De broers bleven roerloos staan. Laromendis gebruikte al zijn kunde om hun aanwezigheid in de kelder te verhullen toen enkele demonen een handjevol gevangenen uit de cellen haalden. Alleen Gulamendis' gevoeligheid voor demonen had hen op tijd gewaarschuwd. De grap die hij even daarvoor had gemaakt, werd werkelijkheid terwijl ze plat tegen de muur gedrukt stonden en de bezweerder de schijn wekte dat ze daar deel van uitmaakten.

De tijd verstreek folterend langzaam, maar uiteindelijk werd de deur naar het cellenblok gesloten en werden de gevangenen afgevoerd. Het was een gemengde groep geweest: vier dwergen, twee mensen en twee elfen. Ze waren allemaal stil en somber geweest, maar ze hadden niet bepaald angstig geleken.

Toen de kamer verlaten was, liet Laromendis de illusie vervagen.

Wat was dat?'

'Ik verstond ze niet,' zei zijn broer. 'Die demonen spreken een taal die ik niet ken.'

Sinds ze naar dit merkwaardige fort op deze onbekende wereld waren gekomen, waren ze met het ene na het andere raadsel geconfronteerd. De frustratie die Gulamendis had bekropen toen hij het demonenkamp op de vorige wereld zag, en die tot gekmakende hoogte was gestegen toen hij de aanval van de rivaliserende groepering van demonen had gezien, maakte hem nu bijna dol omdat hij niet snapte wat hier gaande was. We hebben informatie nodig,' zei hij.

Waar wil je die vandaan halen?'

'Ik denk dat we daar naar binnen moeten gaan en met een paar gevangenen moeten praten.'

'Ben je gek geworden?' vroeg Laromendis.

'Hoezo? Denk je dat ze ons zullen verraden aan hun meesters?'

'Als ze denken daarmee bij hen in de gunst te komen, misschien wel!' protesteerde de bezweerder.

Wat stel jij dan voor?'

'Ik vind dat we moeten proberen op eigen houtje meer te ontdekken. Laten we hier wegwezen en kijken wat we kunnen vinden.' Hij zuchtte. 'Als we geen weg naar huis kunnen vinden, of het ons niet lukt een betere indruk te krijgen van deze plek, kunnen we altijd nog terugkomen.' Hij keek om zich heen en voegde eraan toe: 'Bovendien, als we een gesprekje met onze verre neven daarbinnen gaan voeren, wil ik wel zeker weten dat we niet kunnen worden verrast door wachters.'

Gulamendis neigde zijn hoofd en dacht na, en toen zei hij: 'Akkoord. We kunnen het misschien beter doen als de mensen en dwergen slapen. We kunnen er in ieder geval wel op rekenen dat onze verwanten ons niet zullen verraden.'

'Je beziet ons volk gunstiger dan ik, broertje,' zei Laromendis. 'Kom mee, en blijf bij me in de buurt. Als ik weer snel een illusie moet oproepen, zal het maar een kleintje kunnen zijn.'

'Ik ben je schaduw,' zei zijn broer zachtjes.

Welke kant op?' vroeg Laromendis.

'Naar de overkant.'

Ze liepen geruisloos naar de trap die rechts van hen was geweest toen ze de kerker binnenkwamen en gingen naar boven.

'Heb jij ideeën?' fluisterde Gulamendis.

'Stil,' siste zijn broer.

Ze waren boven aan de trap aangekomen en bevonden zich in een grote wapenkamer. Aan het uiteinde probeerde een groep demonen pantsers aan te trekken bij wat kennelijk nieuwe rekruten waren. Ze communiceerden met gegrom en andere keelgeluiden en lieten de nieuwelingen zien hoe ze hun nieuwe borstplaten en helmen moesten dragen. Ze waren zo druk bezig dat ze de twee elfen die de zaal binnen waren gekomen niet opmerkten.

Gulamendis stapte achteruit de gang in toen zijn broer aan zijn tuniek trok. Toen ze weer in de schaduwen stonden, draaiden ze zich om en repten zich de trap af. Nabij het niveau van de ingang van de kerker knielden ze neer en tuurden het vertrek in; toen ze geen beweging zagen, renden ze erdoor en bleven aan het uiteinde staan. 'Die kant op,' zei Laromendis.

