Woensdag, 12 november 2008

Ontevreden monsterde dr. Nicola Engel het restant van haar K11. Die ochtend waren ze maar met hun vieren op de dagelijkse teambespreking; behalve Behnke ontbrak vandaag ook Kathrin Fachinger. Terwijl Ostermann verslag uitbracht van de weinig bevredigende respons op haar opsporingsbericht, roerde Bodenstein afwezig in zijn koffie. Pia vond dat hij er geradbraakt uitzag, alsof hij niet genoeg slaap had gehad. Wat was er toch met hem aan de hand? Hij maakte al een paar dagen de indruk alsof hij volledig uit zijn doen was. Pia vermoedde dat er gezinsproblemen waren. Vorig jaar mei had hij zich ook al eens zo vreemd gedragen; toen had hij zich zorgen gemaakt om Cosima’s gezondheid, wat achteraf ongegrond bleek – hij had niets van haar zwangerschap geweten.

‘Goed.’ Dr. Engel nam het woord toen Bodenstein het niet deed. ‘Het skelet uit de vliegtuighangar is van de sinds september 1997 vermiste Laura Wagner uit Altenhain. Het dna komt overeen, de geheelde breuk van haar linker bovenarm correspondeert met de röntgenfoto’s van voor haar dood.’

Pia en Ostermann kenden de inhoud van het forensisch rapport, maar ze bleven geduldig luisteren tot hun cheffin klaar was met haar betoog. Zou haar baan mevrouw Engel vervelen, en bemoeide ze zich daarom voortdurend met het werk van de K11? Haar voorganger, dr. Nierhoff, verscheen zelden of nooit, bijna uitsluitend als er een spectaculaire zaak moest worden opgelost.

‘Ik vraag me alleen af,’ zei Pia toen dr. Engel klaar was, ‘hoe Tobias Sartorius binnen nog geen drie kwartier van Altenhain naar Eschborn kon rijden, een beveiligd, afgezet militair terrein kon betreden en het lijk in een ondergrondse tank kon gooien.’

Het groepje was stil; ze keken haar allen aan, behalve Bodenstein.

‘Sartorius zou de twee meisjes in het huis van zijn ouders hebben vermoord,’ verduidelijkte Pia. ‘Hij werd door de buren gezien. Eerst toen hij met Laura Wagner de woning binnenging en later toen hij opendeed voor Stefanie Schneeberger. Daarna werd hij tegen middernacht door zijn vrienden gezien toen die hem kwamen afhalen.’

‘Wat wilt u daarmee zeggen?’ wilde dr. Engel weten.

‘Dat Tobias Sartorius mogelijk niet de dader is geweest.’

‘Natuurlijk was hij het,’ zei Hasse meteen. ‘Ben je vergeten dat hij is veroordeeld?’

‘In een proces dat puur op indirect bewijs was gebaseerd. En ik ben bij het bestuderen van het dossier een paar tegenstrijdigheden tegengekomen. Om kwart voor elf zag de buurman dat Stefanie Schneeberger de woning van Tobias Sartorius binnenging, en een halfuur later werd zijn auto door twee getuigen in Altenhain gezien.’

‘Ja,’ zei Hasse. ‘Hij heeft de meisjes vermoord, is in zijn auto gestapt en heeft de twee lijken weggebracht. Dat is allemaal gereconstrueerd.’

‘Toentertijd ging men ervan uit dat hij de lichamen in de buurt had gedumpt. Nu weten we dat dat niet het geval is. En hoe is hij het afgezette militaire terrein op gekomen?’

‘Er werden vaak heimelijk feestjes gehouden door jongeren. Die kenden een of andere geheime ingang.’

‘Dat is toch onzin.’ Pia schudde haar hoofd. ‘Hoe moet een dronken man zoiets in zijn eentje voor elkaar krijgen? En wat heeft hij met het tweede lijk gedaan? Dat hebben we niet in de tank gevonden! Ik blijf erbij dat die tijdspanne veel te krap is!’

‘Mevrouw Kirchhoff,’ zei dr. Engel vermanend. ‘Wij stellen hier geen onderzoek in. De dader werd indertijd gearresteerd, ingesloten en veroordeeld, en heeft zijn straf uitgezeten. Rijdt u naar de ouders van het meisje, vertel hun dat het stoffelijk overschot van hun dochter is gevonden, en daarmee basta.’

*

‘En daarmee basta!’ bauwde Pia haar cheffin na. ‘Ik peins er niet over om de zaak te laten rusten. Het is duidelijk dat er toen slordig onderzoek is gedaan, met volkomen uit de lucht gegrepen conclusies. En ik vraag me af waarom!’

Bodenstein, die haar had laten rijden, reageerde niet. Hij had in de ongemakkelijk kleine dienstwagen, een Opel, zijn lange benen opgevouwen, zijn ogen gesloten en de hele rit geen woord gezegd.

