13. Oude geschiedenis

Puc stak zijn handen op.

De andere aanwezigen in de kamer zwegen toen hij begon: "We hebben drie onderwerpen te bespreken. Wat de elfenbroers ons hebben gebracht, is belangrijk en verdient nader onderzoek.' Hij knikte naar de twee aanzienlijk schonere magiegebruikers van de taredhel. 'En het ondersteunt ook onze recente observaties van veranderingen in het gedrag van het demonenleger.

Het boek dat Amirantha heeft gevonden,' vervolgde hij, wijzend naar een dik boek dat voor hem op tafel lag, 'wordt nog bestudeerd en kan ons mogelijk veel meer inzicht geven in de aard en doelstelling van onze vijand.'

Hij zweeg even. 'Maar wat het belangrijkst is, wat onze eerste aandacht behoeft, is de informatie die we hebben gekregen van heer James en Sandrina.' Hij knikte naar Jim Dasher, die in de hoek was blijven staan, en toen naar de sergeant-adamant, die aan de andere kant van Magnus aan tafel zat, rechts van zijn vader.

'Dit bouwwerk in Kesh, in de Vallei der Verlorenen, is iets wat ik persoonlijk wil gaan onderzoeken. De aard en het doel ervan moeten binnen een paar dagen worden achterhaald.

Kendra, de dwerg die is meegekomen met Sandrina, heeft ons maar een deel kunnen uideggen van wat daar gebeurt. Hij was jager, herder en strijder, en hij is daar als schildwacht aangesteld met een eigen te bewaken gedeelte. De smeden, bouwkundigen en mijnbouwers onder zijn volk zijn ontvoerd om de indringers te helpen bij de bouw.'

Vanuit diep in een beschaduwde hoek zei een stem: 'Het is een valstrik.'

Allen aan tafel draaiden zich om. Heer James stapte het licht in en vervolgde: *We hadden het veel te gemakkelijk bij het volgen van dat spoor van slachting. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik geloof dat het ze niet kon schelen dat ze werden gezien, of dat ze dat zelfs juist wilden.'

Sandrina bekeek de manier waarop hij bewoog; dit kon best eens de Koninkrijkse agent zijn die zich had vermomd als een man uit de Jal-Purwoestijn en haar de boodschap voor Creegan had overhandigd. Er was iets aan hem dat haar op haar hoede deed zijn, maar ze kon er niet geheel de vinger op leggen. Het was onwaarschijnlijk dat ze hem van vroeger kende, want ze had heel weinig contact met de adel, en ze zou het zich vast hebben herinnerd als ze hem al eerder had ontmoet.

Volgens Sandrina's verslag wordt het bewaakt,' zei Puc.

Sandrina's aandacht werd weer teruggetrokken naar de onderhavige kwestie, en ze zei: 'Heer James kan best eens gelijk hebben. Ik had weinig moeite om dichtbij te komen, en alleen door mijn vermoeidheid en onvoorzichtigheid stuitte Kendra op me. Als ik dat magische amulet niet had verwijderd dat hem onder controle hield, had ik hem moeten doden. Hij is sterk en een kundig strijder, maar ze voeden hun gevangenen niet goed en geven ze niet voldoende rust, en dus was hij zwak.

Ze voeren daar iets uit op immense schaal, Puc, als lokmiddel voor een valstrik.' Ze vertelde nog eens wat ze had gezien, voor degenen die er niet bij waren toen ze eerder die week verslag had uitgebracht aan Puc.

Gulamendis nam het woord. 'Ik weet niet of het een valstrik is, maar het is beslist iets wat Amirantha en ik niet kunnen verenigen met wat we over demonisch gedrag weten. Het getuigt van te veel geduld. Dat bouwwerk dat Sandrina beschrijft is al minstens een jaar in aanbouw, of eerder twee, gezien de hoeveelheid stenen in de muren en het aantal arbeiders dat wordt ingezet. Onze eigen geomanciërs zouden het in een vijfde van die tijd kunnen bouwen. Sandrina, heb jij enig teken gezien dat ergens magiërs aan het werk waren?'

