1. Offers

De nacht was vervuld van gejank.

Van de uiteengereten heuvels steeg rook op en de stank van brand hing in de lucht. Honderden in mantel gehulde gestalten zochten zich langzaam een weg over het rotsige puin, naar de grote open ruimte onder de resten van de poorttoren van een fort. Boven op een berg stenen stond een machtig man zwijgend neer te kijken op zijn volgelingen.

Een andere gestalte verborg zich in de schaduwen. Hij gebruikte zijn aanzienlijke vaardigheid om ongezien te blijven en wenste vurig dat hij ergens anders was; waar dan ook ter wereld, als het maar niet hier was. James Dasher Jameson haalde langzaam en diep adem, evenzeer om zichzelf te kalmeren als om op adem te komen, en het kostte hem moeite om helder te blijven nadenken. Aan de hoven van de drie grootste naties in deze streek stond hij bekend als een lagere edele uit het Koninkrijk der Eilanden; een man die zijn rang met had verdiend maar geërfd, aangezien hij de kleinzoon van de hertog van Rillanon was. Voor anderen was hij Jim Dasher, een zakenman die zich bezighield met wat criminele zaakjes in de stad Krondor; en bij een enkeling was hij bekend als de Oprechte Man, leider van het dievengilde van de Snaken. Nog minder mensen kenden James Dasher Jameson als het hoofd van de inlichtingendienst van het Koninkrijk der Eilanden, die rechtstreeks verslag uitbracht aan zijn grootvader.

In zijn iets meer dan veertig jaar had Jim vele vreemde en angstaanjagende dingen gezien: ervaringen die voortkwamen uit zijn diverse functies. Af en toe vreesde hij dat hij net zo'n harteloze rotzak was geworden als degenen die hij had uitgeschakeld in naam van de Kroon of voor het Conclaaf der Schaduwen, waarmee hij vaak samenwerkte, maar zelfs zijn leven van geweld en intrige had hem niet geheel kunnen voorbereiden op wat hij nu zag.

Een enorme brandstapel omringde een viertal palen waar mensenoffers aan waren vastgebonden. Ze waren niet de eersten; er waren al tientallen, zo niet honderden doden. Maar waar Jim behalve dit verschrikkelijke tafereel bovenal misselijk van werd, was dat die mensen bereidwillig, zelfs gretig hun pijnlijke dood in de vlammen tegemoet schenen te gaan.

Rondom de open plek bungelden nog meer slachtoffers aan touwen. Kort daarvoor had Jim gezien hoe ze de stroppen om hun eigen hals hadden gelegd en van korte ladders waren gesprongen om zich op te hangen. Bij veel van hen was met een hoorbaar gekraak de nek gebroken, maar enkelen waren langzaam gestorven en veel te lang blijven trappelen. Jim had in Krondor meer dan genoeg openbare ophangingen bijgewoond, maar dit was veel erger dan zien hoe een misdadiger zijn verdiende loon kreeg. Dit was een verkillend vertoon van zelfopoffering aan het kwaad. Het gejammer verstomde toen de masochisten eindelijk het bewustzijn verloren en stierven.

Terwijl Jim misselijk toekeek, werden er nog eens twintig mensen op houten staken gespietst, en hun bloed en uitwerpselen vervulden de lucht met de onuitwisbare stank van de dood. Sommigen trilden en schokten terwijl hun eigen gewicht de staken dieper in hun lichaam dreef, anderen gaven slechts één doodsstuip voordat ze roerloos bleven hangen.

Jim zag hier niets dan waanzin. Hij richtte zijn aandacht op de man die op het ingestorte metselwerk stond en in een verwelkomend gebaar zijn handen opstak. De gezichtsuitdrukking en houding van de man gaven Jim de neiging zich om te draaien en heel hard weg te rennen. Hij had die kerel nooit eerder gezien, maar zijn signalement kwam overeen met wat hij van Puc van Tovenaarseiland en een demonenmeester genaamd Amirantha had gehoord: dit was Belasco, een van de gevaarlijkste mensen die er bestonden, en zeker een van de krankzinnigste.

Met een zwaai van zijn hand riep de dominante magiër een luchtspiegeling op, een trillend beeld dat in de lucht boven zijn hoofd verscheen, waarop de menigte smekend en ontzagvol begon te roepen.

De beeltenis was die van Dahun, en voor zover Jim in het afgelopen halfjaar had ontdekt betekende de verschijning ervan, bijna alsof het wezen daar in eigen persoon stond, dat zijn dienaren steeds verder toewerkten naar het openen van een poort voor hem.

