Sandrina gebaarde.
De twee ridder-adamanten hielden hun paarden in. Ze had broeder Farson gerekruteerd toen ze zich voorbereidde op haar vertrek uit Krondor, op het moment dat hij net in de stad aankwam. Broeder Jaliel was ze onderweg in Durbin tegengekomen. Haar nieuwe rang gaf hun geen andere keus dan hun plannen te wijzigen en met haar mee te gaan.
Ze gaf aan dat de twee mannen moesten wachten terwijl zij rustig haar paard aanspoorde. Sandrina had hen naar een vervallen woestijnfort geleid, eeuwen eerder verlaten door het Keizerrijk Groot Kesh. Er was nu bijna niets meer dat nog op een vesting leek: een paar grote stenen die ooit deel hadden uitgemaakt van een muur; de eenzame fundering van een poort, half begraven in het stof; een trap die omlaag leidde naar een labyrint van tunnels en opslagruimtes. Er was boven de grond zo weinig van over dat je er op korte afstand langs kon rijden zonder te zien dat het Keizerrijk deze pas ooit de moeite van het verdedigen waard had gevonden.
Sandrina had haar twee ridders tot op heden alleen verteld wat zij vond dat ze moesten weten. Gebruikmakend van de documenten die Creegan voor haar had achtergelaten, had ze een oude handelsroute vanuit Durbin gevolgd, zuidwaarts naar de Jal-Pur en vervolgens in zuidwestelijke richting naar de berguitlopers. Die zouden uiteindelijk in het westen oprijzen naar de Trollenbergen, maar hier vormden ze alleen een landschap van tafellanden en heuvels. Wat de oorspronkelijke naam van dit ooit zo trotse fort ook was, het stond nu bij het woestijnvolk bekend als de Tombe der Hopelozen. Ten zuiden ervan lag een vallei met een nog minder verlokkelijke naam: de Vallei der Verlorenen.
Voordat ze uit Krondor was vertrokken, had Sandrina alle kaarten van dit gebied bestudeerd die de orde had, en op niet één daarvan was het fort of de vallei aangetekend. Ze wist zeker dat Creegan haar het verslag had laten lezen omdat hij wilde dat ze er iets mee deed, en ze was er even zeker van dat hij van haar verwachtte dat ze zou doen wat ze nu deed: de zaak in eigen hand nemen. Er was behalve haar niemand in Krondor die het kon doen. Ze wist dat Creegan betrekkingen had met Puc en de anderen op Tovenaarseiland, maar bij zijn haastige vertrek naar Rillanon om het hoofd van de orde te worden was hij vergeten haar te vertellen hoe ze contact met hem kon opnemen. Ze vermoedde dat er nog meer Koninkrijkse agenten van het Conclaaf waren, zoals de man die haar in Durbin het verslag had overhandigd, maar ze had geen idee hoe ze die kon identificeren of hen kon bereiken.
Ze dacht aan de jongeman die haar in Ithra was komen ophalen toen ze bijna was gesneuveld tijdens haar eerste ontmoeting met de agenten van het demonenleger; Zane heette hij, maar ze wist niet waar hij zat. Ze was gefrustreerd omdat Creegan deze last op haar schouders alleen had gelegd, maar ze zette die zorgen van zich af en richtte zich op het heden. Farson en Jaliel waren betrouwbaar, maar ze stonden geen van beiden op Creegans lijst, dus waren er dingen die Sandrina niet met hen kon delen. Ze wisten alleen wat ze moesten weten voor een speciale missie op verzoek van de vader-bisschop, en dat geheimhouding van het grootste belang was.
Bij zonsopgang hadden ze de stad verlaten om oostwaarts de woestijn in te rijden, en toen waren ze naar het zuiden afgebogen en in een bocht naar het oude karavaan- spoor gereden. Sandrina wist niet of de Keizerlijke Keshische Inlichtingendienst hen volgde, maar ze was er wel van overtuigd dat die organisatie wist dat haar groepje was vertrokken. Als ze over een paar dagen niet bij de gebruikelijke oase verschenen, stuurden de Keshiërs misschien iemand om de drie ridders op te sporen, maar Sandrina hoopte dat ze tegen die tijd met haar werk klaar was en alweer op weg terug naar Krondor zou zijn.
De zon ging al bijna onder toen ze het oude fort bereikten. Het verslag over de slachting die hier had plaatsgevonden was weken eerder geschreven, maar het tafereel dat Sadrina nu voor zich zag was niet minder afschrikwekkend. De lijken waren skeletten geworden, het vlees verslonden door aaseters, de droge hitte en het stuivende zand. Maar er was nog genoeg peesweefsel overgebleven, en enkele skeletten hingen nog aan provisorische galgen rondom de open plek. De stapels as bevatten de verwrongen gestalten van de mensen die levend waren verbrand, en overal door de ruïne verspreid lagen botten doorzeefd met pijlen. Er waren hier honderden mensen afgeslacht.
'Jullie kunnen komen!' riep Sandrina.
De twee andere ridders reden het oude fort in en Jaliel riep uit: 'Godin! Wat is dit voor slachting?'
Farson keek Sandrina aan. 'Als ik het zeggen mag, sergeant, dit is wat ongebruikelijker dan een normale missie, geheim of niet. Mogen we weten wat hier gaande is?'