'Deze keer wat langzamer, broertje.'

'Goed.'

Ze slopen de trap op.

Het grootste deel van het reusachtige fort was verlaten. De elfen dachten dat er ruimte genoeg moest zijn voor zeker duizend soldaten in de nu lege barakken overal in het enorme gebouw. Het was duidelijk aan het ontwerp te zien dat de bezettingstroepen ideaal gepositioneerd waren om hun defensieposities in de kortst mogelijke tijd te bereiken, in plaats van te zijn ondergebracht in een enkele grote barak, zoals in de meeste forten het geval was. Het was ook duidelijk dat dit gigantische fort eeuwen geleden was gebouwd, maar dat de schaal ervan niet afgestemd was op demonen. De gangen en galerijen waren veel te groot voor de kleinste demonen, en toch veel te klein voor de grotere demonen. In voorbije tijden hadden hier schepsels gewoond die qua lengte tussen een dwerg en een lange elf in zaten.

Bovendien was de bezetting door de demonen overduidelijk van recente datum. Enorme ruimtes in het gebouw waren verlaten en lagen onder het stof. Eén toren aan de voorkant van het hoofdgebouw vertoonde tekenen van bewoning, maar alle andere stonden leeg.

Uit nieuwsgierigheid gingen ze een van de torens in, om te kijken of een hoger uitkijkpunt hun een beter idee zou geven van waar ze waren. Toen ze de bovenste kamer bereikten, bleek de deur op slot. 'Proberen we hem open te krijgen?' vroeg Laromendis.

We kunnen het met een mes proberen,' zei Gulamendis. 'Misschien breekt het, maar als we demonen tegenkomen, zullen we aan die twee dolken toch niet veel hebben.'

'Ik heb de staf nog,' zei zijn broer, kloppend op zijn tuniek.

'Dat levert misschien een paar minuten uitstel op,' zei de demonenmeester, 'maar ik probeer het liever niet uit. Als er alarm wordt geslagen...'

'Hoe wou je die deur te lijf gaan?' vroeg Laromendis.

Zijn broer glimlachte. 'Met steelsheid,' antwoordde hij.

'Nee, echt, wat heb je in gedachten?'

'Scharnieren,' zei Gulamendis, die de rand van zijn mes tussen het onderste scharnier zette. Het weerstond hem, maar na wat wringen wist hij het lemmet onder de kop van de scharnierbout te krijgen, en toen die een stukje opwipte greep hij hem met zijn sterke vingers vast en trok eraan.

'Hebbes!' zei hij zachtjes.

Het tweede scharnier duurde langer, maar na een paar frustrerende pogingen gaf het eindelijk mee, al hield Gulamendis er wel geschaafde knokkels en een bot mes aan over. De deur protesteerde toen ze tegen de scharnieren duwden, maar gaf mee en boog een stukje naar voren. 'De grendel moet zo'n lang metalen ding zijn,' zei Laromendis. 'Ik zal kijken of ik me erdoorheen kan persen en hem van de andere kant los kan krijgen.' Ze duwden en wrikten de deur zo ver mogelijk open, en de demonenmeester wurmde zich door de opening. Zodra hij aan de andere kant stond zei hij: 'Ga achteruit, ik moet de deur een stukje terug duwen.' Dat deed hij, en vervolgens hoorde Laromendis een grendel schuiven, waarna de deur begon te zwalken en omviel.

Zijn broer ving hem op. 'Ik kan wel een beetje hulp gebruiken; dat ding is zwaar!'

Laromendis stapte naar voren, greep de scharnierkant van de deur en hielp zijn broer het gevaarte opzij te zwaaien. Toen bleef hij staan en bekeek de binnenkant van de kamer.

Wat is dit voor een plek?' fluisterde Laromendis.

De late middagzon verlichtte de kamer net voldoende zodat de broers konden zien dat het ooit een werkkamer was geweest. Er stonden boeken en schriftrollen tegen een van de muren, en een schrijftafel met daarop een diepe inktpot en oude schrijfveren, met rollen broos perkament over het oppervlak ervan verspreid.

'Mijn huid jeukt,' zei Gulamendis. 'Wie hier ook vertoefde, beoefende de duistere kunsten.'

'Hebben de demonen daarom die deur niet geopend?'

