Woensdag, 19 november 2008
Zoals elke ochtend liep de wekker stipt om half zeven af, maar vandaag was het weksignaal overbodig, net als de voorgaande dagen. Gregor Lauterbach was allang wakker. Hij had de slaap niet meer kunnen vatten, omdat hij bang was voor Daniela’s vragen. Lauterbach richtte zich op en zwaaide zijn benen over de rand van het bed. Hij was nat van het zweet, voelde zich geradbraakt. De moed zonk hem in de schoenen bij de gedachte aan de talloze afspraken die hem wachtten. Hoe kon hij zich concentreren met die bedreiging in zijn achterhoofd, een tikkende, verraderlijke tijdbom? Gisteren had er weer een anonieme brief tussen de post voor kantoor gelegen, waarvan de inhoud nog angstaanjagender was dan die van de eerste:
Of jouw vingerafdrukken nog te vinden zijn op de autokrik die je in de gierput hebt gegooid? De politie zal achter de waarheid komen, en dan ben je erbij!
Wie was er op de hoogte van die details? Wie schreef die brieven? En waarom nu pas, na elf jaar? Gregor Lauterbach stond op en sleepte zich naar de badkamer ernaast. Met zijn handen steunend op de wastafel staarde hij naar zijn ongeschoren, slaapdronken gezicht in de spiegel. Zou hij zich ziek melden, onderduiken tot de storm die aan de horizon kwam opzetten was overgewaaid? Nee, onmogelijk. Hij moest verder leven als voorheen, hij mocht in geen geval gaan twijfelen. Zijn carrièreplanning hield niet op bij de functie van minister van Cultuur, hij zou in politiek opzicht nog heel wat meer kunnen bereiken als hij zich nu niet door schimmen uit het verleden liet intimideren. Hij kon niet toelaten dat één enkele misstap, die bovendien al elf jaar achter hem lag, zijn leven zou verwoesten. Lauterbach rechtte zijn rug en wierp zijn spiegelbeeld een vastberaden blik toe. In zijn functie had hij middelen en mogelijkheden tot zijn beschikking waar hij vroeger niet van had durven dromen. En daar zou hij gebruik van maken.
*
Het was nog donker toen Pia bij de gesloten poort van het landgoed van Terlinden aanbelde. Ondanks het vroege uur duurde het niet lang of de stem van mevrouw Terlinden klonk uit de intercom. Even later openden de deuren zich, alsof ze door een onzichtbare hand werden bewogen. Pia ging op de passagiersstoel van de dienstwagen zitten, die Bodenstein bestuurde. Gevolgd door een politieauto en een takelwagen reden ze over de nog maagdelijke sneeuw de bochtige oprijlaan op. Christine Terlinden wachtte hen op bij de voordeur met een vriendelijke glimlach, die op dat moment net zo misplaatst was als een beleefde groet, en daar nam Pia dus niet de moeite voor. Een goede morgen zou het in elk geval voor meneer Terlinden niet worden.
‘Wij willen graag met uw man praten.’
‘Ik heb het hem al verteld. Hij zal zo hier zijn. Maar komt u binnen.’
Pia knikte alleen, Bodenstein zweeg. Ze had hem gisteren nog gebeld en daarna nog een halfuur met de verantwoordelijke officier van justitie getelefoneerd, die geen toestemming had gegeven voor een arrestatiebevel, maar wel voor het doorzoeken van Terlindens auto, en dat ook bij de rechtbank had aangevraagd. Ze stonden in de imposante entree te wachten. De vrouw des huizes was verdwenen, ergens in een verre vleugel blaften de honden.
‘Goedemorgen!’
Bodenstein en Pia keken omhoog toen Claudius Terlinden van de bovenste verdieping de trap afdaalde, onberispelijk gekleed in pak en das. Ditmaal voelde Pia niets toen ze hem zag.
‘U bent vroeg op pad.’ Hij bleef glimlachend voor hen staan, zonder een hand te geven.
‘Waar komt die deuk in het spatbord van uw Mercedes vandaan?’ vroeg Pia plompverloren.
‘Hoe zegt u?’ Hij trok verbaasd zijn wenkbrauwen op. ‘Ik weet niet wat u bedoelt.’
‘Dan zal ik u een handje helpen.’ Pia keek hem strak aan. ‘Afgelopen zondag heeft een inwoner uit de Feldstraat aangifte gedaan van doorrijden na een ongeval, omdat iemand ’s nachts tegen zijn auto aan was gereden. Die had hij om tien voor twaalf voor zijn huis geparkeerd, en hij stond toevallig om 0.33 uur op zijn balkon een sigaretje te roken toen hij een klap hoorde. Hij kon de auto van de veroorzaker van het ongeval zien, en zelfs het kenteken ontcijferen: mtk – t 801.’
Terlinden sprak geen woord. Zijn glimlach was verdwenen. Zijn hals kleurde rood, vervolgens zijn gezicht.
‘De volgende ochtend werd de man gebeld.’ Pia zag dat ze een gevoelige snaar had geraakt en ging genadeloos verder. ‘Door u. U bood aan de hele zaak onderhands te regelen, en inderdaad – de man trok zijn aangifte in. Helaas was die daarna niet uit de politiecomputer verdwenen.’
Claudius Terlinden staarde Pia met een uitdrukkingsloos gezicht aan.
‘Wat wilt u van me?’ vroeg hij, terwijl hij zich met moeite beheerste.
‘U hebt gisteren tegen ons gelogen,’ zei ze met een vriendelijke glimlach. ‘Omdat ik u zeker niet meer hoef uit te leggen waar de Feldstraat is, vraag ik het nog eens: bent u, toen u van de firma terugkwam, langs Het Zwarte Ros gereden, of hebt u de sluiproute over het veld en de Feldstraat genomen?’
‘Wat heeft dit te betekenen?’ Terlinden wendde zich tot Bodenstein, maar die zweeg. ‘Wat wilt u insinueren?’
‘Die nacht is Amelie Fröhlich verdwenen,’ antwoordde Pia in Bodensteins plaats. ‘Rond de tijd dat u er op weg naar uw firma langs bent gereden, namelijk tegen half elf, werd ze voor het laatst bij Het Zwarte Ros gesignaleerd. Pas twee uur later, om half één, ging u terug naar Altenhain, en wel vanuit een andere richting dan u hebt beweerd.’
Hij schoof zijn onderlip vooruit, bekeek haar met samengeknepen ogen. ‘En daaruit maakt u op dat ik de dochter van een van mijn medewerkers heb opgewacht, in mijn auto heb getrokken en vermoord?’
‘Was dat een bekentenis?’ vroeg Pia koel.
Tot haar ongenoegen glimlachte Terlinden bijna geamuseerd.
‘Allerminst,’ antwoordde hij.
‘Vertelt u dan maar wat u tussen half elf en half één hebt gedaan. Of was het misschien helemaal niet half elf, maar kwart over tien?’
‘Het was half elf. Ik was in mijn kantoor.’
‘Had u twee uur nodig om de sieraden van uw vrouw in de safe te doen?’ Pia schudde haar hoofd. ‘Denkt u dat we achterlijk zijn?’
De situatie was honderdtachtig graden omgedraaid. Claudius Terlinden zat in de val, en hij wist het. Maar zelfs nu liet hij zich niet van zijn stuk brengen.
‘Met wie was u uit eten?’ vroeg Pia. ‘En waar?’
Hardnekkig zwijgen. Toen schoten Pia de camera’s te binnen die ze naast de poort van de firma had gezien toen ze laatst op de terugweg van Wagner langs het bedrijfsterrein was gereden.
‘We zouden eens kunnen kijken naar de opnamen van de bewakingscamera’s naast de poort van de firma,’ stelde ze voor. ‘Daarmee kunt u bewijzen dat u over het aangegeven tijdstip de waarheid hebt gezegd.’
‘U bent clever,’ zei Terlinden lovend. ‘Dat bevalt me. Helaas is het bewakingssysteem al vier weken defect.’
‘En de camera’s bij de poort aan het begin van de oprit?’
‘Die beelden worden niet opgeslagen.’
‘Tja, dat is dan niet zo goed voor u.’ Pia schudde haar hoofd met geveinsde spijt. ‘U hebt geen alibi voor de tijd rond Amelies verdwijning. Uw handen zijn geschramd, alsof u met iemand hebt gevochten.’
‘Aha.’ Claudius Terlinden bleef kalm, trok zijn wenkbrauwen op. ‘En nu? Arresteert u mij omdat ik een andere weg naar huis heb genomen?’
Pia beantwoordde zijn uitdagende blik en keek hem strak aan. Hij was een leugenaar, en misschien zelfs een misdadiger, maar hij wist heel goed dat haar vermoedens veel te vaag waren om een arrestatie te rechtvaardigen.
‘U bent niet gearresteerd, u wordt alleen in voorlopige hechtenis genomen.’ Ze slaagde erin te glimlachen. ‘En niet omdat u een andere route naar huis hebt genomen, maar omdat u tegen ons hebt gelogen. Als u een plausibel, verifieerbaar alibi voor die periode hebt, kunt u weer gaan.’
‘Goed.’ Claudius Terlinden haalde berustend zijn schouders op. ‘Maar geen handboeien, alstublieft. Ik ben allergisch voor nikkel.’
‘Ik neem niet aan dat u zult vluchten,’ zei Pia droog. ‘Overigens zijn onze handboeien van roestvrij staal.’
*
Juist toen hij het kantoor wilde verlaten, ging de telefoon op zijn bureau over. Lars Terlinden zat met smart te wachten op een telefoontje van de derivatenhandelaar van Crédit Suisse, met wiens hulp hij een groot deel van de kredietportfolio van de oplichter Mutzler aan de man had gebracht, voordat hij door het bestuur was gedaagd. Hij legde zijn aktetas neer en nam de telefoon op.