'Ik zal jullie vertellen wat ik weet,' zei ze. 'Er is een heel gevaarlijke, zeer boosaardige man genaamd Belasco, die samenspant met duistere machten. Zijn volgelingen hebben dit gedaan.' Ze besloot niet te vertellen dat de meeste menselijke resten toebehoorden aan fanatici die bereidwillig hun dood tegemoet waren gegaan. Het was een detail dat deze twee niet hoefden te weten om hun werk te doen.
'Sergeant,' zei Farson, 'wat is hier gebeurd?'
'Ik heb er maar een vaag idee van, maar het lijkt erop dat dit het werk is van een cultus van doodsaanbidders die hier is opgedoken.'
De twee ridders wisselden een blik, en Sandrina wist precies wat ze dachten. Een doodscultus zou het probleem moeten zijn van de volgelingen van Lims-Kragma of misschien zelfs die van Sung de Witte, en eigenlijk niet van de dienaren van Dala.
'Vader-bisschop Creegan is bang dat ze misschien plaatselijke dorpelingen ontvoeren voor hun offers,' zei Sandrina. Dat was niet helemaal een leugen, want ze kon zich voorstellen dat Creegan zich daar inderdaad zorgen over maakte, maar daar liet ze het bij.
Het Conclaaf der Schaduwen had een bondgenootschap gesloten met de belangrijkste man in de krijgsorde van de volgelingen van Dala, misschien omdat Puc zich tot niemand anders kon wenden. Er waren beslist niet veel andere lieden die zoveel ervaring hadden met demonen als Sandrina; ze had er meer dan genoeg vernietigd.
'Hebben jullie amuletten bij je?' vroeg ze.
"Waartegen, sergeant?' vroeg Jaliel.
'Doodsbezwering, demonen, en wat jullie verder nog kunnen bedenken.'
Beide ridders klopten op hun riembuidel, waarin ze hun amuletten bij zich droegen.
'Mooi,' zei ze. 'Er valt niet te voorspellen wat we daar beneden zullen vinden.'
Waar beneden?' vroeg Farson.
Ze wees naar het zuiden. 'Daar beneden, in de Vallei der Verlorenen.' Farsons gezichtsuitdrukking gaf aan hoe weinig dat idee hem aanstond, maar hij zei niets. We rusten hier vannacht, en dan gaan we bij zonsopgang naar beneden.'
De mannen kluisterden zonder verder protest hun paarden en zadelden ze af. Sandrina pakte een zak graan en haalde het zadel van haar paard. De ridders borstelden de dieren en Sandrina vulde voederzakken en hing die bij alle drie de paarden voor. Ze wisten dat ze binnen twee dagen moesten beginnen aan de terugreis, anders hadden ze niet genoeg voer voor de dieren. Er was tussen hun huidige locatie en Durbin geen gras of ander voedsel voor de paarden te vinden, alleen maar droge tafellanden, met doornstruiken begroeide heuvels, en af en toe wat dorre woestijnplanten die na een zeldzame regenbui kortstondig bloeiden maar verder bleven sluimeren. Het was amper te geloven dat dit gebied ooit verdediging nodig had gehad.
Er was één overduidelijk mysterie dat Creegan niet had genoemd, en het ontbreken daarvan in het verslag had Sandrina verbaasd: waarom had Kesh hier in vroeger tijden eigenlijk een fort neergezet? De Trollenbergen waren, zoals de naam al aangaf, het thuis van wezens die je beter kon vermijden. Bergtrollen waren slimmer dan hun neven van het laagland, die weinig meer waren dan dieren, maar de woestijn bood al een effectieve barrière tegen die schepsels. Als de karavaanroute oorspronkelijk alleen langs deze plek had gevoerd, dan zou het misschien begrijpelijker zijn geweest, maar voor zover ze uit alle oude kaarten die ze voor vertrek uit Krondor had bestudeerd had kunnen afleiden, eindigde de route in de vallei beneden.
Ze overpeinsde wat daar beneden kon zijn; als het een oude goudmijn of een andere bron van rijkdom was, dan was het logischer dat de route naar het oosten zou lopen, naar de stad Nar Ayab, en dan verder naar de hoofdstad van Kesh. Ze concludeerde dat wat er ook over deze route was vervoerd, men van Durbin naar deze plek was gereisd. Misschien, speculeerde ze, was dit een eindpunt in plaats van het beginpunt, en was het spoor een snelle aanvoerroute vanaf de dichtstbijzijnde Keshische stad. Dat zou erop wijzen dat dit fort uitsluitend was gebouwd om wat er dan ook in die vallei zat, in die vallei te houden.
Ze was klaar met het verzorgen van de paarden en pakte haar eigen rantsoenen. 'Koud kamp,' zei ze tegen haar metgezellen. Het waren allebei ervaren ridders en een nacht zonder vuur was niets nieuws voor hen. Ze begrepen dat de kans groot was dat iets of iemand daarbuiten hen in de gaten hield.
Ze aten in stilte, en na de maaltijd zei Sandrina: 'Jaliel, jij neemt de eerste wacht, Farson de laatste.' Ze knikten allebei, maar in stilte waren ze dankbaar, want als leider nam zij de minst gunstige wacht. Ze ging liggen, met haar zadel als kussen, en dankzij jaren van gewoonte viel ze binnen de kortste keren in slaap.