'Nee,' antwoordde ze. 'Drie van de vier gebogen torens waren voltooid, en de vierde was half klaar. Ze sleepten stenen naar boven met behulp van een gigantische takel boven op een reeks enorme houten platformen. De arbeiders zagen eruit alsof ze ieder moment konden omvallen van uitputting.'

Puc zei: 'Jim, ik begrijp je neiging tot voorzichtigheid, en ik zweer je dat mijn eigen ervaring met demonen me de neiging geeft intuïtief hetzelfde te doen, maar deze gebeurtenissen staan duidelijk onder beheer van demonen, en dus moeten we ernaartoe en ze een halt toeroepen.'

'Mag ik voorstellen dat we nog één keer gaan verkennen voordat je een aanval lanceert? Ik kan voor voldoende afleiding zorgen zodat het Keshische hof geen aandacht besteedt aan een leger van tienduizend huurlingen, maar het zou beter zijn als we niet gedwongen waren die allemaal te vernietigen en Kesh te moeten informeren dat er een helse invasie plaatsvindt op hun soevereine grondgebied en dat er een demonenleger recht op hen afkomt.'

'Dan zorgen we ervoor dat dat niet gebeurt,' zei Puc. 'Ik ga met Magnus mee om die plek te bekijken.' Hij keek naar Amirantha en Gulamendis. 'Het zou heel nuttig zijn als jullie met ons meegingen.'

TSIatuurlijk,' antwoordde Amirantha, en na een moment van overweging knikte Gulamendis ook.

We zullen ook bericht moeten sturen naar onze Regent,' zei Laromendis. Hij leek niet blij met het vooruitzicht, en het leek Puc beter om hem daar later onder vier ogen naar te vragen.

'Gezien het tijdstip vertrekken we na het avondmaal,' zei Puc. 'Sandrina,' vervolgde hij tegen de sergeant-adamant, 'ga jij met ons mee?'

Amirantha wist amper zijn verbazing over dat verzoek te verbergen, maar hij zei niets.

'Zeker. Als ik er op een of andere manier achter kan komen wat er met ridder-adamant Jaliel is gebeurd, dan grijp ik die kans met beide handen aan.'

'Onze eerste verantwoordelijkheid zal zijn om de situatie verder te evalueren.' Tegen de anderen in de kamer zei Puc: 'Ga door met jullie werk, maar blijf alert.' Hij wenkte een jonge magiër. 'Stuur een boodschap naar heer Kaspar en vraag hem of hij zich ook bij ons aansluit. Zeg maar dat we hem weer terug in het paleis hebben voordat iemand merkt dat hij weg is. Dank je.'

De magiër knikte en vertrok.

'Laten we nu uiteengaan; we laten het jullie weten als we klaar zijn met onze verkenning.'

Sandrina stond snel op van tafel, omdat ze wat afstand wilde scheppen tussen zichzelf en Amirantha. Ze kon het nog wel verdragen om bij hem in de buurt te zijn opdat ze haar plicht kon doen, maar ze zou zijn gezelschap liever ontlopen als ze de keus had. Bovendien was ze geïntrigeerd door de Koninkrijkse edele die in de hoek van de kamer stond, en ze besloot dat hij een geldig excuus was om bij de zwarte magiër weg te komen. Ze zou nog wel gedwongen zijn met Amirantha te overleggen over demonenoverlevering en, belangrijker nog, hoe de demonen te vernietigen.

Ze haalde Jim bij de deur in en zei: 'Pardon, meneer, maar hebben wij elkaar al eens ontmoet?'

Met een flauwe glimlach knikte hij. 'In de haven van Durbin. Ik was de agent die je het pakketje gaf.'

'Ach, ja,' zei ze. 'Maar ik dacht aan nog een andere gelegenheid. In Durbin kon ik uw gezicht niet zien, alleen uw ogen...' Ze tuurde een beetje. 'Er was iets met uw ogen.'

'Nou, dan zal ik me formeel voorstellen: ik ben James, hofbaron in Krondor, assistent van de prins, dienaar van Zijne Majesteit de Koning, en' - hij dempte zijn stem - 'lid van het Conclaaf der Schaduwen.'

