Vrijdag, 21 november 2008
Om kwart over zes werd Bodenstein door zijn mobieltje uit een diepe slaap gerukt. Gedesoriënteerd zocht hij naar het lichtknopje, tot het hem daagde dat hij niet thuis in zijn eigen bed lag. Hij had slecht geslapen en warrige dromen gehad. De matras was te zacht, het dekbed te warm, zodat hij beurtelings had gezweet en gebibberd. De gsm ging hardnekkig door met rinkelen, hield even op en begon opnieuw. Bodenstein rolde zijn bed uit, doolde tastend rond in de vreemde kamer en bromde een vloek toen hij met zijn grote teen tegen een tafelpoot stootte. Eindelijk vond hij de lichtschakelaar naast de deur en even later zijn mobieltje in de binnenzak van zijn jasje, dat hij de vorige nacht over een stoel had gegooid.
De boswachter had op een parkeerplaats in het bos, onder de Eichkopf tussen Ruppertshain en Königstein, het lijk van een man in een auto aangetroffen. De technische dienst was al onderweg of hij niet even langs kon komen om de zaak te bekijken. Natuurlijk kon hij dat – wat zat er anders op? Met een van pijn vertrokken gezicht strompelde hij weer naar zijn bed en ging op de rand zitten. De gebeurtenissen van gisteren schenen hem een boze droom toe. Hij had zowat een uur doelloos rondgereden, tot hij toevallig langs de oprit van het landgoed was gekomen. Noch zijn vader, noch zijn moeder had hem vragen gesteld toen hij vlak voor middernacht voor hun deur stond en om onderdak voor de nacht had gevraagd. Zijn moeder had in een van de logeerkamers onder het dak een bed voor hem opgemaakt en hem niet met vragen lastiggevallen. Waarschijnlijk had ze aan zijn gezicht gezien dat hij niet voor zijn plezier langskwam. Hij was haar dankbaar voor haar discretie. Hij had er onmogelijk over kunnen praten, over Cosima en die vent.
Met een zucht stond hij op, viste de toilettas uit zijn koffer en liep door de gang naar de badkamer. Die was piepklein en ijskoud, en riep onprettige herinneringen op aan zijn kinderjaren en zijn jeugd, toen ze elke luxe moesten ontberen. Zijn ouders hadden elk dubbeltje omgedraaid, want er was altijd te weinig geld. In het kasteel verderop waarin hij was opgegroeid werden ’s winters maar twee ruimtes verwarmd, de andere kamers waren hoogstens ‘lauwwarm’, zoals zijn moeder de temperatuur van hooguit achttien graden placht te noemen. Bodenstein rook aan zijn T-shirt en trok zijn neus op. Een douche was onvermijdelijk. Weemoedig dacht hij aan de vloerverwarming thuis, aan zachte, naar Lenor geurende handdoeken. Hij douchte in recordtempo, droogde zich af met een ruwe, rafelige handdoek en schoor zich met trillende vingers in het kille neonlicht van de Allibert-toiletkast. In de keuken beneden trof hij zijn vader, die aan de houten tafel, waarvan het blad vol krassen zat, koffiedronk en de Frankfurter Allgemeine Zeitung las.
‘Goedemorgen.’ Hij keek op en knikte zijn zoon vriendelijk toe. ‘Ook een kopje?’
‘Goedemorgen. Ja, graag.’ Bodenstein ging zitten. Zijn vader stond op, pakte een kop uit een van de kasten en schonk in. Nooit zou zijn vader hem vragen waarom hij in het holst van de nacht was verschenen om in een van de logeerkamers te overnachten. Ook met woorden waren zijn ouders altijd karig geweest. En zelf had hij ook niet veel zin om ’s ochtends om kwart voor zeven over zijn huwelijksproblemen te praten. Daarom dronken vader en zoon hun koffie eensgezind in stilte. Sinds jaar en dag werd er in huize Bodenstein zelfs op een doordeweekse dag met het Meissner-servies gegeten en gedronken – uit zuinigheid. Het porselein was familiebezit; er was geen reden om het niet te gebruiken of nieuw servies aan te schaffen. Het zou van onschatbare waarde zijn geweest als niet bijna elk bord en kopje inmiddels een paar keer was gelijmd. Ook Bodensteins kopje had een barst en een vastgeplakt oor. Ten slotte stond hij op, zette zijn kopje in de spoelbak en bedankte voor de koffie. Zijn vader knikte en wijdde zich weer aan zijn lectuur, die hij hoffelijk terzijde had gelegd.
‘Neem toch een huissleutel mee,’ zei hij terloops. ‘Aan het sleutelbord naast de deur hangt er eentje met een rood label.’
‘Bedankt.’ Bodenstein pakte de sleutel. ‘Tot later.’
Voor zijn vader was het blijkbaar een uitgemaakte zaak dat hij die avond zou terugkomen.
*
Draaiende zwaailichten en schijnwerpers lichtten op in de sombere novembermorgen. Bodenstein reed de parkeerplaats in het bos op, die direct achter de Nepomuk-bocht lag. Hij parkeerde zijn auto naast een van de politiewagens en ging te voet verder. Hij snoof de herfstachtige geur van vochtige aarde en rottende bladeren op; er kwamen een paar brokstukken van een van de weinige gedichten die hij uit zijn hoofd kende bij hem naar boven: Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven/ en rusteloos door lege lanen dwalen/ als de bladeren op de herfstwind drijven. Het gevoel van eenzaamheid vloog hem naar zijn keel als een woedende hond, en hij moest zichzelf dwingen om verder te lopen en zijn werk te doen, hoewel hij het liefst ergens zou zijn weggekropen.
‘Goedemorgen,’ zei hij tegen Christian Kröger, hoofd van de technische recherche, die net zijn camera uitpakte. ‘Wat is er aan de hand?’
‘Het zal wel via de politieradio bekend zijn geworden,’ antwoordde Kröger, en hij schudde grijnzend zijn hoofd. ‘Net kleine jongens!’
‘Wat is er bekend geworden?’ Bodenstein snapte het nog steeds niet en verbaasde zich over de drukte. Ondanks het vroege uur stonden er vijf dienstwagens op het gravel van de parkeerplaats, een zesde reed van de weg juist de parkeerplaats op. Al van verre hoorde Bodenstein geroezemoes. Alle politiemensen, of ze nu bij de geüniformeerde dienst of de technische recherche zaten, waren in rep en roer.
‘Een Ferrari!’ meldde een van de surveillanten met stralende ogen. ‘Een 599 gtb Fiorano! Zo eentje heb ik alleen een keer op de iaa gezien!’
Bodenstein worstelde zich door de meute collega’s. Inderdaad! Helemaal aan het eind van de parkeerplaats stond een knalrode Ferrari te glanzen in het licht van de schijnwerpers, omringd door zo’n vijftien eerbiedige politiemannen, die zich meer interesseerden voor de cilinderinhoud, het aantal pk’s, de banden, de velgen, het koppel- en acceleratievermogen van de dure sportwagen, dan voor de dode achter het stuur. Een slang liep van een van de armdikke, verchroomde uitlaatpijpen naar het raam, dat vanbinnen zorgvuldig met zilverkleurig isolatieband was dichtgeplakt.
‘Dat ding kost tweehonderdvijftigduizend euro,’ beweerde een van de jongere politiemensen op dat moment. ‘Waanzinnig, niet?’
‘Hij zou wel eens in één klap heel wat goedkoper geworden kunnen zijn,’ merkte Bodenstein droog op.
‘Hoezo?’
‘Het is u misschien ontgaan, maar er zit een lijk achter het stuur.’ Bodenstein was niet het soort man die bij het zien van een rode sportwagen buiten zinnen raakte. ‘Heeft iemand het kenteken nagetrokken?’
‘Ja,’ zei een agente uit de achterste gelederen die het enthousiasme van haar mannelijke collega’s blijkbaar evenmin deelde. ‘Het voertuig staat op naam van een bank in Frankfurt.’
‘Hm.’ Bodenstein keek toe hoe Kröger zijn plaatjes schoot en daarna met een collega het linker portier van de auto opende.
‘De economische crisis eist zijn eerste slachtoffers,’ zei iemand spottend. Vervolgens ontbrandde er een discussie over de vraag hoeveel iemand per maand moest verdienen om de termijnen van een geleasete Ferrari Fiorano te kunnen betalen. Bodenstein zag dat er weer een politiewagen de parkeerplaats op reed, gevolgd door twee civiele politievoertuigen.
‘Laat de wijde omtrek van de parkeerplaats afzetten,’ droeg hij de jonge agente op. ‘En stuur alstublieft de collega’s weg die hier niets te zoeken hebben.’
De jonge vrouw knikte en ging energiek aan de slag. Een paar minuten later was de parkeerplaats afgezet. Bodenstein hurkte naast de geopende autodeur en bestudeerde het lijk. De blonde man was nog jong, naar schatting midden dertig. Hij droeg een pak en een das, aan zijn pols een duur horloge. Zijn hoofd was opzij gezakt en op het eerste gezicht leek hij te slapen.
‘Goedemorgen, Bodenstein,’ zei een vertrouwde stem achter hem, en Bodenstein keek over zijn schouder.
‘Hallo, dokter Kirchhoff.’ Hij kwam overeind en knikte de forensisch arts toe.
‘Is Pia niet hier?’
‘Nee, vandaag mag ik het helemaal zelf doen,’ antwoordde Bodenstein ironisch. ‘Mist u haar?’
Kirchhoff glimlachte vermoeid, maar hij ging niet op de opmerking in. Bij wijze van uitzondering was hij niet in de stemming voor sarcastische opmerkingen. Achter de brillenglazen waren zijn ogen rood; ook hij zag eruit alsof hij de vorige nacht niet veel had geslapen. Bodenstein maakte plaats voor de forensisch arts en liep naar Kröger; die was juist de aktetas aan het onderzoeken, die op de stoel naast de bestuurder van de Ferrari had gelegen.
‘En?’ vroeg hij. Kröger gaf hem de portefeuille van de dode aan. Bodenstein trok de identiteitskaart eruit en verstijfde. Hij las de naam nog eens. Kon dit toeval zijn?
*
Het hoofd van de psychiatrische afdeling had Pia zo uitvoerig over de toestand van Thies Terlinden geïnformeerd als haar medisch beroepsgeheim het toeliet; nu was Pia heel benieuwd naar Terlindens zoon. Ze wist dat ze niet veel kon verwachten. Waarschijnlijk zou Thies helemaal niet op haar vragen antwoorden, had de arts gezegd. Pia sloeg de patiënt een tijdje gade door het ruitje in de deur. Thies Terlinden was een uitgesproken knappe jongeman met dik blond haar en een gevoelige mond, die niet was aan te zien met welke demonen hij te kampen had. Alleen zijn schilderijen verrieden iets over zijn innerlijke kwellingen. Hij zat aan een tafel in een lichte, vriendelijke ruimte en tekende geconcentreerd. Hoewel hij door de medicatie weer wat rustiger was, kreeg hij geen scherpe voorwerpen zoals potloden of penselen en moest hij met waskrijt genoegen nemen, maar hij leek zich er niet aan te storen. Toen Pia met de arts en een verpleger de ruimte binnenkwam, keek hij niet op. De dokter stelde Pia aan hem voor, en legde uit waarom ze hier was en met hem wilde praten. Thies boog zich weer over zijn tekening, vervolgens leunde hij met een plotselinge beweging achterover en legde de waskrijtjes op tafel. De stiften slingerden niet rond, hij had ze accuraat naast elkaar gelegd, als soldaten op appel. Pia ging tegenover hem op een stoel zitten en keek naar hem.
‘Ik heb Amelie niets gedaan,’ zei hij met zijn eigenaardig monotone stem voordat Pia iets kon zeggen. ‘Dat zweer ik. Ik heb Amelie niets gedaan, niets gedaan.’
‘Dat beweert ook niemand,’ zei Pia vriendelijk.
Thies’ handen fladderden ongecontroleerd rond; hij wiegde zijn bovenlichaam heen en weer, zijn blik strak op de tekening gericht die voor hem lag.
‘Je mag Amelie graag, en zij was vaak bij je, nietwaar?’
Hij knikte heftig.
‘Ik heb op haar gepast. Op haar gepast.’
Pia wisselde een blik met de arts, die wat verder weg was gaan zitten. Thies pakte weer een waskrijtje, boog zich over zijn schets en ging door met tekenen. Er heerste stilte. Pia overwoog welke vraag ze nu moest stellen. De dokter had haar geadviseerd heel gewoon met Thies te praten, niet als met een klein kind. Maar dat bleek niet zo eenvoudig te zijn.
‘Wanneer heb je Amelie voor het laatst gezien?’
Hij reageerde niet, tekende als een bezetene, pakte een andere kleurstift.
‘Waarover hebben Amelie en jij het gehad?’