‘Zeg op, wat heb je eigenlijk, Olivier?’ vroeg Pia ten slotte licht geïrriteerd. ‘Ik heb geen zin om de hele dag met iemand rond te rijden die zo spraakzaam is als een lijk!’

Bodenstein deed een oog open en zuchtte. ‘Cosima heeft gisteren tegen me gelogen.’

Aha. Een huiselijke aangelegenheid. Ze dacht het al.

‘Nou en? We liegen allemaal toch wel eens?’

‘Ik niet.’ Bodenstein opende zijn andere oog. ‘Ik heb nooit tegen Cosima gelogen. Zelfs over die kwestie met Kaltensee heb ik haar verteld.’

Hij schraapte zijn keel en vertelde Pia wat er de vorige dag was gebeurd. Ze hoorde het met groeiende bezorgdheid aan. Het klonk weliswaar ernstig, maar zelfs in deze situatie bezorgde zijn aristocratische eergevoel hem nog een slecht geweten omdat hij in de mobiele telefoon van zijn vrouw stiekem naar bewijzen had gezocht.

‘Voor al die dingen kan een simpele verklaring zijn,’ zei Pia, zonder het te geloven. Cosima von Bodenstein was een knappe, temperamentvolle vrouw die door haar baan als filmproducente op eigen benen stond en financieel onafhankelijk was. De laatste tijd waren er wel vaker kleine aanvaringen tussen haar en Bodenstein geweest, dat had Pia wel gemerkt, maar haar chef leek er niet veel belang aan te hebben gehecht. Het was typerend voor hem dat hij nu zo aangeslagen was. Hij leefde in een ivoren toren. En dat was verbazingwekkend als je bedacht hoe gefascineerd hij was door de menselijke afgronden waarmee ze elke dag werden geconfronteerd. In tegenstelling tot Pia raakte hij bijna nooit emotioneel betrokken bij een zaak, hij bewaarde een innerlijke distantie, en dat vond zij tamelijk zelfgenoegzaam. Dacht hij misschien dat hem zoiets niet kon overkomen, en dat hij boven zoiets banaals als huwelijksproblemen stond? Dacht hij werkelijk dat Cosima tevreden met haar kindje thuis op hem zat te wachten? Ze was een heel ander leven gewend.

‘Als ze iemand ontmoet en me vertelt dat ze ergens anders is geweest?’ bracht hij ertegenin. ‘Dat is niet zo simpel. Wat moet ik nou doen?’

Pia gaf niet meteen antwoord. In zijn plaats zou ze er alles aan hebben gedaan om achter de waarheid te komen. Waarschijnlijk zou ze haar partner meteen huilend en schreeuwend en met verwijten ter verantwoording hebben geroepen. Ondenkbaar om te doen alsof er niets was gebeurd.

‘Vraag het haar toch gewoon,’ stelde ze daarom voor. ‘Ze zal toch niet recht in je gezicht liegen.’

‘Nee,’ antwoordde hij gedecideerd. Inwendig zuchtte Pia. Oliver von Bodenstein zat anders in elkaar dan gewone mensen. Misschien zou hij om de schijn op te houden en zijn gezin te beschermen zelfs accepteren dat hij mogelijk een mededinger had en in stilte lijden. In het vak zelfbeheersing had hij een tien met een griffel verdiend.

‘Heb je het nummer van die gsm opgeschreven?’

‘Ja.’

‘Geef maar. Ik bel wel, en verberg mijn eigen nummer.’

‘Nee, liever niet.’

‘Wil je de waarheid niet weten?’

Bodenstein aarzelde.

‘Luister eens,’ zei Pia. ‘Het vreet toch aan je als je niet weet wat er aan de hand is.’

‘Verdomme!’ riep hij boos. ‘Had ik haar maar nooit gezien! Had ik haar maar nooit gebeld!’

‘Maar je hebt het wel gedaan. En ze heeft gelogen.’

Bodenstein haalde diep adem en ging met een hand door zijn haar. Zelden had Pia haar chef zo radeloos gezien, zelfs niet toen hij had ontdekt dat de dochter van Vera Kaltensee hem drugs had toegediend en hem tot seksuele handelingen had aangezet om hem chantabel te maken. Deze kwestie raakte hem veel meer.

‘Wat doe ik als ik erachter kom dat ze... dat ze me bedriegt?’

‘Je hebt al eens eerder de plank misgeslagen wat haar gedrag betreft,’ stelde Pia hem gerust.

‘Toen was het anders,’ zei hij. ‘Zou jij de waarheid willen weten als je het idee had dat je werd bedrogen?’

‘Beslist.’