Waarschijnlijk waren ze gewoon te lui,' zei Gulamendis. 'Ze nemen het liefst de weg van de minste weerstand.'

Laromendis pakte een vel papier op. 'Degene die dit heeft geschreven, is halsoverkop vertrokken. Het is niet af.'

'Maar hij verwachtte dat hij zou terugkeren,' zei Gulamendis. 'Hij heeft de deur achter zich op slot gedaan.'

'Een mysterie,' zei zijn broer. Hij wees naar het raam. 'Laten we even naar buiten kijken.'

Het raam had een boogvorm, met een diepe vensterbank met kussens. Ze konden er allebei op staan en door de vuile ruit turen. 'Kunnen we het raam open krijgen? Ik zie geen barst,' klaagde Laromendis.

'Er zit een grendel op,' antwoordde zijn broer.

Gulamendis sprong naar beneden, en zijn broer volgde. De demonenmeester morrelde aan de grendel, die aanvankelijk niet wilde meewerken, maar toen langzaam meegaf. Hij trok aan het venster en merkte dat de scharnieren daarvan net zo stijf waren. 'Deze kamer is al heel lang niet meer gebruikt.'

'Komt iets hiervan je enigszins bekend voor?' vroeg Laromendis.

Gulamendis keek uit het raam en zag een onheilspellende bergketen in de verte. Het weinige licht aan de linkerkant vertelde hem dat daar de zon onderging achter donkere wolken. Even later zei hij: 'Nee, niks.'

'Zie je die kraters?' vroeg Laromendis, wijzend naar de vulkanen in de verte.

'Natuurlijk,' zei Gulamendis. 'Hoezo?'

'Zie je dat er één hele grote rechts staat, en die andere twee daar links lijken op een kleinere tweeling?'

'Ja,' zei de demonenmeester. 'Zegt je dat iets?'

'De Vuurtweeling.'

'Zou het?'

'Als je mijlen verder naar het zuiden was en naar het noorden keek...' zei Laromendis.

'Vanaf de borstwering van Can-ducar!'

'De tweeling staat dan rechts, en de Vuurkoningin links!'

'Hoe kan het dat we niets wisten van dit oude fort?' vroeg Gulamendis.

*We zijn nooit zo ver gegaan,' antwoordde de bezweerder. 'Can-ducar was het meest noordelijk gelegen fort op Telesan toen de demonen verschenen. We hebben nooit dit deel van de wereld bezet vanwege al die smerige rook en as. De enige reden dat we hier iemand heen stuurden, was om metalen te delven.'

'Denk je dat de demonen daarom dwergen gevangen hebben genomen?'

'Het zou kunnen,' zei Laromendis.

'Nou,' zei zijn broer, 'dan hebben we in ieder geval enig idee waar ze vandaan komen.'

'O ja?'

Verslagen zei de demonenmeester: 'Nee. Ik bedoel, we weten dat die deur in de muur bij de poort leidt naar de wereld waar we de demonenstrijd zagen, en we weten dat ze niet oorspronkelijk van deze plek komen.'

Laromendis ging in de somberte van het vervagende daglicht zitten. We kunnen geen licht maken, zelfs als we vuursteen en staal zouden hebben, omdat iemand het zou kunnen zien, dus moeten we tot morgen wachten voor we kunnen kijken of hier iets ligt waar we wat aan hebben.'

Gulamendis bleef staan. 'Help me even die deur weer in de scharnieren te hangen, gewoon voor het geval ze net toevallig vandaag besluiten eens boven in de toren te gaan kijken. En dan moet een van ons terug naar het schuurtje om een zak te vullen met eten.'

'Ik ga wel,' zei Laromendis. 'Jij bent altijd de betere geleerde geweest. Kijk wat je hier kunt ontdekken zolang het nog een beetje licht is.'

Laromendis vertrok en sloot de deur achter zich, en Gulamendis schoof de grendel ervoor. Hij keek naar de vele boeken op de schappen en vroeg zich af waar hij moest beginnen. Toen werd zijn blik naar een groot, in leer gebonden boek getrokken. Hij stak zijn hand ernaar uit, maar toen zijn vingertoppen het boek raakten, rukte hij zijn hand weer achteruit. 'Demonisch,' fluisterde hij.