Het was heel anders dan bij een normaal verhoor. Er was niets aan Thies’ gezicht te zien, zijn mimiek was zo star als die van een marmeren beeld. Hij beantwoordde geen enkele vraag, ten slotte stelde Pia er geen meer. De minuten verstreken. Tijd betekent niets voor autisten, had de arts aan Pia uitgelegd, ze leefden in hun eigen wereld. Je moest geduld hebben. Maar om elf uur vond in Altenhain de begrafenis van Laura Wagner plaats, en ze wilde Bodenstein daar ontmoeten. Toen ze teleurgesteld wilde opstaan en vertrekken, nam Thies Terlinden onverwacht het woord.
‘Ik heb haar die avond gezien, vanuit het arendsnest.’ Zijn manier van praten was helder en duidelijk, hij vormde correcte zinnen. Alleen de zinsmelodie ontbrak, het was of er een robot sprak. ‘Ze heeft op het erf gestaan, naast de schuur. Ik wilde haar roepen, maar toen kwam... de man. Ze hebben met elkaar gepraat en ze giechelden, en ze zijn de schuur in gegaan, zodat niemand kon zien wat ze deden. Maar ik heb het gezien.’
Pia keek verward naar de arts, die hulpeloos haar schouders ophaalde. Arendsnest? Schuur? En welke man had Thies gezien?
‘Maar ik mag er niet over praten,’ vervolgde hij. ‘Niet over praten. Anders kom ik in een inrichting. En daar moet ik blijven tot ik doodga.’ Opeens tilde hij zijn hoofd op en keek haar met zijn lichtblauwe ogen aan, net zo wanhopig als een van de figuren op de schilderijen in dokter Lauterbachs praktijk.
‘Ik mag er niet over praten,’ herhaalde hij. ‘Niet over praten. Anders kom ik in een inrichting.’ Hij schoof de tekening die hij had gemaakt naar Pia. ‘Niet praten. Niet praten.’
Ze bekeek de tekening en huiverde. Een meisje met lang donker haar. Een man die wegloopt. Een andere man, die met een kruis op het hoofd van het donkerharige meisje inslaat.
‘Dat is niet Amelie, toch?’ vroeg Pia zacht.
‘Mag niet praten,’ fluisterde hij hees. ‘Niet praten. Alleen tekenen.’
Pia’s hart ging tekeer toen ze begreep wat Thies haar probeerde uit te leggen. Iemand had hem verboden te praten over wat hij had gezien. Hij had het niet over Amelie. En ook de tekening liet niet Amelie zien, maar Stefanie Schneeberger en haar moordenaars!
Thies had zich weer van haar afgewend en een stift gepakt, en vol overgave schetste hij een nieuwe tekening. Het leek alsof hij zich helemaal in zichzelf had teruggetrokken, hij had nog steeds een gespannen uitdrukking op zijn gezicht, maar hij wiegde zijn bovenlichaam niet langer heen en weer. Langzaam begon Pia te begrijpen wat de man de afgelopen jaren had doorgemaakt. Hij was door iemand onder druk gezet en bedreigd, zodat hij niet zou vertellen wat hij elf jaar geleden had gezien. Maar wie had dat gedaan? Opeens werd haar ook duidelijk dat Thies Terlinden in groot gevaar zou zijn als die persoon erachter zou komen wat hij net aan de politie had verteld. Om hem te beschermen moest ze ook tegenover de arts doen alsof het volkomen onbelangrijk was.
‘Goed dan,’ zei ze dus. ‘In elk geval bedankt.’ Ze kwam overeind, de dokter en de verpleger eveneens.
‘Sneeuwwitje moet sterven, hebben ze gezegd,’ zei Thies op dat moment. ‘Maar niemand kan haar meer wat doen. Ik pas namelijk op haar.’
*
De motregen en de mist weerhielden niemand in Altenhain ervan Laura Wagner de laatste eer te bewijzen. De parkeerplaats voor Het Zwarte Ros was te klein voor de vele auto’s. Pia parkeerde gewoon aan de kant van de weg, stapte uit en liep snel in de richting van het geluid van de dodenklok in de kerk, waar Bodenstein onder het afdak op haar stond te wachten.
‘Thies heeft destijds alles gezien,’ viel ze met de deur in huis. ‘Hij heeft inderdaad schilderijen gemaakt, zoals Amelie aan Tobias heeft verteld. Iemand heeft hem onder druk gezet. Hij zou in een inrichting belanden als hij ooit iets zou zeggen over de dingen die hij had gezien.’
‘Wat heeft hij over Amelie gezegd?’ Bodenstein was ongeduldig, een teken dat ook hij iets belangrijks had ontdekt.
‘Geen woord. Alleen dat hij niets heeft gedaan. Maar hij had het over Stefanie en maakte zelfs een tekening.’
Pia peuterde het dubbelgevouwen stuk papier uit haar tas en gaf het aan Bodenstein.
Die wierp er een blik op en fronste zijn voorhoofd, toen tikte hij instemmend op het kruis. ‘Dat is de autokrik. Het corpus delicti.’
Pia knikte opgewonden.
‘Wie heeft hem bedreigd? Zijn vader misschien?’
‘Dat is mogelijk. Hij zal het niet prettig hebben gevonden dat zijn zoon bij een dergelijk misdrijf betrokken was.’
‘Maar Thies was er toch niet bij betrokken,’ sprak Pia hem tegen. ‘Hij heeft alleen alles gadegeslagen.’
‘Ik heb het ook niet over Thies,’ zei Bodenstein. De klok verstomde. ‘Vanochtend werd ik bij een zelfmoord geroepen. Een man heeft zich op de parkeerplaats bij de Nepomuk-bocht in zijn auto van het leven beroofd. En die man is Thies’ broer, Lars Terlinden.’
‘Pardon?’ Pia was sprakeloos.
‘Ja.’ Bodenstein knikte. ‘Wat als Lars de moordenaar van Stefanie was en zijn broer dat had gezien?’
‘Lars Terlinden is meteen na de verdwijning van de meisjes naar Engeland vertrokken om te studeren.’ Pia probeerde zich de chronologische volgorde van de gebeurtenissen in 1997 voor de geest te halen. De naam van Thies’ broer kwam niet eens in het oude dossier voor.
‘Misschien heeft Claudius Terlinden zijn zoon op die manier buiten het onderzoek gehouden. En zijn andere zoon heeft hij onder druk gezet om hem zijn mond te laten houden,’ vermoedde Bodenstein.
‘Maar wat bedoelde Thies toen hij zei dat niemand Sneeuwwitje wat kon aandoen omdat hij op haar paste?’
Bodenstein haalde zijn schouders op. De zaak werd steeds ondoorzichtiger. Ze liepen om de kerk naar de begraafplaats. Het gezelschap had zich onder opgestoken paraplu’s rond het open graf verzameld, waarin juist de witte kist met een boeket witte anjers afdaalde. De heren van de begrafenisonderneming deden een stap terug, de pastoor nam het woord.
Hoewel Manfred Wagner in voorlopige hechtenis was genomen, had hij verlof gekregen voor de begrafenis van zijn oudste dochter. Met een strak gezicht stond hij naast zijn vrouw en twee jonge mensen in de eerste rij; de twee gevangenbewaarders die hem hadden gebracht, stonden een eindje verderop. Een jonge vrouw op naaldhakken liep haastig langs Bodenstein en Pia heen zonder hen aan te kijken. Haar helblonde haar had ze in een simpele knot gedraaid, ze droeg een strak zwart pakje en ondanks het mistige sombere weer een grote donkere zonnebril.
‘Nadja von Bredow,’ legde Pia haar chef uit. ‘Ze komt uit Altenhain en was een vriendin van Laura Wagner.’
‘Ja, ja.’ Bodenstein was er niet bij met zijn gedachten. ‘Trouwens, dr. Engel heeft zojuist toegezegd dat zij zich met Gregor Lauterbach zal bezighouden. Minister van Cultuur of niet, hij was de zaterdag dat Amelie verdween wel met Terlinden op pad.’
Pia’s mobieltje ging over. Snel haalde ze het tevoorschijn en verdween om de hoek van de kerk voordat ze boze blikken zou oogsten; daar beantwoordde ze de oproep.
‘Pia, ik ben het,’ hoorde ze Ostermann zeggen. ‘Je hebt me laatst toch verteld dat er in het oude dossier verhoorverslagen ontbreken.’
‘Ja, precies.’
‘Luister. Ik vind het niet gemakkelijk om dit te zeggen, maar het schoot me te binnen dat Andreas zich nogal voor het dossier interesseerde. Op de avond waarop hij eigenlijk al ziek was gemeld, was hij nog laat op het bureau, en ik...’
De rest van zijn woorden ging ten onder in het plotselinge geloei van de sirene van de vrijwillige brandweer, die zich op het dak van Het Zwarte Ros bevond. Pia stopte haar andere oor dicht en vroeg haar collega harder te praten. Drie mannen hadden het gezelschap tijdens het sirenegehuil verlaten en haastten zich nu langs Pia naar de parkeerplaats.
‘...vroeg ik me af... recept... maar was in ons kantoor...’ hoorde ze nog. ‘...geen idee... hem vragen... wat is dat?’
‘De sirene.’ Pia luisterde ingespannen naar zijn stem. ‘Er zal wel ergens brand zijn. Dus, nog een keer. Wat was er met Andreas?’
Ostermann herhaalde wat hij had gezegd. Pia hoorde het vol ongeloof aan.
‘Dat zou ongehoord zijn,’ zei ze. ‘Dank je. We zien elkaar later.’
Ze borg haar mobieltje op en liep in gedachten terug naar Bodenstein.
*
Tobias Sartorius liep langs de schuur en ging de voormalige koeienstal binnen. Heel Altenhain was naar het kerkhof, dus niemand zou hem zien, zelfs buurman Paschke niet, het oude blokhoofd. Nadja had hem bij de achterste poort van het erf laten uitstappen en was naar het kerkhof gereden om bij Laura’s begrafenis te kunnen zijn. Tobias maakte de deur van de melkkeuken open en liep het huis in. Het gevoel dat hij zich moest verstoppen was vreselijk. Hij was niet geschikt voor zo’n leven. Net toen hij de trap naar boven op wilde lopen, verscheen zijn vader geruisloos als een schaduw in de keukendeur.
‘Tobias! Godzijdank!’ riep hij uit. ‘Ik ben zo ongerust geweest! Waar was je?’
‘Papa.’ Tobias omhelsde zijn vader. ‘Ik was bij Nadja. De politie zou me toch niet hebben geloofd, en me meteen hebben opgesloten.’
Hartmut Sartorius knikte.
‘Ik kom alleen een paar kleren halen. Nadja is naar de begrafenis, ze pikt me later weer op.’
Pas nu realiseerde hij zich dat zijn vader op een doordeweekse ochtend thuis was, in plaats van op zijn werk.
‘Ze hebben me ontslagen.’ Hartmut Sartorius haalde zijn schouders op. ‘Om een of andere vage reden. Mijn chef is Dombrowski’s schoonzoon, vandaar.’
Tobias snapte het. Hij kreeg een brok in zijn keel. Nu was hij er ook nog schuldig aan dat zijn vader de laan uit was gestuurd!
‘Ach, ik wilde toch ontslag nemen,’ zei Hartmut Sartorius luchtig. ‘Ik wil weer echt gaan koken, niet alleen dat diepvriesspul opwarmen en op een bord storten.’ Toen leek hij zich iets te herinneren. ‘Vandaag zat er een brief voor je bij de post.’
Hij draaide zich om en liep naar de keuken. Tobias volgde hem. De brief had geen afzender. Het liefst had hij hem meteen in de vuilnisbak gegooid. Waarschijnlijk weer zo’n achterbakse scheldpartij. Hij ging aan de keukentafel zitten, maakte de envelop open en vouwde het voorname, lichtgele papier open. Vol onbegrip keek hij naar het briefhoofd van een Zwitserse bank en begon de handgeschreven tekst te lezen. De eerste zinnen kwamen aan als een stomp in zijn maag.
‘Van wie is dat?’ vroeg zijn vader. Buiten denderde een brandweerwagen met zwaailicht en sirene voorbij, de ruiten rinkelden. Tobias slikte. Hij keek op.
‘Van Lars,’ zei hij schor. ‘Van Lars Terlinden.’
*
De poort van het landgoed van de Terlindens stond wijd open. De scherpe brandlucht drong zelfs door de gesloten ramen van de auto. De brandweerwagens waren dwars over het gazon gereden en hadden diepe geulen in de drassige bodem achtergelaten. Het was echter niet de villa die in brand stond, maar een gebouw dat zich verder naar achteren op het grote terrein bevond. Pia liet de auto voor het huis staan en liep met Bodenstein naar de plek van de brand. De brandweer leek het vuur al onder controle te hebben; er waren geen vlammen meer te zien, er kwamen alleen dikke zwarte rookwolken door de vensteropeningen. Christine Terlinden was geheel in het zwart, blijkbaar was ze op de begrafenis geweest of had ze op het punt gestaan erheen te rijden toen ze de brand had opgemerkt. Gechoqueerd sloeg ze het tafereel gade, de wirwar van slangen, de brandweerlieden, die door de bloemperken heen liepen en het gazon vernielden. Naast haar stond haar buurvrouw, Daniela Lauterbach; toen hij haar zag, kwam bij Bodenstein onwillekeurig een van zijn warrige dromen van afgelopen nacht boven. Ze draaide zich om, alsof ze zijn gedachten had gehoord, en kwam naar hem en Pia toe.
