Zondag, 9 november 2008
Het feest ter ere van de zeventigste verjaardag van gravin Leonora von Bodenstein vond niet in het voorname slothotel plaats, maar in de manege, ook al had Bodensteins schoonzuster Marie-Louise daar hevig tegen geprotesteerd. Maar de gravin had liever geen tamtam rond haar persoon, zoals ze het uitdrukte. Bescheiden en verbonden met de natuur als ze was, had ze uitdrukkelijke een kleine, gezellige festiviteit in de stallen of de manege gewenst, en Marie-Louise von Bodenstein had zich daarbij neergelegd. Ze had de organisatie van het event ter hand genomen, zoals gewoonlijk energiek en professioneel, en het resultaat was adembenemend.
Even na elven kwamen Bodenstein en Cosima met Sophia op landgoed Bodenstein aan en vonden met moeite een parkeerplaats. Op de kinderhoofdjes van de historische binnenplaats van de manege, met de zorgvuldig gerestaureerde vakwerkhuizen, was geen strohalm te bekennen, de grote staldeur stond wijd open.
‘Mijn god,’ merkte Cosima geamuseerd op. ‘Marie-Louise moet Quentin hebben gedwongen nachtwerk te doen!’
De oude, hoge stallen, die rond 1850 waren gebouwd, lagen op een van de zijden van de in een vierkant aangelegde vorstelijke stalhouderij van het grafelijke slot. Door de jaren heen hadden ze een eerbiedwaardig patina van spinnenwebben, stof en zwaluwpoep gekregen – maar dat was spoorloos verdwenen. Alle paardenboxen, de muren en de hoge plafonds blonken als nieuw, de getraliede ramen waren gelapt, zelfs de kleuren van de muurschilderingen met jachttaferelen waren opgefrist. De paarden, die nieuwsgierig over de deur van hun box naar de drukte op de brede doorgang in de stal keken, hadden voor de gelegenheid gevlochten manen gekregen. In de entree, die liefdevol was versierd als bij een oogstfeest, schonken de obers van het slothotel sekt.
Bodenstein grijnsde. Zijn jongere broer Quentin behoorde tot het slag mensen dat er graag zijn gemak van nam; hij was boer en beheerde het landgoed en de stallen, en dat de tand des tijds er zijn sporen had achtergelaten stoorde hem niet in het minst. Hij had de verantwoordelijkheid voor het restaurant boven in het kasteel meer en meer aan zijn vrouw overgedragen, en Marie-Louise had er de laatste jaren een eersteklas sterrenrestaurant van gemaakt, dat op een goede naam tot ver buiten de regio kon bogen.
Ze vonden de jarige te midden van familie en andere mensen die haar kwamen gelukwensen in de entree van de manege, die al even fraai was versierd. Bodenstein kon zijn moeder nog net met haar verjaardag feliciteren voordat de jachthoornblazers van een bevriende paardrijvereniging uit Kelkheim op de zandvloer het programma openden. De entr’actes waren een verrassing van de huurders van de stallen en de leerling-ruiters voor hun gravin. Bodenstein wisselde een paar woorden met zijn zoon Lorenz, die met zijn camera de gebeurtenissen filmde. Zijn vriendin Thordis was verantwoordelijk voor de dressuurquadrille en het optreden van de voltigeergroep, en ze zou later zelf bij de sprongquadrille meerijden. Tussen de aanwezigen trof Bodenstein zijn zus Theresa, die speciaal voor het feest was gekomen. Ze hadden elkaar lang niet gezien en veel te vertellen. Cosima had met Sophia naast haar moeder, gravin Rothkirch, op de tribune aan de lange kant van het parcours plaatsgenomen en keek naar de dressuurquadrille.
‘Cosima ziet er tien jaar jonger uit,’ stelde Bodensteins zus net vast en ze nipte aan haar sekt. ‘Je zou er jaloers van worden.’
‘Een kindje en een fijne echtgenoot doen wonderen,’ zei Bodenstein grijnzend.
‘Pedant als altijd, mijn kleine broertje,’ riposteerde Theresa. ‘Alsof het aan jullie kerels ligt dat een vrouw er goed uitziet!’