De ochtend was warm en droog, geen verrassing, maar er stak al vroeg een wind op. Die wind was zowel een zegen als een vloek; hij zou zoveel stof opwerpen dat ze ongezien bleven als er verborgen wachtposten langs het pad naar de Vallei der Verlorenen stonden, maar als het stof te dicht werd, liepen Sandrina en haar metgezellen het risico het spoor bijster te raken en mogelijk zelfs een veel snellere foute naar de rotsen beneden te volgen.
Sandrina verhief haar stem om zich verstaanbaar te maken boven het suizen van de opstekende wind uit. 'Hoeveel demonen hebben jullie ontmoet?'
Twee, sergeant,' antwoordde Farson.
'Zeven, sergeant,' zei Jaliel.
'Jaliel, jij gaat achterop, voor het geval we van achteren worden aangevallen.' Tegen Farson zei ze: 'Doe niets tot ik het je zeg. Demonen kunnen soms heel sluw zijn.'
Hij knikte. Beide ridders wisten dat ze gelijk had; ze had niet gevraagd hoeveel demonen ze hadden gedood, want als ze degene die ze waren tegengekomen niet hadden verslagen, dan zouden ze nu niet meer in leven zijn. Sandrina besefte dat Jaliel er twee meer had verslagen dan zij, maar die laatste was buitengewoon akelig geweest en zonder de hulp van Amirantha... Ze schold zichzelf in stilte uit toen ze plotseling allerlei gevoelens kreeg. Hij was een ellendeling, een charmeur zonder inhoud, en zijn woorden waren niets dan gesuikerde leugens. Maar hij wist meer over demonen dan ieder ander die ze ooit had ontmoet, en op dit moment zou ze haar verlangen om hem te wurgen opzij zetten in ruil voor zijn vermogen om die monsters in het gareel te krijgen.
'Pak een staart,' droeg ze hun op.
Farson kwam dichter bij haar rijden, naderend vanaf de zijkant en oppassend voor een onverwachte trap van het paard, en greep de staart van het strijdros vast. De merrie snoof, maar ze had dit eerder meegemaakt. Jaliel deed hetzelfde bij Farsons paard, en de drie begonnen aan een langzame afdaling vanaf het plateau naar de Vallei der Verlorenen. Door deze formatie zorgden ze ervoor dat geen van hen afdwaalde en dat misstappen zo veel mogelijk werden beperkt.
De wind blies verblindende stofwolken naar hen toe. Kleine steentjes, stengels van planten, gedroogde insectenomhulsels en een poederig gruis dat op krijt of as leek bedekten hun huid en maakten hun haar stug. Twee maal stuitten ze op grote rotspunten waar ze achter konden schuilen toen de wind toenam en zelfs de goed geoefende strijdrossen over de grond krabden, hinnikten en snoven vanwege het geraas. Sandrina klopte geruststellend op de neus van haar paard, maar ze was amper in staat wie dan ook gerust te stellen, zelfs haar paard niet. De impuls die haar had aangezet om deze missie te ondernemen leek nu een ongelooflijk dom idee. Maar telkens als die twijfel de kop opstak, kwam ze tot dezelfde conclusie. Er was gewoon niemand anders, behalve zij, Creegan en twee andere ridders van wie ze niet wist waar die waren, die actie kon ondernemen op wat de mysterieuze Koninkrijkse agent had gemeld, en zij was de enige van hen die in de positie was om te helpen.
Doodsbezweringen en demonen gingen meestal niet samen. Demonen schepten er te veel genoegen in de levenden te verslinden en lieten nooit genoeg bruikbare resten over waarmee een doodsbezweerder zijn kunsten kon verrichten. Demonen verslonden altijd alles wat ze doodden, en snel ook. Maar uit haar studies wist Sandrina dat er een heleboel energie werd gebruikt in de duistere kunsten, zij het dan zwart en kwaadaardig, en doodsbezwering was een van de krachtigste vormen. Misschien gebruikte iemand doodsmagie om demonen te besturen? Ze ging niet op die gedachte door. Ze wist echt niet of het mogelijk was of wat het betekende, en weer wenste ze dat ze vijf minuten met Amirantha kon praten, voordat ze hem zou wurgen. Ze begon zich evenzeer te ergeren aan zichzelf als aan die zwarte magiër. Wat een moment om nu weer aan die klootzak te gaan denken!
De windrichting veranderde en toen werd het rustiger, maar Sandrina wist dat de woestijnwind op deze hete tafellanden onvoorspelbaar was. Voorlopig echter, in de relatieve windstilte, vrij van het ergste prikkende zand, zouden ze problemen eerder zien aankomen.
Ze gebaarde de anderen naar voren en ging het pad af. De wind kwam in vlagen en wervelingen, maar het pad omlaag was duidelijk genoeg te zien. Het was min of meer gelijk aan het pad dat ze had gevolgd vanuit Durbin naar het fort: het was oud, geërodeerd door de wind en af en toe een overstroming, en het werd zelden gebruikt. Maar als de wind ging liggen zag ze nu en dan sporen van recent verkeer. Een groot aantal paarden en wagens was hierlangs gekomen, en aan de hoefsporen te zien waren ze de vallei in gegaan, niet eruit.