Dahun was twintig voet lang en ruwweg mensachtig van vorm, maar hij had ook een lange, geschubde hagedissenstaart die aan het uiteinde van zijn ruggengraat ontsprong. Zijn borstkas was enorm en op zijn buik bolden spieren op onder een rossige huid, die bij zijn voeten zwart begon en op zijn borst verkleurde naar scharlakenrood. Zijn gezicht was menselijk, maar hij had een prominent uitstekende onderkaak en grote, vleermuisachtige oren. Zijn ogen waren massief zwarte bollen. Lange slierten haar, met menselijke schedels erin gevlochten, hingen tot op zijn schouders. Zijn voorhoofd was getooid met een brede gouden ring voorzien van een donkere steen, die pulseerde met een purperen licht. De vingers van zijn linkerhand eindigden in zwarte klauwen en spanden en ontspanden zich rusteloos, alsof hij stond te popelen om zijn vijanden te verscheuren. In zijn rechterhand hield hij een brandend zwaard. Zijn heupen waren omgord met een kilt met puntige uitsteeksels, en twee brede leren banden liepen gekruist over zijn borst, met een dik gouden embleem in het midden.

Jim nam even de tijd om zich het beeld in te prenten. Toen keek hij om zich heen en bestudeerde de glazige blikken en openhangende monden van de gelovigen. Het was duidelijk dat ze ter voorbereiding op dit ritueel een roesmiddel toegediend hadden gekregen, dus probeerde hij hun schuifelende gang na te bootsen.

Ondanks zijn misselijkheid vermande Jim zich en sloot zich langzaam aan bij de mensen die het monster naderden. Net als zij droeg ook hij een dikke zwarte mantel, maar hij had de kap ervan opgetrokken om zijn gezicht te verbergen. De oorspronkelijke eigenaar van de mantel lag nu onder in een diep ravijn, op nog geen kwart mijl afstand.

Jim liep schuifelend, wat trager dan de mensen om hem heen, om achter aan de menigte te blijven en de mogelijkheid te houden om indien nodig gemakkelijk te kunnen wegglippen. Hij verstopte zijn handen in de mouwen van zijn mantel. In de ene hand hield hij een dolk met een snelwerkend vergif dat binnen enkele hartslagen verlamming veroorzaakte, en in de andere een toestel dat een meesterlijk ambachtsman in Krondor voor hem had gemaakt. Het was een bol die, als hij werd gebroken, tien tellen lang een verblindend licht zou uitstralen, waardoor Jim genoeg tijd had om te ontkomen. Het zou degenen die om hem heen stonden een tijdje uitschakelen, of in ieder geval de menselijke omstanders; hij wist niet zeker of iedereen die hier vanavond was, net zozeer mens was als hij.

Jim slikte moeizaam, bleef staan en dwong zichzelf te kijken naar de gedaante van het monster.

Belasco bief zijn handen weer. Jim zag meteen dat de magiër gekker was dan een kever in een grote trom. Zijn demonische projectie was het afschrikwekkendste wat Jim ooit had gezien, al lachte de magiër als een uitgelaten kind. Hij riep de gelovigen iets toe, maar Jim stond te ver weg om hem te verstaan en ving alleen de toon van zijn stem op.

Jim schuifelde naar rechts terwijl de volgelingen die voor hem liepen traag voorwaarts bleven gaan en samenkwamen op de binnenplaats van wat ooit een fort was. Ongeveer vijfhonderd gelovigen hadden zich er verzameld. Jim keek om zich heen; door een plotseling strak gevoel in zijn nek was hij ongerust over wie er misschien achter hem stond. Het was een gevoel dat hij had geërfd van zijn overgrootvader, iets wat de familie zijn 'narigheidsknobbel' noemde. En die begon nu vreselijk te jeuken.

Zoals hij al had vermoed, bewogen er gestalten tussen de rotsen die het vlakke middengedeelte van het oude verzamelterrein omringden. De brullende vuren rondom maakten wat daarachter lag moeilijk te zien, maar door niet recht in de vlammen te kijken bleef Jim alert op de kleine bewegingen waarmee degenen achter het licht zich verraadden.

De naam van dit oude Keshische fort was in de vergetelheid geraakt. De muren en torens waren grotendeels verdwenen, net zo verbrokkeld als het metselwerk waarop Belasco stond, en slechts één ondergrondse ingang op een paar honderd voet afstand leidde naar de tunnels en krochten eronder. Jim was niet van plan dat labyrint binnen te gaan.

In de tijd van zijn overgrootvader had het bouwwerk ter plaatse bekendgestaan als de Tombe der Hopelozen. Volgens de legende was daar een heel garnizoen achtergelaten om te sterven. Ooit bewaakte dit fort de ingang naar een laagte die de Vallei der Verlorenen werd genoemd.