‘Hallo,’ zei ze koel, zonder een zweem van een glimlach. Haar heldere reebruine ogen hadden vandaag meer weg van bevroren chocola. ‘Heeft uw bezoek aan Thies iets opgeleverd?’
‘Nee,’ antwoordde Pia. ‘Wat is hier aan de hand? Wat is dat voor gebouw dat daar in brand staat?’
‘De oranjerie. Thies’ atelier. Christine maakt zich grote zorgen. Ze weet niet hoe Thies zal reageren als hij hoort dat al zijn schilderijen zijn verbrand.’
‘Helaas hebben we nog meer slecht nieuws voor mevrouw Terlinden,’ zei Bodenstein. Daniela Lauterbach trok een van haar fraaie wenkbrauwen op.
‘Veel erger dan dit kan het niet worden,’ zei ze op scherpe toon. ‘Ik heb gehoord dat u Claudius nog altijd vasthoudt. Waarom?’
Bodenstein kwam even in de verleiding haar te vragen er begrip voor te hebben en zich te rechtvaardigen, maar Pia was hem voor.
‘Daar hebben wij onze redenen voor,’ zei ze. ‘We moeten mevrouw Terlinden helaas mededelen dat haar zoon zich van het leven heeft beroofd.’
‘Wat? Thies is dood?’ Dokter Lauterbach keek Pia aan. Stond er even opluchting in haar ogen te lezen voor er een uitdrukking van ontzetting op haar gezicht verscheen? Merkwaardig.
‘Nee, Thies niet,’ antwoordde Pia. ‘Lars.’
Bodenstein liet het gesprek aan Pia over. Dat hij Daniela Lauterbachs genegenheid zo belangrijk vond irriteerde hem. Was het omdat ze zo hartelijk en begrijpend was geweest, en hij daar vanwege zijn huidige crisis te veel in had gezien? Hij kon zijn ogen niet van haar gezicht afhouden, en hoewel het idioot was, wenste hij dat ze naar hem zou glimlachen.
‘Hij heeft zich in zijn auto vergiftigd met uitlaatgas,’ zei Pia net. ‘We hebben zijn lichaam vanochtend gevonden.’
‘Lars? Grote god.’
Toen dokter Daniela Lauterbach zich realiseerde wat voor jobstijding haar vriendin Christine te wachten stond, ontdooide haar ijzige blik. Ze zag er hulpeloos uit, maar toen rechtte ze haar rug.
‘Ik zal het haar vertellen,’ sprak ze vastbesloten. ‘Dat is beter. Ik neem haar wel onder mijn hoede. U kunt me later bellen.’
Ze draaide zich om en ging naar haar vriendin, die haar ogen geen moment van het brandende gebouw had afgewend. Daniela Lauterbach legde beide handen op haar schouders, sprak zacht op haar in. Christine Terlinden stootte een onderdrukte kreet uit, ze wankelde even, maar Daniela Lauterbach hield haar vast.
‘Laten we gaan,’ zei Pia. ‘Die redden zich wel.’
Bodenstein rukte zich los van de aanblik van de twee vrouwen en volgde Pia, die terugliep door het vernielde park. Juist toen ze bij de auto arriveerden stapte er een vrouw op hen af, die hij niet meteen kon plaatsen.
‘Dag mevrouw Fröhlich,’ zei Pia. Het was Amelies stiefmoeder. ‘Hoe gaat het met u?’
‘Niet zo goed,’ gaf de vrouw toe. Ze was heel bleek, maar ze leek kalm. ‘Ik wilde mevrouw Terlinden vragen wat hier is gebeurd, en toen zag ik uw auto staan. Is er nieuws? Kon uw collega iets met de schilderijen beginnen?’
‘Welke schilderijen?’ vroeg Pia verbaasd. Barbara Fröhlich keek verward van Bodenstein naar Pia.
‘Ma... maar gisteren was uw collega toch bij me,’ stotterde ze. ‘Ze... ze zei dat u haar had gestuurd. Vanwege de schilderijen die Thies aan Amelie had gegeven.’
Bodenstein en Pia wisselden een snelle blik.
‘Wij hebben niemand gestuurd,’ zei Pia met gefronste wenkbrauwen. Het verhaal werd steeds vreemder.
‘Maar die vrouw zei toch...’ begon Barbara Fröhlich, en ze zweeg toen ontdaan.
‘Hebt u de doeken gezien?’ wilde Bodenstein weten.
‘Nee... Ze heeft de hele kamer doorzocht en achter de commode een verborgen deur gevonden. En daarachter lag inderdaad een rol met schilderijen. Amelie moet ze daar hebben verstopt... Wat er op de doeken stond heb ik niet gezien. Die vrouw heeft ze meegenomen, ze wilde me zelfs nog een ontvangstbewijs geven.’
‘Hoe zag ze eruit, onze zogenaamde collega?’ vroeg Pia. Barbara Fröhlich leek te begrijpen dat ze een fout had gemaakt. Haar schouders zakten naar voren, ze leunde tegen het spatbord van de auto, haar vuist tegen haar lippen gedrukt. Pia kwam naast haar staan en legde een arm om haar schouder.
‘Ze... ze had een politiepenning,’ fluisterde Amelies stiefmoeder vechtend tegen haar tranen. ‘Ze was zo begrijpend en vriendelijk. Ze... ze... zei dat ze Amelie met behulp van de schilderijen zouden vinden, dat is het enige wat telt!’
‘Zit er maar niet over in,’ zei Pia in een poging haar te troosten. ‘Weet u nog hoe de vrouw eruitzag?’
‘Donker kort haar. Een bril. Slank.’ Barbara Fröhlich haalde haar schouders op. In haar blik stond pure angst te lezen. ‘Denkt u dat Amelie nog leeft?’
‘Ik ben er zeker van,’ antwoordde Pia tegen beter weten in. ‘We zullen haar vinden. Maakt u zich niet te veel zorgen.’
*
Thies’ schilderijen laten de ware dader zien, daar ben ik van overtuigd,’ zei Pia niet veel later tegen haar chef toen ze in de auto zaten en richting Neuenhain reden. ‘Hij heeft ze aan Amelie in bewaring gegeven. Maar Amelie heeft de fout gemaakt iemand over de doeken te vertellen.’
‘Precies.’ Bodenstein knikte somber. ‘En wel Tobias Sartorius. Waarschijnlijk heeft hij ze allang vernietigd.’
‘Tobias zal het een zorg zijn of hij op die schilderijen staat of niet,’ zei Pia. ‘Hij heeft zijn straf uitgezeten. Wat kan hem gebeuren? Nee, nee, het moet iemand anders zijn, iemand die er alle belang bij heeft dat die doeken nooit zullen opduiken.’
‘Wie dan?’
Pia had er moeite mee te zeggen wie ze verdacht. Ze begreep dat ze met haar eerste indruk van Claudius Terlinden de plank volledig had misgeslagen.
‘Thies’ vader,’ zei ze.
‘Misschien,’ zei Bodenstein. ‘Maar het kan ook iemand zijn geweest met wie we geen rekening houden, omdat we hem niet kennen. Hier moet je linksaf.’
‘Waar rijden we eigenlijk heen?’ Pia gaf richting aan, wachtte tot het tegemoetkomende verkeer voorbij was en sloeg links af.
‘Naar Hasse,’ antwoordde Bodenstein. ‘Hij woont in het laatste huis links aan de rand van het bos.’
Toen Pia haar chef eerder over Ostermanns telefoontje had verteld, vertrok hij geen spier, maar hij leek de kwestie meteen tot op de bodem te willen uitzoeken. Niet veel later stopten ze voor een huisje met een piepklein voortuintje. Pia wist dat Andreas Hasse het op de dag dat hij met pensioen zou gaan, afbetaald zou hebben. Daar had hij het geregeld over, rancuneus als hij was over het naar zijn mening bespottelijk lage salaris dat hij van de overheid kreeg. Ze stapten uit en liepen naar de voordeur. Bodenstein drukte op de bel. Hasse deed zelf open. Hij werd meteen lijkbleek en boog bedremmeld zijn hoofd. Ostermanns verdenking was een schot in de roos. Ongelooflijk.
‘Mogen we binnenkomen?’ vroeg Bodenstein. Ze gingen een donkere hal binnen met een versleten linoleumvloer, er hing een geur van eten en sigarettenrook. De radio stond aan. Hasse deed de deur naar de keuken dicht. Hij probeerde niets te ontkennen en gaf alles meteen toe.
‘Een vriend heeft me gevraagd of ik hem een dienst kon bewijzen,’ zei hij nerveus. ‘Ik dacht dat het geen kwaad kon.’
‘Man, ben je niet goed wijs?’ Pia was razend. ‘Jij laat verslagen uit dossiers verdwijnen?’
‘Hoe kon ik weten dat die oude rommel nog van belang was?’ antwoordde hij zwak. ‘Ik bedoel, dat is toch allemaal oeroud, de hele zaak is allang afgesloten...’ Hij zweeg toen hij zich realiseerde wat hij had gezegd.
‘U weet wat dat betekent,’ zei Bodenstein ernstig. ‘U wordt geschorst en er wordt door mij een disciplinaire maatregel opgelegd. Waar zijn de documenten?’
Hasse maakte een hulpeloos handgebaar. ‘Die heb ik vernietigd.’
‘En waarom?’ Pia geloofde haar oren niet. Dacht hij nou echt dat het niemand zou opvallen?
‘Pia, Sartorius heeft twee meisjes vermoord en iedereen beschuldigd – zelfs zijn vrienden en zijn leraar! Destijds heb ik die vent van dichtbij meegemaakt, van het begin af heb ik aan het onderzoek meegewerkt! Die ijskoude klootzak – en nu wil hij de hele zaak weer oprakelen en zich...’
‘Daar klopt niets van!’ onderbrak Pia hem. ‘Ik ben degene die is gaan twijfelen. Tobias Sartorius heeft er helemaal niets mee te maken!’
‘Hoe heet de vriend die u om die twijfelachtige dienst heeft gevraagd?’ wilde Bodenstein weten. Hasse spartelde nog even tegen.
‘Gregor Lauterbach,’ gaf hij uiteindelijk toe, en hij liet zijn hoofd hangen.
*
Het Zwarte Ros was tot de laatste plaats bezet. Het hele dorp had er zich na de begrafenis verzameld voor de koffie en de broodjes, maar er werd meer over de brand bij Terlinden gesproken dan over Laura Wagner, en er werd druk gespeculeerd. Michael Dombrowski was commandant van de vrijwillige brandweer van Altenhain en had de operatie geleid. Op de terugweg naar de brandweerkazerne had hij zich bij Het Zwarte Ros laten afzetten, zijn kleren en haar roken nog naar vuur en rook.
‘De recherche gaat uit van brandstichting,’ vertelde hij zijn vrienden Felix Pietsch en Jörg Richter, die met een somber gezicht in een hoek bij elkaar zaten. ‘Ik vraag me alleen af waarom iemand dat tuinhuis zou willen aansteken.’ Pas nu viel hem de bedrukte stemming op waarin zijn vrienden verkeerden. ‘Wat is er met jullie aan de hand?’
‘We moeten Tobi vinden,’ zei Jörg, ‘en een punt achter de hele zaak zetten.’
Felix knikte instemmend.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Michael, die er niets van snapte.
‘Zie je dan niet dat alles weer van voren af aan begint? Net als toen.’ Jörg Richter legde zijn broodje kaas op zijn bord en schudde vol weerzin het hoofd. ‘Zoiets kan ik niet nog een keer doormaken.’
‘Ik ook niet,’ beaamde Felix. ‘Al met al zit er niets anders op.’
‘Weten jullie het zeker?’ Michael keek ongemakkelijk van de een naar de ander. ‘Jullie weten wat dat betekent. Voor elk van ons.’
Felix en Jörg knikten. Ze waren zich bewust van de draagwijdte van hun besluit.
‘Wat zegt Nadja?’
‘Daar kunnen we geen rekening mee houden,’ zei Jörg, en hij haalde diep adem. ‘We kunnen niet langer wachten. Anders gebeurt er misschien weer een ongeluk.’
‘Beter een dramatisch einde dan een drama zonder einde,’ vulde Felix aan.
‘Shit.’ Michael streek met een hand over zijn gezicht. ‘Ik kan dat niet! Ik... ik bedoel... het is allemaal zo lang geleden. Kunnen we het niet gewoon laten zitten?’