Ze was twee jaar ouder dan Bodenstein en zoals gewoonlijk liep ze over van energie. Dat haar regelmatige gezicht eerder karakteristiek dan mooi was en dat het eerste grijs in haar donkere haar te zien was, deed niets af aan haar uitstraling. Voor elke rimpel en elke grijze haar had ze hard gewerkt, had ze een keer gezegd. Haar man, die al vroeg aan een hartaanval was overleden, had haar een koffiebranderij in Hamburg nagelaten die goed stond aangeschreven maar in de versukkeling was geraakt, daarnaast een familiekasteel in Sleeswijk-Holstein dat hoognodig moest worden gerenoveerd en een aantal panden op Hamburgse toplocaties met een torenhoge hypotheek. Als afgestudeerde bedrijfseconoom had ze na de dood van haar man ondanks het sombere toekomstperspectief en haar drie kinderen kordaat het heft in handen genomen, en was onverschrokken de strijd aangegaan met schuldeisers en banken. Nu, na tien jaar hard werken en handig manoeuvreren, waren de firma en het privébezit gered en gesaneerd. Er was geen enkele arbeidsplaats verloren gegaan, en Theresa stond in hoog aanzien bij het personeel en de zakenrelaties.
Quentin nam het woord. ‘Over kerels gesproken, hoe ziet het er bij jou uit, Esa? Nog nieuwe ontwikkelingen?’
Ze glimlachte. ‘Een dame geniet en zwijgt.’
‘Waarom heb je hem niet meegenomen?’
‘Omdat ik weet dat jullie je dan op de arme man zullen storten en hem aan een genadeloze analyse zullen onderwerpen.’ Ze knikte in de richting van haar ouders en de overige familie, die geboeid het gebeuren op de piste volgde. ‘En de hele misjpooche idem dito.’
‘Dus je hebt er een,’ drong Quentin aan. ‘Vertel ons eens iets over hem.’
‘Nee.’ Ze hield haar jongste broer haar lege glas voor. ‘Je zou de tekorten misschien kunnen aanvullen.’
‘Altijd ben ik de klos,’ protesteerde Quentin, maar uit vaste gewoonte gehoorzaamde hij en verdween.
‘Hebben jullie problemen, Cosima en jij?’ vroeg Theresa aan Bodenstein. Die keek zijn zuster verrast aan.
‘Nee hoor,’ zei hij. ‘Hoe kom je erbij?’
Ze haalde haar schouders op, maar verloor haar schoonzus niet uit het oog. ‘Er is iets veranderd tussen jullie.’
Bodenstein kende de onfeilbare intuïtie van zijn zus. Het had geen zin te ontkennen dat het er tussen Cosima en hem inderdaad niet zo best voor stond.
‘Nou ja, de zomer na onze zilveren bruiloft hadden we een kleine crisis,’ gaf hij dus maar toe. ‘Cosima had een finca op Mallorca gehuurd, en ze wilde drie weken met het hele gezin op vakantie. Na een week moest ik weer weg, we hadden een moeilijke zaak. Dat heeft ze me kwalijk genomen.’
‘Aha.’
‘Ze verweet me dat ik haar met Sophia aan haar lot overliet, hoewel we het in eerste instantie anders hadden afgesproken. Maar wat kon ik doen? Ik kon toch geen ouderschapsverlof opnemen en de huisman spelen!’
‘Maar drie weken vakantie, dat moet toch kunnen,’ zei Theresa. ‘Niet om het een of ander, maar je bent ambtenaar. Als jij afwezig bent, zal er toch wel iemand zijn die je vervangt, of niet?’
‘Hoor ik een zeker dedain voor mijn beroep in je stem?’
‘Niet zo gevoelig, m’n beste!’ zei zijn zuster sussend. ‘Maar ik begrijp wel dat Cosima er de pest in had. Ze heeft immers ook een beroep, en het huisje-boompje-beestje dat jij voor haar in gedachten hebt, ouwe macho, is helemaal niets voor haar. Misschien ben je juist blij dat ze geen expedities meer doet, en dat je haar helemaal onder de knoet hebt.’
‘Dat is toch onzin!’ protesteerde Bodenstein verontwaardigd. ‘Ik heb haar altijd gesteund in haar werk. Ik vind het prima wat ze doet.’