Jim oriënteerde zich. Rechts van hem was een spleet in de rotsen die hem betrekkelijk snel toegang zou geven tot een pad naar het noorden: een verlaten karavaanroute die eindigde bij de Keshische havenstad Durbin. Aan de voet van die heuvels wachtten zes van de dodelijkste schurken die Jim had kunnen vinden. Vijf van hen waren halzensnijders die af en toe in Durbin voor hem werkten, en de zesde was Amed Dabu Asam, zijn meest vertrouwde agent in de omgeving van de Jal-Purwoestijn; de enige van wie hij erop aan kon dat die het nieuws naar Krondor zou terugbrengen als Jim niet voor zonsopgang terugkeerde.

Links van hem lag open terrein, en daarachter een ravijn met steile rotsen. Alleen de goden wisten wat er in de verlaten vallei beneden wachtte, dus als hij moest vluchten wist Jim zeker dat hij naar rechts zou zwenken.

Hij keek nog eens om zich heen, waarbij hij zijn best deed om eruit te zien als een gewone, toegewijde volgeling van de demon door de rituele bewegingen van de anderen te imiteren. Jim hoopte dat zijn heimelijke blikken in de richting van de boogschutters geen aandacht hadden getrokken. Hij voelde aan dat er snel andere dingen te gebeuren stonden, geen van alle goed.

Al meer dan een halfjaar zocht Jim naar de schuilplaats van de Dienaren van Dahun, een groep vogelvrijen die bij anderen bekendstond onder de naam Zwarthoeden. Na het bestuderen van de vele verslagen uit de tijd van zijn grootvader had hij besloten onderzoek te doen naar dit oude fort.

Ooit was deze plek de thuisbasis van een sekte van fanatieke huurmoordenaars die de Nachtraven werd genoemd, maar algemeen werd aangenomen dat het hier al meer dan een eeuw verlaten was. Kennelijk had iemand besloten dat aangezien niemand er aandacht aan besteedde, het tijd werd om het fort weer in gebruik te nemen.

Het lag dicht genoeg bij Krondor en de keizerlijke stad Durbin om voor die moorddadige rotzakken snel en gemakkelijk bereikbaar te zijn, maar toch zo afgelegen dat de kans op ontdekking klein was. Op weg hierheen was Jim twee keer bijna gedood, en nu telde hij de geleende tijd af die hem nog restte.

Hij dacht aan zijn voorvader, die hier zo goed als in zijn eentje tegenover een sekte van huurmoordenaars had gestaan. Jim had tien keer liever een fort vol huurmoordenaars gehad dan deze troep religieuze fanatici. De huurmoordenaars zouden je misschien vermoorden, maar dat zou in ieder geval snel gaan, terwijl deze krankzinnigen hem waarschijnlijk kalmpjes boven een vuurtje zouden roosteren en opeten.

Eindelijk was Jim dicht genoeg genaderd om Belasco's woorden te verstaan. *We zijn hier om bloed en leven aan onze meester te schenken!'

Als één man zong de verzamelde menigte: 'Heil Dahun!'

Jim zette instinctief een stap achteruit, keek eerst naar rechts en toen naar links. De ineengedoken gestalten op de rotsen rondom waren boogschutters. Hij schuifelde onopvallend opzij in de richting van het dichtstbijzijnde rotsblok, dat een heel verre twintig voet rechts van hem lag.

Na nog eens twee snelle stappen bereikte Jim de diepe schaduw onder een overhangende rotsrichel. Hij moest zich bukken, wat het lastig maakte zijn mantel uit te trekken, maar binnen enkele tellen was hij bijna onzichtbaar in het poeltje van verhullende duisternis. Hij reikte naar achteren en trok een dunne kap over zijn hoofd, die alleen zijn ogen vrijliet. De stof was matzwart met donkere metalen gespen. Hij greep zijn dolk en wachtte.

'Verheug je! Weet dat je offer onze meester dichter bij ons brengt!' brulde Belasco.

Nog voordat hij was uitgesproken, stonden de boogschutters die op de rotsen gehurkt zaten op en schoten hun pijlen af op de gelovigen. De meesten bleven stomverbaasd staan terwijl anderen naast hen neervielen. Het meest spookachtige aan dit alles vond Jim hun zwijgen. Het enige wat hij hier en daar hoorde, was een zucht of een zachte grom van pijn; niemand schreeuwde of gilde. De wind wierp stof omhoog en Jim zag alleen glimpen van hun gezichten, maar geen ervan vertoonde enige angst.

Ze bleven als schapen staan, rustig wachtend tot een pijl hen vond.