Sandrina vroeg zich af wie hier achter zat en wat diegene van plan was. Durbin was een rattennest aan de Bitterzee, waar de gouverneur enorme winsten maakte door de andere kant op te kijken terwijl smokkelaars hun sluikgoederen in of uit het Keizerrijk smokkelden. Het was inherent aan het gedrag van Keshiërs, en hoe vaak het Keizerrijk ook probeerde de smokkel een halt toe te roepen, de mengeling van hebzucht en kansen, en de grote afstand van die naargeestige stad tot de hoofdstad stak altijd weer de kop op. Maar toch, het aantal wagens en mannen dat hier recent langs was gekomen, was zelfs volgens de normen van Durbin groot.
Sandrina schatte dat er minstens honderd dode mensen lagen te rotten in het oude fort, misschien meer, en zoveel beweging door de woestijn had aandacht moeten trekken. Wie er ook achter dit incident zat, hij had voorkomen dat de keizerlijke wachters het hadden gemeld, wat betekende dat de gouverneur of een andere hooggeplaatste ambtenaar een oogje toe had geknepen omdat hij was omgekocht of uit angst... of allebei.
Terwijl ze afdaalden over het kronkelige pad, door lange haarspeldbochten die zich langzaam de berg af slingerden, ging de wind opeens liggen. Het leek wel alsof een gordijn van stuivend zand en stof plotseling opzij werd getrokken.
Wat is dat?' vroeg Farson.
'Goeie vraag,' zei Sandrina toen Jaliel naar voren kwam en zijn paard inhield.
'Goede Godin!' riep hij uit.
Er werd een enorm gebouw neergezet in het verre hart van de vallei. Aan de omtrekken ervan was te zien dat het een soort grote versterkingsmuur om iets heen was, maar van deze afstand konden ze geen bijzonderheden zien. Er werden vier torens gebouwd, waarvan de ene verder voltooid was dan de andere, en het was duidelijk dat ze een boog zouden vormen en elkaar zouden raken boven het midden van... wat het dan ook was.
'Ik ben geen bouwkundige,' zei Farson, 'maar mijn pa heeft belegeringsmachines gebouwd voor de koning, dus ik weet er wel wat van. Die torens...' — hij wees — 'dat kan niet, wat ze willen doen. Ze kunnen niet bij elkaar komen.'
Zachtjes zei Sandrina: 'Ik zou het ze maar niet vertellen.'
"Wie?' vroeg Jaliel.
Wie dat monsterlijke ding dan ook bouwt.'
'Ik heb het gevoel dat we dekking zouden moeten zoeken,' zei Farson.
Sandrina keek om zich heen. 'Dat zou ik graag doen, als jij me wijst waar we het kunnen vinden.'
Ze stonden op een onbeschutte helling. Als er wachtposten op de muur van dat vreemde gebouw stonden, dan waren de drie op het pad nog te ver weg om te zien, maar als ze op wacht stonden onder aan dit lange pad, of nog dichterbij, dan zouden ze zichtbaar zijn als iemand hun kant op keek.
Sandrina wees naar een laagte ongeveer tien meter verder langs het pad. 'Dat is een stroombedding als het hier regent,' 2ei ze. Ze ging het pad af en leidde het paard voorzichtig over de losse stenen en door struiken omlaag, bij elke pas bedacht op de verraderlijke ondergrond. De anderen volgden haar. Toen ze in de greppel aankwam, zag ze dat die snel dieper werd.
Onderaan bracht ze haar paard tot stilstand. "We laten de paarden hier en gaan vanavond zo dichtbij mogelijk om de boel in ogenschouw te nemen.'
'De paarden achterlaten, sergeant?' vroeg Farson.
'Er is geen dekking langs het pad, en die lui beneden kunnen gewoon afwachten tot we binnen bereik zijn en ons doorzeven met pijlen, als doelen op een schietbaan.' Ze keek omhoog. We hebben drie haarspeldbochten boven ons, en nog vijf of zes verder naar beneden.' Ze keek de twee ridders aan. 'Farson, ik wil dat jij de paarden weer naar boven leidt.' Ze wees naar een plek recht boven hun schuilplaats. Wacht daarboven. Zadel ze af, borstel ze, geef ze water en wacht tot zonsondergang. Zadel ze dan weer en zorg dat je klaar bent om snel te vertrekken.' Ze voelde aan dat hij bezwaar wilde maken, maar ze was hem voor. 'Jij hebt de belangrijkste taak. Als we bij zonsopgang morgen niet terug zijn, ga je ervan uit dat we dood zijn. Dan ga je terug naar Durbin en neem je de snelste route naar Krondor, per schip als het kan, of ruil je de drie paarden in voor verse rijdieren en ga je naar de tempel.'
Ze besefte dat er maar één man in de tempel op de lijst van Creegan stond. 'Meld je bij broeder Willoby, in vader- bisschop Creegans werkkamer. Vertel hem wat we hebben gevonden. Hij weet wel wat hij moet doen.'
Wat hebben we dan gevonden, sergeant?' vroeg Farson. Hij wees min of meer in de richting van het verre bouwwerk. 'Ik weet niet of ik dat kan beschrijven, laat staan kan vertellen waar het voor dient.'
'Het is een invasiepunt,' zei Sandrina. 'Voel je ze niet?'
"Wie?' vroeg Jaliel, met zijn donkere wenkbrauwen gefronst van concentratie of bezorgdheid.
'Demonen,' antwoordde Sandrina. 'Het barst ervan, als ik op mijn kippenvel kan afgaan.'
'Sergeant, ik ben wel een beetje ongerust, maar... ik voel het gewoon niet,' zei Farson.
'Ik ook niet,' sloot Jaliel zich bij hem aan.