Theresa keek hem aan, een ironische glimlach verscheen op haar gezicht. ‘Lariekoek. Dat kun je iedereen vertellen, maar mij niet. Ik ken je langer dan vandaag.’
Bodenstein zweeg beschaamd. Zijn blik zwierf naar Cosima. Zoals altijd slaagde zijn oudste zus erin moeiteloos de vinger op de zere plek te leggen. En ook dit keer had ze gelijk. Hij was inderdaad opgelucht dat Cosima’s wekenlange wereldreizen verleden tijd waren sinds Sophia was geboren. Maar dat hij dat uit de mond van zijn oudere zus moest vernemen zinde hem niet.
Quentin kwam terug met drie glazen sekt, en het gesprek nam een meer onschuldige wending. Nadat de rijdemonstraties waren afgelopen, opende Marie-Louise het buffet dat haar medewerkers ijlings in de entree van de stalling hadden neergezet. Hoge tafels en rijen banken met comfortabele kussens en wit gedekte, met herfstbloemen versierde tafels, nodigden uit om te gaan zitten. Bodenstein kwam familie en oude bekenden tegen die hij lang niet had gezien, er viel heel wat bij te praten en er werd veel gelachen. De sfeer was ontspannen. Hij zag dat Cosima in gesprek was met Theresa en hij hoopte dat zijn zus haar niet met haar feministische ideeën tegen hem zou opzetten. Volgend jaar ging Sophia naar de kleuterschool, dan had Cosima meer tijd voor zichzelf. Ze werkte aan een nieuw filmproject, dat haar volledig in beslag nam. In een opwelling van grootmoedigheid nam Bodenstein zich voor in de toekomst eerder thuis te komen en de weekends vrij te houden, om het kind vaker van Cosima over te kunnen nemen. Misschien zou hun relatie, die sinds hun knallende ruzie op Mallorca onder druk stond, dan weer wat normaler worden.
‘Papa.’ Rosalie tikte hem op zijn schouder, en hij draaide zich om naar zijn oudste dochter. Ze leerde voor kok in het slothotel bij maître Jean-Yves St. Clair, de Franse sterrenkok, en zag toe op het buffet. Ze had Sophia aan haar hand, die von top tot teen met een bruinachtig goedje was besmeurd, en Bodenstein hoopte dat het niet was wat hij dacht.
‘Ik kan mama niet vinden,’ zei Rosalie geïrriteerd. ‘Misschien kun jij de kleine schone kleren aantrekken. Mama heeft vast reservekleren in de auto.’
‘Wat heeft ze op haar gezicht en haar handen?’ Bodenstein werkte moeizaam zijn lange benen onder de tafel uit.
‘Geen paniek, het is maar chocolademousse,’ antwoordde Rosalie. ‘Ik moet weer aan het werk.’
‘Zo, kom maar eens hier, kleine aap.’ Bodenstein pakte zijn jongste dochter vast en nam haar op zijn arm. ‘Wat zie je er weer uit, hm?’
Sophia trappelde en duwde met haar handjes tegen zijn borst. Ze vond het niet prettig als ze in haar bewegingsvrijheid werd beperkt. Met haar perzikwangetjes, zachte donkere haar en hemelsblauwe ogen zag ze eruit om op te eten, maar die schijn bedroog. Sophia had Cosima’s temperament geërfd en wist hoe ze haar zin moest krijgen. Bodenstein ging met haar door de staldeur en liep over de binnenplaats. Toevallig keek hij naar links door de openstaande deur van de smidse aan de andere kant, en tot zijn verbazing zag hij Cosima daar heen en weer lopen, met haar mobieltje tegen haar oor. De manier waarop ze met haar hand door haar haar ging, haar hoofd opzij boog en lachte, verraste hem. Waarom verstopte ze zich om te kunnen telefoneren? Hij liep snel door, voor ze hem zou zien, maar de achterdocht bleef diep in zijn binnenste achter, als een minuscule splinter.