‘En als...’ Hij stokte. Pia zei niets. Ze hadden de meubelmakerij van Manfred Wagner in het industriegebied van Altenhain bereikt. Mannen, dacht ze. Allemaal hetzelfde. Met het nemen van beslissingen in hun baan hadden ze geen probleem. Maar zodra het om hun relatie ging en er gevoelens bij kwamen kijken, waren het allemaal grote lafaards.

*

Amelie wachtte tot haar stiefmoeder het huis uit was. Barbara had haar meteen geloofd toen ze zei dat het eerste lesuur vandaag was uitgevallen. Amelie grijnsde. Die vrouw was zo goedgelovig dat er geen lol aan was om tegen haar te liegen. Heel anders dan haar wantrouwige moeder. Die geloofde in principe geen woord, en daarom had Amelie er een gewoonte van gemaakt haar voor te liegen. Meestal slikte ze haar leugens eerder dan de waarheid.

Amelie wachtte tot Barbara met de kinderen in haar rode mini was weggereden, glipte de voordeur uit en rende naar het huis van Sartorius. Het was nog donker en er was geen mens op straat, ook Thies was in geen velden of wegen te bekennen. Haar hart bonkte toen ze over het donkere erf sloop, langs de schuur en het lange gebouw met de stallen, waar allang geen dieren meer waren. Ze liep vlak langs de muur, sloeg de hoek om, en bestierf het van de schrik toen er opeens twee gemaskerde gedaanten voor haar stonden. Voordat ze kon schreeuwen pakte een van hen haar beet en legde zijn hand op haar mond. Ruw draaide hij haar armen op haar rug en duwde haar tegen de muur. De pijn was zo hevig dat ze geen lucht meer kreeg. Hoe kwam die vent erbij haar pijn te doen? En wat hadden die kerels hier ’s ochtends om half acht te zoeken? Amelie had in haar leven al heel wat bedreigende situaties meegemaakt, en ook nu voelde ze na de eerste schrik geen angst – alleen woede. Verbeten verzette ze zich tegen zijn ijzeren greep, ze schopte om zich heen en probeerde haar aanvaller het masker met de twee spleetjes van het hoofd te trekken. Met de moed der wanhoop slaagde ze erin haar mond vrij te maken. Ze zag een stuk huid direct voor haar ogen, een onbedekt stukje tussen zijn handschoen en de mouw van zijn jas, en beet zo hard ze kon. De man slaakte een gesmoorde kreet en gooide Amelie op de grond. Hij noch zijn metgezel had op zo’n heftige tegenstand gerekend, ze hijgden van inspanning en kwaadheid. Ten slotte verkocht de tweede man Amelie een trap in haar ribben die haar adem deed stokken. Toen sloeg hij met zijn vuist in haar gezicht. Amelie zag alleen nog sterretjes, en haar instinct schreeuwde haar toe dat ze moest blijven liggen en haar mond moest houden. Ze hoorde hoe haastige voetstappen zich verwijderden, toen was het doodstil, afgezien van haar eigen gejaagde ademhaling.

‘Shit,’ zei ze en probeerde moeizaam overeind te komen. Haar kleren waren doorweekt en vuil. Warm bloed liep over haar kin en druppelde op haar handen. Die klootzakken hadden haar behoorlijk pijn gedaan.

*

De meubelmakerij van Wagner en het aanpalende woonhuis zagen eruit alsof het geld halverwege de bouw op was geraakt. Muren zonder pleisterwerk, het erf half bestraat, half geasfalteerd, vol kuilen – het zag er minstens zo deprimerend uit als het terrein van Sartorius. Overal lagen houten balken en planken opgestapeld, sommige met mos bedekt; ze zagen eruit alsof ze er al jaren lagen. In plastic verpakte deuren stonden tegen de muur van de werkplaats geleund, alles was smerig.

Pia belde aan bij de voordeur van het woonhuis en vervolgens bij de deur met het opschrift ‘kantoor’, maar er gebeurde niets. Binnen in de werkplaats brandde licht, dus duwde ze de ijzeren deur open en ging naar binnen. Bodenstein volgde haar. Het rook er naar nieuw hout.

‘Hallo?’ riep ze. Ze liepen dwars door de werkplaats, waar het een grote bende was, en troffen achter een stapel planken een jongeman aan met oortjes in, die met zijn hoofd op de maat van de muziek wiegde. Hij was met één hand iets aan het lakken, desondanks had hij een sigaret in zijn mond. Toen Bodenstein hem op zijn schouder tikte, draaide hij zich met een ruk om. Met een schuldbewust gezicht deed hij de oortjes uit.

‘Maak uw sigaret uit,’ zei Pia, en hij gehoorzaamde direct. ‘Wij zoeken de heer of mevrouw Wagner. Zijn die hier ergens?’

‘In het kantoor boven,’ zei de jongen. ‘Denk ik tenminste.’