Jörg staarde hem aan. Toen schudde hij resoluut zijn hoofd.
‘Ik niet. Nadja heeft daarnet op het kerkhof gezegd dat Tobi thuis is. Ik rij nu naar hem toe en zet er een streep onder.’
‘Ik ga mee,’ zei Felix.
Michael aarzelde nog, zocht wanhopig naar een manier om de dans te ontspringen. ‘Ik moet straks nog even naar de plek van de brand,’ zei hij ten slotte.
‘Dat kan. Straks,’ zei Jörg. ‘Zo lang zal het niet duren. Kom op, we gaan.’
*
Daniela Lauterbach had haar armen over elkaar geslagen en keek met een mengeling van ongeloof en minachting naar haar man. Toen ze van de buurvrouw was teruggekomen zat hij met een vaalbleek gezicht aan de keukentafel en leek jaren ouder. Nog voor ze haar jas had uitgetrokken, was hij begonnen te praten – over anonieme dreigbrieven, e-mails en foto’s. Het was een stortvloed van woorden, bitter, wanhopig, vol zelfmedelijden en angst. Zwijgend en met stijgende verbazing had ze hem aangehoord, zonder hem te onderbreken. Zijn laatste vraag had haar met stomheid geslagen. Lange tijd heerste diepe stilte in de grote keuken.
‘Wat verwacht je nu van mij?’ vroeg ze koel. ‘Mijn god, ik heb je destijds meer dan genoeg geholpen.’
‘Ik wou dat je het niet had gedaan,’ zei hij mat. Bij die woorden werd ze overmand door woede, een gloeiende, tomeloze woede die al die jaren diep in haar binnenste had gesluimerd. Wat had ze niet allemaal gedaan voor hem, die karakterloze slappeling, die poseur die niets anders kon dan de grote meneer uithangen en mooie praatjes verkopen! Zodra hij in de problemen raakte, kwam hij aangekropen en hing hij jengelend aan moeders rokken. Vroeger had ze het nog wel leuk gevonden dat hij haar adviezen opvolgde en haar om hulp vroeg wanneer hij geen uitweg meer zag. Hij was haar mooie tovenaarsleerling geweest, haar bron van de jeugd, haar werk. Bij hun eerste ontmoeting, ruim twintig jaar geleden, had ze al snel het talent van de toen eenentwintigjarige man onderkend. Destijds was ze al een succesvolle arts geweest, twintig jaar ouder dan hij en welgesteld dankzij een behoorlijke erfenis. Eerst gebruikte ze hem alleen voor wat afleiding in bed, maar daarna had ze de studie van de arme arbeiderszoon betaald en hem met kunst, cultuur en politiek vertrouwd gemaakt. Via haar relaties had ze hem een baan als leraar op het gymnasium bezorgd, en de weg in de politiek voor hem gebaand; de post van minister van Cultuur was de kroon op haar werk. Maar na die kwestie van elf jaar geleden had ze hem de deur uit moeten gooien. Hij was het niet waard. Een ondankbare slapjanus die geen waardering wist op te brengen voor alle moeite en energie die ze in hem had gestoken.
‘Als je destijds naar mij had geluisterd en de autokrik in het bos had begraven in plaats van hem met je blote handen aan te pakken en in Sartorius’ beerput te gooien, dan zou er helemaal niets zijn gebeurd,’ zei ze. ‘Maar jij wist het weer beter. Door jou is Tobias in de gevangenis beland. Door jou, niet door mij!’
Hij kromp ineen onder haar woorden alsof het zweepslagen waren. ‘Ik heb een fout gemaakt, Dani! Ik stond gewoon enorm onder druk, mijn god!’
‘Je bent met een minderjarige leerlinge naar bed geweest, weet je nog?’ zei ze met ijzige stem. ‘En nu kom je doodleuk vragen of ik een ooggetuige wil opruimen, die ook nog mijn patiënt is en de zoon van de buren! Wat ben jij voor iemand?’
‘Dat verlang ik helemaal niet van je,’ fluisterde Gregor Lauterbach. ‘Ik wil toch alleen maar met Thies praten. Meer niet. Hij moet gewoon zijn mond blijven houden. Jij bent huisarts, jou zullen ze wel bij hem laten.’
‘Nee.’ Daniela Lauterbach schudde beslist haar hoofd. ‘Daar doe ik niet aan mee. Laat die jongen met rust, hij heeft het al moeilijk genoeg. Hoe dan ook, het zou het beste zijn als je een tijdje uit beeld verdwijnt. Rij naar het huis in Deauville, en wacht tot de bui is overgetrokken.’
‘De politie heeft Claudius gearresteerd!’ riep Gregor Lauterbach.
‘Dat weet ik.’ Ze knikte. ‘En ik vraag me af waarom. Wat hebben jullie zaterdagavond eigenlijk uitgespookt, jij en Claudius?’
‘Alsjeblieft, Dani,’ smeekte hij. Hij gleed van zijn stoel en zonk voor haar op zijn knieën. ‘Laat me met Thies praten.’
‘Hij zal geen antwoord geven.’
‘Misschien wel als jij erbij bent.’
‘Dan al helemaal niet.’ Ze keek neer op haar echtgenoot, die voor haar knielde als een bange kleine jongen. Belogen en bedrogen had hij haar, keer op keer. Al voor hun bruiloft hadden haar vrienden haar voorspeld dat het zo zou gaan. Gregor was twintig jaar jonger, hij zag er geweldig uit, was een begaafde redenaar en had charisma. Alle meisjes en vrouwen dweepten met hem, omdat ze iets in hem zagen wat hij niet was. Alleen zij wist hoe zwak hij in werkelijkheid was. Daaruit, en uit zijn afhankelijkheid van haar, putte ze kracht. Ze had hem vergeven, onder voorwaarde dat zoiets nooit meer zou gebeuren. Een relatie met een leerlinge was taboe. Alleen zij kende zijn geheimen, angsten en complexen; zij kende hem heel wat beter dan hij zichzelf.
‘Alsjeblieft,’ bedelde hij weer en keek haar met grote smekende ogen aan. ‘Help me, Dani. Laat me niet in de steek! Je weet toch wat er voor me op het spel staat!’
Daniela Lauterbach slaakte een diepe zucht. Haar voornemen om hem dit keer niet te helpen liep op niets uit. Zoals gewoonlijk. Ze kon nooit lang boos op hem zijn. En ditmaal stond er inderdaad heel wat op het spel, wat dat betrof had hij gelijk. Ze boog zich naar hem toe, streelde zijn hoofd en begroef haar vingers in zijn volle, zachte haar.
‘Goed,’ zei ze. ‘Ik zal zien wat ik kan doen. Maar jij pakt nu je spullen en gaat een paar dagen naar Frankrijk, oké?’
Hij keek op naar haar, pakte haar hand en kuste die.
‘Dank je,’ fluisterde hij. ‘Dank je wel, Dani. Ik zou niet weten wat ik zonder je moest.’
Ze glimlachte. Haar boosheid was weggeëbd. Ze voelde een diepe, kalme vreugde over zich komen. Alles was weer in balans, moeiteloos zouden ze het van buiten komende onheil het hoofd bieden – zolang Gregor maar wist te waarderen wat zij voor hem deed.
*
‘De minister van Cultuur?’ Pia had een heel ander antwoord van haar collega verwacht. Ze stond perplex. ‘Waar ken jij die van?’
‘Mijn vrouw is de nicht van zijn vrouw,’ zei Andreas Hasse. ‘We hebben elkaar regelmatig op familiefeestjes ontmoet. Bovendien zitten we allebei in het Altenhainer mannenkoor.’
‘Nou, geweldig hoor,’ zei Bodenstein. ‘Ik kan u wel vertellen, dat ik ernstig in u teleurgesteld ben, Hasse.’
Andreas Hasse keek hem aan en stak koppig zijn kin vooruit. ‘Werkelijk?’ antwoordde hij met trillende stem. ‘Ik had er geen idee van dat ík u teleurstellen kon, zo weinig als u zich destijds voor mij interesseerde.’
‘U zegt?’ Bodenstein trok zijn wenkbrauwen op.
Nu Hasse zich realiseerde dat hij zijn langste tijd bij de K11 toch echt had gehad, kwam alles bij hem omhoog.
‘Nooit hebt u meer dan drie zinnen met me gesproken. Ik zou hoofd van de K11 worden, maar toen bent u uit Frankfurt overgekomen, verwaand en arrogant, en hebt u meteen alles omgegooid, alsof wij achterlijke dorpsveldwachters er een zooitje van hadden gemaakt. U interesseert zich toch geen moer voor ons, voor niemand van ons! Domme dienders, waar de genadige heer von Bodenstein zich mijlenver boven verheven voelt!’ zei Hasse giftig. ‘U zult nog wel merken hoever u daarmee komt. Er wordt al driftig aan de poten van uw stoel gezaagd.’
Bodenstein keek Hasse aan alsof hij hem in zijn gezicht had gespuugd. De eerste die weer tot spreken in staat was, was Pia.
‘Zeg, voel jij je wel helemaal lekker?’ tierde ze. Hasse lachte zuur.
‘Jij mag ook wel uitkijken. Op het bureau weet iedereen toch allang dat jullie het stiekem met elkaar houden! Dat is net zo goed een overtreding als het bijbaantje van Frank, waar de genadige heer ook nooit iets van heeft gemerkt!’
‘Hou je kop!’ zei Pia op scherpe toon. Hasse glimlachte hatelijk.
‘Ik heb van meet af aan geweten dat er iets aan de hand was. De anderen begrepen het pas toen jullie elkaar gingen tutoyeren.’
Zonder te groeten draaide Bodenstein zich om en liep het huis uit. Pia voegde Hasse nog een paar minder vriendelijke opmerkingen toe en volgde haar chef. Hij zat niet in de auto. Ze liep de weg af en trof hem bij de rand van het bos aan op een bank, met zijn gezicht in zijn handen. Pia aarzelde even, toen liep ze naar hem toe en ging zwijgend naast hem op de bank zitten, die glansde van het vocht van de mist.
‘Je moet niet naar de domme praatjes van die verbitterde, gefrustreerde idioot luisteren,’ zei ze. Bodenstein antwoordde niet, en bleef gewoon zo zitten.
‘Doe ik eigenlijk nog wel iets goed?’ mompelde hij na een tijdje. ‘Hasse zweert samen met de minister van Cultuur en pikt verslagen uit dossiers, Behnke werkt buiten mijn medeweten jarenlang heimelijk in een kroeg, mijn vrouw bedriegt me al maanden met een andere vent...’
Hij hief zijn hoofd, en Pia moest slikken toen ze de bodemloze wanhoop op zijn gezicht zag.
‘Waarom merk ik daar niets van? Ben ik echt zo arrogant? En hoe moet ik mijn werk doen als ik mijn eigen leven niet eens op orde heb?’
Pia keek naar de scherpe contouren van zijn gezicht en voelde echt met hem mee. Wat Hasse en sommige anderen als arrogantie en verwaandheid beschouwden, was nu eenmaal Bodensteins manier van doen. Hij bemoeide zich nooit ergens mee, deed nooit zijn gezag gelden. En al brandde hij van nieuwsgierigheid, nooit zou hij een onbescheiden vraag aan een medewerker stellen. Dat was geen onverschilligheid maar discretie.
‘Ik heb toch ook niets van Behnkes baantje af geweten,’ zei Pia zacht. ‘En dat Hasse die verslagen heeft gestolen, daar sta ik ook versteld van.’ Ze grijnsde. ‘Zelfs van onze geheime relatie had ik tot voor kort geen idee.’
Bodenstein stootte een onbestemd geluid uit, iets tussen een lach en een zucht. Toen schudde hij moedeloos zijn hoofd.
‘Ik heb het gevoel dat mijn leven compleet in elkaar stort.’ Hij staarde voor zich uit. ‘Het enige waar ik aan kan denken is dat Cosima me met een andere man bedriegt. Waarom? Wat is ze te kort gekomen? Heb ik iets fout gedaan?’
Hij leunde achterover en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Pia beet op haar lip. Wat moest ze tegen hem zeggen? Wat kon hem in deze situatie nog troost bieden? Na een korte aarzeling legde ze een hand op zijn arm en kneep even zacht.
‘Misschien heb je wel iets fout gedaan,’ zei ze. ‘Maar als er problemen in een relatie zijn, ligt dat nooit aan één enkele partner. In plaats van een verklaring te zoeken, zou je erover kunnen nadenken hoe het verder moet.’
Bodenstein wreef zich achter in zijn nek en kwam overeind.
‘Ik moest in mijn agenda bladeren om te kijken wanneer ik voor het laatst met haar heb geslapen,’ zei hij, opeens verbitterd. ‘Maar het is ook echt niet eenvoudig, met een klein kind dat om de haverklap komt aanlopen.’