Jim had genoeg gezien. Hij sloop onder de rotsrichel door naar de achterkant, en vervolgens eromheen totdat hij zich achter de boogschutter bevond die op de richel stond. Hij moest tien voet open terrein oversteken om naar zijn volgende schuilplaats te komen, en hij aarzelde niet. Alle ogen waren gericht op de gelovigen die aan Belasco's voeten vielen, maar Jim wist dat ze weldra allemaal dood zouden zijn en dat de boogschutters dan naar overlevenden op zoek zouden gaan. Hij was vastbesloten om zo ver mogelijk weg te zijn als het zover was.

Jim bereikte de tweede schaduwplek en keek om zich heen. Toen hij niemand in de buurt zag, draafde hij over een volgende open ruimte en ging tussen twee grote rotsblokken door, die de ingang flankeerden van het wildspoor dat via een korte helling omlaag leidde naar de oude karavaanroute naar Durbin. Het spookachtige geluid van de woestijnwind wakkerde Jims onrust aan terwijl hij half rennend, half struikelend het pad afging. Op zijn bijna onbeheerste vlucht kegelde hij een in het zwart gehulde gestalte omver, die onder aan het pad had staan wachten. De twee mannen kwamen in een kluwen van armen en benen op de grond terecht, en Jim had de andere man al bijna aan het mes geregen voordat hij hem herkende.

'Amed!'

'Vrede, mijn vriend,' zei de Keshische agent terwijl hij overeind krabbelde.

Wat doe je hier?'

'Toen je niet terugkeerde leek het me beter om achter je aan te gaan, voor het geval je hulp nodig had.'

Jim wierp een blik omhoog. Wat ik nu vooral nodig heb, is hier zo snel mogelijk heel ver vandaan komen. Paarden?'

'Een stukje verderop,' antwoordde de spion. 'Ik vond het al roekeloos van je om te voet te gaan, dus heb ik een extra paard meegenomen.'

Jim knikte en volgde zijn metgezel. Hij had erop gestaan naar het oude fort te lopen, want alle gelovigen waren te voet en een ruiter zou zijn opgevallen. Plotseling dacht Jim dat hij beweging schuin achter en boven hen zag, en met een snelle ruk aan Ameds schouder liet hij de man naast hem knielen. Hij wees omhoog en knikte eenmaal.

Die knik werd beantwoord, en Amed wees naar boven.

De mannen hadden ervaring met hinderlagen en wisten bijna intuïtief wat de ander zou doen. Jim zou dezelfde weg teruggaan, terwijl zijn metgezel zou omlopen en de mogelijke bespieder van achteren naderen. Jim wachtte af of er iemand aankwam, en toen hij zeker wist dat Amed op zijn plaats stond, liep hij over het pad terug.

Toen hij weer boven kwam zag hij dat Amed op zijn knieën zat en in het maanlicht bezig was de grond te inspecteren. 'Ik weet het niet zeker,' zei de Keshische spion, 'maar ik denk dat degene die je volgde is omgekeerd toen jij afdaalde naar die karavaanweg. Wil je achter hem aan?'

'Nee,' zei Jim. 'Ik moet zo snel mogelijk verslag gaan uitbrengen.'

'Met magie?'

Jim glimlachte. Was het maar waar. Die toestellen worden alleen uitgeleend als het echt noodzakelijk is, en enkele van de oudere toestellen doen het sinds kort niet meer. Puc probeert ze wel te herstellen, maar het lijkt erop dat veel van de Tsuranese vakkennis verloren is gegaan.'

Amed haalde zijn schouders op. 'Ik weet weinig van de Tsurani. Ze komen bijna nooit zo ver naar het zuiden, en ik heb niet de wens om LaReu te bezoeken.'

'Het is niet bepaald een uitnodigende stad,' beaamde Jim. 'Laten we maar gaan.'

Terwijl ze naar de paarden liepen, werden ze nagekeken door een man die verborgen zat in diepe schaduwen. Hij wachtte tot ze een eind de karavaanweg op waren gelopen, draaide zich toen om en draafde geruisloos weg in de nacht. Toen hij op de open plek aankwam, die nu bezaaid lag met lijken, stond Belasco daar op hem te wachten.

'Het is gegaan zoals u had voorspeld, meester,' meldde de huurling.

De magiër glimlachte, maar er was geen spoortje vermaak op zijn gezicht te zien. 'Mooi. Laat Jim Dasher maar naar Krondor terugkeren met zijn verhaal over bloedvergieten en zwarte magie.'

'Meester?' vroeg de moordenaar. 'Ik begrijp het niet.'

'Dat verwacht ik ook niet van je,' reageerde Belasco, zittend op de berg puin waar hij daarstraks op had gestaan. Hij keek naar het bloedbad om hem heen. 'Soms moet je je tegenstanders laten zien waartoe je in staat bent.'

'Wederom begrijp ik het niet. Een les?'