Ze keek om zich heen. 'Het lijkt erop dat ik dat ook ben.'

'Ik heb gehoord dat Creegan zijn hielen heeft gelicht om Grootmeester van jullie orde te worden.' Hij wenkte haar met zich mee. De vergaderkamer lag in de kelder van het kasteel tegenover de proviandkast en de keuken, en hij leidde haar de trap op naar de grote zaal van het hoofdgebouw. Hier waren tafels neergezet, en er brandde een groot vuur om de dertig belangrijkste leden van het Conclaaf te voeden. 'Loop even mee naar buiten,' stelde Jim voor.

'Ik kan wel wat frisse lucht gebruiken,' zei Sandrina instemmend.

Ze stapten het hoofdgebouw uit en zagen dat het plein grotendeels verlaten was. Wat voor activiteiten het Conclaaf ook uitvoerde, ze waren er heel goed in die te verhullen, vanwege de mogelijkheid dat ze in de gaten werden gehouden.

'Jij en Amirantha?' Hij keek haar in de ogen. 'Is er iets gaande tussen jullie?'

'Dat is persoonlijk.'

Jim haalde langzaam diep adem en wendde zijn blik af. 'Ik wilde dit gesprek eigenlijk morgen met je hebben; ik heb het al besproken met Creegan en Puc. Maar het kan nu ook wel.'

Ze ving een glimp op van zijn profiel terwijl hij naar de hemel staarde, en om een of andere reden merkte ze dat ze haar spieren spande en dat haar hand naar haar knots ging. Plotseling greep hij haar pols en drukte met zijn duim op een zenuw, waardoor haar arm even verlamd raakte. Ze draaide zich instinctief bij hem weg en rukte zich los, maar de schade was al aangericht. Ze kon haar knots niet fatsoenlijk vastgrijpen met haar rechterhand. Ze verplaatste het wapen naar haar linkerhand.

'Waarom deed u dat?' wilde ze weten terwijl ze in een verdedigende houding ging staan.

'Je training,' zei hij, en hij stapte achteruit. 'Ik wilde niet het risico nemen dat je me de hersens in zou slaan voordat ik de kans had om je een paar dingen uit te leggen.'

'Zoals?' vroeg ze.

'Laten we beginnen met het eerste probleem tussen ons, hoewel dat het minst belangrijk is. Je probeert je al een tijdje te herinneren waar we elkaar eerder hebben gezien, toch?'

'Ja,' zei ze, nog steeds op haar hoede. Het gevoel begon weer terug te keren in haar rechterhand, en ze gooide haar knots handig van links naar rechts.

'Ik heb je ooit verkocht aan de Keshiërs.'

Haar ogen werden groot. 'Jij bent Snelle Jim!'

'Jimmyhand, Jim Dasher, ja.'

Hij zag wel dat ze al haar zelfbeheersing nodig had om niet meteen naar hem uit te halen. Langzaam hing ze haar knots weer aan haar riem. 'Ik dood je later wel, als het moet,' zei ze zachtjes, en het was bijna een waarschuwende sis. 'Waarom? Vertel nou niet dat het onderdeel was van een of ander groots plan dat jij en Creegan voor me hadden. Ik was hoer.'

'Creegan had er niks mee te maken. Hij wist niet eens dat je bestond,' zei Jim, die zijn armen over elkaar sloeg. 'En het had op dat moment ook niks te maken met het Conclaaf, althans niet rechtstreeks. Ik wilde je in bed hebben bij die koopman, en we waren van plan na een maand contact met je op te nemen om je vrij te kopen als je een tijdje voor ons wilde werken.'

'Vrij...?' Ze zweeg even en overpeinsde wat hij had gezegd. 'Je wilde dat ik hem bespioneerde!'

'Ja. Hij had goede contacten met leden van de Keshische inlichtingendienst, maar hij had ook omgang met de onderwereld in Kesh. Die man was smokkelaar en handelaar. 'Jim legde zijn rechterhand op zijn borst en vervolgde: 'Ik ben ook de Oprechte Man van Krondor, en ik wilde mijn concurrentie in Kesh uitschakelen.

