Er klonk trompetgeschal.
James Dasher Jameson, baron van het hof van de prins, buitengewoon afgevaardigde van het Koninkrijk der Eilanden, bij tijd en wijle diplomaat en voltijds spion, wendde zich tot zijn metgezellen. Puc, Magnus en Amirantha waren als geleerden gekleed, in lichtbruine mantels en sandalen.
'Nog één keer,' beval hij.
Puc glimlachte, maar Magnus en Amirantha keken geërgerd.
'Nog één keer,' herhaalde James. 'Die verhalen moeten het eerste zijn wat je te binnen schiet als je geconfronteerd wordt met onverwachte vragen.'
Puc keek zijn zoon en de zwarte magiër aan en zei: 'Ik ben Richard, een geschiedkundige van het Koninklijk Hof in Rillanon. Ik woon daar al jaren.' Puc had in de afgelopen eeuw genoeg tijd in de hoofdstad doorgebracht om de meest beroemde aspecten van de 'Parel van het Koninkrijk' gemakkelijk te kunnen beschrijven, en de recente politiek daar was het hoofdonderwerp van hun gesprekken geweest terwijl ze van Krondor naar Queg zeilden.
'Ik ben zijn eerste leerling, Martin,' zei Magnus. 'Ik heb kortgeleden een fortuin geërfd en ben nog zoekende in het leven.' Anders dan zijn vader was Magnus betrekkelijk weinig in Rillanon geweest, dus de identiteit die voor hem was gekozen speelde daarop in. 'Ik kom oorspronkelijk uit Yabon.' Dat gebied kende hij heel goed.
Vader en zoon keken allebei naar Amirantha, die zijn lesje begon op te dreunen: 'Ik ben Amirantha, een wetenschapper uit de verre stad Maharta. Ik heb opdracht van de Maharadja van Muboya, met dank aan generaal Kaspar, eerste minister van de Maharadja, om zo veel mogelijk te ontdekken over de naties van Triagia, en met dat doel verzamel ik geschiedenissen.'
'Probeer er wat enthousiaster bij te kijken,' zei Jim.
'Moeten we niet eens aan dek?' vroeg Magnus.
Jim glimlachte. 'Het Quegse protocol vereist dat we ze nog minstens vijf minuten laten wachten, of liever nog tien. Queganen zijn vreemde mensen: ze zijn dol op zelfverheerlijking, zodanig dat ze het Keizerlijk Hof van Kesh zelfs als "ontaard" zien, en ze beschouwen zichzelf als de werkelijke erven van alles wat schitterend en keizerlijk is. Dat zou belachelijk lijken, ware het niet dat ze die irritant grote marine hebben die ze over de hele Bitterzee laten varen. Dat levert ze een heleboel respect op dat ze anders niet zouden krijgen. Hun positie als een soort evenwichtsverschuiver hier in het westen houdt min of meer de vrede met hun buren in stand. Maar als de Vrijsteden, Kesh en het Koninkrijk op een of andere manier verenigd raakten, dan zouden we dit eiland met alle plezier van de kaart vegen.' Dat laatste zei hij met een vrolijk gezicht.
'Maar dan zou er weer oorlog uitbreken over wie het eiland mocht houden,' wierp Amirantha droogjes tegen.
'O, ik zou het prima vinden als Puc en zijn kameraden het gewoon in zee lieten zinken.' Hij keek de magiër aan. 'Dat zou je toch wel kunnen?'
Puc schudde zijn hoofd en gaf maar geen antwoord.
We hebben niet veel tijd,' zei Jim. 'De Keizerlijke Archivaris staat ons ter beschikking, maar slechts voor drie dagen. Jullie moeten binnen twee dagen vinden wat we zoeken, want als ik nog moet inbreken om iets te stelen, dan moet ik dat de dag voor ons vertrek voorbereiden.' Jim zuchtte. 'Hoewel ik er weinig moeite mee heb om de Queganen te beroven, heb ik wel moeite met het nodeloos beginnen van een oorlog, vooral aangezien we misschien binnenkort een nog gevaarlijkere oorlog zullen moeten voeren. De Queganen zijn van nature argwanend en jullie worden ongetwijfeld in de gaten gehouden, dus denk eraan dat er altijd ogen en oren in de buurt zijn, ook als dat niet zo lijkt. Zodra we deze hut uit gaan, moeten we onze rol van edele en geleerden spelen. Als jullie nog vragen hebben, stel ze dan nu.'
Niemand had vragen; ze hadden hun verschillende rollen gedurende de hele weeklange tocht van Krondor naar Queg geoefend. Door de noodzaak om zichtbaar per schip aan te komen hadden ze alle tijd gehad om hun plan te perfectioneren en bij te stellen.