'Ambitie?' vroeg Belasco, die met samengeknepen ogen naar de huurling keek. 'Ik weet niet of me dat wel bevalt.'

'Ik voeg mij naar uw wil,' zei de man, die zijn hoofd boog.

Waar kom je vandaan? Je praat vreemd.'

De huurling glimlachte breed en onthulde tanden die tot punten waren gevijld. 'Ik ben van de Shaskahan, meester.'

Belasco's gezicht klaarde op. 'Ah! De eilandkannibalen! Prachtig. Ja, ik zal je onderwijzen. Soms wil je dat je vijand denkt dat hij een voorsprong op je heeft. Andere keren niet. Deze keer wil ik dat ze zich concentreren op bloedige moordpartijen en zwarte magie, alsof ik een gewone doodsbezweerder ben, net als mijn broer.'

'Dit is om Dahun te dienen, meester?'

'Natuurlijk,' antwoordde Belasco, geërgerd door de vraag. 'Alleen niet zoals jij denkt.' Hij stond op. 'Haal de paarden,' beval hij. We rijden naar het zuiden!'

De huurlingen waren efficiënt. Van alle betaalde moordenaars die hij tot zijn beschikking had, was deze groep het gehoorzaamst en loyaalst. De fanatici hadden zo hun nut, maar ze waren te graag bereid te sterven voor hun 'god'. Op dit moment had Belasco mannen nodig die bereid waren te doden, maar dan wel zonder zelf te sterven.

'Uiteindelijk,' zei Belasco zacht, 'zullen Jim Dasher en zijn meesters besluiten dat het tijd wordt om onderzoek te doen naar de Vallei der Verlorenen. We zullen een volgende afleiding voor hen moeten voorbereiden als ze komen.'

Daarop sprong hij van de stapel puin af en haastte zich naar de huurling die zijn paard voor hem vasthield. Hij steeg op en keek om zich heen om zich ervan te vergewissen dat alles er zo uitzag als hij wenste. De vuren zouden nog uren blij ven branden, en de kooltjes zouden nog zeker een dag warm blijven. De rook en de stank van de dood bleven ongetwijfeld nog zeker een week op dit plateau hangen, maar daarna zouden de hete woestijnwind en de aasdieren alles tot stof en droge botten reduceren en uiteindelijk zouden zelfs het verkoolde hout en de knoken verdwijnen.

Hij maakte een armgebaar en leidde zijn mannen via het steile pad omlaag naar de Vallei der Verlorenen.

Sandrina, ridder-adamant van de Orde van het Schild van de Zwakken, wachtte bij de haven. Haar bevelen waren eenvoudig: wacht daar op een edele uit het Koninkrijk. Ze had geen idee wie het zou zijn, maar er was haar verteld dat hij haar wel zou herkennen. Ze wist niet of ze elkaar eerder hadden ontmoet of dat hij gewoon een beschrijving van haar had gekregen; er waren niet veel lange, blonde vrouwen in haar orde.

Een tweetal mannen naderde, stoffig van het reizen. Hun gezichten gingen verborgen achter de randen van hun keffiyehs, die hun neus en mond bedekten, wat niet ongebruikelijk was voor mannen die uit de Jal-Purwoestijn kwamen. Ondanks de drukkende hitte bleef Sandrina, gehuld in haar pantser en met haar schild op haar rug en haar strijdknots binnen handbereik, roerloos staan.

De langste van de twee mannen kwam voor haar tot stilstand en gaf haar een bundeltje perkamentvellen aan. Voor Creegan,' was alles wat hij zei voordat hij zich omdraaide en naar het uiteinde van de steiger liep, waar een schip uit het Koninkrijk wachtte.

Ze vroeg zich af wie die mysterieuze edele kon zijn, maar aangezien hij waarschijnlijk was vermomd als plaatselijke koopman wist ze dat ze beter geen nader onderzoek kon doen. Vader-bisschop Creegan verstrekte haar enkel de inlichtingen die ze nodig had om haar missies met succes af te ronden. Kennelijk hoefde ze in dit geval alleen maar te weten dat deze papieren in Krondor moesten aankomen.

Ze liep naar de stalhof, waar haar paard wachtte. Als die onbekende edele wilde dat zij zijn boodschap naar Krondor bracht, dan vertrok zijn schip dus naar een andere bestemming. Ze zette haar overpeinzingen van zich af, besteeg haar paard en zette het dier aan tot een lichte draf. Ze stopte bij een kraam in de stad. Ze zou proviand voor een week en enkele waterhuiden nodig hebben, want Durbin lag drie dagritten van de eerste oase vandaan en het Koninkrijkse stadje Nes was van daaraf nog eens vier dagen rijden.