Je kwam nooit in Kesh aan en ging in plaats daarvan bij de Orde van het Schild van de Zwakken, maar ik vond andere manieren om mijn doel te bereiken.' Hij keek haar met samengeknepen ogen aan. Ze had een geschokte uitdrukking op haar gezicht. Weet je wat dat betekent?'

'De Oprechte Man...' Ze betastte even haar knots. 'Het betekent dat ik dit eiland niet levend verlaat als ik niet met iets instem.'

Hij grijnsde. 'Creegan zei dat de Godin grotere plannen met je had, en ik zal daar niet tegen ingaan. Je bent veel te intelligent om weg te kwijnen in het bed van een of andere Keshische heer of gewoon met pensioen te gaan met het goud dat we je zouden hebben betaald. Nee, jij bent voorbestemd voor grootse dingen, Sandrina.' Hij haalde een opgevouwen vel perkament achter zijn riem vandaan en gaf het aan haar.

Sandrina pakte het aan en zag het zegel van haar orde in de dikke was gedrukt staan. Ze verbrak het zegel en vouwde de boodschap open. Ze las hem twee keer voordat ze zachtjes zei: 'Dat meent hij toch niet?'

Jim moest lachen om haar reactie. 'Hij had al voorspeld dat je dat zou zeggen. Hij kent je goed, Sandrina. Of moet ik zeggen, moeder-bisschop Sandrina.'

'Ik, de leiding over de orde in het Westen?'

'Die heb je al. Zoals je ongetwijfeld beseft, heeft het Conclaaf niet veel agenten binnen de verschillende tempels gerekruteerd. In sommige tempels hebben we er niet één: Sung, Astalon en Lims-Kragma zijn daarvan de lastigste. Het komt door hun absolutistische manier van denken, vermoed ik. Ik ben een heel praktisch man, en zelfs ik voel me wel eens verscheurd door mijn loyaliteit aan zowel het Koninkrijk als aan het Conclaaf.'

'Waarom sluit je dan een compromis?' vroeg ze.

'Ik hou van mijn vaderland, maar Puc probeert de wereld te redden. Het zal lastig worden te argumenteren voor de belangen van het Koninkrijk als de hele planeet door demonen is veroverd.'

Ze haalde diep adem. 'En als ik geen moeder-bisschop wil zijn?'

'Nou, je zou hier heus wel levend wegkomen. Maar dan word je wakker op een strand ergens bij Nes, met een levendige herinnering aan je boot die omsloeg in ruw weer en dat je nooit op Tovenaarseiland bent aangekomen. Je zult besluiten dat in plaats van het opnieuw te proberen, je beter kunt terugkeren naar Krondor om daar hulp te zoeken. Daarna ga je verder als sergeant-adamant van je orde en wacht je tot Creegan een nieuwe bisschop stuurt om de zaken in het westen te behartigen, en dan...' Hij haalde zijn schouders op. 'Dan vindt Creegan wel een ander.'

'Een ander?'

'Je bent niet het enige begaafde jonge lid van de orde, Sandrina. Jij was toevallig op het juiste moment op de juiste plek en, nou, je hebt heel veel talent. Amirantha is bijna lyrisch over hoe jij demonen uitschakelt.' Jim kneep zijn ogen samen alsof hij haar schattend opnam. 'Je bent altijd een van de mooiste vrouwen geweest die ik ooit heb gezien; er was een reden dat jij de hoogste prijs ving in het bordeel. Je hebt de kern van die schoonheid vastgehouden ondanks je zware training en de kilo's spieren die je hebt opgebouwd, maar ik zal je wel vertellen: hij ziet meer in je dan de meeste andere mannen.'

Haar gezicht betrok. 'Dat laat hij dan op een fijne manier blijken.'

'Ah,' zei Jim met een enkele hoofdknik. 'Nu begrijp ik het; hij ziet meer in je dan hij toegeeft. Goed dan, dat is tussen jou en Amirantha. Nou, neem je die positie aan of niet?'