Sandrina keek hen allebei even aan, maar toen richtte ze haar aandacht weer op de onderhavige taak. 'Je hebt je bevelen,' zei ze tegen Farson, en hij knikte. Hij draaide de paarden langzaam bij; ze wist dat hij er zich niet op verheugde te moeten zorgen dat de drie rijdieren het pad weer op gingen.
Ze keek behoedzaam rond om te bepalen of ze waren gezien, terwijl Farson de teugels van haar paard vastbond aan de zadelring van het rijdier van Jaliel en vervolgens aan zijn eigen paard. Tot morgen, sergeant, Jaliel,' zei hij voordat hij de paarden door de ondiepe greppel omhoog leidde en de lange klim naar de top van de richel begon.
'En nu?' vroeg Jaliel zachtjes.
"We wachten,' antwoordde ze, kijkend naar de hemel. "We kunnen nu beter uitrusten. Probeer maar te slapen. Ik hou de wacht.'
De meer ervaren man van de twee ridders die ze had gerekruteerd knikte en had geen verdere aansporing nodig. Het was pas ochtend, en ze hadden een lange dag van wachten in het vooruitzicht, maar jaren van leven in de wildernis had hem geleerd zijn rust te nemen wanneer het kon.
Aan haar eigen gedachten overgelaten, klom Sandrina op een rotsblok zodat ze haar arm daarop kon leggen en vervolgens met haar kin op haar arm kon steunen om het gebouw in de verte te bekijken. Flikkerende bewegingen boden kwellende glimpen op iets wat daar gaande was, maar ze kon geen nuttige bijzonderheden ontwaren. Ze zou er genoegen mee moeten nemen te wachten tot het donker werd, wat nog zeker negen uur duurde, en dan omlaag sluipen om dichterbij te gaan kijken. Ze richtte een gebedje tot de Godin dat ze niet ontdekt werden, want ze maakte zich geen illusies dat ze te voet naar de top van die lange helling zouden kunnen vluchten als ze op de hielen werden gezeten. Zich verstoppen was hun enige hoop.
Dus maakte ze het zich gemakkelijk, zei haar gebeden en wachtte terwijl de zon langs de hemel kroop, waarbij ze erg haar best deed om gedachten aan Amirantha uit haar hoofd te zetten.
Het duurde lang voordat de avond viel, maar toen de zon onder was gingen Sandrina en Jaliel behoedzaam langs de helling omlaag. Het afnemende licht frustreerde Sandrina: ook al kwam ze dichter bij het gebouw, nu zag ze nog minder details. De Kleine Maan was de enige die zo vroeg in de avond opkwam, en de kleinste van Midkemia's drie manen gaf maar weinig licht. De Middenmaan zou pas even voor zonsopgang te zien zijn, en de Grote Maan zou na zonsopgang opkomen. Maar omdat ze vooral ongezien moesten blijven, zou ze liever nu dichterbij gaan dan te proberen de demonen te naderen bij Driemaanslicht.
Sandrina zag wel dat er een lage toren, van twee verdiepingen hoog, was gebouwd nabij de toegang tot het pad. Als ze eerder die dag naar beneden waren gegaan, dan zouden ze zijn gezien door de schildwacht daar. Sandrina gebruikte amper zichtbare handgebaren om Jaliel te laten weten dat ze het pad nog verder moesten afdalen.
De greppel waar ze doorheen slopen, gaf toegang tot een bassin van honderd meter doorsnee voordat hij overging in een droge rivierbedding die langs de voet van de heuvels kronkelde. Er moest hier in voorbije tijden een vrij brede rivier hebben gestroomd, hoewel Sandrina zich dit gebied moeilijk als weelderig kon voorstellen, of met genoeg regen om een beekje te vullen, laat staan een rivier. Maar het bewijs van watererosie was onder haar voeten te zien en onttrok haar momenteel aan het zicht, terwijl zij en de andere ridder langs de zuidelijke rand van het bassin slopen.
Beide ridders waren ervaren in de strijd en voorbereid op problemen, maar ze wisten ook dat dit een verkenningsmissie was en dat ze niet uit waren op een gevecht. Iets zo groots, op een plek zo ver van de beschaving en het gezag vandaan, kon alleen maar het werk zijn van krachten die vijandig stonden ten opzichte van dat gezag, waardoor het ook een punt van zorg was voor de tempel. En de stank van demonen was hier zo sterk dat Sandrina wist dat die zorg dringend was.
Ze bleef even staan en bekeek de muren. Grote branders hingen aan kettingen, bevestigd aan driepoten die op gelijke onderlinge afstanden op de kantelen stonden. Het was inderdaad een fort, maar het leek niet op andere forten die Sandrina ooit had gezien of waar ze over had gehoord.
"Wat is dit?' fluisterde Jaliel.
'Iets slechts,' antwoordde Sandrina. We moeten ons opsplitsen. Ga jij die kant op.' Ze wees naar het zuidelijke uiteinde van het bassin en bewoog haar hand om aan te geven dat hij een koers parallel aan de muren moest aanhouden. Het gebouw leek rond van vorm, maar ze zou er dichterbij moeten komen en had meer licht nodig om er zeker van te zijn. De bocht in de muur waar ze naar keken, duidde erop dat het een enorme cirkel van steen was, met een reusachtige poort in het midden.