‘Lars, met mij,’ klonk de stem van zijn moeder. Het liefst had hij meteen weer opgehangen.
‘Alsjeblieft, moeder,’ zei hij. ‘Laat me met rust. Ik heb nu geen tijd.’
‘Vanochtend heeft de politie je vader gearresteerd.’
Lars kreeg het koud, en vervolgens warm.
‘Beter laat dan nooit,’ zei hij bitter. ‘Hij is nu eenmaal niet de Lieve Heer, die Altenheim naar eigen goeddunken kan bestieren alleen omdat hij meer geld heeft dan de rest. Eigenlijk is hij al veel te lang ongestraft weggekomen met zijn spelletjes.’
Hij liep om het bureau heen en ging op zijn stoel zitten.
‘Maar Lars! Je vader had toch altijd het beste met je voor!’
‘Niet waar,’ antwoordde Lars koel. ‘Hij had het beste voor met zichzelf en zijn firma. En destijds heeft hij de situatie uitgebuit, zoals hij elke situatie uitbuit, en heeft me een baan opgedrongen die ik nooit heb gewild. Moeder, geloof me, het zal me m’n reet roesten hoe het met hem is.’
Opeens was alles weer heel dichtbij. Alweer kwam zijn vader zich met zijn leven bemoeien, uitgerekend nu, op het moment dat hij al zijn kracht en concentratie nodig had om zijn job en zijn toekomst te redden! Woede kwam bij hem boven. Waarom lieten ze hem niet eindelijk met rust? Lang vergeten beelden drongen zich aan hem op, ongevraagde en ongewenste beelden, maar hij stond machteloos tegenover zijn herinneringen en de gevoelens die ermee gepaard gingen. Hij wist dat zijn vader in de logeerkamer op zolder regelmatig seks had met Laura’s moeder, die toentertijd als huishoudster in de villa had gewerkt, wanneer zijn eigen moeder niet thuis was. Maar voor hem was dat nog niet genoeg. Hij moest de dochter van zijn lijfeigene – en hij beschouwde al zijn werknemers en iedereen in het dorp als lijfeigenen – ook nog het bed in sleuren: ius primae noctis, als een feodale heer in de middeleeuwen!
Terwijl zijn moeder op klagende toon verder leuterde, dacht Lars terug aan die avond. Hij was van de bedrijfscursus naar huis gekomen en in de hal bijna tegen Laura aan gebotst toen die met een betraand gezicht langs hem naar buiten rende. Destijds begreep hij er niets van dat zijn vader met een vuurrode kop en verward haar uit de woonkamer kwam en zijn hemd in zijn broek stopte. Dat varken! Laura was toen net veertien geworden. Pas jaren later had Lars zijn vader verweten met Laura te hebben geslapen, maar die ontkende in alle toonaarden. Het meisje was verliefd op hem geweest, hij had haar toenaderingspogingen afgewezen. Lars had hem geloofd. Welke zeventienjarige wil slecht over zijn vader denken? Achteraf had hij aan zijn onschuld getwijfeld. Te vaak had zijn vader tegen hem gelogen.
‘Lars?’ vroeg zijn moeder. ‘Ben je daar nog?’
Hij bewaarde met moeite zijn kalmte. ‘Ik had de politie destijds de waarheid moeten vertellen,’ antwoordde hij. ‘Maar mijn eigen vader heeft me gedwongen te liegen, zodat dat zijn goede naam niet zou worden aangetast! Was is er nu weer gebeurd? Heeft hij opnieuw een meisje gepakt, en wordt het nu vermist?’
‘Hoe kun je zoiets vreselijks zeggen?’ Zijn moeder klonk geschokt. Christine Terlinden was een meester in zelfbedrog. Voor wat ze niet wilde horen of zien, was ze doof en blind.
‘Doe je ogen eens open, moeder!’ zei Lars scherp. ‘Ik zou heel wat meer kunnen zeggen, maar ik doe het niet. Omdat die bladzij voor mij omgeslagen is, snap je? Het is voorbij. Ik moet nu ophangen. Bel me alsjeblieft niet meer.’
*
Het restaurant waar Claudius Terlinden de zaterdagavond met zijn echtgenote en zijn vrienden had doorgebracht, lag in de Guiollettstraat, tegenover de twee glazen torens van de Deutsche Bank; dat had zijn vrouw de avond ervoor aan Pia laten weten.
‘Laat me hier uitstappen en kom me achterna als je een parkeerplaats gevonden hebt,’ zei Bodenstein toen Pia voor de derde keer vanaf de Taunusanlage de Guiollettstraat was ingereden. Het was onmogelijk om te parkeren voor de chique Ebony Club, en daarom stond er voor de ingang personeel in Engels koetsierskostuum klaar, die de limousines van de gasten onder hun hoede namen en voor de duur van hun bezoek in de ondergrondse garage parkeerden. Pia stopte aan de kant van de weg, Bodenstein stapte uit en liep met opgetrokken schouders door de plensregen naar de ingang. Hij werd niet tegengehouden toen hij het Please wait to be seated-bord voorbijliep. De chef de réception en de helft van het personeel waren in rep en roer omdat een of andere beroemdheid en zijn gevolg geen tafel hadden gereserveerd. Het restaurant was die middag goed gevuld, blijkbaar had de eetlust van de managers van de omliggende banken niet onder de crisis geleden en hadden ze nog steeds trek in de luxe lunch. Bodenstein keek nieuwsgierig om zich heen. Hij had al veel over de Ebony Club gehoord, het restaurant in koloniale Indische stijl was een van de duurste en beste van de stad. Zijn blik viel op een paar aan een tafel voor twee op de galerij, verder naar achteren. De adem stokte hem in de keel. Cosima. Geboeid luisterde ze naar een weerzinwekkend knappe man die met brede, temperamentvolle gebaren iets aan het uitleggen was. De manier waarop Cosima op haar stoel zat, licht voorovergebogen, leunend op haar ellebogen, haar kin op haar gevouwen handen, deed alle alarmbellen in zijn hoofd rinkelen. Ze veegde een haarlok uit haar gezicht, lachte om iets wat die vent had gezegd, en legde toen haar hand op de zijne. Bodenstein stond als een zoutpilaar te midden van het gewoel, het bedienend personeel snelde bedrijvig langs hem heen, alsof hij onzichtbaar was. Die ochtend nog had Cosima hem tussen neus en lippen door gezegd dat ze weer de hele dag in de montagekamer in Mainz moest werken. Had ze haar plannen op het laatste moment veranderd, of had ze hem bewust voorgelogen? Hoe had ze ook kunnen weten dat zijn onderzoek hem die middag nou net naar dat ene restaurant zou leiden?
‘Kan ik u helpen?’ Een jonge, mollige vrouw bleef met een ietwat ongeduldige glimlach voor hem staan. Zijn hart begon weer te kloppen met het geweld van een voorhamer. Hij trilde over zijn hele lichaam en was kotsmisselijk.
‘Nee,’ antwoordde hij, zonder zijn ogen van Cosima en haar begeleider af te wenden. De medewerkster wierp hem een vreemde blik toe, maar het interesseerde hem geen steek wat ze van hem dacht. Nog geen twintig meter van hem vandaan zat zijn vrouw bij een man met wie ze dolgraag – drie uitroeptekens – samen was. Bodenstein probeerde zich op zijn ademhaling te concentreren. Hij wilde dat hij in staat was gewoon naar de tafel toe te lopen en die vent plompverloren op zijn smoel te slaan. Maar omdat ijzeren zelfbeheersing en correcte manieren hem met de paplepel waren ingegoten, bleef hij domweg staan en deed niets. Automatisch registreerde de scherpe waarnemer in hem dat de twee heel vertrouwelijk met elkaar omgingen; nu bewogen ze hun hoofd naar elkaar toe en keken elkaar diep in de ogen. Uit zijn ooghoeken zag Bodenstein dat de jongedame van dienst de chef de réception, die inmiddels een geschikt plekje voor zijn beroemdheid had gevonden, op hem attent maakte. Óf hij moest nu naar Cosima en die kerel toe lopen, óf hij moest maken dat hij wegkwam. En omdat hij zichzelf niet de nietsvermoedende, aangenaam verraste kennis zag spelen, besloot hij tot het laatste. Hij maakte rechtsomkeert en verliet het overvolle restaurant. Toen hij de deur uit kwam staarde hij een ogenblik naar de schutting aan de overkant, en liep daarna als verdoofd de Guiollettstraat in. Zijn hart ging tekeer, hij had het gevoel dat hij moest overgeven. Het beeld van Cosima met die vent stond hem op het netvlies gebrand. Er was precies gebeurd waar hij bang voor was: nu wist hij zeker dat Cosima hem bedroog.
Opeens versperde iemand hem de weg. Hij wilde aan de kant gaan, maar de vrouw met paraplu deed ook een stap opzij, zodat hij moest blijven staan.
‘Ben je al klaar?’ De stem van Pia Kirchhoff doordrong de nevel die hem als een muur omringde en bracht hem op slag terug in de werkelijkheid. ‘Is Terlinden daar zaterdag geweest?’
Terlinden! Die was hij helemaal vergeten.
‘Ik... ik heb het helemaal niet gevraagd,’ gaf hij toe.
‘Is alles oké?’ Pia nam hem onderzoekend op. ‘Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien.’
‘Cosima zit daarbinnen,’ antwoordde hij toonloos. ‘Met een andere man. Maar vanochtend had ze gezegd...’
Hij kon niets meer uitbrengen, zijn keel was kurkdroog. Met knikkende knieën strompelde hij naar het dichtstbijzijnde huis en ging op een traptrede in het portiek zitten, zonder erop te letten dat die nat was. Pia keek hem zwijgend en naar hij meende meewarig aan. Hij sloeg zijn ogen neer.
