Maandag, 17 november 2008

De voltallige K11 had zich in de vergaderkamer rond de grote tafel verzameld; afgezien van Hasse was iedereen aanwezig, zelfs Behnke, die nog chagrijniger uit zijn ogen keek dan anders.

‘Excuses,’ zei Pia, en ze liep naar de enige overgebleven stoel. Ze trok haar jas uit, Nicola Engel wierp demonstratief een blik op haar horloge.

‘Twintig over acht,’ zei ze scherp. ‘We zijn hier niet bij de Rosenheim-cops. Wilt u het werk op de boerderij voortaan zo plannen dat het uw dienstrooster niet in de weg zit?’

Pia voelde dat haar gezicht begon te gloeien van verontwaardiging. Wat een domme koe!

‘Ik was nog snel in de apotheek om wat tegen verkoudheid te halen,’ antwoordde ze even scherp. ‘Of denkt u dat het beter is dat ik me ook ziek meld?’

De vrouwen keken elkaar een moment strak aan.

‘Dan is iedereen er nu wel,’ zei de hoofdcommissaris der recherche, zonder zich voor haar ongegronde aantijging te verontschuldigen. ‘We hebben een verdwenen meisje. De collega’s uit Eschborn hebben ons er vanochtend over ingelicht.’

Pia keek de kring rond. Behnke hing wijdbeens in zijn stoel en kauwde verwoed op zijn kauwgum. Voortdurend keek hij naar Kathrin, die zijn provocerende blikken met een vijandig gezicht en opeengeperste lippen beantwoordde. Pia herinnerde zich dat Bodenstein de week daarvoor op aansporing van dr. Engel een gesprek met Behnke had gevoerd. Wat was daar uit gekomen? In elk geval leek Behnke te weten dat Kathrin haar ontmoeting in het café in Sachsenhausen aan de chef had gemeld. De spanning tussen de twee was om te snijden. Bodenstein zat aan het hoofd van de tafel met een uitdrukkingsloos gezicht naar het tafelblad te staren, maar de kringen onder zijn ogen en de diepe rimpel tussen zijn wenkbrauwen verraadden dat er iets niet in orde was met hem. Ook Ostermann maakte een ongewoon geïrriteerde indruk. Hij zat tussen twee vuren. Behnke was zijn oude gabber, hij had hem altijd in bescherming genomen en zijn fouten toegedekt, maar de laatste tijd had hij zich er vaak aan geërgerd dat zijn collega keer op keer van zijn welwillendheid en hulpvaardigheid profiteerde. Maar met Kathrin Fachinger kon Ostermann goed opschieten – aan wiens kant stond hij?

‘Is die zaak in Wallau opgelost?’ vroeg Nicola Engel. Het duurde even voor Pia snapte dat de vraag aan haar was gericht.

‘Ja,’ zei ze, en haar gezicht betrok bij de herinnering aan de grootscheepse opsporingsactie van de technische recherche en forensisch artsen op de plaats van het ongeluk. ‘Er waren twee lijken, maar die vallen amper onder onze competentie.’

‘Hoezo?’

‘Het waren twee gebraden speenvarkens, die op een feest moesten worden bezorgd,’ legde Pia uit. ‘Het voertuig is bij het ongeval volledig uitgebrand omdat de man van de partyservice een paar flessen met butagas op de laadvloer had staan, die door de warmteontwikkeling de lucht in zijn gevlogen.’

Dr. Engel vertrok geen spier. ‘Des te beter. En het geval-Rita Cramer is een zaak voor het Openbaar Ministerie.’ Ze richtte zich tot Bodenstein. ‘Dan kunt u zich bezighouden met het verdwenen meisje. Waarschijnlijk duikt ze sowieso binnenkort weer op. Zaken waarbij jongeren vermist worden zijn in achtennegentig procent van de gevallen na enkele uren tot dagen opgelost.’

Bodenstein schraapte zijn keel. ‘Maar in twee procent niet,’ zei hij.

‘Spreekt u met de ouders en vrienden van het meisje,’ adviseerde dr. Engel hem. ‘Ik heb nu een afspraak bij het bka. Hou me op de hoogte.’

Ze stond op, knikte naar iedereen aan tafel en was vertrokken.

‘Wat hebben we?’ vroeg Bodenstein aan Ostermann toen ze de deur achter zich had dichtgetrokken.

‘Amelie Fröhlich, zeventien, uit Bad Soden,’ antwoordde hij. ‘Haar ouders hebben haar gisteren als vermist opgegeven. Zaterdagochtend werd ze door hen voor het laatst gezien. Maar omdat ze vroeger wel vaker van huis is weggelopen, hebben ze eerst afgewacht.’

‘Goed.’ Bodenstein knikte. ‘Pia en ik rijden naar de ouders van het meisje. Frank, jij en Fachinger rijden...’

‘Nee,’ onderbrak Kathrin haar chef. Hij keek haar verbaasd aan. ‘Ik rij absoluut niet met Behnke mee.’

‘Ik kan wel met Frank gaan,’ bood Ostermann haastig aan. Even was het doodstil. Behnke kauwde op zijn kauwgom en grijnsde tevreden.

‘Moet ik nou ook nog rekening gaan houden met de tere gevoelens van de afzonderlijke medewerkers?’ vroeg Bodenstein. De rimpel tussen zijn wenkbrauwen was dieper geworden; hij zag er ontegenzeglijk nijdig uit, iets wat bij hem zelden het geval was. Kathrin stak koppig haar onderlip naar voren. Een duidelijk geval van werkweigering.

‘Luister goed, mensen.’ Bodensteins stem klonk gevaarlijk kalm. ‘Het kan mij geen réét schelen wie hier momenteel met wie problemen heeft. We hebben werk te doen, en ik verwacht van jullie dat jullie mijn aanwijzingen opvolgen. Misschien ben ik in het verleden iets te gemakkelijk geweest, maar ik ben niet jullie jandoedel! Juffrouw Fachinger en de heer Behnke rijden nu naar de school van dat meisje en spreken daar met de leraren en haar klasgenoten. Als ze daarmee klaar zijn, nemen ze de buren van het meisje onder handen. Duidelijk?’

Het antwoord bestond uit een koppig zwijgen. En opeens deed Bodenstein iets wat hij nog nooit had gedaan. Hij sloeg met zijn vuist op tafel.

‘Of dat duidelijk is!’ brulde hij.