Ze pakte hem bij de arm en fluisterde: 'Ga nu, en kom hier om middernacht terug. Als ik er niet ben, probeer dan terug naar boven te komen. Als Farson al naar Durbin is vertrokken, ga dan naar de oase bij Laamatatal en wacht tot een karavaan je veilig terug kan brengen naar de beschaving. Als je hem nog treft, vertel dan wat je hebt gezien en ga met hem mee naar Krondor.'
'Ja, sergeant,' antwoordde hij. 'En jij?'
'Ik ga langs de andere kant, en dan ga ik mijn uiterste best doen om weer boven aan het pad te komen voordat Farson ervandoor gaat met mijn paard.'
Hij grinnikte. 'De Godin zij met je, zuster.'
'En met jou, broeder,' antwoordde ze.
Hij vertrok meteen, en hij bewoog zich verbazingwekkend geruisloos voor een man met een pantser aan en een schild op zijn rug gebonden. Sandrina wachtte even, omdat ze niet te veel beweging op één plek wilde veroorzaken, en toen hij uit het zicht verdwenen was klom ze tegen de zijkant van het bassin omhoog naar het vlakke terrein erboven. Ze dook ineen, hoewel dat niet eenvoudig ging met haar schild op haar rug en haar strijdknots in haar rechterhand. Ze kwam bij een bosje struiken tussen de rand van het bassin en de wachttoren. Ze bad tot de Godin dat degene die daarboven gestationeerd was alleen uitkeek naar beweging op de weg, en niet achter hem.
Zo nu en dan draaide ze zich om en keek naar de verre muur van het fort in een poging meer details te zien, zoals wie er op de muur stonden en wat ze deden, maar het was nog steeds te ver weg.
Ze kwam bij een rotspunt aan en knielde erachter, waarna ze langzaam omhoog kwam om het wachthuis te bekijken. Toen liet ze zich met een bons zakken, omdat ze haar ogen amper geloofde. Er stond daar een elf op wacht, en naar zijn lengte te oordelen dacht ze dat dit een van de pas aangekomen Sterrenelfen was.
Ze ging met haar rug tegen de rots zitten en snapte er niets van. Ze voelde de aanwezigheid van grote aantallen demonen, maar er stond een elf op wacht. Gezien hun reputatie dat ze konden zien bij weinig licht, hadden zij en Jaliel heel veel geluk gehad dat ze onbespied door die greppel waren gekomen. Als ze op het bochtige pad waren gebleven, zelfs 's nachts, dan zou de elf hen zeker al van een halve mijl afstand hebben opgemerkt.
Nu wist ze dat ze dichter bij het gebouw moest zien te komen om te kijken of ze iets begreep van wat daar gaande was. Ze wachtte tot ze zag dat de elf zich omdraaide om naar het pad naar boven te kijken, en toen haastte ze zich over wat aanvoelde als een enorme open ruimte, zo geruisloos mogelijk, tot ze weer rotsen tegenkwam waar ze zich achter kon verstoppen. Met ingehouden adem, zodat ze het zou horen als er alarm werd geslagen, wachtte ze. Alleen de verre geluiden van werk in het fort verbraken de stilte van de woestijnnacht. Waar was de wind als je hem nodig had, dacht ze, en toen liep ze verder, langs de buitenrand, op zoek naar een plek waar ze dichter bij het bouwwerk kon komen.
Sandrina hurkte neer onder een paar lege karren; de trekbomen waren onbezet en ze zag geen spoor van de muilezels of paarden die de karren moesten trekken. Ze betwijfelde of de lieden hier hun trekdieren op stal zetten. Ze aten ze waarschijnlijk gewoon op. Deze plek had de uitstraling van een eenrichtingsonderneming, en de eindbestemming lag vóór haar. Ze kon wel schreeuwen van frustratie, maar de angst en voorzichtigheid hielden haar aandachtig en stil. Zoveel vragen bestookten haar, maar ze kon alleen maar door de schaduwen sluipen en blijven observeren.
De enorme poort stond momenteel open, waardoor Sandrina een glimp kon opvangen van wat binnen gebeurde. Haar hoofd liep om toen ze dwergen, mensen, elfen en zelfs een trol zag werken onder het toeziend oog van demonen. Het leek erop dat ze sterfelijke wezens slavenarbeid lieten verrichten, iets wat in geen enkele van de demonenoverleveringen die zij had gelezen voorkwam. Meer dan ooit wenste ze dat Amirantha hier was, en niet omdat hij haar hart had gebroken en ze hem wilde straffen, maar omdat ze iets wilde begrijpen van het tafereel dat ze hier zag.
Er verscheen een demonische opzichter. Hij bleef staan en staarde even haar kant op. Ze voelde haar hart een sprongetje maken en hield haar adem in. Ze had nog nooit een zo formidabel uitziende demon gezien. Hij had de kop van een misvormde aap, met twee grote, omhoog staande oren als een groteske parodie van de oren van een elf, en hij droeg een enorme borstplaat met een menselijke schedel als heraldisch wapen in het midden. De schouders van het monster waren bedekt met zwartstalen platen die uitliepen in gouden punten. Zijn benen waren bekleed met zwarte pantsers en hij droeg een gouden band met nog een schedel erin om zijn voorhoofd. Het reusachtige zwaard in zijn rechterhand pulseerde met een boosaardig rood licht.
De demon snuffelde, en even later draaide hij zich om en schreeuwde iets tegen een van de mensen. De mens maakte een buiging en draafde weg.
