de poort wachtte. Maar de poort hield ook een kans op redding in, dus grepen ze die aan.

Ze kwamen uit onder water. Beiden hadden ze last van een ogenblik van desoriëntatie, en ze hadden al hun aandacht en wilskracht nodig om geen longen vol water naar binnen te zuigen. Het was er ook heel donker.

Vechtend tegen zijn paniek besefte Laromendis dat ze niet al te diep onder water konden zijn, aangezien hij had geleerd waterdruk in te schatten toen hij als jongen naar schaaldieren dook. Hij blies een beetje lucht uit en voelde de luchtbellen langs zijn gezicht opstijgen. In het zwakke licht wist hij nu welke kant boven was. Hij greep zijn broer bij de arm en trok, en beiden zwommen ze als een dolle naar het wateroppervlak.

Ze hadden zich minder dan tien voet onder water bevonden, maar het voelde als honderd. Ze kwamen uit boven deinende golven en spogen mondenvol zeewater uit.

We zijn niet dood,' zei Gulamendis hijgend.

Zijn broer keek om zich heen. 'Dat kan nog komen. Ik heb geen idee waar we zijn.'

'Dit is in ieder geval niet Thuis,' zei Gulamendis.

'Hoe weet je dat?'

'Demonen. Ik voel ze.'

'Hoeveel?'

'Veel.'

Het geklots van het zeewater zou door een zeeman relatief mild worden genoemd, maar dat oordeel werd dan geveld vanaf een boot. De golftoppen waren ongeveer zes voet hoog, dus probeerden ze hun verkenningstocht daarop af te stemmen en keken snel om zich heen elke keer als ze door het water omhoog werden gestuwd.

'Ik zie licht!' riep Laromendis.

'Waar?' vroeg zijn broer terwijl ze in een trog tussen de golven afgleden en weer omhoog begonnen te komen.

'Die kant op,' zei Laromendis.

'Ik kan niet zien waar je naar wijst. Het is hier zo donker als in een grot.'

'O ja.' Hij zwom dichter naar zijn broer toe en kon maar amper diens gezicht zien. Maar het werd vagelijk verlicht, en Gulamendis draaide zich om en speurde naar de lichtbron.

Een enkele maan was opgekomen aan de nachthemel, een smalle sikkel die verborgen ging achter een dichte nevel. 'Mist,' zei Laromendis.

'Dan kunnen we maar beter naar die lichten toe gaan, voordat we ze niet meer kunnen zien,' besloot Gulamendis. Hij voelde de hand van zijn broer op zijn schouder en werd meegetrokken. Meer aanmoediging had hij niet nodig, en hij kwam in beweging.

De broers waren niet bijzonder sterk, maar hun volk had meer kracht en uithoudingsvermogen dan mensen of zelfs de mindere elfen van Thuis. En ze hadden allebei jarenlang aan de kust van een oceaan gewoond, dus ze konden goed zwemmen. Ze waren vaker dan hen lief was gedwongen geweest te leven van wat ze uit de zee hadden kunnen halen.

'Luister,' zei Gulamendis terwijl hij stilhield.

Wat is er?'

'Ik hoor brekers.'

'Mooi. Ik begin gevoelloos te worden, en ik hoopte al dat het lichten aan land waren, en geen passerend schip.'

Zwijgend zwommen ze naar het geluid van de brekers toe.

Even later sleepten de twee uitgeputte, verkilde elfen zich uit de branding en sjokten in het donker aan land. Het strand was breed en glooiend, en dat zagen ze allebei als een gelukkig toeval. Een plotselinge botsing tegen kartelige rotsen zou bijna zeker een einde hebben gemaakt aan hun ontsnappingspoging.

Waar denk je dat we zijn?' vroeg Laromendis.

'Ik heb geen idee, maar met een beetje geluk kan ik er misschien achter komen. Zelfs als dit een van de werelden is die is ingenomen door het demonenleger, dan kunnen we mogelijk iets anders bedenken om thuis te komen.'

'Jij ziet altijd overal de zonnige kant van. Ironisch dat jij als kind juist zoveel tijd in donkere grotten hebt doorgebracht.'

Zijn broer wilde grinniken, maar hij kon het niet helemaal opbrengen. 'Daar!' riep hij plotseling, wijzend naar lichtjes tegen de helling boven hen, voordat ze weer werden verborgen door de mist.

'Fakkels, denk ik,' fluisterde Laromendis. Zonder nog een woord te zeggen liepen ze over het strand, steels bewegend door het duister. Net als de andere leden van hun ras konden ze ook 's nachts goed zien, maar ze hadden toch een klein beetje licht nodig om iets te kunnen ontwaren, en het schijnsel van de maansikkel was zwak. Het land ging gehuld in een troebel waas terwijl ze omzichtig over een pad liepen, mogelijk een wildspoor, dat wegleidde van het strand; hun passen waren traag, omdat het er vol lag met stenen en doorntakken.