‘Ja,’ antwoordde Kathrin Fachinger ijzig. Ze stond op, pakte haar jas en haar tas. Behnke kwam eveneens overeind. Beiden verdwenen ze, en Ostermann trok zich terug in zijn kantoor.

Bodenstein haalde diep adem en keek Pia aan.

‘Tjonge.’ Met een scheve grijns ademde hij uit. ‘Dat lucht op.’

*

‘Altenhain?’ vroeg Pia verbaasd. ‘Ostermann had het toch over Bad Soden?’

‘Waldstraat 22.’ Bodenstein wees naar de tomtom van zijn bmw, waar hij gewoonlijk blindelings op vertrouwde, hoewel het ding hem vroeger een paar keer de verkeerde kant op had gestuurd. ‘Dat is in Altenhain. Dat hoort bij Bad Soden.’

Een onheilspellend voorgevoel bekroop Pia. Altenhain. Tobias Sartorius. Ze zou het nooit toegeven, maar ze voelde zelfs iets als sympathie voor de jonge man. Nu was er weer een meisje verdwenen, en ze kon alleen maar hopen dat hij er niets mee te maken had. Intussen twijfelde ze er geen moment aan hoe de dorpsbewoners zouden oordelen, om het even of hij een alibi had of niet. Haar onbehagen groeide toen ze het opgegeven adres van Arne en Barbara Fröhlich hadden bereikt. Het huis lag maar een paar meter van de achter oprit van het huis van Sartorius vandaan. Ze stopten voor een mooie bakstenen villa met een overhangend schilddak en een paar dakkapellen. De ouders verwachtten hen al. Ondanks zijn achternaam was Arne Fröhlich een ernstige man van ongeveer vijfenveertig met een kaal voorhoofd, dun zandkleurig haar en een bril met stalen montuur. Zijn gezicht vertoonde geen markante trekken. Hij was dik noch dun, van gemiddelde lengte, en zag er zo gewoon uit dat het weer opvallend was. Zijn vrouw, op zijn hoogst begin dertig, was zijn tegenpool, namelijk uitgesproken aantrekkelijk. Donkerblond, glanzend haar, expressieve ogen, een regelmatig gezicht, een brede mond, een beetje een wipneus. Wat zag zij in haar man?

Alle twee waren ze bezorgd maar heel kalm; geen spoor van de hysterie die ouders van verdwenen kinderen doorgaans aan de dag leggen. Barbara Fröhlich gaf Pia een foto. Amelie was blijkbaar ook een opvallende verschijning, zij het op een heel andere manier dan haar moeder: haar grote, donkere ogen waren zwaar aangezet met kohl en eyeliner, ze droeg verschillende piercings in haar wenkbrauwen, onderlip en het kuiltje van haar kin. Ze had haar zwarte haar zorgvuldig getoupeerd en zo gefixeerd dat het als een plank tegen haar hoofd zat. Onder al die camouflage was Amelie een knap meisje.

‘Ze is er wel vaker vandoor gegaan,’ antwoordde haar vader juist op Bodensteins vraag waarom hij zijn dochter zo laat als vermist had opgegeven. ‘Amelie is de dochter uit mijn eerste huwelijk, en ze is een beetje... hm... moeilijk. Een halfjaar geleden hebben we haar bij ons opgenomen, voordien woonde ze bij mijn ex-vrouw in Berlijn, en daar had ze ook grote problemen met... de politie.’

‘In welk opzicht?’ vroeg Bodenstein. Arne Fröhlich had zichtbaar moeite met het antwoord.

‘Winkeldiefstal, drugs, huisvredebreuk en landloperij,’ somde hij op. ‘Het kwam voor dat ze wekenlang verdwenen was. Op een gegeven moment kon mijn ex-vrouw het absoluut niet meer aan en vroeg me Amelie in huis te nemen. Daarom hebben we eerst rondgebeld en afgewacht.’

‘Maar toen viel me op dat ze geen kleren had meegenomen,’ vulde Barbara Fröhlich aan. ‘Niet eens het geld dat ze met haar werk als serveerster had verdiend. Dat vond ik vreemd. En haar identiteitsbewijs heeft ze ook hier gelaten.’

Bodenstein stelde de gebruikelijke vragen: ‘Had Amelie ruzie met iemand? Waren er problemen op school of met vrienden?’

‘Nee, integendeel,’ antwoordde haar stiefmoeder. ‘Ik had zelfs de indruk dat ze de laatste tijd een positieve ontwikkeling had doorgemaakt. Haar haar zat niet meer zo wild en ze had kleren van me geleend. Gewoonlijk draagt ze alleen zwarte kleren, maar opeens trok ze een rok aan en een blouse...’ Ze zweeg.

‘Is een jongen misschien de reden voor die verandering?’ vroeg Pia. ‘Mogelijk heeft ze iemand via internet leren kennen en is ze naar hem toe gegaan.’

Arno en Barbara Fröhlich keken elkaar radeloos aan en haalden hun schouders op.

‘We lieten haar heel vrij,’ zei haar vader nu. ‘De laatste tijd was Amelie ook heel betrouwbaar. Mijn chef, meneer Terlinden, heeft haar een serveerstersbaantje in Het Zwarte Ros bezorgd, omdat ze zelf haar geld wilde verdienen.’

‘Problemen op school?’

‘Ze heeft niet zo veel vriendinnen,’ antwoordde Barbara Fröhlich. ‘Ze is graag op zichzelf. Veel heeft ze niet over school verteld, ze is er ook pas sinds september. De enige met wie ze regelmatig contact heeft is Thies Terlinden, de zoon van de buren.’

Even perste Arne Fröhlich zijn lippen op elkaar. Het was hem aan te zien dat hij die vriendschap niet goedkeurde.

‘Wat bedoelt u daarmee?’ vroeg Pia. ‘Zijn die twee een paar?’

‘O nee.’ Barbara Fröhlich schudde haar hoofd. ‘Thies is... nou ja... anders. Hij is autistisch, woont bij zijn ouders en zorgt voor de tuin.’

Op Bodensteins verzoek bracht Barbara Fröhlich hen naar Amelies kamer. Die was groot en vriendelijk en had twee ramen, waarvan er een op straat uitkeek. De muren waren kaal; de posters van popsterren die meisjes van Amelies leeftijd graag ophingen, waren niet te bekennen. Barbara Fröhlichs verklaring daarvoor was dat Amelie vond dat ze hier alleen ‘op doorreis’ was.