Ze keek niet uit naar de taak die voor haar lag, maar ze was vastbesloten haar plicht te doen. Naast het gedroogde vlees en fruit en het geroosterde graan dat voor de komende week haar enige voedsel zou zijn, had ze ook voor een week paardenvoer nodig, want er zou voor haar rijdier onderweg niets te eten te vinden zijn.

Terwijl ze zich concentreerde op haar opdracht, vervaagde haar nieuwsgierigheid naar de onbekende Koninkrijkse edele.

Jim stond aan dek van de Koningszwaluw, een boodschapklipper die was opgetuigd als een kleine kustvaarder en die tijdelijk was omgedoopt tot de Bettina. De bemanning bestond uit de beste matrozen en zeelui die Jim bij admiraal Tolberts vloot had kunnen wegkapen, elk van hen ooit door Jim persoonlijk opgeleid. Het waren vijfenveertig van de taaiste, meest toegewijde en gevaarlijkste vechters die op de Bitterzee rondvoeren, en Jim was meer dan eens dankbaar geweest voor hun vaardigheid en loyaliteit.

Hij overpeinsde zijn toevallige ontmoeting met Sandrina. Dankzij zijn uitdossing als edele van het hof had ze hem niet herkend, maar ondanks een laag vuil en een stoppelbaard van drie dagen op zijn wangen had het risico bestaan dat ze hem zou identificeren als de Snaak die haar jaren geleden als slaaf had verkocht. Hij was blij dat hij een keffiyeh had gedragen, en opgelucht omdat hij niet was blootgesteld aan haar wraakzucht; het zou niet meevallen de rol te verklaren die hij had gespeeld in een periode van haar leven die ze waarschijnlijk het liefst zou vergeten. In plaats daarvan prees hij zich gelukkig dat hij nu was omringd door getrouwen van hemzelf en de Kroon, die zouden zorgen dat hij veilig op zijn bestemming aankwam.

Net als Amed behoorden deze bemanningsleden tot de weinigen aan wie Jim zijn leven zou toevertrouwen; ze zouden hem zelfs volgen naar de Lagere Hellen. En afgaande op waar hij de afgelopen maanden getuige van was geweest, was dat ook zeer waarschijnlijk hun reisdoel.

Het kleine schip liet de akelige onweersbui die hen zo lang was gevolgd eindelijk achter zich en koerstte oostwaarts naar de verre stad Krondor. De storm was in golven over hen heen gekomen, en ze hadden vier dagen achtereen slecht weer gehad. Jim negeerde het natte pak dat hij aan dek had opgelopen en wachtte tot ze dicht genoeg bij het eiland waren om te ontschepen.

In de verte, in het schemerlicht, zag hij het donkere, onheilspellende kasteel op de kliffen bij de enige toegankelijke baai van Tovenaarseiland. Die aanblik vervulde Jim met een naar voorgevoel, net als de eerste keer dat hij het had gezien. Hij wist uit ervaring dat dat gevoel werd opgeroepen door de subtiele magie van Puc, de Zwarte Tovenaar, en dat het zou overgaan als hij eenmaal binnen was. Hij merkte op dat het magische, kwaadaardig uitziende blauwe licht in de meest noordelijke toren ontbrak en was vervangen door een betrekkelijk vriendelijk ogende gele gloed, alsof er binnen slechts één groot vuur brandde.

Jim wachtte totdat kapitein Jenson, de schipper, het bevel gaf om de zeilen te reven en het anker te laten zakken voordat hij aangaf dat hij klaar was om aan land te gaan. Hij was nu eenvoudig en praktisch gekleed in een wollen tuniek en broek, een brede riem met een zwaard en een mes, hoge laarzen en een grote, slappe hoed; ondanks hun eenvoud allemaal van goede makelij. Hij stapte in de schuit toen die over de zijkant van het schip was neergelaten en sprong er al uit toen ze door de branding naar een ondiep gedeelte waren gestuwd. Hij was toch al tot op zijn huid doorweekt, dus leek het hem onnodig te wachten tot de mannen de boot aan land hadden getrokken.

Jim stond te popelen om met Puc en zijn adviseurs te praten, vooral met demonenmeester Amirantha, want hij wilde van zijn last af; de inlichtingen die hij had vergaard wilde hij zo snel mogelijk aan iemand anders overdragen. Hij moest Keshische spionnen vangen, concurrerende bendes uit de weg ruimen en terugkeren naar een hofleven dat hij veel te lang had verwaarloosd.