Boven op de muren klauterden arbeiders tegen houten steigers op, waar ze grote stenen ophesen om de enorme gebogen zuilen te verhogen. Nu ze dichterbij was, zag Sandrina dat de zuilen met veel zorg werden geplaatst en dat daar nauwlettend op werd toegezien. Twee mannen in mantels keken toe, en toen de stenen op hun plek stonden begonnen ze allebei met het opzeggen van een spreuk. Hun woorden kon ze niet horen, maar het gevoel dat op haar neerdaalde terwijl ze naar dit deel van de bouw keek, vervulde haar van een kille angst.
Er werd hier iets gigantisch gebouwd, onmogelijk te ontcijferen en zonder duidelijk doel, door demonen die toezicht hielden op werktroepen bestaande uit stervelingen en magiërs. Ze begreep er helemaal niets van, en ze wist dat ze haar zaak beter kon dienen door nu terug te gaan en te zorgen dat haar verslag bij vader-bisschop Creegan terechtkwam. Wat ze had gezien, kon niet wachten op een boodschapper, zelfs niet als die met een snel schip reisde. Ze zou de reis naar Tovenaarseiland zelf maken. Puc en zijn kameraden hadden toestellen die haar binnen enkele dagen in plaats van weken naar Rillanon konden brengen; het eiland lag veel dichter bij Durbin dan Krondor, en een heel stuk dichterbij dan Rillanon. Bovendien, dacht ze, de laatste plek waar ze Amirantha had gezien was op dat vervloekte eiland.
Maar haar nieuwsgierigheid prikkelde haar, want ze wist niet zeker of ze genoeg had gezien. Misschien kon ze nog meer informatie verzamelen. Terwijl ze daarover peinsde, hoorde ze achter zich voetstappen naderen, en toen ze zich omdraaide stormde de dwergstrijder al op haar af. Iets in zijn ogen waarschuwde haar dat ze geen tijd hoefde te verspillen met discussiëren. Hij droeg een kort zwaard, dat hij met dodelijke doelgerichtheid in het rond zwaaide.
Sandrina wist uit de weg te rollen en overeind te komen, waarbij ze in één beweging haar schild van haar rug pakte en omdraaide, zodat ze haar arm door de riemen aan de achterkant kon steken. Ze bracht haar strijdknots net op tijd omhoog om de volgende aanval van de dwerg te blokkeren.
De trilling die door haar arm voer toen ze de klap opving, deed haar beseffen dat dit geen onervaren zwaardvechter was, maar een ervaren dwergstrijder die geen genade zou tonen.
Ze had nog nooit tegenover een dwerg gestaan, zelfs niet tijdens een oefening, en hun kracht en kundigheid waren beroemd. Ze wist dat ze hem niet kon uitputten; hij kon doorvechten tot zij instortte van vermoeidheid en dan nog genoeg energie over zou hebben om op haar graf te dansen. Ze kon hem beslist niet overmeesteren, en ze betwijfelde of ze hem kon uitschakelen. Haar enige hoop was hem snel te doden.
Twee slagen en de dwerg aarzelde, en Sandrina zag dat zijn ogen een beetje glazig waren. Ze rook zijn geur en verbaasde zich. Ze had meer dan twintig keer op leven en dood gevochten, en drie keer zo vaak tegen mannen die ze alleen wilde onderwerpen, en ze had al allerlei soorten lichaamsgeuren van mannen, en een paar van vrouwen, geroken, en daar nooit bij stilgestaan, maar ze had niet verwacht dat dwergen konden stinken als demonen.
Hij richtte een schedelkrakende bovenhandse slag op haar en strekte zich iets te ver. Op dat ogenblik zag ze een talisman aan een leren koord om zijn nek hangen. Het was een smerig ding met rode stenen als gloeiende ogen, en daar kwam die demonenstank vandaan.
Ze danste weg en in plaats van hem de hersens in te slaan — ook al zag ze een kans — gaf ze hem een vrij beheerste mep tegen zijn slaap. Het voelde alsof ze een boomstam had geraakt, en de trillingen die door haar arm liepen maakten het lichaamsdeel bijna tot aan de schouder gevoelloos.
De dwerg knipperde amper met zijn ogen en kwam recht op haar af. Ze aarzelde slechts een tel en sprong toen naar links, recht op de volgende uithaal van de dwerg af, en wist te voorkomen dat zijn wapen haar op een belangrijke plek raakte. Ze dook eronderdoor, wat geen geringe prestatie was tegen een vijand die amper vijf voet lang was, en kwam toen achter hem weer omhoog.
Voordat hij zich kon omdraaien, greep ze het leren koord waar zijn talisman aan hing, trok het van zijn nek en smeet het aan de kant. Het leek wel alsof ze hem met een hamer tussen de ogen had geslagen. Hij struikelde, draaide zich half om en viel toen achterover, waardoor hij op zijn achterwerk belandde. De dwerg bleef in het stof zitten, knipperde met zijn ogen alsof hij werd verblind door fel licht en slaakte toen een diepe zucht. Zijn ogen stelden eindelijk scherp op haar en hij zei: "Wat? Wie ben...' Hij keek om zich heen, en Sandrina volgde zijn blik.
Niemand op de muur had hun gevecht gezien, maar er kwamen nu meer arbeiders in zicht. In plaats van op te springen en de anderen te waarschuwen voor de indringer, kroop de dwerg naar haar toe, greep haar been vast en beet haar toe: 'Bukken, in naam van de goden!'