‘Volgend jaar, op haar achttiende verjaardag, wil ze meteen terug naar Berlijn,’ zei ze. Er klonk oprechte spijt in haar stem.

‘Hoe is uw verhouding met uw stiefdochter?’ Pia liep door de kamer, opende de laden van het bureau.

‘We kunnen goed met elkaar opschieten. Ik ben terughoudend met regels. Als je Amelie streng aanpakt protesteert ze niet, maar trekt ze zich in zichzelf terug. Ik denk dat ze me inmiddels vertrouwt. Tegenover haar halfzusjes gedraagt ze zich vaak onbehouwen, maar ze zijn alle twee erg aan haar gehecht. Als ik er niet ben, speelt ze samen met hen met hun Playmobil of leest hen voor.’

Pia knikte. ‘Onze collega’s zullen haar computer meenemen,’ zei ze. ‘Heeft Amelie een dagboek bijgehouden?’

Ze tilde de laptop op en zag iets wat haar ergste vermoedens bewaarheid deed worden. Op de onderlegger was een hart getekend. En daarin stond in krulletters een naam geschreven: Tobias.

*

‘Ik maak me zorgen om Thies,’ antwoordde Christine Terlinden op de geïrriteerde vraag van haar man wat er zo dringend kon zijn dat ze hem speciaal uit een vergadering naar huis had laten komen ‘Hij is... helemaal in de war.’

Claudius Terlinden schudde zijn hoofd en liep de trap af naar het souterrain. Toen hij de deur van Thies’ kamer opende, zag hij meteen dat de woorden ‘in de war’ van zijn vrouw nogal eufemistisch waren geweest. Thies knielde met een wezenloze blik poedelnaakt in het midden van de kamer op de vloer, in een volmaakte cirkel van kinderspeelgoed, en sloeg zichzelf voortdurend met zijn vuist in het gezicht. Het bloed liep uit zijn neus over zijn kin, er hing een doordringende urinelucht. De aanblik was een schok voor Terlinden en riep pijnlijke herinneringen op aan een ver verleden. Lange tijd had hij geweigerd te accepteren dat zijn oudste zoon geestesziek was. De diagnose, autisme, had hij niet willen horen. De dwangmatigheden in Thies’ gedrag waren angstaanjagend; erger nog was de weerzinwekkende gewoonte van de jongen alles kapot te maken en met uitwerpselen en urine te besmeuren. Christine en hij waren bij lange na niet opgewassen tegen de problemen en hadden geen andere oplossing gezien dan het kind op te sluiten en hem bij andere mensen uit de buurt te houden. Maar toen de jongen met de jaren steeds woester en agressiever werd, konden ze hun ogen er niet langer voor sluiten. Met tegenzin had Claudius Terlinden zich in het ziektebeeld van zijn zoon verdiept, en via gesprekken met artsen en therapeuten was hij te weten gekomen dat er geen uitzicht op genezing was. Daniela Lauterbach, hun buurvrouw, had hem ten slotte uitgelegd wat Thies nodig had om enigszins normaal te kunnen leven met zijn ziekte. Het was belangrijk dat hij zich in een bekende omgeving bevond, waarin bij voorkeur niets veranderde en weinig onverwachte dingen gebeurden. Ook was het belangrijk dat Thies in zijn eigen, sterk geritualiseerde wereld kon leven, waarin hij zich kon terugtrekken. Een tijdje ging alles goed, tot de twaalfde verjaardag van de jongen. Die dag gebeurde er iets wat Thies volkomen van zijn stuk bracht. Hij ging zo tekeer dat hij bijna zijn broer doodde en zichzelf ernstig verwondde. Toen was de maat vol voor Claudius Terlinden, en de razende en tierende jongen was in een gesloten jeugdafdeling van een psychiatrische inrichting opgenomen, waar hij drie jaar lang verbleef. Hij werd daar met kalmerende middelen behandeld, en er was verbetering in zijn toestand gekomen. Tests hadden uitgewezen dat Thies bovengemiddeld intelligent was. Helaas kon hij niets met die intelligentie beginnen, omdat hij opgesloten zat in zijn eigen wereld, volledig afgegrendeld van zijn omgeving en zijn medemensen.

Drie jaar later had Thies voor het eerst de inrichting waarin hij woonde mogen verlaten om zijn ouderlijk huis te bezoeken. Hij was rustig en vreedzaam, maar leek wel doof. In het huis was hij meteen naar het souterrain gegaan en was begonnen zijn oude speelgoed op een rij te zetten. Urenlang had hij dat gedaan, het was een bevreemdende aanblik. Dankzij de medicijnen kwam het geen enkele keer tot een uitbarsting. Thies begon zelfs wat ontvankelijker te worden. Hij hielp de tuinman, hij begon met schilderen. Weliswaar at hij aan tafel nog steeds met zijn kinderbestek van zijn teddybeerbordje, maar hij dronk, hij at, en gedroeg zich overwegend normaal. De artsen toonden zich buitengewoon tevreden met die ontwikkeling en adviseerden zijn ouders de jongen weer in huis te nemen. Sinds die tijd, nu al vijftien jaar geleden, was er geen enkel incident meer geweest. Thies bewoog zich vrijelijk door het dorp. De meeste tijd bracht hij in de tuin door, die hij zonder enige hulp had omgetoverd in een symmetrisch aangelegd park met buxushagen, bloemperken en een groot aantal mediterrane planten. En hij schilderde, vaak totdat hij volledig uitgeput was. Zijn grote doeken waren indrukwekkend: eigenzinnig, van een onrustbarende somberheid, beklemmende boodschappen uit de verborgen diepten van zijn autistische innerlijk. Thies had er geen bezwaar tegen dat zijn doeken werden tentoongesteld; twee keer was hij zelfs met zijn ouders naar de vernissage gegaan. En hij vond het ook niet erg om van zijn doeken afscheid te moeten nemen, zoals Claudius Terlinden aanvankelijk had gevreesd. Dus Thies schilderde, onderhield de tuin, en alles was in orde; zelfs zijn contacten met de buitenwereld onderhield hij zonder woede-uitbarstingen. Zo nu en dan zei hij een paar woorden. Hij leek aardig op weg de deur naar zijn innerlijk op een kleine kier te zetten. En nu dit. Wat een terugslag! Zwijgend en met grote bezorgdheid sloeg Claudius Terlinden zijn zoon gade. De aanblik sneed hem door de ziel.