Pia kreeg het er warm van. Ook al was hun onderlinge relatie het afgelopen jaar veel vertrouwelijker geworden dan voorheen, toch vond ze het net zo pijnlijk als vroeger om met haar chef over zúlke intieme zaken te praten. Ze haalde een pakje sigaretten uit de zak van haar jas en gaf het aan hem. Hij pakte een sigaret, stak hem aan en nam een paar trekjes. Toen praatte hij verder.
‘Hoe lang is dat nu al bezig? Hoeveel nachten heb ik, naïeve sukkel, naast haar in bed gelegen terwijl ze aan een andere vent dacht? Die gedachte maakt me ziek!’
Aha, zijn wanhoop ging geleidelijk over in woede. Dat was goed! Pia stak ook een sigaret op.
‘Vraag het haar gewoon,’ adviseerde ze hem. ‘Het liefst meteen. Dan hoef je jezelf niet langer te kwellen.’
‘En dan? Als ze me de waarheid vertelt? Ach, verdomme! Het liefst zou ik haar ook...’ Hij stokte, doofde de sigaret met de hak van zijn schoen.
‘Doe het gewoon. Misschien gaat het dan beter met je.’
‘Mooie adviezen geef jij!’ Bodenstein keek Pia verrast aan, met een zweem van een glimlach om zijn lippen.
‘Niemand anders geeft ze, zo te zien,’ zei ze. ‘Op school had ik eens een vriend die het met me uitmaakte. Het liefst had ik hem vermoord, zo ongelukkig was ik. Mijn vriendin Miriam heeft me gedwongen mee te gaan naar een feestje, en daar kwam ik een of andere jongen tegen. Die heeft me steeds complimentjes gemaakt. Nou ja. Daarna ging het weer beter. Ook andere moeders hebben knappe zoons. Of dochters.’
Bodensteins mobieltje ging over. Eerst negeerde hij het, ten slotte haalde hij het zuchtend uit zijn zak en nam op.
‘Dat was Fachinger,’ zei hij na afloop van het gesprek tegen Pia. ‘Hartmut Sartorius heeft gebeld. Tobias is thuisgekomen.’
Hij stond op van de bank.
‘Hopelijk treffen we hem nog. Sartorius heeft al twee uur geleden gebeld, maar de dienstdoende inspecteur heeft het Fachinger nu pas gemeld.’
*
De poort van Sartorius stond wijd open. Ze staken het erf over en belden aan, maar er gebeurde niets.
‘De deur is niet dicht,’ stelde Pia vast, en ze duwde hem open.
‘Hallo?’ riep ze naar binnen. ‘Meneer Sartorius?’
Geen antwoord. Ze zette een paar stappen de gang in en riep nog eens.
‘Hij zal er wel weer vandoor zijn.’ Teleurgesteld draaide ze zich om en liep terug naar Bodenstein, die voor de voordeur stond te wachten. ‘En zijn vader is er ook niet. Hopeloos.’
‘Laten we achter op het erf kijken.’ Bodenstein pakte zijn gsm. ‘Ik bel voor versterking.’
Pia liep om het huis heen. Tobias Sartorius was op de dag van Laura Wagners begrafenis weer naar Altenhain gekomen. Natuurlijk was hij niet op het kerkhof geweest, maar tijdens de begrafenisplechtigheid was het atelier van Thies Terlinden in vlammen opgegaan – met behulp van een brandversneller, zoals de brandweer en de collega’s van het Team Brandonderzoek hadden geconstateerd. Wat lag meer voor de hand dan Tobias Sartorius ervan te verdenken de oranjerie te hebben aangestoken en vervolgens weer te zijn ondergedoken?
‘...zonder sirene, begrepen?’ hoorde Pia Bodenstein zeggen. Ze wachtte tot hij bij haar was.
Pia stelde hem op de hoogte van haar verdenking. ‘Tobias wist dat het hele dorp op de begraafplaats zou zijn en dat hij ongezien brand kon stichten. Ik begrijp alleen niet waarom zijn vader ons heeft gebeld.’
‘Ik ook niet,’ zei Bodenstein. Hij keek rond op het erf. Bij hun eerdere bezoeken waren de poort en alle deuren zorgvuldig afgesloten geweest, begrijpelijk na alle bedreigingen en de overval op Tobias. Waarom stond alles nu wagenwijd open? Juist toen ze om de hoek van het huis kwamen, zagen ze verder op het erf iets bewegen. Twee mannen verdwenen door de achterste poort, even later sloegen autodeuren dicht en klonk het geluid van een gierende motor. Opeens kreeg Pia een ongemakkelijk gevoel.
‘Dat waren niet Tobias en zijn vader.’ Ze ging met haar hand in haar jas en trok haar dienstwapen. ‘Hier klopt iets niet.’
Voorzichtig openden ze de deur van de melkkeuken en keken naar binnen. Daarna liepen ze naar de oude koeienstal. Bij de open deur gaven ze elkaar in stilte een teken. Pia hield haar wapen omhoog en ging de stal binnen. Ze keek om zich heen en verstijfde. Op een kruk in een hoek zat Tobias Sartorius. Hij had zijn ogen dicht, zijn hoofd leunde tegen de muur.
‘Verdomme,’ mompelde Pia. ‘Ik geloof dat we te laat zijn.’
*
Acht stappen van de deur tot de muur. Vier stappen van de muur ertegenover naar de kast. Haar ogen waren allang aan het donker gewend, haar neus aan de muffe, bedorven lucht. Overdag viel er wat licht door een piepklein spleetje boven het smalle kelderraam, dat van buiten met iets was dichtgemaakt. Zo kon ze tenminste zien of het dag of nacht was. De twee kaarsen waren allang opgebrand, maar ze wist wat er in de kist in de kast zat. Er waren nog vier flessen water, ze moest er zuinig mee omspringen, want ze had geen idee hoe lang ze ermee zou moeten doen. De koekjes begonnen ook op te raken, net als de worst uit blik en de chocola. Meer was er niet. In elk geval zou ze daar – waar ze ook was – een paar kilo afvallen.
Meestal was ze moe, zo moe dat ze gewoon in slaap viel zonder dat ze zich ertegen kon verzetten. Als ze wakker was, werd ze soms overmand door inktzwarte wanhoop; dan bonkte ze met haar vuisten op de deur, huilde en schreeuwde om hulp. Daarna zonk ze weg in somberheid en onverschilligheid, lag urenlang op de stinkende matras en probeerde zich het leven buiten voor te stellen, het gezicht van Thies en Tobias. Ze zei gedichten op die ze zich herinnerde, drukte zich op en deed tai chi-oefeningen – helemaal niet zo makkelijk om in het donker je evenwicht te bewaren – of zong luidkeels alle liedjes die ze kende, om niet waanzinnig te worden in dat vochtige hol. Op een gegeven moment zou er iemand komen om haar eruit te halen. Daarvan was ze overtuigd. Het voelde gewoon niet alsof de lieve God haar nu, nog voor haar achttiende verjaardag, zou laten doodgaan. Amelie rolde zich op haar matras op en staarde het duister in. Een laatste stukje chocola smolt op haar tong. Kauwen en doorslikken zou een doodzonde zijn. Een loodzware vermoeidheid nam langzaam bezit van haar, zoog haar gedachten en herinneringen een zwart gat in. Keer op keer brak ze zich het hoofd over wat er eigenlijk was gebeurd. Hoe was ze in dit vreselijke oord beland? Het laatste dat ze zich kon herinneren was dat ze wanhopig had geprobeerd Tobias te bereiken. Maar waarom, daar kon ze gewoon niet meer opkomen.
*
Pia kromp ineen van schrik toen Tobias Sartorius zijn ogen opsloeg. Hij bewoog zich niet, keek haar alleen zwijgend aan. De blauwe plekken in zijn gezicht waren nauwelijks meer te zien, maar hij zag er ziek en moe uit.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Pia, en ze stak haar wapen weer weg. ‘Waar bent u al die tijd geweest?’
Tobias gaf geen antwoord. Hij had donkere wallen onder zijn ogen en was sterk vermagerd sinds ze hem voor het laatst had gezien. Moeizaam, alsof het hem de grootste moeite kostte, tilde hij zijn arm op en overhandigde haar een dubbelgevouwen vel papier.
‘Wat is dat?’
Hij zei niets; daarom nam ze het vel uit zijn hand en vouwde het open. Bodenstein kwam naast haar staan, samen lazen ze de handgeschreven tekst.
Tobi, je zult je zeker wel afvragen waarom ik je na al die tijd schrijf. De laatste elf jaar is er geen dag voorbijgegaan zonder dat ik aan je heb gedacht, zonder dat ik me schuldig heb gevoeld. Jij hebt mijn straf uitgezeten, en ik heb het toegelaten. Ik ben een karikatuur geworden van een mens, die ik minacht. Ik dien God niet, zoals ik altijd heb gewild, maar ik ben slaaf van een afgod geworden. Elf jaar lang ben ik gevlucht, heb ik mezelf gedwongen niet naar Sodom en Gomorra om te kijken. Maar nu kijk ik terug. Mijn vlucht is voorbij. Ik heb gefaald. Ik heb alles verraden wat ooit iets voor me betekend heeft. Ik heb een verbond met de duivel gesloten toen ik op aanraden van mijn vader voor het eerst heb gelogen. Ik heb jou, mijn beste vriend, verraden en verkocht. De prijs daarvoor was oneindige pijn. Elke keer dat ik mijn gezicht in de spiegel zag, heb ik jou voor me gezien. Wat was ik een lafaard! Ik heb Laura gedood. Niet met opzet, het was een stom ongeluk, maar ze was dood. Ik heb gedaan wat mijn vader me heeft gezegd en ik heb gezwegen, zelfs toen het duidelijk was dat jij veroordeeld zou worden. Ik heb toen het verkeerde pad gekozen, een pad dat regelrecht naar de hel leidde. Sindsdien ben ik nooit meer gelukkig geweest. Vergeef me, Tobi, als je kunt. Mezelf kan ik niet vergeven. Laat God over mij oordelen.
Lars
Pia liet de brief zakken. Lars Terlinden had zijn afscheidsbrief op de vorige dag gedateerd en het briefpapier gebruikt van de bank waar hij had gewerkt. Maar wat was de aanleiding voor die bekentenis en zijn zelfmoord?
‘Lars Terlinden heeft gisteren zelfmoord gepleegd,’ zei Bodenstein, en hij schraapte zijn keel. ‘Vanochtend hebben we zijn lichaam gevonden.’
Tobias Sartorius reageerde niet, hij staarde alleen zwijgend voor zich uit.
‘Nou ja.’ Bodenstein nam Pia de brief uit handen. ‘Nu weten we tenminste waarom Claudius Terlinden de schulden van uw ouders heeft overgenomen en u in de gevangenis heeft bezocht.’
‘Kom.’ Pia raakte Tobias’ arm aan. Hij droeg alleen een T-shirt en jeans, zijn huid voelde koud aan. ‘U wordt hier nog doodziek. Laten we naar binnen gaan.’
‘Ze hebben Laura verkracht toen ze ons huis uit kwam,’ zei hij opeens vlak. ‘Precies op deze plek, hier in de stal.’
Bodenstein en Pia keken elkaar verrast aan.
‘Wie?’ wilde Bodenstein weten.
‘Felix, Jörg en Michael. Mijn vríénden. Ze waren dronken. Laura had ze de hele avond lopen opgeilen. Toen liep het uit de hand. Laura rende weg, direct in Lars’ armen. Ze struikelde, viel, en was dood.’ Hij sprak zonder enige emotie, bijna onverschillig.
‘Hoe weet u dat?’
‘Daarnet waren ze hier, ze hebben het me verteld.’
‘Elf jaar te laat,’ merkte Pia op. Tobias slaakte een zucht.
‘Ze hebben Laura in de kofferbak van mijn auto gestopt en in de tank van het oude vliegveld gegooid. Lars is weggelopen. Ik heb hem nooit meer gezien, mijn beste vriend. En toen kwam vandaag deze brief...’
Zijn blauwe ogen richtten zich op Pia. Pas toen begreep ze dat ze met haar vermoeden dat Tobias Sartorius onschuldig was, inderdaad tegen alle redelijkheid in gelijk had gekregen.
‘Wat is er met Stefanie gebeurd?’ vroeg Bodenstein. ‘En waar is Amelie?’
Tobias haalde diep adem en schudde zijn hoofd.
‘Ik weet het niet. Eerlijk niet. Ik heb geen flauw idee.’
Achter hen kwam iemand de koeienstal in. Bodenstein en Pia draaiden zich om. Het was Hartmut Sartorius. Hij was lijkbleek en het kostte hem grote moeite zijn ontsteltenis te verbergen.
‘Lars is dood, papa,’ zei Tobias zacht. Hartmut Sartorius hurkte voor zijn zoon en omhelsde hem onbeholpen. Tobias sloot zijn ogen en leunde tegen zijn vader. De aanblik van het tafereel ontroerde Pia zeer. Zou aan de lijdensweg van die twee ooit een einde komen? De beltoon van Bodensteins gsm doorbrak de stilte. Hij nam op en liep naar buiten, het erf op.