*
Net als elke zondag na de kerk waren ook nu de usual suspects in Het Zwarte Ros bijeengekomen. De brunch op zondagochtend was een echte mannenzaak, de vrouwen mochten thuis het vlees voor de zondagse maaltijd braden. Alleen daarom al vond Amelie de zondagen in Altenhain het toppunt van burgerlijkheid. Vandaag was de chef hoogstpersoonlijk aanwezig. Doordeweeks had Andreas Jagielski het druk met zijn twee chique restaurants in Frankfurt en liet hij zijn vrouw en zijn zwager Het Zwarte Ros bestieren, hij kwam alleen op zondag. Amelie was niet erg op hem gesteld. Jagielski was een boom van een vent met uitpuilende kikkerogen en dikke lippen. Na de val van de Muur was hij een van de eerste ossi’s in Altenhain geweest; dat had Amelie van Roswitha gehoord. Hij had als kok in De Gouden Haan gewerkt, maar zijn werkgever bij de eerste tekenen van de dreigende ondergang lafhartig in de steek gelaten, om zich vervolgens als diens concurrent in Het Zwarte Ros te vestigen. Met exact dezelfde kaart als Hartmut Sartorius maar aanzienlijk lagere prijzen en de luxe van een grote parkeerplaats, had hij zijn voormalige chef de wind uit de zeilen genomen en niet weinig aan de definitieve sluiting van De Gouden Haan bijgedragen. Roswitha bleef loyaal aan Sartorius en was tot het einde gebleven, en daarna had ze met tegenzin de baan bij Jagielski aangenomen.
Amelie had zich die ochtend zorgvuldig opgemaakt, alle piercings verwijderd, twee vlechten in haar haar gemaakt en minder opvallende make-up gebruikt.
Uit de garderobe van haar stiefmoeder had ze een witte bloes in de maat xxs geleend, en uit haar eigen kast had ze na enig zoeken een sexy Schots rokje opgediept. Ondoorzichtige zwarte kousen en kuitlaarzen completeerden de outfit. Voor de spiegel had ze de blouse, die eigenlijk te klein was, zo ver open geknoopt dat je haar zwarte bh en de aanzet van haar borsten kon zien. Jenny Jagielski liet zich niet provoceren en nam haar maar kort op, maar haar man had diep in Amelies decolleté gekeken en haar een schuine knipoog gegeven. Nu zat hij aan de drukbezette ronde tafel midden in het lokaal tussen Lutz Richter en Claudius Terlinden, die eigenlijk weinig in Het Zwarte Ros kwamen, en die zich vandaag amicaal en kameraadschappelijk toonden. Ook aan de bar zaten de mannen schouder aan schouder, Jenny en haar broer Jörg tapten of hun leven ervan afhing. Manfred Wagner had zich weer hersteld, hij leek zelfs naar de kapper te zijn geweest, want zijn warrige baard was verdwenen en hij zag er enigszins toonbaar uit. Toen Amelie met een nieuw blad witbier bij de stamtafel arriveerde, ving ze de naam van Tobias Sartorius op en spitste haar oren.
‘...brutaal en arrogant als altijd,’ zei Lutz Richter net. ‘Het is een regelrechte provocatie dat hij hier weer is opgedoken.’
Er klonk instemmend gemompel, alleen Terlinden, Lauterbach en Jagielski zwegen.
‘Als hij zo doorgaat, barst vroeg of laat de bom,’ voegde een ander eraan toe.
‘Hij blijft niet lang,’ zei een derde. ‘Daar steken wij wel een stokje voor.’
Het was dakdekker Udo Pietsch die dat had gezegd, en de andere mannen knikten en mompelden instemmend.
‘Beste mensen, niemand gaat hier ergens een stokje voor steken,’ onderbrak Claudius Terlinden. ‘Die jongen heeft zijn straf uitgezeten en kan bij zijn vader wonen zolang hij wil en geen overlast veroorzaakt.’
Het gezelschap viel stil, niemand durfde hem tegen te spreken, maar Amelie zag dat een paar mannen elkaar tersluikse blikken toewierpen. Claudius Terlinden kon dan misschien deze discussie beëindigen, tegen de collectieve weerzin die in Altenhain tegen Tobias Sartorius bestond zou ook hij niets kunnen uitrichten.
‘Acht witbier voor de heren,’ zei Amelie om haar aanwezigheid kenbaar te maken, want het blad werd haar te zwaar.