‘Thies!’ zei hij zacht, vervolgens iets strenger: ‘Thies!’

‘Hij heeft zijn medicijnen niet ingenomen,’ fluisterde Christine Terlinden achter hem. ‘Imelda heeft ze op de wc gevonden.’

Claudius Terlinden ging de kamer binnen en knielde buiten de cirkel neer. ‘Thies,’ zei hij zacht. ‘Wat is er met je?’

‘Watisermetje,’ herhaalde Thies toonloos, terwijl hij zichzelf als een mechanisch uurwerk in zijn gezicht sloeg. ‘Watisermetje... watisermet je... watisermetje...’

Terlinden zag dat hij iets in zijn vuist klemde. Toen hij de arm van zijn zoon wilde vastpakken, sprong Thies ineens op en stortte zich op zijn vader, sloeg met zijn vuisten op hem in en schopte naar hem. Claudius Terlinden werd door zijn aanval verrast; instinctief verdedigde hij zich, maar Thies was geen kleine jongen meer – het was een volwassen man, zijn spieren gestaald door het werk in de tuin. Hij had een verwilderde blik in zijn ogen, speeksel en bloed druppelden van zijn kin. Buiten adem verweerde Claudius Terlinden zich tegen zijn zoon, als door een waas hoorde hij het hysterische geschreeuw van zijn vrouw. Ten slotte slaagde hij erin Thies’ vuist met geweld te openen en de inhoud van hem af te pakken. Op handen en voeten kroop hij naar de deur. Thies volgde hem niet, maar stootte een huiveringwekkend gehuil uit en bleef ineengedoken op de vloer liggen.

‘Amelie,’ brabbelde hij. ‘Amelie Amelie Amelie Amelie Amelie. Wat isermetje... watisermetje... watisermetje... papa... papa... papa...’

Hijgend kwam Claudius Terlinden overeind. Hij trilde over zijn hele lichaam. Zijn vrouw staarde hem aan met haar handen voor haar mond geslagen, haar ogen vol tranen. Terlinden vouwde het stuk papier open en schrok zich een ongeluk. Op de verkreukelde foto lachte Stefanie Schneeberger hem toe.

*

Arne en Barbara Fröhlich waren zaterdagochtend met hun twee kleine kinderen naar vrienden in de Rheingau gereden en pas ’s avonds laat thuisgekomen. Die avond had Amelie in Het Zwarte Ros gewerkt; toen ze om middernacht nog niet terug was, had haar vader met het restaurant gebeld. Van de ontstemde bazin hoorde hij dat Amelie even over tienen was vertrokken, hoewel ze omkwamen in het werk. Daarna hadden de Fröhlichs elke klasgenoot en vriend van haar dochter gebeld van wie ze een telefoonnummer konden vinden. Tevergeefs. Niemand had Amelie gezien of met haar gesproken.

Bodenstein en Pia ondervroegen Jenny Jagielski, de waardin van Het Zwarte Ros, en die bevestigde wat Arne Fröhlich eerder had verteld. De hele avond had Amelie een merkwaardig verstrooide indruk gemaakt, en ze had in de keuken voortdurend geprobeerd te telefoneren. Om tien uur werd ze gebeld en was er zomaar vandoor gegaan. En zondagochtend was ze niet zoals gewoonlijk voor de brunch verschenen. Nee, ze had niet gehoord van wie het telefoontje kwam dat Amelie haar werk zo overhaast had doen verlaten; ook het overige personeel had geen idee. Die avond was het een gekkenhuis in het restaurant geweest.

‘Stop even bij de winkel,’ zei Pia tegen Bodenstein toen ze weer over de hoofdstraat reden. ‘Het kan geen kwaad om daar ons licht eens op te steken.’

Het bleek dat ze op het goede moment waren gekomen. Laat op de maandagochtend was Margot Richters winkeltje kennelijk het centrale trefpunt van de vrouwelijke bevolking van Altenhain. Dit keer waren de dames heel wat spraakzamer dan bij hun vorige bezoek.

‘Precies zo is het de laatste keer ook begonnen,’ zei kapster Inge Dombrowski, en alle aanwezigen knikten instemmend. ‘Ik wil niks zeggen, maar Willi Paschke heeft me verteld dat hij Amelie op Sartorius zijn erf heeft gezien.’

‘Ik zag ook dat ze laatst hun huis in ging,’ zei een andere vrouw, en ze legde uit dat ze schuin tegenover hen woonde en het pand goed kon zien.

‘Bovendien is ze dikke maatjes met onze dorpsgek,’ wist een dikke vrouw die bij het fruit stond te melden.

‘Ja, precies.’ Drie of vier andere vrouwen beaamden het volmondig.

‘Met wie?’ vroeg Pia.

‘Met Thies Terlinden,’ zei de kapster. ‘Die heeft ze niet allemaal op een rijtje. ’s Nachts sluipt hij door het dorp en het bos. Het zou me niets verbazen als hij dat meisje wat heeft aangedaan.’

De vrouwen knikten instemmend. Een verdachtmaking was kennelijk snel gemaakt in Altenhain. Bodenstein en Pia zeiden er niets van, ze lieten de sensatiebeluste vrouwen maar praten; die slepen enthousiast hun messen, alsof ze waren vergeten dat de politie erbij was.

‘De Terlindens hadden die vent allang in een gesticht moeten stoppen,’ zei een vrouw opgewonden. ‘Maar niemand hier durft die ouwe te zeggen waar het op staat.’

‘Natuurlijk! Omdat ze hem knijpen voor hun baan!’

‘De laatste die wat tegen Terlinden heeft gezegd was Albert Schneeberger. En toen is zijn dochter verdwenen, en hij is vertrokken.’

‘Is wel raar hoe Terlinden Sartorius heeft geholpen. Misschien hadden die twee jongens er toch wat mee te maken.’

‘Lars is daarna ook rap uit Altenhain vertrokken.’

‘Ik heb gehoord dat Terlinden de moordenaar nu zelfs een baantje heeft aangeboden! Dat geloof je toch niet! In plaats van ervoor te zorgen dat hij hier ophoepelt!’

Even was het doodstil in de winkel. Iedereen leek over de betekenis van haar woorden na te denken. Opeens kakelden ze allemaal door elkaar heen. Pia besloot te doen alsof ze nergens iets vanaf wist.