‘Geef me een sigaret,’ zei hij schor. Pia zocht in de zakken van haar jas en overhandigde hem een pakje sigaretten en een aansteker. Al vijftien jaar had hij niet meer gerookt, en het ook niet gemist, maar nu moest hij constateren dat hij diep vanbinnen nog steeds naar nicotine verlangde.
‘De auto staat op de Kettenhofweg, hoek Brentanostraat.’ Pia hield hem de autosleutels voor. ‘Je kunt er beter in gaan zitten, je wordt nog doodziek zo.’
Hij pakte de sleutel niet aan en gaf geen antwoord. Het kon hem niets schelen dat hij nat werd of dat de voorbijgangers hem vreemd aanstaarden. Hoewel hij het diep in zijn hart allang had gedacht, had hij zich wanhopig vastgeklampt aan het idee dat er een onschuldige verklaring voor Cosima’s leugens en sms’jes bestond, en hij was er volstrekt niet op voorbereid geweest haar samen met een andere man te zien. Gretig trok hij aan de sigaret, inhaleerde de rook zo diep hij kon. Hij werd er duizelig van, alsof hij een joint rookte in plaats van een Marlboro. Geleidelijk aan ging de op hol geslagen mallemolen van zijn gedachten langzamer draaien, en kwam tot stilstand. In zijn hoofd heerste een diepe, lege stilte. Hij zat op een trap midden in Frankfurt, en voelde zich van God en alle mensen verlaten.
*
Lars Terlinden had de hoorn op de haak gegooid en zat nu al een paar minuten onbeweeglijk op zijn stoel. Boven wachtte het bestuur op hem. De heren waren speciaal uit Zürich overgekomen om te horen hoe hij de tweehonderdvijftig miljoen euro die hij was kwijtgeraakt, weer boven water dacht te krijgen. Helaas had hij geen oplossing paraat. Ze zouden hem aanhoren en vervolgens met hun valse glimlachjes aan stukken scheuren, die arrogante klootzakken, terwijl ze hem een paar jaar geleden vanwege die gigantische deal nog kameraadschappelijk op de schouder hadden geslagen. Opnieuw ging de telefoon over, ditmaal een interne oproep. Lars Terlinden negeerde het. Hij opende de bovenste bureaula en haalde er een vel briefpapier van het bedrijf en zijn Montblanc-vulpen uit, een cadeau van zijn chef uit betere tijden, die hij alleen gebruikte om contracten te ondertekenen. Een volle minuut staarde hij naar het lege, crèmekleurige vel, toen begon hij te schrijven. Zonder de tekst na te lezen vouwde hij papier dubbel en stak het in een gevoerde envelop. Hij schreef een adres op de envelop, stond op, pakte zijn aktetas en zijn jas, en verliet zijn kantoor.
‘Dat moet vandaag nog weg,’ zei hij tegen zijn secretaresse, en hij liet de envelop op haar bureau vallen.
‘Uiteraard,’ zei ze gepikeerd. Ooit was ze directieassistente geweest, en nog steeds vond ze het beneden haar stand secretaresse van een afdelingschef te zijn. ‘Denkt u aan uw afspraak?’
‘Natuurlijk.’ Hij liep alweer door, keurde haar geen blik waardig.
‘U bent al zeven minuten te laat!’
Hij liep de gang in. Vierentwintig stappen naar de lift, die geduldig met open deuren op hem leek te wachten. Boven, op de twaalfde verdieping, zat al zeven minuten het voltallige bestuur klaar. Zijn toekomst stond op het spel, zijn reputatie, ja, zijn hele leven. Achter hem glipten nog twee vrouwelijke collega’s van het backoffice de lift in. Hij kende ze oppervlakkig van gezicht, knikte ze afwezig toe. Ze giechelden en fluisterden met elkaar, beantwoordden zijn knikje. De deur ging geruisloos dicht. Hij schrok toen hij in de spiegel het gezicht van de man met het ingevallen gezicht zag, die hem met een doffe, moedeloze blik aankeek. Moe was hij, oneindig moe en opgebrand.
‘Waar wilt u heen?’ vroeg de brunette met de kalfsogen. ‘Naar boven of naar beneden?’
Haar vinger met de lange kunstnagel bleef afwachtend boven het digitale toetsenbordje hangen. Lars Terlinden kon zich niet losmaken van de aanblik van zijn gezicht in de spiegel.
‘Naar beneden,’ antwoordde hij. ‘Helemaal naar beneden.’
*
Pia Kirchhoff kwam de Ebony Club binnen en knikte de portier, die elegant de deur voor haar had opengedaan, vriendelijk toe. Onlangs hadden Chistoph en zij hier nog met Henning en Miriam gegeten. Vijfhonderd euro had Henning voor het eten moeten neertellen, zwaar overdreven volgens haar. Pia had geen hoge pet op van trendy locaties, cryptische menu’s en wijnkaarten met flessen waarvan de prijs in de duizenden euro’s kon lopen. Omdat ze wijn niet beoordeelde op het etiket maar afging op wat ze zelf lekker vond, volstond voor haar een Bardolino of een Chianti in de pizzeria op de hoek voor een geslaagde avond.
De chef de réception klauterde van zijn hoge kruk en stevende met een stralende glimlach op haar af. Pia hield zwijgend haar politiepenning voor zijn neus. Op slag koelde de warme glimlach een paar graden af. Een potentiële Maharadja menu-klant was voor zijn ogen opeens veranderd in een kikker, die bij niemand in de smaak viel. De recherche was nergens welkom, en al helemaal niet in een exclusief restaurant tijdens de middagspits.
‘Kunt u mij vertellen waar het om gaat?’ teemde de chef de réception.
‘Nee,’ antwoordde Pia droog. ‘Kan ik niet. Waar is de manager?’
De glimlach was volledig verdwenen, en daarmee ook zijn gekunstelde hoffelijkheid.
‘Wacht u hier.’ De man verwijderde zich, en Pia keek onopvallend rond. Inderdaad! Aan een van de tafeltjes zat Cosima von Bodenstein gezellig samen met een man die duidelijk tien jaar jonger was dan zij. Hij droeg een gekreukt wandelkostuum en een bij de hals openstaand hemd zonder das. Zijn nonchalante lichaamshouding straalde zelfvertrouwen uit. Zijn warrige donkerblonde haar reikte tot op zijn schouders, zijn hoekige gezicht met de agressief vooruitgestoken kin, de driedagenbaard met de markante adelaarsneus waren gelooid door weer en wind – of misschien door de alcohol, dacht Pia boosaardig. Cosima von Bodenstein praatte geanimeerd tegen hem, en hij keek haar glimlachend aan; hij was duidelijk door haar gefascineerd. Dit was geen werklunch, ook geen toevallige ontmoeting van oude bekenden – de erotische spanning tussen die twee kon ook een oppervlakkige beschouwer niet ontgaan. Óf ze kwamen net uit bed, óf ze waren op weg ernaartoe en hadden een kleine lunch ingelast, om de voorpret nog te vergroten. Pia had echt met haar chef te doen, maar ze kon ook begrip opbrengen voor Cosima, die na vijfentwintig jaar huwelijkse sleur naar een avontuurtje verlangde.
De bedrijfsleider verscheen en deed Pia uit haar overpeinzingen opschrikken. Hij was hooguit midden dertig, maar leek ouder vanwege zijn dunne, zandkleurige haar en zijn pafferige gezicht.
‘Ik wil u niet ophouden, meneer...’ begon Pia, en ze nam de logge man op die zo onbeleefd was noch haar hand te schudden, noch zich voor te stellen.
‘Jagielski,’ vulde hij hautain aan en dirigeerde zijn chef de réception met een arrogante handbeweging terug naar zijn kruk. ‘Wat is er? Wij hebben het nogal druk vanmiddag.’
Jagielski. De naam riep bij Pia een vage associatie op.
‘Ach. Kookt u zelf?’ zei ze ironisch.
‘Nee.’ Hij trok een zuur mondje, zijn blik zwierf op een irritante manier voortdurend door het lokaal. Opeens draaide hij zich om, schoot een jonge serveerster aan en siste een opmerking die haar deed blozen.
‘Geschoold personeel is nauwelijks te krijgen,’ zei hij daarna zonder een zweem van een glimlach tegen Pia. ‘Die jonge dingen zijn een ramp. Ze hebben gewoon niet de juiste instelling.’
Er kwamen nieuwe gasten binnen, en ze stonden in de weg. Op dat moment schoot haar te binnen waar ze de naam Jagielski eerder had gehoord. De cheffin van Het Zwarte Ros in Altenhain heette ook zo. Ze vroeg het hem, en het bleek geen toeval te zijn. Behalve de Ebony Club en een andere zaak in Frankfurt behoorde ook Het Zwarte Ros aan Andreas Jagielski toe.
‘Zo. Waar gaat het om?’ vroeg hij. Beleefdheid was niet een van zijn sterke punten, discretie evenmin. Ze stonden nog steeds midden in de foyer.
‘Ik zou willen weten of een meneer Claudius Terlinden hier afgelopen zaterdagavond met zijn vrouw is komen eten.’
Een van zijn wenkbrauwen ging omhoog. ‘Waarom wil de politie dat weten?’
‘Omdat het de politie interesseert.’ Langzamerhand begon de neerbuigende, aanmatigende toon op Pia’s zenuwen te werken. ‘Wel?’
Hij aarzelde heel even, knikte kort. ‘Ja, hij was hier.’
‘Alleen met zijn vrouw?’
‘Dat weet ik niet meer precies.’
‘Misschien kan de chef de réception het zich herinneren. U houdt de reserveringen toch wel bij?’