Ze keek nog een keer naar de opgevouwen boodschap. 'Natuurlijk neem ik hem aan. Als ik het niet doe, kan ik nooit meer naar Jaliel zoeken.'

Zonder nog een woord te zeggen, draaide ze zich om en liep terug naar het hoofdgebouw. Jim bleef buiten staan en genoot nog even van de koele bries van de oceaan en de betrekkelijke rust. Hij wist dat er na vandaag geen rust meer zou zijn. Hij haalde diep adem en schudde zijn hoofd over hoe alles had uitgepakt, en grinnikte om hoe goed Creegan zijn protégé kende. Toen liep hij langzaam terug naar het kasteel, proberend te genieten van de frisse lucht voordat hij zich weer in de intriges en dodelijke behoeften van het Conclaaf stortte.

'Waarom kunnen jullie niet mee?' vroeg Puc.

'Mijn broer en ik staan niet bepaald in hoog aanzien bij mijn volk,' antwoordde Laromendis. Hij ging achteroverzitten in een van de twee stoelen voor Pucs schrijftafel. In de andere had zijn broer moeten zitten, maar Gulamendis was elders om samen met Amirantha een boek over demonenoverlevering te bestuderen. 'Om dat te begrijpen, moet je iets van onze geschiedenis weten.'

'Ik weet er een beetje van,' zei Puc, 'van Tomas.'

Laromendis knikte. 'Ja, zijn herinneringen van de Valheru, de Drakenheersers...' Het voorhoofd van de elf plooide zich in een bezorgde frons. 'Er zijn vele dingen die ik nog steeds niet begrijp, en dat wonder is er één van, maar wat hij zich herinnert is alleen wat één wezen heeft gezien. Het is niet het enige perspectief.'

Puc gaf aan dat de elf moest doorgaan.

'Ik zal je het lange verhaal over onze ontberingen besparen en alleen maar zeggen dat op het hoogtepunt van onze macht de taredhel groter waren dan de elfen die op Midkemia wonen zich kunnen voorstellen. We waren heersers over werelden, Puc.

Maar die verandering in onze aard had een prijs: arrogantie. Weinig leden van mijn ras zouden zoiets als dit toegeven, maar toen ik enige tijd op deze wereld doorbracht om te verkennen, ontmoette ik...' Hij haalde diep adem. 'Voordat ik terugkeerde naar Andcardia met nieuws dat ik Midkemia had gevonden, heb ik een geestelijke van jouw ras gedood. Ik nam hem gevangen, en toen ik alle nuttige informatie had gekregen die hij had, heb ik me simpelweg van hem ontdaan om ervoor te zorgen dat niemand zou weten dat ik hier was geweest. Reizigers die te dicht bij E'bar kwamen, zijn ook vermoord. Ik weet dat de Regent opdracht heeft gegeven voor plundertochten naar boerderijen en dorpen in de Vrijsteden, en dat hij de verdenking in de schoenen heeft geschoven van onze neven, de moredhel.'

'Dat is verontrustend nieuws,' zei Puc. 'Waarom vertel je me dit als je weet dat het me minder geneigd zal maken je volk te helpen?'

'Omdat er bij de taredhel lieden zijn die het niet eens zijn met deze aanpak. Voordat ik werd geboren waren alle mystieke zaken - die waarmee hier de priesters, magiërs en genezers zich bezighouden - onafhankelijk van het gezag.

Je vriend Tomas is getrouwd met de vrouw die wij beschouwen als onze ononderbroken band met onze wortels, de elfen die primair verantwoordelijk waren voor het kweken en verzorgen van de heilige bomen, die wij de Sterren noemen. Maar de echte macht van ons volk lag bij de Raad van de Regent en de Kring van Licht.

Toen ons volk voor het eerst op de demonen stuitte, vaardigde de Raad van de Regent een wet uit dat alle leden van de Kring van Licht zich moesten onderwerpen aan de regels van de Raad. Anders moesten ze de gevolgen onder ogen zien, namelijk gevangenisstraf of de dood, waarbij dat laatste het meest gebruikelijk was.'