Sandrina knielde neer, maar ze hield haar strijdknots paraat. 'Ga je weer proberen me te vermoorden?'
De dwerg keek verward. 'Je vermoorden? Vrouw, ik weet niet wie je bent, maar als je niet voor die lui werkt,' — hij wees naar het fort — 'dan ben je nu mijn beste vriendin.'
Wie ben jij?'
'Ik ben Keandar, zoon van Kendrin uit Dorgin.'
Ze knikte en wenkte, zodat hij met haar mee onder de dekking van de kar kroop. Dorgin was de dwergenstad het dichtst bij hun huidige locatie, een klein staatje aan de grens met Groot Kesh en het Koninkrijk der Eilanden.
Wat is hier gaande?' vroeg ze.
'Dat is een lang verhaal, en ik vertel het liever als we hier zo ver mogelijk vandaan zijn.' Hij keek onder de kar door. 'Er zijn een paar verwanten van me daarbinnen, en ik wil terug naar Dorgin om de koning op de hoogte te stellen, en dan terugkeren met alle strijdhamers die we kunnen optrommelen.'
Sandrina wist dat er meer dan een klein leger van dwergen nodig zou zijn om iets te doen tegen wat hier vorm kreeg, maar ze besloot dat die discussie kon wachten. 'Kun je me vertellen wat daarbinnen gebeurt?'
'Ja, een deel,' zei hij, 'maar niet heel veel. Ik heb de meeste tijd wacht gelopen, hoewel andere dwergen met vaardigheden - de bouwkundigen, smeden en steenhouwers — binnen werk kregen. Maar we hebben elkaar wel eens gesproken tijdens het eten.'
'Kom mee,' zei ze, kijkend naar de stand van de Kleine Maan. 'Ik heb een paard en je kunt met mij meerijden, maar het staat hier een eindje vandaan en we moeten er bij zonsopgang zijn.'
'Zonsopgang?'
'Anders zal iemand van mijn orde het zonder mij mee terug nemen naar Durbin.'
'Ah,' zei de dwerg. 'Je bent niet alleen?'
'Nee,' antwoordde Sandrina. 'Er zijn nog twee anderen.'
'Best, dan praten we als we hier mijlenver vandaan zijn. Ga maar voorop.'
Sandrina knikte en dook ineen, en toen scharrelde ze van de karren naar de eerste stapel rotsblokken en begon aan de lange terugtocht naar de greppel die hen voorbij het wachthuis zou voeren. Toen ze daar aankwam, wendde ze zich tot Keandar. We moeten langs die wachter glippen.'
Waarom maken we hem niet gewoon snel af? Het is maar een elf.'
'Ze komen misschien achter ons aan als jij niet terugkeert,' zei ze, 'maar ze sturen zeker een grotere troep achter ons aan als ze een dode wachter aantreffen.'
Hij zuchtte alsof hij teleurgesteld was. 'Goed dan. Ze houden ons meestal niet zo goed in de gaten, vanwege die dingen die ze ons omdoen. Die verlammen je vrije wil en vertroebelen je geest.'
'Vertel me daar later maar over,' zei Sandrina, en Keandar knikte. In zichzelf mompelde ze: 'Als er een later komt.'
Bij het ochtendgloren troffen ze een zeer nerveuze Farson aan, die stond te wachten op de afgesproken plek, met alle drie de paarden gezadeld en klaar voor de rit. Hij greep zijn strijdknots toen Sandrina in zicht kwam en wilde al aanvallen, toen ze zijn naam riep.
'Sergeant?' vroeg hij, met een blik op de dwerg.
'Dit is Keandar uit Dorgin. Als er iets gebeurt en ik sneuvel, dan moet je hem naar Tovenaarseiland brengen.'
Farsons ogen werden groot. 'Tovenaarseiland? Sergeant, niemand gaat naar...'
'Tovenaarseiland.'
'Maar Krondor...'
Op ferme toon herhaalde ze: Tovenaarseiland.' Ze keek om zich heen. 'Jaliel?'
Farson schudde zijn hoofd.
'We wachten tot de zon boven de horizon uit is, en dan vertrekken we zonder hem.' Ze wist dat hij waarschijnlijk verloren was. Als hij in de buurt was geweest, dan zouden ze elkaar zijn tegengekomen in de greppel of op het hogere pad, zelfs als hij van de andere kant van het fort was gekomen.
Toch hield ze zich aan haar woord en wachtte op hem.
De zon kwam op. Toen die helemaal boven de horizon stond, zei ze: 'De Godin behoede hem.' Ze pakte de teugels van Jaliels paard en gaf die aan de dwerg. 'Heb je een zetje nodig?'
De dwerg grijnsde. In de ochtendzon leken zijn haar en baard extra rood en zijn ogen fonkelend blauw. Hij had, net als de meeste leden van zijn ras, een tonronde borstkas, brede schouders en gespierde armen en benen. 'Ik ben klein,' antwoordde hij, 'geen kind.' Zijn sprong in het zadel was 'ndrukwekkend, en hij nam de teugels ter hand als een geoefend ruiter.
Farson en Sandrina stegen op en ze keek nog een laatste keer om zich heen, half hopend dat Jaliel in zicht zou komen. Toen haalde ze diep adem en zei: 'Durbin!'
Ze wendden hun paarden en reden naar het noorden.