Met tegenzin wenkte Jagielski zijn zojuist door hem weggejaagde chef de réception en droeg hem op het boek met reserveringen te overhandigen. Hij bleef zwijgend met uitgestoken hand staan wachten tot de man van zijn hoge kruk af was gekomen en weer naar hem toe beende. De bedrijfsleider likte aan zijn wijsvinger en bladerde langzaam door het in leer gebonden kladboek.
‘Ach, hier,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ze waren met z’n vieren. Ik herinner het me weer.’
‘Wie waren er aanwezig? Namen?’ hield Pia aan. Een groepje gasten maakte aanstalten te vertrekken. Uiteindelijk nam Jagielski Pia mee naar de bar.
‘Ik zie niet in wat u daarmee te maken hebt.’ Hij dempte zijn stem.
‘Luistert u eens.’ Pia werd ongeduldig. ‘Ik onderzoek de zaak van uw vermiste serveerster Amelie, die zaterdag voor het laatst in Het Zwarte Ros is gesignaleerd. Wij zoeken getuigen die het meisje daarna nog hebben gezien.’
Jagielski staarde haar aan, dacht een moment na en leek tot de conclusie te komen dat het noemen van namen geen kwaad kon.
‘Het echtpaar Lauterbach was bij hen,’ gaf hij toe.
Pia was verbaasd. Waarom had Claudius Terlinden verzwegen dat hij en zijn vrouw met de buren uit eten waren gegaan? Gisteravond, in zijn kantoor, had hij uitdrukkelijk alleen van zijn vrouw en zichzelf gesproken. Merkwaardig.
De begeleider van Cosima von Bodenstein betaalde juist de rekening – de serveerster keek hem stralend aan, blijkbaar had hij een ruime fooi gegeven. Hij kwam overeind en liep om de tafel om Cosima’s stoel achteruit te schuiven. Al was hij uiterlijk het complete tegendeel van Bodenstein, zijn manieren waren in elk geval even goed.
‘Kent u de begeleider van die roodharige dame daar?’ vroeg Pia de bedrijfsleider op de man af. Die hoefde niet eens te kijken om te weten wat Pia bedoelde. Ze draaide zich om, zodat Cosima haar niet toevallig zou herkennen als ze vertrok.
‘Ja, natuurlijk,’ zei hij met een ondertoon van ongeloof, alsof hij niet kon vatten dat iemand die man niet kende. ‘Dat is Alexander Gavrilow. Heeft hij misschien ook iets met het onderzoek te maken?’
‘Wellicht,’ antwoordde Pia met een glimlach. ‘Dank u voor uw hulp.’
*
Bodenstein zat nog steeds op de trap te roken. Aan zijn voeten lagen vier peuken. Even bleef Pia zwijgend voor haar chef staan om het ongebruikelijke schouwspel in zich op te nemen.
‘En?’ Hij keek op. Zijn gezicht was bleek.
‘Stel je voor: de Terlindens waren uit eten met de Lauterbachs,’ zei Pia. ‘En de bedrijfsleider van de Ebony Club is tevens eigenaar van Het Zwarte Ros in Altenhain. Is dat niet toevallig?’
‘Dat bedoel ik niet.’
‘Wat dan?’ Pia deed of ze traag van begrip was.
‘Heb je... ze gezien?’
‘Ja.’ Ze bukte om het pakje sigaretten op te rapen dat hij naast zich op de tree had gelegd en stak het in haar zak. ‘Kom. Ik heb geen zin om hier te bevriezen.’
Bodenstein kwam stijfjes overeind, trok nog een keer aan zijn sigaret en gooide de peuk op straat. Onder het lopen wierp Pia hem een zijdelingse blik toe. Hoopte hij soms nog altijd dat er een onschuldige verklaring bestond voor het tête-à-tête van zijn echtgenote met de aantrekkelijke vreemdeling?
‘Alexander Gavrilow,’ zei ze en bleef staan. ‘De poolonderzoeker en bergbeklimmer.’
‘Wat?’ Bodenstein keek haar verward aan.
‘Dat is de man met wie Cosima heeft geluncht,’ legde Pia uit, en in gedachten vulde ze aan: ...en met wie ze gegarandeerd neukt.
Bodenstein ging met zijn hand over zijn gezicht. ‘Natuurlijk.’ Hij praatte meer tegen zichzelf dan tegen Pia. ‘Op een of andere manier kwam die vent me bekend voor. Cosima heeft me een keer aan hem voorgesteld, bij haar laatste filmpremière. Jaren geleden hebben ze plannen gemaakt voor een gemeenschappelijk project, maar daar is niets van gekomen.’
‘Misschien is het werkelijk alleen een zakelijke relatie.’ Pia probeerde hem tegen beter weten in te sussen. ‘Het is toch mogelijk dat ze over een project praten waar je niets van mag weten, en dat je je te veel zorgen maakt.’
Bodenstein nam Pia met opgetrokken wenkbrauwen op. Even verscheen er een spottend lichtje in zijn ogen, maar het doofde meteen weer.
‘Ik heb ogen in mijn hoofd,’ zei hij. ‘En ik weet wat ik heb gezien. Mijn vrouw gaat met die kerel naar bed, God weet hoe lang al. Misschien is het goed dat ik mezelf nu eindelijk niets meer hoef wijs te maken.’
Hij zette kordaat de pas erin, en Pia moest bijna rennen om hem bij te kunnen houden.
*
Thies weet alles en de politie is zeer geïnteresseerd. Je kunt er maar beter voor zorgen dat je de zaak onder controle krijgt, want je hebt alles te verliezen!
De letters op het beeldscherm werden wazig. De e-mail was naar zijn officiële mailadres op het ministerie gestuurd! Goeie god, wat zou er gebeurd zijn als zijn secretaresse dit had gelezen! ’s Ochtends printte ze gewoonlijk zijn mails en legde ze voor hem klaar. Dat hij vandaag eerder op kantoor kwam was puur toeval. Gregor Lauterbach beet op zijn onderlip en keek naar de afzender. Sneeuwwitje1997@hotmail.com. Wie verschool zich daarachter? Wie, wie, wie? Sinds de eerste brief hield die vraag hem bezig, dag en nacht kon hij aan niets anders meer denken. Hij rilde van angst.
Er werd geklopt, de deur ging open. Hij sprong op alsof hij kokend water over zich heen kreeg. De vriendelijke goedemorgengroet bleef Ines Schürmann-Liedtke in de keel steken toen ze hem zag.
‘Gaat het niet goed, chef?’ vroeg ze bezorgd.
‘Nee,’ zei Lauterbach schor, en hij liet zich weer in zijn stoel zakken. ‘Ik denk dat ik een griepje te pakken heb.’
‘Zal ik de afspraken voor vandaag afzeggen?’
‘Zit er iets belangrijks bij?’
‘Nee. Niets is echt dringend. Ik bel Forthuber, dan kan hij u naar huis rijden.’
‘Ja, dank je wel, Ines.’ Lauterbach knikte en hoestte een beetje. Ze ging weg. Hij staarde naar de e-mail. Sneeuwwitje. Zijn gedachten tolden rond in zijn hoofd. Toen sloot hij het bericht en blokkeerde met een rechtermuisklik de afzender.
*
Barbara Fröhlich zat aan de keukentafel en probeerde zich tevergeefs op een kruiswoordraadsel te concentreren. Na drie dagen en nachten van onzekerheid was ze op van de zenuwen. Zondag had ze de twee kleintjes naar haar ouders in Hofheim gebracht, en Arne was maandag naar zijn werk gegaan, hoewel zijn chef hem aangeboden had thuis te blijven. Maar wat moest hij thuis? Sinds het was gebeurd waren de dagen ondraaglijk lang geworden. Amelie was weg en bleef weg, er kwam geen enkel levensteken. Haar moeder had drie keer vanuit Berlijn gebeld, hoewel meer uit plichtsbesef dan uit bezorgdheid. In de eerste twee dagen had ze nog bezoek gehad van een paar vrouwen uit het dorp, die haar wilden troosten en steunen, maar omdat ze hen nauwelijks kende hadden ze alleen ongemakkelijk in de keuken gezeten en met moeite het gesprek gaande gehouden. Gisteravond kwam het tot slaande ruzie tussen haar en Arne, voor het eerst sinds ze elkaar kenden. Ze had hem verweten dat hij zich niet genoeg voor het lot van zijn oudste dochter interesseerde en had woedend geïnsinueerd dat hij wel blij zou zijn als ze niet meer zou opduiken. Strikt genomen was het geen echte ruzie geweest, want Arne had haar alleen aangekeken en gezwegen. Zoals gewoonlijk.
‘De politie zal haar vinden,’ had hij alleen gezegd en was in de badkamer verdwenen. Zij bleef achter in de keuken, hulpeloos, sprakeloos en alleen. En opeens zag ze haar echtgenoot met andere ogen. Hij vluchtte laf in de dagelijkse sleur. Zou hij zich anders gedragen als niet Amelie maar Tim of Jana zou zijn verdwenen? Hij was alleen maar bezorgd dat hij een slechte indruk zou maken. Geen woord hadden ze meer met elkaar gewisseld, stom naast elkaar in bed gelegen. Tien minuten later lag hij al te snurken, rustig en gelijkmatig, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Nooit eerder in haar leven had ze zich zo alleen gevoeld als in die verschrikkelijke, eindeloze nacht.
Er werd aangebeld. Barbara Fröhlich kromp ineen en stond op. Hopelijk was het niet weer een van die vrouwen uit het dorp die met hun gespeelde medeleven bij haar bleven hangen, alleen om later in de winkel exclusief verslag van de toestand te kunnen doen. Ze deed de voordeur open. Voor haar stond iemand die ze niet kende.