'Waarom?'

'Macht. Pure, simpele macht. Vanuit de traditie is het de Regent verboden de titel van koning aan te nemen, omdat er onder de taredhel altijd enige hoop is blijven bestaan dat we op een dag hier zouden terugkeren en onze wereld weer zouden opeisen.' Laromendis zuchtte en schudde langzaam zijn hoofd, alsof hij spijt had. We hadden nooit een plek zoals deze verwacht. We dachten dat we een wereld zouden aantreffen die verwoest was, of misschien in een primitieve toestand, of misschien zelfs alleen bewoond door andere elfen, waar we gemakkelijk onze rechtmatige plek als overheersers konden innemen.

We stelden ons zelfs een wereld voor waar de Valheru nog waren, en we waren erop voorbereid tegen hen te strijden voor onze vrijheid. We zijn geëvolueerd. Je hebt de andere elfen op deze wereld gezien, Puc, en je weet dat wij groter, sterker, sneller en meedogenlozer zijn. Onze magie overstijgt die van de Machtswevers van Elvandar.

Kortom, de Regent wil geen bondgenoten; hij wil onderdanen. En hij zal bepaald niet luisteren naar wat ik over dat onderwerp te zeggen heb.'

Was jij lid van de Kring?'

'Amper. Mijn broer en ik zijn jong vergeleken met de anderen in de Kring. Ik ben minder dan tien jaar lid geweest, en Gulamendis helemaal niet; demonenmeesters staan niet in hoog aanzien, zelfs niet onder de meest ruimdenkende leden van ons volk.'

'Amirantha had datzelfde aanzien,' reageerde Puc. 'Of ik moet eigenlijk gebrek aan aanzien zeggen.'

'Hij is de eerste mens voor wie mijn broer enige genegenheid heeft opgevat,' zei Laromendis. 'Dat is heel bijzonder. Zoals ik al zei, we zijn een arrogant volk.' Hij zuchtte. 'Ik ben niet bijzonder dol op je ras, Puc, maar ik kijk niet op jullie neer. Als ik mijn tekortkoming moet opbiechten, dan is het dat ik me eigenlijk met niemand echt verwant voel, behalve met mijn broer. Misschien komt het door onze opvoeding, maar ik voel ongeveer hetzelfde ten opzichte van de andere elfenrassen op Midkemia.

Om echter terug te komen op het oorspronkelijke onderwerp, ik denk dat iedereen die je aanwijst om met de Regent te gaan praten het lastig zal krijgen.' Hij kneep zijn ogen samen. 'De enige die ik kan bedenken die hem mogelijk zal kunnen overtuigen om zijn standpunt ten aanzien van bondgenootschappen te verzachten, is heer Tomas.'

Waarom hij?' vroeg Puc geïntrigeerd.

'De Regent eert de koningin, maar hij respecteert haar niet. De eledhel worden gezien als onbeschaafd, simpel, zonder de verfijning van de eldar. De andere eldar, degenen die geen taredhel zijn geworden, worden met nog meer wantrouwen bezien.' Hij gaf een lichte ruk met zijn hoofd, en Puc wist dat hij bedoelde dat de moredhel, glamredhel en anderen niet eens de moeite van het bespreken waard waren. 'Maar de Regent kan zich niet helemaal onttrekken aan ons erfgoed. Hij vreest heer Tomas. Hoezeer hij hem en de koningin ook zou willen afzetten en zichzelf zou willen uitroepen tot koning over alle edhel, hij durft niet te overwegen wat de consequenties zouden zijn als hij het probeerde. Je hoeft Tomas niet in zijn pantser op de rug van een draak te zien om te weten dat hij Valheru is.' Laromendis knikte langzaam. 'Ja, laat heer Tomas met de Regent spreken, en misschien komt er dan iets goeds uit voort.'

Puc zweeg een tijdje, en toen zei hij: 'Dank je, Laromendis. Zowel voor de suggestie als je openhartigheid. De waarheid is dat de paar leden van je volk die ik heb ontmoet, naast jou en je broer, inderdaad precies zo op me overkomen als jij hebt beschreven.'