‘Sorry!’ riep ze, in een poging de aandacht te trekken. ‘Wie is eigenlijk die Terlinden over wie u het hebt?’

De dames werden zich er opeens pijnlijk van bewust dat ze niet onder elkaar waren. De een na de ander verliet met een smoesje de winkel, de meesten met een lege boodschappentas. Margot Richter bleef over, zittend achter haar kassa. Tot nu toe had ze niet deelgenomen aan de gesprekken. Zoals het een goede winkelierster betaamt spitste ze weliswaar haar oren, maar bleef onpartijdig.

‘Dat was de bedoeling niet,’ zei Pia verontschuldigend, maar de vrouw nam het gelaten op.

‘Die komen wel weer terug,’ zei ze. ‘Claudius Terlinden is de chef van de firma Terlinden, verderop in het industriegebied. Die familie en het bedrijf zitten al ruim honderd jaar hier in Altenhain. En zonder hen zou er hier weinig te doen zijn.’

‘Hoe bedoelt u?’

‘De Terlindens zijn heel royaal. Ze ondersteunen de verenigingen, de Kerk, de basisschool, de plaatselijke bieb. Dat is een soort familietraditie van ze. En de helft van het dorp werkt daar in het bedrijf. Die ene zoon van ze, die Thies, dat is een heel rustige vent. Die doet geen vlieg kwaad. Ik kan me niet voorstellen dat hij dat meisje wat heeft gedaan.’

‘À propos, kent u Amelie Fröhlich?’

‘Ja, natuurlijk.’ Ze lachte ietwat geforceerd. ‘Die kun je nauwelijks over het hoofd zien, zoals die zich aankleedt! Bovendien werkt ze voor mijn dochter in Het Zwarte Ros.’

Pia knikte en maakte een notitie. Haar chef liet haar weer eens compleet in de steek, hij stond afwezig naast haar en zei geen woord.

‘Wat denkt u dat er met het meisje gebeurd kan zijn?’

Margot Richter aarzelde even. Haar blik schoot kort naar rechts en Pia wist meteen wie ze verdacht, want vanachter de kassa kon mevrouw Richter precies De Gouden Haan zien. Het gepraat over Terlindens zoon was schijnheilig. In werkelijkheid verdacht iedere inwoner Tobias Sartorius, die iets dergelijks tenslotte al eerder had gedaan.

‘Ik heb geen idee wat er is gebeurd,’ zei Margot Richter ontwijkend. ‘Misschien duikt ze wel weer op.’

*

‘Tobias Sartorius loopt groot gevaar te worden gelyncht,’ zei Pia oprecht bezorgd toen ze weer op de K11 waren. ‘Vrijdagavond werd hij in zijn schuur overvallen en in elkaar geslagen. Bovendien krijgt zijn vader keer op keer anonieme dreigbrieven, en dan heb ik het nog niet eens over het bekladden van het huis.’

Ostermann was al aan de slag gegaan met Amelies laptop en haar dagboek, dat tot zijn ergernis voor het grootste deel was geschreven in een code die hij niet kon ontcijferen. Kathrin Fachinger en Frank Behnke waren tegelijk met Bodenstein en Pia gearriveerd en hadden niets echt veel nuttigs te melden. Amelie zou geen intieme vriendinnen hebben, hield zich afzijdig, en praatte in de bus alleen met de twee klasgenoten die ook in Altenhain woonden. Maar Amelie interesseerde zich, vertelde een van beide meisjes, bijzonder voor Tobias Sartorius en de vreselijke gebeurtenissen van elf jaar geleden, en ze had daar voortdurend vragen over gesteld. Ja, ze had ‘die vent’ kennelijk ook gesproken, een paar keer zelfs.

Ostermann kwam met een fax de vergaderkamer binnen. ‘Het gespreksoverzicht van Amelies mobiele telefoon is binnen,’ zei hij. ‘Zaterdagavond om 22.11 uur was het laatste telefoontje. Ze heeft een vast nummer in Altenhain gebeld, ik heb het al nagetrokken.’

‘Sartorius?’ vermoedde Bodenstein.

‘Ja, precies. De verbinding duurde maar zeven seconden, blijkbaar werd er niet gesproken. Daarvoor heeft ze dat nummer twaalf keer gebeld en steeds direct opgehangen. Na 22.11 uur stond haar mobieltje uit. Er kan geen profiel uit de locatiegegevens worden opgesteld, omdat het toestel alleen met de enige gsm-cel in Altenhain in verbinding stond, en die heeft een bereik van zo’n vijf kilometer.’

‘Er werden geen binnenkomende gesprekken geregistreerd?’ vroeg Bodenstein, en Ostermann schudde zijn hoofd.

‘Wat heeft de computer opgeleverd?’

‘Ik heb nog niet eens het wachtwoord kunnen kraken.’ Ostermann trok een lang gezicht. ‘Maar ik heb haar dagboek doorgebladerd, de passages die ik kon ontcijferen tenminste. Tobias Sartorius, ene Thies en ene Claudius komen veel voor.’

‘In welk verband?’

‘Voor Sartorius en die Claudius scheen ze zich te interesseren. In welk opzicht kan ik nog niet beoordelen.’

‘Goed.’ Bodenstein keek de kring rond, zijn oude vastberadenheid was teruggekeerd. ‘Het meisje is nu een kleine veertig uur verdwenen. Ik wil de hele mikmak: minstens twee eenheden van honderd man, honden, een helikopter met infraroodcamera. Meneer Behnke, u organiseert een bijstandsteam. Ik wil dat elke beschikbare politieman de dorpsbewoners ondervraagt. Juffrouw Fachinger, u laat de bussen en de taxicentrales nagaan. Het gaat om de periode van zaterdag tussen tien uur ’s avonds en, laten we zeggen, twee uur ’s nachts. Nog vragen?’

‘We zouden met die Thies en zijn vader moeten praten,’ zei Pia. ‘En met Tobias Sartorius.’

‘Ja. Dat kunnen wij tweeën nu meteen doen.’ Bodenstein keek om zich heen. ‘Ach, Ostermann. Pers, radio, televisie en de gebruikelijke registratie in het vermistepersonensysteem. Om zes uur zien we elkaar hier weer.’