'Zou het echt waar zijn?' Hij pakte het boek en opende het. Meteen draaide het schrift voor zijn ogen en herkende hij het als de esoterische runensymbolen van de demonenbeheersing. 'O, hemeltje,' fluisterde hij terwijl hij ging zitten lezen.

Korte tijd later keerde zijn broer terug met een zak vol voedsel. 'Het is maar goed dat we uit die schuur weg zijn. Toen ik daar kwam, liepen er dwergen naar buiten met eten voor de gevangenen.'

'Waarom hebben ze ons gisteravond dan niet ontdekt?'

Laromendis haalde zijn schouders op en gooide zijn broer een appel toe. 'Misschien geven ze hun gevangenen niet elke dag te eten.' Hij begon aan zijn appel en na een sappige hap vroeg hij: 'Iets gevonden?'

'Ja,' zei zijn broer. 'Ik geloof dat ik meerdere belangrijke dingen heb gevonden.'

'Zoals?'

'Waar de demonenpoort is waardoor ze in dit rijk komen.'

'Echt?' Hij leek onder de indruk. Wat nog meer?'

Wie of wat er mogelijk de aanzet heeft gegeven tot deze waanzin.'

Laromendis slaakte een diepe zucht. 'Het is al bijna te donker om te lezen. Maak dat morgen maar af.' Elfen konden zien in de donkerste nacht, als er alleen sterrenlicht was, maar zonder enige vorm van verlichting was het zelfs voor hen te veel gevraagd om oude inkt op perkament te ontcijferen.

'Nog één ding,' zei Gulamendis.

«Wat dan?'

Met een brede glimlach meldde Gulamendis: 'Ik denk dat ik een manier heb gevonden waardoor we Thuis kunnen komen.'

De nacht sleepte zich voort, en Laromendis herhaalde wat hij net had gehoord om er zeker van te zijn dat hij het begreep. 'Dus deze kamer was de werkkamer van een menselijke magiër genaamd Makras...'

'Macros.'

'Macros, en hij was een adviseur van de plaatselijke regent.'

'De koning van Des.'

'De koning van Des. En Macros ontdekte een poort, in voorbije tijden gebouwd door een onbekend volk.'

'En terwijl hij daarmee experimenteerde, opende hij hem,' zei Laromendis.

'Ja, naar de wereld... Nou ja, dat deel zal ik nog eens moeten lezen als het weer licht is.'

Laromendis bleef een tijdje zwijgend in het donker zitten. 'Ik zal die andere dingen maar even overslaan. Die poort is niet degene waardoor we hier zijn gekomen?'

'Nee, want de auteur beschrijft de locatie ervan als een vallei hier in de buurt.'

'Nou, laten we zeggen dat we die poort kunnen vinden. Hoe bedienen we hem dan?'

'Daarom zei ik ook "ik denk dat ik een manier heb gevonden" om thuis te komen, in plaats van "ik heb een manier gevonden". Als we hem kunnen bedienen, stel ik voor dat we naar Thuis gaan.' Laromendis wilde bezwaar maken, maar Gulamendis praatte verder. 'Niet naar E'bar, maar naar Tovenaarseiland.'

'Hoe dan?'

'Ik ben lang genoeg bij de poort op dat eiland geweest om... Nou, ik denk dat ik er wel iets op kan vinden om ons daar te krijgen.'

Laromendis was vastbesloten zijn broer niet te veel hoop te laten krijgen. 'En wat gebruiken we om hem te activeren?'

Gulamendis stak een buideltje omhoog, en hoewel Laromendis hem amper kon zien in het karige licht, voelde die dat zijn broer glimlachte. 'Ik heb deze meegenomen van de dode galasmanciër.'

'Kristallen?'

'Kristallen.'

'Aangezien ik geen beter idee heb,' zei Laromendis, 'stel ik voor dat we nu vertrekken, het boek meenemen, en ergens ver hier vandaan verder lezen bij het eerste licht.'

Gulamendis wilde zo'n schatkamer vol oude mensenmagie liever niet achterlaten, maar hij zag wel in dat het verstandig was om hier weg te gaan nu de activiteiten rondom het fort op een laag pitje stonden. Hij pakte het boek op, knikte een keer en opende de deur.