‘Ach ja, dank je wel Amelie.’ Terlinden knikte haar minzaam toe, maar opeens raakte zijn gezicht een fractie van een seconde uit de plooi. Hij herstelde zich meteen en glimlachte wat geforceerd. Amelie begreep dat zijn verbazing te danken was aan haar veranderde uiterlijk. Ze glimlachte terug, hield koket haar hoofd schuin, weerstond zijn blik net iets langer dan een fatsoenlijk meisje betaamt, en begon toen de tafel ernaast af te ruimen. Ze voelde dat hij al haar bewegingen met zijn ogen volgde, en toen ze met het blad lege glazen naar de keuken terugliep, kon ze het niet laten om opzettelijk wat met haar achterwerk te draaien. Hopelijk hadden de mannen een stevige dorst; ze was erop gebrand nog meer interessante dingen op te vangen. Tot dan toe was haar interesse voortgekomen uit het feit dat ze had ontdekt dat er een connectie tussen haarzelf en een van de slachtoffers bestond, maar nadat ze gisteren Tobias Sartorius had leren kennen was ze dubbel gemotiveerd. Hij beviel haar.
*
Tobias Sartorius was sprakeloos. Toen Nadja hem had verteld dat ze op de Karpfenweg bij de Westhaven in Frankfurt woonde, had hij aan een gesaneerd pand in het stadsdeel Gutsleutviertel gedacht, maar niet aan wat hij nu zag. Op het enorme terrein van de voormalige Westhaven, een paar huizenblokken ten zuiden van het centraal station, was een nieuwe, exclusieve wijk met moderne kantoorgebouwen en twaalf woonhuizen van zeven verdiepingen verrezen op het oude havenhoofd, dat nu de naam Karpfenweg droeg. Hij had zijn auto op straat geparkeerd en liep nu met een bos bloemen onder zijn arm verbaasd over de brug die de vroegere havenkom overspande. In het zwarte water wiegden een paar jachten aan hun steiger. Aan het eind van de middag had Nadja gebeld en hem uitgenodigd ’s avonds bij haar te komen eten. Tobias had niet veel zin gehad om naar de stad te rijden, maar hij stond in het krijt bij Nadja vanwege de onwankelbare trouw waarmee ze hem de afgelopen tien jaar terzijde had gestaan. Hij had dus gedoucht en was om half acht met de auto van zijn vader weggereden, zonder te vermoeden welke veranderingen hem wachtten. Het begon met een splinternieuwe rotonde bij de Tengelmann-supermarkt in Bad Soden; ook het Main-Taunus-winkelcentrum was groter geworden. En in Frankfurt was hij het spoor volledig bijster geraakt. Voor een onervaren automobilist als hij was de stad een ware nachtmerrie. Hij was drie kwartier te laat toen hij na enig zoeken het appartement met het juiste huisnummer vond.
‘Neem de lift naar de zevende verdieping.’ Nadja’s stem schalde vrolijk uit de intercom. De deuropener zoemde en Tobias stapte de chique foyer van het huis binnen, die was opgetrokken uit glas en graniet. Met de glazen lift was hij in luttele seconden boven, waar hij een fascinerend uitzicht had over het water en op de skyline van Frankfurt, die de laatste jaren ingrijpend was veranderd. Er leken nieuwe wolkenkrabbers bij te zijn gekomen.
‘Daar ben je dan!’ Nadja kwam hem stralend tegemoet, nadat hij op de zevende verdieping uit de lift was gestapt. Onbeholpen overhandigde hij haar het in cellofaan verpakte boeket dat hij bij een tankstation had gekocht.
‘Ach, dat had je niet hoeven doen.’ Ze pakte de bloemen aan, nam zijn hand en voerde hem mee de woning in. Zijn adem stokte. Het penthouse was enorm. Reusachtige panoramaruiten tot aan het glanzende parket boden een spectaculair uitzicht rondom. In de open haard brandde een knapperend vuur, de warme stem van Leonard Cohen kabbelde uit onzichtbare luidsprekers, de geraffineerde verlichting en de brandende kaarsen verleenden de toch al royale vertrekken nog meer diepte. Even kwam Tobias in de verleiding rechtsomkeert te maken en ervandoor te gaan. Hij was niet jaloers aangelegd, maar het gevoel dat hij een volslagen mislukkeling was bekroop hem bij het zien van dit droomhuis sterker dan ooit en snoerde zijn mond. Tussen Nadja en hem lag een wereld van verschil. Wat wilde ze in godsnaam van hem? Ze was beroemd, ze was rijk, ze was beeldschoon – ze kon de avond ongetwijfeld met meer welgestelde, amusante en spirituele mensen doorbrengen dan met zo’n verbitterde ex-bajesklant als hij.