'Nou,' zei Jim, die opstond, 'ik denk dat we de Quegse edelen wel lang genoeg in de hete zon hebben laten wachten. Laten we maar eens diplomatiek gaan doen.'
Puc en zijn twee metgezellen volgden Jim naar het dek en zagen dat de zeelui het Koninkrijkse schip de Koninklijke Dolfijn hadden aangemeerd. Er was een lange loopplank naar de wal gelegd, en Jim bleef theatraal even bovenaan staan voordat hij aan de afdaling begon. Puc was al meer dan een eeuw niet in Queg geweest, maar hij was verbaasd te zien hoe weinig er was veranderd.
Queg Stad, hoofdstad van de eilandnatie met dezelfde naam, bestond eigenlijk uit twee steden. Beneden lagen de haven, de armenwijk en allerlei nijverheid die draaide om vuil en bloed: de looiers, ververs, slachthuizen, vismarkten en smederijen. In de lucht hing een dichte walm van rook en roet, geuren die de neus bestookten, en het was er een oorverdovend lawaai. Op de straten wemelde het van de arbeiders, kooplui en visventers.
Er kwamen hier niet veel reizigers; Queg werd niet beschouwd als een gastvrije natie.
De bovenstad rees op langs de hellingen achter de haven en werd gedomineerd door het Keizerlijk Paleis. Het stond fel te stralen in de zon, want de muren waren in de loop der jaren bekleed met wit marmer, en op heldere dagen was het glanzende gebouw al van mijlen afstand op zee te zien. Het was ook, vond Puc, een van de treffendste voorbeelden van decadentie en wansmaak die in Midkemia te vinden waren.
Een delegatie van Quegse ambtenaren wachtte op de steiger op hen. Geen van hen leek bijzonder ingenomen met zijn taak, maar ze glimlachten allemaal breed, hoewel hun geforceerde uitstraling van gastvrijheid niet bepaald overtuigend was. Ze droegen de traditionele witte toga's van hun ambt, elk met een enkele gekleurde streep over de schouder en langs de zoom. Degenen met een rode streep waren stadsambtenaren, terwijl die met goud afgevaardigden van de keizer waren. Aangezien slechts een van hen een gouden streep droeg, presenteerde Jim zich aan hem.
'Ik ben baron James van het Koninklijk Hof in Rillanon, en dit zijn mijn metgezellen.'
'Ik ben heer Meridious, kanselier van de Keizerlijke Archieven; mij is de eer geschonken uw bezoek te begeleiden,' antwoordde de ambtenaar. Hij was een man met een rond gezicht maar met brede schouders, en er waren stevige spieren onder zijn vet te zien.
Jim drukte de uitgestoken hand van de man. 'Ik dank Zijne Keizerlijke Hoogheid voor zijn gastvrijheid en zijn bereidheid om onze geleerden toegang te geven tot zijn archieven. Vooral gezien de abruptheid van het verzoek.'
'Dat was nogal vreemd,' beaamde de kanselier, 'maar Zijne Keizerlijke Hoogheid streeft altijd naar harmonieuze relaties met onze buurlanden, en het leek een kleine gunst.'
Jim draaide zich om en wenkte zijn drie metgezellen. Hij stelde Puc, Magnus en Amirantha voor. Schijnbaar diep onder de indruk van de aanwezigheid van de hoge ambtenaar wisten alle drie de magiërs een vrij aardige imitatie van een schuchtere buiging te geven.
We hebben draagstoelen klaarstaan om u naar het paleis te brengen,' meldde de kanselier.
Jim knikte en gaf met een ruk van zijn hoofd aan dat de anderen hem moesten volgen. Ze liepen over de steiger tussen twee rijen Quegse soldaten door, waarvan er vier op trompethoorns hadden geblazen toen het schip afmeerde. Nu stonden de soldaten roerloos in de hete zon te wachten op het bevel om terug te keren naar de barakken.
Op de kade stonden vier draagstoelen op hen te wachten. De verschillende stadsambtenaren, die geen woord hadden gezegd, trokken zich terug naar hun eigen werkplekken en de kanselier nodigde Jim uit om in een draagstoel te stappen. Puc deelde een andere met Amirantha, en Magnus nam de derde. De dragers waren allemaal gespierde jongemannen, enkel gekleed in een dikke linnen rok, en ze droegen sandalen met gekruiste banden en dikke zolen. Hun lichamen glommen van de olie met bloemengeuren, zodat de passagiers geen aanstoot zouden nemen aan hun transpiratie. Ze tilden de draagstoelen op en liepen met ferme pas weg, terwijl twee soldaten voor hen uit marcheerden om te zorgen dat de burgers van Queg opzij gingen.