'Er zijn een heleboel demonen in de buurt,' zei Gulamendis met gedempte stem.

*We moeten verder weg bij het strand,' fluisterde zijn broer. 'Als er demonen in de buurt zijn, moeten we een schuilplaats zoeken en dan bedenken wat we gaan doen. Jij zei eens tegen me dat die vliegers in het donker kunnen zien.'

'Bedankt voor het geheugensteuntje,' fluisterde de demonenmeester terug. 'Maar het geldt niet voor alle vliegers, en ze vliegen liever niet in de mist, omdat ze dan te gemakkelijk ergens tegenaan botsen.'

Ze kwamen bij een scherpe bocht in het pad en liepen verder de heuvel op. Terwijl ze hoger klommen werd de mist dunner, en een tijdje later waren ze eruit. De hemel aan de andere kant van het klif gloeide, en ze doken instinctief ineen uit angst door schildwachten te worden opgemerkt.

Toen ze omlaag keken, konden ze nog net het wildspoor zien waarover ze omhoog waren gekomen. Het verdween beneden hen in een laaghangende wolk van dichte nevel. De zeemist die bij zonsondergang over land rolde was meestal halverwege de ochtend weggebrand, maar natuurlijke barrières zoals een klif hielden het langer op zijn plek, hoewel dergelijke mist nooit ver het binnenland in kwam.

Boven op het klif zagen ze geen enkel teken van leven, maar ze liepen niettemin met uiterste voorzichtigheid verder. Ze hadden geen van beiden nog genoeg reserves om te vechten of te vluchten. En bovendien, waar zouden ze naartoe moeten vluchten?

Het klif liep in beide richtingen in een bocht verder toen ze bij een inham boven aan het wildspoor aankwamen en zich op een hoogvlakte bevonden. Zelfs zonder mist was hier weinig licht, omdat de maansikkel slechts een heel vaag schijnsel verspreidde.

Het landschap bestond uit struiken en een paar schriele bomen: een onduidelijk kluwen van schaduwen en patronen in donkergrijs en zwart, alleen zichtbaar door de zwakke gloed in de verte.

'Demonen?' vroeg Laromendis zacht.

'Niet dichterbij dan voorheen,' antwoordde zijn broer. 'Ik stel voor dat we gaan zitten en wachten tot het licht wordt.' Gulamendis liet zich op de grond zakken en strekte langzaam zijn benen. Even later zei hij 'Nee' en stond geruisloos weer op.

Wat nee?' vroeg zijn broer, die aanstalten maakte om te gaan zitten.

'Rust jij maar uit. Ik blijf wel wakker.'

Waarom?' vroeg Laromendis, ook al was hij niet van plan bezwaar te maken.

'Jij maakt al drie dagen illusies, terwijl ik alleen maar af en toe met een staf heb gezwaaid. We weten allebei dat ik geen macht heb over demonen als hun kapiteins in de buurt zijn, en zelfs als ik er één onder controle zou kunnen houden, dan nog rennen er tientallen om ons heen. Jij hebt de rust harder nodig dan ik, en als we morgen al behoefte hebben aan enig talent, dan zal het jouw vaardigheid in het bezweren zijn. Ik slaap morgen wel, als we een veilige plek hebben gevonden.'

'Je hebt geen idee hoe lang we moeten wachten tot het ochtend wordt. Misschien is de zon pas een uur onder.'

'Ik weet niet hoe lang een nacht op deze wereld duurt, maar dat maakt niet uit. Ga slapen. Ik hou de wacht.'

Omdat hij er niet over wilde blijven discussiëren, legde Laromendis zijn hoofd op zijn arm. Het was niet de eerste keer dat hij gedwongen was op de grond te slapen, en hij was zo uitgeput dat de harde aarde onder hem zo zacht aanvoelde als een veren matras.

Ondanks zijn beweringen was Gulamendis net zo moe als zijn broer, maar hij was vastbesloten alert te blijven. Zijn bewustzijn van de demonen maakte het veel gemakkelijker, en hoewel de uitputting hem steeds dreigde te overmannen, wist hij die van zich af te houden en wakker te blijven.

De uren sleepten zich voort en de demonenmeester huiverde terwijl zijn kleding langzaam droogde door zijn lichaamswarmte. Hij vroeg zich af hoe zijn broer het voor elkaar had gekregen zo snel in slaap te vallen, maar toen lachte hij zachtjes in zichzelf; als hij de kans kreeg, zou hij ook binnen de kortste keren onder zeil zijn.

Hij bestudeerde de nachthemel. Hij wist weinig over de hemellichamen van verschillende werelden, omdat dat onderwerp niet zijn belangstelling had, dus het idee dat hij misschien een sterrenstelsel of hemellichaam zou herkennen en daaruit hun locatie zou kunnen afleiden was niet meer dan een voorbijgaande gedachte.