‘Geef me je jas,’ zei ze. Hij trok hem uit en tegelijk schaamde hij zich voor het goedkope, afgedragen ding. Trots nam Nadja hem mee naar de grote woonkeuken met het keukenblok in het midden. Overwegend graniet en roestvrij staal, apparatuur van Gaggenau. Het rook er verleidelijk naar gebraden vlees en Tobias merkte hoe zijn maag begon te knorren. Hij had de hele dag op het erf geploeterd om het afval te sorteren, en zo goed als niets gegeten. Nadja pakte een fles Moët & Chandon uit de glanzend verchroomde Amerikaanse koelkast en vertelde dat ze het appartement eigenlijk alleen had gekocht als plek om te overnachten als ze in Frankfurt opnames had – ze kon hotels niet uitstaan – maar inmiddels was het haar hoofdverblijf. Ze schonk champagne in twee kristallen glazen en gaf hem er een aan.
‘Ik ben blij dat je gekomen bent,’ zei ze glimlachend.
‘En ik bedank je voor je uitnodiging,’ zei Tobias, die zich van de schok had hersteld en nu in staat was haar glimlach te beantwoorden.
‘Op jou,’ zei Nadja, en ze stootte zacht met haar glas tegen het zijne.
‘Nee, op jou,’ zei Tobias ernstig. ‘Bedankt voor alles.’
Wat was ze mooi geworden! Haar bijna androgyne, open gezicht met de vertederende zomersproeten, dat er vroeger ondanks de symmetrie steeds wat hoekig uit had gezien, was zachter geworden. Haar lichte ogen schitterden, een paar plukjes van haar goudblonde haar hadden zich uit de knot losgemaakt en vielen over haar tere, lichtbruine nek. Ze was heel slank, maar niet te mager. Ze had volle lippen en haar witte tanden waren regelmatig, het verheugende resultaat van de gehate beugel uit haar tienerjaren. Ze glimlachten naar elkaar en namen een slok, maar opeens schoof het gezicht van een andere vrouw voor dat van Nadja. Ja, precies zo had hij met Stefanie willen leven wanneer hij zijn medicijnenstudie zou hebben afgesloten en als arts goed zou verdienen. Hij was ervan overtuigd geweest dat hij in haar de liefde van zijn leven had gevonden, hij had van een toekomst voor hen beiden gedroomd, kinderen...
‘Wat heb je?’ vroeg Nadja. Tobias beantwoordde haar onderzoekende blik.
‘Niets, hoezo?’
‘Je zag er opeens zo geschrokken uit.’
‘Weet je wel hoelang ik geen champagne meer heb gedronken?’ Hij dwong zichzelf tot een grijns, maar de herinnering aan Stefanie had hem pijnlijk getroffen. Nog steeds, na al die jaren, moest hij aan haar denken. Slechts vier weken had de illusie van het volmaakte geluk destijds geduurd, en het was met een catastrofe geëindigd. Hij zette de onwelkome gedachten van zich af en ging aan de keukentafel zitten, die Nadja liefdevol had versierd. Er waren met ricotta en spinazie gevulde tortelloni, perfect gebraden runderfilet met barolosaus, en rucolasalade met geraspte Parmezaanse kaas, die vergezeld ging van een heerlijke, vijftien jaar oude Pomerol. Tobias stelde vast dat het, anders dan hij had gevreesd, niet moeilijk was met Nadja te praten. Ze vertelde over haar werk, over grappige en bijzondere ontmoetingen en voorvallen – en steeds op een luchtige manier, zonder prat te gaan op wat ze had bereikt. Na het derde glas begon Tobias de rode wijn te merken. Ze verlieten de keuken en gingen in de woonkamer op de leren bank zitten, zij in de ene, hij in de andere hoek, als goede oude vrienden. Boven de open haard hing een ingelijste filmposter van Nadja’s eerste bioscoopfilm – het enige wat wees op haar grote succes als actrice.
‘Het is ongelooflijk wat je hebt bereikt,’ zei Tobias peinzend. ‘Ik ben echt waanzinnig trots op je.’