Langzaam en behoedzaam gingen ze de wenteltrap van de toren af, kwamen onderaan en liepen de lange gang in die uiteindelijk naar de trap terug naar de kerker leidde, en vervolgens naar het plein buiten. Ze liepen langs stille deuren en lege kamers, en toen ze weer in de kerker waren riskeerde Gulamendis een snelle blik door het venstertje in de deur waarachter de cellen zich bevonden. De gevangenen lagen allemaal te slapen, opeengepakt om warmte bij elkaar te zoeken. Er waren geen wachters.

Ze liepen zo geruisloos mogelijk naar de lage deur die toegang gaf tot het plein. Laromendis opende die op een kiertje en gluurde erdoorheen. De drie treden naar beneden waren vrij, en verder was er niemand in zicht.

Ze slopen langs de muur, zo dicht mogelijk tegen de stenen, ondanks de extra dekking van de nacht; ze wilden nog niet het kleinste risico nemen nu deze kans op vrijheid in het verschiet lag. Ze maakten een korte tussenstop in de schuur en laadden hun zakken vol met proviand. De twee elfen werden alleen korte tijd opgehouden toen ze bij de poort aankwamen en merkten dat die op slot zat. Toen herinnerden ze zich dat ze via de scheuring rechtstreeks op het verzamelterrein waren uitgekomen, en beseften ze dat ze niet hadden nagedacht over hoe ze buiten moesten komen. De logica zei hun dat er meer dan één uitweg moest zijn, en een gehaaste verkenningstocht langs de muur leidde hen naar een achterdeurtje. Het werd niet bewaakt, dus openden ze het en gingen naar buiten.

"We moeten eerst naar het zuiden,' zei Gulamendis.

'In de richting van de vulkanen en het slagveld?' vroeg zijn broer.

'Ja,' antwoordde Gulamendis.

Met een lichte hoofdknik van instemming beduidde de bezweerder dat zijn broer voorop moest gaan. De twee elfen gingen een heel donkere nacht in, geen van beiden zeker welke kant ze op gingen, maar allebei wetend dat ze niets goeds achterlieten.

Bij zonsopgang zaten Gulamendis en Laromendis in de beschutting van een overhangende rots, en hun ogen prikten van de zure rook die als een nevel langs de helling kroop. De drie vulkanen braakten met regelmatige tussenpozen rook en as de lucht in. Zoals Laromendis droog had opgemerkt, zou het echt iets voor hen zijn om hun bestemming te bereiken net op het moment dat een van de drie vulkanen uitbarstte en de scheuringspoort verwoestte. Hij was ervan overtuigd dat ze door de wrede ironie van het lot levend zouden verbranden in de poort, of moesten toekijken terwijl hun laatste hoop in vlammen opging. Zelf leek hem die tweede uitkomst eigenlijk de meest pijnlijke.

Zijn broer had hem alleen maar vernietigend aangekeken en niets gezegd. Zodra het kon, las Gulamendis verder in het boek dat hij uit het oude fort had meegenomen. Uiteindelijk zei hij: Voor zover ik het begrijp was dat volk, dat de Edhara heette, net begonnen te experimenteren met poorten. Ze hadden de poort die we zoeken gemaakt in een grot - waarvan ik hoop dat hij niet te ver hier vandaan ligt — en hadden al een paar betrekkelijk goedaardige werelden ontdekt. En toen vonden de demonen hen.'

Vonden?'

'Weet je nog wat Puc heeft gezegd over het karakter van scheuringen?'

'Niet echt,' zei zijn broer. 'Ik geloof dat jij dat gesprek voerde terwijl ik praatte met dat merkwaardige schepsel van die wereld waar ik de naam niet eens van kan uitspreken. Die kerel met de blauwe huid en die dingen in zijn nek — die trouwens verbluffende illusies kon creëren...'

'Komende van jou, mijn niet zo bescheiden broer, is dat een groot compliment,' zei Gulamendis.

'Ik moet het hem nageven, hij was heel erg goed.'

'Puc zei dat scheuringen een soort magnetisch karakter hebben: zoals een magneet ijzer aantrekt, zo trekken scheuringen andere scheuringen aan. Dus als je een poort hebt van de ene wereld naar de volgende, is er een vrij aardige kans dat iemand die wat rondspeurt naar een willekeurige bestemming contact zal maken met een wereld waar al een poort bestaat.'