Bewegend en wat neuriënd om wakker te blijven terwijl zijn broer sliep, overpeinsde hij de vreemde loop van gebeurtenissen die hem hierheen had geleid, en die hem op een merkwaardige manier een diepere band met Laromendis had gegeven dan ze ooit hadden gehad.

Als kinderen hadden ze allebei belangstelling gehad voor alles wat magisch was, en ze hadden samen de opleiding tot ingewijden in de Kring van Licht gevolgd. Nadat de Raad van de Regent de Kring had ontbonden en, zo luidden de geruchten, had samengezworen om enkelen van de sterkste leden ervan te vermoorden, waren de broers jarenlang van elkaar gescheiden geweest. Ze hadden later ontdekt dat ze elkaar in die periode tijdens meerdere gelegenheden hadden kunnen tegenkomen. Ze hadden zelfs bijna een jaar lang aan weerskanten van hetzelfde eiland gewoond zonder dat te beseffen, hoewel — zoals zijn broer droog had opgemerkt — Gulamendis in een grot hoog in de heuvels woonde terwijl Laromendis een huis had in het enige stadje op het eiland, waar hij als arbeider werkte terwijl het uitroeien van de Kring doorging.

De aanval van het demonenleger had een einde gemaakt aan de vervolging van de resterende leden van de Kring. Gulamendis was ervan overtuigd dat nog anderen zich verborgen hielden, maar de meesten hadden aan de roep van hun volk gehoor gegeven en waren weer in Andcardia verwelkomd toen de Raad van de Regent hun amnestie had verleend.

Amnestie voor iedereen behalve de demonenmeesters. Het lot had Gulamendis gespaard, want slechts enkele dagen voordat hij bij het hof van de Regent was aangekomen had zijn broer zich daar 'vrijwillig' gemeld. Hij was op zoek gegaan naar een toevluchtsoord voor de taredhel, voor het geval de demonen hun hoofdstad innamen. Gulamendis was dan wel in een kooi gestopt, maar dankzij Laromendis hadden ze hem laten leven. De meeste demonenmeesters hadden minder geluk gehad.

De hemel werd lichter en de zwarte omtrekken kleurden grijs en lichtgrijs. De demonenmeester wachtte tot hij de bomen op de helling boven hen duidelijk genoeg kon zien om een poging te wagen zich er een weg doorheen te zoeken, en toen schudde hij zijn broer wakker.

Laromendis was meteen alert, maar hij was overduidelijk nog steeds moe. Hij keek om zich heen en knikte. Zonder een woord te zeggen liepen de twee elfen het bos in.

De bomen waren kaal en verdord, en de broers beseften dat het lastig zou kunnen worden om drinkwater te vinden. De ondergroei was droog en knerpte als ze erop trapten, dus liepen ze allebei langzaam en heel behoedzaam.

Uiteindelijk stuitten ze op een kleine open plek, waar een uitstulping van steen een richel vormde. Ze gluurden over de rand en Gulamendis fluisterde: 'Genadige voorouders!'

Zover het oog reikte brandden er kampvuren, zodanig aangelegd dat delen van het kamp waren afgebakend met strakke rijen van vuren. Vele gestalten zaten rondom de vuurplaatsen, en de demonenmeester trok aan de mouw van zijn broer.

Ze schuifelden achteruit van de rand weg en keerden terug naar de relatieve dekking van de bomen. Dit was de gloed die ze de afgelopen nacht hadden gezien: niet het licht van een enkel kampvuurtje vlakbij, maar dat van honderden vuren in de verte.

'Dat is het demonenleger,' fluisterde Gulamendis.

Waar zijn we?' vroeg Laromendis. Hij wist meteen dat het een domme vraag was, want zijn broer had daar net zomin enig idee van als hijzelf.

Ze wisselden een zwijgende blik. Ze wisten het allebei: ze waren op de wereld die het demonenleger als verzamelplaats gebruikte. De demonen beneden hen waren anders dan de schepsels waar ze eerder tegen hadden gevochten. Deze waren bewapend, georganiseerd en rustten uit voordat de invasie begon. Er ging een kalmte van hen uit die voor demonen volkomen onnatuurlijk was. Het was angstaanjagend, en aan hun organisatie te zien zou het leger snel in beweging komen.

'Ik zie hier één voordeel,' zei Gulamendis uiteindelijk.

'O ja?' vroeg zijn broer met grote ogen.

'Als ze hier zijn, en als ze van plan zijn Thuis binnen te vallen, dan hebben ze dus een manier om daar te komen.'

'Een demonenpoort?'

'Dat moet wel,' zei Gulamendis. We hoeven die alleen maar te vinden en erdoor te gaan voordat zij dat doen.'

Zijn broer schudde zijn hoofd. Hij kon geen woord uitbrengen.