Amirantha hield zijn stem gedempt en neutraal toen hij vroeg: 'Dus dit is Queg?'
Puc knikte glimlachend. Hij wist net zo goed als Amirantha dat een of meer dragers bijna zeker Quegse agenten waren en hen waarschijnlijk afluisterden. 'Ja,' zei Puc. 'Weet je meester veel over deze plek?'
'Een beetje,' antwoordde Amirantha, die de schijn ophield dat hij een afgevaardigde van de Maharadja van Muboya was. 'Een van mijn taken was om zo veel mogelijk te leren over de buren van het Koninkrijk en om een studie te maken van jullie land. Queg was toch ooit een deel van Groot Kesh?'
'Ja,' zei Puc, die aannam dat de spionerende Quegse agent niet zo aandachtig zou luisteren naar een geschiedenisles die hij even goed kende als Puc. 'Na een grote opstand onder de afhankelijke staten, de Keshische Confederatie in het zuiden van het Keizerrijk Groot Kesh, riepen ze hun legioenen uit het noorden terug. Ze verlieten alle landen ten westen en zuiden van Yabon. Toen rukte het Koninkrijk vanuit Yabon op naar wat nu de Verre Kust is, maar de vroegere Keshische steden langs de Bitterzee sloegen de invasie van het Koninkrijk af en vormden de Vrijsteden.
Queg bevond zich in een unieke positie; het had een garnizoen en marinewerven gehad, maar toen de legioenen vertrokken weigerde de marine mee te gaan omdat hun familie hier woonde en ze hier een leven hadden opgebouwd. Kesh had het druk met de strijd in het zuiden, en tegen de tijd dat ze de opstand van de Confederatie hadden neergeslagen, had Queg onafhankelijkheid bereikt en de macht over de Bitterzee gegrepen.' Hij zweeg even alsof hij nadacht. 'De mensen die hier woonden, kwamen uit een relatief kleine provincie van het Keizerrijk, ik geloof dat het daar Itiac heette.' Hij wist wel beter; de provincie heette Itaniac, maar Puc wilde dat degene die hen afluisterde zou denken dat hij niet bepaald een expert was in de geschiedenis van de eilandnatie. 'Ik wil als het even kan enkele documenten uit dat tijdperk en ervoor bestuderen, want onze Koninkrijkse geschiedenis zit vol lacunes en misverstanden.
Onze relatie met Queg is niet altijd zo goed geweest als hij zou moeten zijn, en daardoor circuleren er in het Koninkrijk der Eilanden vele misvattingen over de geschiedenis en het volk ervan. Het zal me een eer zijn die misvattingen uit de wereld te helpen.'
'Nou, voor mij is het allemaal nieuw,' zei Amirantha, die het spelletje meespeelde. 'Alles wat ik leer zal nuttig zijn voor mijn rapportage. Misschien zal mijn meester overwegen hier een handelsdelegatie naartoe te sturen; je zei dat de Queganen goede schepen bouwen?'
'De beste,' zei Puc, die wist dat dat niet helemaal waar was. De Queganen bouwden indrukwekkende oorlogsgaleien, maar dat waren kustvaartuigen die niet geschikt waren om verder dan een dag of twee van de kust vandaan te varen. Queg had niets waarmee je een watervlakte zo groot als de Eindeloze Zee kon oversteken, dan naar het westen van de Straat der Duisternis te gaan en Novindus te bereiken. Maar vleierij werkte vaak bij lieden die graag wilden geloven dat het gemeend was.
Amirantha en Puc kletsten over onbelangrijke dingen terwijl ze naar de stad keken waar ze doorheen werden gedragen. De havens, herbergen en bedrijven van laag allooi maakten plaats voor een reeks brede straten waar welvarender industrieën waren gevestigd; vele gebouwen waren meerdere verdiepingen hoog, met de woning van de eigenaar op de bovenverdieping. Daarachter strekte zich een groene zoom van parken uit, die de grens aangaf tussen de boven- en de benedenstad. Op de helling maakten grote huizen met uitgestrekte tuinen en fonteinen plaats voor nog grotere landgoederen met hoge muren en stevige poorten. De meeste daarvan werden bewaakt door soldaten in particuliere livrei, en hun uniformen wedijverden in praalzucht met die van hun buren. Anders dan de keizerlijke soldaten die naar de haven waren gestuurd om hen te ontvangen, droegen sommige wachters glanzend gepoetste borstplaten en stalen helmen die in felle kleuren geschilderd waren, terwijl anderen zelfs waren uitgedost met gouden biezen of belachelijke pluimen van veren of geverfd paardenhaar. De wachters zagen er potig genoeg uit om te voorkomen dat zwervers of ander uitschot hun meesters zouden lastigvallen, maar het gezicht van Amirantha onthulde wat de zwarte magiër werkelijk over die strijders dacht.