‘Dank u.’ Pia bespaarde zichzelf de moeite hem op de brandvoorschriften te wijzen en ging op zoek naar zijn chef, die het allemaal weinig uit leek te maken. Ze vonden Manfred Wagner in een piepklein kantoortje zonder ramen dat zo was volgestouwd dat je er met zijn drieën nauwelijks een plaats kon vinden. De man had de hoorn naast de haak gelegd en las in bild. Op klandizie werd hier kennelijk geen prijs gesteld. Toen Bodenstein op de geopende deur klopte om zijn aanwezigheid kenbaar te maken, keek hij onwillig uit zijn lectuur op.

‘Ja?’ Hij was midden vijftig en rook ondanks het vroege uur naar alcohol. Zijn bruine overall leek wekenlang geen wasmachine vanbinnen te hebben gezien.

‘Meneer Wagner?’ zei Pia. ‘Wij zijn van de recherche in Hofheim en zouden graag met u en uw vrouw spreken.’

Hij werd lijkbleek en staarde haar met zijn roodomrande, waterige ogen aan als een konijntje een slang. Op hetzelfde moment stopte er buiten een auto voor het huis, een autodeur viel in het slot.

‘Daar... daar komt... mijn vrouw,’ hakkelde Wagner. Andrea Wagner kwam de werkplaats binnen, haar hakken tikten op de betonnen vloer. Ze had kort geblondeerd haar en was broodmager. Ooit moest ze knap zijn geweest, maar nu zag ze er afgetobd uit. Verdriet, verbittering en de onzekerheid over het lot van haar dochter hadden diepe rimpels op haar gezicht achtergelaten.

‘We zijn gekomen om u te vertellen dat het stoffelijk overschot van uw dochter Laura is gevonden,’ zei Bodenstein, nadat hij zich aan mevrouw Wagner had voorgesteld. Even was het stil. Manfred Wagner barstte in snikken uit. Er liep een traan over zijn ongeschoren wangen en hij verborg zijn gezicht in zijn handen. Zijn vrouw bleef kalm.

‘Waar?’ vroeg ze alleen.

‘Op het terrein van het oude militaire vliegveld in Eschborn.’

Andrea Wagner slaakte een diepe zucht. ‘Eindelijk.’

In dat ene woord was meer opluchting te horen dan ze in tien zinnen had kunnen uitdrukken. Hoeveel dagen en nachten van vergeefse hoop en bange zorg hadden die twee mensen achter zich? Hoe moest het zijn om onophoudelijk door de spoken van het verleden te worden achtervolgd? De ouders van het andere meisje waren vertrokken, maar de Wagners konden het bedrijf, waarmee ze in hun levensonderhoud voorzagen, niet opgeven. Zij moesten blijven, terwijl de hoop op terugkeer van hun dochter steeds verder slonk. Het moesten elf helse jaren van onzekerheid zijn geweest. Misschien zou het helpen als ze hun dochter konden begraven en afscheid van haar konden nemen.

*

‘Nee, laat maar,’ zei Amelie afwerend. ‘Het is niet zo erg. Dat wordt een blauwe plek, meer niet.’

Ze ging zich hier niet uitkleden om Tobias de plek te laten zien waar die ene hufter haar met zijn schoen had geraakt. Het was al pijnlijk genoeg om voor hem te zitten, smerig en lelijk als ze was.

‘Maar die wond zou gehecht moeten worden.’

‘Onzin, dat komt wel goed.’

Tobias had gekeken of hij een geest zag toen ze even over half acht voor de deur had gestaan, overdekt met bloed en vuil, en hem vertelde dat ze juist door twee gemaskerde mannen was overvallen, buiten, op zijn erf! Hij had haar op een keukenstoel gezet en voorzichtig het bloed van haar gezicht af gebet. Haar bloedneus was gestopt, maar de wond boven haar wenkbrauwen, waarvan de randen met twee pleisters provisorisch tegen elkaar waren geplakt, zou weer gaan bloeden.

‘Dat doe je echt goed,’ zei Amelie met een scheve grijns, en ze trok aan haar sigaret. Ze voelde zich trillerig, haar hart bonkte, en dat had niets met de overval te maken, maar met Tobias. Van dichtbij en bij daglicht zag hij er nog veel beter uit dan ze had gedacht. Wanneer hij haar met zijn handen aanraakte stond ze onder stroom, en hoe hij haar telkens met zijn ongelooflijk blauwe ogen aankeek, zo bezorgd en ernstig – het werd haar bijna te veel. Geen wonder dat alle meisjes in Altenhain vroeger achter hem aan hadden gelopen!

‘Ik vraag me af wat ze hier wilden,’ zei ze, terwijl Tobias met het koffiezetapparaat bezig was. Ze keek nieuwsgierig rond. In dit huis waren dus die twee meisjes vermoord, Sneeuwwitje en Laura.