‘Gaat... gaat u Tobias nu arresteren?’ vroeg Hartmut Sartorius met onzekere stem, en hij keek omhoog naar Pia.
‘We willen hem een paar vragen stellen,’ zei ze spijtig. ‘Helaas bestaat nog steeds de verdenking dat Tobias iets met de verdwijning van Amelie Fröhlich te maken heeft. En zolang die verdenking niet uit de weg is geruimd...’
‘Pia!’ riep Bodenstein vanaf het erf. Ze draaide zich om en liep naar hem toe. Intussen was de opgeroepen politiewagen gearriveerd. De twee agenten waren uitgestapt en kwamen op hen af.
‘Dat was Ostermann,’ zei Bodenstein, terwijl hij een nummer in zijn mobieltje intoetste. ‘Hij heeft het geheimschrift in Amelies dagboek ontcijferd. In haar laatste notitie schrijft ze dat Thies haar in de kelder de mummie van Sneeuwwitje heeft laten zien... ja... Bodenstein hier... Kröger, ik heb u en uw mensen nodig op het landgoed van Terlinden in Altenhain. Waar vandaag die brand was. Ja, direct!’
Hij keek Pia aan, en ze begreep wat er in hem omging.
‘Je denkt dat Amelie daar ook kan zijn.’
Hij knikte gespannen, toen wreef hij nadenkend over zijn kin en fronste zijn voorhoofd.
‘Bel Behnke, en zeg dat hij met een paar mensen die drie mannen naar het bureau brengt,’ instrueerde hij Pia. ‘Er moet een politiewagen naar Lauterbach worden gestuurd, naar zijn woning en naar zijn kantoor in Wiesbaden. Maar ik wil hem vandaag nog niet spreken. We moeten ook met Claudius Terlinden praten, hij weet nog niet van de zelfmoord van zijn zoon. En mochten we die kelder vinden, dan hebben we een forensisch arts nodig.’
‘Je hebt Behnke geschorst,’ zei Pia. ‘Dat kan Kathrin ook afhandelen. En wat gebeurt er met Tobias?’
‘Ik vraag de collega’s hem naar Hofheim te brengen. Daar moet hij dan op ons wachten.’
Pia knikte en pakte haar telefoon om zijn instructies door te geven. Ze dicteerde Kathrin de namen van Felix Pietsch, Michael Dombrowski en Jörg Richter; daarna liep ze terug naar de koeienstal. Ze zag hoe Tobias moeilijk opstond en zwaar op zijn vader leunde.
‘Mijn collega’s zullen u zo naar Hofheim brengen,’ zei ze tegen Tobias. ‘Ze wachten buiten op het erf tot u zover bent.’
Tobias Sartorius knikte alleen.
‘Pia!’ riep Bodenstein ongeduldig van buiten. ‘Kom nou!’
‘Goed, dan zien we elkaar later.’ Pia knikte de twee mannen toe en liep de stal uit.
*
Toen Pia en Bodenstein langs de villa van Lauterbach reden, stopte er net een politiewagen. Een paar meter verder sloegen ze rechts af door de open poort van Terlindens landgoed, stapten uit en liepen over het gazon naar de nog altijd rokende puinhoop van de oranjerie. De zwartgeblakerde zijmuren stonden nog overeind, het dak was voor de helft ingestort.
‘We moeten daar meteen naar binnen,’ zei Bodenstein tegen een van de brandweermannen die waren achtergebleven om het afgebrande tuinhuis te bewaken.
‘Volledig uitgesloten.’ De brandweerman schudde zijn hoofd. ‘De muren kunnen elk moment instorten, het dak is instabiel. Daar gaat voorlopig niemand in.’
‘Toch wel,’ hield Bodenstein aan. ‘Wij hebben aanwijzingen dat er zich een kelder onder bevindt. En in die kelder is hoogstwaar schijnlijk het vermiste meisje opgesloten.’
Dat veranderde de situatie op slag. De brandweerman overlegde met zijn collega’s, telefoneerde. Bodenstein ijsbeerde, eveneens telefonerend, heen en weer, en liep rond het afgebrande gebouw. Hij kon onmogelijk stil blijven staan. Dat vervloekte wachten! De technische recherche arriveerde, even later kwam er een brandweerwagen aanrijden en een donkerblauwe auto van de technische hulpdienst. Pia hoorde van de surveillance dat er bij de Lauterbachs niemand thuis was. Ze liet zich door Ostermann het nummer van het secretariaat van het ministerie van Cultuur in Wiesbaden geven, en kreeg daar te horen dat meneer de minister al drie dagen ziek was en niet ten kantore was verschenen. Maar waar zat hij dan? Ze leunde tegen het spatbord, stak een sigaret op en wachtte tot Bodenstein zijn telefoonmarathon een paar seconden onderbrak. Intussen waren de mensen van de brandweer en hun technische dienst begonnen de resten van het dak en de muren van de oranjerie te onderzoeken. Met zwaar materieel schoven ze voorzichtig het rokende puin aan de kant en zetten schijnwerpers neer, want de schemering viel al in.
Kathrin Fachinger belde om te melden dat de opdracht was uitgevoerd: Felix Pietsch, Jörg Richter en Michael Dombrowski zaten op het bureau. Geen van hen had zich bij arrestatie verzet. Maar ze had nog een mededeling, en die deed Pia’s hart sneller kloppen. Ostermann had inmiddels zo’n vijfhonderd foto’s op Amelie Fröhlichs iPod bekeken en opnames van schilderijen gevonden, en het zou best kunnen dat het om de doeken ging die Thies haar had gegeven. Pia ging op zoek naar Bodenstein en stapte over het drassige gazon dat door de banden van de vrachtwagens was veranderd in een moddervlakte. Haar chef stond met een uitdrukkingsloos gezicht voor de oranjerie een sigaret te roken. Net toen ze hem van de foto’s op de iPod wilde vertellen, begonnen de mannen in de ruïne te roepen en te gebaren. Bodenstein schrok op uit zijn trance, liet zijn sigaret vallen en liep naar binnen. Pia volgde hem op de voet. Het was nog altijd snikheet in het gebouw, dat een paar uur eerder in lichterlaaie had gestaan.
‘We hebben wat gevonden!’ zei de brandweerman die de leiding over de werkzaamheden had overgenomen nadat de commandant niet was komen opdagen. ‘Een valluik! Het gaat zelfs nog open!’
*
De straat was droog, de file op de A5 was na het Frankfurter Kreuz opgelost. Zodra de snelheidslimiet was opgeheven, gaf Nadja gas en accelereerde naar tweehonderd. Tobias zat op de stoel naast haar. Hij had zijn ogen dicht en nog geen woord gezegd sinds ze waren weggereden. Het werd hem allemaal te veel. Zijn gedachten cirkelden om de dingen die hij die middag had gehoord. Felix, Micha en Jörg. En hij had ze als zijn vrienden beschouwd! Lars, die als een broer voor hem was geweest! Ze hadden Laura gedood en haar lichaam in de tank op het oude vliegveld verborgen, maar nooit iets gezegd. Ja, ze hadden hem door een hel laten gaan en elf jaar lang gezwegen. Waarom hadden ze nu opeens besloten eerlijk te zijn? Waarom pas nu? Hij was zwaar teleurgesteld. Een paar dagen geleden nog hadden ze met hem gedronken, gelachen en herinneringen aan vroeger opgehaald – en intussen al die tijd geweten wat ze hadden gedaan, wat ze hém hadden aangedaan! Hij slaakte een diepe zucht. Nadja pakte zijn hand en kneep erin. Tobias opende zijn ogen.
‘Ik kan niet geloven dat Lars dood is,’ fluisterde hij, en hij kuchte een paar keer om van de kikker in zijn keel af te komen.
‘Het is allemaal onvoorstelbaar,’ zei ze. ‘Maar ik ben er steeds van overtuigd geweest dat je onschuldig bent.’
Hij glimlachte moeilijk. Onder alle teleurstellingen, bitterheid en woede kiemde een miniem zaadje hoop. Misschien zou alles toch nog in orde komen tussen Nadja en hem. Misschien hadden ze allebei een kans als de schaduw van het verleden was verdreven en de hele waarheid aan het licht was gekomen.
‘Ik krijg problemen met de politie,’ zei hij.
‘Ach wat.’ Ze knipoogde naar hem. ‘Over een paar dagen ben je terug. En je vader heeft het nummer van mijn gsm, voor het geval dat. Hij begrijpt vast wel dat je nu een beetje afstand wilt nemen.’
Tobias knikte. Hij ontspande zich een beetje. De alomtegenwoordige, knagende pijn in zijn binnenste werd minder.
‘Ik ben zo blij dat je er bent,’ zei hij tegen Nadja. ‘Echt waar. Je bent gewoon geweldig.’
Ze glimlachte weer, met haar ogen op de weg gericht.
‘Wij zijn voor elkaar bestemd, jij en ik,’ antwoordde ze. ‘Dat heb ik altijd geweten.’
Tobias bracht haar hand naar zijn lippen en kuste die teder. Er lagen een paar rustige dagen in het vooruitzicht. Nadja had al haar afspraken afgezegd. Ze zouden door niemand worden gestoord, hij hoefde voor niemand bang te zijn. De zachte muziek, de aangename warmte, de zachte leren bekleding. Hij voelde dat hij door vermoeidheid werd overmand. Met een diepe zucht sloot hij zijn ogen, en niet veel later lag hij vast te slapen.
*
De smalle roestige trap liep steil naar beneden. Hij tastte langs de muur, op zoek naar de lichtschakelaar. Kort daarop dompelde de gloeilamp van vijfentwintig watt de ruimte in een schemerig licht. Bodenstein voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Het had uren geduurd tot de ruïne eindelijk veilig genoeg was bevonden dat ze er zonder gevaar in konden. De graafmachine van de technische hulpdienst had het puin opzijgeschoven, en de mannen hadden het ijzeren valluik met vereende krachten weten te openen. Een van de mannen was in beschermende kleding de trap afgedaald en had vastgesteld dat alles beneden in orde was. De kelder had de brand ongeschonden doorstaan.
Bodenstein wachtte tot Pia, Kröger en Henning Kirchhoff de steile trap af waren geklauterd en naast hem in de piepkleine ruimte stonden. Hij legde zijn hand op de kruk van de zware ijzeren deur. Die zwaaide geruisloos open. Warme lucht sloeg hun tegemoet, een zoetige geur van verwelkte bloemen.
‘Amelie?’ riep Bodenstein. Een zaklantaarn achter hem lichtte op en scheen in een verbazend groot, rechthoekig vertrek.
‘Een voormalige bunker,’ constateerde Kröger. Hij knipte de lichtschakelaar aan en een neonbuis aan het plafond sprong flakkerend en zoemend aan. ‘Er zijn aparte stroomkabels aangelegd, zodat de kelder van elektriciteit wordt voorzien als het gebouw beschadigd raakt.’
De kelder was sober ingericht: een sofa, een kast met een stereo-installatie. Het achterste gedeelte van de ruimte werd door een ouderwets kamerscherm van de rest gescheiden. Van Amelie geen spoor. Waren ze te laat? ‘Poeh,’ mompelde Kröger. ‘Wat is het hier warm.’
Bodenstein liep dwars door het vertrek. Het zweet liep over zijn gezicht.
‘Amelie?’
Hij schoof het kamerscherm opzij. Zijn blik viel op het smalle, ijzeren bed. Hij slikte. Het meisje dat er lag, was dood. Haar lange zwarte haar was als een waaier op het witte hoofdkussen gedrapeerd. Ze droeg een witte jurk, haar handen lagen gevouwen op haar buik. De rode lippenstift op de uitgedroogde lippen van de mummie maakte een groteske indruk. Een paar schoenen stond naast het bed. Verwelkte bloemen in een vaas op het nachtkastje, en daarnaast een fles cola. Het duurde een paar seconden voor hij zich realiseerde dat het meisje op het bed niet Amelie kon zijn.
‘Sneeuwwitje,’ zei Pia zacht naast hem. ‘Daar ben je dan eindelijk.’
*
Het was even na negenen toen ze bij het bureau arriveerden. Voor de deur van de arrestantenkamer waren drie collega’s in de weer met een dronken herrieschopper en zijn gezellin, die niet minder beschonken was en ordinair tekeerging. Pia haalde een cola light uit de automaat en liep naar de vergaderkamer op de eerste verdieping. Bodenstein stond over de tafel gebogen en bekeek de foto’s van de schilderijen, die Kathrin had uitgeprint. Ostermann en Kathrin zaten tegenover hem. Hij keek op toen Pia binnenkwam. Ze zag dat zijn gezicht was getekend door vermoeidheid, maar ze wist dat hij zichzelf geen rust zou gunnen met het doel in zicht, en al helemaal niet nu hij zijn privéproblemen kon verdringen door onafgebroken te werken.