Ze gingen verder omhoog tot ze het Keizerlijke District bereikten: de gebouwen rondom het paleis en de werkruimten van de keizer. Deze appartementen en villa's waren bedoeld voor ambtenaren en officieren van het hof, en ze waren allemaal bekleed met wit marmer. 'Eeuwen geleden was dit deel van de stad net zoals de rest, gewoon van steen en hout, maar jaren geleden wilde een keizer — zijn naam schiet me even niet te binnen - alles herscheppen om er de mooiste stad ter wereld van te maken. Bij een enorme steengroeve in het zuiden liet hij deze witte stenen ophalen, en in de loop der jaren is het hele Keizerlijke District ermee afgewerkt.' Puc keek Amirantha aan met een blik die aangaf dat zijn volgende woorden voor hun afluisteraar bedoeld waren. 'Ze zeggen dat Rodric de Vierde, die bekendstond als de Waanzinnige Koning, zo jaloers was op de schoonheid ervan dat hij Rillanon ook met witte steen wilde tooien, maar omdat hij geen wit marmer kon vinden was hij gedwongen genoegen te nemen met een inferieur scala aan kleuren.' De waarheid, zoals Puc heel goed wist, was precies tegenovergesteld.
Het keizerlijk paleis van Queg was altijd bekleed geweest met wit marmer. Maar pas nadat Rodric van het Koninkrijk was begonnen met de verfraaiing van Rillanon - een taak die werd voltooid door zijn opvolger, koning Lyam - begon keizer Jumillis van Queg met zijn overdreven versieringen van het hele Keizerlijke District. De enige reden dat hij het daarbij had gelaten was omdat de groeve uitgeput raakte; de rest van het marmer was opgeslagen voor de reparatie van schade door weersinvloeden en dergelijke.
Puc ging zwijgend achteroverzitten en dacht aan koning Rodric, die hij had ontmoet tijdens zijn eerste bezoek aan Rillanon. Zijn overpeinzingen brachten hem in een duistere en bespiegelende stemming, een gevoel dat hij had weten te vermijden sinds Jim en Amirantha hem hadden opgezocht. Rodric was diep verontrust geweest, maar in wezen een goed mens, waanzinnig geworden door een ziekte die niemand kon genezen. Hij was alleen nog tijdelijk bij zinnen geweest aan het einde van zijn leven, toen hij zijn neef Lyam tot zijn erfgenaam uitriep en de natie redde van een bloedige burgeroorlog die zou zijn gevolgd op de hielen van twaalf jaar oorlog met de Tsurani.
Die overpeinzingen deden hem denken aan iedereen die hij in de loop der jaren had verloren: zijn oude leermeester Kulgan en Meecham, Kulgans metgezel; vader Tully, een van zijn eerste en meest wijze leermeesters; prinses Carline, van wie hij ooit dacht te houden, en Laurie, een van zijn beste vrienden, die met de prinses was getrouwd. Laurie was te jong overleden en Carline was veel te lang weduwe gebleven. Heer Borric... Hij zuchtte en Amirantha keek hem vragend aan. Puc stak zijn hand op om aan te geven dat het niets belangrijks was, maar het nare gevoel in zijn buik bleef. Hij had Katala, zijn eerste liefde en eerste echtgenote, verloren aan een slopende ziekte die niet met magie of andere vaardigheden te genezen was. Zijn eerste twee kinderen, Wiliam en Gamina, waren gestorven aan het einde van de oorlog tegen het leger van de Smaragden Koningin.
En nu waren ook Miranda en zijn jongste zoon Caleb er niet meer.
Puc zette die gevoelens van zich af en beripste zichzelf omdat hij zijn duistere stemmingen niet in de hand had. Hij had vanaf de eerste dag van zijn overeenkomst met de goden geweten dat dit zijn lot zou zijn, en toch koesterde hij wrok.
De draagstoelen arriveerden eindelijk bij de ingang van het paleis en redden Puc van verdere sombere overpeinzingen. Hij keek opzij en zag dat Amirantha hem onderzoekend aankeek.
De drie 'geleerden' stapten uit de twee draagstoelen en werden onmiddellijk naar hun kamers begeleid, terwijl Jim naar een ontvangst aan het hof van de keizer werd meegetroond. Als onderdeel van zijn officiële geleide hadden de anderen met Jim mee kunnen gaan als hij daarop had aangedrongen, maar Puc had besloten dat ze alvast wat werk konden doen, zelfs in hun goed bewaakte vertrekken.