‘Waarschijnlijk hebben ze mij opgewacht en werden ze door jou verrast,’ zei hij. Hij zette twee kopjes en de suikerpot op tafel en pakte melk uit de ijskast.

‘Dat zeg je zomaar! Ben je niet bang?’

Tobias leunde tegen het aanrecht en sloeg zijn armen over elkaar. Hij hield zijn hoofd schuin en keek haar aan. ‘Wat moet ik dan doen? Me verstoppen? Weglopen? Dat plezier gun ik ze niet.’

‘Weet je wie het geweest zijn?’

‘Niet precies. Maar ik heb wel zo’n idee.’

Amelie voelde dat ze het warm kreeg van zijn blik. Wat was er toch aan de hand? Zoiets was haar nog nooit overkomen! Ze durfde hem nauwelijks in zijn ogen te kijken; hij zou wel eens kunnen merken wat voor een chaos aan gevoelens hij in haar losmaakte. Het koffiezetapparaat bracht ongezonde, rochelende geluiden voort en braakte stoomwolken uit.

‘Die mag wel weer eens worden ontkalkt,’ stelde ze vast. Ineens glimlachte hij, zijn sombere gezicht klaarde op en onderging een ongelooflijke verandering. Amelie staarde hem aan. Opeens overviel haar het onzinnige verlangen hem te beschermen, hem te helpen.

‘Die koffiemachine heeft niet de hoogste prioriteit.’ Hij grijnsde. ‘Eerst moet ik buiten de boel opruimen.’

Op hetzelfde moment klonk de schelle deurbel. Tobias ging naar het raam, de glimlach verdween van zijn gezicht.

‘Alweer die smerissen,’ zei hij, opeens gespannen. ‘Je kunt maar beter verdwijnen. Ik wil niet dat ze je hier zien.’

Ze knikte en stond op. Hij nam haar mee door de hal en wees naar een deur.

‘Daarlangs kom je door de melkkeuken in de stal. Red je dat in je eentje?’

‘Ja hoor. Ik ben niet bang. Het is nu licht, die kerels zullen heus niet meer buiten rondhangen,’ zei ze met gespeelde onverschilligheid. Ze keken elkaar aan. Amelie sloeg haar ogen neer.

‘Dank je,’ zei Tobias zacht. ‘Je bent een dapper meisje.’

Amelie wuifde zijn woorden weg en draaide zich om. Toen schoot Tobias nog iets te binnen.

‘Wacht even,’ zei hij. Ze stond stil.

‘Ja?’

‘Waarom was je eigenlijk op het erf?’

Amelie aarzelde even. ‘Ik heb op de krantenfoto de man herkend die je moeder van de brug heeft geduwd,’ antwoordde ze. ‘Het is Manfred Wagner, Laura’s vader.’

*

‘U weer.’ Tobias Sartorius maakte er geen geheim van dat de politie niet erg welkom was. ‘Ik heb niet veel tijd. Is er nog wat?’

Pia rook iets: de geur van verse koffie hing in de lucht.

‘Hebt u visite?’ vroeg ze. Daarnet dacht Bodenstein een vrouw achter het keukenraam te hebben gezien, een vrouw met donker haar.

‘Nee.’ Tobias bleef met zijn armen over elkaar in de deur staan. Hij vroeg hen niet binnen te komen, hoewel het was begonnen te regenen. Ook goed.

‘U moet hebben gewerkt als een paard,’ stelde Pia met een vriendelijke glimlach vast. ‘Het ziet er fantastisch uit.’

Haar vriendelijkheid was vruchteloos. Tobias Sartorius bleef gesloten, zijn lichaamshouding straalde een en al afwijzing uit.

‘We wilden u mededelen dat het stoffelijk overschot van Laura Wagner is gevonden,’ zei Bodenstein nu.

‘Waar?’

‘Dat moet u eigenlijk beter weten dan wij,’ zei Bodenstein kil. ‘Ten slotte hebt u het lijk van Laura op de avond van de zesde september 1997 in de kofferbak van uw auto daar naartoe vervoerd.’

‘Nee, heb ik niet.’ Tobias fronste zijn voorhoofd, maar zijn stem bleef kalm. ‘Ik heb Laura niet meer gezien nadat ze ervandoor is gegaan. Maar dat heb ik zeker al honderd keer gezegd, niet?’

‘Laura’s skelet werd gevonden bij bouwwerkzaamheden op het voormalige militaire vliegveld in Eschborn,’ zei Pia. ‘In een ondergrondse tank.’

Tobias keek haar aan en slikte. In zijn ogen stond onbegrip te lezen.

‘Op het vliegveld,’ zei hij zacht bij zichzelf. ‘Daar was ik nooit opgekomen.’