'Ik heb nog een naam voor je,' zei Laromendis, die opstond omdat hij wist dat het gesprek ten einde liep. Tandarae, de pas aangestelde sagenmeester. Hij begrijpt dat er machtige wezens op deze wereld zijn en dat het beter is om ze te vriend te houden dan te proberen ze te onderwerpen. Als we met een miljoen taredhel waren, dan vrees ik dat de oorlog al begonnen zou zijn, maar we hebben misschien tienduizend leden die zich nu vasthouden aan het erfgoed van de Sterren. Het is zowel een droevige tijd als een tijd voor kansen, Puc. Tandarae; hou die naam in gedachten als je ooit aanleiding hebt om te spreken met iemand in de Raad van de Regent. Je zult het discreet moeten aanpakken, maar hem moet je hebben.'

Puc knikte. 'Ik zal het onthouden. Dank je.'

Laromendis vertrok, en Puc zuchtte. Hij had veel te doen, maar het leek erop dat een snel bezoekje aan Elvandar nu boven aan zijn lijst stond.

Amirantha stond versteld van de inzichten en het observatievermogen van de elf. Gulamendis had razendsnel alles verwerkt wat Amirantha had afgeleid uit het boek dat ze uit Queg hadden gestolen. Hij had conclusies getrokken uit het materiaal waardoor Amirantha ging twijfelen aan zijn eigen intelligentie; ze waren zo duidelijk toen hij er eenmaal op was gewezen. De elf was af en toe een beetje arrogant, maar hij was voornamelijk respectvol ten opzichte van het werk dat Amirantha had gedaan en had hem meer dan eens een compliment gegeven over een bepaald inzicht. Amirantha zag zich voor de keus gesteld: zich in toenemende mate ergeren aan de houding van de elf, of hem accepteren zoals hij was. Hij koos voor dat laatste, want hij was gedwongen toe te geven dat hij en de demonenmeester bijzonder veel gemeen hadden.

Hij liet Gulamendis alleen achter om even pauze te nemen van het werk, want de zwarte magiër had alles gegeven wat hij te geven had en was het lezen, discussiëren en peinzen moe. Hij wilde even naar buiten, de frisse lucht in, weg van de zorgen en de problemen.

Dat gevoel van vrijheid verdween even later toen hij Sandrina's stem hoorde. Amirantha! Ik moet je even spreken.'

Toen hij zich omdraaide en haar zag naderen, vielen hem twee dingen tegelijkertijd op: het eerste was dat ze hem nog altijd de adem benam, ondanks haar krijgslustige uiterlijk. Hij wist maar al te goed hoe ze eruitzag zonder pantser, tuniek en broek. Het tweede was dat hij wist dat dit gesprek niet slechts even zou duren. Hij herkende die gezichtsuitdrukking.

Besluitend dat het tijd was om weinig te zeggen en gewoon te luisteren, antwoordde hij: 'Natuurlijk, Sandrina. Wat is er?’

Ze bleef staan, peilde zijn gezicht en houding, overwoog wat ze moest zeggen en gooide het er toen plompverloren uit: 'Ik ben benoemd tot moeder-bisschop van de orde in het westen.'

Hij neigde glimlachend zijn hoofd. 'Gefeliciteerd. Ongetwijfeld verdiend, en ik weet zeker dat je zult uitblinken in je nieuwe functie.'

Ze knipperde met haar ogen, wat aangaf dat ze van alles van hem had verwacht, maar niet dit. Toen haalde ze ineens uit en sloeg hem in zijn gezicht, waardoor hij op de grond belandde.

Amirantha bleef even verbaasd zitten, toen legde hij zijn hand tegen zijn gloeiende rechterwang. 'Ik wou dat je daar eens mee ophield,' zei hij uiteindelijk.

Met ogen die fonkelden van emotie beet ze hem toe: "Wees maar blij dat je nodig bent, want anders zou ik er geen moeite mee hebben je te vermoorden!' Daarmee draaide ze zich om en beende weg, terug naar het kasteel.