*

Een uur later wemelde het in Altenhain van de politie. Een politiehondenbrigade was onderweg met speciaal getrainde man-trailers: honden die een vier weken oud spoor nog konden oppikken en volgen. Honderd man mobiele eenheid kamden systematisch de in kaartvierkanten ingedeelde weilanden en bossen rond het dorp uit. Een helikopter met een infraroodcamera scheerde over de boomtoppen, rechercheurs van bijstandsteam ‘Amelie’ belden bij elk huis en appartement van Altenhain aan. Alle deelnemers aan de actie waren gemotiveerd en hadden goede hoop dat het meisje snel zou worden gevonden en ongedeerd was, maar daarnaast was iedereen zich ervan bewust dat er met smart op een snel resultaat werd gewacht en dat de druk enorm was. Bodensteins telefoon stond roodgloeiend. Hij liet het autorijden aan Pia over en coördineerde de actie hoogst geconcentreerd. Wegversperringen bij het huis van de Fröhlichs moesten voorkomen dat Amelies ouders door nieuwsgierige omstanders en de pers zouden worden lastigvallen. De hondenbegeleiders zouden beginnen te zoeken op de plek waar ze het laatst was gezien, namelijk Het Zwarte Ros. Ja, een vriendin van de Fröhlichs mocht naar binnen, de pastoor ook. Ja, de foto’s van de flitspaal aan de rand van het dorp moesten worden onderzocht. Nee, burgers dienden niet te assisteren bij de zoekactie. Net toen ze voor De Gouden Haan stopten, belde dr. Engel om te informeren naar de stand van zaken.

‘Zodra er iets te melden valt, bent u natuurlijk de eerste die ik op de hoogte stel,’ zei Bodenstein kortaf, en hij zette het geluid van zijn mobieltje uit.

Hartmut Sartorius opende de voordeur op een kier en keek hen van achter de veiligheidsketting aan.

‘Wij willen uw zoon spreken, meneer Sartorius,’ zei Bodenstein. ‘Laat ons binnen alstublieft.’

‘Verdenkt u hem nu elke keer als er een meisje te laat thuiskomt?’ Het klonk onvriendelijk, bijna agressief.

‘U hebt het al gehoord?’

‘Ja. Natuurlijk. Zoiets doet snel de ronde.’

‘Wij verdenken Tobias niet.’ Bodenstein bleef heel kalm, omdat hij zag hoe nerveus Hartmut Sartorius was. ‘Maar Amelie heeft de avond dat ze verdween dertien keer naar uw vaste nummer gebeld.’

De voordeur ging dicht, en zwaaide na enig gerammel van de veiligheidsketting wijd open. Hartmut Sartorius rechtte zijn rug en leek zijn best te doen om autoritair over te komen. Maar zijn zoon zag er vreselijk uit. Hij zat ineengedoken op de bank in de woonkamer, zijn gezicht misvormd door de bloeduitstortingen, en gaf Bodenstein en Pia slechts een flauw knikje toen ze binnenkwamen.

‘Waar was u tussen zaterdagavond tien uur en zondagochtend?’ wilde Bodenstein van hem weten.

‘Dus toch!’ riep zijn vader. ‘Mijn zoon was de hele avond thuis. De avond ervoor werd hij in onze schuur overvallen en halfdood geslagen!’

Bodenstein liet zich niet uit zijn evenwicht brengen. ‘Amelie heeft zaterdagavond om elf over tien uw nummer gebeld. Er werd ook opgenomen, maar zo kort dat er waarschijnlijk niets is gezegd. Ze had eerder al een paar keer hiernaartoe gebeld.’

‘We hebben een antwoordapparaat dat meteen aanslaat,’ legde Sartorius uit. ‘Vanwege alle anonieme telefoontjes en scheldpartijen.’

Pia keek naar Tobias. Hij staarde nietsziend voor zich uit en leek het gesprek in het geheel niet te volgen. Ongetwijfeld vermoedde hij welke donkere wolken zich daarbuiten samenpakten.

‘Welke reden kan Amelie hebben gehad u te bellen?’ vroeg ze op de man af. Hij haalde zijn schouders op.

‘Meneer Sartorius,’ zei ze scherp. ‘Er is een meisje uit de buurt, dat contact met u had, verdwenen. U zult daarmee in verband worden gebracht, of u wilt of niet. We willen u alleen helpen.’

‘Ja hoor,’ zei Hartmut Sartorius bitter. ‘Dat is precies wat uw collega’s destijds ook hebben gezegd. “We willen je alleen maar helpen, jongen. Zeg maar waar je de meisjes hebt verstopt!” En vervolgens werd mijn zoon evengoed door niemand geloofd. Gaat u maar. Zaterdag was Tobias de hele avond thuis!’

Opeens liet Tobias van zich horen. ‘Laat maar, papa.’ Hij kwam moeizaam overeind, zijn gezicht vertrokken van de pijn. ‘Ik weet dat je het goed bedoelt.’

Hij keek Pia aan. Zijn ogen waren rood.

‘Zaterdagmiddag ben ik Amelie toevallig tegengekomen. Verderop, bij het bos. Ze wilde me dringend iets vertellen. Blijkbaar had ze iets over die oude kwestie ontdekt. Maar toen kwam Nadja, en Amelie vertrok. Waarschijnlijk heeft ze daarom later geprobeerd te bellen. Ik heb geen mobiele telefoon, dus zal ze het op het vaste nummer hebben geprobeerd.’ Pia dacht aan haar ontmoeting met Nadja von Bredow zaterdag, en aan haar zilveren Cayenne. Het zou kunnen kloppen.

‘Wat heeft ze u verteld?’ wilde Bodenstein weten.

‘Niet zo veel, jammer genoeg,’ antwoordde Tobias. ‘Ze zei dat er iemand was die toentertijd alles had gezien, ze had het over Thies en een paar schilderijen, waar onder anderen Lauterbach op zou staan.’

‘Wie?’

‘Gregor Lauterbach.’

‘De minister van Cultuur?’

‘Ja, precies. Die woont direct naast Amelies vader. Hij was vroeger de leraar van Laura en Stefanie.’

‘En ook die van u, nietwaar?’ Pia herinnerde zich de verslagen die ze had gelezen, en die vervolgens uit het dossier waren verdwenen.

‘Ja,’ bevestigde Tobias, en hij knikte. ‘In de bovenbouw was hij mijn leraar Duits.’

‘Wat is Amelie over hem te weten gekomen?’

‘Geen idee. Zoals ik al zei, Nadja dook op en Amelie zei niets meer, alleen dat ze me later alles zou vertellen.’