Zijn afwijzende houding was opeens verdwenen. Hij leek pijnlijk getroffen, overstuur zelfs. Pia realiseerde zich dat hij elf jaar de tijd had gehad om zichzelf voor te bereiden op de confrontatie met zijn daad. Hij moest erop hebben gerekend dat de lichamen van de meisjes op een dag zouden worden gevonden. Misschien had hij zijn reactie ingestudeerd, had hij er uitgebreid over nagedacht hoe hij verrast kon overkomen. Aan de andere kant: waarom zou hij dat doen? Hij had zijn straf uitgezeten, wat kon het hem schelen of de lijken werden gevonden? Ze dacht eraan hoe Hasse de man had beschreven: arrogant, aanmatigend, ijskoud. Klopte dat wel?

‘Het interesseert ons of Laura al dood was toen u haar in de tank hebt gegooid,’ zei Bodenstein. Pia keek aandachtig naar Tobias. Hij was lijkbleek, rond zijn mond speelde een zenuwtrek, alsof hij op het punt stond in tranen uit te barsten.

‘Daar kan ik u geen antwoord op geven,’ zei hij vlak.

‘Wie dan?’ vroeg Pia.

‘Die vraag houdt me al elf jaar dag en nacht bezig.’ Hij kon zijn stem met moeite beheersen. ‘Het kan me niet schelen of u me gelooft of niet. Ik ben er allang aan gewend als de boosdoener te worden beschouwd.’

‘Misschien was uw moeder er nu heel wat beter aan toe geweest als u toentertijd had verteld wat u met de meisjes hebt gedaan,’ merkte Bodenstein op. Tobias stopte zijn handen in de zakken van zijn jeans.

‘Wil dat zeggen dat u hebt ontdekt welke schoft mijn moeder van de brug heeft geduwd?’

‘Nee, nog niet,’ gaf Bodenstein toe. ‘Maar we gaan er inmiddels van uit dat het iemand uit het dorp was.’

Tobias snoof – een kort, vreugdeloos lachje.

‘Hartelijk gefeliciteerd met die ongelooflijk scherpzinnige conclusie,’ zei hij op spottende toon. ‘Ik zou u kunnen helpen, want ik weet wie het heeft gedaan. Maar waarom zou ik?’

‘Omdat die persoon een strafbaar feit heeft begaan,’ antwoordde Bodenstein. ‘U moet ons vertellen wat u weet.’

‘Ik moet helemaal niets.’ Tobias Sartorius schudde zijn hoofd. ‘Misschien zijn jullie beter dan jullie toenmalige collega’s. Mijn moeder, mijn vader en ik zouden er namelijk heel wat beter aan toe zijn als de politie destijds haar werk naar behoren zou hebben gedaan en de echte moordenaar had gepakt.’

Pia wilde sussend tussenbeide komen, maar Bodenstein was haar voor. ‘Natuurlijk.’ Zijn stem klonk sarcastisch. ‘U bent onschuldig, nietwaar? Dat kennen we. Onze gevangenissen zitten vol met onschuldigen.’

Tobias nam hem met een strak gezicht op. In zijn ogen smeulde nauwelijks ingehouden woede. ‘Die dienders zijn allemaal hetzelfde: arrogant en ijdel,’ siste hij minachtend. ‘Jullie hebben geen flauw idee wat hier aan de hand is. En nu wegwezen! Laat me eindelijk met rust!’

Voordat Pia en Bodenstein konden reageren gooide hij de deur voor hun neus dicht.

‘Dat had je niet moeten zeggen,’ zei Pia verwijtend toen ze terugliepen naar de auto. ‘Nu heb je hem tegen ons in het harnas gejaagd, en weten we nog steeds niets.’

‘Ik had toch gelijk!’ Bodenstein bleef staan. ‘Heb je zijn ogen gezien? Die kerel is tot alles in staat, en als hij werkelijk weet wie zijn moeder van de brug heeft geduwd, dan is die persoon in gevaar.’

‘Je bent vooringenomen,’ verweet Pia hem. ‘Na een gevangenisstraf van ruim tien jaar, die hij misschien werkelijk ten onrechte heeft uitgezeten, komt hij thuis en stelt vast dat alles is veranderd. Zijn moeder wordt aangevallen en raakt zwaargewond, en onbekenden uit het dorp besmeuren zijn ouderlijk huis. Geen wonder dat hij woedend is.’

‘Kom nou, Pia! Je gelooft toch niet dat die vent ten onrechte voor een dubbele moord is veroordeeld?’

‘Ik geloof niets. Maar ik ben in de stukken over de zaak op tegenstrijdigheden gestuit en heb zo mijn twijfels.’

‘Die man is ijskoud. En wat de reacties van de dorpelingen betreft, daar kan ik zelfs begrip voor opbrengen.’

‘Zeg, je wilt toch niet goedpraten dat die muren bekladden en collectief een delinquent dekken!’ Pia schudde ongelovig haar hoofd.