'Zouden de galasmanciërs daarom de Doorgangswereld hebben gemaakt?'

Zijn broer haalde zijn schouders op. 'Aangezien de Raad van de Regent niet de moeite heeft genomen mij over die kwestie te raadplegen, kan ik alleen maar speculeren.' Hij tikte met zijn vinger op een bladzijde. 'Het is van hieraf tot aan het eind haastiger geschreven, en het leest een beetje zoals de rapporten die we ontvingen toen ons volk voor het eerst de demonen tegenkwam: grootscheepse, chaotische aanvallen, geen genade gevraagd of gegeven, golf na golf van de meest uiteenlopende soorten demonen.'

'Maar hier is duidelijk iets afwijkends aan de hand,' zei Laromendis. 'De demonen die wij zagen bij de veldslag, en die in het fort in het noorden, zijn anders dan alle andere die we ooit hebben gezien.'

'Hier wordt het interessant,' zei Gulamendis. 'Ik lees voor: "En toen werd onze heer Hijilia bezocht door een heraut van de demonische soort, onder een vlag van wapenstilstand, die voorwaarden aanbood.'"

'Wapenstilstand?' Terwijl hij dacht aan de tientallen werelden die door het demonenleger waren overspoeld en aan de miljoenen taredhel die op die werelden waren gestorven, mompelde hij: 'Zo'n aanbod hebben wij nooit gehad.'

'De Edhara namen hun voorwaarden niet aan en zwoeren tot het bittere einde te zullen vechten. De auteur van deze kroniek schreef dit alsof het zijn laatste testament was, en hij heeft elk detail neergekrabbeld waarvan hij dacht dat het belangrijk was.

De reden waarom ik denk dat we door de poort in die grot kunnen wegkomen, is omdat de regenten van de Edhara datzelfde van plan waren. Het is me niet duidelijk of ze op tijd hebben kunnen wegkomen, en of ze die poort zelfs maar bereikt hebben.

Het punt is, als we het voor elkaar krijgen hier weg te komen, en als we Tovenaarseiland en vervolgens E'bar kunnen bereiken, hebben we de Raad van de Regent iets heel belangrijks te vertellen.'

Laromendis zweeg een tijdje, en toen vroeg hij: 'Bedoel je dat we het Tandarae moeten vertellen?'

Het duurde even voordat Gulamendis antwoord gaf. 'Daar komt het altijd weer op neer, nietwaar?'

'De Raad kan niet doorgaan op de koers die ze al driehonderd jaar lang volgen, broertje. De Kring van Licht moet worden hervormd, en alle magische ambten moeten weer worden ingesteld. Na slechts een paar maanden met die mensen op Tovenaarseiland weet ik dat het zo is. Als je Magnus of Puc hoorde over hun geschiedenis en over Pucs eerste poging, de Academie in Sterrewerf...' Hij haalde diep adem. 'Goed, laten we eerst maar terug zien te komen.'

'Ik denk dat we er vandaag nog kunnen zijn als we nu vertrekken,' zei Gulamendis.

'Op klaarlichte dag?'

'Zie jij nog iemand anders in de buurt?'

'Nee, maar een paar maanden geleden heeft slechts een paar mijl ten zuiden van hier een heel grote veldslag plaatsgevonden,' bracht de bezweerder hem in herinnering.

'Ik denk niet dat die nog gaande is,' zei de demonenmeester. Wat zou verklaren waarom er maar zo'n klein garnizoen in dat enorme fort over is, en waarom wij konden gaan en staan waar we wilden. Ze zijn ergens anders heen gegaan.'

Laromendis stond op. Wat mij het meeste stoort,' zei hij, 'is dat er nog steeds te veel raadsels zijn. Ik ben in wezen een eenvoudige elf. Ik laat wezens uit het niets verschijnen en ontvang van de mensen in ruil daarvoor eten, goud, de kuisheid van hun dochters, mooie kleren...'

'Jij denkt als een schurk, en in wezen bén je een schurk.' Hij glimlachte. 'Maar toch, je bent mijn broer en mijn schurk, en ik zal je altijd bijstaan.'