Zodra ze alleen waren knikte hij eenmaal naar Magnus, die in een stoel in de hoek van de kamer plaatsnam. Puc wendde zich tot Amirantha. 'Die Queganen lijken me best gastvrije mensen.'
Amirantha keek om zich heen in de grote voorkamer voor het ontvangen van gasten en het voeren van ontspannen gesprekken; er waren twee deuren in de muren links en rechts van de hoofdingang, en daartegenover een groot boogvenster.
'Mooi uitzicht,' meldde Amirantha, en Puc kwam bij hem staan.
'Inderdaad,' beaamde de magiër, terwijl ze naar een van de vele paleistuinen keken. Deze bevatte een grote vijver waar enkele mensen in zwommen of omheen lagen.
Amirantha's wenkbrauwen kwamen een stukje omhoog toen hij zag dat alle badgasten naakt waren, en hij zei: Ah, is dat het gebruik hier?'
'De Queganen zijn van Keshische afkomst,' verklaarde Puc. 'Het keizerlijk hof van Groot Kesh ligt in een heel warm klimaat, op een plateau met uitzicht op het Overnse Diep in het hart van het rijk. Hun houding ten opzichte van kleding is heel anders dan die van de mensen in het Koninkrijk. Wij hebben meestal met koud weer te maken, en daar kleden we ons naar.'
'Ik begrijp het,' zei Amirantha. 'Ik veroordeel het ook niet. Ik vind het alleen... interessant.'
'Ah,' zei Puc glimlachend. 'Laat je niet te zeer afleiden.'
'Zolang de bibliothecarissen geen mooie jonge vrouwen zonder kleding zijn, Richard,' zei hij, Pucs valse naam gebruikend, 'red ik me wel.'
Puc lachte, maar zijn ogen speurden elk stukje van de kamer af. Ze hadden aangenomen dat ze zouden worden bespioneerd, maar ze wisten niet in hoeverre. Het kon zoiets eenvoudigs zijn als een spion in de kamer naast hen, een simpele geluidskamer waardoor ze konden worden afgeluisterd via een metalen buisje verstopt achter een wandtapijt of sierplant, of misschien gebruikten ze een ingewikkelde schouwbezwering, een mogelijkheid die Magnus nu probeerde te achterhalen.
Puc keek zijn zoon aan, die zijn ogen opende en zijn hoofd een keer schudde: hij bespeurde geen gebruik van magie. 'Ik denk dat ik maar even ga liggen,' zei Magnus terwijl hij opstond en naar een van de deuren liep.
Zijn vader knikte instemmend en liep naar de andere deur. Toen hij die opende, zag hij daar een kleine, maar volledig ingerichte kamer met een eenvoudige vrijstaande kast en een schoon bed. Er was een raam dat over een tussenliggend bloembed op een ander venster uitkeek, voor zover Puc kon bepalen ook van een gastenverblijf. Hij zag daar geen beweging en nam aan dat die vertrekken leeg waren.
Puc sloot de deur en ging liggen om zijn gedachten te ordenen. Sinds de dood van Miranda en Caleb daalde hij steeds weer af naar morbide zelfbespiegelingen als hij wat tijd had om na te denken. Hij had in zijn leven veel strijd geleverd; het verlies van Nakur was het begin van de worste- ling geweest, maar de dood van zijn vrouw en zoon had hem verslagen.
Toch was er nog veel werk te doen, en hij moest zich uit die diepe put van zelfmedelijden en woede op de goden die hem ketenden hijsen; hij was zelf die overeenkomst aangegaan, bracht hij zichzelf weer in herinnering. Hij had dit leven kunnen verlaten na de strijd tegen Jakan, de demon die zich had vermomd als de Smaragden Koningin, maar hij had ervoor gekozen terug te keren en de strijd voort te zetten. De prijs die hij daarvoor betaalde, was dat hij iedereen van wie hij hield zou zien sterven.
Puc ging rechtop zitten. Achter in zijn hoofd kriebelde iets.
Hij stond op, haastte zich naar de deur van Amirantha's slaapkamer en klopte zachtjes aan. Toen de zwarte magiër opendeed, legde Puc een waarschuwende vinger tegen zijn lippen en beduidde dat Amirantha hem moest volgen naar de deur van Magnus. Weer klopte hij zachtjes aan, en toen zijn zoon verscheen maakte hij een draaiende beweging met zijn hand. Magnus knikte en wenkte hen naar binnen.