‘Goedendag, mevrouw Fröhlich,’ zei de vrouw. Ze had donker kort haar, een bleek serieus gezicht met blauwe kringen onder haar ogen en droeg een hoekige bril. ‘Hoofdinspecteur Maren König van de recherche, groep K11 Hofheim.’
Ze liet haar politiepenning zien. ‘Mag ik binnenkomen?’
‘Ja, natuurlijk.’ De angst sloeg Barbara Fröhlich om het hart. De vrouw keek ernstig, alsof ze met slecht nieuws kwam. ‘Hebt u iets van Amelie gehoord?’
‘Nee, jammer genoeg niet. Maar mijn collega’s zijn erachter gekomen dat Amelie een paar schilderijen van haar vriend Thies heeft gekregen. In haar kamer is echter niets gevonden.’
‘Ik weet niets van wat voor schilderijen dan ook.’ Ze schudde radeloos haar hoofd, teleurgesteld dat de politievrouw haar niets nieuws kon vertellen.
‘Misschien kunnen we nog eens in Amelies kamer kijken,’ stelde Maren König voor. ‘Als die schilderijen werkelijk bestaan, zijn ze mogelijk van groot belang.’
‘Ja, natuurlijk. Komt u maar.’
Barbara Fröhlich ging haar voor, liep de trap op en opende de deur van Amelies kamer. Ze bleef op de drempel staan kijken hoe de inspecteur nauwgezet de muurkasten doorzocht, op haar knieën ging en onder het bed en het bureau keek. Ten slotte schoof ze de biedermeier-commode weg van de muur.
‘Een verborgen deur,’ stelde de inspecteur vast, en ze draaide zich naar Barbara Fröhlich om. ‘Kan ik hem openmaken?’
‘Zeker. Ik had geen idee dat daar een deur zat.’
‘In veel huizen met een schuin dak worden de zijkanten als bergplaats gebruikt,’ zei de politievrouw, en voor het eerst glimlachte ze een beetje.
Ze hurkte, trok het deurtje open en kroop de kleine ruimte tussen de muur en de isolatieplaten van het dak in. Even later kwam ze terug met in haar handen een dikke, in papier verpakte rol waar zorgvuldig een rood lint omheen was gewikkeld.
‘Mijn god,’ zei Barbara Fröhlich. ‘U hebt warempel iets gevonden.’ Hoofdinspecteur Maren König kwam overeind en sloeg het stof van haar broek. ‘Ik neem de doeken mee. Als u wilt, geef ik u een ontvangstbewijs.’
‘Nee, nee, dat is niet nodig,’ verzekerde Barbara Fröhlich haar. ‘Als de schilderijen u kunnen helpen om Amelie te vinden, kunt u ze gewoon meenemen.’
‘Dank u.’ De agente legde een hand op haar arm. ‘En maakt u zich niet te veel zorgen. Wij doen alles wat in ons vermogen ligt om Amelie te vinden. Dat kan ik u beloven.’
Er sprak zoveel medeleven uit haar woorden, dat Barbara Fröhlich uit alle macht tegen haar tranen moest vechten. Ze knikte alleen zwijgend en dankbaar. Even overwoog ze Arne op te bellen en hem van de doeken te vertellen, maar ze was nog steeds diep gekwetst over zijn manier van doen en zag ervan af. Pas toen ze even later thee zette, realiseerde ze zich dat ze er helemaal niet aan had gedacht de schilderijen te bekijken.
*
Tobias ijsbeerde onrustig door de woonkamer van Nadja’s appartement. De grote tv aan de muur stond aan, het geluid was afgezet. In verband met de verdwijning van de zeventienjarige Amelie F. werd hij door de politie gezocht, dat had hij net op teletekst gelezen. De hele nacht hadden Nadja en hij erover beraadslaagd hoe hij zich het beste kon gedragen. Zij had het idee gehad naar de schilderijen op zoek te gaan. Tegen middernacht was ze in slaap gevallen, maar hij had wakker gelegen en wanhopig geprobeerd zich iets te herinneren. Eén ding stond vast: als hij zich bij de politie zou melden, zou hij ter plekke worden gearresteerd. Hij had geen aannemelijke verklaring voor het feit dat Amelies mobieltje in zijn broekzak was beland, en hij had nog steeds geen flauw idee wat er in de nacht van zaterdag op zondag was gebeurd.
Amelie moest iets over de gebeurtenissen in 1997 hebben ontdekt, iets wat iemand in gevaar zou kunnen brengen. Maar wie was die iemand? Als hij erover nadacht, kwam hij elke keer bij Claudius Terlinden uit. Elf jaar lang had hij Terlinden beschouwd als de enige mens ter wereld die hem nog beschermde, in de gevangenis had hij zich op zijn bezoek en de lange gesprekken verheugd. Wat een sukkel was hij geweest! Het was Terlinden alleen om zijn eigen gewin te doen. Tobias ging niet zover hem verantwoordelijk te stellen voor de verdwijning van Laura en Stefanie, maar Terlinden had genadeloos gebruikgemaakt van de noodsituatie waarin Tobias’ ouders verkeerden om te krijgen wat hij wilde: de Schillingsakker, waar hij het nieuwe kantoorgebouw van zijn firma had neergezet.
Tobias stak een sigaret op. De asbak op de salontafel was al boordevol. Hij liep naar het raam en keek naar buiten, naar het zwarte water van de Main. De minuten verstreken tergend langzaam. Hoe lang was Nadja al weg? Drie uur? Vier uur? Hopelijk had ze succes! Haar plan was de enige strohalm waaraan hij zich kon vastklampen. Als die schilderijen waarover Amelie hem zaterdag had verteld werkelijk bestonden, dan kon hij er misschien zijn onschuld mee aantonen en tegelijk uitzoeken wie Amelie had ontvoerd. Of ze nog leefde? Of... Tobias schudde vol afschuw zijn hoofd, maar de gedachte liet zich niet verdrijven. Wat als alles klopte wat de psychologen, experts en de rechtbank destijds tegen hem hadden aangevoerd? Zou hij onder invloed werkelijk veranderen in een monster, zoals de pers in geuren en kleuren had beschreven? Vroeger kon hij heel agressief worden, hij was een slechte verliezer. Het was voor hem vanzelfsprekend dat hij kreeg wat hij wilde – goede cijfers, meisjes of sportief succes. Hij hield zelden rekening met anderen, en toch was hij geliefd geweest, het stralende middelpunt van het clubje vrienden. Of had hij dat alleen geloofd, blind en hoogmoedig in zijn grenzeloze eigenwaan?
Het weerzien met Jörg, Felix en de anderen had vage herinneringen bij hem opgeroepen aan lang vergeten voorvallen die hij als kleinigheden had afgedaan. Hij had Laura destijds van Michael afgepikt, zonder een spoor van gewetenswroeging jegens zijn vriend. Meisjes waren niet meer dan trofeeën die zijn ijdelheid streelden. Hoe vaak had hij met zijn onnadenkendheid niet gevoelens gekwetst, hoeveel woede en verdriet had hij veroorzaakt? Hij had dat pas werkelijk beseft toen Stefanie het met hem had uitgemaakt. Hij had het niet willen accepteren, had haar op zijn knieën gesmeekt, maar ze had hem uitgelachen. Wat had hij dan gedaan? Wat had hij met Amelie gedaan? Hoe was haar gsm in zijn broekzak beland?
Tobias liet zich op de bank zakken, drukte zijn handpalmen tegen zijn slapen en probeerde wanhopig een logische samenhang tussen de flarden van zijn herinnering te ontdekken. Maar hoe meer hij zijn best deed, des te minder slaagde hij erin. Het was om gek van te worden.
*
Hoewel haar praktijk overvol was, liet dokter Daniela Lauterbach Bodenstein en Pia niet lang wachten.
‘Hoe gaat het met uw hoofd?’ informeerde ze vriendelijk.
‘Alles in orde.’ Bodenstein raakte onwillekeurig de pleister op zijn voorhoofd aan. ‘Een beetje hoofdpijn, meer niet.’
‘Als u wilt, kijk ik er nog even naar.’
‘Dat is niet nodig. We willen u niet te lang ophouden.’
‘Goed dan. U weet waar u me kunt vinden.’
Bodenstein knikte glimlachend. Misschien moest hij werkelijk eens van huisarts veranderen. Daniela Lauterbach ondertekende vlug drie recepten die haar assistente op de ontvangstbalie had gelegd, en daarna ging ze Bodenstein en Pia voor naar haar kamer. Het parket kraakte onder hun schoenen. De arts gebaarde hun op de stoelen voor bezoekers plaats te nemen.
‘Het gaat om Thies Terlinden.’ Bodenstein ging zitten, Pia bleef staan.
Daniela Lauterbach nam achter haar bureau plaats en keek hem aandachtig aan. ‘Wat wilt u over hem weten?’
‘Zijn moeder vertelde ons dat hij een aanval heeft gehad en nu in een inrichting verblijft.’
‘Dat klopt,’ zei de arts. ‘Ik kan er niet veel over zeggen. U weet wel, de zwijgplicht. Thies is mijn patiënt.’
Pia, die verder naar achteren stond, nam het woord: ‘Er werd ons verteld dat Thies Amelie vroeger is gevolgd.’
‘Hij is haar niet gevolgd, maar met haar meegelopen,’ corrigeerde de arts. ‘Thies is erg op Amelie gesteld, en dat is zijn manier om genegenheid te tonen. Amelie heeft dat overigens van meet af aan goed ingeschat. Ondanks haar excentrieke uiterlijk is het een heel gevoelig meisje. Thies boft met haar.’
‘Thies’ vader heeft tijdens een confrontatie met zijn zoon bloedige schrammen opgelopen,’ zei Pia. ‘Neigt Thies naar gewelddadigheid?’