‘Dank je wel.’ Ze lachte en trok een been onder zich. ‘Tja. Wie had dat destijds voor mogelijk gehouden: de lelijke Nathalie is tegenwoordig een grote filmster.’
‘Je bent nooit lelijk geweest,’ protesteerde Tobias, verbaasd dat ze zichzelf zo had gezien.
‘In elk geval heb je me nooit zien staan.’
Voor de eerste keer die avond naderde het gesprek het heikele thema dat ze beiden tot dusverre zorgvuldig hadden vermeden.
‘Je bent toch altijd mijn beste vriendin geweest,’ zei Tobias. ‘Alle meisjes waren jaloers op je, omdat ik zoveel met jou samen was.’
‘Maar je hebt me nooit gekust...’
Ze zei het op een plagerige toon, maar opeens begreep Tobias dat dat haar moest hebben gekwetst. Geen enkel meisje wilde de beste vriendin van een knappe jongen zijn, al was dat in diens ogen nog zo’n grote eer. Tobias probeerde zich te herinneren waarom hij nooit op Nadja verliefd was geworden. Misschien omdat ze zoiets als een klein zusje voor hem was geweest? Ze hadden in dezelfde zandbak gespeeld, waren samen naar de kleuterschool en de basisschool gegaan. In zijn leven was het vanzelfsprekend geweest dat ze er was. Maar nu was het anders. Nadja had een verandering ondergaan. Naast hem zat niet meer Nathalie, zijn eerlijke, betrouwbare gezellin uit zijn kinderjaren. Naast hem zat een hoogst aantrekkelijke, beeldschone vrouw die, zoals hij langzaam begon te begrijpen, niet mis te verstane signalen naar hem uitzond. Wilde ze meer van hem dan alleen vriendschap?
‘Waarom ben je nooit getrouwd?’ vroeg hij opeens. Zijn stem was hees.
‘Omdat ik nooit de juiste man heb ontmoet.’ Nadja haalde haar schouders op, boog voorover en schonk rode wijn bij in de glazen. ‘Mijn job is een echte relatiekiller. Bovendien kunnen de meeste mannen een succesvolle vrouw niet verdragen. En een ijdele, narcistische collega wil ik in geen geval. Dat kan niet goed gaan. Zoals het nu is vind ik het prima.’
‘Ik heb je carrière gevolgd. In de gevangenis heb je veel tijd om te lezen en tv te kijken.’
‘Welke film van mij beviel je het meest?’
‘Weet ik niet.’ Tobias glimlachte. ‘Ze zijn allemaal goed.’
‘Vlijer.’ Ze hield haar hoofd schuin. Een losse pluk haar viel over haar voorhoofd. ‘Eigenlijk ben je helemaal niet veranderd.’
Ze stak een sigaret aan, nam er een trekje van en stak hem tussen Tobias’ lippen, zoals ze vroeger ook vaak had gedaan. Hun gezichten waren vlak bij elkaar. Tobias hief zijn hand en raakte haar wang aan. Hij voelde de warmte van haar adem op zijn gezicht, toen haar lippen op zijn mond. Alle twee twijfelden ze een moment.
‘Het is slecht voor je reputatie, als iemand te weten komt dat je een ex-bajesklant kent,’ fluisterde Tobias.
‘Mijn reputatie kon me altijd al gestolen worden, weet je,’ zei ze met rauwe stem. Ze nam zijn sigaret uit zijn hand en legde die achteloos in de asbak achter zich. Haar wangen gloeiden, haar ogen glansden. Hij voelde haar verlangen als een echo van zijn eigen begeerte en trok haar over zich heen. Zijn handen gleden over haar dijbenen, pakten haar heupen. Zijn hart sloeg sneller, een golf van lust ging door zijn lichaam toen haar tong in zijn mond drong. Wanneer had hij voor het laatst met een vrouw geslapen? Hij kon het zich nauwelijks herinneren. Stefanie... De rode sofa... Haar kus werd hartstochtelijk. Al zoenend rukten ze elkaar de kleren van het lijf, beminden elkaar brandend van verlangen, zwijgend en hijgend en zonder enige vorm van tederheid – daarvoor zou later nog tijd genoeg zijn.