Eenmaal binnen liet Magnus de twee andere magiegebruikers dicht bij hem komen staan. Hij sloot zijn ogen even en zei toen: We zijn omhuld. Het is maar een zwakke bezwering, want meer kracht zou mensen die ons in de gaten houden waarschuwen.'
Worden we ook met magie bespioneerd?' vroeg Amirantha.
'Mijn zoon heeft vaardigheden die zelfs die van mij overstijgen,' antwoordde Puc. 'Zoals jij demonen kunt voelen, voelt hij het gebruik van magie, en hij weet zelfs welke spreuken worden toegepast en kan die tegengaan.' Hij keek zijn zoon trots aan. 'Het is een zeldzame gave.'
'Ze gebruiken alleen maar een zwakke schouwbezwering, die eenvoudig te omzeilen is. Maar hoe langer ik de illusie ophoud dat we het hebben over de boeken die we morgen willen bekijken, hoe waarschijnlijker het is dat iemand mijn tegenbezwering opmerkt. Dus wat is er?'
'Amirantha,' zei Puc snel, 'ik moet je wat vragen. We hebben zoveel gesproken over wat we wel en niet over demonen weten, dat we af en toe een vraag terzijde hebben gelegd en vergeten zijn het daar nog over te hebben.
We hebben veel gespeculeerd over wat er met Maarg is gebeurd op Shila, maar we zijn nooit teruggekomen op iets wat jij wilde bespreken. Jij was toch verbaasd omdat de demonenkapitein Jakan het lichaam van de Smaragden Koningin had overgenomen?'
'Demonische bezetenheid is heel zeldzaam,' antwoordde Amirantha, snel en op gedempte toon sprekend, 'en in die zeldzame gevallen blijft het altijd beperkt tot een specifiek soort schepsel. Ik denk aan ze als geesten of schimmen. Het idee van een krachtige demonenheer, een van de grote kapiteins, of een demon met een gelijke kracht die zo'n vaardigheid bezit...' Amirantha haalde zijn schouders op. 'Ik weet eigenlijk niet meer wat ik toen wilde vragen. Het verwart me alleen.'
'Hoezo?' vroeg Magnus.
'Het is geen typisch demonengedrag. Door wat jullie me hebben verteld en wat ik heb gehoord van Gulamendis, begin ik ruwweg een idee te krijgen van de demonische samenleving, als je het zo kunt noemen. Of eigenlijk hoe de dingen gaan in het demonenrijk. Het is naar onze maatstaven chaotisch, maar het heeft niettemin regels en grenzen. Bezetenheid door een krachtige, magie gebruikende demon past daar gewoon niet in.'
Hij keek gefrustreerd om zich heen. 'Dit is eigenlijk geen onderwerp dat we even snel kunnen bespreken, maar het is goed dat je het ter sprake bracht. Als we dat boek niet vinden, moeten we uitkijken naar andere verwijzingen naar ontmoetingen met demonen of verhalen daarover. Die kunnen ons mogelijk extra inzicht bieden.'
Puc knikte. We hebben het er nog over als het veilig is.'
Ze gingen uiteen. Magnus liet de illusie los die hij had opgeroepen als tegenbezwering, en ze wachtten rustig in hun kamers totdat ze werden geroepen voor het avondmaal met Jim.
De maaltijd was overvloedig en typisch Quegs. Vier lange tafels waren in een vierkant opgesteld, met net voldoende ruimte tussen de hoeken zodat bedienden door het middengedeelte konden lopen om nieuwe schalen voedsel aan te dragen. Elke gast was vrij om te kiezen uit de gerechten die hem aanspraken of de bedienden te laten passeren.
Achter hen liepen nog meer jonge mannen en vrouwen rond, die wijn en een heel licht soort bier schonken. De bedienden waren allemaal gekleed in een eenvoudige tuniek tot onder de knieën, met een dubbel koord om het middel. Puc beschouwde hen als jongens en meisjes, want ze waren allemaal rond de twintig, en stuk voor stuk waren ze bijzonder aantrekkelijk.
De aanwezige edelen waren allemaal lagere paleisambtenaren. Alleen de keizerlijke kanselier had een opmerkelijk hoge rang; zijn aanwezigheid was een concessie aan Jims diplomatieke status. Normaal zou een Koninkrijkse baron geen recht hebben op zo'n hooggeplaatste gastheer, vooral wanneer het alleen een academische missie met weinig politiek of militair belang betrof, maar waarschijnlijk vermoedden de Queganen dat Jim meer was dan hij leek. Jims eigen spionnennetwerk was niet het enige dat actief was rond de Bitterzee, en hij had in de loop der jaren ongetwijfeld evenveel belangstelling van de Queganen gewekt als van de Keshiërs.