Daniela Lauterbach glimlachte ietwat bekommerd. ‘Nu bevinden we ons bijna op een terrein waarover ik u eigenlijk niets mag zeggen,’ antwoordde ze. ‘Maar ik vermoed dat u Thies ervan verdenkt dat hij Amelie iets heeft aangedaan. Dat houd ik voor uitgesloten. Thies is autistisch en gedraagt zich anders dan een normaal mens. Hij is niet in staat gevoelens te tonen, laat staan die te uiten. Zo nu en dan heeft hij... uitbarstingen, maar dat komt heel, heel zelden voor. Zijn ouders zorgen geweldig voor hem, en hij verdraagt de medicijnen, die hij al jarenlang krijgt, uitstekend.’
‘Zou u Thies als geestelijk gehandicapt kwalificeren?’
‘In geen geval!’ Daniela Lauterbach schudde resoluut van nee. ‘Thies is hoogbegaafd en heeft een groot talent voor de schilderkunst.’
Ze wees naar de grote abstracte schilderijen die, net als in het huis en het kantoor van Terlinden, bij haar aan de muur hingen.
‘Heeft Thies dat geschilderd?’ Verbaasd bekeek Pia de schilderijen. In eerste instantie had ze het niet gezien, maar nu zag ze wat de doeken voorstelden. Ze herkende menselijke gezichten, vertrokken, wanhopig, met ogen vol pijn, angst en ontzetting, en ze huiverde. De intensiteit van de schilderijen was angstaanjagend. Hoe kon iemand die gezichten dag in dag uit verdragen?
‘Afgelopen zomer heeft mijn man een tentoonstelling voor hem georganiseerd, in Wiesbaden. Het was een overweldigend succes: alle vijfenveertig werken werden verkocht.’
Ze klonk trots. Daniela Lauterbach mocht de zoon van de buren, maar leek voldoende professionele distantie te hebben om hem en zijn gedrag zakelijk te benaderen.
Bodenstein nam het woord. ‘In de jaren na Tobias’ veroordeling heeft Claudius Terlinden de familie Sartorius enorm geholpen. Destijds heeft hij zelfs een advocaat voor Tobias geregeld, een heel goede. Denkt u dat hij dat kan hebben gedaan omdat hij een slecht geweten had?’
‘Waarom zou hij?’ Daniela Lauterbach glimlachte niet meer.
‘Misschien omdat hij wist dat Thies toentertijd iets met de verdwijning van het meisje te maken had.’
Even was het doodstil; door de gesloten deur drong voortdurend het gedempte rinkelen van de telefoon.
De arts fronste haar voorhoofd. ‘Zo heb ik het nog nooit bekeken,’ gaf ze bedachtzaam toe. ‘Maar het is een feit dat Thies destijds verrukt was van Stefanie Schneeberger. Hij heeft veel tijd met het meisje doorgebracht, zoals nu met Amelie...’
Ze stokte, omdat ze begreep wat Bodenstein insinueerde. Haar vragende blik ontmoette de zijne. ‘Goeie god!’ zei ze ontdaan. ‘Nee, nee, dat kan ik niet geloven!’
‘We moeten echt heel dingend met Thies spreken,’ zei Pia nadrukkelijk. ‘Het is een spoor dat naar Amelie zou kunnen leiden.’
‘Dat begrijp ik. Maar het is moeilijk. Omdat ik vreesde dat hij zichzelf in zijn toestand iets zou kunnen aandoen, restte mij niets anders dan hem naar een gesloten psychiatrische inrichting over te brengen.’ Daniela Lauterbach legde haar handpalmen tegen elkaar en tikte met haar wijsvinger nadenkend tegen haar getuite lippen. ‘Het ligt niet in mijn vermogen u een gesprek met Thies te laten voeren.’
‘Maar als Thies Amelie in zijn macht heeft, is ze ernstig in gevaar!’ zei Pia. ‘Misschien heeft hij haar ergens opgesloten, en kan ze zichzelf niet bevrijden.’
De arts keek Pia aan. Haar ogen waren donker van bezorgdheid.
‘U hebt gelijk,’ zei ze vervolgens vastbesloten. ‘Ik bel de chef de clinique van de inrichting in Bad Soden.’
‘Ach, en nog iets,’ vulde Pia aan, alsof het haar juist te binnen schoot. ‘Tobias Sartorius zei dat Amelie uw man in verband met de gebeurtenissen van 1997 heeft genoemd. Destijds ging het gerucht dat uw man Stefanie Schneeberger de hoofdrol in dat toneelstuk heeft gegeven omdat hij erg op het meisje gesteld was.’
Daniela Lauterbach had haar hand al naar de telefoonhoorn uitgestrekt, maar liet hem nu weer zakken.
‘Tobias heeft iedereen toen beschuldigd,’ zei ze. ‘Hij wilde zich het vege lijf redden, wat meer dan begrijpelijk is. Maar alle verdachtmakingen tegenover derden werden gaandeweg het onderzoek ontzenuwd. Het is een feit dat mijn man als leider van de theaterworkshop toentertijd razend enthousiast over Stefanies talent was. Daar kwam nog bij dat ze er fantastisch uitzag: ze was gewoon de perfecte Sneeuwwitje.’
Ze legde haar hand weer op de hoorn.
‘Hoe laat bent u zaterdag uit de Ebony Club vertrokken?’ vroeg Bodenstein nu. ‘Kunt u zich dat herinneren?’
Heel even verscheen er een verwarde uitdrukking op het gezicht van de dokter. ‘Ja, ik herinner me het zelfs precies,’ antwoordde ze. ‘Het was half tien.’
‘En bent u daarna allemaal met Claudius Terlinden naar Altenhain teruggereden?’
‘Nee. Ik had die avond oproepdienst, daarom ben ik met mijn eigen auto gegaan. Om half tien werd ik naar een spoedgeval in Königstein geroepen.’
‘Aha. En Terlinden en uw man? Wanneer zijn die weggereden?’
‘Christine reed met mij mee. Ze maakte zich zorgen om Thies, hij lag met zware griep in bed. Ik heb haar beneden bij de bushalte afgezet en ben toen naar Königstein gereden. Toen ik om twee uur thuiskwam, sliep mijn man al.’
Bodenstein en Pia keken elkaar snel aan. Claudius Terlinden had dus keihard gelogen over het verloop van die zaterdagavond. Maar waarom?
‘Toen u van uw spoedgeval terugkwam, bent u ook niet direct naar huis gereden, wel?’ vroeg Bodenstein onderzoekend. Die vraag kwam voor Daniela Lauterbach niet als een verrassing.
‘Nee. Het was even over één toen ik uit Königstein kwam.’ Ze zuchtte. ‘Ik zag een man op de bank bij de bushalte liggen en ben gestopt. Pas toen zag ik wie het was.’ Ze schudde langzaam haar hoofd, haar donkere ogen vol medeleven. ‘Tobias was stomdronken en al volledig onderkoeld. Hij had overgegeven en was bewusteloos. We hebben er tien minuten over gedaan om hem in de auto te krijgen. Hartmut en ik hebben hem toen naar zijn kamer gebracht en op bed gelegd.’
‘Heeft hij iets tegen u gezegd?’ wilde Pia weten.
‘Nee,’ antwoordde de dokter. ‘Hij was totaal niet aanspreekbaar. Eerst wilde ik een ambulance bellen om hem naar het ziekenhuis te laten brengen, maar ik wist dat hij dat beslist niet zou willen.’
‘Hoezo?’
‘Ik heb hem een paar dagen geleden nog behandeld, toen hij in de schuur overvallen en in elkaar geslagen was.’ Ze boog zich voorover en keek Bodenstein zo doordringend aan dat hij het er warm van kreeg. ‘Wat hij ook gedaan mag hebben, je zou echt medelijden met hem krijgen. Anderen beweren misschien dat tien jaar gevangenisstraf te weinig is, maar ik denk dat Tobias voor de rest van zijn leven gestraft is.’
‘Er zijn aanwijzingen dat hij iets met Amelies verdwijning te maken heeft,’ zei Bodenstein. ‘U kent hem beter dan de meeste mensen. Houdt u dat voor mogelijk?’
Daniela Lauterbach leunde achterover in haar stoel en zweeg een volle minuut, zonder haar blik van Bodenstein af te wenden.
‘Ik zou willen dat ik nu volmondig “nee” kon zeggen,’ zei ze ten slotte. ‘Maar dat kan ik helaas niet.’
*
Ze trok de kortharige pruik van haar hoofd, liet hem achteloos op de grond vallen. Haar handen trilden zo erg dat het haar niet lukte het rode lint waarmee de rol was dichtgebonden open te peuteren, dus pakte ze ongeduldig een schaar en knipte het door. Met bonzend hart rolde ze de doeken uit op haar bureau. Het waren er acht. Met ontzetting zag ze wat erop stond, haar adem stokte. Die rotzak had de gebeurtenissen van 6 september 1997 met fotografische precisie op het doek gezet; geen enkel detail, hoe klein ook, was hem ontgaan. Zelfs de idiote letters en het gestileerde biggetje op de donkergroene T-shirts waren duidelijk te zien! Ze beet op haar lip, haar bloed ruiste in haar oren. De herinnering was op slag springlevend. Het gevoel van vernedering bij haar nederlagen, maar ook de enorme voldoening bij het zien van Laura die haar verdiende loon kreeg, dat akelige, arrogante sletje! Ze haalde de andere schilderijen tevoorschijn, streek ze met beide handen glad. Ze werd overvallen door blinde paniek, net als toen. Ongeloof, verbijstering, kille woede. Ze richtte zich op en dwong zichzelf diep adem te halen. Drie keer, vier keer. Heel rustig. Nadenken. Dit hier was geen ramp, dit was het worstcasescenario. Het kon haar zorgvuldige planning compleet overhoopgooien, en dat mocht ze niet toelaten! Met bevende vingers stak ze een sigaret op. Ze moest er niet aan denken wat er zou zijn gebeurd als de politie die doeken in handen had gekregen! Ze had een weeïg gevoel in haar maag. Wat moest ze nu doen? Waren dat werkelijk alle doeken, of had Thies nog andere geschilderd? Ze mocht geen risico nemen, er stond te veel op het spel. Ze trok gehaast aan haar sigaret en rookte hem tot aan het filter op – toen wist ze wat haar te doen stond. Ze had haar beslissingen altijd al in haar eentje moeten nemen. Resoluut pakte ze de schaar en knipte verbeten de doeken, de een na de ander, in kleine stukjes. Toen duwde ze alles door de papiervernietiger, haalde de zak met snippers eruit en pakte haar tas. Nu was het zaak kalm te blijven, dan zou alles goed komen.