Voor het eerst in dagen had Laromendis zin om terug te lachen naar zijn broer. Hij sloeg hem op de schouder en zei: 'En zo hoort het ook. Jij gaat dan misschien om met vuige wezens, maar ik zal je tot aan het eind terzijde staan.'

'Kom, we gaan.'

Terwijl ze naar het zuiden liepen, zei Laromendis: 'Er is een vraag die ik je eigenlijk al een tijdje wil stellen.'

'Ja?'

"Weet je nog toen dat menselijke meisje Sandrina al die dingen over Amirantha zei?'

Gulamendis lachte. 'Hoe kan ik dat vergeten?'

Weet je nog wat ze zei over een schepsel dat hij had opgeroepen, dat Darthea heette? Ze verscheen voor zover ik me herinner als een ongelooflijk mooie vrouw.'

'Een demon in de gedaante van een mooie mensenvrouw; ja, dat weet ik nog. Hij riep een succubus op en liet haar er oogverblindend uitzien.'

'Stel je voor dat je een volkomen gehoorzame, mooie vrouwelijke elf kon oproepen. Ken jij die truc?'

Voor het eerst sinds bijna een eeuw stompte Gulamendis zijn broer op de arm.

Het was middag, en de twee broers waren dichter bij de vulkanen gekomen. De lucht was bezwangerd met de stank van verbrande as en hun ogen prikten van de laaghangende rook. Er stond bijna geen wind. De rook verborg hen voor nieuwsgierige blikken, maar ze hadden er ook pijn van in hun longen en ogen.

Het landschap was nu een ruige zee van basalt, grote platen lichtgrijze en zwarte steen, onderbroken door kartelige punten van omhoog wijzend rotsen. Af en toe brak de dunne laag gesteente onder hun voeten en opende zich een gat waaruit een wolk giftig, stinkend gas naar boven kwam.

Gulamendis viel zelfs half in zo'n gat en moest er door zijn broer uit worden bevrijd. De randen van het steen waren scherp, en ze moesten iedere stap voorzichtig zetten om letsel te voorkomen.

Wie wil deze rotplek nou veroveren?' vroeg de demonenmeester.

Wij, een tijdje,' zei Laromendis. We hadden de kristallen nodig die in deze vulkanen zitten, en er zijn ook enorm rijke ertslagen op deze wereld.' Hij keek om zich heen alsof hij zich oriënteerde. 'Ik ben hier een tijdje geweest toen ik op verkenning was voor de Raad van de Regent, en de mijnen in het zuiden, aan de andere kant van het verlaten fort... Nou, ik kan alleen maar zeggen dat ze indrukwekkend waren. We hebben er koper gevonden, zilver, ijzer, goud...' Hij haalde diep adem en kuchte. 'Hoe ver is het nog?'

Gulamendis bleef staan om in het boek te kijken, om zeker te weten dat hij geen fouten maakte. 'Als ik dit goed lees, moeten we over die richel daar klimmen.' Hij wees naar het zuiden, en Laromendis zag dat de richel ongeveer een mijl verderop lag en dat een lange uitstroom van basalt er een relatief gladde helling naartoe had gevormd. 'De grot ligt ergens aan de andere kant.'

Ze liepen langzaam verder en kwamen ongeveer een uur later op de top van de richel aan. Terwijl ze het landschap overzagen, riep Laromendis uit: 'Goden en vaders!'

Voor hen uit strekte zich mijl na mijl van nog meer verwrongen en gebarsten rotsen uit. In de verte zagen ze gaspluimen en stoomgeisers, en ze wisten dat ze de buitenrand zagen van vulkanische activiteit. Sinds ze naar deze wereld waren gekomen, waren de taredhel getuige geweest van twee uitbarstingen, die geen van beide zwaar genoeg waren om het fort in het zuiden te bedreigen, maar toch genoeg om verkenning van dit gebied te ontmoedigen. De broers vermoedden dat de verkenners van de taredhel het mensenfort in het noorden wel zouden hebben gevonden als de vulkanen zich niet hadden geroerd. Bovendien lag het achter de vijandelijke linies toen de demonen deze wereld eenmaal hadden bereikt.

Waar nu heen?' vroeg Laromendis.

'Ergens daar?' zei Gulamendis.

'Kun je wat preciezer zijn?'

'Nee,' zei zijn broer, en hij liep omlaag langs de gestolde lavastroom.