‘Ik zeg niet dat ik dat goedkeur,’ zei Bodenstein. Ze stonden onder de boog van de poort als een oud echtpaar te ruziën, en merkten niet dat Tobias Sartorius het huis verliet en er via het erf aan de achterkant vandoor ging.

*

Andrea Wagner kon de slaap niet vatten. Laura’s lichaam was gevonden, of liever wat ervan over was. Eindelijk, eindelijk was de onzekerheid voorbij. Ze had allang niet meer op een wonder gehoopt. Eerst had ze alleen enorme opluchting gevoeld, maar toen was het verdriet gekomen. Elf jaar lang had ze zich zichzelf niet toegestaan te huilen of te rouwen, had ze zich groot gehouden en haar man gesteund, die zich volledig aan zijn verdriet om zijn verloren kind had overgegeven. Zelf kon ze het zich niet veroorloven om in te storten. Er was de firma, die moest blijven draaien om de schulden aan de bank te kunnen betalen. En haar jonge kinderen, die ook recht op een moeder hadden. Manfred had al zijn energie en levenslust verloren, was een blok aan haar been geworden met zijn huilerige zelfmedelijden en zijn drankzucht. Soms minachtte ze hem daarom. Hij maakte het zich wel erg gemakkelijk met zijn haat jegens de familie van Tobias.

Andrea Wagner opende de deur naar Laura’s kamer, waar al elf jaar niets aan was veranderd. Manfred stond daarop, en zij accepteerde dat. Ze knipte het licht aan, pakte de foto van het bureau en ging op het bed zitten. Ze wachtte op de tranen; tevergeefs. In gedachten ging ze terug naar het moment dat de politie aan de deur kwam, elf jaar geleden, en haar mededeelde dat Tobias Sartorius naar aanleiding van het sporenonderzoek als de moordenaar van haar dochter werd beschouwd.

Hoezo Tobias? had ze verward gedacht. Er waren haar onmiddellijk tien anderen te binnen geschoten die een heel wat betere reden hadden om wraak te nemen op Laura dan Tobias. Andrea Wagner was ervan op de hoogte geweest wat er in het dorp over haar dochter werd gefluisterd. Ze werd uitgemaakt voor snolletje, een berekenend klein kreng met ambities. Manfred adoreerde zijn oudste dochter blind, maar Andrea had Laura’s tekortkomingen gezien en gehoopt dat die zouden verdwijnen als ze zou opgroeien. Daartoe had het meisje geen kans meer gehad. Vreemd eigenlijk, dat het haar zo’n moeite koste om zich mooie gebeurtenissen met Laura te herinneren. Ze had de onprettige zaken, waarvan er een aantal waren geweest, veel levendiger in herinnering. Laura had neergekeken op haar vader en zich voor hem geschaamd. Ze had een vader als Claudius Terlinden willen hebben, die manieren en macht had, en dat had ze Manfred in zijn gezicht gezegd, te pas en te onpas. Zonder een spier te vertrekken had Manfred die vernederingen geslikt, het had niets afgedaan aan zijn liefde voor zijn knappe dochter. Maar Andrea was geschokt en had begrepen hoe slecht ze haar dochter kende, en dat ze blijkbaar in haar opvoeding was tekortgeschoten. Tegelijk was ze bang geworden. Wat zou er gebeuren als Laura erachter zou komen dat ze een verhouding had met Claudius, haar chef?

Nachtenlang had ze wakker gelegen en over haar dochter gepiekerd. De jaren daarna had ze heel wat meer reden om ongerust te zijn, want Laura deed het met alle jongens van het dorp – tot ze uiteindelijk Tobias ontmoette. Opeens was ze een ander mens, vrolijk en tevreden. Tobias deed haar goed. Ongetwijfeld was hij iets bijzonders; hij zag er goed uit, was een uitstekende leerling en sportman, de andere jongens luisterden naar hem. Hij was precies wat Laura altijd had gewild, en zijn glans straalde af op haar, zijn vriendin. Een half jaar ging alles goed – tot Stefanie Schneeberger naar Altenhain kwam. Laura zag meteen in dat ze een concurrente had en knoopte vriendschap met haar aan, maar tevergeefs. Tobias werd verliefd op Stefanie en maakte het uit met Laura. Die nederlaag kwam ze nauwelijks te boven. Wat zich die zomer precies tussen die jonge mensen had afgespeeld wist Andrea Wagner niet, maar ze wist wel dat Laura met vuur speelde toen ze haar vrienden tegen Stefanie opzette. Ze had Laura bij het kopieerapparaat in het kantoor aangetroffen, waar ze een grote stapel kopieën had gemaakt. Laura draaide door, toen ze die wilde bekijken. Er ontstond knallende ruzie, en in de opwinding vergat Laura het origineel in de machine. Er stond maar één zin in vette letters op het witte papier: sneeuwwitje moet sterven. Andrea Wagner had het vel dubbelgevouwen en bewaard, maar het niet aan haar man of de politie laten zien. De gedachte dat háár kind iemand anders dood wenste, was onverdraaglijk voor haar. Was Laura misschien slachtoffer van haar eigen intriges geworden? Ze had haar mond gehouden, de zaken op hun beloop gelaten en avond in avond uit aangehoord hoe Manfred Wagner zijn dochter ophemelde.