‘We voelen ze alle drie tegelijk aan de tand,’ besloot Bodenstein met een blik op de klok. ‘Met Terlinden moeten we ook praten. En met Tobias Sartorius.’
‘Waar is die eigenlijk?’ vroeg Kathrin verbaasd.
‘In een cel beneden, neem ik aan.’
‘Daar weet ik niets van.’
‘Ik ook niet,’ zei Ostermann. Bodenstein keek Pia aan. Ze trok haar wenkbrauwen op.
‘Je hebt de jongens van de surveillance op Sartorius’ erf vanmiddag toch gezegd dat ze hem hierheen moesten brengen, of niet?’
‘Nee. Ik heb ze gezegd dat ze naar Lauterbach moesten rijden,’ antwoordde Bodenstein. ‘Ik dacht dat jij een andere wagen zou oproepen.’
‘En ik dacht dat jij dat had gedaan,’ zei Pia.
‘Ostermann, bel Sartorius,’ beval Bodenstein. ‘Hij moet onmiddellijk hier komen.’
Hij griste de foto’s van tafel en liep de vergaderruimte uit. Pia sloeg haar ogen ten hemel en liep hem achterna.
‘Mag ik die foto’s eens zien, voor we daar naar binnen gaan?’ vroeg ze. Zwijgend gaf hij haar de afdrukken, zonder zijn pas te vertragen. Hij was kwaad omdat hij een fout had gemaakt. Een misverstand, iets wat kon voorkomen als de gebeurtenissen elkaar zo snel opvolgden. In de verhoorruimte was nog niemand. Bodenstein beende weg, en keerde even later terug.
‘Alles gaat hier mis,’ bromde hij geërgerd. Pia zweeg. Ze dacht aan Thies Terlinden, die elf jaar lang het lichaam van Stefanie Schneeberger had bewaakt. Waarom had hij dat gedaan? Had zijn vader het hem opgedragen? Waarom had Lars Terlinden uitgerekend nu die brief aan Tobias geschreven en zelfmoord gepleegd? Waarom was het atelier van Thies vandaag afgebrand? Wist iemand af van Sneeuwwitje, of was de brand vanwege Thies’ schilderijen aangestoken? Dan zou dezelfde persoon erachter kunnen zitten die de zogenaamde politievrouw naar Barbara Fröhlich had gestuurd. En waar was Amelie? Thies had haar de mummie van Sneeuwwitje laten zien en haar daarna weer laten vertrekken, anders had ze niets in haar dagboek kunnen schrijven. Wat had ze Tobias verteld? Waarom was ze verdwenen? Kon het zijn dat haar verdwijning niets met de oude zaak te maken had?
Duizend gedachten spookten door haar hoofd; ze slaagde er niet in om orde te brengen in de stroom informatie. Bodenstein stond weer te bellen, dit keer blijkbaar met de hoofdcommissaris, dr. Engel. Hij was voornamelijk met een grimmig gezicht aan het luisteren, zei alleen af en toe ‘ja’ of ‘nee’. Pia zuchtte. De hele zaak begon op een nachtmerrie te lijken, en dat lag minder aan het werk zelf, als wel aan de omstandigheden waaronder ze het onderzoek moesten verrichten. Ze voelde Bodensteins blik en keek op.
‘Als we de zaak hebben afgesloten zal ze hier orde op zaken stellen, zei ze. Nee, het was eerder een dreigement.’ Opeens gooide hij zijn hoofd achterover en lachte, maar het was een vreugdeloos lachje. ‘Ze heeft namelijk een anoniem telefoontje gekregen.’
‘Aha.’ Het liet Pia siberisch. Ze wilde Claudius Terlinden spreken, erachter komen wat hij wist. Alle extra informatie die ze nu kreeg, maakte het voor haar moeilijker om helder te denken.
‘Iemand heeft haar verteld dat wij een verhouding hebben.’ Bodenstein ging met beide handen door zijn haar. ‘Kennelijk zijn wij samen gezien.’
‘Nou ja, dat is geen kunst,’ zei Pia droogjes. ‘Wij rijden tenslotte de godganse dag samen rond.’
Een klop op de deur maakte een eind aan hun gesprek. De drie vrienden van Tobias Sartorius werden binnengebracht. Ze gingen aan tafel zitten, Pia nam ook plaats. Bodenstein bleef staan en nam de mannen een voor een op. Waarom hadden ze nu, elf jaar later, ineens wroeging gekregen? Hij liet het aan Pia over om de bijzonderheden van het verhoor, dat werd opgenomen, in te spreken. Toen legde hij de acht foto’s op tafel. Felix Pietsch, Michael Dombrowski en Jörg Richter bekeken ze en verbleekten.
‘Kent u die foto’s?’
Hoofdschudden.
‘Maar u begrijpt wat ze voorstellen.’
Knikken.
Bodenstein sloeg zijn armen over elkaar. Zoals gewoonlijk maakte hij een ontspannen, rustige indruk. Of ze wilde of niet, Pia moest hem wel om zijn zelfdiscipline bewonderen. Iemand die hem niet beter kende, zou niet vermoeden wat er werkelijk in hem omging.
‘Kunt u ons vertellen wie en wat er op de foto’s is te zien?’
De drie mannen zwegen een moment; vervolgens nam Jörg Richter het woord. Hij somde de namen op: Laura, Felix, Michael, Lars en hijzelf.
‘En wie is de man in het groene T-shirt?’ vroeg Pia. De drie aarzelden, keken elkaar even aan.
‘Dat is geen man,’ zei Jörg Richter ten slotte. ‘Dat is Nathalie. Nadja dus. Die had vroeger heel kort haar.’
Pia pikte de vier foto’s eruit die de moord op Stefanie Schneeberger lieten zien.
‘En wie is dat?’ Ze tikte met haar vinger op de figuur die Stefanie omhelsde. Jörg Richter aarzelde.
‘Dat zou Lauterbach kunnen zijn. Misschien is hij Stefanie gevolgd.’
‘Wat is er die avond precies gebeurd?’ wilde Bodenstein weten.
‘Het was kermis in Altenhain,’ begon Richter. ‘We waren de hele dag op pad, hadden flink gehesen. Laura was jaloers op Stefanie omdat die ook nog tot Miss Kerb was uitgeroepen. Toen heeft ze waanzinnig met ons lopen flirten, waarschijnlijk wilde ze Tobi jaloers maken. Nee, ze heeft ons gewoon lopen opgeilen. Tobi werkte achter de bar in de tent, samen met Nadja. Op een gegeven moment was hij verdwenen, vermoedelijk had hij bonje met Stefanie. Laura is hem achternagegaan en wij haar.’
Hij pauzeerde even.
‘Wij zijn bovenlangs gegaan, dus via de Waldstraat, niet over de Hoofdstraat. Daarna hebben we achter op het erf van Sartorius rondgehangen. Opeens kwam Laura door de melkkeuken de stal in. Ze had gehuild en had een bloedneus. We hebben haar een beetje geplaagd, ze werd woedend en sloeg Felix op zijn smoel. En op een of andere manier... ik weet ook niet hoe... is de zaak geëscaleerd.’
‘Jullie hebben Laura verkracht,’ constateerde Pia op zakelijke toon.
‘Ze heeft ons de hele avond zitten opnaaien.’
‘Vond het geslachtsverkeer plaats met wederzijdse instemming of niet?’
‘Tja.’ Richter beet op zijn onderlip. ‘Niet precies.’
‘Wie van u had gemeenschap met Laura?’
‘Ik, en... en Felix.’
‘En?’
‘Laura heeft om zich heen geslagen en geschopt. Daarna is ze weggerend. Ik achter haar aan. En opeens stond Lars er, Laura lag voor hem op de grond, overal bloed. Ze zal hebben gedacht dat hij ook wat van haar wilde. Ze is gevallen, met haar hoofd op de steen waarmee de poort werd vastgezet. Lars was helemaal overstuur, hij zei iets onduidelijks en rende weg. Wij... wij waren ook in paniek, wilden weglopen, maar Nadja was supercool, zoals altijd, ze zei dat we Laura moesten laten verdwijnen, dan zouden er geen sporen zijn.’
‘Waar kwam Nadja zo opeens vandaan?’ vroeg Bodenstein.
‘Ze... ze was er al die tijd bij.’
‘Nadja heeft toegekeken hoe Laura Wagner werd verkracht?’
‘Ja.’
‘Maar waarom wilde u Laura’s lichaam laten verdwijnen? Het was toch een ongeluk?’
‘Nou ja, we hadden haar toch... verkracht. En toen lag ze daar. Al dat bloed. Ik weet ook niet waarom we dat hebben gedaan.’
‘Wat hebt u daarna precies gedaan?’
‘Tobi’s Golf stond er, met de sleutel erin, zoals gewoonlijk. Felix heeft Laura in de kofferbak gelegd, en ik kwam op het idee haar naar het oude vliegveld in Eschborn te brengen. Ik had de sleutel daarvan nog bij me, omdat we er een paar dagen eerder waren gaan racen. We hebben haar in het gat gegooid en zijn teruggereden. Nadja heeft op ons gewacht. Op de kermis heeft geen mens gemerkt dat we weg waren geweest. Ze hadden hem allemaal behoorlijk om. En later gingen we weer naar Tobi om te vragen of hij meeging naar de wake op de kerb. Maar hij wilde niet.’
‘En wat is er met Stefanie Schneeberger gebeurd?’
Dat wisten ze geen van drieën. Op de foto’s leek het of Nadja Stefanie met de autokrik neersloeg.
‘In elk geval haatte Nadja Stefanie als de pest,’ zei Felix Pietsch nu. ‘Sinds ze was opgedoken viel er niets meer met Tobi te beginnen, zo verliefd als hij was. En dan heeft ze ook nog de hoofdrol in dat toneelstuk voor Nadja’s neus weggekaapt.’
‘Die avond had Stefanie op de kermis met Lauterbach gerotzooid,’ herinnerde Jörg Richter zich. ‘Hij was gek op haar, dat zag iedereen met ogen in zijn kop. Tobi heeft die twee buiten voor de tent betrapt toen ze elkaar kusten, daarom is hij toen ook naar huis gegaan. Ik heb Stefanie voor het laatst met Lauterbach voor de tent gezien.’
Felix Pietsch knikte bevestigend. Michael Dombrowski reageerde helemaal niet. Hij had nog geen woord gezegd en staarde met een wit gezicht voor zich uit.
‘Kan Nadja van die schilderijen hebben geweten?’ vroeg Pia.
‘Kan best. Tobi heeft ons afgelopen zaterdag verteld wat Amelie had ontdekt. Dat van de schilderijen, en dat Lauterbach er blijkbaar op te zien is. Tobi heeft dat ongetwijfeld ook aan Nadja verteld.’
Pia’s gsm zoemde. Ze zag dat het Ostermanns nummer was en nam op.
‘Sorry dat ik stoor,’ zei hij. ‘Maar ik denk dat we een probleem hebben. Tobias Sartorius is verdwenen.’
*
Bodenstein onderbrak het verhoor en liep de kamer uit. Pia raapte de foto’s bijeen, stopte ze terug in de plastic map en volgde hem. Hij stond op de gang te wachten, met gesloten ogen tegen de muur geleund.
‘Nadja zou beslist moeten weten wat er op de schilderijen te zien is,’ zei hij. ‘Vanochtend was ze op Laura’s begrafenis, tegelijkertijd is Thies’ atelier afgebrand.’
‘Ze kan ook de vrouw zijn geweest die zich tegenover Barbara Fröhlich voor politieagente heeft uitgegeven,’ vermoedde Pia.
‘Dat denk ik ook.’ Bodenstein opende zijn ogen. ‘En om er helemaal zeker van te zijn dat er verder geen schilderijen meer opduiken, heeft ze de oranjerie aangestoken op het moment dat heel Altenhain op de begraafplaats was.’
Hij zette zich af tegen de muur, liep de gang uit en ging de trap op.
‘Het zal haar beslist niet hebben bevallen dat Amelie de waarheid over de twee verdwenen meisjes had ontdekt,’ zei Pia. ‘Amelie kende haar, had geen reden om haar te wantrouwen. Ze kan haar zaterdagavond gemakkelijk bij Het Zwarte Ros met een smoesje haar auto in hebben gelokt.’ Bodenstein knikte peinzend. Het werd steeds waarschijnlijker dat Nadja von Bredow Stefanie Schneeberger had vermoord en uit angst voor ontdekking, elf jaar na haar daad, Amelie had ontvoerd en misschien gedood had. Ostermann zat in zijn kantoor, de telefoonhoorn in zijn hand.
‘Ik heb met Tobias Sartorius’ vader gesproken, en er meteen een wagen op afgestuurd. Tobias is vanmiddag met zijn vriendin weggereden, ze heeft de oude Sartorius verteld dat ze hem naar ons zou brengen. Maar omdat ze hier tot nog toe niet zijn verschenen, denk ik dat ze heel ergens anders heen zijn gegaan.’