Hij waadde aan land en negeerde het water dat in zijn laarzen liep. De route vanaf het strand was kort en splitste zich al snel op. Links kronkelde het pad omhoog over een richel en vervolgens omlaag naar de vallei waar het uitgestrekte landgoed, Villa Beata, had gestaan. Nadat het een jaar eerder was uitgebrand stond het nu leeg, als herinnering aan de verdorvenheid van Belasco en zijn trawanten. Rechts lag het rotsige pad dat naar het zwarte kasteel leidde.

Hij sjokte het pad op en had nu spijt van zijn impulsieve sprong in de branding, want door het water waren zijn kousen in zijn laarzen verdraaid. Zelfs ondanks de regen had hij die de hele oversteek droog weten te houden, totdat hij in het water was gesprongen. Niet alleen zou hij nu flink moeten poetsen om zijn mooie leren laarzen te redden van de inwerking van het zeewater, maar hij zou ook een groot aantal blaren aan zijn ongeduld overhouden.

Toen hij de poort bereikte, vroeg hij zich met een gelaten zucht af of de bewoners van het zwarte kasteel misschien een zalfje voor zijn voeten hadden. Hij liep over een ophaalbrug die gammel oogde, maar die in feite goed onderhouden en stevig was.

Het kasteel zelf leek wel een theaterdecor, gemaakt van zwarte stenen, dooraderd met staalgrijs. Het was oorspronkelijk met behulp van magie gebouwd door Macros, de eerste Zwarte Tovenaar. Het enorme poorthuis leek wel een open muil, alsof iedereen die er binnenging zou worden verslonden. De verlaten binnenhof was overwoekerd met onkruid en lag vol stof, en de twee toegangsdeuren van het kasteel stonden open.

Jim wist, net als iedereen die hier woonde, dat de beslissing om van de villa naar deze naargeestige plek te verhuizen onderdeel was van een list. De bedoeling was om Belasco te laten denken dat de Zwarte Tovenaar en het Conclaaf der Schaduwen aangeslagen waren en naar het oude fort waren verdreven, waar ze bevend van angst op de volgende aanval wachtten.

De waarheid was veel ingewikkelder.

Terwijl hij het verlaten uitziende kasteel binnenging, overpeinsde Jim hoezeer zijn relatie tot deze mensen in het afgelopen jaar was gewijzigd. De betrekkingen tussen het Conclaaf der Schaduwen en de familie Jameson waren twintig jaar lang moeizaam geweest. Jims overgrootvader, de legendarische Robbie de Hand en later hertog Robert van Krondor, was getrouwd geweest met Pucs pleegdochter Gamina. Ze waren verre verwanten, maar gaandeweg waren ze van elkaar vervreemd.

Jim liep door de verlaten grote zaal, voor de enorme open haard langs. In voorbije tijden hadden er in dit soort kastelen honderden leden van adellijke families gewoond, samen met hun bedienden en gezinnen, en op heel koude avonden verzamelden ze zich dan in de kasteelzaal. Hij bleef even staan en bekeek de details die Macros de Zwarte had aangebracht bij het bouwen van dit kasteel. Iedereen die deze bijna-ruïne verkende, zou aannemen dat het gebouw eeuwen ouder was dan in feite het geval was.

Op de trap naar de enige toren waarvan hij wist dat die bewoond was, vroeg hij zich af hoe zijn overgrootvader de huidige situatie zou hebben beoordeeld. Na alle geruchten over diens karakter vermoedde Jim dat hij er zowel geërgerd als geamuseerd over zou zijn geweest.

Puc had de prins van Krondor, later koning Patrick, destijds beschaamd, zijn trouw aan het Koninkrijk der Eilanden afgeworpen en het Koninkrijk zo goed als uitgedaagd om haar aanspraken op het eilandhertogdom Sterrewerf in het Dromendal te laten gelden.

Jim wist dat er ook onmin was geweest met degenen die destijds uit naam van Puc Sterrewerf bestuurden. Wat de werkelijke aanleiding ook was, Puc had zich vervolgens met zijn familie en bedienden teruggetrokken op dit eiland. Hij had ook het Conclaaf der Schaduwen opgericht, de geheime organisatie die, ondanks Jims aanvankelijke wens om er niets mee te maken te hebben, een groot deel van zijn leven was gaan uitmaken.

Toen Jim op de overloop boven aankwam, bleef hij even staan en dacht na over zijn verslag. Hij had heel belangrijke inlichtingen bij zich, maar hij stond op het punt een gewichtige keus te maken.

De relatie tussen de familie Jameson en het Conclaaf kwam op gespannen voet te staan toen Jims grootvader door het hof van de koning werd verheven tot de rang van hertog van Rillanon. Tijdens zijn grootvaders bewind in de hoofdstad - en daaruit voortvloeiend in het Koninkrijk zelf - was er af en toe belangenverstrengeling opgetreden tussen het Conclaaf en het Koninkrijk. James van Rillanon was echter net als zijn grootvader standvastig trouw gebleven aan het Koninkrijk der Eilanden.