‘Laura,’ mompelde ze, terwijl ze met haar wijsvinger over de foto ging. ‘Wat heb je gedaan?’

Opeens rolde er een traan over haar wang, toen nog een. Ze knipperde met haar ogen, ging met een hand over haar gezicht. Niet vanwege rouw vulden haar ogen zich met tranen; het was eerder haar slechte geweten: ze had nooit van haar dochter gehouden.

*

Het was half twee toen hij voor haar huis stond. Drie uur lang had hij in het wilde weg rondgereden. Er was vandaag zo veel op hem afgekomen dat hij het thuis niet meer had uitgehouden. Eerst Amelie die overdekt met bloed voor hem stond. De schok, toen hij haar zag. Het was niet haar bebloede gezicht dat zijn adrenalinespiegel tot de hoogte van de Mount Everest had opgestuwd, maar haar ongelooflijke gelijkenis met Stefanie. Toch was ze heel anders. Ze was niet de kleine, ijdele schoonheidskoningin die hem had bedwelmd, verleid en ingepalmd, alleen om hem daarna ijskoud te dumpen. Amelie was een indrukwekkend meisje. En ze leek heel gemakkelijk in de omgang te zijn.

En vervolgens was de politie op het toneel verschenen. Laura’s lichaam was gevonden. Omdat het zo hard regende was hij gestopt met het opruimen van het erf en had hij zijn woede uitgeleefd op het uitmesten van zijn kamer. Hij rukte de idiote posters van de muur en stopte de inhoud van de kasten en alle laden resoluut in blauwe vuilniszakken. Weg met die troep! Opeens had hij een cd in zijn hand. Time to Say Goodbye van Sarah Brightman en Andrea Bocelli. Stefanie had hem de cd cadeau gedaan, omdat ze elkaar bij dat liedje voor het eerst hadden gekust, in juni, op het eindexamenfeest. Hij zette het nummer op, maar was niet voorbereid op het gevoel van leegte dat hem bij het eerste akkoord overviel, en dat hem nu nog steeds in zijn greep had. Nooit eerder had hij zich zo eenzaam, zo verlaten gevoeld, zelfs niet in de gevangenis. Toen had hij nog op betere tijden kunnen hopen, maar nu wist hij dat die niet zouden komen. Zijn leven was voorbij.

Het duurde even voor Nadja hem binnenliet. Hij was al bang dat ze niet thuis zou zijn. Hij kwam niet om met haar te slapen, dat was niet in hem opgekomen, maar zoals ze nu voor hem stond en met haar ogen slaperig tegen het felle licht knipperde, met haar verwarde blonde haar op haar schouder, zo lief en warm, werd hij overweldigd door een golf van seksueel verlangen die sterker was dan hij ooit voor mogelijk had gehouden.

‘Wat...’ vroeg ze, maar Tobias smoorde de rest van haar vraag met een kus, trok haar tegen zich aan, wachtte er eigenlijk op dat ze zich zou verweren, hem van zich af zou duwen. Maar het tegendeel was het geval. Ze trok zijn natte leren jas van zijn schouders, knoopte zijn hemd open en trok zijn T-shirt omhoog. Het volgende moment lagen ze al op de grond, hij drong onstuimig bij haar binnen, voelde haar tong in zijn mond en haar handen op zijn billen, hem aansporend harder en sneller te stoten. Veel te vroeg voelde hij de vloedgolf naderbij komen, de hitte die hem het zweet deed uitbreken. Toen overviel het hem, zo geweldig, zo bevrijdend dat hij luid kreunde, een kreunen dat een gesmoorde kreet werd. Terwijl zijn hart tekeerging lag hij een paar seconden boven op haar en kon nauwelijks geloven wat hij had gedaan. Hij liet zich opzij glijden, bleef met gesloten ogen op zijn rug liggen en hapte naar lucht als een vis op het droge. Ze lachte zacht, hij opende zijn ogen.

‘Wat is er?’ fluisterde hij verward.

‘Ik denk dat we nog wat moeten oefenen,’ zei ze. Met een elegante beweging kwam ze overeind en reikte hem de hand. Hij pakte die, ging kermend staan en volgde haar naar de slaapkamer nadat hij zich van zijn schoenen en zijn jeans had ontdaan. De geesten van het verleden waren verdwenen. Althans voor het moment.