Onderweg kwam ze Brandos tegen, die één blik op Sandrina's vastberaden passen wierp en toen nog een op Amirantha die op de grond zat, en breed begon te grijnzen. Hij liep naar zijn oude vriend toe en hielp hem overeind. 'Je kunt maar beter iets doen om dat meisje te helpen over je heen te komen, anders vermoordt ze je nog.'

'Heb jij ideeën?' vroeg Amirantha, die met zijn kaak wiebelde en zijn gewrichten hoorde knakken.

'Zorg dat jij haar als eerste vermoordt, of trouw met haar. Dat zijn de enige twee opties die me te binnen schieten.'

'Trouwen? Ze huwt nog liever met een demon. Daar komt nog bij dat ze net is bevorderd tot moeder-bisschop.'

'Geen wonder dat ze zo nukkig is,' merkte Brandos op. 'Nou, dan zal trouwen wel uitgesloten zijn. Behalve als je denkt dat het tempelleven wel wat voor jou is?'

Amirantha wierp hem een blik toe waar verse bloemen van zouden verwelken. 'Kwam je ergens voor?'

'Ja. Puc wilde dat ik je ging halen. Gulamendis schijnt iets in dat boek te hebben gevonden dat jullie hebben gestolen... ik bedoel opgehaald uit Queg.'

Amirantha zette zijn ergernis en verwarring over Sandrina van zich af en volgde zijn vriend. Brandos liep naar de ingang van de toren en zei: 'Laat het me weten als het iets interessants is.'

'Het is hier bepaald niet saai de laatste tijd,' zei Amirantha voordat hij snel de trap op liep.

Toen hij bij Pucs werkkamer aankwam, klopte hij aan en hoorde hij Puc zeggen: 'Binnen.'

Amirantha liep naar binnen en zag dat de magiër achter zijn tafel zat, met Gulamendis in een stoel tegenover hem. 'Je had me laten roepen?'

'Ja,' zei Puc. 'Gulamendis heeft een paar van de passages geïnterpreteerd waar jij moeite mee had, en als hij gelijk heeft, hebben we een heel andere situatie bij de hand dan we hadden verwacht.'

'O ja?' vroeg de zwarte magiër, die in de stoel naast die van de elf ging zitten.

'Ja,' zei Puc. 'Ik zal hem zelf laten uitleggen hoe hij tot die conclusies is gekomen, maar in het kort lijkt het erop dat de dingen in het demonenrijk niet zo gaan als wij dachten.'

'Ik dacht dat we ervan uitgingen dat Belasco onze demonen had opgeruid toen Villa Beata werd aangevallen.'

Puc verstrakte bij de verwijzing naar de vernietiging van zijn huis, waarbij hij zijn vrouw had verloren.

'Het spijt me,' zei Amirantha zacht. "Wat is er veranderd?'

Gulamendis gaf antwoord: 'Ik wil dit in detail met je bespreken, Amirantha, maar als ik niet ben misleid, dan zijn mijn broer en ik getuige geweest van een veldslag in een heel akelige burgeroorlog in het demonenrijk.'

'Burgeroorlog?'

We weten dat Maarg dood is, maar iemand houdt de schijn op dat hij nog leeft, dat hij nog steeds aan de macht is. Dat is niet zo. Puc heeft zijn karkas gezien op de wereld Shila, en de demonenkoning die we op Telesan zagen was een illusie. Zelfs als zijn levensenergie was teruggekeerd naar het demonenrijk, dan zou het enige tijd hebben geduurd voordat hij weer zou kunnen opstijgen naar de macht, als het al ooit mogelijk was.

Dan blijven we zitten met twee vragen: wie doet er alsof hij Maarg is, en waarom?'

'Drie,' zei Amirantha. Tegen wie vechten ze?'

'Vier,' amendeerde Puc. Wat heeft dit te maken met Midkemia?'

De drie mannen gingen peinzend achteroverzitten, zich ervan bewust dat voor elke vraag die ze hadden beantwoord sinds het demonenleger Midkemia bedreigde, ze nu twee nieuwe vragen hadden.