*
Hoofdinspecteur Kai Ostermann moest met pijn in het hart toegeven dat het geheimschrift in Amelies dagboek hem voor onoverkomelijke problemen stelde. Eerst had hij gedacht dat het ontcijferen van de hiëroglyfen een gemakkelijke klus zou zijn, maar nu stond hij op het punt de handdoek in de ring te gooien. Hij kon er gewoon geen systeem in ontdekken. Kennelijk had ze voor dezelfde letters verschillende symbolen gebruikt, en daardoor was het voor hem zo goed als onmogelijk de code te kraken. Behnke kwam binnen.
‘En?’ vroeg Ostermann. Bodenstein had het verhoor van Claudius Terlinden, die sinds die ochtend vastzat in een van de arrestantenkamers, aan Behnke overgelaten.
‘Hij laat niets los, die arrogante klootzak.’ Gefrustreerd liet Behnke zich op de stoel achter zijn bureau vallen en legde zijn armen achter zijn hoofd. ‘De chef heeft makkelijk praten! Ik moet die vent ergens op vastpinnen – ja, maar waarmee dan? Ik heb geprobeerd hem te provoceren, hij was vriendelijk; ik heb gedreigd, hij zit gewoon te glim lachen! Het liefst had ik hem op zijn smoel geslagen!’
‘Dat zou er nog bij moeten komen.’ Ostermann wierp zijn collega een snelle blik toe. Behnke zat meteen op de kast.
‘Je hoeft me er niet op te wijzen dat ik in de puree zit!’ snauwde hij, en hij sloeg zo hard met zijn vuist op het bureau dat het toetsenbord een sprongetje maakte. ‘Ik begin te geloven dat de ouwe me weg wil pesten, zodat ik uit eigen beweging opkras!’
‘Nonsens. Bovendien had hij niet gezegd dat je Terlinden ergens op moest vastpinnen, maar alleen een beetje murw moest maken.’
‘Precies. Zodat hij met zijn kroonprinses naar binnen kan wandelen en het fluitend kan afmaken!’ Behnkes gezicht was rood van woede. ‘Ik mag alleen nog het vuile werk opknappen.’
Ostermann had bijna met Behnke te doen. Hij kende hem van de politieschool, ze hadden samen gepatrouilleerd en zich bij het Speciale Interventieteam gevoegd, tot Ostermann bij een operatie zijn onderbeen had verloren. Behnke was nog een paar jaar bij het team gebleven voordat hij naar de recherche in Frankfurt was gegaan en daar meteen was beland in de K11, de eredivisie. Het was een goede politieman. Geweest. Toen alles fout ging in zijn privéleven, leed ook zijn werk daaronder. Behnke leunde met zijn hoofd op zijn handen en hulde zich in een broeierig stilzwijgen.
Toen vloog de deur open. Kathrin Fachinger beende de kamer in, haar wangen gloeiend van kwaadheid.
‘Hé, heb je ze nog wel op een rijtje?’ voer ze uit tegen haar collega. ‘Jij smeert hem en laat me doodleuk met die vent alleen! Wat moet dat?’
‘Jij kunt toch alles beter dan ik!’ antwoordde Behnke sarcastisch. Ostermann keek van de ene kemphaan naar de andere.
‘Wij hadden een tactiek,’ bracht ze haar collega in herinnering. ‘En dan knijp je er gewoon tussenuit. Maar wonder boven wonder heeft hij met mij gepraat.’ Haar stem had een triomfantelijke ondertoon.
‘Zo, geweldig! Waarom ren je niet naar de chef om het hem te vertellen, stomme trut!’
‘Wat zei je?’ Kathrin ging voor hem staan en zette haar handen in haar zij.
‘Stomme trut, heb ik gezegd!’ herhaalde Behnke op luide toon. ‘En ik zal het nog duidelijker zeggen: je bent een achterbakse, egoïstische kleine tuthola! Je hebt me zwartgemaakt, dat vergeet ik niet!’
‘Frank!’ riep Ostermann en stond op.
‘Bedreig je mij?’ Kathrin liet zich niet intimideren. Ze lachte honend. ‘Jij maakt me niet bang met... met je grote bek! Het enige wat jij kunt is stomme opmerkingen maken en anderen het werk laten doen. Geen wonder dat je vrouw hem is gesmeerd. Wie wil er nu getrouwd zijn met iemand als jij?’
Behnke liep vuurrood aan. Hij balde zijn vuisten.
‘Mensen!’ zei Ostermann bezorgd. ‘Rustig blijven!’
Het was te laat. Behnkes opgekropte woede jegens zijn jongere collega ontlaadde zich met groot geweld. Hij sprong op, stootte zijn stoel omver, en verkocht Kathrin een harde klap. Ze knalde tegen de kast op, haar bril vloog op de grond. Behnke ging er moedwillig op staan, knarsend versplinterden de glazen onder de hak van zijn schoen. Kathrin krabbelde weer op.
‘Zo,’ zei ze met een kille grijns. ‘Jij hebt je langste tijd hier wel gehad, collega.’
Toen ging Behnke volledig door het lint. Voor Ostermann hem kon tegenhouden, vloog hij op Kathrin af en sloeg haar met zijn vuist midden in haar gezicht. In een reflex trok ze haar knie op en ramde die tegen zijn geslachtsdelen. Met een gesmoorde kreet van pijn viel Behnke op de grond. Op hetzelfde moment ging de deur open en verscheen Bodenstein in de deuropening. Zijn blik vloog van Kathrin Fachinger naar Behnke.
‘Kan iemand me vertellen wat hier aan de hand is?’ zei hij, terwijl hij moeite deed zijn stem niet te verheffen.
‘Hij heeft me aangevallen en de bril van mijn neus geslagen,’ antwoorde Kathrin Fachinger, en ze wees naar het platgetrapte montuur. ‘Ik heb me alleen verdedigd.’
‘Klopt dat?’ Bodenstein keek Ostermann aan, die hulpeloos zijn handen hief, even naar zijn op de grond hurkende collega keek en knikte.
‘Oké,’ zei Bodenstein. ‘Nu heb ik genoeg van deze kleuterklas. Behn ke, sta op.’
Frank Behnke gehoorzaamde. Zijn gezicht was vertrokken van pijn en haat. Hij deed zijn mond open, maar Bodenstein liet hem niet aan het woord komen.
‘Ik dacht dat u had begrepen wat dr. Engel en ik hebben gezegd,’ zei hij ijzig. ‘U bent met onmiddellijke ingang geschorst!’
Behnke staarde hem zwijgend aan. Vervolgens liep hij naar zijn bureau en pakte zijn jas, die hij over zijn stoel had gehangen.
‘De politiepenning en het dienstwapen laat u hier,’ sommeerde Bodenstein.
Behnke gespte zijn holster af en gooide het wapen en de penning achteloos op het bureau.
‘Jullie kunnen allemaal mijn reet likken,’ bracht hij nog uit, wrong zich langs Bodenstein en verdween. Even was het doodstil.
‘Wat heeft het verhoor van Terlinden opgeleverd?’ Bodenstein richtte zich tot Kathrin Fachinger alsof er niets was gebeurd.
‘Hij bezit de Ebony Club in Frankfurt,’ antwoordde ze. ‘Net als Het Zwarte Ros en het andere restaurant waarvan Andreas Jagielski bedrijfsleider is.’
‘En? Verder nog iets?’
‘Meer was niet uit hem te krijgen. Maar ik vind dat het wel een paar zaken duidelijker maakt.’
‘Ja? Wat dan?’
‘Claudius Terlinden had Hartmut Sartorius geen financiële ondersteuning hoeven geven als hij hem niet zelf met de opening van Het Zwarte Ros had geruïneerd,’ antwoordde Kathrin. ‘Als je het mij vraagt is hij helemaal geen barmhartige samaritaan. Hij heeft Sartorius eerst te gronde gericht, maar vervolgens verhinderd dat hij zijn huis verliest en uit Altenhain vertrekt. Hij heeft in het dorp ongetwijfeld nog andere mensen in zijn macht, zoals die Jagielski, die hij bedrijfsleider van zijn restaurants heeft gemaakt. Hij doet me een beetje denken aan de maffia: hij beschermt ze, en als tegenprestatie houden ze hun mond.’
Bodenstein keek zijn jongste medewerkster aan en fronste zijn voorhoofd. Toen knikte hij.
‘Goed werk,’ zei hij lovend. ‘Zeer goed.’
*
Toen de voordeur openging, sprong Tobias op van de bank alsof hij een elektrische schok kreeg. Nadja kwam binnen, in de ene hand hield ze een plastic tasje, met de andere probeerde ze haar jas uit te trekken.
‘En?’ Tobias hielp haar uit haar jas en hing hem aan de kapstok. ‘Heb je wat gevonden?’ Na al die uren van gespannen wachten kon hij zijn nieuwsgierigheid nauwelijks bedwingen.