Puc was gekoppeld aan een zeer aantrekkelijke vrouw van middelbare leeftijd, Livia genaamd, die op een van de brede banken zat die de Queganen gebruikten om te dineren. Ze wuifde een bediende met een schaal gesuikerd fruit weg en zei: 'Te zoet. Ik heb eigenlijk een voorkeur voor eenvoudiger kost.'
Ze droeg een traditionele Quegse toga, die haar rondingen omvatte en de belofte uitsprak van een weelderig, gezond lichaam eronder. Haar gelaatstrekken waren sterk maar vrouwelijk; ze had heel donkerbruine ogen en een spoortje grijs in haar kastanjebruine haar, dat los om haar schouders viel. Hoewel Puc weinig belangstelling had voor dit soort tijdverdrijf, vond hij haar toch aantrekkelijk en interessant. Ze werd aan hem voorgesteld als een collega-wetenschapper en de archivaris die was aangewezen om hem en zijn metgezellen de volgende dag bij te staan. Puc was ervan overtuigd dat ze van nut zou blijken te zijn, en hij was er net zo zeker van dat haar was opgedragen alles te rapporteren wat de drie bezoekende academici deden. Wat hij niet wist, was of ze een archivaris was die voor spion speelde, of een spion die voor archivaris speelde.
'Echt?' vroeg Puc op vrijblijvende toon terwijl hij een rijpe peer uitkoos, die lichtjes was bestreken met honing en bestrooid met geroosterde amandelen. Hij nam een hap en zei: 'Apart, maar heel lekker.'
'U verveelt zich,' verzuchtte ze. 'Ik ben niet zo goed in dit soort dingen. Mijn ouders waren slechts lagere adel, ruige neven en nichten van heel belangrijke mensen. Het was onwaarschijnlijk dat ik een goed huwelijk zou sluiten, dus hebben ze een betrekking voor me geregeld hier in het paleis.'
Omdat hij niet wist wat hij moest zeggen, knikte Puc enkel. Toen vroeg hij: 'Vindt u het werk leuk?'
Ze leek niet bepaald enthousiast. 'Het kan interessant zijn. Af en toe komt er iemand zoals u langs om de sleur te doorbreken.'
Puc glimlachte alsof hij gevleid was. Hij was er nu zeker van dat ze een spion was, gestuurd om hem te verleiden en te ontdekken of er meer achter hun bezoek zat dan het verhaal dat baron James van het prinselijk hof in Krondor had opgedist. Hij keek naar zijn zoon, die onderuitgezakt zat, en zag dat er een wat jongere maar even aantrekkelijke vrouw naast hem was neergezet. Amirantha was gekoppeld aan een zeer geleerd uitziende heer, en Puc onderdrukte een grijns. Amirantha had zich in de tijd dat Puc hem kende ontpopt als nogal een rokkenjager, terwijl Magnus...
Puc maakte zich wel eens zorgen om zijn laatste nog levende zoon. Magnus was toen hij amper meer dan een jongen was erg gekwetst door een jonge vrouw, en sinds die tijd had hij zich niet meer door een vrouw laten strikken. Puc wist dat hij toegaf aan zijn lichamelijke behoeften - hij was gekwetst, niet dood - maar hoewel hij af en toe best kon genieten van het gezelschap van een courtisane in Kesh of een bezoek aan een goed bordeel in Roldem, had Magnus door de jaren heen de serieuzere belangstelling van diverse jonge vrouwelijke studenten op Tovenaarseiland vermeden.
De Quegse inlichtingendienst zou er beter aan hebben gedaan om de geleerde heer bij Magnus te zetten en de mooie vrouw bij Amirantha.
Puc richtte zijn aandacht weer op Livia en vroeg: 'Nee echt, vindt u het leuk om in de archieven te werken?'
Ze haalde haar schouders op. Hij had een snaar bij haar geraakt, en hij vroeg zich af hoe goed ze eigenlijk op dit bezoek was voorbereid. Als ze een Quegse agent was, zou ze enige kennis van de archieven bezitten, maar bij lange na geen expert zijn.
'Heel eerlijk gezegd,' antwoordde ze, 'verveelt het me. Af en toe kom ik interessante leesstof tegen en vind ik die uren minder erg. Het is mijn taak om een korte samenvatting van een werk te schrijven, het een plek te geven in het archief en ervoor te zorgen dat mijn samenvatting wordt opgenomen in de hoofdindex.' Ze keek hem berekenend aan. 'Ik kan met u naar uw kamer meegaan, als u wilt, om enkele van de meer esoterische boeken in de archieven te bespreken. Sommige daarvan zijn behoorlijk veelzeggend.'