‘Wat hebt u gedaan nadat Amelie was vertrokken?’

‘Nadja en ik hebben nog wat gepraat, toen zijn we hiernaartoe gereden en zaten we een halfuurtje in de keuken, tot ze weg moest om haar vlucht naar Hamburg te halen.’ Tobias Sartorius vertrok zijn gezicht en ging met een hand door zijn ongekamde haar. ‘Ik ben daarna naar een vriend gegaan. We hebben daar met andere vrienden zitten drinken. Nogal veel.’

Hij keek op met een uitdrukkingsloos gezicht. ‘Helaas weet ik niet meer wanneer en hoe ik thuis ben gekomen. In mijn herinnering ontbreekt vierentwintig uur.’

Hartmut Sartorius schudde wanhopig zijn hoofd. Hij zag eruit alsof hij het liefst in tranen was uitgebarsten. In de plotselinge stilte was het gezoem van Bodensteins mobiele telefoon luid en duidelijk te horen. Hij nam op, luisterde en bedankte kort. Zijn ogen zochten die van Pia.

Hij richtte zich tot Tobias’ vader. ‘Wanneer is uw zoon thuisgekomen, meneer Sartorius?’ Deze twijfelde.

‘Zeg hem de waarheid, papa.’ Tobias stem klonk vermoeid.

‘Zondagnacht, om half twee ongeveer,’ zei zijn vader ten slotte. ‘Mevrouw Lauterbach, onze huisarts, heeft hem naar huis gebracht. Ze had hem gevonden toen ze ’s avonds laat van een spoedgeval terugkwam.’

‘Waar?’

‘Bij de bushalte voor de kerk.’

‘Bent u gisteren met de auto gegaan?’ vroeg Bodenstein aan Tobias.

‘Nee, ik ben gaan lopen.’

‘Hoe heten de vrienden met wie u zaterdag was?’ Pia pakte haar pen en noteerde de namen die Tobias noemde.

‘We zullen met die mensen praten,’ zei Bodenstein ernstig. ‘Maar ik moet u wel vragen beschikbaar te blijven.’

*

De leider van het zoekteam had Bodenstein gemeld dat Amelies rugzak was gevonden. Die lag in een bosje tussen de parkeerplaats van Het Zwarte Ros en de kerk – niet ver van de bushalte waar Tobias Sartorius zaterdagnacht door dokter Lauterbach was gevonden.

‘Destijds was het precies hetzelfde,’ zei Pia peinzend, terwijl ze het korte stukje reden naar de plek waar de rugzak was gevonden. ‘Tobias had gedronken en wist niets meer. Maar de officier van justitie en de rechtbank geloofden hem niet.’

‘Geloof jij hem wel?’ vroeg Bodenstein. Pia dacht na. Tobias Sartorius leek daarnet de waarheid te hebben gezegd. Hij was op het buurmeisje gesteld. Maar had hij de twee meisjes die hij tien jaar geleden had vermoord ook niet aardig gevonden? Destijds was er jaloezie in het spel geweest, gekwetste trots – dat kon wat Amelie betreft geen rol spelen. Had het meisje werkelijk iets ontdekt wat direct met de vroegere kwestie in verband stond, of had Tobias Sartorius het verzonnen?

‘Ik kan die oude zaak niet beoordelen,’ antwoordde ze. ‘Maar nu heeft Tobias niet tegen ons gelogen, denk ik. Hij weet het echt niet meer.’

Bodenstein onthield zich van commentaar. De intuïtie van zijn collega had hem regelmatig op het goede spoor gezet, en hij had inmiddels geleerd die te respecteren. De zijne had hem geregeld hopeloos laten verdwalen. Niettemin ging hij er niet van uit dat Tobias Sartorius onschuldig was, zoals Pia blijkbaar deed.

In de rugzak zaten Amelies portemonnee, haar iPod, make-up spullen en allerlei snuisterijen, maar geen mobiele telefoon. Daarmee stond één ding vast: ze was niet van huis weggelopen, er moest haar iets overkomen zijn. De speurhond was op de parkeerplaats het spoor bijster geraakt en wachtte nu ongeduldig hijgend met zijn baas op de volgende actie, die voor hem een spannend spelletje was. Pia, die de plattegrond van het dorp dankzij haar tekening goed in haar hoofd had, sprak met de beambten die een voor een naar de parkeerplaats terugkeerden. Het huis-aan-huisonderzoek had niets bruikbaars opgeleverd.

‘De hond heeft sporen gevonden aan de rand van het bos, overal in de straat waar het meisje woont, bij het huis van de buren, en bij hun tuinhuis,’ meldde de leider van de operatie.

‘Hoe heten die buren?’

‘Terlinden,’ antwoordde de beambte. ‘De vrouw zei tegen ons dat Amelie vaak bij haar zoon op bezoek kwam. Het is dus niet zeker dat het een vers spoor is.’ Hij zag er teleurgesteld uit. Niets was gênanter dan een zoekactie zonder resultaat.

*

Kai Ostermann was erin geslaagd het wachtwoord van Amelies computer te kraken. Hij had bekeken welke websites Amelie de laatste tijd op internet had bezocht. Tegen zijn verwachting in was ze zelden actief geweest op de gebruikelijke netwerksites, zoals Facebook en MySpace; ze had wel overal een gebruikersprofiel, maar ze deed er nauwelijks iets mee, en ze had ook niet veel contacten. Maar blijkbaar had ze wel uitgebreid onderzoek gedaan naar de oude moordzaak van 1997 en Tobias Sartorius’ veroordeling. Bovendien had ze zich voor de inwoners van Altenhain geïnteresseerd, ze had met verschillende zoekmachines naar namen gezocht. Voor de familie Terlinden leek ze grote interesse te hebben. Ostermann was teleurgesteld. Hij had gehoopt een of andere chatpartner of een verdachte kennis van internet tegen te zullen komen, iets wat tot concreet onderzoek zou leiden. De door Bodenstein belegde spoedvergadering, waarop vijfentwintig mensen zich in de vergaderkamer van de K11 verdrongen, leverde dan ook maar weinig op. De zoekactie was bij het invallen van de duisternis gestaakt. Dankzij de infraroodcamera’s van de helikopter was er een liefdespaar in een auto op een afgelegen parkeerplaats in het bos ontdekt, evenals een ree in doodsstrijd dat na een mislukt schot van een jager was ontkomen, maar van Amelie geen spoor. Ze hadden gesproken met de chauffeur van bus 803 van Bad Soden naar Königstein, die om 22.16 uur voor de kerk van Altenhain was gestopt, en met zijn collega, die even later in de andere richting was gepasseerd. Geen van beide mannen was een donkerharig meisje opgevallen. Ook de taxicentrales uit de omgeving hadden in die tijd geen meisje als passagier gehad. Een collega van K23 had iemand gevonden die zaterdagavond laat tijdens het uitlaten van zijn hond een man bij de bushalte had zien zitten, zo tegen half één.

