Hoofdstuk 2
Sharon ging tegen de middag weg en Colin bleef zeer verzadigd achter in het doorwoelde bed. Hij genoot nog na toen de voordeur rammelde en Bert binnenkwam, op de voet gevolgd door de grijnzende Doc en Eddie.
‘Je wist nog dondersgoed waar je hem in moest stoppen, hè?’ Doc keek hem met een verlekkerde blik aan toen ze de slaapkamer binnenkwamen.
‘Ik ben helemaal op,’ gaf hij toe. ‘Sufgeneukt.’
‘Jíj sufgeneukt?’ Bert snoof. ‘Wat denk je van Sharon?’
Colin deed zijn ogen even dicht om na te genieten en keek toen op naar zijn grijnzende vrienden.
‘Bedankt,’ zei hij. ‘Bedankt voor een geweldige avond. Het was het bijna waard om er vier jaar voor te zitten.’ Plotseling was hij een en al energie. Hij sprong uit bed en liep met de ongegeneerdheid die hij in vier jaar in een cellenblok had opgedaan spiernaakt naar de badkamer.
Een half uur later zat hij, verfrist en tevreden, met zijn vrienden in de huiskamer.
‘Nou, wat ga je doen?’ Bert klonk serieus nu hij over Colins toekomst begon. ‘Kom je in de firma terug?’
‘Daar heb ik het al met Doc over gehad,’ antwoordde Colin na een korte stilte. ‘Ik kom in de firma terug, maar ik vind dat we op zoek moeten gaan naar het betere werk, dingen die wat meer geld opleveren. Maar eerst wil ik uitrusten. Ik ga een paar maanden bij een oom van me logeren. Dan raak ik de vieze smaak van Wandsworth kwijt en kom ik ook eens een beetje in de zon.’
‘Dat moet je zelf weten,’ zei Bert, en hij boog zich naar voren en ging ernstig verder. ‘Maar Eddie heeft wat goeds op het oog in Kilburn. Iets met hulp van binnenuit. De kassier daar heeft voor een paar duizend pond aan gokschulden en heeft dringend geld nodig. Hij geeft de tas zelf af; dat is geen probleem. Maar omdat we nog met zijn assistent en de chauffeur zitten, hebben we een beetje overwicht nodig. Met z’n drieën is het te doen, maar een mannetje erbij zou van pas komen. Die extra poen kun je misschien wel gebruiken.’
‘Ik ben niet echt blut,’ gaf Colin toe. ‘Ik heb nog steeds een paar duizend pond achter de hand.’
‘Nou, het is niet echt de grote klapper, maar het is een leuk overvalletje. De buit is ongeveer vijftigduizend. De kassier wil tienduizend, maar dan blijft er voor ons nog veertigduizend over. Dan heb je wat zakgeld als je op die vakantie gaat,’ plaagde hij.
‘Wat is het voor iets?’ vroeg Colin. Onwillekeurig kwam hij toch in de verleiding.
‘Een fluitje van een cent,’ zei Doc. ‘De salarissen van een kleine fabriek. Die kassier en zijn assistent dragen het geld van de bank naar een auto die op het parkeerterrein aan de achterkant klaarstaat, daar pikken we het in. Het moet geen probleem zijn.’
‘Eigenlijk geen karwei voor vier man, hè?’ merkte Colin op. ‘Drie is genoeg voor zoiets.’
‘Ja,’ beaamde Bert. ‘Maar het kan nooit kwaad om voorzichtig te zijn. Vergeet niet: er staat maar één man aan onze kant. En de chauffeur is ook een soort bewaker.’
‘Omdat jij net vrij bent,’ zei Eddie, en hij boog zich aanmoedigend naar voren, ‘dachten we dat we jou als verzekering mee konden nemen, voor het geval iemand moeilijk gaat doen. Als er niks gebeurt, blijf je gewoon zitten tot het voorbij is en ga je dan naar huis.’
Doc bewoog zijn met goud behangen pols heen en weer. ‘Het is een makkie, Colin,’ zei hij. ‘We houden het nu drie weken in de gaten. Echt waar, het is zonde om dat geld te laten lopen.’
Ondanks zijn voornemen om een welverdiende rust te nemen ging er een vertrouwde huivering door Colin heen. Het was kat in het bakkie en hij wist dat ze hem de gemakkelijkste taak gaven: hij hoefde alleen maar toe te kijken. Op die manier rolde hij vanzelf weer het criminele leven in, en het geld zou hij inderdaad wel kunnen gebruiken.
‘Klinkt goed,’ zei hij voorzichtig. ‘Maar weten jullie zeker dat jullie mij erbij willen hebben? Ik bedoel… Ik wil niet meteen van jullie gaan profiteren.’
‘Profiteren!’ riep Bert uit. ‘Je zit toch in de firma? Trouwens, met die smerissen van tegenwoordig kan een beetje verzekering echt geen kwaad.’
‘Oké!’ Colin hakte de knoop door. ‘Ik doe mee.’