Puc hield een glimlach in en neigde alleen zijn hoofd een stukje, alsof hij het aanbod overwoog.
'Of wilt u liever blijven voor de orgie?'
Pucs wenkbrauwen kwamen een beetje omhoog. Van alle naties die hij in dit deel van de wereld had bezocht, was hij het minst vaak in Queg geweest, en hij was vergeten dat enkele van hun gebruiken radicaal verschilden van die in het Koninkrijk of zelfs Groot Kesh. Nu snapte hij ook waarom alle bedienden jong en aantrekkelijk waren. De orgie na de maaltijd was een normaal onderdeel van grootse ontvangsten voor buitenlandse bezoekers en altijd een element van bepaalde feestdagen. Hij had geen moeite met andermans morele gedrag op dat gebied, maar zijn eigen inborst vereiste dat intimiteit beperkt bleef tot een liefdesrelatie.
Puc hoefde zijn gevoelens niet te veinzen toen hij zachtjes antwoordde: 'Ik heb pas kortgeleden mijn vrouw verloren.'
Livia's ogen werden groot. Wat vreselijk. Was het plotseling?'
'Zeer,' zei Puc. 'Het zal wel even duren voordat ik...'
Ze legde zacht haar hand op die van hem. Haar stem bleef monter, maar haar gezichtsuitdrukking stond gretig. 'Als ik iets kan doen, zegt u het dan alstublieft.'
Puc bewonderde haar vasthoudendheid. Hij zuchtte. 'Op een dag zou ik graag terugkeren, en dan misschien.' Hij stond langzaam op. 'Als u me nu wilt verontschuldigen, ik denk dat ik me maar terugtrek voordat de feestelijkheden beginnen.'
'Natuurlijk.'
'Ik kijk ernaar uit u morgenochtend weer te zien,' zei hij.
'Tot dan.'
Magnus en Amirantha hadden allebei gezien dat hij was opgestaan en keken naar hem. Puc knikte lichtjes naar zijn twee metgezellen om aan te geven dat ze zo snel mogelijk moesten vertrekken. Jim was in gesprek met een edele, maar Puc wist dat hem niets was ontgaan.
Toen Puc in hun gastenverblijf aankwam, stonden daar wijn, zoetigheden, noten en kazen op hem te wachten. Hij liet zich in een divan voor het raam zakken; hij had niet veel gegeten tijdens de maaltijd en had ook nu niet veel trek, maar hij had wel zin in een slokje wijn. Hij pakte de karaf en sloot zijn ogen. Jaren geleden had hij een bezwering geleerd die de wijn zou ontdoen van elk verdovend middeltje of gif. Hij betwijfelde of het nodig was, aangezien het doel van deze avond verleiding was geweest, maar op deze reis was voorzichtigheid geboden.
Een paar minuten later verscheen Amirantha. Met een lachje zei hij: 'Jij en Magnus krijgen de mooie meisjes, maar ik krijg een wetenschapper die me bestookt met vragen over Muboya!'
'Nou, dat is logisch,' zei Puc. 'De meeste mensen praten graag over hun eigen land, en de Queganen beschouwen iedere buitenlander als een potentiële vijand.'
'Ik heb hem er heel veel over verteld,' zei de zwarte magiër, die in een stoel tegenover Puc ging zitten. 'Sommige dingen waren zelfs waar.'
Daar glimlachte Puc breed om.
Magnus kwam binnen en vroeg met een vragend opgetrokken wenkbrauw: 'Orgie?'
'Een plaatselijk gebruik,' verhelderde zijn vader.
'Misschien moeten we teruggaan?' grapte Amirantha.
Vader en zoon keken hem allebei met samengeknepen ogen aan, een van de weinige gelaatsuitdrukkingen waardoor de gelijkenis tussen hen opviel. Magnus was lang en bleek, terwijl zijn vader klein en donker was, maar hun blik was hetzelfde.
Na nog een halfuurtje praten, besloten ze naar bed te gaan. Terwijl ze opstonden om naar hun eigen kamer te gaan, zei Amirantha: 'Ik vraag me af of Jim is gebleven.'
Puc glimlachte. 'Als hoge edele zou het een soort politiek incident zijn als hij vertrok.'
Amirantha zuchtte. 'Ik zag dat hij dat hele mooie dienstertje bij zich in de buurt hield.' Hoofdschuddend vervolgde hij: 'Het is gewoonweg heldhaftig, wat die man overheeft voor zijn koning.'
Puc grinnikte en Magnus lachte toen ze allebei hun deur sloten.