Jim overpeinsde dat het misschien voor zijn overgrootvader eenvoudiger was geweest, want destijds waren de doelstellingen van de tovenaars van Sterrewerf en het Koninkrijk min of meer in harmonie met elkaar. Jim vroeg zich af of Robbie de Hand deze situatie net zo zou hebben bezien als hijzelf.

Jims vader William Jameson en zijn oom Dasher waren allebei gesneuveld in de grensoorlogen met Kesh toen Jim nog klein was, en zijn oudoom Dashei had geen levende zoons meer gehad. Toen hij twintig jaar oud was, was Jim Dasher Jameson de enig overgebleven erfgenaam van de familie, en zowel zijn grootvader als zijn oudoom had hem willen inlijven.

Hij dacht liever niet aan de list die zijn familieleden hadden gebruikt om hem zover te krijgen de leiding te nemen over alle criminele activiteiten langs de kust van de Bitterzee en de inlichtingendiensten van het Koninkrijk. Hij had gemerkt dat hij voor allebei aanleg had, en hij had de criminele activiteiten ten dienste gesteld van het Koninkrijk, maar dat had het nog niet gemakkelijker gemaakt om twee petten tegelijk te dragen.

En nu stond hij op het punt om als volledig toegewijd agent van het Conclaaf nóg meer verantwoording te krijgen. Hij duwde de deur naar de gemeenschappelijke ruimte van de toren open en twijfelde eraan of hij hier wel goed aan deed.

Binnen zaten twee jonge vrouwen te breien, terwijl een derde een open haard in de tegenoverliggende muur van extra hout voorzag. Drie mannen zaten dicht bij het vuur en spraken op gedempte toon met elkaar.

Een jonge magiër herkende hem en riep: 'Jim Dasher, welkom!'

Jim knikte begroetend. 'Jason.' Hij keek om zich heen. Waar is iedereen?'

'Overal en nergens,' zei Jason, die zijn lange blonde haar van zijn voorhoofd streek. 'Puc heeft veel van de jonge leerlingen naar huis of naar Sterrewerf gestuurd, en de rest is naar een veilige plek gebracht. Enkelen van ons zijn gebleven om te waken voor problemen en om boodschappen over te brengen. Wat kan ik voor je doen?'

'Ik moet Puc spreken,' antwoordde Jim, die geen moeite deed om zijn ongeduld te verbergen. Hij hield een matgouden bol omhoog. 'Deze werkt niet meer. Ik heb een snel schip vanuit Durbin moeten nemen om hier te komen.'

De magiër pakte de bol aan. 'De Tsuranese transportbollen... We hebben al jaren geen nieuwe meer gekregen.' Hij keek ernaar en sprak op spijtige toon: 'Ik vrees dat de meeste ambachtslieden die ze maakten zijn omgekomen op Kelewan. De paar die het hebben overleefd...' Hij haalde zijn schouders op. 'De meeste bollen die we hebben zijn tientallen jaren oud, mijn vriend,' zei Jason zacht.

Jim wist dat de weinige Tsuranimagiërs die nog in leven waren nu samen met de rest van hun volk probeerden een bestaan op te bouwen op hun nieuwe thuiswereld, of misschien een teruggetrokken leven leidden in LaReu. En zonder zoveel woorden had Jason geïmpliceerd dat als het Conclaaf toegang had tot nieuwere toestellen, Jim er de beschikking over zou hebben gekregen.

Jim voelde zich een dwaas. 'Ja, je hebt natuurlijk gelijk. Kan ik Puc nu spreken?'

'Puc is er niet,' zei Jason.

Waar is hij dan?'

De toon van de jonge magiër was verontschuldigend terwijl hij een blik op zijn metgezellen wierp. 'Dat weten we niet. We hebben hem al bijna een maand niet gezien.'

'Dan moet ik Magnus spreken,' zei Jim.

'Die is er ook niet,' antwoordde Jason. 'Kom bij het vuur zitten en rust even uit. We kunnen ze bereiken, maar het kan wat tijd kosten.'

'En bedoel je met "wat tijd" uren of dagen?' vroeg Jim, die zijn leren handschoenen uittrok en naar een kruk bij het vuur liep.

Jason haalde zijn schouders op, en Jim voelde zijn frustratie weer opkomen. Hij wist dat zijn bemanning zou wachten tot hij een boodschap stuurde of terugkeerde, dus voelde hij weinig behoefte om weg te lopen bij het warme vuur. Omdat hij niets beters te doen had, ging hij met zijn rug tegen de koude stenen zitten, trok zijn laarzen uit en probeerde te bedenken waar de twee magiërs konden zijn.