Bodenstein fronste zijn voorhoofd, Pia snapte het sneller.
‘Met zijn vriendín?’ vroeg ze voor de zekerheid. Ostermann knikte.
‘Zit Sartorius’ nummer er nog in?’
‘Ja.’
Pia kreeg een akelig voorgevoel, liep om zijn bureau heen en nam de hoorn over. Ze drukte op de herhaaltoets en, schakelde de luidpreker in. Nadat de telefoon drie keer was overgegaan, nam Hartmut Sartorius op. Ze liet hem niet aan het woord komen.
‘Wie is Tobias’ vriendin?’ vroeg ze, hoewel ze er al een vermoeden van had.
‘Nadja. Maar... maar ze wilde hem toch...’
‘Hebt u haar mobiele nummer? Het kenteken van haar auto?’
‘Ja, natuurlijk. Maar wat is er eigenlijk...’
‘Alstublieft, meneer Sartorius. Geef me haar mobiele nummer.’ Haar blik ontmoette die van Bodenstein. Tobias Sartorius was met Nadja von Bredow op pad, en misschien had hij er geen flauw idee van wat ze had gedaan en wat ze eventueel nog van plan was. Zodra ze het nummer had opgeschreven hing Pia op en toetste het nummer van Nadja von Bredows gsm in.
The person you have called is temporarily not available...
‘Wat nu?’ Ze verweet Bodenstein niet dat hij de surveillancewagen die middag naar Lauterbach had gestuurd. Het was gebeurd en niet meer te veranderen.
‘We laten meteen een opsporingsbericht uitgaan,’ besliste Bodenstein. ‘En zodra het kan, moet haar mobieltje worden gepeild. Waar woont die vrouw?’
‘Zoek ik uit.’ Ostermann rolde weer met zijn stoel naar zijn bureau en begon te bellen.
‘En wat doen we met Claudius Terlinden?’ wilde Pia weten.
‘Die moet wachten.’ Bodenstein ging naar het koffiezetapparaat, bewoog de kan, die nog vol bleek te zijn, in het rond en schonk een kop koffie in. Daarna ging hij op Behnkes lege stoel zitten. ‘Lauterbach is veel belangrijker.’
Gregor Lauterbach had Stefanie Schneeberger, de dochter van zijn buurman, op de avond van de zesde september 1997 op de kermis in Altenhain gekust, en later was hij met haar bij de schuur van Sartorius geweest. Het schilderij liet niet Nadja in gevecht met Stefanie zien, maar wellicht Lauterbach tijdens de geslachtsdaad met het meisje. Was Nadja von Bredow daarvan op de hoogte en had ze later, toen zich een goede gelegenheid voordeed, haar gehate rivale met de autokrik doodgeslagen? Thies Terlinden had gezien wat er was gebeurd. Wie wist dat Thies van de twee moorden getuige was geweest? Pia’s mobieltje zoemde. Het was Henning, die al aan het onderzoek van Stefanie Schneebergers lijk was begonnen.
‘Ik heb het moordwapen nodig.’ Hij klonk moe en gespannen. Pia keek naar de klok aan de muur. Het was half elf en Henning bevond zich nog in het instituut. Of hij intussen zijn pikante probleem aan Miriam had opgebiecht?
‘Kun je krijgen,’ zei ze. ‘Geloof je dat je nog vreemd dna op de mummie kunt vinden? Het meisje had voor haar dood mogelijk nog geslachtsverkeer.’
‘Ik kan het proberen. Het lichaam is uitstekend bewaard gebleven. Ik denk dat ze al die tijd in die ruimte heeft gelegen met die temperatuur, want het is nauwelijks vergaan.’
‘Hoe snel kunnen we de uitslag krijgen? We staan hier behoorlijk onder druk.’ Dat was nog zwak uitgedrukt. Niet alleen waren ze nog steeds met inzet van alle beschikbare krachten en middelen naar Amelie op zoek, bovendien heropenden ze het onderzoek naar twee elf jaar oude moordzaken. En dat laatste met vier mensen.
‘Is dat ooit anders?’ antwoordde Henning. ‘Ik zal voortmaken.’
Bodenstein had zijn koffie op.
‘Kom,’ zei hij tegen Pia. ‘We gaan verder.’
*
Toen Bodenstein op de parkeerplaats van het landgoed van zijn ouders was gestopt, bleef hij eerst nog een tijdje achter het stuur zitten. Het was vlak na middernacht, hij was volkomen uitgeput, maar tegelijk veel te gespannen om aan slapen te kunnen denken. Eigenlijk had hij Felix Pietsch, Jörg Richter en Michael Dombrowski na het verhoor naar huis willen sturen, maar toen schoot hem de hamvraag te binnen: was Laura al dood toen ze haar in de ondergrondse tank hadden gegooid? Minutenlang hadden de drie mannen gezwegen. Opeens hadden ze zich gerealiseerd dat het nu niet meer alleen om verkrachting of dood door schuld ging, maar om iets veel ernstigers. Pia had het misdrijf waaraan ze zich schuldig gemaakt hadden correct geformuleerd: voorwaardelijke opzet bij de dood van een mens om een ernstiger misdrijf te verhullen. Daarop was Michael Dombrowski in tranen uitgebarsten. Dat stond voor Bodenstein gelijk aan een bekentenis, en hij had Ostermann opdracht gegeven de arrestatiebevelen te regelen. Maar wat de drie daarvoor hadden verteld was bijzonder informatief. Nadja von Bredow had jarenlang geen contact met haar jeugdvrienden gehad. Maar vlak voor Tobias uit de gevangenis zou worden ontslagen, was ze in Altenhain opgedoken en had haar drie voormalige vrienden zwaar onder druk gezet om niet uit de school te klappen. Omdat geen van hen er belang bij had dat elf jaar na hun daad de waarheid aan het licht zou komen, zouden ze hun stilzwijgen beslist niet hebben verbroken als er niet opnieuw een meisje was verdwenen. Al die jaren had hun geweten aan hen geknaagd, omdat ze verantwoordelijk waren voor de veroordeling van hun vriend. Zelfs toen in Altenhain de heksenjacht op Tobias was begonnen, was hun lafheid en hun angst voor de onvermijdelijke consequenties te groot geweest om zich bij de politie aan te geven. Jörg Richter had Tobias afgelopen zaterdag niet als een oude vriend gebeld. Nadja had hem gevraagd Tobias die avond uit te nodigen en hem aan te moedigen om te drinken. Daardoor werd Bodensteins vrees bewaarheid. Maar wat hem het meest te denken gaf, was Jörg Richters antwoord op de vraag waarom drie volwassen mannen Nadja von Bredow onvoorwaardelijk gehoorzaamden: ‘Ze had vroeger al iets waarvan je bang werd.’ De anderen hadden geknikt. ‘Nadja is niet zomaar terechtgekomen waar ze nu is. Als ze iets wil, dan krijgt ze het. Koste wat kost.’
Nadja von Bredow zag Amelie Fröhlich als een bedreiging en had het nietsvermoedende meisje in haar macht. Dat ze niet terugschrok voor moord voorspelde niet veel goeds.
In gedachten verzonken zat Bodenstein in zijn auto. Wat een dag! Eerst het lijk van Lars Terlinden, de brand in Thies’ atelier, Hasses ongehoorde aantijgingen, de ontmoeting met Daniela Lauterbach... Toen herinnerde hij zich dat hij haar later, wanneer zij Christine Terlinden de onheilstijding van de zelfmoord van haar zoon zou hebben overgebracht, nog had zullen bellen. Hij haalde zijn mobiele telefoon tevoorschijn en zocht in de binnenzak van zijn jas tot hij het visitekaartje van de arts had gevonden. Met kloppend hart wachtte Bodenstein haar stemgeluid af. Maar vergeefs. Hij kreeg de voicemail. Hij sprak zijn boodschap in na het signaal en vroeg of ze hem kon terugbellen, ongeacht het tijdstip. Misschien was hij in de auto blijven zitten als de koffie hem niet op de blaas had gedrukt. Het was sowieso tijd het huis in te gaan. In zijn ooghoeken bewoog er iets en hij schrok zich een ongeluk toen iemand tegen de ruit klopte.
‘Papa?’ Het was Rosalie, zijn oudste dochter.
‘Rosi!’ Hij opende het portier en stapte uit. ‘Wat doe je hier?’
‘Ik ben net klaar met mijn werk,’ antwoordde ze. ‘Maar wat doe jij hier? Waarom ben je niet thuis?’
Bodenstein zuchtte en leunde tegen de auto. Hij was doodmoe en had geen zin om zijn problemen met zijn dochter te bespreken. De hele dag had hij de gedachte aan Cosima van zich af kunnen zetten, maar nu werd hij bekropen door het ondraaglijke gevoel dat hij had gefaald.
‘Oma heeft me verteld dat je hier gisternacht ook al geslapen hebt. Wat is er gebeurd?’ Rosalie keek hem bezorgd aan. In het zwakke licht van de enige lantaarn zag haar gezicht er spookachtig bleek uit. Waarom zou hij haar niet de waarheid vertellen? Ze was oud genoeg om te begrijpen wat er aan de hand was, en vroeg of laat zou ze het toch te weten komen.
‘Je moeder heeft me gisteravond meegedeeld dat ze een verhouding met een andere man heeft. Daarom heb ik er de voorkeur aan gegeven een paar dagen elders te overnachten.’
‘Wat?’ Op haar gezicht verscheen een uitdrukking van ongeloof. ‘Dat is toch... Nee, dat kan ik niet geloven.’
Haar ontsteltenis was oprecht, en Bodenstein was opgelucht dat zijn dochter niet een heimelijke bondgenote van haar moeder bleek te zijn.
‘Tja.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Dat kon ik eerst ook niet. Maar het is kennelijk al een hele tijd aan de gang.’
Rosalie snoof, schudde haar hoofd. In één klap viel het air van volwassenheid van haar af; ze was weer een klein meisje, overweldigd door een waarheid die voor haar net zo onbegrijpelijk was als voor hem. Bodenstein wilde haar niet voorspiegelen dat alles weer op zijn pootjes terecht zou komen. Tussen hem en Cosima zou het nooit meer zo zijn als vroeger. Daarvoor was de wond die ze hem had toegebracht te diep.
‘Ja, en nu? Ik bedoel... hoe... hoe...’ Rosalie stokte. Radeloos, hulpeloos. Opeens stroomden de tranen over haar gezicht. Bodenstein nam zijn snikkende dochter in zijn armen en duwde zijn mond tegen haar haar. Hij sloot zijn ogen en zuchtte. Hoe vurig wenste hij dat hij ook zo simpel zijn tranen de vrije loop kon laten, en om Cosima, om zichzelf en hun hele leven kon huilen!
‘We vinden wel een oplossing,’ mompelde hij, en hij streelde haar achterhoofd. ‘Ik moet het ook eerst even verwerken.’
‘Waarom doet ze dat?’ snikte Rosalie. ‘Ik begrijp het niet!’
Ze bleven lange tijd zo staan, toen nam Bodenstein haar gezicht, dat nat was van de tranen, in zijn handen.
‘Rij naar huis, schat van me,’ zei hij zacht. ‘Maak je geen zorgen. Je moeder en ik komen er op een of andere manier wel uit, hm?’
‘Maar ik kan je toch niet zomaar alleen laten, papa! En... en binnenkort is het Kerstmis, en als je er niet bent, dan is het toch geen familiefeest meer!’ Dat klonk wanhopig, echt als Rosalie. Als kind al had ze zich voor alles wat er binnen de familie en haar vriendenkring gebeurde verantwoordelijk gevoeld – en zodoende regelmatig te veel hooi op haar vork genomen.
‘Tot Kerstmis duurt het nog een paar weken. En ik ben niet alleen,’ verzekerde hij haar. ‘Opa en oma zijn er. Quentin en Marie-Louise. Zo erg is het niet.’
‘Maar je bent vast verdrietig.’
Van die logica had hij niet terug.
‘Ik heb op het ogenblik zo veel te doen, dat ik er helemaal niet aan toekom verdrietig te zijn.’
‘Is dat waar?’ Haar lippen trilden. ‘Ik vind de gedachte onverdraaglijk dat je verdrietig en alleen bent, papa.’
‘Maak je geen zorgen. Je kunt me altijd bellen of een sms sturen. Maar nu moet je naar bed, en ik ook. Morgen praten we verder, oké?’
Rosalie knikte sip en haalde haar neus op. Daarna gaf ze hem een vochtige kus op zijn wang, omhelsde hem nog eens, stapte in haar auto en startte de motor. Hij bleef haar op de parkeerplaats staan nakijken tot de achterlichten in het bos waren verdwenen. Met een zucht draaide hij zich om. Het besef dat hij op de genegenheid van zijn kinderen kon rekenen, zelfs als zijn huwelijk schipbreuk zou lijden, luchtte hem op en troostte hem.