‘We zouden het huis en het erf van Sartorius moeten laten doorzoeken,’ stelde Behnke voor.

Pia ging er meteen tegenin. ‘Waarom? Daar is toch geen aanleiding voor,’ zei ze, hoewel ze wist dat dat niet helemaal klopte. Helaas spraken de feiten duidelijk tegen Tobias Sartorius. Zijn vrienden hadden bevestigd dat hij tegen zeven uur in de garage was verschenen. Jörg Richter had hem aan het eind van de middag gebeld om hem uit te nodigen. Tobias had wel iets gedronken, maar niet zo veel dat hij er een dergelijke black-out van had kunnen krijgen. Tegen tienen had hij opeens de garage verlaten. Eerst hadden ze gedacht dat hij was gaan plassen, maar hij was niet teruggekomen.

‘Verdraaid, een zeventienjarig meisje van wie is bewezen dat ze contact had met een meisjesmoordenaar, is verdwenen,’ zei Behnke opgewonden. ‘Ik heb een dochter van die leeftijd, ik kan begrijpen hoe die ouders zich moeten voelen!’

‘Denk je dat je zelf kinderen moet hebben om je in de ouders te kunnen verplaatsen?’ beet Pia hem toe. ‘En als je toch bezig bent huiszoekingsbevelen te regelen, waarom laat je het huis van Terlinden dan ook niet meteen doorzoeken? Daar hebben de honden massa’s sporen gevonden!’

‘Dat kan wel zijn,’ kwam Bodenstein tussenbeide voordat het tussen de twee tot een ruzie zou komen ten overstaan van de verzamelde manschappen, ‘maar Amelies stiefmoeder heeft zelf gezegd dat het meisje meer dan eens bij de buren was. Het is dus de vraag of de sporen in dit geval relevant zijn.’

Pia zweeg. Tobias had zijn vader gevraagd de waarheid te zeggen, hoewel hij moest weten dat dit alles hem zou belasten. Hij had gewoon zijn mond moeten houden of zijn vader als alibi moeten gebruiken, zoals die hem eerst had aangeboden. Had hij ervan afgezien omdat dat eerder ook niet had gewerkt?

‘Ik denk dat Amelie iets is overkomen wat direct met de vroegere zaak heeft te maken,’ zei ze na een tijdje. ‘En ik denk ook dat er een paar mensen veel belang bij hebben dat geheimen geheim blijven.’

‘Onzin.’ Behnke schudde gedecideerd zijn hoofd. ‘Die vent heeft zichzelf niet in de hand als hij zuipt. Hij komt van de party, loopt Amelie tegen het lijf, en molt haar.’

Pia trok haar wenkbrauwen op. Zoals gewoonlijk had Behnke de neiging alles te versimpelen.

‘En wat heeft hij met het lijk gedaan? Hij was niet met de auto.’

‘Beweert hij.’ Behnke knikte naar het bord. ‘Moeten jullie dat meisje eens zien.’

Automatisch draaiden alle hoofden naar Amelies foto die op het bord was geplakt.

‘Ze lijkt precies op het meisje dat hij toen heeft vermoord. Die gast is ziek.’

‘Goed,’ zei Bodenstein. ‘Juffrouw Fachinger, u regelt het huiszoekingsbevel voor de woning, en een machtiging tot het doorzoeken van de auto en het erf van Sartorius. Meneer Ostermann, u houdt zich weer bezig met het dagboek. Alle anderen wordt verzocht beschikbaar te blijven, morgenochtend om acht uur pakken we de zoekactie weer op en breiden we het areaal uit.’

Het gezelschap schoof de stoelen opzij en ging uiteen. Nog steeds heerste er voorzichtig optimisme. Het merendeel van de beambten deelde de mening van Behnke en hoopte dat de huiszoeking bij Sartorius iets zou opleveren. Pia wachtte tot de collega’s de vergaderruimte uit waren, maar voordat ze haar bedenkingen tegen haar chef kon uitspreken, kwam dr. Nicola Engel binnen met twee heren in pak met stropdas.

‘Een ogenblik,’ zei ze tegen Behnke, die net wilde vertrekken. Pia en Kathrin Fachinger keken elkaar even aan en liepen samen de ruimte uit.

‘Mevrouw Fachinger? U kunt even buiten wachten.’ Met die woorden sloot dr. Engel de deur achter hen.

‘Zo,’ zei Kathrin op de gang. ‘Het zal me benieuwen.’

‘Wie zijn dat?’ vroeg Pia verbaasd.

‘Bureau Interne Onderzoeken.’ Kathrin maakte een tamelijk tevreden indruk. ‘Hopelijk nemen ze die hufter eens goed te pakken.’

Pas toen schoot Pia de cafékwestie met Behnke te binnen en Kathrins vergeefse weigering bij het onderzoek met hem samen te werken.

‘Hoe heeft hij zich vandaag eigenlijk tegenover jou gedragen?’ informeerde ze. Kathrin trok alleen haar wenkbrauwen op.

‘Jou hoef ik niks te vertellen,’ antwoordde ze. ‘Hij was ronduit weerzinwekkend. Heeft me ten overstaan van iedereen uitgekafferd alsof ik een of andere tuthola was. Ik heb mijn mond gehouden. Maar ik zal je één ding vertellen: als hij er weer zonder kleerscheuren van afkomt, vraag ik overplaatsing aan. Ik heb echt geen zin meer in die vent.’

Pia knikte. Ze snapte haar collega wel. Maar ze had het gevoel dat het voor Frank Behnke ditmaal niet met een sisser zou aflopen, want Nicola Engel had allang iets tegen hem, iets wat was ontstaan in de tijd dat ze samen bij de K11 in Frankfurt hadden gewerkt. Het zag er somber uit voor haar ongelikte collega, en daar was ze volstrekt niet rouwig om.