Nadja ging naar de keuken, zette de zak op tafel en ging op een stoel zitten.
‘Niets.’ Vermoeid schudde ze haar hoofd, maakte haar paardenstaart los en ging met haar hand door haar haar. ‘Ik heb het hele verdomde huis doorzocht. Ik begin te geloven dat die schilderijen een hersenspinsel van Amelie zijn.’
Tobias staarde haar aan. Hij was bitter teleurgesteld.
‘Dat kan toch niet waar zijn!’ zei hij. ‘Waarom zou ze zoiets verzinnen?’
‘Geen idee. Misschien was het dikdoenerij,’ antwoordde Nadja schouderophalend. Ze zag er doodmoe uit en had donkere kringen onder haar ogen. De hele toestand leek haar net zo hevig aan te grijpen als hemzelf.
‘Laten we eerst maar een hapje eten,’ zei ze, en pakte het plastic tasje. ‘Ik heb wat bij de Chinees gehaald.’
Hoewel Tobias de hele dag nog niets had gegeten, liet de verleidelijke geur die uit de kartonnen dozen opsteeg hem koud. Hoe kon hij onder deze omstandigheden aan eten denken? Dat met die schilderijen had Amelie niet verzonnen – nooit ofte nimmer! Het was niet het soort meisje dat interessant wilde doen, dat had Nadja helemaal mis. Zwijgend keek hij toe hoe ze een van de dozen openmaakte, de stokjes van elkaar trok en begon te eten.
‘Ik wordt gezocht door de politie,’ zei hij.
‘Dat weet ik,’ antwoordde ze met volle mond. ‘Ik doe dan ook alles om je te helpen.’
Tobias beet op zijn lip. Verdomme, Nadja viel echt niets te verwijten. Maar hij werd er gek van dat hij niets kon doen. Het liefst was hij eropuit gegaan om Amelie op eigen houtje te zoeken. Maar nu zou hij meteen worden opgepakt zodra hij een stap buiten de deur zou zetten. Er zat niets anders op dan geduldig af te wachten en Nadja te vertrouwen.
*
Bodenstein stopte aan de overkant van de straat, zette de motor uit en bleef achter het stuur zitten. Van daaruit kon hij Cosima door het helverlichte keukenraam gadeslaan, en zien dat ze bedrijvig heen en weer liep. Hij had nog een bespreking met dr. Nicola Engel gehad, vanwege Behnke. Het nieuws over het incident ging natuurlijk als een lopend vuurtje door het bureau. Nicola Engel was met de schorsing van Behnke akkoord gegaan, maar nu zat Bodenstein met een ernstig personeelsprobleem. Want niet alleen Behnke, ook Hasse ontbrak.
Op weg naar huis had Bodenstein erover gepiekerd hoe hij zich het best tegenover Cosima kon gedragen. Zwijgend zijn boeltje pakken en vertrekken? Nee, hij moest de waarheid uit haar mond horen. Hij voelde geen woede, alleen een desolaat gevoel van diepe ontgoocheling. Een paar minuten aarzelde hij, toen stapte hij uit en stak langzaam de natgeregende straat over. Het huis dat Cosima en hij destijds samen hadden gebouwd, waar hij twintig jaar lang had gewoond en gelukkig was geweest en waarvan hij elk hoekje kende, kwam hem opeens vreemd voor. Elke avond was hij met plezier thuisgekomen. Hij had zich verheugd op Cosima en de kinderen, de hond en ’s zomers op het werk in de tuin, maar nu gruwde hij van het idee de voordeur te moeten opendoen. Hoe lang lag Cosima al niet naast hem in bed terwijl ze heimelijk verlangde naar een andere man, die ze streelde en kuste, met wie ze sliep? Had hij Cosima vandaag maar niet met die vent gezien! Maar het was nu eenmaal gebeurd, en nu schreeuwde alles in hem: Waarom? Sinds wanneer? Hoe? Waar?
Hij had niet gedacht dat hij ooit in een dergelijke situatie zou belanden. Hun huwelijk was goed geweest, tot... ja, tot Sophia werd geboren. Daarna was Cosima veranderd. Ze was altijd al rusteloos geweest, haar expedities in verre landen hadden haar verlangen naar vrijheid en avontuur in zoverre bevredigd dat ze dagelijkse sleur van de resterende maanden kon verdragen. Hij had dat geweten en haar reizen zonder morren geaccepteerd, hoewel hij de lange periodes van eenzaamheid had verafschuwd. Sinds Sophia een kleine twee jaar geleden ter wereld was gekomen, bleef Cosima thuis. Ze had hem nooit laten merken dat zij ontevreden was. Maar als hij terugkeek zag hij wat er was veranderd. Vroeger hadden ze nooit ruzie, tegenwoordig lagen ze regelmatig met elkaar overhoop. Steeds ging het om futiliteiten. Ze maakten elkaar over en weer verwijten, hadden ineens kritiek op de grillen van de ander. Bodenstein stond met zijn sleutel in de aanslag bij de voordeur toen hij opeens door woede werd overmand. Destijds had ze wekenlang verzwegen dat ze zwanger was. Zíj had in haar eentje besloten dat ze het kind wenste, en hem voor een voldongen feit gesteld. Toch had het haar duidelijk moeten zijn dat ze haar zigeunerleven met een baby voorlopig wel kon vergeten.
Hij deed de deur open. De hond sprong uit zijn mand en begroette hem enthousiast. Toen Cosima in de keukendeur verscheen, zakte de moed hem in de schoenen.
‘Hallo.’ Ze glimlachte. ‘Je bent laat vandaag. Heb je al gegeten?’
Daar stond ze, in dezelfde zeegroene kasjmier pullover die ze vanmiddag ook in de Ebony Club had gedragen, en ze zag eruit als altijd.
‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Ik heb geen honger.’
‘Als je toch iets wilt, ik heb nog frikandellen en een salade met pasta.’
Ze wendde zich af, wilde terug naar de keuken lopen.
‘Je was vandaag niet in Mainz,’ zei hij. Cosima bleef staan en draaide zich weer om. Hij wilde niet dat ze tegen hem zou liegen, en daarom ging hij verder voor ze iets kon zeggen. ‘Ik heb je vanmiddag in de Ebony Club gezien. Met Alexander Gavrilow. Ontken het alsjeblieft niet.’
Ze sloeg haar armen over elkaar en keek hem aan. Het was heel stil, de hond voelde de plotselinge spanning en sloop stilletjes naar zijn mand.
‘De afgelopen weken ben je zo goed als nooit in Mainz geweest,’ vervolgde Bodenstein. ‘Een paar dagen geleden kwam ik van de patholoog-anatoom toen je toevallig voor me reed. Ik heb je gebeld en gezien dat je de telefoon opnam. En je beweerde dat je nog in Mainz was.’
Hij zweeg. In zijn hart hoopte hij nog steeds,dat ze zou glimlachen en een onschuldige verklaring zou geven. Maar ze lachte niet en ontkende niets. Ze stond daar gewoon te staan, met haar armen over elkaar. Geen greintje schuldgevoel.
‘Wees alsjeblieft eerlijk tegen me, Cosima.’ Hij hoorde dat zijn stem klaaglijk klonk. ‘Heb je... heb je... een verhouding met Gavrilow?’
‘Ja,’ antwoordde ze kalm.
Bodensteins wereld stortte in, maar hij slaagde erin even rustig te blijven als Cosima.
‘Waarom?’ vroeg hij alleen masochistisch.
‘Ach, Oliver. Wat wil je eigenlijk van me horen?’
‘De waarheid, graag.’
‘Ik heb hem deze zomer toevallig in Wiesbaden op een vernissage ontmoet. Hij heeft een kantoor in Frankfurt, plant een nieuw project en is op zoek naar sponsors. We hebben een paar keer gebeld. Hij opperde dat ik een film over zijn expeditie zou kunnen maken. Ik wist dat jou dat niet zou bevallen en wilde eerst eens horen wat hij in gedachten had. Daarom heb ik je niet verteld dat ik met hem had afgesproken. Nou ja. En op een gegeven moment is het gewoon... gebeurd. Ik dacht dat het alleen een slippertje was, maar toen...’ Ze stokte, schudde haar hoofd.
Onvoorstelbaar, dat ze een andere man had kunnen ontmoeten en een relatie was begonnen zonder dat hij daar erg in had gehad. Was hij te stom, te goed van vertrouwen of te veel met zichzelf bezig geweest? Er schoot hem de tekst van een liedje te binnen dat Rosalie in de ergste fase van haar pubertijd onophoudelijk door het huis had laten schallen. Wat heeft hij dat ik niet heb? Zeg me eerlijk wat het is. Nu is het te laat, maar wat kwam je te kort? Zo’n idioot liedje – en nu zat er opeens zoveel waars in. Bodenstein liet Cosima staan en liep de trap op naar de slaapkamer. Als hij een minuut langer was gebleven, zou hij zijn ontploft en haar in haar gezicht hebben geschreeuwd wat hij dacht van avonturiers zoals Gavrilow, die affaires met getrouwde moeders van kleine kinderen begonnen. Waarschijnlijk had hij over de hele wereld zijn schatjes zitten, die windbuil! Hij gooide alle kleerkasten open, trok een reistas uit een van de bovenste vakken, propte die in het wilde weg vol met ondergoed, hemden en dassen en gooide er twee kostuums bovenop. Daarna ging hij naar de badkamer en stopte zijn persoonlijke zaken in een toilettas. Nog geen tien minuten later sjouwde hij de reistas de trap af. Cosima stond nog steeds op dezelfde plek.
‘Waar ga je heen?’ vroeg ze zacht.
‘Weg,’ zei hij zonder haar aan te kijken. Hij opende de voordeur en stapte de nacht in.